ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2007

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Webb Wilder “It’s Live Time!” - Christian Williams “Built With Bones”Great Lake Swimers “Ongiara”Ollabelle “Ollabelle”Joe Ely “Happy Songs From Rattlesnake Gulch” - Amandine “Solace In Sore Hands”Jack Ingram “This Is It” - BJ Baartmans “Verwant”Gary Allan “Greatest Hits”Dale Watson “From The Cradle To The Grave”David Serby “Another Sleepless Night”Jon Shain “Army Jacket Winter”The Heise Brothers “The Continuing Saga Of…” - Ruthie Foster “The Phenomenal Ruthie Foster”The Bowmans “Far From Home” - Eric Andersen “Blue Rain – Live”The Apples In Stereo “New Magnetic Wonder”The Unseen Guest “Checkpoint” - Grant-Lee Phillips “Strangelet”Pistolera “Siempre Hay Salida”Hayseed Dixie “Weapons Of Grass Destruction”Bob Margolin “In North Carolina”Dennis Crommett “The Evening Sorrow”Cara Luft “The Light Fantastic”Bee And Flower “Last Sight Of Land”Lynyrd Skynyrd “Live From Austin, TX” (DVD) - Linda McRae “Carve It To The Heart”Hanne Hukkelberg “Rykestrasse 68”Karen Collins & The Backroads Band “Tail Light Blues” - Danny & Dusty “Cast Iron Soul”Pontus Snibb “Admiral Street Recordings”Jayson Bales & The Revival “Cruel & Unusual” - Bright Eyes “Four Winds”Grady “Y.U. So Shady?”Jorma Kaukonen “Stars In My Crown”Pete Berwick “Ain’t No Train Outta Nashville”Texum “Different Strokes For Different Folks”The Skeeters “Rhythm Of The World”

 

WEBB WILDER

“It’s Live Time!”

(Dixiefrog Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

De titel laat er alvast niet de minste twijfel over ontstaan, wat er je hier te wachten staat. “It’s Live Time!” is inderdaad gewoon de registratie van een optreden, dat Webb “The Last Of The Full Grown Men” Wilder (zang, gitaren) en zijn kornuiten George Bradfute (gitaren, zang), Tony Bowles (gitaren), Tom Comet (bas, zang) en Jimmy Lester (drums) op 19 augustus 2005 afwerkten in de WorkPlay in Birmingham, AL. En ook repertoiregewijs vallen hier amper verrassingen te noteren. De duidelijk flink door spitsbroeders als Dave Edmunds en Nick Lowe en tal van Britse beatgroepjes uit de sixties beïnvloede Wilder gaat constant voor melodieuze recht-toe-recht-aan roots rock (& roll), waarin een belangrijke rol blijkt weggelegd voor de dientengevolge ook in royale mate aanwezige gitaren. Met “You Might Be Lonely For A Reason”, “I Just Had To Laugh”, “Miss Missy From Ol’ Hong Kong” en “If You’re Looking For A Fool” eigenaardig genoeg eerder weinig materiaal hier van zijn nochtans eerder in 2005 verschenen laatste studioplaat “About Time”. Wél klassiekers uit het eigen repertoire als het ogenschijnlijk onverslijtbare “Stay Out Of Automobiles”, het door bij momenten verschroeiend uit de hoek komende gitaren aangejaagde “One Taste Of The Bait”, het op z’n Chuck Berry’s aanstekelijk schokschouderende “How Long Can She Last” en “No Great Shakes”. En naar goede gewoonte uiteraard ook weer een stel selecte covers. Zo noteerden we bijvoorbeeld een werkelijk onweerstaanbare countryrockversie van Ian Hunters “Big Time” en pittige lezingen van het ondermeer in de uitvoering van Them bekende “Please Don’t Go” en van Larry Williams’ “Louisiana Hannah”.

Om het maar eens met een cliché samen te vatten: “It’s only rock & roll, but we sure like it!”

Webb Wilder

Dixiefrog

Bertus

 

 

CHRISTIAN WILLIAMS

“Built With Bones”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

 

Vanuit Milwaukee, Wisconsin bereikte ons onlangs de CD “Built With Bones” van Christian Williams. En die omschrijft wat hij daarop doet zelf als “Gothic Country”. En wat je daaronder nu precies moet verstaan? Door de man zelf in z’n dooie eentje uiterst spaarzaam ingeklede verhalen over rusteloze zielen, sterfelijkheid en de donkere kant van leven en liefde. Veel meer dan een oude Martin-gitaar, een banjo en z’n eigen sonore baritonstem heeft hij daarvoor niet nodig. Het resultaat zijn dertien bijzonder sfeervolle, al bij al behoorlijk sombere songs, waar ook wijlen The Man In Black in z’n nadagen zijn weg wel mee geweten zou hebben. Wellicht niet aan iedereen besteed, maar toch…

Christian Williams

MySpace

CD Baby

 

 

GREAT LAKE SWIMMERS

“Ongiara”

(Nettwerk / Munich)

(4) J J J J

 

 

De vanuit het Canadese Toronto actieve Great Lake Swimmers hebben zich in nauwelijks een paar jaar tijd weten op te werken tot één van de interessantere alt. country acts van het ogenblik. Al van bij hun in 2003 verschenen titelloze debuutplaat was meteen duidelijk dat zanger-songsmid Tony Dekker en de zijnen net iets meer in hun mars hadden dan het gros der her en der in groten getale opduikende nieuwe groepjes. Dat beklijvende album en z’n al even sterke opvolger “Bodies And Minds” uit 2005 waren bijzonder fijnzinnige aangelegenheden. Opgenomen in respectievelijk een oude graansilo en een kerk gaven beide platen aan, welk een belang Dekker en co hechten aan de atmosfeer die hun materiaal uitstraalt. En dat is op hun nieuwste niet anders. “Ongiara” werd immers ingeblikt in de Aeolian Hall in het Candese London, een 120 jaar oude concertzaal met een ronduit schitterende akoestiek. Dat gegeven en het feit dat de groep door de jaren heen steeds hechter is gaan klinken maken van deze derde CD een echte delicatesse voor fijnproevers. Gelijk van bij het door een subtiel betokkelde banjo gedragen openingsnummer “Your Rocky Spine” weet je dat er hier iets speciaals te gebeuren staat. En dat is ook zo. Tien nummers lang verkennen de Great Lake Swimmers bijzonder zelfverzekerd de bij momenten flinterdunne grens tussen alt. country en folk. Bitterzoete melancholie regeert daarbij. Je denkt spontaan aan de jonge Neil Young, aan wijlen Nick Drake, aan de Cowboy Junkies en aan My Morning Jacket in een intimistische bui. Zondermeer prachtig!

 

Je kan de Great Lake Swimmers de komende weken nog op diverse locaties in de Lage Landen live gaan bewonderen. Hieronder de data.

 

03/05 ’t Stuk, Leuven (met Whip)

04/05 Merleyn, Nijmegen, NL

05/05 Play Festival, MOD, Hasselt

06/05 db’s Early Show, Utrecht, NL (Solo! - met Rivulets)

06/05 Ekko, Utrecht, NL (met Krakow)

07/05 AB-Box, Brussel (met Magnolia Electric Co.)

