ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Dan Reeder “Dan Reeder”Michael Veitch “Heartlander” - Blackie And The Rodeo Kings “BARK”Jon Rauhouse “Steel Guitar Rodeo”Mark Brine “Fortunes – The Best Of Mark Brine”Sammy Sadler “Hard On A Heart” - Brian Webb “Live”Ned Van Go “Rain, Trains And The Lord Almighty”Dexter Romweber “Blues That Defy My Soul” - Jolie Holland “Escondida”The Watchman “Weep On, Willow”Dayna Kurtz “Beautiful Yesterday”Del McCoury “High Lonesome And Blue”Two Dollar Pistols “Hands Up!”Johnny Dowd “Cemetery Shoes”Alecia Nugent “Alecia Nugent”Mike Gibson “City Farm”The Resentments “The Resentments” - Bobby Bare Jr.’s Young Criminals’ Starvation League “From The End Of Your Leash”Paul James Berry “Nations” - Greg Trooper “Straight Down Rain / Live At Pine Hill Farm”Jim Malcolm “Live In Glenfarg” - Magee Payne “Giving Up The Ghost”Rowwen Hèze “In De Tent – Live In America” (DVD)Ian Charles “Minutes From Midnight”Korby Lenker “Bellingham”Chris Cacavas “Self Taut” - Alan Rhody “Journey”The Blasters “Live – Going Home”Brindley Brothers “Playing With The Light”Terry Lee Hale “Celebration What For”Larry Guild “Mule Shoes & Medicine Bags” - Rosie Flores “Bandera Highway”T-99 “Strange Things Happen”Julian Dawson “Bedroom Suite”Paul Geremia “Love, Murder And Mosquitos” - Tom Freund “Copper Moon”Jim Lauderdale “Headed For The Hills”Eric Lewis & Andy Ratliff “Edgar’s Blues”Denison Witmer “Philadelphia Songs” - James McMurtry & The Heartless Bastards “Live In Aught-Three”E.T. Doolin “E.T. Doolin”Phil Pritchett & The Full Band “Cool And Unusual Punishment – Live” - Joe West “South Dakota Hairdo”Lee Marvelous “One Step Right Behind”Roger McGuinn “Limited Edition” - Robin & Linda Williams “Deeper Waters”Patti Witten “Sycamore Tryst”Rosalie Sorrels & Friends “My Last Go Round”The Jigsaw Seen “We Women”The Randy Cliffs “Trixie’s Trailer Sales” - Lucy Kaplansky “The Red Thread”Jerry Sires Band “You’re Gonna Be Cold” - Various Artists “No Depression: What It Sounds Like, Vol. 1”Graham Parker “Your Country”Tom Van Stiphout “Motion”Eliza Gilkyson “Land Of Milk And Honey”The Greencards “Movin’ On”Hubcap “Halogen Sons”Various Artists “Blue Highways 5”

 

DAN REEDER

“Dan Reeder”

(Oh Boy Records)

(4) J J J J

 

In zijn gecombineerde hoedanigheid van platenbaas–levende singer-songwriterlegende vormt John Prine vrijwel voortdurend het ideale mikpunt voor andere liedjesschrijvers, die via zijn bemiddeling hun weg in de jungle van de muziekbusiness hopen te kunnen vinden. Wat Prine daarbij het meest stoort is de middelmatigheid van heel wat hem om die reden toegezonden materiaal. Originaliteit blijkt in veel gevallen ver te zoeken. Hij gaat bij de keuze van artiesten voor zijn label dan ook niet over ijs van één nacht. Dat bewijzen in het verleden getekende namen als Malcolm Holcombe en Todd Snider. En nu ook Dan Reeder.

Diens debuut-CD is een echt juweeltje! Net als Prine zelf is Reeder immers één van die artiesten die zich geen beperkingen laat opleggen. Hij schrijft precies wat hij wil en wanneer hij het maar wil. En dat blijkt vaak ongemeen humoristisch. Zijn invalshoek is daarbij die van de (akoestische) bluesy singer-songwriter. En bij de uitvoering van zijn liedjes lijkt hij vooral ook niets aan het toeval te willen overlaten, want hij bespeelt hier alle instrumenten (diverse gitaren, ukelele, bas, harmonica, drums, percussie) zelf.

Dan Reeder mag naar ons gevoel dan ook zo in het vakje liedjesschrijvers hors catégorie worden ondergebracht. Laat ons hopen, dat hij – zoals dat met Todd Snider in het verleden het geval was – binnenkort met grootmeester Prine mee de hort op mag. Het zou hem geen windeieren leggen. Warm aanbevolen plaatje ondertussen!

www.ohboy.com

 

 

MICHAEL VEITCH

“Heartlander”

(Burt Street Music)

(3) J J J

 

Voor de opnames van zijn vierde CD “Heartlander” toog singer-songwriter Michael Veitch naar Woodstock. Daar nam hij verspreid over een periode van twee jaar de dertien “love songs of life and people” op die de inhoud van zijn nieuwe album vormen. En de keuze van die locatie past eigenlijk perfect bij de twee op deze plaat overheersende gevoelens. Veitch presenteert zich immers enerzijds als eigentijdse protestzanger (zoals in het erg knappe, wat bitterzoet smakende “Veteran’s Day”), anderzijds als romanticus (zoals in zijn ode aan de vrouw “It Takes A Woman”). De man koppelt daarbij poëtische begaafdheid aan storytellerstalent. En met zijn markante tenorstem beschikt hij bovendien over het geknipte instrument om zijn vaak wat breekbare folky liedjes aan de man te brengen. Wie houdt van door het leven van alledag geïnspireerd singer-songwritermateriaal komt hier dan ook volop aan zijn trekken. Liefhebbers van de in deze contreien behoorlijk populaire Eugene Ruffolo zullen “Heartlander” bijvoorbeeld wel naar waarde weten te schatten.

www.michaelveitch.com

 

 

BLACKIE AND THE RODEO KINGS

“BARK”

(True North Records / Rounder)

(4) J J J J

 

Wat krijgen we nu? Ctrl. Alt. Country op z’n hondjes? Maar dan niet echt… “BARK”, de titel van de derde gezamenlijke worp van Stephen Fearing, Tom Wilson (Junkhouse) en Colin Linden, verwijst natuurlijk gewoon naar de eerste letters van de groepsnaam waaronder ze gemeenschappelijk door het leven stappen, te weten Blackie And The Rodeo Kings – al zit dat vervelende lidwoord natuurlijk wel een beetje in de weg… Bijzonder knappe plaat is dat trouwens. De drie Canadezen hadden met de voorgangers ervan, “High Or Hurtin’” uit ’96 en de dubbelaar “Kings Of Love” uit ’99, de lat dan ook erg hoog gelegd voor zichzelf. Ditmaal werd tijdens de opnames nagenoeg volledig van de eigen kracht uitgegaan. Enkel covers van de legendarische Willie P. Bennett (“Willie’s Diamond Joe”) en van Bruce Cockburn (“Tie Me At The Crossroads”) doorbreken de hegemonie van de eigen composities even. Voor dat laatste nummer kwam trouwens ook Sue Foley even langs voor wat vocale assistentie.

Veel meer dan op hun eerste beide platen slagen Blackie And The Rodeo Kings erin om deze derde als een hecht blok te laten klinken. Ondanks het feit, dat er nog voortdurend afgewisseld wordt tussen flukse rockertjes, meer bluesy materiaal en ballades vormt “BARK” veel meer als een echte eenheid. Drie straffe stemmen, drie straffe snarentemmers, drie straffe schrijvers. Het resultaat? Eén straffe plaat! Hoogtepunten zat dan ook. Wij beperken ons hier tot drie stuks. “Born To Be A Traveler” is een heerlijke, wat atmosferisch aandoende ballad uit de koker van Stephen Fearing. “You’re So Easy To Love” is een super catchy springerige rocker met een hoofdrol voor Tom Wilson. En Colin Lindens kijk op het hier hoger al vermelde “Willie’s Diamond Joe” is gewoon de absolute top wat betreft trage bluesy rootsrock.

www.rodeokings.com

www.truenorthrecords.com

 

 

JON RAUHOUSE

“Steel Guitar Rodeo”

(Bloodshot / Bertus)

(3) J J J

 

Het muzikale c.v. van steelgitaartovenaar Jon Rauhouse heeft veel weg van een “Who’s who in alt. country?” De voormalige Grievous Angel behoort dan ook zondermeer tot de meest gebezigde studiomuzikanten binnen het genre. Teddy Morgan, Neko Case, Sally Timms, The Band Of Blacky Ranchette, de Waco Brothers, de Pine Valley Cosmonauts,… Het lijstje vaste klanten is schier eindeloos. Geen wonder dan ook, dat op zijn eigen nieuwe CD ook behoorlijk wat bekende namen de revue passeren. Voor wat hoort immers wat… “Jon Rauhouse’s Steel Guitar Rodeo” mag dan nog een grotendeels instrumentale aangelegenheid zijn, de meest in het oog springende momenten zijn uiteraard net de gezongen collaboraties met bekende(re) collega’s. Dan denken we in de eerste plaats bijvoorbeeld aan de prachtige Neko Case-bijdrage aan de akoestische ballade “River Of No Return”. Maar ook aan het door Kelly Hogan gecroonde jazzhoogstandje “Smoke Rings” en aan Sally Timms’ bijna gefluisterde versie van “White Cliffs Of Dover”. En bovendien komen ook Howe Gelb, Carolyn Mark en Rauhouse zelf vocaal nog aan hun trekken.

Voor het overige echter al Rauhouse en Connell-snarenwerk wat hier de klok slaat. En zonder stilistische beperkingen dan nog wel! Wervelende bluegrass, big band stuff, retro-country, cowboy jazz, Hawaïaanse Spielereien, regelrechte garage rock,… De muzikale wereld van Jon Rauhouse is één groot bont allegaartje en blijft op die manier te allen tijde lekker verrassend.

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

MARK BRINE

“Fortunes – The Best Of”

(Shut Eye Records)

(3) J J J

 

Ingetogen Americana-hoogstandjes als “For Karrie”, “8th Grade Romance (…And They Danced)” en “Riverboat” zorgden ervoor, dat we Mark Brine’s laatste CD “For Karrie” met plezier regelmatig aan de slede van onze CD-speler toevertrouwden. Een plaat vol met dergelijke beauties zou een echte aanrader zijn voor elke liefhebber van het genre, meenden we indertijd. Maar precies daarin schuilt hem een beetje de grootste tekortkoming van “Fortunes”. Van deze best of-collectie verwachtten we nu net zo’n stroom aan kleine meesterwerkjes. En daarbij blijven we toch een beetje op onze honger achter. Zeker, Brine weet best een aardig deuntje te brengen, dat bewijzen ondermeer het al genoemde drietal, het zachtjes voortkabbelende rootsy titelnummer (van de hand van Ola Belle Reed), het intens mooie slaapliedje “The ‘God Will Be Up’ Lullaby” en vooral ook het met een snuif Creoolse kruiden opgediste “Ay’ee Lou’siana” en de akoestische (country) bluesjes “Ukelele Yodelin’ Blues” en “New Blue Yodel”. Maar van ‘n een hele carrière overspannende collectie mag je toch net iets meer verwachten, niet?

www.markbrine.com

 

 

SAMMY SADLER

“Hard On A Heart”

(Tri Records)

(2.5) J J J

 

Wat de in Memphis geboren, maar in Texas opgegroeide Sammy Sadler betreft kunnen we het hier kort houden. Als je ’t ons vraagt is het levensverhaal van de man immers een stuk boeiender dan zijn muziek zelf. Sadler werd in de lente van 1989 samen met zijn beste vriend Kevin Hughes totaal onverwacht neergekogeld door een gemaskerde onbekende. Zijn maatje zou het voorval niet overleven. En een zwaar gekwetste en getraumatiseerde Sadler zelf zag er de aanzet tot een veelbelovende carrière in Nashville door verloren gaan. Het zou hem uiteindelijk zo’n vijftien jaar kosten voor hij het durfde te wagen zijn droom opnieuw te gaan najagen met “Hard On A Heart”, een plaat die de concurrentie met de grote meerderheid van de artiesten die momenteel het mooie weer maken in de countryhitlijsten zeker aankan. Met als pluspunt bovendien een zekere hang naar de late jaren tachtig en de vroege jaren negentig, toen coryfeeën als Randy Travis, Alan Jackson, Clint Black en George Strait nog volop de dienst uitmaakten. Maar die namen alleen al verraden, waarom deze plaat niet echt aan ons besteed is. Het klinkt ons inderdaad allemaal net iets te gelikt. Al willen we om onze goede wil te tonen graag een uitzondering maken voor het soulvolle “Nobody Knows”, dat hier met zijn leuke blazerspartijen in al z’n commercialiteit toch goed bleek voor een goedkeurend hoofdknikje. Een volgende keer iets meer van dat graag…

www.sammysadler.com

 

 

BRIAN WEBB

“Live”

(Derekboy Records)

(4) J J J J

 

Wij hadden tot dusverre niet het genoegen om Brian Webb in levenden lijve aan het werk te zien. Maar de eerstkomende gelegenheid daartoe zullen we wel met beide handen aangrijpen, dat staat nu al vast. Webbs opvolger voor het in 2002 verschenen “Broken Folk”, het met Sean Staples op de mandoline en Rachel McCartney als vocale rechterhand op diverse locaties in de States en in Nederland opgenomen “Live”, laat immers een bijzonder innemende podiumverschijning aan het werk horen. Nog meer dan die voorganger toont dit album, welk een begenadigd singer-songwriter Brian Webb wel is. Deze zestien - tijdens akoestische gigs geregistreerde - songs tellende collectie biedt een mooie dwarsdoorsnede van het werk van de man tot op heden. Introverte eigen liedjes als “Joshua” en “Wrestle The Ground” worden er op afgewisseld met meer bluesy spul als “Oh Lord”, ongemeen grappige momenten als de meezinger “Product In Your Hair Boys” en knappe verstilde covers van Patty Griffins “Top Of The World” en het in de Take Five in Venlo vereeuwigde “Hallelujah” van Leonard Cohen – hier zeker zo bekend in de uitvoering van wijlen Jeff Buckley.

