ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2006

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Lizzie West & The White Buffalo “I Pledge Allegiance To Myself” - Brooks Williams “Blues And Ballads”Sara Petite “Tiger Mountain” - K.D. Lang “Reintarnation”Mark Knopfler & Emmylou Harris “All The Roadrunning” - Bruce Springsteen “We Shall Overcome – The Seeger Sessions”The Weepies “Say I Am You”Real Ones “Home With The Girls In The Morning”Saint Joe Hazelwood “Moth & Wool” - Various Artists “Heartworn Highways”Markus Rill “The Price Of Sin”Radney Foster “This World We Live In” - Joan Baez “Bowery Songs”Casey Driessen “3D”The Silos “Come On Like The Fast Lane”Teddy Thompson “Separate Ways”Ernest Goodlife Band “Good To Be Here” - Various Artists “Sail Away – The Songs Of Randy Newman”Bill Chambers “Frozen Ground”Pete Weiss Presents The Weisstronauts “Featuring “Perky”” - Chuck McCabe “Sweet Reunion”Sara K. “Hell Or High Water” - Kieran Kane, Kevin Welch & Fats Kaplin “Lost John Dean”Sounds Like Fall “The Wolf Is At The Door”Kelley McRae “Never Be” - Gina Villalobos “Miles Away”Loose Fur “Born Again In The U.S.A.” - Billy Bragg “Volume 1” (Box set)Cast King “Saw Mill Man”Michael Laderoute “A River I Know”James Yuill “The Vanilla Disc”Jinder “Willow Park”Palava “Fallen In Clover” - Various Artists “Real Cool Cats”Birdcatcher “Birdcatcher”Eric Hisaw “The Crosses” - Scott McClatchy “Burn This”Los Lobos “Wolf Tracks – The Best Of Los Lobos” - The Hometown Gamblers “Takin’ Care Of Business”Sera Cahoone “Sera Cahoone” - David Wolfenberger “Portrait Of Narcissus”Allen Dobb “Rosetown”Various Artists “Blue Highways 7”

 

LIZZIE WEST & THE WHITE BUFFALO

“I Pledge Allegiance To Myself”

(Appleseed Recordings / Music & Words)

(4) J J J J

 

 

 

In het leven kan het verkeren, Bredero wist het indertijd al en ook de vanuit Brooklyn actieve songstress Lizzie West kan er een aardig mondje over meepraten. Toen Warner Bros haar oorspronkelijk gewoon in eigen beheer uitgebrachte debuut in 2003 oppikte en onder de titel “Holy Road: Freedom Songs” bij een wat groter publiek introduceerde leek haar broodje zo goed als gebakken. Maar nu, nauwelijks drie jaar later, staat ze weer terug bij af. Na maanden van over en weer gekibbel met haar bazige werkgever over de controversiële inhoud van een aantal van haar nieuwe liedjes had West er de buik grondig vol van. Dat gegeven en het feit dat ze in diezelfde periode op korte termijn ook nog eens haar beide ouders verloor na een aanslepend gevecht tegen kanker deden haar inzien dat het zo ongeveer hoog tijd was om eens te herbronnen. Een eerste stap in de goede richting zetten zij en haar muzikale bondgenoot en levensgezel Anthony Kieraldo (a.k.a. the White Buffalo) alvast door hun lot te verbinden aan dat van Appleseed Recordings. Via dat kleine label, bekend zowel om zijn ruimdenkendheid daar waar het de artistieke vrijheid betreft als zijn bemoeienissen om sociale rechtvaardigheid te bewerkstelligen via muziek, doen de twee nu met het veelzeggend getitelde “I Pledge Allegiance To Myself” een nieuwe gooi naar eeuwige roem. Voor de opnames van dat nieuwe album zochten West en haar maatje achtereenvolgens hun heil in New York, Nashville en Jamaica. Iets waar het feit dat haar vrijwel voortdurend tussen persoonlijke ervaringen en filosofische bespiegelingen heen en weer stuiterende songteksten in een ware veelheid aan stijlen werden ondergebracht wellicht niet geheel vreemd aan zal zijn. Folk, roots, hip-hop, reggae, gospel, Americana, West draait hier eigenlijk zo goed als nergens haar hand voor om. En wat meer is, ze doet dat met brio. Met haar passioneel krassende, bij momenten een weinig aan Marianne Faithfull herinnerende stem lijkt ze echt zo ongeveer alles aan te kunnen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het in meer dan één opzicht verleidelijke zomerse reggaedeuntje “Rope Me In And Smoke Me”, naar haar bitterzoete benadering van de Steve Goodman-klassieker “City Of New Orleans”, naar de op hoop gebouwde Americana van “Portrait Of An Artist As A Young Woman (Thank You)”, naar het Dylan-eske “19 Miles To Baghdad”, naar het van nijd door jaloezie druipende “God Damn That Man” of naar haar beklijvende kijk op Bob Marley’s “Get Up, Stand Up” en je zal ons daarin allicht graag bijtreden. Neen, neen, deze West heeft duidelijk geen major nodig, ze komt er ook zo wel. Kwaliteit van dit kaliber gaat immers vanzelf wel bovendrijven…

Lizzie West

Appleseed Recordings

CD Baby

 

 

BROOKS WILLIAMS

“Blues And Ballads”

(Red Guitar Blue Music)

(4) J J J J

 

 

Op zijn inmiddels toch ook alweer vijftiende CD “Blues And Ballads” gaat gitaarvirtuoos Brooks Williams op zoek naar zijn roots en eert hij naar eigen zeggen een aantal muzikanten en songs die van groot belang zijn geweest voor zijn ontwikkeling als muzikant en performer. In het gezelschap van Northern Lights-bassist John Daniel waagt hij zich zo aan van het nodige respect getuigende vertolkingen van klassieke akoestische bluesnummers als “In The Evening” van Big Bill Broonzy, “Honey Babe” van Lightning Hopkins, “Love In Vain” van Robert Johnson, “Weepin’ Willow Blues” van Blind Boy Fuller en “Trouble In Mind” van Snooks Eaglin, aan een aantal jazz standards als “Don’t Get Around Much Anymore” van Duke Ellington en “All Blues” van Miles Davis, aan new folk classics als “Shady Grove”, “Watch The Stars” en Bruce Cockburn z’n “One Day I Walk”, aan een stel tot “fingerpickers” omgebouwde fiddledeunen als “Peacemaker’s Hornpipe” en “Tenpenny Bit” en zelfs aan een gospelhymne (“Precious Lord Take My Hand”). Een al bij al lekker gevarieerd overkomend geheel met andere woorden, dat het hem toelaat wederom uitgebreid zijn vingervaardigheid te etaleren op instrumenten als de akoestische gitaar, de bottleneck slide, de resonator en de mandoline. En dat de man kan zingen, tja, dat wisten we natuurlijk ook al wel langer dan vandaag. Van hieruit zal je dan ook absoluut geen kwaad woord horen over dit fraaie “labour of love”.

Brooks Williams

CD Baby

 

 

SARA PETITE

“Tiger Mountain”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Als je haar enkel op haar looks zou beoordelen dan zou deze jonge chanteuse uit bloemenstadje Sumner, Washington als snel in de buurt van een maximumscore uitkomen, maar tot nader order draait het ‘m hier natuurlijk nog altijd gewoon louter om de muziek. En die mag dan al behoorlijk goed zijn, zo’n topscore zit er op dit vlak vooralsnog zeker niet in. Sara Petite vindt voor haar liedjes inspiratie in herinneringen aan haar thuishaven en in de vele reizen die ze maakte doorheen de States, Canada, Mexico en zowat heel Europa. Als een soort van jongere uitvoering van Dolly Parton verpakt ze die in songs waarin het gebruik van elementen uit traditionele country, bluegrass en rock uitmondt in aanstekelijke Americana. Als haar voornaamste troeven gelden daarbij haar enigszins aparte, op jeugdig élan drijvende stem en haar vermogen om een meteen goed in het gehoor liggende song te schrijven. Wij durven dan ook zonder schroom te stellen, dat deze werkelijk oogstrelende beauty mits een wat ruimer opnamebudget en een aan haar talenten beantwoordende productie bij een volgende gelegenheid nog een mooie toekomst wacht.

Sara Petite

CD Baby

 

 

K.D. LANG

“Reintarnation”

(Rhino / Warner)

(4) J J J J

 

 

 

De in een duidelijk naar het hoesje van “London Calling” van de Clash – Of was het toch Elvis? - verwijzende verpakking gestoken Rhino-verzamelaar “Reintarnation” richt de spots op de eerste tien jaren uit de carrière van de Canadese spring-in-‘t-veld K.D. Lang. Aan de hand van twintig tracks worden haar eerste albums “A Truly Western Experience”, “Angel With A Lariat”, “Shadowland”, “Absolute Torch And Twang” en de soundtrack bij de Gus Van Sant-film “Even Cowgirls Get The Blues” doorgelicht. De nadruk ligt daarbij anders dan dat de laatste jaren het geval was nog nadrukkelijk op country met een licht alternatief randje. Lang swingt, rockt en croont hier dat het een ware lust is voor het oor. Weinig op aan te merken dan ook op dit geheel, buiten misschien het feit dat naar goede Rhino-gewoonte ook ditmaal de die hard fans weer diep in de buidel mogen tasten voor relatief weinig materiaal dat ze nog niet in hun collectie hadden zitten. Buiten “Friday Dance Promenade”, de allereerste Lang-single uit ’83, en “Changed My Mind”, een voorheen niet verkrijgbare Lang-Mink-compositie, zullen zij hier wellicht niet veel aantreffen waarop ze echt zaten te wachten. Voor wie Lang nog niet zo goed kent is dit echter een ronduit uitstekende instapper.

K.D. Lang

Rhino

 

 

MARK KNOPFLER & EMMYLOU HARRIS

“All The Roadrunning”

(Mercury / UMG)

(3,5) J J J J

 

 

 

Ruim zeven jaar deden Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler en countrydiva Emmylou Harris erover om telkens als er zich een gelegenheid voordeed in alle stilte aan dit project te werken. De verwachtingen naar het eindresultaat waren hier dan ook behoorlijk hooggespannen. En eerlijk gezegd worden die niet helemaal ingelost. Technisch gezien maken de twee hun reputatie natuurlijk wél voortdurend waar, maar het songmateriaal is wat ons betreft niet allemaal van die aard om er meteen van aan het jubelen te slaan. Ongelooflijk mooie momenten als de twee enige door Harris mee gepende songs, de heerlijke ballade “Love And Happiness” en de speelse Americanadeun “Belle Starr”, of de bluegrass van “Red Staggerwing” worden afgewisseld met kwalitatief niet allemaal even hoogstaande momenten. Het broeierige, duidelijk op de Lanois-leest geschoeide “Rollin’ On”, het al van de jongste Dire Straits-compilatie bekende, licht Iers getinte teasertje “All The Roadrunning”, het ingetogen tweetal “Donkey Town” en “Beyond My Wildest Dreams” zijn nog best o.k., maar dingen als het zomers poppy “Beachcombing”, het qua sfeer niet echt bij de rest passende rockertje “This Is Us”, het bluesy “Right Now” en het afsluitende “If This is Goodbye” slaagden er bepaald niet in om onze aandacht tot het einde vast te houden.