08/05 Paradiso, Amsterdam

16/05 Het Vliegende Paard, Zwolle, NL (met Erik Neimeijer)

17/05 Vera, Groningen, NL

 

Great Lake Swimmers

Nettwerk

 

 

OLLABELLE

“Ollabelle”

(Me & My / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Of het één een gevolg is van het ander, of het ander eerder een gevolg van het één, we zouden het absoluut niet weten en het doet eigenlijk ook niet zo heel erg veel terzake, maar feit is dat het zeskoppige Ollabelle uit New York onlangs werd uitgenodigd voor een optreden op de achtste uitgave van het prestigieuze Blue Highways in het Nederlandse Utrecht en dat vrijwel gelijktijdig hun oorspronkelijk al in 2004 verschenen titelloze debuutplaat werd heropgevist door Rounder Europe. En dat kunnen we van hieruit eigenlijk alleen maar toejuichen. De naar countryfolklegende Olla Belle Reed vernoemde groep greep daarop immers met veel flair terug naar rurale Amerikaanse rootsmuziekvormen van vroeg in de vorige eeuw. Spilfiguur van het gezelschap is zangvogeltje Amy Helm, dochter van de vooral omwille van zijn rol in The Band bekende Levon Helm. Zij werkt zich, zich daarbij vakkundig geruggensteund wetend door haar vijf muzikale metgezellen, doorheen een veertien songs tellende set bestaande uit zowel origineel als overgeleverd materiaal. Bekende en minder bekende traditionals als “Jesus On The Mainline”, “No More My Lawd”, “I’m Willing To Run All The Way”, “All Is Well” en “John The Revelator” wordt met veel eerbied een eigentijds jasje aangemeten. En verder zijn er opvallende covers van ondermeer “I Am Waiting” van het duo Jagger en Richards, “The Storms Are On The Ocean” van The Carter Family en “Can’t Nobody Do Me Like Jesus” van Andrea Crouch en een flink stel eigen liedjes, die óók stuk voor stuk klinken alsof ze op z’n minst meer dan vijftig jaar geleden voor het eerst het daglicht zagen. Americana, old-time, folk, gospel, blues en soul worden hier met elkaar vervlochten tot één werkelijk briljant organisch geheel. Horen is kopen! (Iets wat overigens ook geldt voor hun inmiddels ook alweer een poosje verkrijgbare tweede, “Riverside Battle Songs”!)

Ollabelle

Rounder Europe

 

 

JOE ELY

“Happy Songs From Rattlesnake Gulch”

(Rack ‘Em / Rounder Europe / Munich)

(3) J J J

 

 

Hét probleem, waarmee Joe Ely nu toch al wel enkele jaren kampt, is dat hij er niet meer in schijnt te slagen een plaat te maken zijn status van legende waardig. ’s Mans recentere albums blinken eigenlijk stuk voor stuk uit in wisselvalligheid. Eén voor één herbergen ze zowel ijzersterke als eerder matige momenten. En dat is op z’n nieuwste, het onlangs verschenen “Happy Songs From Rattle Snake Gulch” niet anders. Op z’n zestigste lijkt Ely zich absoluut niet meer te willen bekommeren om wat men van hem verwacht, zo lang hij zelf maar plezier blijft hebben aan wat hij doet. Begrijpelijk, maar anderzijds ook zeer frustrerend als je als fan weer eens het volle pond dient neer te tellen voor een amper meer dan bevredigende schijf van iemand waarvan je per definitie zeker weet, dat hij tot veel beter in staat is. Zeker als hij dat op de plaat in kwestie zelf nog regelmatig toont ook. Hier bijvoorbeeld in het lekker snedige Katrina-liedje “Baby Needs A New Pair Shoes”. Dat mag dan tekstueel gezien misschien niet meteen een Ely-glansprestatie zijn, het rockt zó lekker weg, dat je meteen alle aanvankelijk de kop opstekende kritiek weer laat varen. Ook bijzonder leuk: het op één enkele woordspeling en een duidelijk aan “She’s About A Mover” van de Sir Douglas Quintet ontleende riff terende “Sue Me Sue”, het soulvolle, de lotgevallen van een nine ball hustler schetsende “Jesse Justice”, het melodiegewijs bij momenten aardig aan “The Road Goes On Forever” herinnerende “Miss Bonnie And Mister Clyde”, Ely’s spitante, behoorlijk funky overkomende cover van “Firewater (Seeks Its Own Level)” van zijn buddy Butch Hancock en de met een flinke shot R&B bediende afsluiter “River Fever”. Maar of dat nu genoeg is om van een ook als geheel geslaagde CD te spreken? Die vraag moet je voor jezelf maar beantwoorden…

Joe Ely

Rounder Europe

 

 

AMANDINE

“Solace In Sore Hands”

(Fatcat Records / PIAS)

(3,5) J J J J

 

 

Melancholie is stilaan zo’n beetje uitgegroeid tot hét handelsmerk van het vanuit het Zweedse Umeå actieve en ondertussen ook hier relatief succesvolle viertal Amandine. En net als op hun uit 2005 stammende debuut-CD “This Is Where Our Hearts Collide” en de in het kielzog daarvan verschenen EP’s “Leave Out The Sad Parts” en “Waiting For The Light To Find Us” gaan zanger-gitarist Olof Gidlöf en de zijnen op hun opnieuw door Ove Andersson geproduceerde nieuwe CD “Solace In Sore Hands” dan ook andermaal voor een eerder herfstig aandoend geluid. Op vakkundige wijze weten ze een brug te slaan tussen genres als rock, emo, (Zweedse) folk en Americana. Centraal staat daarbij de immer trieste stem van Gidlöf, die als je ’t ons vraagt zelfs een steen aan het wenen zou krijgen. Tegen een wisselende achtergrond van gitaar, banjo, trompet, viool, piano, glockenspiel, accordeon, bas, percussie en drums gidst hij ons, daarbij regelmatig knap vocaal geruggensteund door bassist Andreas “Bosse” Hedström, doorheen elf nieuwe prachtsongs. Uitschieters zijn wat ons betreft het behaaglijk over een zalig pianolijntje heen schurkende “Better Soil” en “Faintest Of Sparks”, dat door z’n bevreemdende banjobijdrage misschien nog het dichtst van alle songs hier bij Americana aanleunt.

Warm aanbevolen!