Al bij al dus opnieuw een hoogst charmant staalkaartje van ’s mans kunnen, waarvan in alle bescheidenheid een haast onweerstaanbare aantrekkingskracht uitgaat. Wie houdt van akoestisch singer-songwritermateriaal kan eigenlijk gewoon blind tot de aanschaf ervan overgaan.

www.brian-webb.com

Lucky Dice

CD Baby

 

 

NED VAN GO

“Rain, Trains And The Lord Almighty”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Ned Van Go is het geesteskind van Ned Hill, voormalig kopstuk van The Cowards. De groep die verder bestaat uit Jeff Davis (akoestische gitaar, bas, harmonica en achtergrondzang), Eliot Houser (diverse gitaren, dobro en achtergrondzang), Ashley Mimbela (toetsen) en Reggie Las Vegas (drums en percussie) debuteerde in 2001 met de CD “Ned Van Go – In Stereo”. En nu is er dus de opvolger daarvan “Rain, Trains And The Lord Almighty”. En die biedt naast een leuke titel vooral ook meer van hetzelfde, te weten hoogst aanstekelijke “southern fried rootsrock en –pop”. Die van Ned Van Go laten daarop horen goed naar de Jayhawks te hebben geluisterd, zonder daarbij evenwel Hills power-popverleden te verloochenen. Alt. country, rootsrock en (power)pop vinden elkaar hier namelijk blindelings. Met wat ons betreft als absolute stand-outs de prachtige ballade “Jennifer” – die ondermeer door haar werkelijk glasheldere samenzang klinkt als Crowded House in Roots Town – en het zomerse openingsnummer “Back Home”. “Rain, Trains And The Lord Almighty” is samenvattend typisch zo’n plaat waarvan je nu al weet, dat ze hier binnenkort tijdens de warme vakantiemaanden wel eens heel veel speelgelegenheid zou kunnen krijgen.

www.nedvango.com

Miles of Music

 

 

DEXTER ROMWEBER

“Blues That Defy My Soul”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Dankzij zijn opvallende verleden in de Flat-Duo Jets mag Dexter Romweber rekenen op flink wat prominente bewonderaars. Mensen als een Jack White van The White Stripes, R.E.M.’s Mike Mills, Daddy O Grande van Los Straitjackets en Southern Culture On The Skids-kopstuk Rick Miller zal je bijvoorbeeld maar wat graag de loftrompet over de man horen afsteken. En daar valt op basis van wat hij klaarmaakt op zijn nieuwe solo-CD “Blues That Defy My Soul” ook absoluut in te komen. In een productie van precies de hoger al genoemde Rick Miller laat Romweber de hoogdagen van het rock & roll-genre in al hun glorie herleven. Als een soort van zwaar onder de steroïden zittende Brian Setzer grijpt hij je van bij de eerste tonen van het openingsnummer “Rockin’ Dead Man” stevig bij je nekvel om zijn wurggreep pas veertien liedjes verder weer te lossen en je zwaar in ademnood verkerend achter te laten. Rauwe authenticiteit is daarbij voortdurend het sleutelwoord. Alsof wijlen Eddie Cochran na kort stage te hebben gelopen bij The Cramps met de garagepoort wagenwijd open weer aan de slag is gegaan, zo klinkt dit namelijk zo ongeveer. Met een speciale vermelding tenslotte ook nog voor vanuit het niets opduikende twangy instrumentals als “Nephertite” en “Nabonga”. Rock & roll blijkt inderdaad nog altijd here to stay. Of om het met een typisch Vlaamse uitdrukking te verwoorden: “Straffe toebak!”

www.dexterromweberduo.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

JOLIE HOLLAND

“Escondida”

(Anti / Epitaph)

(4.5) J J J J J

 

In juli van vorig jaar, lang voor er voor haar sprake was van een serieuze platendeal, lieten wij ons hier al in zeer lovende bewoordingen uit over “Catalpa”, het debuut tegen wil en dank van Jolie Holland. Het in besloten kring en met minimale middelen opgenomen schijfje, dat eigenlijk nooit als plaat bedoeld was geweest, bleek van een zodanig tijdloze schoonheid, dat Holland niet alleen ons een serieuze uppercut ermee bezorgde. Critici over zowat de gehele wereld bleken al snel onze mening te delen, een gegeven dat er uiteindelijk zou toe leiden, dat ze werd binnengehaald door Anti / Epitaph, waardoor haar onbedoelde eersteling onvermoed zelfs leidde tot haar doorbraak op kleine schaal.

Een oude geest in een jong lichaam, da’s misschien wel de meest adequate beschrijving voor deze wat aparte zangeres-liedjesschrijfster. Holland stond ooit nog mee aan de wieg van de Be Good Tanyas, op wier eerste CD “Blue Horse” ze zelfs nog meedeed. Helemaal vreemd is het dan ook niet, dat ze het alternatieve Americana-geluid van die groep koppelt aan breekbare jazzvocalen à la Billie Holiday en elementen uit folk en blues. Wie verwacht had, dat Holland het ongedwongen karakter van haar visitekaartje “Catalpa” in een heuse opnamestudio niet zou kunnen evenaren, komt alvast bedrogen uit. Niet alleen klinkt “Escondida” (uiteraard) een stuk beter, de liedjes erop komen stuk voor stuk zeer warm en losjes uit de pols gespeeld over. Opener “Sascha” en het daaropvolgende “Black Stars” zijn jazzy miniatuurtjes, waarin ze met haar lenige stem dingen doet die zelfs het Norah Jones kopende publiek zouden moeten kunnen behagen. Daar staat echter voldoende folk- en Americanagetint materiaal tegenover om ons ook ditmaal weer sprakeloos achter te laten. Het met subtiele blazers naar haar Creoolse roots verwijzende “Old Fashion Morphine” en het streepje akoestische country “Goodbye California” bijvoorbeeld zijn songs van een wel uitzonderlijk goed jaar. Het klinkt allemaal even puur, even onbezoedeld. Een beetje sensueel zelfs bij momenten. Aan de titel van de plaat zal Holland zelf naar onze bescheiden mening dan ook niet lang meer kunnen blijven beantwoorden. “Escondida” betekent immers verborgen. En wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen, dat een dergelijk natuurtalent niet snel zou krijgen waar het recht op heeft, te weten wereldwijde erkenning. Très Jolie!

www.jolieholland.com

www.anti.com

 

 

THE WATCHMAN

“Weep On, Willow”

(CRS)

(4) J J J J

 

Maar bitter weinig artiesten uit eigen contreien kunnen bogen op een dergelijke impressionante muzikale staat van dienst als Ad van Meurs AKA The Watchman. De Brabander heeft in de voorbije jaren vrijwel ononderbroken een voortrekkersrol vervuld binnen de Nederlandse singer-songwriter scene. En daarbij werd hij naar ons gevoel toch net iets te vaak als een folkie versleten. Zijn nieuwe CD “Weep On, Willow – Acoustic Blues By The Watchman” komt voor ons dan ook niet helemaal als een verrassing. Het lijkt erop, dat van Meurs met dit nieuwe album voor alle duidelijkheid toch maar eens even wil accentueren, dat hij eigenlijk een rootsmuzikant is. Zonder zich daarbij overigens geheel en al vast te pinnen op het akoestische bluesgenre als dusdanig. De ondertoon is er één van blues, dat zeker, maar daar kan je nog werkelijk alle kanten mee op. Mede dankzij de bijzonder gedreven saxinbreng van Menno Romers, het werkelijk adembenemend mooie akoestische gitaarwerk van Stephan Jankowski en de vocale ruggesteun van Ankie Keultjes kan van Meurs zich volop uitleven in tien eigen composities en een puike cover van Muddy Waters’ “Louisiana Blues”. Dat kan broeierig ingetogen zoals in het verbluffende “Leave Me Blues”, maar ook lekker opgewekt zoals in de wat speels opgevatte opener “Drizzle” tot zelfs behoorlijk stevig zoals in het gejaagde “Laundry Days”. “Weep On, Willow” groeit zo uit tot één van The Watchman’s sterkste albums so far. Om maar niet meteen te schrijven hét sterkste… God moet echt wel in een behoorlijk cynische bui geweest zijn toen hij deze volbloed-Texaan ver weg van z’n Mekka in het Brabantse muzikale landschap neerplantte… Al een geluk voor ons, dat (muzikanten)bloed kruipt waar het niet gaan kan! (En dat Nederland dezer dagen over een veel levendigere roots scene beschikt dan Hij zelfs in zijn stoutste dromen had kunnen vermoeden.)

www.watchman.nl

www.continental.nl

 

 

DAYNA KURTZ

“Beautiful Yesterday”

(Munich)

(4) J J J J

 

Het succesverhaal van de Amerikaanse zangeres Dayna Kurtz is er één van het type waarvan platenmaatschappijen over het algemeen alleen maar kunnen dromen. Quasi vanuit het niets kwam in 2003 immers haar formidabele (officiële) debuut “Postcards From Downtown”. En om de verrassing helemaal compleet te maken zou de daarvan getrokken prachtsingle “Love Gets In The Way” met in zijn kielzog ook het album zelf ook nog eens prompt doorstoten tot de hitlijsten. Opmerkelijk in die zin dat ze deze initiële successen boekte zonder de in dat verband meestal broodnoodzakelijke uitgebreide promotiecampagnes. Kurtz groeide zo in no time uit tot de nieuwe chou-chou van zowel critici, als muziekliefhebbers. Een gegeven dat ze wellicht ook in niet geringe mate te danken had aan het feit, dat ze ook live steeds weer diepe sporen naliet.

Naar haar nieuwe CD werd hier dan ook al een poosje met argusogen uitgekeken. En terecht, zo blijkt. “Beautiful Yesterday” is immers opnieuw een ongemeen knappe verzameling liedjes geworden, die voortdurend heen en weer blijven laveren tussen introverte (veelal akoestische) Americana en poppy jazz. Kurtz profileert zich daarbij opnieuw als de indrukwekkende zangeres van haar eersteling. Krachtige stem, passionele voordracht, prima songkeuze. Meer moet dat niet zijn! Eigen liedjes worden op “Beautiful Yesterday” afgewisseld met covers van nummers waar ze naar eigen zeggen zelf behoorlijk weg van is. En dat levert enkele behoorlijk markante momenten op. “Joy In Repetition” van Prince krijgt zo een zonderling poppy jazz-jasje aangemeten. En Leonard Cohen vindt zijn “Everybody Knows” hier geheel en al drijvend op de onderkoelde zang van Kurtz terug. Andere hoogtepuntjes zijn een hoogst charmante, in gebroken Frans gebrachte uitvoering van de standard “Parlez-Moi D’Amour”, een berookte duetversie van het al even klassieke “I Got It Bad” met Norah Jones, de op een soulvol orgeltje terende kippenvelballade “Amsterdam Crown” en een beklemmend mooi “Those Were The Days”. Vergeet Mary Hopkin en verwijl net als ons in gedachten even bij een verwante ziel als Mary Coughlan. Héél knap gedaan!

Dayna Kurtz lijkt zo op het eerste gezicht dus alle troeven in handen te houden om de verpletterende eerste indruk die ze hier achterliet met haar tweede studioplaat te kunnen continueren.

www.daynakurtz.com

www.munichrecords.com

 

 

DEL McCOURY

“High Lonesome And Blue”

(Rounder / CRS)

(4) J J J J

 

Het gerespecteerde onafhankelijke label Rounder viert zijn dertigste verjaardag. En om die mijlpaal in z’n bestaan op passende wijze op te luisteren kondigde het dertig compilaties aan, die de eigen muzikale historiek mooi zouden samenvatten. De jongste worp in dat ondertussen stilaan indrukwekkende lijstje is de aan Del McCoury gewijde verzamelaar “High Lonesome And Blue”, een liefdevol samengestelde bloemlezing uit het oeuvre van de man, die middels zijn bijzonder gesmaakte samenwerking met Steve Earle op diens “The Mountain” heel wat nieuwe zieltjes wist te winnen voor het bluegrass-genre. “High Lonesome And Blue” is dan ook de ideale introductie tot het omvangrijke repertoire van McCoury voor al die – om het ongewild met een van weinig respect getuigende term te verwoorden – leken. Het album bevat zestien tracks van de tussen 1987 en 1996 bij Rounder verschenen albums “The McCoury Brothers”, “Don’t Stop The Music”, “Blue Side Of Town”, “A Deeper Shade Of Blue” en “The Cold Hard Facts”. Met telkens een woordje uitleg erbij om je al bladerend door het plakboek van McCoury ook iets te laten opsteken over de man en zijn muziek. Meesterlijke eigen composities als “Road Of Love” en “I Feel The Blues Moving In” worden afgewisseld met doorleefde versies van liedjes als George Jones’ “Don’t Stop The Music”, Lefty Frizzell z’n “If You’ve Got The Money Honey”, David Olney’s “Queen Anne’s Lace”, Steve Earle’s “If You Need A Fool” en Bill Monroe’s “The Bluest Man In Town”, om er zomaar een paar te noemen. Met zijn soulvolle hoge tenorstem lijkt McCoury als het ware voortdurend de titel van deze plaat te moeten verdienen. En dat doet hij met brio. Deze collectie is immers een schoolvoorbeeld van muzikale virtuositeit gekoppeld aan ongebreidelde liefde voor het liedje.

www.delmccouryband.com

www.rounder.com

www.continental.nl

 

 

TWO DOLLAR PISTOLS

“Hands Up!”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Er zijn zo van die platen waar je als recensent met net iets meer overtuiging aan wil als andere. En tot die categorie behoort wat ons betreft zondermeer ook het hele oeuvre van de Two Dollar Pistols. Al sedert hun debuut in ’97 met “On Down The Track” zijn wij hondstrouwe fans van dit uit Chapel Hill, NC afkomstige combo rond oercowboy John Howie, Jr. In wisselende bezettingen zouden ze ons door de jaren heen telkens weer tot op het puntje van onze stoel krijgen met respectievelijk het heerlijke live-album “Step Right Up” (uit ’98), de met die andere huisfavoriete opgenomen duettenverzameling “The Two Dollar Pistols With Tift Merritt” (uit ’99) en vooral ook de meesterlijke moderne “honky tonk etcetera-collectie” van goed twee jaar geleden “You Ruined Everything”.

En nu is er dus hun vierde studioworp “Hands Up!”, waarmee Howie en de zijnen opnieuw resoluut – dat weze alvast vooraf gezegd – op een onvoorwaardelijke overgave van hun publiek aansturen. In die zin valt de titel ervan alvast volop te rechtvaardigen. In het middelpunt van de belangstelling staat als vanouds Howie’s wat aparte, maar ook bijzonder warme en erg lenige baritonstem. De man lijkt er dan ook zo goed als alles mee aan te kunnen. En dat past ditmaal wel erg goed in zijn kraam, want op “Hands Up!” heeft het er alle aanschijn van, dat hij per se wil bewijzen, dat hij zowat elke stijl die Nashville door de jaren heen heeft voortgebracht ook daadwerkelijk onder de knie heeft. Van de door een meer dan normale hang naar de seventies gekenmerkte melodieuze countryrock van openingsnummer “Too Bad That You’re Gone” tot de keurig afgelijnde honky tonk van “Runnin’ With The Fools” en “How’s Life (On Top Of The World)”. Van een klassiek gestijlde tearjerker als “Don’t Start Me Wonderin’” tot het typische countrypolitan-gevoel van “Without Goodbye”. Van de countrygetinte roots pop van titelnummer “Hands Up!” tot het twangy country equivalent daarvan luisterend naar de titel “There Goes My Baby” – een pure oorwurm van het kaliber waarvan een groep als de Mavericks dezer dagen doorgaans alleen nog maar lijkt te kunnen dromen. Onder het motto “Wat anderen kunnen, kan ik ook!” laat Howie op “Hands Up!” het gros van de actuele concurrentie een flink poepje ruiken. En eigenlijk hoort dat ook wel gewoon zo voor het kopstuk van een groepje, dat zichzelf omschrijft als “country, maar dan wel met een zekere voorliefde voor R&B, rock & roll, rockabilly en The Beatles”.

www.twodollarpistols.net

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

JOHNNY DOWD

“Cemetery Shoes”

(Munich)

(3.5) J J J

 

Deze Johnny zal allicht altijd wel een wat aparte plaats blijven bekleden binnen de roots scene, no “Dowd” about that. Toegegeven, het is een eerder flauwe woordspeling, maar het is er natuurlijk wel één die zich met sprekend gemak laat onderbouwen. De voormalige verhuizer is immers één van de weinigen die in zijn rootsmuziek zo resoluut de alt. factor blijft beklemtonen. Zijn enigszins morbide, vaak hoekige liedjes laten zich bezwaarlijk anders bestempelen dan alternatief. Maar op de één of andere nauwelijks te bevatten manier blijven ze toch ook steeds wel iets met country of aanverwante rootsy genres hebben. Vrijwel staat er, want weirde, bijna funky uitspattingen als “Rest In Peace” of “Dear John Letter” wijzen toch al nadrukkelijk in een andere richting. En ook het op een bezwerend orgeltje geënte “Wedding Dress” gaat gebukt onder een zwaar neurotisch karakter. Typisch Dowd, denkt een mens dan enerzijds, maar anderzijds toch ook weer niet echt. Maar wat is eigenlijk typisch Dowd? Een goede vraag…