Slecht is het allemaal niet, maar wij hadden hier gewoon een pak meer van verwacht.

Mark Knopfler

Emmylou Harris

 

 

BRUCE SPRINGSTEEN

“We Shall Overcome – The Seeger Sessions”

(Columbia / Sony/BMG)

(4,5) J J J J J

 

 

 

In 1997 liet Bruce Springsteen zich overhalen om voor “Where Have All The Flowers Gone: The Songs Of Pete Seeger” het nummer “We Shall Overcome” op te nemen. En omdat hij nu niet bepaald een kenner van het oeuvre van die folklegende was, bezocht hij indertijd bij wijze van voorbereiding een lokale platenzaak en wandelde er met een flinke lading Seeger-platen onder de arm weer naar buiten. Een nieuwe wereld zou zich zodoende voor hem openen. Gepakt door de weelde aan op die albums aangetroffen songs, hun rijkdom en de kracht die ervan uitging ging Springsteen helemaal anders tegen folk aankijken. Meer nog, hij moest en zou zich zelf aan een volledig aan Seeger gewijd project wagen. Langs Soozie Tyrell, zijn toenmalige violiste in de E Street Band, om maakte hij kennis met een groepje muzikanten uit New York, dat hem daarbij zou gaan bijstaan. Springsteen wilde voor dit speciale project immers het geluid van een groepje mensen dat schijnbaar achteloos samen zittend maar wat raak musiceerde. Een eerste sessie van één dag werd nog datzelfde jaar ingeblikt. Om uiteenlopende redenen zou het vervolgens echter nog tot 2005 duren vooraleer The Boss de draad van zijn Seeger-album terug oppikte. Vorig jaar kwamen hij en zijn gelegenheidsmedewerkers opnieuw voor één dag samen en begin dit jaar deden ze dat nog eens over. Alle dertien songs die uiteindelijk op “We Shall Overcome – The Seeger Sessions” zouden belanden werden zonder voorafgaande oefensessies live opgenomen. En dat hoor je ook! Deze nieuwe Springsteen-CD is zondermeer zijn beste in jaren. Wat de man hier doet bruist van de energie, het leeft gewoon. Qua sfeer en beleving herinnert het aan het beste van de Pogues en van die van het Nederlandse Rowwen Hèze. Gitaar, harmonica, accordeon, fiddle, banjo, tamboerijn, mandoline, akoestische bas, washboard, tal van blazers, variërend van trompet over sax tot tuba, allemaal in één grote pot en roeren maar lijkt het devies te zijn geweest. En dan die machtige stem van de man zelf eroverheen, die – zoveel is meteen duidelijk – de tijd van zijn leven moet hebben beleefd bij het opnemen van met Seeger geassocieerde dingen als “Old Dan Tucker”, “Jesse James”, “Mrs. McGrath”, “O Mary Don’t You Weep”, “John Henry”, “Erie Canal”, “Jacob’s Ladder”, “My Oklahoma Home”, “Eyes On The Prize”, “Shenandoah”, “Pay Me My Money Down”, “We Shall Overcome” en “Froggie Went A Courtin’”. Nu eens aan de eerder bedaarde kant zoals in het van een Iers randje voorziene “Mrs. McGrath” of in de tijdens de voorbije jaren wel eens vaker gecoverde traditional “Shenandoah”, dan weer lekker ongegeneerd uit de bol gaand zoals in “Old Dan Tucker” of het uitermate aanstekelijke “Pay Me My Money Down” (met z’n zalige accordeonbijdrage van Charles Giordano), dit is de Springsteen zoals we hem eigenlijk altijd al wel eens hadden willen horen.

En alsof de plaat an sich al niet zou hebben volstaan krijgen we er voor één en dezelfde prijs ook nog eens een bonus-DVD bij met daarop ruim dertig minuten exclusief beeldmateriaal over de totstandkoming van het album, commentaar van de man zelve en twee bonus tracks. Meer dan waar voor je geld dus!

Bruce Springsteen

 

 

THE WEEPIES

“Say I Am You”

(Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

 

De eerste pagina’s van het levensverhaal van The Weepies werden geschreven toen Deb Talan, een beloftevolle jonge zingende liedjesschrijfster, nu zo’n jaar of vier geleden naar de befaamde Club Passim in Boston afzakte om er Steve Tannen aan het werk te zien. Bleek dat die Tannen die met “Big Señorita” net zijn debuutplaat had afgeleverd even zwaar in de ban was van haar eersteling “Something Burning” als zij van zijn visitekaartje. En zoiets schept natuurlijk een band. Van dan af ging het dan ook allemaal behoorlijk snel. De twee besloten hun krachten te bundelen als The Weepies. Het eerste resultaat van die samenwerking was het in 2003 verschenen “Happiness”, een acht tracks tellende collectie sprankelende (folk)popliedjes, die eigenlijk vooral dient te worden gezien als een logisch vervolg op hun soloplaten. Dat album versterkte niet alleen hun geloof in het aangegane verband, het leverde hen meteen ook een platendeal met het hier te lande door Munich verdeelde Nettwerk-label op. En daarvan mogen wij nu met z’n allen de vruchten plukken. Hun maiden release voor die nieuwe werkgever “Say I Am You” is er meteen één die kan tellen. Talan en Tannen steken er hun voorliefde voor gitaargeoriënteerde (folk)popliedjes nergens op onder stoelen of banken. Elk nemen ze daarbij hun deel van de zangpartijen voor hun rekening. Talan herinnert daarbij beurtelings aan collega’s als een Lisa Loeb en een Suzanne Vega, Tannens stem heeft iets weg van een kruising tussen James Taylor en Elliott Smith. Wat aan hun veelal delicate songs een zekere meerwaarde verleent is echter vooral hun harmonieerwerk. Daaraan hoor je meteen waarom de twee zich ooit ogenblikkelijk tot elkaar aangetrokken voelden. De Engelsen spreken in dit verband gewoonlijk van “a perfect match”. En dat maakt elk van de dertien op “Say I Am You” gebrachte nummers tot gefundenes Fressen voor liefhebbers van Pop met een hoofdletter P.

The Weepies

Nettwerk

Munich Records

 

 

REAL ONES

“Home With The Girls In The Morning”

(BPop / V2 Music Scandinavia / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Een gitaarintro genre de Stones in betere tijden, een schrille streep mondharmonica, veel meer hebben de vijf jonge Noren van de Real Ones niet nodig om meteen je aandacht te trekken in “Oh My”, het openingsnummer van hun tweede CD “Home With The Girls In The Morning”. Eigenaardig genoeg blijkt dat nummer vervolgens niet richting rock te evolueren maar eerder tot een zomerse bluegrass meets pop song. En ook het daaropvolgende “Everybody Feels Like Laughing” zoekt het in die sferen. Banjogewijs worden old time American music en sterk op wat in de sixties courant was geënte pop en psychedelica met elkaar vervlochten. Hele mooie harmonieën trouwens, waarmee de youngsters in dat liedje uitpakken.

De toon is daarmee meteen gezet. Die twee nummers blijken bij nader inzicht immers behoorlijk representatief voor wat volgt. Jørgen Sandvik (zang, gitaar, mandoline, banjo), David Chelsom Vogt (zang, viool), Øystein Skjælaaen (bas) en Kåre Opheim (drums) gaan voor een uitermate eclectische akoestische muziekvariant waarin zo ongeveer alles blijkt te kunnen. Het eindresultaat mag zich dan doorgaans nog als pop laten catalogeren, de vijf putten voor hun even aanstekelijk als eigenwijs muzikaal brouwsel uit een hele resem aan genres en stijlen. Naast het al eerder vermelde bluegrass- en sixtiesmateriaal blijken verder bijvoorbeeld ook country, folk, Oosterse en Afrikaanse muziek dankbare inspiratiebronnen. Dat ze uit die veelheid aan invloeden steeds weer catchy songs weten te puren pleit voor de grote klasse van de Noren.

Real Ones

Munich Records

 

 

SAINT JOE HAZELWOOD

“Moth & Wool”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Aparte naam voor een al even apart bandje! Saint Joe Hazelwood is een vanuit Quincy, MA actief drietal bestaande uit Christopher Alspach (zang, gitaar, mandoline), Alex Vilcapoma (piano, zang) en Alex Hardy (bas, cello), dat gespecialiseerd blijkt in het soort van rustige herfstige folk dat het in onze kontreien doorgaans zeer goed doet in indiekringen. Een eerder voor de hand liggende referentie bij het situeren van hun muziek vormen Antony And The Johnsons. Niet in de laatste plaats omdat voorman Alspach zich stemgewijs regelmatig tot acrobatieën laat verleiden vergelijkbaar met die van het virtuoze kopstuk van dat illustere gezelschap. “Moth & Wool”, het titelnummer van hun nieuwe E.P., vormt wat dat betreft zo ongeveer de ideale illustratie. De combinatie van een met de nodige omzichtigheid betokkelde akoestische (nylon string) gitaar, een voor de sfeer bepalend blijkende cellobijdrage van Hardy en Alspachs aparte zang resulteert daarin in ruim vier minuten muziek van een welhaast onaardse schoonheid. Mooi is wat Alspach en de zijnen hier doen überhaupt. Met hun verhalen over gewone mensen verpakt in wat zo ongeveer de ideale mix van folk, pop en klassiek moet zijn doen ze alleszins nu al reikhalzend uitkijken naar meer.