Amandine

Fatcat Records

PIAS

 

 

JACK INGRAM

“This Is It”

(Big Machine Records)

(2,5) J J J

 

 

Het ziet er hoe langer hoe meer naar uit, dat we ‘m volledig aan het verliezen zijn, deze Jack Ingram. Presenteerde hij zich aan het begin van zijn carrière nog als één van dé Texaanse singer-songwritertalenten voor de toekomst, dan lijdt de beste man op z’n nieuwe plaat serieus aan wat we hier graag als Pat Green-itis zouden willen omschrijven. Hij heeft zijn ziel duidelijk verkocht. Alles, maar dan ook echt alles lijkt dezer dagen enkel en alleen nog in het teken van commercieel succes te staan. En als een gevolg daarvan is “This Is It” gewoon een compleet plat geproduceerde collectie countryrockertjes geworden. Heb je één liedje gehoord, dan heb je ze eigenlijk allemaal al wel zo’n beetje gehoord. Van “Measure Of A Man” tot “Hold On”, van “Wherever You Are” tot “Love You”, van “Easy As 1, 2, 3 (Part II)” tot “Great Divide”, van “Don’t Want To Hurt” tot “Maybe She’ll Get Lonely”, ze klinken eigenlijk allemaal gewoon hetzelfde. Enkel occasioneel opduikende (power)ballads à la “Lips Of An Angel”, “Make A Wish (Coming Home Again)”, “All I Can Do” of “Ava Adele” zorgen zo nu en dan voor een weinig afwisseling, maar behoren tegelijk zeker niet tot Ingrams sterkste materiaal en kunnen ons dus evenmin als de als extraatjes toegevoegde videoclips van de nummers “Wherever You Are” en “Love You” overtuigen van de eventuele kwaliteiten van dit album. In Nashville zullen ze daar allicht anders over denken… Next!

Jack Ingram

Big Machine Records

 

 

BJ BAARTMANS

“Verwant”

(Inbetweens / Clear Spot)

(4) J J J J

 

 

 

Leek het aanvankelijk allemaal nog een eerder gewaagde onderneming, dan kan je naar aanleiding van “Verwant”, BJ Baartmans tweede CD in de eigen landstaal, niet anders dan vaststellen, dat hij de stap van het Engels naar het Nederlands inmiddels uitstekend verteerd heeft. Net als voorganger “Verpand” is dat nieuwe album immers een werkelijk uitstekende plaat geworden. Baartmans toont zich daarop andermaal een meester in het verwoorden van zowel grote universele thema’s als het meer alledaagse en persoonlijke. Met de flair van een ancien in het vak speelt hij met woorden en beelden. Zo schildert het fraaie dronkemanswalsje “Havencafé” aan de hand van ogenblikkelijk herkenbare tafereeltjes een doordeweekse nacht in een dergelijk etablissement, is het herfstige “Verpand” een stijlvolle vingeroefening in melancholie en toont het knappe rootspopdeuntje “Natuur” door middel van een opsomming van tal van kleine en al wat grotere ongemakken dat de kloof tussen de mens en zijn afkomst steeds groter aan het worden is. Het over een reggaeritme neergelegde “Fundamentalist” is dan weer een sneer aan het adres van elke vorm van religieus fanatisme, het relaxte bluesje “Angst” heeft het niet zo begrepen op de struisvogelpolitiek waarachter velen zich dezer dagen te pas en te onpas menen te mogen verschuilen en het in z’n eentje live in z’n slaapkamer in Léon’s Farm opgenomen “Schapen” constateert tegen een behoorlijk desolaat aandoende achtergrond van slide en bluesharp met afgrijzen, dat de media een steeds vuilere rol gaan vervullen in het bespelen van de menselijke psyche. Het jazzy, sfeergewijs een weinig aan Steely Dan verwante “Oester”, het ingetogen “Euforie”, het mede dankzij sfeervol toetsenwerk van Mike Roelofs zeer soulvol overkomende “Onbedekt” en het lijzige popliedje “Lichaamstaal” delen één enkel thema, met name de liefde in diverse van haar facetten. En daar mag je eigenlijk ook nog het zich tekstueel op Robert Johnsons “Come On In My Kitchen” baserende “Donderbui” aan toevoegen. Dat bluesy Americana-nummer heeft het immers over “a love gone wrong”.

Prachtig gewoon, hoe Baartmans hier schijnbaar moeiteloos opnieuw een brug weet te slaan tussen pop en kleinkunst van het genre waarmee Bram Vermeulen ons ooit met enige regelmaat wist te verblijden en meer rootsgeoriënteerde muziekstijlen als Americana, blues en soul. Het lijkt alsof hij na jaren van hard labeur eindelijk zijn echte roeping heeft gevonden.

BJ Baartmans

Inbetweens Records

 

 

GARY ALLAN

“Greatest Hits”

(MCA Nashville)

(3,5) J J J J

 

 

 

Er zijn niet zo heel erg veel commerciële country acts meer waar wij nog voor warm lopen. Als regelmatige lezer van deze pagina’s had je dat al wel langer begrepen, aangezien we ook amper nog aandacht besteden aan vanuit Nashville vertrekkend materiaal. Eén van de weinige uitzonderingen op die regel is Gary Allan. Met zijn heerlijke ruige stem speelt die ex-surfer het wel telkens weer klaar om ons op de juiste plaats te raken. En op elk van zijn zes tot op heden verschenen albums staan er ook wel een aantal songs, die wij bij tijd en wijle graag nog eens terug mogen horen. Het gros daarvan werd nu onder de noemer “Greatest Hits” verzameld op één CD. En dat vinden wij prima, want lekker gemakkelijk!

Natuurlijk ontbreken dingen als het zalig weemoedige tweetal “Smoke Rings In The Dark” en “Lovin’ You Against My Will”, het speels “stoute” “Nothing On But The Radio”, countryrockertjes genre “Right Where I Need To Be” of het naar Americana overhellende “Songs About Rain” en droomballades als “The One” en “It Would Be You” hier niet op het appel. Stuk voor stuk geven die liedjes aan, dat Allan niet uit hetzelfde hout als de doorsnee-country act anno nu gesneden is. Wij zien hem eigenlijk graag zo’n beetje als de Chris Isaak van de huidige country scene. Datzelfde droefgeestige karakter, dat zo menig een Isaak-song kenmerkt vind je immers ook bij Allan terug.

En om het ook voor zijn fans een beetje aantrekkelijk te houden werden ook twee nieuwe songs aan het geheel toegevoegd. Het betreft twee wat vlottere nummers: het ondertussen in de States alweer tot hit uitgegroeide “A Feelin’ Like That” en “As The Crow Flies”.

Gary Allan

 

 

DALE WATSON

“From The Cradle To The Grave”

(Hyena / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Sinds jaar en dag laat Dale Watson hoegenaamd geen kans onbenut om er ons op te wijzen, dat het niet goed gaat met het door hem beoefende genre. En ditmaal gaat hij daarin zelfs nog net een stapje verder. Met betrokken gezicht poserend op een kerkhof tussen grafstenen, waarvan één met epitaaf “Country Music R.I.P.”, sluit hij op de fraaie, in toepasselijke sefiatinten afgedrukte cover van zijn nieuwe CD “From The Cradle To The Grave” de boeken ogenschijnlijk helemaal. Maar dat is - Zoals steeds! - buiten zijn muziek gerekend natuurlijk. Ook nu weer neemt Watson ons mee terug in de tijd, naar de hoogdagen van eigen helden als een Johnny Cash en een Merle Haggard. En vooral The Man In Black komt daarbij ditmaal zeer nadrukkelijk in beeld. Heel wat van de songs op “From The Cradle To The Grave” drijven op dat typische boom-chicka-boom-ritme, dat ooit ook zo menig een Cashdeun kenmerkte. We noemen in dat verband bijvoorbeeld openingsnummer “Justice For All”, het uit verdriet om een verloren geliefde opgetrokken “Time Without You”, het speelse “Hollywood Hillbilly”, “Yellow Mama” en het bijzonder fraaie titelnummer. Stuk voor stuk liedjes die elke liefhebber van “echte country” ogenblikkelijk een warm gevoel vanbinnen zullen bezorgen. Eigenlijk valt op deze nieuwe collectie Watson-songs überhaupt maar één ding af te dingen: met een speelduur van amper zevenentwintig minuten valt het geheel nogal aan de korte kant uit. En gezien de prijs die je dezer dagen voor een CD dient neer te tellen, schiet de Texaan daar wat ons betreft duidelijk tekort. Noem het maar een evident gebrek aan evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. Voor het overige gewoon een bijzonder lekker schijfje!