Als hij even gas terugneemt zoals in het dromerige “Shipwreck” of zich presenteert als een Cash onder de pillen zoals in het energieke openingsnummer “Brother Jim”, dan wordt al snel duidelijk, waarom hij zijn plaatsje in deze kolommen nog steeds ten volle verdient. En ook de gestoorde surf instrumental “Rip Off” kon hier vanaf het allereerste ogenblik op goedkeurend gegrom rekenen. Toch moet het ons van de lever, dat we op deze “Cemetery Shoes” iets missen. En dat is met name het vocale vuurwerk tussen de schone en het beest, die op een plaat als “The Pawnbroker’s Wife” wel voorhanden was. We doelen dan natuurlijk op de inbreng van Kim Sherwood-Caso. Net zoals we indertijd Lee Hazelwood ook het liefst in de buurt van Nancy Sinatra wisten, is Dowd voor ons op zijn best met Sherwood-Caso aan zijn zij. De echte meerwaarde die zij had kunnen toevoegen ontbreekt op die manier een beetje. Maar laat dat er je vooral niet van weerhouden om Dowd ook verder aan je borst te drukken, want ook zo blijft er hier nog flink wat te genieten. No doubt about that either!

www.johnnydowd.com

www.munichrecords.com

 

 

ALECIA NUGENT

“Alecia Nugent”

(Rounder / CRS)

(4) J J J J

 

Elke muzikale stroming heeft bij tijd en wijle nood aan vers bloed. En welke verstrekkende gevolgen zo’n injectie onbevangenheid kan hebben, kan wellicht niet beter worden geïllustreerd dan met een verwijzing naar de cruciale rol die Alison Krauss in de jaren negentig speelde met betrekking tot de popularisering van bluegrass. Met haar jeugdige benadering van dat sinds jaar en dag als oubollig gebrandmerkt staande genre wist ze er een onvermoed grote publieksbron voor aan te boren. En met haar aanwezigheid op de soundtrack van de succesprent “O Brother, Where Art Thou?” lag ze zelfs in grote mate mee aan de basis van de hausse die de Amerikaanse rootsmuziek momenteel in haar totaliteit beleven mag. Geen wonder dan ook, dat er ondertussen alweer naarstig gezocht wordt naar opvolging. En tot de voornaamste troonpretendenten die zich daarbij vooralsnog aandienden, moeten we voortaan zeker ook Alecia Nugent rekenen.

Deze uit Hickory Grove, Louisiana – niet bepaald bekend om z’n bluegrass-cultuur – afkomstige schone zal met haar door Carl Jackson geproduceerde debuut-CD zo menig een fan van Claire Lynch, Alison Krauss en vooral ook Rhonda Vincent overdonderen, daar kan je van op aan. In het gezelschap van gereputeerde muzikanten als producer Carl Jackson (op gitaar en banjo), Ben Isaacs (aan de bas), Aubrey Haynie (met sublieme vioolpartijen), Ronnie McCoury (op de mandoline) en Randy Kohrs (als naar goede gewoonte excellerend op de dobro) en met vocale bijstand van ondermeer Rhonda Vincent, Sonya Isaacs, Rebecca Lynn Howard en Larry Cordle schildert ze immers één van de betoverendste bluegrass-landschappen van de jongste maanden. Wie bijvoorbeeld niet een beetje smelt bij haar samen met Rhonda Vincent uitgevoerde versie van de Tex Ritter-hit “Jealous Heart” of het oorstrelend mooie duet met Carl Jackson “For Love’s Sake” heeft gewoon een hart van steen. En sprankelende uptempo riedeltjes als haar lezingen van Lester Flatt’s “I’ll Stay Around” of Carter Stanley’s “Think Of What You’ve Done” vormen de perfecte soundtrack bij de zoetjesaan ontluikende lente. Nugent beschikt over een werkelijk kristalheldere stem en de (ondanks haar nog relatief jonge leeftijd) jarenlange ervaring opgedaan bij haar vaders Southland Bluegrass Band maakt dat ze die ook bijzonder doeltreffend weet aan te wenden. Wie zich net als ons aangenaam door haar liet verrassen op de Rounder-compilatie “O Sister 2: A Women’s Bluegrass Collection” zal zijn geluk met deze eersteling van Alecia Nugent niet op kunnen. Een verbluffend mooie plaat is dat immers geworden!

www.alecianugent.com

www.rounder.com

www.continental.nl

 

 

MIKE GIBSON

“City Farm”

(Mad Village / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

De naam Mike Gibson mag dan misschien bij velen van jullie niet meteen een belletje doen rinkelen, toch is de man allesbehalve een nieuwkomer. Een vlugge blik op zijn c.v. leert, dat hij tot 1992 deel uitmaakte van het onvolprezen Britse rockcollectief The Godfathers en dat hij ook nadien nog regelmatig even aan het oppervlak verscheen bij acts als Nada en Grantby. Op zijn zopas verschenen solodebuut tapt die Gibson echter uit een geheel ander vaatje. “City Farm” biedt een Britse kijk op het actuele singer-songwriter Americana-gebeuren. Het album versmelt elementen uit folk, country en blues tot een aangenaam weghappend geheel. Melodieuze rootsrockliedjes als opener “10 Years”, “Wild Hearts” of “Motorcycle Ride” worden erop afgewisseld met van country doortrokken lappen schoonheid als “The Lowdown” of “’Till Tomorrow” en wat meer poppy spul als “Hey La!”. Een beetje een buitenbeentje is de gedreven boogie “The Truth”, daarin lijkt de rocker in Gibson weer even de bovenhand te zullen halen. Zij het dan ook zeer beheerst. De eindbalans hier helt dan ook aardig in het voordeel van de ex-Godfather over. Een zoveelste rocker op leeftijd die met succes de overstap naar Americana waagt dus. Het wordt zo stilaan een trend.

www.mike-gibson.com

www.sonic.nl

 

 

THE RESENTMENTS

“The Resentments”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Als opvolger voor het live in hun uitvalsbasis The Saxon Pub in Austin opgenomen “Sunday Night Line-Up” pakken de Resentments nu eindelijk ook met hun eerste collectieve studioplaat uit. En net als het werk van de qua opzet enigszins vergelijkbare Flatlanders zal ook dat album ongetwijfeld hoge ogen gaan gooien in rootsmiddens. Stephen Bruton (Bonnie Raitt), Jon Dee Graham (True Believers), Scrappy Jud Newcomb (Loose Diamonds), Bruce Hughes (Poi Dog Pondering) en de vervanger van de ondertussen overleden “Mambo” John Treanor, drummer John Chipman (Marcia Ball), zijn dan ook niet de eersten de besten. Elk voor zich schreven ze al een aardig hoofdstukje rootsmuziekgeschiedenis samen. Ervaring zat dus. En dat hoor je op “The Resentments”!

Wie er ook postvat achter de microfoon, het lijkt allemaal niet zo heel erg veel uit te maken. De flair waarmee hier gemusiceerd wordt, heeft immers iets buitengewoon aantrekkelijks. Je zou het qua sfeer allemaal een beetje kunnen vergelijken met The Band in zijn hoogdagen. Met dat verschil dan, dat de Resentments vier uitstekende vocalisten in hun rangen tellen. Afgetrapt wordt er met het enigszins naar Dylan lonkende rootsrockertje “Rich Man’s War”. Vervolgens zijn er heerlijk gruizige covers van het Leadbelly-bluesje “You Don’t Know My Mind” en de Big Star-hit “Thirteen”, met respectievelijk Newcomb en Graham als schuurpapierbladen van dienst. Wat volgt is een bont allegaartje van Beatleske pop (“Several Thousand”), feestelijke stampertjes (“Never Slowin’ Down” en “People Ask Me”), ingetogen roots rock (“Your Long Journey” en “World So Full”), pure country (“Annie”) en eerder naar bluegrass neigend materiaal (“The Greatest”). Met als absolute blikvanger het ogenschijnlijk in het bijzijn van de al eerder vermelde Bob Dylan in de achtertuin van Dr. John opgegraven en derhalve volop naar het diepe Zuiden geurende “Nothing Stays The Same”.

“The Resentments” is dus duidelijk weer zo’n geval van de som die het gedeel der delen met gemak blijkt te overstijgen. En als we je met die wetenschap in het achterhoofd ook nog even meegeven, dat de heren eerdaags voor een reeks optredens naar de Lage Landen afzakken, dan wordt het spreekwoordelijke tekeningetje d’rbij verder wel overbodig zeker? De concertagenda in de gaten houden is inderdaad de boodschap!

www.theresentments.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

BOBBY BARE JR.’S YOUNG CRIMINALS’ STARVATION LEAGUE

“From The End Of Your Leash”

(Bloodshot / Munich)

(4) J J J J

 

Op herhaling tijdens de jongste editie van Blue Highways, vanwege er tijdens hun vorige doortocht de pannen van het dak gespeeld, het zegt veel over de zich in alt. country-middens stilaan tot een hele grote opwerpende nazaat van de legendarische Bobby Bare. Junior en zijn los-vast-collectief de Young Criminals’ Starvation League hebben zich dan ook het ideale moment uitgezocht om ons hun nieuwe CD “From The End Of Your Leash” voor te schotelen. Op de opvolger van “Young Criminals’ Starvation League” en het EP-tussendoortje “OK, I’m Sorry” realiseren Bare en de zijnen de perfecte symbiose tussen rock & roll en country. Met wat hulp van ondermeer Paul Burch, Will Oldham en Deanna Varagona en in een gedeelde productie met Mark Nevers laten ze “From The End Of Your Leash” uitgroeien tot een ijzersterk album.

Van een weinig aan de hoogdagen van Paul Westerberg bij de Replacements herinnerende rockliedjes als “Strange Bird” en “Let’s Rock & Roll” over klassieke country met een (heel) scherp randje als het samen met pa Bare gepende “Visit Me In Music City”, “Borrow Your Girl” of de aan de nalatenschap van wijlen Shel Silverstein ontleende trage “Things I Didn’t Say” tot het fraaie in duet met Carey Kotsionis gezongen “Your Favorite Hat”, dat klinkt als Blur goes alt. country, er wordt je werkelijk geen moment de tijd gelaten om er zelfs ook maar aan te denken om je te vervelen. Het met Will Oldham gebrachte “Valentine” - in een live-uitvoering eerder ook al op “OK, I’m Sorry” - moest trouwens maar eens snel aan een single worden toevertrouwd ook. Dat met soulvolle blazers aangeklede rockertje is immers echt alt. country van de bovenste plank. Tegelijk vreselijk weemoedig en super catchy! Je moet het maar doen!

www.bobbybarejr.com

www.bloodshotrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

PAUL JAMES BERRY

“Nations”

(Supermusic / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Met “Nations”, zijn derde CD tot op heden en de opvolger van het een paar jaar geleden lovend onthaalde “Ginnel”, zou het voor Paul James Berry best wel eens allemaal kunnen gaan gebeuren. De voormalige zanger van The Rose Of Avalanche heeft alvast alle troeven in handen om het publiek van acts als de Tindersticks en vooral ook Nick Cave – mét of zonder Bad Seeds – snel voor zich te winnen. Nu hij de moderne elektronica zo goed als volledig de rug heeft toegekeerd komt de rauwe intensiteit van zijn diepe grafstem immers pas echt goed tot haar recht. Liedjes als “The Ballad Of Serge Gainsbarre” (cirkelend rond het wel bijzonder expliciete zinnetje “I want to fuck her”), “Mary Blue” en “Supermodel” krijgen in een productie van de Duitser Markus Maria Jansen daardoor tegelijk iets beklemmends en innemends mee. Een gevoel dat zich maar moeilijk onder woorden laat brengen, maar als er zoiets als een kruispunt tussen Cave, Cohen en Reed zou bestaan, dan zou het wellicht de naam Berry dragen, als je begrijpt waar we naartoe willen. Paul James Berry, that is! “Nations” geldt dan ook als een stevige aanrader voor elke liefhebber van liedjesschrijvende zonderlingen en muzikale charlatans van het type dat het bestaande muzikale establishment hooguit een blik waardig gunt vanachter de donkere glazen van een kloeke zonnebril. En dan nog bij voorkeur een kille…

www.supermusic.de

www.sonic.nl

 

 

GREG TROOPER

“Straight Down Rain / Live At Pine Hill Farm”

(Munich)

(4) J J J J

 

In de inlay van het ter gelegenheid van de 2003-editie van het Blue Highways-festival in Utrecht verschenen verzamel-CD’tje werd de Benelux-release van Greg Trooper z’n “Live At Pine Hill Farm” al aangekondigd voor de herfst van vorig jaar. Dat zou er uiteindelijk niet van komen. Maar Munich Records maakt het lange wachten nu ruimschoots goed door het album in combinatie met het in 2001 bij Eminent verschenen (en ondertussen niet meer in de handel verkrijgbare) “Straight Down Rain” aan te bieden als dubbelaar aan de prijs van een enkele CD. Haal je dus in één klap liefst twee uitstekende CD’s in huis!

“Straight Down Rain” betekende in 2001 zowat de definitieve doorbraak van de rootsy singer-songwriter Greg Trooper. De man die ondermeer Steve Earle en Rosanne Cash tot zijn vaste bewonderaars mag rekenen, vond er eindelijk de erkenning mee, die hem op basis van platen als “Everywhere” (1992), “Noises In The Hallway” (1996) en vooral ook “Popular Demons” (1998) eigenlijk al veel eerder te beurt had moeten vallen. Trooper moet immers zondermeer tot de allerbeste americana singer-songwriters van het ogenblik worden gerekend.

Dat bewijst hij trouwens ook op het in besloten kring in Durham, North Carolina opgenomen en door Eric “Roscoe” Ambel geproduceerde “Live At Pine Hill Farm”. Zoals zoveel van zijn collega’s blijkt immers ook Greg Trooper op zijn best als hijzelf en zijn liedjes volop in het middelpunt van de belangstelling mogen staan. Opsmuk doet er dan niet toe. Zichzelf begeleidend op de gitaar en de harmonica en verder enkel het gezelschap duldend van Michael McAdam op gitaren en mandoline, presenteert Trooper zich als een geboren entertainer. Schitterende vertolkingen van eigen liedjes als “Two Drops Of Rain”, “Ireland” en het ook door Steve Earle vertolkte “Little Sister” en de Warren Zevon-cover “Carmelita” worden afgewisseld met enkele bijzonder geestige momenten. Om er maar enkele te noemen: het hilarische tweetal “So French” en “Another Shitty Saturday Night” en zeker ook het bitterzoete, samen met John Sieger – van wie we hier onlangs nog de CD “Her Country” bespraken – geschreven “Take The Gun Out Of Your Mouth”. Ze laten een artiest aan het werk horen, die als geen ander de kunst verstaat om zijn publiek volop bij zijn performance te betrekken en die er vooral ook zorg voor draagt om het aan het eind van de avond met een goed gevoel weer naar huis te sturen. Iets waar bijvoorbeeld ook een John Prine erg sterk in is.