Saint Joe Hazelwood

MySpace Music

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Heartworn Highways”

(Loose Music / Munich)

(4) J J J J

 

 

 

De DVD-uitvoering van de documentaire “Heartworn Highways” was al een poosje beschikbaar, maar naar aanleiding van de dertigste verjaardag van dat aan de geboorte van het Americanagenre gewijde document van de hand van Jim Szalapski werd er nu eindelijk ook een geluidsdrager aan besteed. Geen zuivere soundtrack, aldus producer David Gorman, maar eerder een “audio companion”. Dat betekent ondermeer dat men wat steviger spul als “Two Mile Pike” van Barefoot Jerry en “Texas” van de Charlie Daniels Band niet heeft weerhouden. Net als wat al te zeer naar old time country neigend materiaal als “Let’s Go All The Way” van Peggy Brooks en “Doctor’s Blues” van Glenn Stagner trouwens. Wat overblijft is een hartverwarmende collectie boordevol met uniek, in een uiterst relaxte setting opgenomen materiaal van knapen als een Guy Clark, een Larry Jon Wilson, een Townes Van Zandt, een David Allan Coe, een Steve Young, een Gamble Rogers, een Rodney Crowell, een John Hiatt en een Steve Earle. Van dat laatste drietal horen we hier de eerste stappen richting eeuwige roem. De heren hadden eigenlijk nog zo goed als alles te bewijzen. Al was het materiaal dat ze ten gehore brachten dan ook al erg straf. Volop genieten geblazen is het hier van prachtige akoestische versies van songs als “L.A Freeway”, “That Old Time Feeling”, “Waitin’ ‘Round To Die”, “Desperadoes Waiting For A Train”, “Bluebird Wine”, “Alabama Highway”, “Pancho & Lefty” en “Texas Cookin’”, door de jaren heen stuk voor stuk uitgegroeid tot klassiekers binnen het genre. Hier is dan ook sprake van een volstrekt tijdloos document. Erg mooi! Een zondermeer verplichte aanschaf eigenlijk.

Loose Music

 

 

MARKUS RILL

“The Price Of Sin”

(Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

De Duitser Markus Rill bewijst zich op zijn vijfde CD “The Price Of Sin” andermaal als een absolute topper. Op dat in Nashville in het gezelschap van andere klasbakken als een George Bradfute, een Fats Kaplin, een Dave Jacques, een Bryan Owings en een Dave Coleman opgenomen album concentreert de man zich voornamelijk op ballades. Met zijn schuurpapieren stem als voornaamste troef ploegt hij zich doorheen twaalf ronduit voortreffelijke eigen songs. De nadruk ligt daarbij zeer nadrukkelijk op een akoestische aanpak. Een zacht jammerende pedal steel, een voorzichtig betaste akoestische gitaar, een elegant zoemende bas, aan het breekbare grenzend drum- en percussiewerk, wat dobro, slide, banjo en mandoline, wat strijkers, een occasioneel opduikend accordeon, een mondharmonica en een piano, meer is er echt niet nodig om Rill hier op de top van zijn kunnen te laten acteren. Schitterend gewoon hoe hij in een liedje als “Wash Away The Stain” in een vlaag van deemoed het universele gevoel van “berouw na de zonde” perfect weet te verklanken, of hoe hij in “The Price You Pay For Sin” filosofeert over het zeldzame gevoel dat zich langzaam van hem meester maakt na het verleiden van de vrouw van zijn beste vriend. Dat gebeurt op zodanig indringende wijze, dat je tot diep in je binnenste voelt nazinderen wat hij vertelt. Hij beschrijft, jij ervaart… Groots! Een ander woord hebben wij er hier alvast niet voor. Dit is Americana hors catégorie: warm, integer, beklijvend.

Markus Rill

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

RADNEY FOSTER

“This World We Live In”

(Dualtone / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Texaan Radney Foster eet op zijn nieuwe CD “This World We Live In” van meerdere walletjes tegelijk. In het uitgelezen gezelschap van een regelrechte keurtroep aan studiomuzikanten als gitarist Waddy Wachtel, bassist Bob Glaub, drummer Charley Drayton en Wallflowers-toetsenman Rami Jaffe gokt hij nu eens op recht-toe-recht-aan-(country)rockers, dan weer op eerder ingetogen materiaal. De scherpe randjes worden in elk van beide gevallen echter zoveel mogelijk weg geveild. En dat is eigenlijk best jammer te noemen. Fosters pennenvruchten zijn door de band genomen immers van prima makelij, maar door te opteren voor een behoorlijk glad geluid mist hij regelmatig kansen voor open doel. Vooral in wat meer uptempo materiaal als het op een klassiek thema voortbordurende en in een Stonesy jasje gestoken “Drunk On Love” of het rotcommerciële countrystampertje “Prove Me Right” doet de beste man ons inziens zijn eigen talenten fameus tekort. Neen, geef ons dan maar liever heerlijke ballads à la het met Kim Richey gebrachte “Half Of My Mistakes”, “Kindness Of Strangers” en “I Won’t Lie To You” of iets als het nog nadrukkelijk naar de dichtstbijzijnde honky-tonk lonkende “Big Idea”. Country zit de man nu eenmaal gewoon stukken beter. Nog een geluk dus, dat het merendeel van het hier gebrachte materiaal nog wél onder die vlag valt.

Radney Foster

Dualtone

Bertus

 

 

JOAN BAEZ

“Bowery Songs”

(Proper / Munich)

(4) J J J J

 

 

 

Op 6 november 2004, ongeveer een jaar na de release van “Dark Chords On A Big Guitar”, haar verrassende comebackplaat die vooral in Americana-middens op het nodige gejubel onthaald werd, blikte folklegende Joan Baez in The Bowery Ballroom in New York de live-CD “Bowery Songs” in. In de States was dat album al zo’n half jaar verkrijgbaar, maar nu werd het door het Britse label Proper Records (hier verdeeld door Munich) eindelijk ook in Europa beschikbaar gesteld. Op die door Mark Spector geproduceerde set grossiert Baez andermaal royaal in selecte covers van andermans werk. Van “Dark Chords On A Big Guitar” werden zo bijvoorbeeld Steve Earle’s “Christmas In Washington” (Kippenvelversie!), “Motherland” van Natalie Merchant en “Rexroth’s Daughter” van Greg Brown weerhouden. Van Bob Dylan brengt ze verder ondermeer “It’s All Over Now, Baby Blue” en “Seven Curses”, van Woody Guthrie “Deportee (Plane Wreck At Los Gatos)”, enzovoort. Wat daarbij opvalt, is dat Baez vocaal echt in zeer goede doen is. Heerlijk hoe haar door de jaren heen tot op een bepaald sensueel niveau gerijpte stem kleurt bij de gekozen songs en de muzikale invulling daarvan. In George Javori (drums, percussie), Erik Della Penna (gitaar, lap steel, banjo, zang), Graham Maby (bas, zang) en Duke McVinnie (gitaar, zang) kon ze bovendien rekenen op een zeer hechte begeleidingsgroep. Dat men “Bowery Songs” her en der prompt bombardeerde tot haar beste live-CD ooit valt wat ons betreft dan ook perfect te begrijpen. Het volledig a capella gebrachte “Finlandia”, het eerder al genoemde “Seven Curses”, “Dink’s Song” en het afsluitende “Jerusalem” zijn voor de fans de spreekwoordelijke kersen op de taart. Die nummers verschenen immers nooit eerder op een Baez-plaat.

Joan Baez

Proper Records

 

 

CASEY DRIESSEN

“3D”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

 

Casey Driessen is ontegensprekelijk één van dé rijzende sterren aan het bluegrassfirmament. Het c.v. van de zeventwintigjarige fiddler uit Chicago – Al verblijft hij dezer dagen wel in Nashville. – is nu al van het soort om veel van zijn hem in jaren een flink stuk achterlatende collega’s groen van nijd te doen uitslaan. Steve Earle was één van de eersten om zijn fenomenale talenten te onderkennen. Hij nodigde Driessen al op zijn twintigste uit om hem bij te staan in The Bluegrass Dukes. En vanaf dat moment ging het voor de jongeling allemaal razend snel. Gereputeerde artiesten uit het genre als een Tim O’Brien, een Chris Jones, een Judith Edelman, een Darrell Scott en een Abigail Washburn deden allemaal een beroep op zijn kunstjes. En als voorlopig hoogtepunt in zijn carrière mag een samenwerking met Béla Fleck en Bryan Sutton als trio worden gezien. Die bracht hem ondermeer op de planken van het gerenommeerde Ryman Auditorium.

Bij dat alles is het absoluut niet vreemd om je de vraag te gaan stellen wat al die collega’s nu precies aantrekt in Driessen. Tim O’Brien heeft het antwoord voor ons klaar. Een echte spons noemde hij Driessen onlangs. Hij bewondert in de youngster vooral zijn onbevreesde aanpak. Driessen laat dan ook geen kans onbenut om zijn ogenschijnlijk onverzadigbare vernieuwingsdrang op zijn instrument te botvieren. Waar hij ook is, hij zuigt inderdaad vrijwel voortdurend invloeden op, die hij vroeg of laat wel eens ergens in zijn eigen werk laat opduiken. Traditionele deunen vormen daarbij slechts een uitgangspunt voor de man. Hij gebruikt ze, vertimmert ze eigenlijk compleet. Luister bijvoorbeeld maar eens naar zijn versie van “Jerusalem Ridge” van Bill Monroe en je zal meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen. Vier verschillende, stuk voor stuk door Driessen zelf ingespeelde fiddlepartijen resulteren daarbij in één zenuwachtige, lekker spannende brok bluegrassgeweld. “Gaptooth” is een ander voorbeeld. Dat is eigenlijk gewoon een met de hulp van Béla Fleck (banjo), Viktor Krauss (bas) en Jamey Haddad (percussie) vakkundig tot jig verbouwde uitvoering van de traditional “Cumberland Gap”. In de medley “Sugarfoot Rag / Freedom Jazz Dance” laat hij Western swing, jazz en bluegrass dan weer op inventieve wijze met elkaar botsen en in “Cliff’s Dweller Slide” koppelt hij een exotische flavour ook al aan nieuwe jazzigheid. Een stuk traditioneler van aanpak zijn dan ondermeer het ingetogen “2 A.M.”, waarin Jerry Douglas dobrogewijs wat ruggensteun komt verlenen, en die andere medley “Snowflake Reel / Done Gone / Cheyenne”, al zal het drumwerk van Haddad daarin wellicht heel wat puristen voor de borst stoten.

Concluderen kan je eigenlijk alleen maar, dat als de wereld zoals het spreekwoord het wil aan de durvers is, deze Driessen het nog heel erg ver zal gaan schoppen. En terecht ook!