Dale Watson

Hyena Records

Bertus

 

 

DAVID SERBY

“Another Sleepless Night”

(Harbor Grove)

(4) J J J J

 

 

 

“Another Sleepless Night” is na het vorig jaar verschenen “I Just Don’t Go Home” ook alweer de tweede van David Serby. En om maar meteen met de deur in huis te vallen, dat album bevat vrijwel uitsluitend materiaal van werkelijk uitstekende makelij. In het gezelschap van hun sporen in het verleden al meermaals verdiend hebbende collega’s als Taras Prodaniuk (bas), Billy Block (drums), Skip Edwards (B-3, Wurlitzer, piano), Jay Dee Manness (pedal steel), Amy Farriss (fiddle) en Edward Tree (elektrische gitaren, B-3) grossiert Serby op die nieuwe van ‘m in het soort van countrydeunen zoals die ogenschijnlijk alleen maar in en om L.A. goed blijken te gedijen. Nagenoeg nergens steekt de in South Pasadena woonachtige zanger-songsmid onder stoelen of banken dat hij een flinke boon heeft voor de in de vroege sixties enorm populaire Bakersfield sound. Maar net als bijvoorbeeld ook een Dwight Yoakam of de Derailers dat zo goed kunnen, vertaalt hij dat geluid op aanstekelijke wijze naar het hier en nu en laat terloops ook een gezonde dosis (roots) rock in zijn songs binnensijpelen. Heel wat van het materiaal op “Another Sleepless Night” ademt daardoor dat typische sfeertje uit dat veel van de songs op de ondertussen een zekere cultstatus genietende verzamelaars uit de “A Town South Of Bakersfield”-reeks kenmerkte. En we kunnen ons dan ook amper voorstellen, dat swingende Serby-liedjes als “Whatever Happened To That Girl?”, “If That’s What You Call Love” of “Cocktail Napkins” en eigen slepers à la “It Ain’t A Party” of “Easy To Forget” niet ogenblikkelijk zullen aanslaan bij fans van de hier eerder al genoemde Yoakam en pakweg ook een Jim Lauderdale.

Wat ons betreft zondermeer één van dé allerleukste countryplaten van de afgelopen jaren!

David Serby

MySpace

CD Baby

 

 

JON SHAIN

“Army Jacket Winter”

(Flyin’ Records)

(3,5) J J J J

 

 

Daar waar eerdere albums als het door Dave Mattacks en Tom Dube geproduceerde “Home Before Long” uit 2005 nog tamelijk nadrukkelijk focusten op zijn akoestische blueskant, toont Jon Shains vijfde CD “Army Jacket Winter” een ander aspect van de man. Veel meer dan zijn voorgangers is dat immers “een typische singer-songwriterplaat” geworden. Uiteraard blijft Shains virtuoze gitaarspel ook op dat nieuwe album een erg belangrijke rol spelen, maar je hoort gelijk van bij een eerste beluistering ervan al dat er meer is. Met een op de keper beschouwd veelzeggend statement, een erg geïnspireerde cover van Tom Petty’s “Time To Move On”, loodst Shain ons binnen in z’n muzikale universum anno nu. En daarin ontpopt hij zich in het gezelschap van z’n band, het uit FJ Ventre (bas), John Currie (dobro, steel) en Bill Newton (harmonica) bestaande Jon Shain Trio, jazztrompettist Stephen Franckevich en de van Tift Merritts band geleende drummer Zeke Hutchins tot een soort van Americana-variant op Steely Dan. Zalig lijzige zang, werkelijk puntgaaf snarenwerk, vergelijkbare, vrijwel voortdurend de muzikale perfectie benaderende liedjes, als de heren Becker en Fagen het ooit in hun hoofd zouden halen om een Americanaplaat te maken, dan zal ze vast wel de nodige raakpunten met “Army Jacket Winter” vertonen. Onze luistertips: het tegelijk met jazz en folk flirtende Katrina-liedje “To Rise Again”, het met zijn karakteristieke accordeonbijdrage schijnbaar zo van een Parijs caféterrasje weggelopen “In Real Time”, het ingetogen richting Ierse folk lonkende “Dyehouse Blues” en de eerder al genoemde Petty-cover “Time To Move On”. Die vier liedjes schetsen wat ons betreft immers een behoorlijk accuraat beeld van het repertoire waarvoor de actuele Jon Shain zelfzeker staat.

Jon Shain

CD Baby

 

 

THE HEISE BROTHERS

“The Continuing Saga Of…”

(Choose To Lose Records)

(3) J J J

 

 

 

Deel twee in “The Continuing Saga Of… The Heise Brothers”. En ook daarop staan broers Nelson en Robert Heise weer garant voor een dosis sympathiek rammelende roots rock Net zoals z’n voorganger “Listen & Learn With The Heise Brothers” is die nieuwe van het tweetal een behoorlijk persoonlijke plaat geworden. De Heises putten voor hun onderwerpen nu eenmaal graag uit hun eigen levenservaringen: daarbij gezwind variërend van hartzeer (“Island Wake”, “Seven Long Years”) tot oprechte vriendschap (“Billy”), van verslaving (“Sacred Place”) tot andere problemen die je als aan de weg timmerende muzikant kan tegenkomen (“The Revenge Of The Self-Imposed Hero”). En ook een portie sardonische humor ontbreekt weer niet. Beluister daarvoor bij gelegenheid het tweetal “Buttons For Lisa” en “Throw Them Kisses, Woody Allen” maar eens. Vooral dat laatste is een erg knap liedje met hoog sixties-gehalte. Dát en het met een snuif Jefferson Airplane gekruide “Island Wake” zijn wat ons betreft de absolute prijsbeesten op een als geheel aangenaam weg luisterende CD van een groepje dat je zonder schroom als een bescheiden belofte voor de toekomst mag voorstellen.

The Heise Brothers

CD Baby

 

 

RUTHIE FOSTER

“The Phenomenal Ruthie Foster”

(Blue Corn / Lucky Dice)

(4,5) J J J J J

 

 

De Heer zij geloofd! Hij was het immers die Ruthie Foster al op zeer jonge leeftijd de juiste weg wees. De Texaanse kleurlinge deed haar eerste zangervaring op in het lokale kerkkoor, in haar thuisstad Gause, ergens hartje Lone Star State. Later zou ze een klassieke opleiding voltooien, opteerde vervolgens voor een carrière bij de Navy, alvorens in New York te belanden om er uiteindelijk toch nog een muzikale carrière na te gaan jagen. Daar zou ze echter niet al te lang blijven. Heimwee begon haar al snel serieus parten te spelen en dus trok ze onverrichterzake opnieuw naar Texas terug, naar Austin meer bepaald. En daar lukte het plots allemaal wel. Getuige daarvan haar vier vorige platen: “Full Circle”, “Crossover”, “Runaway Soul” en “Stages”.