Trooper heeft in onze ogen dan ook echt alles om het tot één van de allergrootsten in het genre te schoppen. Het vorig jaar verschenen “Floating” is daarvan trouwens een bewijs te meer. Nee, van die met zijn komisch hoedje zijn we nog lang niet af…

www.gregtrooper.com

www.munichrecords.com

 

 

JIM MALCOLM

“Live In Glenfarg”

(Beltane Records)

(3.5) J J J J

 

Jim Malcolm is wat je met een neologisme zou kunnen omschrijven als een “mooizanger”. Zonder de negatieve connotatie verbonden aan het vergelijkbare “mooiprater” dan welteverstaan. “Live In Glenfarg”, Malcolms in concert ingeblikte vijfde soloplaat, bewijst ten voeten uit, wat we daarmee nu precies bedoelen. Ook nu zingt de man met zijn uitzonderlijk zachte warme stem immers weer genadeloos alle sterren van de folkhemel naar beneden. En of het daarbij nu gaat om traditionals – vaak van een eigen tekst voorzien door Malcolm – als “Battle Of Waterloo”, “Jimmy’s Gone To Flanders” of “Forfar Sodger”, dan wel om geheel eigen composities à la “Losin’ Auld Reekie”, “Neptune” of “Achiltibuie”, het lijkt hem allemaal niet echt veel te deren. Hij tovert eender wat om tot moderne folk van de bovenste plank. De Schot verdient het dan ook al lang om in je CD-collectie de leemte langs pakweg een Luka Bloom op te mogen vullen.

www.jimmalcolm.com

 

 

MAGEE PAYNE

“Giving Up The Ghost”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

De regelrechte stortvloed aan releases afkomstig uit de Lone Star State, die de jongste jaren over ons heen gutste, ligt hier voor de florerende Texaanse muziekscène eigenlijk aan de basis van een soort averechts effect. Als je het goed gewend bent, wil je immers altijd maar beter en beter. En tegen die (té?) hoge verwachtingen blijken al lang niet meer alle Texaanse producten opgewassen.

Geen probleem echter voor Magee Payne! Diens tweede CD “Giving Up The Ghost” betekent in vergelijking met zijn hier vorig jaar nog besproken debuut “Habits Of The Heart” een gigantische sprong voorwaarts. Met zevenmijlslaarzen aan is Payne er in de periode tussen zijn eersteling en de opvolger daarvan op vooruit blijven gaan. Zowel met betrekking tot zijn composities, als ook de uitvoering daarvan heeft hij echt een enorme vooruitgang geboekt.

“Giving Up The Ghost” is dan ook een verrassing van de allerzuiverste soort. Liefhebbers van zijn muzikale spitsbroeders als een Cory Morrow, een Jack Ingram, een Dub Miller, een Randy Rogers, een Pat Green of een Mark David Manders zullen met deze nieuwe CD van Magee Payne hun pret niet op kunnen. Het album bulkt immers van de prettig in het gehoor liggende Texaanse country(rock)- en singer-songwriterdeuntjes, die met uitzondering van een cover van Gram Parsons’ “Return Of The Grievous Angel” allemaal door Payne zelf werden gepend. Een behoorlijk aparte versie krijgen we van dat laatste nummer voorgeschoteld. Parsons gezien door een Texaanse bril, zeg maar. Heel anders, maar best wel mooi ook.

Met zijn wat weemoedige, zacht hese stem als het bindende element tussen de losse deeltjes hier neemt Payne ons mee op een muzikale trip langs melodieuze countryrock (“A Way Away From You”, “She (fyb II)” en “Never Gonna Breathe”), akoestische ballades (“Every Sip I Take”), typisch Texaans singer-songwritermateriaal (“Whiskey For Your Friend”, “Bottom Of The Glass” en de verborgen bonus track) en zelfs poppy country (het bijzonder catchy over een bed rinkelende gitaartjes voorbij zoevende “Be Your Man”). En het resultaat van dat uitstapje dwingt flink wat respect af. Als Payne in de komende maanden aan dit tempo blijft verder groeien, zal hij binnen de kortste keren probleemloos doorstoten tot de Premier League van de momenteel actieve lichting jonge Texaanse singer-songwriters. En nog dik verdiend ook!

www.mageepayne.com

Texas Music Express

 

 

ROWWEN HEZE

“In De Tent – Live In America” (DVD)

(Nieuw Label / V2 Records)

(4) J J J J

 

Ruim vijfduizend getrouwen zagen dat het wederom heel goed was op die bewuste vijftiende november van vorig jaar. In een weer afgeladen volle feesttent in America speelden Jack Poels en de zijnen er als slotconcert van hun tournee traditiegetrouw een uitverkochte thuiswedstrijd. Wie ooit een Rowwen Hèze-optreden meemaakte, weet hoe het er daarbij aan toeging. Massaal veel bier in de lucht, bezwete ontblote bovenlichamen à volonté, één lang gerekte wilde polonaise – slechts onderbroken als Poels met één van zijn rustigere liedjes daar aanleiding toe gaf. Feest kortom. Met op de setlist uiteraard zowat alle bandklassiekers, maar ook flink wat recenter materiaal. Tweeëndertig liedjes lang een waar plezier om (nog eens na) te beleven. “Twieje Wurd”, “De Peel In Brand”, “Zondag In ’t Zuiden”, “Vlinder”, “Wandele”, … wat een fantastische songwriter is die Poels toch. Zijn oog voor het detail in het dagelijkse leven blijft werkelijk onovertroffen.

Toegevoegde extraatjes zijn een “Rowwen Hèze In De Huiskamer”-gedeelte met 4 in boerderij De Kruishoeve te Meterik “unplugged” opgenomen liedjes (met een ontzettend mooie uitvoering van “De Moan” als absoluut hoogtepunt), een fotogalerij, backstagebeelden en opnames gemaakt bij de bandleden thuis tijdens het repeteren van het nummer “Geluksknikker”. We zijn dus weer even zoet.

Toch één bedenking bij dit knap vormgegeven beeldverslag. Wij vinden het namelijk doodjammer dat men er ditmaal – zoals dat bij de “In Het Theater”-voorganger het geval was – geen bonus-CD’tje heeft aan toegevoegd. In de discman heb je immers niet zo heel erg veel aan een DVD… Maar ja, je kan nu eenmaal niet alles hebben in het leven.

www.rowwenheze.nl

www.v2music.com

 

 

IAN CHARLES

“Minutes From Midnight

(EyeSee Music)

(3.5) J J J J

 

’t Is niet al goud, dat blinkt, wil het spreekwoord, maar het nieuwe fonkelende schijfje dat singer-songwriter Ian Charles zopas uit de mouw schudde, komt toch weer aardig dicht in de buurt. Net als bijvoorbeeld ook een Jeff Finlin behoort de man tot die wat aparte categorie singer-songwriters die met een zekere regelmaat erg knappe albums blijven afleveren, maar desondanks de obscuriteit maar ternauwernood weten te ontstijgen. In het geval van Charles gaat het al om zijn vierde plaat. En die opvolger van het verrassend sterke “Wishing Street” uit 2000 en het akoestische tussendoortje “Live At The Puppethouse” van twee jaar later is opnieuw een echt snoepje voor fijnproevers.

Meestal wordt Ian Charles prompt in het americana-hokje ondergebracht, maar zelf voelt hij zich eerder een singer-songwriter. En daar valt na beluistering van “Minutes From Midnight” absoluut wel iets voor te zeggen ook. Net zoals bijvoorbeeld een Robbie Robertson dat op zijn soloplaten ook zo graag doet, weet Charles met zijn liedjes regelmatig een bepaald broeierige atmosfeer te evoceren. Songs als de meeslepende opener “Parallel”, het enigzins mysterieuze “Destination: A Dusty Road” en het bijzonder soulvolle en van een fraaie mondharmonica-intro voorziene “Volume” zijn daar perfecte voorbeelden van. Elders, zoals in “(That I’ll) Take With Me” of “Chain Rock”, serveert Charles beheerste roots rock of, zoals in de knappe trage “Sky Open Wide”, aan Springsteens akoestisch materiaal verwant singer-songwriter spul.

Benieuwd of het Ian Charles ditmaal wél zal lukken om een wat breder publiek aan zich te binden, want laten we wel wezen, hij zou het zeker verdienen. “Minutes From Midnight” is immers wederom een ijzersterk album!

www.iancharles.com

www.shuteyerecords.com

CD Baby

 

 

KORBY LENKER

Bellingham

(Singular Recordings)

(4.5) J J J J J

 

De jonge Korby Lenker, die onlangs nog het nieuws haalde door op zijn eigen website behoorlijk hard van leer te trekken tegen Steve Earle, vestigt nu ook de aandacht op zich met zijn eigen muziek. Voor zijn nieuwe CD “Bellingham” deed de man een beroep op de extreem getalenteerde Mike Grigoni, die met zijn invoelende dobrospel grotendeels verantwoordelijk is voor de wat aparte klankkleur van dat knappe album. Alt. bluegrass doopten ze zelf hun ingenieus huwelijk tussen americana, bluegrass en andere meer traditionele muziekstijlen. En wat daarbij vooral opvalt, is hun vermogen om tegelijk behoorlijk authentiek over te komen en toch modern te klinken. Lenker, die – met uitzondering van het aan het repertoire van de legendarische Louvin Brothers ontleende “Angels Rejoiced Last Night” – zelf instond voor alle liedjes hier, blijkt immers een fantastische song in de vingers te hebben en met zijn lichthese (zo nu en dan wat aan die van Bruce Robison herinnerende) stem weet hij daar ook uitstekende versies van neer te leggen. Sprankelende bluegrassdeuntjes als “Full Moon To Rise” en “Shed A Little Light” laten je zelfs even geloven, dat de één of andere grote Texaanse singer-songwriter met een stel traditionele bluegrassmuzikanten op afzondering is gegaan om een zonderlinge kruisbestuiving tussen beide genres te realiseren. Terwijl rootsy ballades als “Traded My Diamond” of “Papercuts” gewoon een perfecte illustratie vormen bij de bedenking dat we met de singer-songwriter Lenker in de toekomst terdege rekening zullen moeten gaan houden. Bij de opnames van dat laatste nummer liet hij zich trouwens vocaal bijstaan door ex-Be Good Tanyas Jolie Holland, wier stem de zijne wonderwel aanvult. Een gegeven dat de twee nog wat kracht bijzetten door hun samenwerking nog even te prolongeren voor het zo mogelijk nog mooiere “Punkin Brown”.

Wat ons betreft is de conclusie met betrekking tot deze collectie liedjes dan ook nogal voor de hand liggend. “Bellingham” is een album, dat zowel binnen het americana-, als binnen het bluegrassformat moet kunnen uitgroeien tot een absolute topper. En met het oog op de eerstvolgende eindejaarslijstjes hebben we de naam Korby Lenker dan ook alvast vet onderlijnd.

www.korbylenker.com

 

 

CHRIS CACAVAS

“Self Taut”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

Er zijn zo van die dingen waar je moet mee leren leven. Als artiest zal het bijvoorbeeld niet meevallen om van een eenmaal verworven stempel weer af te raken. Zo zal Chris Cacavas - net zoals zijn ex-collega’s Dan Stuart en Chuck Prophet – bijvoorbeeld altijd wel een beetje als “die van Green On Red” door het leven blijven gaan. Ongeacht hoeveel platen de man dan ook voor eigen rekening moge uitbrengen. En ongeacht het feit, dat hij die “goede oude tijd” alweer lang heeft begraven.

Zo is “Self Taut”, z’n nieuwe album en z’n eerste voor het Duitse Blue Rose Records, eigenlijk gewoon een rockplaat. Opgenomen in november van vorig jaar in The White Lodge in Ludwigsburg onder het goedkeurende oog van Rainer Lolk en met The Slivers Of Hope – zijnde Ed Kampwirth op de bas, Brandon Laws voor drums en percussie en Jason Victor (Steve Wynn) op de lap steel en de elektrische gitaar – als begeleiders van dienst.

Het resultaat is een twaalf eenheden (en een verborgen bonus track) tellende collectie introspectieve liedjes, variërend van behoorlijk snedig spul als opener “Already Gone” of het van een bescheiden distortion-laagje voorziene “Breakdown” over meer atmosferisch materiaal à la “Things I Can’t Say” of “Altered Now” tot gewoon mooie ingetogen popliedjes als “Perfect Show” of “Heaven Is Hell”. Met als absolute topper in onze ogen het in een enigszins desolaat sfeertje badende, slome rockertje “Better Days”, dat de liefhebbers van een groep als Grant Lee Buffalo wel eens zou kunnen bevallen.

www.chriscacavas.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

ALAN RHODY

“Journey”

(Ashwood Recordings)

(4) J J J J

 

Als je zo schoon volk als John Prine, wijlen John Hartford, Maura O’Connell, Pat McLaughlin en Jamie Hartford zo ver krijgt om een handje te komen toesteken op je plaat, dan moet je zelf welhaast ook uit het goede hout gesneden zijn. En dat is in het geval van Alan Rhody dan ook wel zo. Deze uit Kentucky afkomstige, maar in Nashville wonende en werkende songsmid staat zelf al zo’n vijfentwintig jaar lang op de planken en zag een aantal van zijn liedjes tot hits uitgroeien in uitvoeringen van ondermeer de Oak Ridge Boys, Del McCoury, Lorrie Morgan, Toby Keith, Tanya Tucker en Lee Greenwood. Daardoor zou de verkeerde indruk kunnen ontstaan, dat Rhody’s materiaal aan de eerder commerciële kant is. Niets is echter minder waar! Liedjes als het ongelooflijk mooie, in duet met John Prine gebrachte “That’s Who I’d Be”, het een beetje aan het recentere werk van David Ball herinnerende “The Wind In Her Hair”, een gedreven rootsy uitvoering van Richard Thompsons “1952 Vincent Black Lightning”, het poëtische “Path Of The Moon” met Maura O’Connell of de met een bescheiden snuifje bluegrass gekruide C&W-story song “Drifters Wind” maken van “Journey” een bijzonder warm overkomende singer-songwriterplaat, die zowel de liefhebbers van country als die van meer roots georiënteerd materiaal met sprekend gemak moet kunnen inpakken. “Journey” staat in z’n geheel voor een reeks intrigerende kortverhalen in een knappe muzikale verpakking met de aangename stem van Rhody als een grote rode strik eromheen. Warm aanbevolen derhalve.

www.alanrhody.com

CD Baby

 

 

THE BLASTERS

“Live – Going Home”

(Shout! Factory)

(4.5) J J J J J

 

Toen er enige tijd geleden voor het eerst sprake was van “Live – Going Home”, de op 13 augustus van vorig jaar in het Galaxy Theatre in Santa Ana, Californië ingeblikte nieuwe live-CD van de tijdelijk herenigde Blasters, beloofde men stellig het aantal overlappingen met het eerder al via Hightone verschenen “Trouble Bound” tot een absoluut minimum te zullen beperken. En dat gebeurde gelukkig ook, zodat een aanschaf ervan om die reden alvast niet in vraag hoeft te worden gesteld. Met uitzondering van obligate groepsklassiekers als “Marie Marie”, “So Long Baby Goodbye”, “American Music”, “One Bad Stud” en “Help You Dream” gaat het om een volledige gewijzigde tracklist. En dan dient daarbij zelfs nog te worden aangestipt, dat die twee laatste nummers hier net als “Have Mercy Baby” worden gebracht met leden van The Calvanes en The Medallions, wat er toch weer een speciaal cachet aan verleent. Andere opgemerkte gasten zijn legendes Sonny Burgess en Billy Boy Arnold, die respectievelijk “Red Headed Woman” en “Wandering Eye” mee helpen gestalte geven. Voor het overige krijg je hier eigenlijk exact wat je ervan verwacht: één grote pot dampende pot oer-R&B en rock & roll – Zeg maar American music! – die het collectief hunkeren naar een nieuwe studioplaat van de heren wel weer gevoelig zal doen toenemen. Al zal dat ook ditmaal wel weer ijdele hoop blijken zeker?