Casey Driessen

Sugar Hill Records

 

 

THE SILOS

“Come On Like The Fast Lane”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Walter Salas-Humara heeft zijn zaken weer keurig op een rijtje, zo lijkt het. Waar het er aan het eind van de vorige eeuw nog alle aanschijn van had dat hij de pedalen definitief kwijt was en dat we voorgoed van hem en zijn Silos af waren, snoert hij ons nu met het derde deel van een loepzuivere hattrick met een brede grijns om de lippen de mond. Het begon allemaal in 2001 met het alweer redelijk straffe “Laser Beam Next Door”, werd vervolgens knap volgehouden met “When The Telephone Rings” uit 2004 en culmineert nu in het uitstekende “Come On Like The Fast Lane”, zonder enige twijfel één van de sterkste Silos-platen ooit. En dat is voor een groot stuk te danken aan gitarist Drew Glackin. Voornamelijk dankzij diens snedige spel klinken de Silos weer lekker spannend. Er zit weer het nodige venijn in. Nummers als het jachtige, met Steve Wynn geschreven “Behind Me Now”, het al even dwingende “Tell Me You Love Me”, het melodieuze, vervaarlijk naar power pop overhellende “I Won You Won”, het atmosferische “Keeping Score” en het punky titelnummer katapulteren Salas-Humara en de zijnen probleemloos terug naar het voorfront van het actuele rootsrockgebeuren, een plaats waar ze eigenlijk gewoon altijd thuisgehoord hebben. En dat is een prettige vaststelling.

The Silos

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

TEDDY THOMPSON

“Separate Ways”

(Verve Forecast / UMG)

(4) J J J J

 

 

Bekende pa, bekende ma, maar de jonge Thompson gaat eigenzinnig zijn eigen wegen en blijkt daarbij lang niet in dezelfde mate in de ban van folk als zijn ouders. “Separate Ways”, de tweede van de ondertussen toch ook al de dertig gepasseerde Teddy, dient eerder gesitueerd te worden ergens halverwege tussen het werk van Ron Sexsmith en dat van die andere zoon van z’n vader (Jakob Dylan) zijn Wallflowers. Met de eerste deelt hij naast een wat aparte, maar bijzonder warme hoge stem een uitgesproken voorliefde voor in pure melancholie verpakte popdeuntjes, met de laatsten verbinden hem vooral een aantal wat meer rockgeoriënteerde liedjes.

Gastoptredens zijn er op “Separate Ways” ondermeer van die andere kinderen van bekende ouders Rufus en Martha Wainwright en Jenni Muldaur, van pa en ma Richard en Linda Thompson, van Garth Hudson van The Band, van drumfenomeen Dave Mattacks en van banjovirtuoos Tony Trischka. Schoon volk genoeg dus! En dat Teddy Thompson aan samenwerkingen van dat kaliber een fantastische popplaat overhoudt lijkt ons eigenlijk niet meer dan normaal. Maar eerlijk is eerlijk: het zijn toch vooral zijn songs en zijn zang die het hem hier doen.

Teddy Thompson

Verve Forecast

 

 

ERNEST GOODLIFE BAND

“Good To Be Here”

(Dren Records)

(3) J J J

 

 

Al in 2004 verscheen van het uit Philadelphia, PA afkomstige collectief de Ernest Goodlife Band in eigen beheer de CD “Good To Be Here”. Datzelfde album wordt nu door het vanuit dezelfde regio actieve onafhankelijke platenlabel Dren Records opnieuw aangeboden, al was het maar om de wereld vooralsnog te kunnen overtuigen van de talenten van de songsmid van die groep, Mark De Rose. Deze laatste blijkt een neusje te hebben voor prettig in het gehoor liggende roots pop en rock songs met een vrij hoog jaren-zeventig-gehalte. En dat hoeft eigenlijk allerminst te verwonderen, want zijn een weinig aan James Taylor verwante stem solliciteert ook vrij nadrukkelijk naar dat soort van materiaal. Relaxte liedjes zijn het, gekenmerkt door catchy melodieën, eerder introspectieve teksten en een veelal akoestische benadering. Spectaculair is het allemaal niet te noemen, heel erg af klinkt het daarentegen juist wel. Noem het maar gewoon wat aangenaam vertier voor als straks de zon eindelijk besluit haar werk te gaan doen en een zekere onbezorgdheid zich weer onbewust van je meester zal maken.

Ernest Goodlife Band

Dren Records

CD Baby

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Sail Away – The Songs Of Randy Newman”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Het Amerikaanse label Sugar Hill Records heeft in het verleden al meer dan eens bewezen een bijzonder gelukkig handje te hebben bij het samenstellen van verzamelaars en dat doet het ook met “Sail Away: The Songs Of Randy Newman” weer. Op dat album brengen een stel artiesten uit eigen stal en een handvol buitenstaanders elk op hun geheel eigen manier hulde aan één van de allerbeste Amerikaanse singer-songwriters ooit. En dat levert aardig wat zeer mooie momenten op. We denken dan bijvoorbeeld aan het bondgenootschap tussen die van Reckless Kelly en Joe Ely voor een van het nodige gruis voorziene versie van één van Newmans bekendste liedjes, “Rider In The Rain”, aan de sprankelende bluegrassuitvoering van “Birmingham” door de Del McCoury Band, aan de Sonny Landreth-kijk op het plots weer heel erg actuele “Louisiana 1927”, aan de fraaie Americana twist die Tim O’Brien aan “Sail Away” meegaf, aan de immer soulvolle Allison Moorer in “Marie”, aan haar “hubbie” Steve Earle in een bijzonder snedig, in gitaargalm gehuld “Rednecks”, aan Sam Bush, die met het losjes uit de pols gebrachte “Mr. President (Have Pity On The Working Man)” wat ons betreft tekent voor één van de leukste bijdragen, en aan Marc Broussard met het bluesy “You Can Leave Your Hat On” – al blijft Joe Cockers bronstige uitvoering van dat nummer voorlopig toch nog even onze voorkeur genieten. Andere betrokkenen zijn Béla Fleck (“Burn On”), Guster (“Memo To My Son”), The Duhks (“Political Science”) en Kim Richey (“Texas Girl At The Funeral Of Her Father”).

Sugar Hill Records

 

 

BILL CHAMBERS

“Frozen Ground”

(Essence Records / EMI Australia)

(3,5) J J J J

 

 

“Sleeping With The Blues”, de vorige van vader Chambers, vinden wij met afstand één van de beste platen van de jongste jaren. We keken dan ook met bijzonder hooggespannen verwachtingen uit naar de opvolger daarvan. En het moet gezegd, eigenlijk ontgoochelt die een weinig. “Frozen Ground” toont de singer-songwriter Chambers immers van een wat andere kant. Waar “Sleeping With The Blues” nog gewoon voor het door de man zelf samen met Audrey Auld Mezera gerunde Reckless Records verscheen, vond hij voor “Frozen Ground” een onderkomen bij Essence Records, een tak van major EMI. En dat is enerzijds wel mooi, omdat het aangeeft, dat men in de commerciële potentie van Chambers gelooft, maar anderzijds brengt het ook een aantal nadelen met zich mee. Of de plaat ooit een Europese release of zelfs maar verdeling alhier zal krijgen is bijvoorbeeld nog maar de vraag. Wie zich “Frozen Ground” wil aanschaffen is voorlopig sowieso aangewezen op peperdure importkanalen. En wat de promotie hier betreft is het verhaal al even droevig. Succes op het thuisfront zou Chambers dus wel eens een flink deel van zijn achterban hier kunnen gaan kosten. Maar goed, daar heeft hij dus zelf voor gekozen…

Dat er ook op muzikaal vlak één en ander veranderde, vinden wij al erger. Een aantal van de liedjes op “Frozen Ground” lonken wat ons betreft net iets te nadrukkelijk naar commercieel succes. Voorbeelden daarvan zijn het poppy ingekleurde tweetal “Falling Like The Snow” en “Poison Blood”, het over een licht bluesy achtergrond geschilderde “This Ain’t Louisiana” en het nagenoeg op zijn Billboards countryrockende “Chasing Rainbows”. Gelukkig vertellen die nummers niet het hele verhaal. Het door Rod McCormack en Tim Wedde van The Flood van respectievelijk bijzonder fraai akoestisch gitaarspel en dito accordeonwerk voorziene “Theresa” is bijvoorbeeld een erg fraai Americana liefdesliedje, “Big River” een zeer geslaagde bluesy Cash-cover, “The Island” Chambers zomers vrolijk op z’n Jimmy Buffetts, “Killing The Blues” een trage van het kaliber van “I Drink” op z’n vorige, “Rider In The Rain” een zalige met Michael Rose gedeelde duetbenadering van het gelijknamige Randy Newman-nummer, “Ain’t Your Town No More” een op de Texaanse leest geschoeid rockertje, “The Stranger” een lekker slepende story song en “Little Man” een al even bekoorlijk akoestische brief aan een door zijn vader on the road erg gemiste zoon.

Al bij al niet zo’n voltreffer over de gehele lijn als zijn voorganger dus, deze “Frozen Ground”, maar wel met nog ruimschoots voldoende beklijvende momenten om toch van een verantwoorde aanschaf te spreken. Al blijft het zoals gezegd dan ook een erg dure bedoening…

Bill Chambers (Reckless Records)

Essence Records

 

 

PETE WEISS PRESENTS

THE WEISSTRONAUTS

“Featuring “Perky””

(Sool Recordings / Dren Records)

(2,5) J J J

 

 

The Weisstronauts zijn een wat apart vijftal bestaande uit naamgever-producer-gitarist Pete Weiss, bassist Kevin Quinn, gitaristen Ken Lafler en George Hall en drummer Jeff Berlin. Aangevuld met Aaron Tap, nóg een gitarist, en Emily Jackson van The Rock Band voor wat drum- en percussiewerk komt dat collectief op zijn nieuwe – inmiddels toch ook alweer vierde – CD met achttien gitaarinstrumentals op de proppen, waarin werkelijk alles lijkt te kunnen. Variatie troef in hun liedjes met andere woorden! Jammer genoeg ontbreekt het wel aan iets anders. En dat zijn echt beklijvende melodieën. “Featuring “Perky”” groeit daardoor uit tot het soort van plaat waar gitaarfreaks wellicht likkebaardend naar uitkijken, maar waar je als doorsnee-muziekliefhebber niet zo heel erg veel aan hebt. Jammer eigenlijk, want met momenten als het lentefrisse titelnummer, het werkelijk flitsende “Jade Cow 2005”, het regelmatig volop naar sixties-collega’s als de Ventures lonkende “Serpentini” en de springerige country van “Odysseus Goes To America” wordt ontegensprekelijk bewezen dat het ook heel anders had gekund. Volgende keer beter, zullen we maar denken…

The Weisstronauts

Dren Records

 

 

CHUCK MCCABE

“Sweet Reunion”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

 

“Sweet Reunion”, de nieuwe CD van Chuck McCabe, is een heerlijk gevarieerde roots singer-songwriterplaat. In het gezelschap van gerenommeerde muzikanten als Norton Buffalo (diverse mondharmonica’s), Myron Dove (diverse bassen), Rob Ickes (dobro), Brian McNeill (concertina), John Lee Sanders (sax en piano), David Brewer (pipes, whistle en bodhran) en Joe Weed (fiddle) bestrijkt de beste man (zang, banjo’s en gitaren) daarop ongelooflijk veel terrein. Hij giet zijn heldere story songs te allen tijde in de vorm die daartoe het meest aangewezen blijkt. In opener “The Minstrel Boy”, “Erin The Fair (And Caledonia The Brave)” en “The Junk In Murphy’s Yard” doet hij zo mooie dingen met het Keltisch erfgoed dat hij van huize uit meekreeg, “Grandpa Played Softball”, “Old Enemy” en “Deliver Us From Evil” vallen onder blues & roots, “Gone To Utah” en “Sweet Reunion” zijn voorbeelden van op de klassieke leest geschoeid Americana singer-songwritermateriaal, “Reunion Hymn” heeft iets gospelesks over zich, “Bonifay Rag” is een old-timey instrumental, “That’s What I Like About My Baby” valt op door z’n jazzy karakter en “No Good To Me Now” is een uitgelaten feestje op zijn New Orleans. Kortom zo ongeveer alle ingrediënten voor een prima CD zijn aanwezig: een mooie, doorleefde stem, knappe liedjes, interessante teksten, uitstekende muzikanten – wij durven ons hier al wel eens met minder tevreden stellen ook. En ons zal je dan ook bepaald niet horen mopperen over McCabe’s “Sweet Reunion”.