En als we dan toch al aan het prijzen zijn, dan doen we er Malcolm “Papa Mali” Welbourne meteen ook maar bij. Die wist er Foster de voorbije maanden immers ten volle van te overtuigen, welk een machtig wapen haar stem eigenlijk wel is. Als producer zorgde hij ervoor, dat, veel meer dan dat op haar voorgaande CD’s het geval was, op “The Phenomenal Ruthie Foster” de stem van Foster volledig centraal staat. Alles draait nu echt om die fenomenaal mooie soulstem van ‘r. En dat levert bij momenten zeer spectaculaire dingen op. Haar versie van Lucinda Williams’ “Fruits Of My Labor” is er bijvoorbeeld zo één. Wij zullen heus niet de enigen zijn die er met kippenvel over heel het lijf sporen van de grote Otis Redding menen te mogen in herkennen. En ook het verkapte titelnummer van de plaat, “Phenomenal Woman”, Fosters muzikale adaptatie van het gelijknamige gedicht van Maya Angelou, waarin alles draait om zelfaanvaarding, is zondermeer groots te noemen. Een zachte Wurlitzerlijn, een regelmatig invallend kerkkoortje en dan die warme, uitermate lenige vocalen van Foster zelf, je moet al bijna van steen zijn om hiervoor niet te smelten! En van dat kaliber staan hier wel meer songs op! We noemen bijvoorbeeld nog opener “’Cuz I’m Here” en “Harder Than The Fall”, broeierige ballades van het slag waarvoor ook Bill Withers en Al Green in hun hoogdagen regelmatig tekenden, de funky, voorzichtig richting de grote Aretha Franklin lonkende eigen compositie “Heal Yourself”, Fosters doorleefde vertolkingen van “People Grinnin’ In Your Face” van Son House, “A Friend Like You” van Eric Bibb en “Up Above My Head (I Hear Music In The Air)” van Sister Rosetta Tharpe en zeker ook het swampy, samen met haar vriendin Cyd Cassone gepende “Beaver Creek Blues”, waarin op de achtergrond de krekels van puur genoegen ongemeen stevig uit de bol gaan.

Absoluut geen misplaatste titel dus! “The Phenomenal Ruthie Foster” is inderdaad fenomenaal goed. Het moet zo ongeveer van de hemelse laatste van James Hunter geleden zijn, dat we nog zo door een soulplaat werden gepakt. Quasi een certitude voor onze jaarlijstjes dan ook!

Ruthie Foster

Blue Corn Music

Lucky Dice Music

 

 

THE BOWMANS

“Far From Home”

(Papercup Music / Mother West)

(3,5) J J J J

 

 

The Bowmans zijn een vanuit New York actief duo bestaande uit tweelingzussen Sarah (zang, akoestische gitaar, cello, viool) en Claire (zang, glockenspiel, percussie) Bowman, dat met zijn debuutplaat “Far From Home” een album heeft afgeleverd dat het ook hier in kringen van bijvoorbeeld Gillian Welch- en Powderblue-fans zeer goed zou moeten kunnen doen. De twee doen het op hun eersteling met een folky soort Americana, waarin naast hun werkelijk vlekkeloze harmonieerwerk vooral ook hun eclectische benadering van dat genre vrijwel meteen opvalt. De zussen schrikken er immers niet voor terug om ook elders hun heil te gaan zoeken. Zo laten zich hier bijvoorbeeld ook geregeld sporen aanwijzen van rock en zelfs klassieke muziek.

Op hun best zijn Sarah en Claire Bowman evenwel als ze gewoon opereren in dezelfde buurten waar ook de genoemde Welch wel eens uithangt. Dat is bijvoorbeeld zo in het erg sterke, over een subtiel banjolijntje heen hikkende openingsnummer “On The Road”, in het in melancholie zwelgende “Forever”, in het als een zachte zomerbries aan je voorbij trekkende en met een snuifje vaudeville opgewaardeerde “Diggin’ For Gold” en in het delicate “The Williamsburg Bridge”. Dat zijn gewoon erg straffe songs, die bewijzen dat deze twee dames tot veel meer in staat zijn dan alleen maar een fantastisch potje zingen. Ook als songwriters kunnen ze duidelijk hun mannetje staan! Voor ons is dit schijfje dan ook zondermeer één van dé interessantste verrassingen van de voorbije weken!

The Bowmans

Mother West

CD Baby

 

 

ERIC ANDERSEN

“Blue Rain – Live”

(Blue Mood Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

 

Met een ondertussen ruim vier decennia overspannende carrière achter de rug achtte grijze singer-songwritereminentie Eric Andersen de tijd eindelijk rijp voor een eerste liveplaat. En die werd in juni van vorig jaar in de John Dee in het Noorse Oslo ingeblikt. Andersen liet zich daarvoor die bewuste avond bijstaan door drie kwart van het lokale Spoonful of Blues. En dat bleek een bepaald gelukkige keuze. Met name het sfeervolle gitaarspel van snarenvirtuoos Morten Omlid kleurt wonderwel bij Andersens doorleefde ruige baritonstem. Omlid zorgt voor een sobere, enigszins donkere omlijsting, die het Andersens songs toelaat om nog pakkender te klinken dan in hun originele uitvoeringen. ’s Mans meesterlijke mélange van elementen uit genres als folk, blues, pop, rock, jazz en andere krijgt daardoor iets bepaald beklijvends mee. Vooral broeierige songs genre het slepende “The Blues Keep Fallin’ Like The Rain” of het klaaglijke “Trouble In Paris” gaan dieper onder de huid dan ooit. Maar ook als Andersen wat snediger uitpakt, zit het echt wel goed. Als hij aan het rocken gaat lijken gerenommeerde collega’s als een Warren Zevon en een Lou Reed bijvoorbeeld nooit echt ver uit de buurt. Dat is ondermeer het geval in “(I Wanna) Runaway” en het samen met de laatste van het genoemde tweetal geschreven “You Can’t Relive The Past”. Andere echte topmomenten zijn een ronduit hypnotische lezing van Fred Neils “Other Side Of This Life”, een als bezeten pompende versie van “Shame, Shame, Shame” van Jimmy Reed en een naar Andersen-normen onverwacht soulvolle cover van de eerder vooral in een uitvoering van Ray Charles bekende sleper “Losing Hand”, waarin naast Morten Omlid ook de hier enorm gewaardeerde Vidar Busk tekent voor een heerlijke gitaarsolo.

“Bluesy folk-soul” noemde Andersen wat hij op “Blue Rain” brengt onlangs zelf en eigenlijk is dat een verre van kwade omschrijving. Een zuivere singer-songwriterplaat is het alvast zeker niet geworden. Wél een ronduit uitstekende live-CD van een hele grote meneer.