De broertjes Alvin en hun maats razen hier op kruissnelheid doorheen hun eigen repertoire en gooien er voor de afwisseling zo nu en dan ook een covertje tegenaan. Naast de hoger al vermelde nummers krijgen we zo ook “Real Rock Drive”, het onsterfelijke “Border Radio”, “Crazy Baby”, “No Other Girl”, “Don’t You Lie To Me”, de “JB Lenoir Jam”, “All Your Love” en Bill Haley’s “Flip Flop & Fly” voorgeschoteld. En op ons maakte het allemaal zo’n verpletterende indruk, dat we de DVD-uitvoering van deze collectie alvast ook maar besteld hebben. Kwestie van dit bruisende feestje toch nog net iets tastbaarder mee te kunnen beleven…

www.theblastersnewsletter.com

www.shoutfactory.com

 

 

BRINDLEY BROTHERS

“Playing With The Light”

(Paste Records)

(4) J J J J

 

Als getalenteerd akoestisch gitarist en singer-songwriter deed de uit Washington, DC afkomstige Luke Brindley al het nodige stof opwaaien met zijn CD “How Faint The Whisper”, een plaat die hem vergelijkingen met ondermeer Bruce Cockburn en Bob Dylan opleverde. Maar zijn eerste samenwerking met zijn broer Daniel (keyboards, backing vocals) als The Brindley Brothers is van een geheel andere orde. “Playing With The Light” is immers een album dat boordevol alt-folk-rock getinte liedjes staat, het ene al meer catchy dan het andere. Je hoort de invloed van kleppers als Wilco, The Replacements, Big Star en Soul Asylum doorheen een reeks met moordmelodieën en prachtige harmonieën gezegende deunen, die zich na elke beluistering vrijwel onmiddellijk opnieuw aan je opdringen. Van energieke melodieuze rockertjes als “Slow Burn”, titelnummer “Playing With The Light” en “Supernova” over (enigszins soulvol overkomend) mid-tempo materiaal als “Roman Candle” of “The Crazy One” tot rustpuntjes als “Hudson River” of het dromerige sluitstuk van het geheel “Breakdown”, je raakt er gewoonweg niet op uitgeluisterd. Een ijzersterke plaat dus gewoon van een tweetal waarvan we in de toekomst zeker nog het één en ander zullen gaan horen!

www.brindleybrothers.com

www.pasterecords.com

 

 

TERRY LEE HALE

“Celebration What For”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Er zijn gelukkig nog zekerheden in het leven! Wie vreesde dat Terry Lee Hale’s recente labelwissel van Glitterhouse naar Blue Rose zijn muziek drastisch zou gaan beïnvloeden, mag opgelucht ademhalen. Op zijn eersteling voor zijn nieuwe werkgever, “Celebration What For”, doet de dezer dagen vanuit La Douce France opererende singer-songwriter gewoon verder met datgene waar hij zo verdomd goed in is, te weten het vertolken van zijn eigen ijzersterke, vaak in een wat druilerig sfeertje gehulde liedjes.

De plaat werd verspreid over een periode van vijftien dagen opgenomen en afgemixt in het Kroatische Zagreb. En voor de muzikale invulling ervan deed Hale gemakshalve voornamelijk een beroep op plaatselijke sessiemuzikanten. Hoewel aanvulling misschien wel een beter woord geweest was, als je weet dat de man zelf naast het gros van de gitaarpartijen, ook de bijdragen op instrumenten als de dobro, de banjo en de harmonica voor zijn rekening nam.

Thematisch gezien is het geheel eigenlijk een soort conceptalbum geworden. Het gaat in wezen immers om één lange uiteenzetting over afscheid nemen, wat hier beurtelings leidt tot vertwijfeling, pijn, eenzaamheid, intens verlangen of net de vaste wil om toch maar te vergeten. De meest in het oor springende liedjes die daarbij ontstaan zijn het van een fraaie harpintro voorziene “Fire Exit”, het rootsy titelnummer en het aangrijpende sluitstuk “The Wish”. In “Fire Exit” blijkt samenblijven de enige aanvaardbare optie, al is de relationele nooduitgang dan ook steeds binnen handbereik. Een liedje dat vergelijkingen met het werk van grootmeesters in het genre als een Leonard Cohen of een Elliott Murphy met brio doorstaat. En zelfs nog mooier – noem het gerust een kippenvelmoment – is het met een donkere stem vanuit het standpunt van een met vragen tussen zijn twee uit elkaar gegroeide ouders heen en weer geslingerde kind gezongen “The Wish”. (Zou verplicht luistervoer moeten worden voor echtparen gezegend met een kroost die met scheidingsplannen rondlopen.) Terwijl louter muzikaal gezien vooral de wat meer rootsy aanpak van liedjes als “Eye Of The Moon” en “Celebration What For” heel erg weet te bekoren.

www.terryleehale.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

LARRY GUILD

“Mule Shoes & Medicine Bags”

(Raven Feather Records)

(3) J J J

 

 “Mule Shoes & Medicine Bags” is de titel van het aangenaam wegluisterende CD-debuut van de Schotse singer-songwriter Larry Guild. Daartoe vooral geïnspireerd door Nanci Griffith begon de man in de jaren negentig liedjes te schrijven over opgroeien, reizen, relaties en meer van dat soort items waarmee het leven van alledag ons voortdurend overvalt. Zich daarbij enkel bedienend van een akoestische gitaar en zijn werkelijk kristalheldere stem (met een charmant licht accent) laat hij ons hier alvast kennismaken met twaalf stuks daarvan. En die refereren gevoelsmatig niet zelden aan het werk van andere, veel bekendere liedjesschrijvers als een Cat Stevens, een Eric Taylor of een John Prine. Door Guild – wellicht niet toevallig – ook genoemd als inspiratiebronnen.

In het najaar van 2002 deed Larry Guild samen met zijn vriendin Christine tijdens een trip doorheen de States Colorado, Wyoming, Montana, South Dakota en Nebraska aan. En het feit dat zijn muziek ook daar vrijwel overal in goede aarde viel, is wat ons betreft veelzeggend. (Hij keert er trouwens in de herfst van dit jaar al naar terug.) Een knaap om voorzichtig in het oog te houden dus. Zoals je weet, willen singer-songwriters immers met de jaren graag beter en beter worden. En in dit geval zou dat wel eens tot heel mooie resultaten kunnen gaan leiden.

www.larryguild.co.uk

 

 

ROSIE FLORES

Bandera Highway – Classic Rosie”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Het prestigieuze label Hightone is dezer dagen druk in de weer met de eigen back catalogue. Niet alleen biedt men een aantal al weer lang uit de handel verdwenen albums online opnieuw aan als CD-R inclusief het originele artwork, ook wijdt men een reeks compilaties aan z’n boegbeelden van het eerste uur. Zo bespraken we hier enkele weken geleden al “Don’t Look For A Heartache”, een verzameling van het vroegwerk van Jimmie Dale Gilmore, en nu is het de beurt aan “Bandera Highway”, een soortgelijke collectie met de spots gericht op Rosie Flores. Het betreft met name een overzicht van haar beste momenten op de albums “After The Farm” (1992), “Once More With A Feeling” (1993) en “Rockabilly Filly” (1995) in een geremasterde uitvoering. En dat levert in meerdere betekenissen een zeer mooi plaatje op. Met zulke beauties als haar intense duet met Joe Ely, “Love And Danger”, de ingetogen ballade waaraan het album z’n titel ontleende, “Bandera Highway”, de met haar grote heldin Wanda Jackson ingeblikte nachtelijke-achterbuurten-rockabilly van “His Rockin’ Little Angel”, de sprankelende oercountry van “Honky Tonk Moon” met supertalent James Intveld, de supercatchy roots pop van “More To Offer”, het met Janis Martin gebrachte en op een bijzonder lekkere baslijn terende “Blues Keep Calling”, etcetera, etcetera, etcetera. Enfin, een zeer geslaagde verzameling, die zowat alle facetten van multitalent Rosie Flores belicht. Met daarbij uiteraard wél de nadruk op het country- en rockabillywerk, waarmee ze de harten van zoveel rootsmuziekliefhebbers wist te veroveren. De ondertitel van het geheel, “Classic Rosie”, is dus in elk geval niet gestolen. En voor wie de eerder genoemde platen nog niet in zijn bezit zou hebben, vormt “Bandera Highway” dan ook een erg aanlokkelijke uitnodiging tot een inhaalmanoeuvre.

www.rosieflores.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

T-99

“Strange Things Happen”

(Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Blues en de Benelux, het zijn twee handen op één en dezelfde buik, dat is de voorbije maanden alweer meermaals gebleken. En die stelling wordt nu nog eens extra onderlijnd door het behoorlijk eclectisch ingestelde Nederlandse gezelschap T-99 op de opvolger van z’n in 2001 verschenen debuut “Coo-Coo”, het door gitaarwonder Teddy Morgan geproduceerde “Strange Things Happen”. Wat frontman Mischa den Haring en zijn maats drummer-zanger Martin de Ruiter en bassist Donné La Fontaine op die “moeilijke tweede” van hun laten horen, bewijst opnieuw, dat ze niet voor één gat te vangen zijn. Op dat deels in Amsterdam, deels in Tucson ingeblikte album wisselen de drie heren immers zowat even makkelijk van stijl als anderen van kleren. Van rammelende vuilnisbakkenblues boogies als “Hungry Wolf” of “I Just Don’t Know” over onvervalste surfroots als het stuwende “Sayonara” tot de roodhete juke-joint rock & roll van het met Dave Gonzalez van de Paladins gebrachte “Dragracin’” of meer traditioneel materiaal als het aan het songbook van Willie Dixon ontleende “Tell That Woman” of Robert Johnsons “Last Fair Deal Gone Down”, van een countrygetint niemendalletje als “Countryside Bound” of een zakdoek vol woestijnverdriet als “I Wish I Had A Ship” tot bezwerende swamp blues type “Lost Reason Blues” of een instrumentale after midnight sleper als de verborgen bonus track aan het eind van het album (met de getormenteerd klinkende gitaar van den Haring als het stralende middelpunt van de belangstelling), you name it, they play it… Voor de wat avontuurlijker ingestelde blues- en rootsmuziekliefhebber is dit derhalve gewoon een droom van een album. Respect!

www.T-99.com

www.sonic.nl

 

 

JULIAN DAWSON

“Bedroom Suite”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

In juli bereikt de Britse singer-songwriter Julian Dawson de gezegende leeftijd van vijftig jaar. En die door de meeste stervelingen met de nodige afschuw tegemoet geziene nieuwe voordeur in het leven viert de man met z’n jongste worp “Bedroom Suite”. Het gaat daarbij om een soort van conceptplaat, volgestouwd met liedjes handelend over thema’s als het huwelijk, relaties en vriendschap. Heel wat van de in samenwerking met multi-instrumentalist Daniel Tashian en snarenvirtuoos Jean-Marie Peschiutta opgenomen nummers sparen daarbij de sarcastische roede niet. Neem bijvoorbeeld maar het rootsy “After The Party”, waarin Dawson in de huid van een gast op een huwelijksfeest grimmig realistisch opmerkt: “The show begins, when the honeymoon ends.” Of ook het aanstekelijke folkrockertje – met de enigszins aan “Mrs. Robinson” verwante intro – “We Don’t Need A Priest”, waarin Dawsons cynische kijk op het tegenwoordige huwelijksleven hem verleidt tot de uitspraak “We don’t need a priest, we need a referee.” En het (begin van) het einde is ook al nooit ver weg in het samen met zijn 18-jarige dochter Holly ingezongen “Dreams Like Trains” en het nerveuze (maar melodieuze) popliedje “One By One By One”.

Naast acht eigen nummers serveert Dawson ook vier covers. Om te beginnen is er bijvoorbeeld een erg knappe, behoorlijk zomerse versie van de hier vooral in de uitvoering van George Jones bekende Jamie O’Hara (O’Kanes)-compositie “Cold Hard Truth”, die dankzij een klaterend beekje gitaren, opgewekt koperwerk en een occasionele mondharmonicastoot uitgroeit tot één van de zonnigste momenten van de plaat. Daarnaast stoten we verderop ook nog op een soulvol ingetogen uitvoering van het Dan Penn-Spooner Oldham-liedje “The Lord Loves A Rolling Stone”, het verrassende (bijna fluisterend gezongen) kinderliedje “Why Do I Do It / 9/11” en de door Dawson tot “Waiting For A Plane” herdoopte bekende Jimmie Rodgers train song.

Een speciale vermelding tenslotte ook nog voor het zweverige, al bij al zelfs wat loom overkomende popliedje “Fast Cars & Rented Beds”. Dat schreef Dawson samen met zijn copain Iain Matthews immers als eerbetoon voor één van zijn grote helden, Gram Parsons.

Voor iemand die al ruim een kwart eeuw in het vak zit houdt Julian Dawson er dus nog steeds een verrassend open kijk op zijn metier op na. En precies dat is het, wat maakt dat platen als deze “Bedroom Suite” werkelijk geen moment gaan vervelen.

www.juliandawson.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

PAUL GEREMIA

“Love, Murder And Mosquitos”

(Red House Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

 “Love, Murder & Mosquitos” is bluesman Paul Geremia’s ondertussen ook alweer vijfde album voor het fijne Red House Records. Op deze werkelijk tijdloze collectie liedjes put hij voornamelijk uit het erfgoed van grote voorbeelden als Charlie Patton, Blind Lemon Jefferson, Tampa Red, Mississippi John Hurt, Big Bill Broonzy, zijn in 2002 overleden vriend Dave Van Ronk en anderen. Slechts vier keer laat hij zich verleiden tot het brengen van een eigen compositie. En die liedjes – als een “New Bully Of The Town”, een “Evil Word Blues” of een “Loner’s Blues” – hoeven dan werkelijk in niets onder te doen voor hun klassieke voorgangers. Geremia pickt en grint voortdurend dat het een lieve lust is om mee te mogen maken. In de naakte benadering van het akoestische bluesgenre van deze grootmeester op de 6- en de 12-string is verder enkel ruimte voor de inbreng van Rory McLeod (string bass), Martin Grosswendt (fiddle en clawhammer banjo) en Jim Bennett (mandoline).

Na ruim achtendertig jaar in het vak klinkt Geremia alsmaar meer als een door een vreemde speling van het lot ongelukkig op de tijdslijn geplaatste oude grootmeester. Authentieker kan haast niet. Enkel de sublieme geluidskwaliteit van de opnamen zou hem verraden. Subliem!

www.fishheads.net/geremia/

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

TOM FREUND

“Copper Moon”

(Surf Road Records)

(4.5) J J J J J

 

Met zijn in 1998 afgeleverde debuut “North American Long Weekend” en de drie jaar later verschenen opvolger daarvan, het toepasselijk getitelde “Sympatico”, stal voormalig Silos-begeleider Tom Freund al stormenderhand het hart van menig een criticus. Maar wat de man, die in een ver verleden nog even een duo vormde met Ben Harper, op zijn derde CD presteert, is pas echt meesterlijk. “Copper Moon” is ontegensprekelijk zijn meest gevarieerde album tot op heden. Op deze late night trip doorheen de wonderlijkste rootsbuurten groeit Freund uit tot een regelrechte revelatie. Heerlijke lappen atmosferische Americana als titelnummer “Copper Moon” en “C’est La Vie” worden daarop immers afgewisseld met een weinig aan Joe Henry herinnerende jazzy opdondertjes als “Leavin’ Town” of “Comfortable In Your Arms” en fonkelende rock & roll zoals het met een funky snuif Jagger gekruide “Mercury” of het brisante “October Girl”. En terloops laat Freund het ook niet na om je geregeld genadeloos in te pakken met zijn werkelijk adembenemend mooie ballades à la “Babysitter (I’ll Watch Them)” of “New Moon Of The Seventh Sun”.