Chuck McCabe

CD Baby

 

 

SARA K.

“Hell Or High Water”

(Stockfisch-Records / In-Akustik)

(3,5) J J J J

 

 

 

De uit Texas afkomstige maar dezer dagen in New Mexico levende Sara K. heeft één serieus voordeel ten opzichte van de meeste in de Americana-sector actieve singer-songwriters. De stem van K. is er immers één uit de duizenden: diep, warm, sensueel, een weinig herinnerend aan Joni Mitchell eigenlijk. Het ideale instrument is het om haar op het kruispunt van stijlen als folk, blues, pop en jazz te situeren liedjes mee aan de man te brengen. Haar zopas bij het Duitse Stockfisch-Records verschenen nieuwe CD “Hell Or High Water” illustreert die stelling andermaal. Onder de productionele hoede van de onvolprezen Günter Pauler schotelt K. ons daarop acht eigen songs en prachtversies van “Fish Outta Water” van James T. Almand en het al in de uitvoering van Ann Peebles en tal van anderen bekende “I Can’t Stand The Rain” voor. Tien veelal enigszins zweverige schoonheden zijn het, gedragen door die fenomenale stem van K. zelf en muzikaal ingekleurd door de usual suspects op door onder de supervisie van Pauler opgenomen platen. Klasbakken als een Chris Jones, een Bruce Dunlap, een Hans-Jörg Maucksch en een Beo Brockhausen bedoelen we dan. Het resultaat is het soort van plaat dat zich bij voorkeur in de kleine uurtjes laat genieten, als de nacht voor geborgenheid en de nodige rust zorgt. Het is immers op die momenten dat de zielenroerselen van K. het best tot je doordringen.

Sara K.

Stockfisch-Records

In-Akustik

 

 

KIERAN KANE, KEVIN WELCH & FATS KAPLIN

“Lost John Dean”

(Compass Records)

(5) J J J J J

 

 

Waar je er in 2004 bij het verschijnen van hun vorige CD “You Can’t Save Everybody” nog van uit kon gaan, dat singer-songwriters hors catégorie Kieran Kane en Kevin Welch enkel en alleen met multi-instrumentalist Fats Kaplin in zee waren gegaan om hun toenmalig ideeëngoed zo goed mogelijk verklankt te krijgen, beklemtonen de twee ditmaal van meet af aan, dat ze “Lost John Dean” wel degelijk als een “groepsprestatie” beschouwen. “Het gaat niet om twee knapen en een begeleidende muzikant,” aldus Kieran Kane zelf, “maar om een band.” En dat is goed nieuws. “You Can’t Save Everybody” was immers al een dot van een plaat en de nieuwe schijf van de drie hoeft daar in niets voor onder te doen. Wel integendeel! Gelijk van bij de hypernerveuze, door Kaplin en Kane op respectievelijk fiddle en banjo aangejaagde opener “Monkey Jump” weet je dat hier spannende dingen te gebeuren staan. En dat gevoel wordt vervolgens nog eens tien tracks lang beaamd. Na het belerende, door Welch gezongen bluesje “Satan’s Paradise”, de superieure roots van de door de drie van een springerig nieuw arrangement voorziene traditional “Lost John Dean”, de sombere, welhaast in berusting verzuipende ballade “Heaven Now”, een knappe, enigszins dreigend aanvoelende en als dialoog gebrachte lezing van David Olney’s “Postcard From Mexico”, het ondanks een duistere ondertoon te allen tijde positief denkende bluesjuweeltje “To The Harvest Look Ahead”, de Americana pur van “I Can’t Wait”, het door Welch samen met David Olney, John Hadley en Claudia Scott gepende “Mr. Bones”, het door Welch met gedempte stem gebrachte bitterzoete afscheidslied “Clean Getaway”, de rootsy country van “Them Wheels Don’t Roll Anymore” en de afsluitende cover van “Mellow Down Easy” van Willie Dixon is eigenlijk maar één conclusie mogelijk: dit is Americana buiten categorie, briljant gewoon! En derhalve ook zondermeer een verplichte aanschaf voor elke zichzelf respecterende liefhebber van het genre.

Kieran Kane

Kevin Welch

Dead Reckoning Records

Compass Records

 

 

SOUNDS LIKE FALL

“The Wolf Is At The Door”

(Yer Bird Records)

(4) J J J J

 

 

What’s in a name… De muziek van Sounds Like Fall heeft inderdaad een bijzonder herfstig karakter. Het muzikale alter ego van de voorheen als kopstuk van Moonshine Radio door het leven stappende Joe Young geldt als een ware oase voor liefhebbers van rootsy singer-songwritermateriaal met een voorzichtige indie touch. Vergelijkingsmateriaal? Iron & Wine, M. Ward, Magnolia Electric Co, ja zelfs Townes Van Zandt.

Young vertrekt bij het schrijven van zijn liedjes duidelijk vanuit een diep respect voor traditionele folk en een zekere voorliefde voor akoestische instrumenten, maar schuwt anderzijds het experiment ook niet. Als zijn songs daar behoefte aan hebben doorbreekt hij resoluut de hegemonie van de akoestische gitaar en zorgt voor een spaarzame elektrische toets. Daardoor ademt “The Wolf Is At The Door” enerzijds weliswaar een uitgesproken old-time folkgevoel uit, maar zoekt het anderzijds ook duidelijk aansluiting bij wat nu kan. De desolate schoonheid van zijn materiaal zal de beste man alleszins ook hier aardig wat fans gaan opleveren. Vooruitgesteld dat men er ook in deze kontreien een geschikte verdeler voor vindt tenminste. Maar dat zou eigenlijk geen probleem mogen vormen.

 

Bij wijze van kennismaking nodigt Young je uit om alvast gratis zijn CD “Early Recordings” te downloaden. (Inclusief volledig artwork!) Is net als “The Wolf Is At The Door” een stevige aanrader!

 

Sounds Like Fall

Yer Bird Records

 

 

KELLEY MCRAE

“Never Be”

(sonaBLAST! Records)

(4) J J J J

 

 

Het kan soms raar lopen… Eerder toevallig struikel je als recensent tijdens één van de weinige vrije momenten die je nog resten bij het surfen op het internet over een liedje van een je totaal onbekende zangeres en voor je het weet ontluikt een nieuwe muzikale liefde voor het leven. Dat is exact wat ons overkwam toen we tijdens een bezoek aan één van onze favoriete blogspots kennismaakten met “Johnny Cash”, een nummer van de in Mississippi geboren, maar ondertussen naar New York verkaste jonge singer-songwriter Kelley McRae. Centraal in die ingetogen beauty staan de liefde van wijlen The Man In Black voor zijn June en het langzame wegkwijnen van de man na haar dood. Van kippenvelmomenten gesproken, dit was er dus één! Snel dus maar de bijbehorende CD “Never Be” opgesnord en daar hebben we werkelijk nog geen moment spijt van gehad.

McRae blijkt een echte laatbloeier. Ze had tijdens haar tienerjaren weliswaar al wat zangervaring opgedaan in een lokaal kerkkoor en als zangeres in een jazzbandje in Nantucket, maar pas gedurende haar acteerstudies in Texas ontwikkelde zich een nieuwe passie, die voor het schrijven van eigen songs met name. “For me, finding songwriting was like falling in love or something like that… where you find what to you is home and where you’re supposed to put your time and passion,” beweert ze daarover zelf. En dat hoor je ook! McRae koppelt een hart-op-de-tong-instelling zoals we die nog kennen van de klassieke countryartiesten van weleer aan een perfect, haar jonge leeftijd volstrekt negerend neusje voor intrigerende onderwerpen. Stemgewijs strandt ze daarbij ergens tussen het ijle van Margo Timmins van de Cowboy Junkies en het gloedvolle van de grote Patty Griffin. Vooral met het werk van de eerste van die twee willen de liedjes op haar door JD Foster (Calexico, Laura Cantrell, Richard Buckner,…) geproduceerde debuut overigens nogal eens gelijkenissen vertonen. McRae’s zang blijkt net als die van Timmins tegelijk breekbaar, warm, passioneel en ongemeen soulvol. Een gevoel dat alleen nog maar versterkt wordt door de prachtige complementaire harmonieerpartijen van Sarah Fullen en Virginia Kull. Eén lap heerlijke Americana is het resultaat. Of het daarbij nu gaat om simpele stem-plus-gitaar-liedjes als het verstilde “Morning Song” of aan gospel en soul grenzende dingen als “Nothin’ To Lose” of “Stone Cold Sober”, groovy materiaal als “Time” of iets als het wat meer naar traditionele country neigende “Leavin’ Song”, het is werkelijk allemaal even pakkend. Hier is wat ons betreft dan ook duidelijk sprake van een regelrechte revelatie. Chapeau, juffrouw McRae!