Eric Andersen

Music & Words

 

 

THE APPLES IN STEREO

“New Magnetic Wonder”

(Yep Roc / Munich)

(4) J J J J

 

 

“Uh oh uh oh turn up your stereo” luidt het even dwingende als enthousiaste advies, dat Robert Schneider en de zijnen ons in “Can You Feel It?”, het openingsnummer van “New Magnetic Wonder”, hun eerste nieuwe CD in goed en wel vijf jaar, menen te moeten meegeven en ze lijken verdomd goed te weten waarom. Die vijfde van The Apples In Stereo is immers een sublieme, net niet aan haar eigen rijkdom aan muzikale ideeën ten onder gaande popplaat geworden. Schneider en co koppelen daarop het intelligente van groepen als XTC of World Party aan de melodieuze vindingrijkheid van knapen als een Jeff Lynne of een Brian Wilson en de power van pakweg The Posies. Daardoor knalt het gros van de liedjes op “New Magnetic Wonder” op het juiste volume afgespeeld inderdaad zalig uit je speakers. In al haar complexiteit toch zo ongeveer de ideale plaat dus voor bij temperaturen zoals we die de laatste dagen eindelijk weer kennen…

The Apples In Stereo

Yep Roc

 

 

THE UNSEEN GUEST

“Checkpoint”

(Tuition / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Wie bij tijd en wijle wel eens wat anders lust, is bij The Unseen Guest precies aan het juiste adres. Dat uit de in Indië geboren en getogen Amith Narayan (zang, gitaren, mandoline, veena, bas) en de Ier Declan Murray (zang, gitaren, slide, bas, piano, bongo’s) bestaande duo pakt op zijn tweede CD “Checkpoint” immers uit met een bijzonder intrigerende mix van elementen uit ondermeer pop, folk, rock en free jazz. Het resultaat is een uitermate boeiende “clash of cultures”. Oost en West gaan hier op elk ogenblik wars van elke trend ongegeneerd hand in hand. De ondertoon van het merendeel uit dat samengaan gegroeide liedjes is ontegensprekelijk bluesy. Dingen als “Miracle Mile” en “Place Your Bets” herinneren zo louter sfeermatig wel een weinig aan het vroegwerk van Timbuk3. Je waant je bij het beluisteren ervan ogenblikkelijk ergens in de één of andere stoffige uithoek van de States of zo. En net dat gevoel hadden we indertijd ook al bij veel van de liedjes van Pat MacDonald en Barbara K. Als evenwel instrumenten als dholak, ghadam, cabasa, tabla, ganjra en andere nadrukkelijker hun opwachting beginnen te maken, dan houdt de vergelijking alvast ten dele op. Dan wordt de rol van Narayan binnen het duo immers een stuk duidelijker.

Opvallendste nummer op “Checkpoint” is de afsluiter ervan, een aparte cover van Leonard Cohens “Everybody Knows”. Mede door een fraai nieuw strijkarrangement en de nasale zang van Murray groeit dat liedje hier uit tot iets waar fans van de Walkabouts of Chris & Carla wel pap zullen van lusten.

The Unseen Guest

Tuition Music

Sonic Rendezvous

 

 

GRANT-LEE PHILLIPS

“Strangelet”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Na “nineteeneighties”, zijn met louter covers volgestouwde ode aan een trits eigen muzikale helden uit die bewuste periode, vergast voormalig Grant Lee Buffalo-kopstuk Phillips ons op zijn nieuwste opnieuw op een copieuze maaltijd bestaande uit uitsluitend eigen materiaal. Voor de opnames daarvan riep hij ondermeer de hulp in van R.E.M.-gitarist Peter Buck. Die voorzag het ingetogen “Fountain Of Youth” van een elegante ukelele-partij en deed voorts op de elektrische zijn duit in het zakje in het al even sfeervolle, een weinig aan Grants Buffalo-dagen herinnerende “Soft Asylum (No Way Out)”. Verder bleef de inbreng van buitenaf hier eigenlijk eerder beperkt. Bill Rieflin nam plaats achter het drumstel en tekende ook voor wat percussiewerk, The Section Quartet zorgde in een drietal nummers voor de strijkersinbreng en Stefanie O’Keefe deed in “Dream In Color” hetzelfde op haar French Horn. Phillips zelf deed het ondermeer op gitaren, bas, baritonukelele en diverse toetseninstrumenten.

Het resultaat is een ideeënzwangere, uiterst relaxt klinkende plaat, die sporen van zo ongeveer al ’s mans voorgaande schijven in zich meedraagt. En misschien wel zijn beste tot op heden. Wat alleszins meteen opvalt zijn de weer bijzonder sterke melodieën, hier en daar gekruid met een uitgesproken seventies twist. Zo waart doorheen “Raise The Spirit” bijvoorbeeld zeer nadrukkelijk de geest van Marc Bolan en T. Rex rond, klinkt het folky “Killing A Dead Man” bepaald Youngiaans en deden songs als “Dream In Color” en vooral ook “Chain Lightning” en de ballad “Return To Love” ons vrijwel onmiddellijk aan John Lennon denken. Redelijk straf spul allemaal dus! En dat geldt zeker ook voor het hier eerder al genoemde Americana-kleinood “Fountain Of Youth”, de bluesy country-meezinger “Hidden Hand” en het bezwerende “Johnny Guitar”. Deuntjes van dat kaliber lijken erop te wijzen, dat Phillips steeds meer zijn draai aan het vinden is als songsmid. En dat biedt dan weer volop perspectieven voor de toekomst! Maar dat zijn zorgen voor later, voorlopig wentelen we ons als volleerde varkens met plezier in de zalige muzikale poel die “Strangelet” is.

Grant-Lee Phillips

Cooking Vinyl

 

 

PISTOLERA

“Siempre Hay Salida”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Wie regelmatig met weemoed terugdenkt aan de eerste platen van Los Lobos of vindt dat collectieven als de Iguanas of de Blazers wel eens wat vaker met nieuw materiaal zouden mogen uitpakken, zal zijn pret niet op kunnen met “Siempre Hay Salida”, het debuut van het voor drie kwart uit vrouwen bestaande Pistolera, een jonge groep uit NYC, die op sprankelende wijze traditionele Mexicaanse muziek koppelt aan elementen uit pop en rock. Latin alt-folklorico is de term, die ze zelf gebruiken voor wat ze doen op hun door Grammy-winnaar Charlie Dos Santos geproduceerde eersteling. Naar eenvoudig Nederlands vertaald: superaanstekelijke, in het Spaans gebrachte liedjes, drijvend op de prachtige samenzang tussen leadzangeres Sandra Lilia Vasquez en drumster Ani Cordero en serieus opgewaardeerd met zomers-verleidelijke accordeonbijdragen van Maria Elena. Eén keer luisteren naar liedjes als het catchy “Mentirosos”, het opzwepende “Cazador” of de turbo-Tex-Mex van “Tatuaje” en je bent geheid verkocht! Wat ons betreft is dit dan ook zo ongeveer de ideale soundtrack voor een hopelijk lekker lange hete zomer.