Tom Freund, die onlangs ook nog door grote bewonderaar Graham Parker aangezocht werd om op diens voortreffelijke nieuwe CD “Your Country” de bas te hanteren, heeft met “Copper Moon” wellicht de plaat van zijn leven gemaakt. En het zou echt doodjammer zijn, als jij die onopgemerkt aan je voorbij zou laten gaan. Want geloof ons, veel beter worden ze niet al te vaak gemaakt.

www.tomfreund.com

Miles of Music

CD Baby

 

 

JIM LAUDERDALE

“Headed For The Hills”

(Dualtone / Bertus)

(4.5) J J J J J

 

Als er al één ding is, dat we in verband met Jim Lauderdale met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen stellen, dan is het wel, dat de man stilstand beschouwt als achteruitgang. Hoe succesvol zijn jongste albums ook bleken, je kon hem nooit betrappen op een loutere sequel van één ervan. En dat is ook ditmaal weer niet het geval. Na zijn succesvolle collaboratie met roots - jam band Donna The Buffalo op “Wait ‘Til Spring” ging hij voor zijn nieuwste, “Headed For The Hills”, een samenwerkingsverband aan met Robert Hunter. Hunter, die vooral bekendheid verwierf door zijn werk met Jerry Garcia en The Grateful Dead, is één van Lauderdale’s eigen grote muzikale helden. “Hunter hoort thuis in de Mount Rushmore van muzikale groten,” zegt hij daarover zelf.

“Headed For The Hills” bevat zo dertien samen met Hunter gepende rootsy liedjes met karakteristieke akoestische arrangementen en teksten die voornamelijk bevolkt worden door zich aan de sterke arm der wet onttrekkende figuren. Voor de muzikale invulling ervan deed Lauderdale een beroep op de fine fleur van de huidige generatie country en bluegrass muzikanten. We denken dan o.a. aan Bryan Sutton (gitaar), Tim O’Brien (mandoline en fiddle), Darrell Scott (gitaar), Randy Kohrs (dobro), Byron House (bas) en Bucky Baxter (dobro en pedal steel). En ook aan mooie stemmen laat hij het op “Headed For The Hills” bepaald niet ontbreken. In de prachtige bluegrass getinte opener “High Timberline” stoten we bijvoorbeeld meteen al op Emmylou Harris. En in het ingetogen countryniemendalletje “Looking Elsewhere” en het nerveuze old-timey “Sandy Ford (Barbara Lee)” biedt dobro-klasbak Randy Kohrs ook vocaal weerwerk. En dan is er het beklijvende staaltje singer-songwriter country “Headed For The Hills”, waarin zowel Gillian Welch als haar partner in crime David Rawlings – op de gitaar weliswaar – opduiken. Of ook “Paint And Glass”, waarin bluegrass en Buddy Miller het uitstekend met elkaar lijken te kunnen vinden. (Misschien brengt het de man wel op ideeën…) Maar de absolute hoogtepunten zijn toch wel de momenten waarop Allison Moorer met haar soulvolle warme stem de als het ware perfecte aanvulling bij Lauderdale’s eigen vocale bijdragen vormt. We hebben het dan over de ingetogen rootsy country van “Tales From The Sad Hotel” – met overigens ook heel mooi gitaarwerk van Bryan Sutton -, over het rustig voortkabbelende “Leaving Mobile” en vooral ook over de klassieke countrysleper “Head For The Sun”.

Het enige dipje op dit voor het overige fantastische album is het afsluitende (wat poppy overkomende) “Upside Down”, waarvoor die van Donna The Buffalo weer even voorbijkwamen. Niet eens zo’n slecht nummer eigenlijk, maar het breekt gewoon een beetje met al het voorgaande. Toevallig is het ook het enige liedje waarin gedrumd wordt. We gaan dat ene smetje echter vooral niet aan ons hart laten komen. Daarvoor is “Headed For The Hills” als geheel gewoon een veel te sterk album.

www.jimlauderdale.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

ERIC LEWIS & ANDY RATLIFF

“Edgar’s Blues”

(Madjack Records / Bertus)

(4) J J J J

 

Enige tijd geleden bespraken we hier al met het nodige enthousiasme “Songs From The Floor” van The Tennessee Boltsmokers en nu is het de beurt aan “Edgar’s Blues”, noem het maar een zijsprongetje van de heren die in deze groep de gitaar, de dobro, de fiddle, de mandoline en de banjo bepotelen, te weten Eric Lewis en Andy Ratliff. Op dat in Memphis opgenomen album verdelen de twee hun aandacht over traditioneel songmateriaal en een aantal eigen composities. Opvallend zijn daarbij vooral hun naar de prestaties van klassieke broederparen als de Louvins of de Delmores lonkende vocale harmonieën en hun durf om ook geregeld met een instrumental over de brug te komen. “Edgar’s Blues” groeit op die manier uit tot een vette kluif voor bluegrassadepten en liefhebbers van meer traditionele country en folkmuziek. De manier waarop ze klassieke liedjes als “Think Of What You’ve Done”, “Katie Dear” of “In The Pines” naar hun hand zetten is ronduit indrukwekkend. En de veelal instrumentale origineeltjes, zoals het melancholische “Howlin’ Edgar” of het speels opgevatte “Tennessee Barn Burner”, hoeven daar eigenlijk nauwelijks voor onder te doen. Deze twee knapen zijn gewoon cracks in hetgeen ze doen. En “Edgar’s Blues” is net als het al eerder aangesproken “Songs From The Floor” een erg knappe plaat. Je kan er alleen maar je voordeel mee doen…

www.madjackrecords.com

www.bertus.nl

 

 

DENISON WITMER

Philadelphia Songs”

(Bad Taste / Suburban)

(3.5) J J J J

 

De uit Lancaster, Pennsylvania afkomstige, maar dezer dagen een optrekje in Philadelphia betrekkende Denison Witmer noemt Graham Nash, de Red House Painters en Jackson Browne als zijn grote voorbeelden. Een echte verrassing is het dan ook niet om op zijn derde volwaardige album “Philadelphia Songs” een lading liedjes aan te treffen die het predikaat urbane folk rechtvaardigen. Elementen uit pop, (folk)rock en Americana vormen de ingrediënten voor een negen eenheden tellende collectie eerder introspectieve liedjes, die liefhebbers van verwante geesten als een Damien Jurado of een Rosie Thomas wellicht als een welgekomen aanvulling van hun collectie zullen beschouwen. In een productie van Don Peris van het hier al wél enige bekendheid genietende collectief The Innocence Mission presenteert Witmer zich als een uitstekende songsmid met een aangenaam weemoedige stem, die bovendien ook wel raad weet met een akoestische gitaar. Knappe ingetogen liedjes als “Chestnutt Hill”, “Stations” en “Do I Really Have To?” misten op ons hun effect alvast niet.

www.denisonwitmer.com

www.americana-europe.com

 

 

JAMES MCMURTRY & THE HEARTLESS BASTARDS

“Live In Aught-Three”

(Compadre Records / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Met “Live In Aught-Three” heeft de Texaanse singer-songwriter James McMurtry wellicht tegemoet willen komen aan de wensen van heel wat van zijn fans. Het betreft hier immers een verspreid over diverse locaties in de States opgenomen live-dwarsdoorsnede met het beste van zijn zes tot op heden uitgebrachte albums. Enkel het akoestische, volledig in zijn eentje gebrachte “Lights Of Cheyenne” verscheen nooit eerder op plaat. Voor het overige zijn ze er vrijwel allemaal, zijn “klassiekers”: van “Levelland” tot “Too Long In The Wasteland”, van “Saint Mary Of The Woods” tot “Red Dress”, van “60 Acres” tot de van Townes Van Zandt geleende afsluiter “Rex’s Blues”. Een mooi geheel dus, waarover McMurtry zelf in alle bescheidenheid laat weten: “I simply hope the album dispels any rumors that we suck.” Als je ’t ons vraagt, hoeft hij zich daarover voortaan alvast geen zorgen meer te maken.

www.jamesmcmurtry.com

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

E.T. DOOLIN

“E.T. Doolin”

(Merry Records)

(3) J J J

 

Vanuit eerder onverwachte hoek bereikte ons onlangs het plaatdebuut van E.T. Doolin. Israel is nu eenmaal niet direct een vaste leverancier als het gaat om rootsy materiaal. Toch werden we aangenaam verrast door de kwaliteit van de liedjes op de eersteling van deze beurtelings in Rishon Le Zion, Israel en NYC opgegroeide knaap. Tien nummers lang serveert hij tijdloze rock & roll met een zeer hoog sixties-gehalte en met een overduidelijke knipoog naar de Beatles. Liedjes als het lijzige “Dreaming”, het zomers vrolijk rondhossende “I Don’t Want What I Need” en het lekker wegrockende “Traveler” vormen de ideale showcase voor de onmiskenbare schrijverskwaliteiten van Doolin. En het zou voor ons alvast niet echt als een verrassing overkomen, als heel wat fans van de Fab Four zich ook tot deze muziek aangetrokken zouden voelen.

http://www.merryrecords.com/etDoolin.htm

CD Baby

 

 

PHIL PRITCHETT & THE FULL BAND

“Cool And Unusual Punishment – Live”

(Spitune Records)

(3) J J J

 

De dag in het najaar van 2001 waarop hij besloot om na een verblijf van twee jaar in Nashville naar zijn thuishaven Texas terug te keren, is er één die Phil Pritchett niet licht vergeten zal. Het vaste voornemen om het langs het legendarische live-circuit in de Lone Star State om te gaan maken heeft hem ondertussen immers geen windeieren gelegd. Met zijn begeleidingsgroep The Full Band, bestaande uit bassist Ryan Lynch en drummer Jason Stolly, wist hij via het zowel door de critici als door het CD’s kopende publiek goed onthaalde album “Tougher Than The Rest” uit 2002 en een reeks daaruit voortspruitende Budweiser True Music Live-optredens inmiddels een stevige reputatie als performer op te bouwen. En met “Cool And Unusual Punishment – Live” beantwoordt hij nu ook aan de toenemende vraag van zijn nieuwbakken fanschare om een aandenken aan die optredens. Het betreft immers een op twee avonden in november van vorig jaar in respectievelijk de College Station en Poor David’s Pub in zijn thuisstaat ingeblikte live-collectie, met daarop tien songs van eigen hand en covers van Little Feat (een zeer robuuste uitvoering van “Willin’”), Willie Nelson (“Devil In A Sleeping Bag”, outlaw country met ballen), Cross Canadian Ragweed (de bluesy countryrock van “Suicide Blues”) en Sublime (een verrassend lekkere, op z’n Texaans wegrockende versie van hun wereldhit “What I Got”). Pritchett maakt daarbij voortdurend een erg gedreven indruk. De man schrijft sterke countryrocksongs en brengt die op een zeer aanstekelijke manier. De beste voorbeelden om dat mee te illustreren zijn het snedige openingsnummer “Colorado On Trial”, het ook al gespierd rockende “God Save The King”, het eerder slome “Luke Skywalker And Indiana Jones” en uiteraard ook de prachtige rootspop van “Tougher Than The Rest”. Aan werkelijk alles laat zich hier duidelijk afhoren, dat Pritchett zijn tweede adem heeft gevonden.

www.philpritchett.com

 

 

JOE WEST

South Dakota Hairdo”

(Frogville Records)

(3.5) J J J J

 

 “South Dakota Hairdo” is het inmiddels ook alweer vierde album van alt. country singer-songwriter Joe West. En de man die ons in een recent verleden al wist te bekoren met de prima CD “The Lamp sessions” blijkt daarop opnieuw in goeden doen. Op de hem geheel eigen manier creëert hij met elementen uit respectievelijk alt. country, folk en rock een bonte muzikale lappendeken, waarover hij vervolgens zijn wat eigenzinnige, enigszins wrange, maar regelmatig ook ongemeen grappige teksten drapeert. Stemgewijs doet hij daarbij regelmatig denken aan andere klasbakken als een Dan Stuart, een James McMurtry en een Lou Reed. Stand-outs zijn wat ons betreft het nerveuze, maar tegelijk ook bijzonder catchy rootsrockende titelnummer “South Dakota Hairdo”, het vaag aan de rustige momenten van Green On Red herinnerende “Cold Canadian Love”, de springerige (alt.) country van “Reprimand”, de knappe pianoballade “Frank’s Jealous” en het uitgelaten rondhossende “Sometime Lovers”.

Net als bijvoorbeeld ook een Ronny Elliott behoort Joe West in onze ogen tot de categorie singer-songwriters die plaat na plaat opnieuw het ongelijk van de muziekwereld bewijzen, waarin ze jammer genoeg nagenoeg doodgezwegen worden. En dat verdienen platen als deze absoluut niet…

www.joewestmusic.com

www.frogvilleplanet.com

 

 

LEE MARVELOUS

“One Step Right Behind”

(Dusty Records)

(3.5) J J J J

 

Da’s nu wat wij een aangename verrassing noemen, zie. Komt hier totaal uit het niets uit het Hoge Noorden de eersteling aanwaaien van vier snaken uit het koele Zweden, luisterend naar de wat vreemde groepsnaam Lee Marvelous, en blijkt het daarbij nog om een bijzonder lekkere hard core countryplaat te gaan ook. De vier, die elkaar al in 1997 vonden tijdens een concert van wijlen Johnny Cash ergens in de buurt van Stockholm, steken op hun debuut hun bewondering voor The Man In Black en de oude Williams geen moment onder stoelen of banken, maar slagen er tegelijk ook wonderwel in om hun voorliefde voor traditionele country te laten wortelen in een behoorlijk eigentijdse sound. De liedjes, die op enkele uitzonderingen na allemaal gepend werden door het charismatische kopstuk van de groep Peter Frövik, zijn over het algemeen extreem catchy van aard. Lekker twangy gitaarwerk, een gedreven pompende bas, mandoline, pedal steel, banjo – geef toe, nu niet meteen de ingrediënten die je verwacht van een act voortkomend uit het land waar ABBA en Roxette jarenlang de muzikale plak voerden. Nochtans vallen die puzzelstukjes hier wonderwel in elkaar. Straffe songs als “Big Strong Man”, “I Leave The Forgiving To The Lord”, “Just Plain Fun”, titelnummer “One Step Right Behind” of “Stockholm Ain’t The Place” maken van dit album een visitekaartje, dat we met een gerust gemoed durven aan te bevelen aan eenieder bij wie bijvoorbeeld ook plaatwerk van Dale Watson, BR549 of de Hollisters in de kast zit.

www.leemarvelous.com

www.dustyrecords.se

 

 

ROGER MCGUINN

“Limited Edition”

(April First Productions)

(3.5) J J J J

 

Voormalig Byrds-kopstuk Roger McGuinn heeft zich de jongste jaren vooral onledig gehouden met het verzamelen en via zijn eigen webstek verspreiden van traditioneel Amerikaans songerfgoed. Via zijn Folk Den-project biedt hij al sinds 1995 maandelijks gratis downloads aan van zijn versies van dergelijke liedjes. Dat zou hem via de in 2002 verschenen compilatie “Treasures From The Folk Den” zelfs een Grammy-nominatie opleveren.