Kelley McRae

sonaBLAST! Records

 

 

GINA VILLALOBOS

“Miles Away”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Jan Janssen en zijn kompanen van het Real Roots Café wisten haar onlangs te strikken voor hun op zondag 4 juni op het podium van het Landgoed Roepaen plaatshebbende tiende verjaardagsfeest – het Roots @ Roepaen Festival - en het zou ons absoluut niet verbazen mocht deze Gina Villalobos daar uitgroeien tot dé absolute publiekslievelinge. Waarom we dat denken? Het antwoord is even simpel als voor de hand liggend. Wat Villalobos op haar binnenkort te verschijnen derde CD “Miles Away” brengt is absolute topklasse. Net als op de voorganger daarvan, het knappe “Rock ‘N’ Roll Pony”, laat ze zich ook ditmaal weer betrappen op songmateriaal dat flirt met het beste van zowel Lucinda Williams, Ryan Adams als de Stones zo circa “Exile On Main Street”, maar het klinkt allemaal net iets bezielder dan voorheen. Met negen nieuwe songs van eigen hand en een heerlijke, met een sausje van twangende gitaren overgoten countryrockcover van de Yvonne Elliman-hit “If I Can’t Have You” gaat ze hier voor de definitieve knock-out. Of het nu is met melodieuze, lekker makkelijk onder stoom komende (roots)rockertjes als het titelnummer, “Don’t Let Go” en “Don’t Defeat Me”, dan wel met gespierde ballades genre “Hard Enough” en “Let’s Fall Apart” of eerder als midtempo te bestempelen materiaal à la “Tied To My Side” en “Somebody Save Me”, met haar heerlijke hese stem – Lucinda meets Kim Carnes, zoiets - duldt ze nergens nog enig verzet. Schrijf het dus maar op: dit wordt een hele grote, is als je ’t ons vraagt nog louter een kwestie van tijd!

Gina Villalobos

Laughing Outlaw Records

 

 

LOOSE FUR

“Born Again In The U.S.A.”

(Drag City / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Voor wie het wachten op nieuw werk van Wilco wat al te zwaar valt ligt er sinds kort een prima lapmiddeltje bij de betere platenslijter. Het luistert naar de naam “Born In The U.S.A.” en is de tweede van gelegenheidscollectief Loose Fur. Om - zoals zoveel anderen - in verband met die act van een Americana-supergroep te gewagen vinden wij net wat té ver gaan, maar aangenaam gezelschap is die nieuwe van Jeff Tweedy (Wilco), Glenn Kotche (Wilco) en Jim O’Rourke (Sonic Youth) alleszins wel. Klasse-muzikanten als ze zijn hadden de drie absoluut geen hulp van buitenaf nodig bij het inblikken van dit zijsprongetje. O’Rourke bekommerde zich om de technische kant van de zaak, Tweedy en hij namen de lyrics voor hun rekening. De muziek was dan weer een zuivere groepsaangelegenheid, zowel het componeren als het uitvoeren ervan.

Net als Wilco laat ook Loose Fur zich niet zomaar voor één gat vangen. “Born Again In The U.S.A.” is het soort van plaat dat je niet zomaar een-twee-drie in het één of andere hokje onderbrengt. De drie heren doen gewoon op elk ogenblik waar ze zin in hebben. Als dat in het brengen van een fragiele ballade is, dan komt er zoiets als “Answers To Your Questions” uit de bus. Denken ze toevallig aan Southern rock, dan resulteert dat in een catchy stampertje als “Hey Chicken”. Mag het wat lijzige country zijn, dan volgt iets als “The Ruling Class”. Een gewaagde pop-rock-hybride? Moet kunnen! Zoals in “Pretty Sparks” bijvoorbeeld. Of power pop versus Southern boogie misschien? Dan is “Stupid As The Sun” het creatieve antwoord. En zo kunnen we nog wel even doorgaan… Slechts één constante eigenlijk en dat is het vrijwel nergens minder dan magistrale gitaarwerk.

Een gemakkelijke plaat? Zeker niet. Een goede plaat? Even zeker weten wél!

Loose Fur

Drag City

 

 

BILLY BRAGG

“Volume 1”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(5) J J J J J

 

 

Hier mogen allen die zich in de toekomst geroepen voelen om box sets aan artiesten te wijden een voorbeeld aan nemen! “Volume 1” is de eerste van een reeks verzamelingen bedoeld om het complete oeuvre van het 80’s antwoord op muzikale activisten als een Woody Guthrie en een Pete Seeger samen te brengen. En hoe! Verspreid over zeven CD’s en twee DVD’s wordt de perfectie daarbij aardig dicht benaderd. Een eerste dubbelaar bevat naast Braggs complete debuut “Life’s A Riot With Spy Vs. Spy” uit ’83 (met ondermeer de hit “A New England” en favorieten als “To Have And Have Not”, “The Milkman Of Human Kindness” en “The Man In The Iron Man”) nog een tweede schijfje met daarop elf extra tracks. Nummer twee bestaat uit één CD met het eveneens in zijn geheel bewaard gebleven volwaardige albumdebuut van Bragg uit ’84, “Brewing Up With Billy Bragg”, en één met een stel voorheen niet verkrijgbare tracks en de complete “Between The Wars EP”. Alleen al de moeite voor de outtakes van de albumsessies en de Bragg-versies van “The Last Time” van de Stones en “Back To The Old House” van de Smiths! Het derde digipack is vervolgens voorbehouden voor ’s mans “moeilijke derde”, “Talking With The Taxman About Poetry” uit ’86, en een bonus CD met opnieuw tien extra tracks. Weer een heleboel alternative takes en outtakes van de bewuste sessies, maar ook leuke covers van “Sin City” (Flying Burrito Brothers), “Deportees” (Woody Guthrie) en “The Tracks Of My Tears” (Smokey Robinson & The Miracles). Nummer vier bestaat tenslotte uit één CD en één DVD. De CD verzamelt de mini “The Internationale”, de “Live & Dubious EP” en een vijftal bonus tracks, waaronder Braggs benaderingen van “Joe Hill” van Phil Ochs en “This Land Is Your Land” van Woody Guthrie, twee van zijn grote voorbeelden. De DVD “Here & There” bevat beelden van optredens in Oost-Berlijn (februari ’86), Nicaragua (juli ’87) en Litouwen (mei ’88). Elk van deze vier dubbelaars is overigens ook gewoon los in de detailhandel verkrijgbaar. Maar dan mis je naast de fraaie box en het bijzonder informatieve boekje daarin wel een tweede bonus DVD. “From The West Down To The East” bestaat uit twee delen: “The South Bank Show” (met TV-materiaal uit maart ’85) en “East Berlin DDR” (met concertopnamen uit augustus ’86).

Heerlijke box gewoon! En “Volume 2” mag wat ons betreft dan ook héél snel volgen…

Billy Bragg

Cooking Vinyl

 

 

CAST KING

“Saw Mill Man”

(Locust Music)

(4) J J J J

 

 

Dat muziek werkelijk van alle leeftijden is, bewijst het debuut van deze krasse ouderling uit Old Sand Mountain, Alabama. Op een zucht verwijderd van zijn tachtigste verjaardag duikt Cast King na een jarenlange afwezigheid plots weer op met een debuut dat qua intensiteit heel erg doet denken aan de “American”-albums van Cash, Haggards “If I Could Only Fly” en de recente Kris Kristofferson. Zelfde verweerde stem, zelfde voorliefde voor tragere, enigszins sombere liedjes, zelfde gevoel over een schaarse muzikale aankleding daarvan. Stem en akoestische en elektrische gitaar volstaan ruimschoots. (Enkel in het titelnummer wordt ook even een drum getolereerd.)

Dat we van King überhaupt nog plaatwerk mogen begroeten, hebben we overigens in vrij grote mate te danken aan iemand anders. Met name ene Matt Downer. Die trok à la Alan Lomax en Harry Smith doorheen Alabama om er de songs van muzikanten op leeftijd te bestuderen en stootte zo op deze ruwe diamant. Samen namen ze vervolgens “Saw Mill Man” op. Die eersteling van King bevat voornamelijk als ballades te omschrijven liedjes, cirkelend rond thema’s als hartzeer, drank en de dood. Eerder somber spul zoals al eerder gesteld, maar wel van een ongewoon hoge kwaliteit. Een aanrader dan ook voor al wie de hoger vernoemde platen een warm hart toedraagt en al zeker voor de fans van het laatwerk van de Man In Black zaliger.

Locust Music

 

 

MICHAEL LADEROUTE

“A River I Know”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Nog zo’n debutant op jaren is de Canadees Michael Laderoute. Maar anders dan Cast King dien je hem eerder te situeren in het spoor van lui als een Guy Clark, een John Prine en een Chip Taylor dan in de buurt van wijlen Johnny Cash. Laderoute werd tot het opnemen van een album aangezet door nieuwsgierige bezoekers van zijn optredens. Vaak genoeg met dezelfde vraag – “Heb je ook een CD uit?” - geconfronteerd worden leidde uiteindelijk tot zijn wat ons betreft veel te lang uitgestelde eersteling. Pas toen hij op een onbewaakt moment in een bar in Toronto de Sundowners aan het werk zag, overwon Laderoute vrijwel meteen zijn schroom om een studio in te duiken. Hij wist ogenblikkelijk, dat dit akoestische gezelschap rond de boomlange Corin Raymond uit het juiste hout gesneden was om hem over zijn drempelvrees heen te helpen. En zo geschiedde ook. Het resultaat is “A River I Know”, een droom van een country singer-songwriterplaat, die nagenoeg uit haar voegen barst van de werkelijk uitstekende songs. In een door akoestische gitaren, fiddles, dobro, mandoline en contrabas gedomineerd muzikaal decorum bewijst Laderoute zich hier voortdurend als een meester-verteller. Met liedjes als het de ondergang van de door enkele noodlottige voorvallen tijdens zijn jeugd tot bad boy uitgegroeide Jimmy bezingende “The Rounder” of het als kroniek van een aangekondigd afscheid opgevatte “Love On Hold” trekt hij voorzichtig aan je mouw, als dusdanig om je aandacht bedelend, maar ze daarna terug loslaten, dat mag je wel vergeten… Zo goed is hij inderdaad. “A River I Know” durven we dan ook van harte aan te bevelen aan fans van het hoger genoemde drietal of van die andere laatbloeiers, Claude Diamond en Wayne Scott.

Michael Laderoute

CD Baby

 

 

Drie op een rij dan uit de Engelse Folkwit-stal.

 

JAMES YUILL

“The Vanilla Disc”

(Folkwit Records)

(3) J J J

 

 

Nummer één confronteert ons met de zachtgevooisde poptroubadour James Yuill. Die kiest op “The Vanilla Disc” vastberaden voor een DIY-aanpak. Hij schreef alle nummers zelf, bespeelde alle instrumenten, nam alle zangpartijen voor zijn rekening en produceerde het geheel ook. Handige jongen dus, die Yuill, zeker als je weet, dat het gamma aan gebezigde instrumenten naast de gebruikelijke gitaren ondermeer ook nog keyboards, glockenspiel, tabla en harmonica omvatte. Yuills specialiteit blijken daarbij eerder rustig uitvallende liedjes. Op z’n best is hij als hij zich aan herfstige dingen als “Lay Me Down To Rest”, “The Lonely” of “Father Forgive, Father Forget” waagt. Dat zijn stuk voor stuk erg knappe luisterliedjes. Als één van zijn voornaamste invloeden noemt de man zelf dan ook Nick Drake.