Pistolera

CD Baby

 

 

HAYSEED DIXIE

“Weapons Of Grass Destruction”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

 

Op “Weapons Of Grass Destruction”, hun nieuwste, blinken die van Hayseed Dixie eigenlijk vooral uit in het bieden van meer van hetzelfde. En waarom eigenlijk ook niet. Hun aanstekelijke hillbilly- en bluegrassbenaderingen van pop- en rockklassiekers slaan duidelijk aan en ze zouden dus wel gek moeten zijn om plots met iets totaal nieuws te komen. Zo moeten ditmaal ondermeer “Holidays In The Sun” van de Sex Pistols, “Devil Woman” van Cliff Richard, “I Don’t Feel Like Dancin’” van de Scissor Sisters, “Strawberry Fields Forever” van de Beatles, “Paint It Black” van de Stones, “Poison” van Alice Cooper, “Breaking The Law” van Judas Priest en “Down Down” van Status Quo (Met special guest Francis Rossi!) eraan geloven. Verder mikt men nu ogenschijnlijk ook op wat Duits succes. Wat anders te denken van enkele van de drie bonus tracks: “Mein Teil” van Rammstein en het ook in zijn originele versie al onweerstaanbare “Eisgekühlter Bommerlunder” van succesgroep Die Toten Hosen.

Wat van originele nieuwe arrangementen voorziene traditionals (“Walking Cane”, “More Pretty Girls Than One”), enkele eigen nieuwe songs (“She Was Skinny When I Met Her”, “Before Your Old Man Gets Home”, “Hungover Brokedown”, “The Rider Song”) en een hidden bonus track (“Barbecue”) completeren het plaatje.

Sommigen zullen het wellicht allemaal iets té ver vinden gaan en hier en daar willen gewagen van heiligschennis (Beatles, Stones,…), maar feit is en blijft, dat de rockgrass van Hayseed Dixie superaanstekelijk is. Het is gewoon onmogelijk om bij zoveel fiddle-, banjo-, mandoline- en basgeweld stil te blijven zitten! Iemand zou deze vier dan ook dringend eens moeten uitnodigen voor één van de grotere festivals alhier. Feestje verzekerd!

Hayseed Dixie

Cooking Vinyl

 

 

BOB MARGOLIN

“In North Carolina

(Steady Rollin’ Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

 

“In North Carolina” gunt ons een glimp in bluesveteraan Bob Margolins eigen keuken. De vooral omwille van zijn werk in de begeleidingsgroep van Muddy Waters bekende zanger-gitarist beschrijft wat hij doet op dat album als “my most personal Blues music”. De muziek, die hij voorheen uitsluitend voor zichzelf, voor zijn vrouw en voor zijn huisdieren speelde met andere woorden. En die blijkt aardig gevarieerd te zijn! Van zuiver akoestisch tot al even volledig elektrisch, van solo tot multi-instrumentaal, het hele aanwezige palet wordt door Margolin gebezigd. En dat zelfs letterlijk. Margolin speelde immers gewoon alles zelf in. En dat is toch wel opmerkelijk. Zo krijgen we hier een achttal eigen nieuwe stukken en nog eens zeven lezingen van werk van anderen voorgeschoteld. Eén van de meest in het oog springende van laatstgenoemde categorie is het door Bob Dylan en Richard Manuel van The Band gepende “Tears Of Rage”. De rootsy versie die Margolin daarvan ten beste geeft, zal wellicht ook heel wat niet-bluesliefhebbers tot een goedkeurend knikje weten te verleiden. Andere covers zijn er van Lovin’ Sam Theards door Louis Armstrong de onsterfelijkheid ingezongen “You Rascal You”, van het vooral in de uitvoeringen van T-Bone Walker en Sonny Boy Williamson bekende duo “Natural Blues” en “Red Hot Kisses”, van Hudson Whittakers “Baby, Baby, Baby” en van de een weinig aan “Sleepwalk” van Santo & Johnny verwante gitaarinstrumental “Floyd’s Guitar Blues” van Floyd Smith. Enkele van de sterkere momenten dienen we echter te zoeken tussen Margolins eigen songs. Het uit pure deltaklei opgetrokken “She And The Devil” is er zeker zo één. En ook het melancholische, in heimwee zwelgende titelnummer, door Margolin op de hem geheel eigen onnavolgbare wijze gebracht, is bijzonder puik spul. En nog één ander bescheiden hoogtepuntje om mee te besluiten: het lekker vlammende, bij McKinley Morganfield – Zeg maar de grote Muddy Waters himself! - gevonden “Tell Me Why”.

Bob Margolin

Sonic Rendezvous

 

 

DENNIS CROMMETT

“The Evening Sorrow”

(Continental Song City / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

“The Evening Sorrow” is de tweede solo-CD van de uit Northampton, Massachusetts afkomstige singer-songwriter Dennis Crommett. De man debuteerde al in 2002 met “I Count None But Sunny Hours” en maakte met Spanish For Hitchhiking twee jaar later ook nog het album “The Starling”. En nu is er dus die nieuwe van ‘m. En daarop presenteert Crommett zich als zo ongeveer de perfecte kruising tussen Simon & Garfunkel enerzijds en de betreurde Elliott Smith anderzijds. Vooral stemgewijs dringt een vergelijking met Art Garfunkel zich behoorlijk nadrukkelijk op. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het prachtige “Oranges And Reds” of het verstilde “Bright” en je zal ons daarin wellicht overschot van gelijk geven. Heerlijk dagdromen is het in het gezelschap van Crommett, die zich hier met zijn fluwelen stem en zijn delicate akoestische gitaarwerk als zijn voornaamste bondgenoten opwerpt als een buitengewoon begaafde songsmid met een naar alle waarschijnlijkheid grootse toekomst voor de boeg. Voor de spaarzame inkleding van zijn songs zorgden Gideon Freudmann op cello, Matt Hebert op de bas, Dave Hower op drums en percussie-instrumenten en Bruce Tull op pedal steel en gitaar. Phillip Price van zijn kant tekende voor erg verzorgde backing vocals.

Een aanrader!

Dennis Crommett

Rounder Europe

 

 

CARA LUFT

“The Light Fantastic”

(Black Hen Music)

(4) J J J J

 

 

De Canadese Cara Luft geniet hier te lande vooral bekendheid als één van de stichtende leden van de Wailin’ Jennys, waarmee ze in 2005 in eigen land nog de Juno Award voor “Best Roots Recording” in de wacht sleepte voor de CD “40 Days”. Nochtans had ze eerder ook al een paar uitstekende platen gemaakt. In ’96 was er zo al de EP “Train to Freedom”, in ’97 haar eerste volwaardige langspeler “Tragedy of the Commons” en in 2000 het naar onze bescheiden mening zwaar onderschatte “Tempting the Storm”. “The Light Fantastic” is nu haar eerste post-Wailin’ Jennys-worp. Luft heeft dat nochtans aardig succesvolle gezelschap inmiddels inderdaad de rug toegekeerd om haar eigen carrière nieuw leven in te blazen. En dat doet ze aan het handje van de van 54-40 bekende Neil Osborne als producer.