En nu is er dus de opvolger van dat prachtige album. Ook op het aan zijn inspirator George Harrison opgedragen “Limited Edition” blijft McGuinn in de weer met de traditie. Niet langer uitsluitend echter. Het album barst regelrecht uit zijn voegen van de lekker ouderwetse “jingle jangle” gitaarbijdragen. De Rickenbacker mag dus gewoon weer een hoofdrol spelen. Stilistisch gezien variëren de liedjes van roots pop tot blues, van folk tot… gewoon McGuinn.

Afgetrapt wordt met het door George Harrison na het horen van de Byrds-versie van “Bells Of Rhymney” gepende “If I Needed Someone”. Daarin wordt je even het gevoel gegeven, dat die goeie oude Byrds weer gewoon samen zouden zijn. Rickenbacker rules, zeg maar. En dat gevoel blijft zelfs nog even hangen in het daaropvolgende “Parade Of Lost Dreams”, een liedje waarin het verval van de Amerikaanse maatschappij wordt aangekaart. Zoals al gezegd weer flink wat aandacht voor overgeleverde deuntjes hier ook. Het eerste voorbeeld dat we daarvan tegenkomen is een behoorlijk contemporaine, drumgestuurde versie van het alom bekende, “Shady Grove”. Verder ondermeer ook een behoorlijk opgewekte versie van de “James Alley Blues”, een prachtige Rickenbacker-uitvoering van het hemelse “Shenandoah”, de Dixie Land Jazz-klassieker “When The Saints Go Marching In” en een lekker coole bluesversie van het al van Cab Calloway bekende “Gambler’s Blues”, hier herdoopt tot “St. James Infirmary”. Tussendoor ook heel wat liedjes die McGuinn samen met zijn wederhelft Camilla pende en daarvan bleven ons vooral de bluesy road song “Southbound 95”, het bitterzoete, zomerse “Castanet Dance” en het ingetogen “May The Road Rise To Meet You” bij.

Van McGuinn zijn we nog lang niet af, zoveel wordt hier wel duidelijk. En wie daar net als ons met veel plezier kennis van neemt, zal wellicht ook handenwrijvend achterblijven na de volgende mededeling. McGuinn heeft immers te kennen gegeven in juni af te zakken naar Groot-Brittannië om van daaruit een concerttour doorheen dertien steden op te zetten die hem ook naar België en Nederland zou moeten brengen. Als dat geen goed nieuws is…

http://mcguinn.com

 

 

ROBIN & LINDA WILLIAMS

“Deeper Waters”

(Red House Records / Music & Words)

(4.5) J J J J J

 

Al ruim dertig jaar lang levert het eigenzinnige koppel Robin en Linda Williams met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk de allerfraaiste rootsmuziek af en dat is op hun zeventiende CD – hun eerste voor hun nieuwe werkgever Red House Records – natuurlijk niet anders. Op de opvolger van hun in 2002 verschenen coverplaat “Visions Of Love”, “Deeper Waters”, versmelten de twee als vanouds elementen uit akoestische country, folk en vooral ook bluegrass tot een heerlijk brouwsel met hoog old-time-gehalte. Hun sterkste troeven zijn daarbij wonderschone harmonieën en beresterke songs van eigen hand. De medley “I’ll Remember You Love In My Prayers / Liza Jane / The Old Stillhouse” blijkt ditmaal immers de enige vreemde eend in de bijt. En ook muzikaal gezien staat het album als een huis. Naast de vaste begeleiders van de Williamsen, Their Fine Group (Jim Watson en Jimmy Gaudreau op mandoline en mandola), zijn daarvoor Mike Auldridge (dobro), Mary Chapin Carpenter, Iris DeMent, Sissy Spacek en Schuyler Fisk (harmonieën), Mark Schatz (akoestische bas), Kevin McNoldy (elektrische bas), Ricky Simpkins (fiddle) en John Jennings (gitaar) medeverantwoordelijk. Twaalf liedjes lang tovert dit gezelschap, maar als je op deze plaat toch zonodig enkele hoogtepunten zou moeten aanwijzen, dan zijn het vooral het hartverscheurend mooie, met Iris DeMent gebrachte afscheidsliedje “Leaving This Land”, het speelse “Old Plank Road” met Carpenter, Fisk en Spacek als ruggesteun en de sfeervolle opener “Whippoorwill” die voor een dergelijke nominatie in aanmerking zouden komen. Maar eigenlijk is het beter gewoon te onthouden, dat Robin en Linda Williams met “Deeper Waters” hun misschien wel beste album ooit hebben afgeleverd. Een plaat die alleszins haar plaatsje verdient in elke zichzelf enigszins respecterende rootsmuziekcollectie.

www.robinandlinda.com

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

PATTI WITTEN

“Sycamore Tryst”

(I-Town)

(3.5) J J J J

 

Een plaat die eigenlijk al een poosje uit is, maar waaraan dankzij Americana Europe pas nu de nodige aandacht besteed wordt met betrekking tot de Lage Landen, is “Sycamore Tryst”, het tweede album van de vanuit New York opererende zangeres-liedjesschrijfster Patti Witten. Zelf noemt die wat ze brengt akoestische rock, maar de liedjes op haar jongste CD laten zich wat ons betreft toch eerder bestempelen als folk-pop van het genre dat we kennen van vergelijkbare artiesten als Shawn Colvin en Joni Mitchell. Deze laatste noemt Witten trouwens zelf ook als een belangrijke invloed, naast bijvoorbeeld ook een Jackson Browne, een Aimee Mann of een Lucinda Williams.

Het merendeel van de songs op “Sycamore Tryst” ontstonden over een tijdsspanne van goed twee jaar, waarin de zangeres een weinig geobsedeerd was door de thema’s liefde en dood. Heel wat liedjes erop cirkelen als een rechtstreeks gevolg daarvan dan ook rond onderwerpen als moraliteit, familierelaties en liefde. Wat daarbij vooral opvalt is de poëtische schoonheid ervan. Die alleen al rechtvaardigt een extra pluim op de hoed van Witten, die ondermeer Rosanne Cash – bij wie ze ooit nog een songwriting workshop volgde – tot haar vaste bewonderaars mag rekenen. Knappe deuntjes als het ingetogen “Goin’ Back To Moline”, het behoorlijk radiogenieke tweetal “Black Butterfly” en “What I Don’t Tell You” en het wel zeer nadrukkelijk aan het recentere werk van Joni Mitchell refererende “Another Minute More” zouden ervoor moeten kunnen zorgen, dat Patti Witten ook hier snel een flinke schare fans aan zich weet te binden.

www.pattiwitten.com

www.americana-europe.com

www.itownrecords.com

 

 

ROSALIE SORRELS AND FRIENDS

“My Last Go Round”

(Red House Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

Na ruim vier decennia lang met haar muziek onderweg geweest te zijn, besloot de Amerikaanse folkgrootheid Rosalie Sorrels onlangs dat het nu wel welletjes geweest was. Haar afscheid van de podia beklemtoont ze nog eens extra met het al in 2002 door WGBH in het Sanders Theatre op de campus van de Harvard Universiteit in Cambridge ingeblikte “My Last Go Round”. Op deze speciale avond baande ze zich een weg doorheen meer dan veertig jaar folkgeschiedenis, daarbij ondermeer bijgestaan door een stel gerenommeerde artistieke vrienden als Jean Ritchie, Peggy Seeger, Patrick Sky, Christine Lavin en Loudon Wainwright III. Het resultaat is een prachtig folkdocument, waarbij vooral Sorrels’ gave om als artiest met haar publiek in verbinding te treden in het oog springt. Ze leidt haar liedjes zorgvuldig in en zorgt er mede op die manier door, dat de toehoorders vrijwel voortdurend aan haar lippen gekluisterd blijven hangen. Vooral het schitterende countryliedje “Traveling Lady” en het aan wijlen Dave Van Ronk opgedragen “I Think Of You” zijn van een werkelijk ongekende schoonheid. Sorrels blinkt daarin als vanouds uit als vertolkster. Met haar nog altijd loepzuivere warme stem jaagt ze je in haar eerbetoon aan haar maatje Van Ronk regelrecht de rillingen over de ruggengraat. Simpelweg prachtig! Andere markante momenten zijn het verstilde, door Peggy Seeger gebrachte “Love Will Linger On”, de ingetogen country van “Rock Salt And Nails” en het met fraai gitaarwerk van Mitch Greenhill opgeluisterde (licht jazzy) “Rondinelli’s Castle”.

Een plaat die zich beluisteren laat alsof je er zelf bij was op die bewuste drieëntwintigste maart van 2002. En eentje die voor eens en voor altijd Sorrels’ status van “grand Bohemian diva of traditional folk music” bevestigt.

www.wayoutinidaho.com

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

THE JIGSAW SEEN

“We Women”

(Vibro-Phonic)

(3) J J J

 

The Jigsaw Seen zijn zanger Dennis Davison en gitarist Jonathan Lea, een behoorlijk eclectisch ingesteld tweetal, dat –gevraagd naar z’n invloeden – zo diverse artiesten als Scott Walker, Ray Davies, Arthur Lee en Henry Mancini ophoest. Geen wonder dan ook, dat “We Women”, het als teaser voor een er binnenkort aankomende nieuwe CD opgevatte EP’tje, een op het eerste gehoor nogal bevreemdende indruk achterlaat. Het titelnummer begint bijvoorbeeld met een elektrische sitarriff, waaraan verderop zonder blikken of blozen ondermeer Indiaanse percussie, een elektrische piano, akoestische gitaar en bas worden toegevoegd. Het geheel krijgt daardoor onmiskenbaar een late sixties – vroege seventies pop feel mee. Aansluitend is er een bijzonder sfeervolle cover van het al van de Pretty Things bekende “Loneliest Person”. En afgerond wordt er met het tijdens een optreden in Chicago in 2002 opgenomen “Idiots With Guitars”, ingetogen pop met – hoe toepasselijk – niks meer dan een stem en een gitaar.

Nu zijn drie nummers op de keper beschouwd ruim weinig om een act op af te rekenen. Maar aangezien het toch enkel de bedoeling was om onze aandacht te wekken voor de nieuwe full-length CD, mogen we wel stellen: mission accomplished!

www.thejigsawseen.com

www.vibro-phonic.com

www.americana-europe.com

 

 

THE RANDY CLIFFS

“Trixie’s Trailer Sales”

(Four On The Floor Records)

(3.5) J J J J

 

One, two, three and off we go voor een sprankelende trip doorheen het snel-sneller-snelst universum van het uit Madison afkomstige kwartet The Randy Cliffs. Wat deze vier onder aanvoering van zanger Colin Mehlum op “Trixie’s Trailer Sales” klaarstomen is één grote dampende pot rock & roll waarin het insurgent country-gevoel van groepen als Uncle Tupelo en Whiskeytown vaardig gekoppeld wordt aan de punk-attitude van anderen als Social Distortion of The Replacements. Flink wat scheurende gitaren bezweren je van meet af aan om de volumeknop een flink lel naar rechts te geven. En als je toevallig op zoek mocht blijken naar één goede reden om er in bijzonder ongezond tempo een sixpack gerstenat door te jagen – this is it!

Van de no nonsense punk van het misleidend getitelde openingsnummer “Trucker’s Lullaby” over twangy lappen alt. country-met-de-duivel-op-de-hielen als “Rural Free Delivery” tot het pompende sluitstuk “Rust Belt Town” – je moet er gewoon plat voor, willen of niet. Het sleutelwoord is hier immers adrenaline! Live moet dit clubje onweerstaanbaar zijn…

www.therandycliffs.com

www.4onthefloor.com

 

 

LUCY KAPLANSKY

“The Red Thread”

(Red House Records / Music & Words)

(4.5) J J J J J

 

 “The Red Thread”, de titel van Lucy Kaplansky’s zopas verschenen vijfde CD, verwijst naar een oud Chinees geloof, dat zegt dat de ziel van een kind vanaf zijn geboorte door een onzichtbare rode draad verbonden wordt met allen die een belangrijke rol in zijn leven zullen gaan spelen. Een titelkeuze die we uiteraard moeten zien in het licht van de recente adoptie van haar dochtertje Molly, een jong Chineesje. Maar evengoed in het licht van de gebeurtenissen op die tragische elfde september, toen Kaplansky dicht in de buurt van Ground Zero in New York verbleef. De zes samen met haar wederhelft Rick Litvin gepende originelen op “The Red Thread” zijn dan ook een duidelijke reflectie van Kaplansky’s geestesleven van de voorbije twee jaar. In liedjes als het met John Gorka gebrachte “Line In The Sand” of het ingetogen “Land Of The Living” spreekt ze zonder schroom over de fatale klap die haar land op moreel vlak werd toegediend, over de zinloosheid van geweld, over de verstrekkende gevolgen ervan voor de niet-betrokken allochtonen uit de buurt. Anderzijds primeert in nummers als “The Red Thread”, “I Had Something” (met Richard Shindell) en “This Is Home” (opnieuw met Gorka) het beleven van haar (nakende) moederschap. “This is home, where I want to be – This is home, let’s make a family – Baby you and me – Baby you and me,” zingt ze in dat laatste nummer, daarmee haar door het gebeurde alleen maar gesterkte hang naar de geborgenheid van een eigen huiselijke kring uitdrukkelijk verwoordend.

Zoals steeds last Kaplansky ook op “The Red Thread” voorts ook weer een stel ijzersterke covers in. Ditmaal liet ze haar oog daarbij vallen op het folkrockertje “Off And Running” van James McMurtry en gebracht met collega Eliza Gilkyson, op de Buddy Miller-Jim Lauderdale-compositie “Hole In My Head” – hier uitgroeiend tot een mooi staaltje van folky country, op wijlen Dave Carters fraaie “Cowboy Singer” en Bill Morrissey’s “Love Song / New York” (waarvoor ook Jonatha Brooke even van de partij was). Kaplansky toont op die manier eens te meer niet alleen een voortreffelijke liedjesschrijfster te zijn, maar ook een fantastische vertolkster.

En met “The Red Thread” verdient ze wat ons betreft onderhand definitief een plaatsje tussen de allergrootste vrouwelijke singer-songwriters van het ogenblik als een Nanci Griffith, een Shawn Colvin, een Suzanne Vega of een Eliza Gilkyson. Haar trefzekere pen, die hemelse stem en tonnen goede smaak volstaan daartoe ruimschoots.

www.lucykaplansky.com

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

JERRY SIRES BAND

“You’re Gonna Be Cold”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

Ouderwets lekker! Een andere omschrijving wil ons zelfs na het herhaaldelijk beluisteren van de nieuwe CD van de Jerry Sires Band maar niet te binnen schieten. Sires en zijn maats spelen dan ook al zo’n vijftien jaar lang het Texaanse clubcircuit plat en hebben ondertussen zes CD’s achter hun naam staan, waarvan enkel de laatste vier nog verkrijgbaar zijn. De nadruk ligt op hun jongste, “You’re Gonna Be Cold”, voornamelijk op traditionele country en Western swing, maar het gebruikte instrumentarium en vooral ook de strakke harmonieën zorgen ervoor dat ook bluegrass regelmatig niet echt ver uit de buurt blijkt.

Voor het merendeel van de liedjes gaat Sires in de leen bij anderen. En da’s eigenlijk best wel vreemd te noemen, want de enige drie eigen composities hier, de zwierige opener “You’re Gonna Be Cold”, het met een jazzy gitaartje opgesmukte folkliedje “The Wildman From Borneo” en de al in 1990 geschreven groepsfavoriet “I Found Me A Trailer That Matches My Truck”, behoren zondermeer tot de allerleukste liedjes van het album. En daar rekenen we verder zeker ook het afsluitende, van Seldom Scene geleende “Don’t Crawfish Me Daddy” (met een heerlijk streepje cajun accordeon van Greg Lowry) en de Tex-Mex-benadering van het door Jimmy Martin gepopulariseerde “Sophronie” – naar verluidt een echte crowd pleaser - toe. Andere bekende en minder bekende covers zijn ondermeer “Thanks A Lot” (Ernest Tubb), “Grand Junction” (Greg Brown), “I’ll Break Out Again Tonight” (Whitey Shafer), “Ragged But Right” (Riley Puckett), “Roseville Fair” (Bill Staines) en “Day Blues” (John Sebastian).