James Yuill

Folkwit Records

CD Baby

 

 

JINDER

“Willow Park”

(Folkwit Records)

(3) J J J

 

 

Nummer twee blijkt eveneens een eenmansonderneming te zijn, al doet de excentrieke naam Jinder dat dan ook niet meteen vermoeden. Ook hier prijkt onder alle liedjes één en dezelfde naam, worden de instrumenten zelf ingevuld en wordt ook het technische aspect van de zaak voor eigen rekening genomen. “Willow Park” neigt echter beduidend meer richting pop dan het werk van James Yuill. Liedjes als het melancholische tweetal “Country Sadness” en “London In The Morning” of het door een hier fel gesmaakt mondharmonicamotiefje even aan Dylan herinnerende “Aimee” verdienen nog duidelijk het predikaat folk, maar iets als het op een mooie elektrische gitaarbijdrage deinende “Waiting Line” valt gewoon onder pop. Mooie songs overigens allemaal, wat braafjes misschien, maar mooi. Enkel die hoge stem van Jinder kan ons niet echt optimaal bekoren. Maar goed, bij zo’n James Blunt hadden we dat ook en die verkoopt ondertussen massaal veel platen. Waarom niet dus…

Jinder

Folkwit Records

 

 

PALAVA

“Fallen In Clover”

(Folkwit Records)

(3,5) J J J J

 

 

Nummer drie tenslotte biedt een soort van Angelsaksische variant op Americana. Palava, een groep bestaande uit Nick Butcher (zang, gitaar, harmonica), Liam Doona (banjo, bouzouki, slide, backing vocals) en John “Gaff” Gaffan (12-string, percussie, zang), kiest alleszins duidelijk voor een meer richting de States georiënteerd geluid. Hun afkomst verloochenen ze daarbij echter zeker niet. Na een door de slide van Doona van een shot country bediende “Fallen In Clover” volgen zo bijvoorbeeld onmiddellijk een oer-Brits folkniemendalletje als “Boys From An Eastern Country”, het voorzichtig aan Van Morrisons werk herinnerende “Smoke And Lies” en “Things We Do”, dat weliswaar duidelijk iets heeft met bluegrass, maar evengoed met The Pogues. Dingen als “Wings Of Angels”, “Building A New Heart” en “Don’t Go Making Waves” daarentegen sterken ons in onze overtuiging dat ten huize Palava wel eens een Amerikaans plaatje wordt opgelegd. Mooie kruisbestuiving!

Folkwit Records

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Real Cool Cats”

(Texas Rockabilly 1955)

(El Toro Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

 

Met de verzamelaar “Real Cool Cats” doet het Spaanse El Toro Records een vrij geslaagde poging om te accentueren dat je goede rockabilly van medio de jaren vijftig niet noodzakelijk uitsluitend bij Sun Records dient te gaan zoeken. Ook in de Lone Star State werd er toen bijvoorbeeld zeer aanstekelijke “cat music” geproduceerd. Vijfendertig opnamen van bekende en minder bekende namen als een Bob Luman, een Mac Curtis, een Johnny Carroll, een Sonny Fisher, een Sonny Burns en nog een handjevol anderen illustreren dat op treffende wijze. De geluidskwaliteit van de daarbij gebezigde opnamen is lang niet altijd even voortreffelijk te noemen, maar dat stoort eigenlijk in het geheel niet. Op die manier wordt immers het geluid van krakend vinyl of de bakelieten voorloper daarvan in herinnering geroepen en dat heeft wel iets. Vetkuiven aller landen zullen hun pret hiermee dan ook niet op kunnen, mogen we aannemen.

El Toro Records

 

 

BIRDCATCHER

“Birdcatcher”

(Munich Records)

(4) J J J J

 

 

Zonder de beste man nu meteen over het paard te willen tillen kan je “Birdcatcher”, het debuut van de gelijknamige nieuwe groep rond de hier te lande vooral uit de begeleidingsband van JW Roy en van zijn aandeel in de Sunset Travelers bekende Roel Spanjers, nauwelijks anders dan fantastisch noemen. Met collega’s als Gabriël Peeters (drums, percussie, akoestische en elektrische gitaren, bas), Eric van Dijsseldonk (akoestische gitaar, drums, zang), Nico Heilijgers (bas, zang), Erik Spanjers (drums, percussie), Wouter Planteijdt (akoestische en elektrische gitaren, zang), Richard van Bergen (slide en andere gitaren) en Adriana Romijn, Renske Feenstra en Roos Rebergen (achtergrondvocalen) aan zijn zijde levert de briljante toetsenman (piano, Wurlitzer, Hammond) een plaat af met een zeer hoog jaren zeventig-gehalte. Hij koppelt daarbij vrijwel voortdurend instrumentale perfectie à la Steely Dan aan het onmiskenbare rootsgevoel van The Band. Soulvol, ja zelfs voorzichtig funky in “Got It Good” en het daaropvolgende “Everything Moves (In A Slow Hurry)”, ingetogen rockend in “This Boy Jake”, bluesy in het met de legendarische Terry Evans gebrachte “Bring Me The Light”, Americana-perfectie benaderend in “Lifting Power” en “Nothing Can Stop Us Now”, sprankelend “rootspoppend” in “Bring Me ‘Round”, swampy in “Backwater”, nerveus poppy tout court in het op “Internationale Treinen”, een gedicht van Richard Minne uit ’24, gebaseerde “The International Trains” en lijzig op de back porch-balladetoer in “Lisa (One More Time)”, het is gewoon één langgerekte tour de force. Het - Goed verborgen! - beetje rappende medemens in ons beantwoordt een dergelijke eruptie van kwaliteit deemoedig met een welgemeend “Respect, Bro’!”

Birdcatcher

Munich Records

 

 

ERIC HISAW

“The Crosses”

(Saustex Media)

(3,5) J J J J

 

 

Een plaat die het momenteel erg goed doet in de Freeform American Roots Chart is “The Crosses”, de nieuwe van Eric Hisaw. En eerlijk gezegd verwondert ons dat niet. De youngster staat op zijn derde volwaardige langspeler immers andermaal garant voor een kloeke portie buitengwoon interessante roots rock. Elf van de twaalf songs daarop schreef hij zelf. Enkel voor het soulvolle “Farther On Down The Road” ging hij in de leen bij Taj Mahal. In de andere liedjes heeft hij het over mensen uit Las Cruces, New Mexico, de buurt waarin hij opgroeide. Met de vista van een heel grote beschrijft hij in het lijzige “Peggy” de thuiskomst van een bont en blauw geslagen en door haar vriendje in de steek gelaten “verloren dochter”, kijkt hij in het al even gedreven “Borrow” op naar iemand met meer overtuigingskracht, meer uitstraling dan hemzelf en laat hij in “Take Care Of Yourself” graag een volop van het leven profiterende streekgenoot mee aan tafel schuiven, al was het maar om hem vervolgens onverhoeds op zijn behoorlijk egoïstische manier van leven te kunnen attenderen. Het zijn maar drie voorbeelden van het intrigerende tekstgoed waarmee Hisaw hier vrijwel voortdurend stoeit. Hij heeft het gewoon, zoveel is wel duidelijk. Muzikaal gezien bestrijkt hij trouwens ook behoorlijk wat grond. Nu eens klinkt hij als het jongere broertje van John Prine (“Silence”), dan weer gaat hij er tegenaan als een Graham Parker in zijn beste dagen (“Every Sunday”). “The Crosses” is al bij al een zeer sterke mix van roots rock, singer-songwriterspul, country en soul. Straffe liedjes, knappe, wat gruizige stem, heerlijk gitaarwerk – meer moet dat niet zijn!

Eric Hisaw

Saustex Media

 

 

SCOTT MCCLATCHY

“Burn This”

(LIB Records)

(4) J J J J

 

 

Sympathieke knakker, deze Scott McClatchy. In het verleden was de man een poosje aan de slag als zanger-songsmid-gitarist bij het vanuit Philadelphia actieve collectief The Stand alvorens te verkassen naar New York en van daar uit met eigen albums als “Blue Moon Revisited” en “Redemption” resoluut naar een plaatsje te zoeken tussen schoon volk als een Bruce Springsteen, een John Hiatt, een Joe Grushecky, een Joe Ely en een John Fogerty. McClatchy is een kanjer van een liedjesschrijver, wiens materiaal rust op elementen uit zowel rock, folk als country. Dat blijkt andermaal op zijn derde CD “Burn This”. Daarop schudt hij zonder complexen de ene oorwurm na de andere uit de mouw. Van het gitaargewijs een weinig aan de Byrds herinnerende “Soft Hours” of het lekker rammelende countrystampertje “Someday” over de prachtige ballade “Unspoken Love” tot het ronduit heerlijke folkrockertje “Burn This”, het ingetogen uitnodigende “Take A Walk With Me” of de tot “One For Bud” omgedoopte Springsteen-cover “No Surrender”, met zijn lekker gruizige stem als één van zijn voornaamste troeven doet McClatchy hier gewoon voortdurend met je wat hij wil. Vooral niet te letterlijk nemen dus, de titel van deze plaat! CD’tje branden is hier volstrekt uit den boze. Dat verdient een voortreffelijk album als dit immers absoluut niet!

Scott McClatchy

Miles Of Music

 

 

LOS LOBOS

“Wolf Tracks – The Best Of Los Lobos”

(Rhino / Warner)

(3,5) J J J J

 

 

 

“Wolf Tracks” is een twintig nummers tellende retrospectieve gewijd aan één van de belangrijkste rootsrockgezelschappen ooit, te weten Los Lobos. Het geheel focust nogal zwaar op de beginjaren van Hidalgo, Rosas, Pérez en co. De helft van het aangeboden materiaal komt zo bijvoorbeeld van hun eerste drie platen. Van de mini “…And A Time To Dance” krijgen we “Let’s Say Goodnight” en het nog immer razend aanstekelijke “Anselma”, van “How Will The Wolf Survive?” “Don’t Worry Baby”, “A Matter Of Time”, “Corrido #1”, “Evangeline” en “Will The Wolf Survive?” en van “By The Light Of The Moon”, de wat ons betreft nog altijd met lengten voorsprong beste plaat van de wolven, “One Time One Night”, “Shakin’ Shakin’ Shakes” en “Set Me Free (Rosa Lee)”. De nadruk lag toen nog volop op de eigen Latino roots, rock & roll, R&B, country en blues. Ook van de partij zijn natuurlijk de twee grootste hits van de band, “Come On, Let’s Go” en “La Bamba”, beide uit de gelijknamige film over het leven van Ritchie Valens en eigenlijk enkel uit commercieel oogpunt van enig belang. Van de eerdere – en eigenlijk stukken interessantere - compilatie “Just Another Band From East L.A.: A Collection” weerhield men de live gebrachte en bijzonder soulvolle trage “Volver, Volver”, van het uitsluitend in hun moerstaal gebrachte “La Pistola Y El Corazon” het gelijknamige nummer en van hun eerste wat moeilijkere plaat, “The Neighborhood” uit 1990 “Jenny’s Got A Pony”. Blijven nog over: van hun door critici aller landen bejubelde “Kiko” “That Train Don’t Stop Here” en “Kiko And The Lavender Moon”, van “This Time” “Oh Yeah”, het titelnummer van “Good Morning Aztlán” uit 2002 en… één “nieuw” nummer. Typisch Rhino! De echte fans worden weer eens nodeloos op kosten gejaagd… Het door Cesar Rosas gepende “Border Town Girl” blijkt een na de sessies voor “The Neighborhood” liggen gebleven kruisbestuiving tussen Tex-Mex, R&B en blues te zijn, een aanstekelijke deun, waarin een lekker smeuïg mondharmonicaatje en een swingend accordeon voortdurend vechten om je aandacht.