Grote kunst is het allemaal niet, maar als er voor elke vijftig rotplaten die dezer dagen in Nashville aan de lopende band lijken te worden gemaakt eentje van dit niveau wordt afgeleverd, dan zullen wij nooit ophouden het traditionele countrygenre een warm hart toe te dragen. En ook daarin schuilt al een hele verdienste…

www.jerrysires.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“No Depression: What It Sounds Like, Vol.1”

(Dualtone / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Wat men met dit soort van compilaties precies hoopt te bewijzen, ontgaat ons een beetje. Je mag er onderhand immers toch wel van uitgaan, dat No Depression algemeen als referentie #1 in zaken alt. country aanvaard wordt. En dat de talrijke lezers van het blad inmiddels genoegzaam vertrouwd geraakt zijn met het gegeven, dat het genre zich maar moeilijk laat definiëren of afbakenen, dat staat ontegensprekelijk ook al een poosje als een paal boven water. Daartoe was een dergelijke verzamelaar dus absoluut niet nodig geweest.

Daar houdt de kritiek op het album “No Depression: What It Sounds Like, Vol. 1” wat ons betreft echter op. Het blijkt immers een bijzonder fraai staalkaartje te zijn geworden van de ruime waaier aan muzikale invalshoeken waarvoor het blad bekend staat. Van het liedje waaraan het – via een ommetje langs Uncle Tupelo weliswaar – zijn naam ontleende, het al uit de jaren dertig stammende “No Depression In Heaven” van The Carter Family, over countrybijdragen van wijlen Johnny Cash (“The Time Of The Preacher”) en Doug Sahm (“Cowboy Peyton Place”) of youngster Allison Moorer (“Is Heaven Good Enough For You”) tot voor het genre eigenlijk toch wel meer karakteristieke aandelen van artiesten als Buddy Miller (“Does My Ring Burn Your Finger”), de schromelijk ondergewaardeerde Hayseed (met diva Emmylou Harris in “Farther Along”), Whiskeytown (“Faithless Street”) en Kevin Gordon en Lucinda Williams (“Down To The Well”).

Echt interessant wordt het voor ons echter vooral door de toevoeging van enkele voorheen niet of moeilijk verkrijgbare tracks. Van Kasey Chambers onder andere, van wie we de eerder enkel op een Australische EP terug te vinden, haar door collega Matthew Ryan aangereikte, subtiele ballade “Dam” voorgeschoteld krijgen. Of de unieke samenwerking tussen Robbie Fulks en songbird Kelly Willis voor “Parallel Bars”, pittige country met een scherp randje is dat. En zeker ook “Thrice All American”, een alt. country-walsje waarin Neko Case met haar Boyfriends hulde brengt aan de plaats waar ze haar kinderjaren sleet, te weten Tacoma. En een speciale vermelding krijgt van ons ook de adembenemend mooie vertolking van Mickey Newbury’s “How I Love Them Old Songs” door The Hole Dozen, een gelegenheidscollectief met schoon volk als Bob Neuwirth, Mark Olson, Victoria Williams, Kevin Russell en Max Johnston van The Gourds, Greg Leisz, Chuck Prophet, Lisa Mednick, Murry Hammond van de Old 97’s, Walter Salas-Humara van de Silos en wijlen Mambo John Treanor.

Al bij al een toonbeeld van goede smaak dus. En dat hadden we eigenlijk niet anders verwacht ook! Al is het natuurlijk wél zo, dat we allemaal spelenderwijs wel 1001 andere songs uit de mouw hadden kunnen schudden om deze collectie mee te bevolken. Maar wie weet komen die vooralsnog wel aan bod op één van de volgende volumes…

www.nodepression.net

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

GRAHAM PARKER

“Your Country”

(Bloodshot / Evangeline)

(4.5) J J J J J

 

Toen we enige tijd geleden vernamen, dat Graham Parker voor zijn nieuwe album onderdak had gevonden bij het gerenommeerde Bloodshot Records, vormde dat hier de directe aanleiding tot redelijk hooggespannen verwachtingen met betrekking tot die worp. Zeker ook omdat het label vrijwel gelijktijdig aankondigde dat het album ons zou confronteren met een nieuwe kant van de Brit, die van (alt.) country singer-songwriter met name. Vandaar ook de titel: “Your Country”.

En de nieuwe Parker weet daadwerkelijk in alle opzichten te bekoren. Al is er dan ook stilaan wat sleet aan het komen op die markante sneer van ‘m, toch blijft het een waar genoegen om de man bezig te horen. Wij zouden zelfs zo ver durven gaan om “Your Country” één van zijn beste albums tot op heden te noemen. Elf nummers lang fietst hij daarop immers gezwind heen en weer tussen puike countryrock, Americana en volbloed alt. country. Heel erg raakten wij daarbij gecharmeerd door liedjes als het door een zomers mondharmonicaatje aangejaagde Americanariedeltje “The Rest Is History”, de beheerste country van opener “Anything For A Laugh”, het in het oog springende duet met Lucinda Williams, “Cruel Lips”, de ingetogen, bijna Dylaneske ballade “Things I’ve Never Said” en de rustige, maar bijzonder catchy cover van “Sugaree” van The Grateful Dead, de enige niet-Parker-compositie op de plaat.

De conclusie is dan ook heel erg voor de hand liggend in dit geval. Your country? Our country! Zeker weten!

www.grahamparker.net

www.bloodshotrecords.com

www.evangeline.co.uk

 

 

TOM VAN STIPHOUT

“Motion”

(Dreamteam Productions)

(4) J J J J

 

Een nieuwe lente, een nieuw geluid! Allez, da’s misschien een beetje overdreven, een nieuwe naam dan toch. En ééntje die hier een zeer diepe indruk heeft nagelaten ook! Toen we enkele weken geleden radiogewijs kennismaakten met Antwerpenaar Tom Van Stiphout middels de pure pop van het fraaie “Greyhound”, meenden we in eerste instantie zelfs even te maken te hebben met een nieuwe van Crowded House of van één van de twee Finn-broertjes voor eigen rekening. En nadat we onze daardoor aangezwengelde nieuwsgierigheid bevredigd hadden aan zijn uitstekende debuut-CD “Motion” leek het ons niet meer dan logisch dat ook de naam van James Taylor aan dat lijstje zou worden toegevoegd. Van Stiphout blijkt immers over een vergelijkbare honingzoete stem te beschikken en schrijft beklijvend mooie liedjes die voortdurend balanceren tussen perfecte pop, klassiek singer-songwritermateriaal en meer rootsy getinte stuff, zeg maar Americana.

Naast het al eerder aangehaalde, met een heel erg gesmaakte dobrobijdrage van Eric Melaerts opgeluisterde “Greyhound” lieten wij ons al even moeiteloos inpakken door fraaie, op respectievelijk akoestische gitaar en piano geënte ballades als “Head Over Feet”, “You Instead” en “Motion”. Maar ook als het tempo wat wordt opgevoerd, zoals bijvoorbeeld in het naar country neigende “Sixteen” of het met een lekkere baslijn aangezwengelde popliedje “Shades”, blijft Van Stiphouts werk er als zoete koek ingaan. En de verborgen bonus track - je reinste singer-songwriter country - accentueert op de valreep nog eens even welk een supertalent deze man wel is. Als je weet, dat Van Stiphout alle nummers schreef, het album produceerde en terloops ook nog zelf de akoestische gitaar, de dobro en de pedal steel bespeelde, was dat eigenlijk zelfs al niet eens meer nodig geweest. Wij zijn zwaar onder de indruk, beste man! Chapeau!

www.tomvanstiphout.be

 

 

ELIZA GILKYSON

Land Of Milk And Honey”

(Red House Records / Music & Words)

(4.5) J J J J J

 

Verdient eigenlijk al lang dezelfde status als deze die een Lucinda Williams bijvoorbeeld al wél geniet, deze Eliza Gilkyson. Net als Williams schrijft ze immers werkelijk wondermooie liedjes en net als haar vertolkt ze die ook op een bijzonder passionele en intense wijze. Haar engelachtige stem blijkt daarbij een echt godsgeschenk. En op haar jongste album “Land Of Milk And Honey” verkeert ze bovendien ook nog eens in uitstekend gezelschap. Slaid Cleaves draagt zo bijvoorbeeld op overtuigende wijze een steentje bij tot het rustig voortkabbelende openingsnummer “Hiway 9”, terwijl Jon Dee Graham, Stephen Bruton en Mark Hallman zich op hun beurt niet onbetuigd laten in het soulvolle “Dark Side Of Town”. En dan is er natuurlijk ook nog het afsluitende statement “Peace Call”, een tot op heden onvertolkt gebleven Woody Guthrie-compositie, waarin gelijkgestemde geesten als een Patty Griffin, een Mary Chapin Carpenter en een Iris DeMent in perfecte harmonie mee het mooie weer komen maken. Dat zijn dan ook de liedjes die er zo op het eerste gezicht lijken boven uit te steken. Lijken, want die eerste schijn bedriegt! Dit is immers een van de eerste tot de laatste noot uiterst genietbaar geheel, waarop de uitschieters elkaar gewoon blijven opvolgen. Welk thema ze ook aansnijdt, Gilkyson weet voortdurend te boeien. Of het nu gaat om mishandeling (zoals in “Ballad Of Yvonne Johnson”), om persoonlijke relatieproblemen (zoals in “Separated”), dan wel het al eerder aangehaalde anti-oorlogsbetoog, Gilkyson neemt nooit een blad voor de mond. Noem het zoetgevooisd venijn. En precies dat maakt van “Land Of Milk And Honey” een echte schatkamer voor allen voor wie muziek nog net dat ietsje meer te bieden mag hebben ook. Wonderschone plaat!

www.elizagilkyson.com

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

THE GREENCARDS

“Movin’ On”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Leuke naam voor een al even leuk bandje! Of hoe de fameuze groene verblijfsvergunning, die elk van de drie groepsleden van dit vanuit Austin, Texas opererende, energieke akoestische gezelschap om zijn job in de US of A te kunnen uitoefenen diende te verwerven, de rechtstreekse aanleiding vormde tot een wel erg toepasselijke naamkeuze. The Greencards zijn de gerespecteerde Britse fiddler Eamon McLoughlin en Aussies Kym Warner en Carol Young op respectievelijk mandoline en bas. Op hun CD-debuut “Movin’ On” treffen we twaalf liedjes aan, cirkelend rond thema’s als moeilijkheden, geloof en verlossing. Acht daarvan zijn originelen. De vier overige songs zijn covers, ondermeer van Robert Earl Keens “Love’s A Word I Never Throw Around” en van de Gillian Welch–David Rawlings-compositie “Caleb Meyer”.

Vier tot vijf avonden per week delen McLoughlin, Warner en Young het podium en dat hoor je hier duidelijk! Hun stevig in bluegrass geworteld geluid is werkelijk vlekkeloos van aard. En dat ondanks het feit dat het album in amper acht dagen tijd ingeblikt en afgemixt werd. Hoogtepunten zijn wat ons betreft de door Young gezongen versie van het al eerder aangesproken “Caleb Meyer”, het relaxte, samen met Bill Whitbeck en Canadese grootmeester Fred Eaglesmith geschreven titelnummer, het gedreven – een beetje naar Ierland geurende – “The Far Side Of The Hill” en de werkelijk oorstrelend mooie uitvoering van Robert Earl Keens “Love’s A Word I Never Throw Around”.

Net als de Sidehill Gougers en de Betweeners die we hier eerder dit jaar al de revue lieten passeren, lijken dus ook de Greencards een erg mooie toekomst voor de boeg te hebben. En het doet ons bijzonder veel plezier om daarbij vast te stellen, dat steeds meer jonge muzikanten zich bijzonder liefdevol beginnen in te laten met het traditionele Amerikaanse muzikale erfgoed. Het dipje dat het countrygenre in het laatste decennium van de vorige eeuw kenmerkte, lijkt zo stilaan vergeten.

www.thegreencards.com

CD Baby

 

 

HUBCAP

“Halogen Sons”

(I-Town Records)

(3.5) J J J J

 

Hubcap is een in de zomer van 1999 in Ithaca, NY geformeerd roots rock gezelschap bestaande uit Steve Gollnick (songs, zang en ritmegitaar), Peter Glanville (leadgitaar en harmonieën), Ryan Cady (drums) en Walt Lorenzut (bas). De band bewijst op zijn debuut “Halogen Sons” dat binnen dat roots rock genre heel wat mogelijk is. Vooral door Gollnicks stem herinneren beheerste gitaarrockdeunen als “Episode 9”, “No Myth / No Less” en “Rinsewater” regelmatig aan Eddie Vedders clubje Pearl Jam. Elders, zoals bijvoorbeeld in “Two Bits + Shirtless On Main Street” of “Stick Figures” trakteren de vier ons op loepzuivere Americana en alt. country. “Fiona” en “Constellations” zijn dan weer respectievelijk een akoestische ballad en een ingetogen stukje roots pop. En in bevreemdende liedjes als “Fred ‘n’ Ethyl” en “Shitstorm” wordt zelfs een zekere dosis psychedelia niet geschuwd.

Precies die grote diversiteit maakt van “Halogen Sons” een lekker spannend album, dat bij elke beluistering aan spankracht lijkt te winnen doordat je er telkens weer andere dingen in blijft ontdekken. Een aanrader dus, zeker voor diegenen onder jullie die hun gitaren zo nu en dan lekker vet mogen lusten!

www.hubcap.ws

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Blue Highways – 5”

(CRS)

(3.5) J J J J

 

Op het festival zelf is het - tot zaterdag 17 april - nog even wachten geblazen, maar de naar jaarlijkse gewoonte voor een prikje aangeboden compilatie met een overzicht van de er optredende artiesten erop ligt alweer in de schappen. En ook dit jaar heeft samensteller van dienst Arno Looijen van CRS er iets moois van weten te maken. Of wat dacht je van de volgende tracklist?

1. Rodney Crowell – “Fate's Right Hand”
2.
Drive-By Truckers – “Marry Me”
3. Reckless Kelly – “
Vancouver
4. Bobby Bare Jr. – “Valentine”
5. Ben Atkins – “Mabelle”
6. Elizabeth McQueen & The Firebrands – “I Don't Wanna Stop”
7. Fred Eaglesmith & The Flatheaded Noodlers – “I Shot Your Dog”
8. Rice, Rice, Hillman & Pedersen – “Hard Times”
9. Caitlin Cary – “Please Break My Heart”
10. Allison Moorer – “All Aboard”
11. Chris Knight – “The Jealous Kind”
12.Neil Cleary – “When All Of Us Get Famous”
13. Mark Olson & The Creekdippers – “Big Old Sign”
14. Phil Lee – “
Babylon
15. Duane Jarvis – “Coulda Shoulda Woulda”
16. Joy Lynn White – “On Her Own”
17.
Tish Hinojosa – “Donde Voy (Where I Go)”

En dat voor een eurootje of drie-vier! Kan je gewoon niet laten liggen bij een volgend bezoek aan je platenboer. Een betere prijs-kwaliteit-verhouding is immers nauwelijks denkbaar…

www.continental.nl

www.vredenburg.nl