Al bij al een behoorlijk geslaagde verzamelaar dus, al kan hij dan ook in het geheel niet tippen aan de eerder al vernoemde dubbelaar “Just Another Band From East L.A.: A Collection” uit 1994 en de schitterende vierdelige box set “El Cancionero – Mas Y Mas” uit 2000. Vooral die laatste blijft een aanrader van jewelste.

Los Lobos

Rhino

 

 

THE HOMETOWN GAMBLERS

“Takin’ Care Of Business”

(El Toro Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

De tijden dat het voor een goede Belgische rootsplaat gewoon wachten was op de jaarlijkse nieuwe van de Seatsniffers lijken voorgoed achter ons te liggen. De jongste maanden werden we al regelmatig vergast op uitstekende platen van eigen bodem en dat is ook nu weer het geval. Verantwoordelijken zijn ditmaal The Hometown Gamblers, een viertal uit of all places Kemzeke bestaande uit Yves De Caluwé (zang, gitaar), Guy De Caluwé (bas), Jurgen Van Poppel (gitaren) en Jeffrey Thielens (harmonica). Dat kwartet debuteert op het Spaanse El Toro Records met een ijzersterke plaat, waarop het nergens een poging onderneemt om zijn(vele) invloeden te verbergen. De jonge Cash, Hank Williams, Elvis, Carl Perkins, Buddy Holly, Johnny Horton en Johnny Burnette, ze speelden duidelijk zonder uitzondering een rol van betekenis bij het vinden van een eigen geluid voor de Gamblers. Dat kan enigszins paradoxaal klinken, maar dat is niet zo. Wat onze vier landgenoten immers van heel wat hun genregenoten onderscheidt, is dat ze resoluut kiezen voor eigen materiaal. En terecht ook! In de broertjes De Caluwé tellen ze immers twee kanjers van songwriters in hun rangen. De twee springen in hun materiaal bijzonder creatief om met elementen uit country, Western swing, rock & roll, rockabilly, rhythm & blues en zelfs jazz. En dat leidt tot zeer aanstekelijke resultaten. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het duidelijk Cash-georiënteerde “Jailbird”, de country meets ‘billy van “Cheatin’ Gal”, het energiek voort dravende “Going To The Recordhop”, het bluesy, door Thielens van een fraai staaltje smoelschuifwerk voorziene “Selfish Woman” of het bezwerende, als een klassieke gitaarinstrumental startende “My Train Is Coming In” en je zal ons wellicht overschot van gelijk geven. Dat opper-Seatsniffer Walter Broes bereid werd gevonden om het geheel te produceren spreekt trouwens ook boekdelen.

Bijzonder lekkere plaat!

The Hometown Gamblers

El Toro Records

Sonic Rendezvous

 

 

SERA CAHOONE

“Sera Cahoone”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Sera Cahoone sleet jaren achter haar drumstel (bij ondermeer Carissa’s Wierd en Patrick Park) alvorens zich te realiseren dat ze eigenlijk best wel eens wat anders wou. Het voorbije jaar stond dan ook zo goed als volledig in het teken van die nieuwe wens. In het gezelschap van muzikale vrienden als Jason Kardong, Jeff Fielder, Eric Himes en Sarah Standard en Mat Brooke van Carissa’s Wierd blikte de negentwintigjarige schone haar debuutalbum in. En dat is een plaat geworden waarop ze zich tracht te profileren als zingende liedjesschrijfster. Country & Western, folk en lo-fi vinden zich moeiteloos in haar songs, die beurtelings doen denken aan acts als Jesse Sykes & The Sweet Hereafter, de Cowboy Junkies en Mazzy Star. Het lijkt zo op het eerste gehoor allemaal behoorlijk somber van inslag, maar is tegelijk ook erg mooi. Vooral dan wanneer het element country wat nadrukkelijker aan bod komt zoals in het over een zacht huilende steel gedrapeerde “Nowhere To Be Found” of in het in verdriet zwelgende “I’ve Been Wrong”. Voor ons zijn het juist die nummers die Cahoone bombarderen tot een hoogst interessante nieuwkomer.

Sera Cahoone

 

 

DAVID WOLFENBERGER

“Portrait Of Narcissus”

(Blue Jordan Records / Fundamental)

(4) J J J J

 

 

Voor de echte connaisseurs onder jullie is David Wolfenberger natuurlijk al lang geen vreemde meer. Die kennen de man al van zijn bijdrage als zingende songsmid aan de Marshwiggles en van twee eerdere soloplaten, “Tales From Thom Scarecrow” en “The World Of The Satisfy’n Place”. Of van zijn werk met de Creekdippers natuurlijk, met wie hij ondermeer “December’s Child” opnam. Voor heel wat anderen is Wolfenberger allicht nog een nobele onbekende. En het wordt hoog tijd dat daarin verandering komt! Wolfenberger is wat ons betreft immers één van Amerika’s best bewaard gebleven singer-songwritergeheimen. Met veel brio verenigt hij op zijn nieuwe CD “Portrait Of Narcissus” het beste uit Americana, country, pop en rock. En daarbij mag hij ondermeer rekenen op de steun van Victoria Williams en Michelle Shocked, die in de songs “Something’s Gotta Give” en “Parking Lot Martyrs” voor vocaal weerwerk zorgen. Niet toevallig allicht ook twee van de sterkste songs hier. Ze illustreren de lyrische kracht van Wolfenberger als tekstdichter immers ten volle. Zo is “Something’s Gotta Give” de weergave van een dialoog tussen twee handen, waarin de ene de andere verwijt het lichaam waarvan ze allebei deel uitmaken in het verderf te zullen storten. “Parking Lot Martyrs” verhaalt dan weer over een ontmoeting met een zonderlinge, op een parking ronddwalende vrouw. Intrigerend spul!

Muzikaal gezien doet het hier gebodene het ene moment een weinig denken aan het werk van de al eerder genoemde Creekdippers, het andere aan knapen als een Neil Young, een Ron Sexsmith en – vooral door Wolfenbergers stem dan – een Todd Rundgren. Snel aan je collectie toevoegen is dan ook zo ongeveer de beste raad die we je van hieruit kunnen meegeven!

David Wolfenberger

 

 

ALLEN DOBB

“Rosetown”

(Skipping Stone / Pacific Music)

(4) J J J J

 

 

“Rosetown” is niet de eerste CD van de Canadees Allen Dobb die we hier onder de loep nemen en het zal ook zeker niet de laatste zijn. Wij waren al zeer gecharmeerd door “Bottomland”, de tweede van de in Alberta opgegroeide maar dezer dagen in Victoria residerende singer-songwriter, en “Rosetown” bevestigt zo ongeveer al het goede wat we indertijd in hem zagen. Met zijn lichthese stem, een akoestische gitaar en een harmonica als voornaamste strijdmakkers schildert Dobb de prachtigste miniatuurtjes, waarin zowel voor het rurale aspect van zijn thuisland als voor meer persoonlijke topics een plaats blijkt. In een productie van John Ellis – zie ondermeer ook The Be Good Tanyas – verzeilt hij daarbij geregeld in het muzikale straatje dat bijvoorbeeld ook door knapen als de hier erg gewaardeerde Rod Picott, Donal Hinely en Brian Webb met succes gefrequenteerd wordt. Met veel oog voor detail schildert hij in zijn poëtische liedjes een wereld waarin je je als luisteraar makkelijk kan inleven. Enkel voor “Beyond The Blues” ging hij in de leen bij anderen. Dat liedje van Peter Case, Bob Neuwirth en Tom Russell krijgt hier overigens een zeer mooie versie mee.

Muzikale hand- en spandiensten werden Dobb tijdens het opnameproces verleend door John Ellis, die met bijdragen op gitaren, mandoline, banjo, pedal steel en percussie-instrumenten het grootste deel van de koek voor zich opeiste, Rob Becker op akoestische en elektrische bas, Harvey Kostenchuck op drums en Katrina Kadoski als achtergrondzangeres. Zij droegen er met z’n allen mee toe bij, dat “Rosetown” een erg warm klinkende Canadiana-CD is geworden, die je bij elke beluistering weer wat meer lief gaat hebben. Warm aanbevolen derhalve, dit schijfje.

Allen Dobb

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Blue Highways 7”

(Rounder Europe)

(4) J J J J

 

 

Naar goede jaarlijkse gewoonte zakken we op 22 april aanstaande natuurlijk met z’n allen weer af naar Zaal Vredenburg in Utrecht om er getuige te zijn van “The Ultimate Americana Music Fest”. En naar al even goede gewoonte worden we ook nu weer niet onvoorbereid op pad gestuurd. Voor de zevende keer op rij trakteert men ons namelijk op een prettig geprijsd visitekaartje. Voor zo’n eurootje of drie krijgen we telkens één nummer van dertien van de vijftien op het festival hun opwachting makende acts voorgeschoteld. Enkel The Drams – de nieuwe groep rond ex-Slobberbone Brent Best – en The McKay Brothers ontbreken op het appel. Wél van de partij Scott Miller, Caitlin Cary & Thad Cockrell, Hayes Carll, Grayson Capps, Tift Merritt, Dar Williams, Joy Lynn White, Marah, Stillhouse, Guy Clark, Jeffrey Foucault, Adam Carroll en The Be Good Tanyas. Het merendeel van de gepresenteerde nummers heb je wellicht al lang in de kast staan, maar toch… Ideaal spul voor in de auto-CD-speler.

Blue Highways (Vredenburg)