Die Osborne heeft er op toegezien, dat Lufts voornaamste troeven hier allemaal keurig worden uitgespeeld. En in de eerste plaats natuurlijk haar fantastische stem. Haar enigszins ijle voordracht is het immers die het toelaat om haar meteen uit de duizenden te herkennen. En voorts wordt natuurlijk ook ruimschoots aandacht besteed aan haar markant akoestisch gitaarwerk en haar zonder uitzondering uitstekende songs. Daarin kiest Luft ditmaal voor een wat eigentijdsere aanpak. Zonder daarom het traditionele aspect van haar eerdere werk meteen volledig te verloochenen zoekt Luft hier naar een geluid, dat ook het hier en nu incorporeert. Een mooi voorbeeld daarvan is “Black Water Side”. Uit gelijke delen folk en blues opgetrokken, maar tegelijkertijd toch ook nadrukkelijk hengelend naar een popgezicht. Lijnrecht daartegenover staat dan weer iets als “Lord Roslyn’s Daughter”. Dat is zowel thematisch gezien als muzikaal folk van het traditionelere type. “There’s A Train” valt mede door zijn fraaie mandolineaccenten dan weer duidelijk onder de noemer Americana, “No Friend Of Mine” begint als iets van Joni Mitchell, maar bloeit geleidelijk aan open tot een wolk van een folk rock song, “No Strenght” is gewoon rock tout court, volbloed-rootsdeun “Down To The River” had absoluut niet misstaan op een Wailin’ Jennys-plaat en “Give It Up” mikt folkpopgewijs resoluut op de nodige airplay. En die wordt Cara Luft van hieruit gegund ook! “The Light Fantastic” is immers niet alleen een zeer gevarieerde, maar ook een zeer sterke plaat.

Cara Luft

Black Hen Music

CD Baby

 

 

BEE AND FLOWER

“Last Sight Of Land”

(Tuition / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Er zijn zo van die platen, die zich niet graag in welomlijnde vakjes laten duwen. En tot die categorie mag je ook “Last Sight Of Land”, de nieuwe van het recentelijk vanuit New York in Berlijn neergestreken collectief Bee And Flower rekenen. Met de nodige hulp van drummer Thomas Wydler (Nick Cave & The Bad Seeds), gitaristen Kristof Hahn (SWANS, Les Hommes Sauvages, Angels Of Light), Peter Von Poehl (Doriand, A.S. Dragon) en Beate Bartel (Liaisons Dangereuses) en een vijfentwintig man sterk strijkensemble tekenen de qua stem enigszins met Aimee Mann vegelijkbare Dana Schechter, haar schrijfpartner drummer-percussionist Toby Dammit en toetsenman Roderick Miller op die opvolger van hun in 2003 verschenen debuut “What’s Mine Is Yours” voor twaalf nummers, die het vooral van hun weidse karakter moeten hebben, van de sfeer die ervan afstraalt. Breedbeeldmuziek is het, zoiets. Vooral het veelvuldige gebruik van de piano maakt, dat het hier door Bee And Flower gebrachte her en der uitnodigt tot vergelijkingen met het rustigere werk van Nick Cave. Dezelfde “unheimliche” intimiteit die ook veel van het materiaal van die grootmeester kenmerkt, gaat ook uit van wat Schechter en co hier doen. Het klinkt op een vreemde manier allemaal donker en warm tegelijk. En dat zorgt bij momenten voor een enigszins bezwerend effect. Denk “Aimee Mann meets Nick Cave at Hooverphonic’s”, dat komt aardig in de buurt.

Intrigerend spul!

Bee And Flower

Tuition Music

Sonic Rendezvous

 

 

LYNYRD SKYNYRD

“Live From Austin, TX

(DVD)

(New West / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Met de archieven van het Amerikaanse TV-programma “Austin City Limits” hebben die van New West Records een schier onuitputtelijke bron aan live-materiaal aangeboord. En dat blijkt zo goed te bevallen, dat de releases elkaar aan een heus recordtempo blijven opvolgen. Steve Earle, Delbert McClinton, Fats Domino, Kris Kristofferson, Asleep At The Wheel, Billy Joe Shaver, Willie Nelson, de Sir Douglas Quintet, Tony Joe White, Merle Haggard, Waylon Jennings, Johnny Cash, John Hiatt, Dwight Yoakam, de Texas Tornados, de Flatlanders, Robert Earl Keen, Son Volt, Susan Tedeschi, Richard Thompson, Lucinda Williams, Neko Case, de String Cheese Incident, Outlaw Country, Eric Johnson, het lijstje klinkt behoorlijk indrukwekkend, niet? En daar mag je vanaf nu ook nog eens het legendarische Lynyrd Skynyrd aan toevoegen. En dat brengt ons meteen bij ons enige bezwaar tegen deze reeks. Iemand zou er de producers zo onderhand wel eens van op de hoogte mogen brengen, dat ook minder bekende namen interessante beelden en geluiden kunnen opleveren. Je kan je immers de vraag stellen, wat je als muziekliefhebber nog hebt aan de zoveelste live-plaat of –DVD van iconen als veel van de eerder opgesomde acts. Gun jonge honden verdorie ook eens een kans! Of ga voor onverwachte combinaties, zoals dat eerder bijvoorbeeld een enkele keer het geval was voor “Outlaw Country”, het singer-songwriteronderonsje met Willie Nelson, Waylon Jennings, Kris Kristofferson, Billy Joe Shaver en Kimmie Rhodes. Dat levert tenminste exclusief beeld- en geluidsmateriaal op!

Dat gezegd zijnde overigens weer absoluut geen kwaad woord over het aan Lynyrd Skynyrd gewijde deel in de reeks. Zowel de beelden als het geluid zijn naar goede gewoonte van voortreffelijke kwaliteit. En ook de Southern rock-legende was destijds (december 1999) bepaald goed op dreef, met glansrollen voor zanger Johnny Van Zant en gitaristen Gary Rossington, Hughie Thomasson en Rickey Medlocke. Het is smullen van klassiekers als “Sweet Home Alabama”, “T For Texas” en “Free Bird” en vooral ook van de mega-medley met “Down South Jukin’”, “Needle And The Spoon”, “Whiskey Rock A Roller”, “Swamp Music” en “The Ballad Of Curtis Loew”.

Lynyrd Skynyrd

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

LINDA MCRAE

“Carve It To The Heart”

(Black Hen Music)

(4) J J J J

 

 

Net als de hier eerder dit jaar al bejubelde Jenny Whiteley en Kim Beggs is ook de vanuit Vancouver actieve Linda McRae zo’n Canadees talent dat wat ons betreft hoogdringend aan een Europese doorbraak toe is. En met haar derde CD “Carve It To The Heart” houdt ze daartoe zo ongeveer alle benodigde troeven in handen ook.

McRae deed voor het eerst van zich spreken als zangeres-bassiste-accordeoniste van Spirit Of The West. Na haar vertrek bij dat rootsrockcollectief pakte ze in 1997 uit met het album “Flying Jenny”. Op die door Colin Linden geproduceerde plaat werd ze bijgestaan door gerenommeerde vrienden als Gurf Morlix, Syd Straw en tal van leden van Blue Rodeo, The Band, Junkhouse, Crash Vegas en Tragically Hip. De opvolger ervan, het met Cheerful Lonesome ingespeelde “Cryin’ Out Loud”, nam ze op met de ondermeer om zijn werk voor Lucinda Williams, Mary Gauthier en Tom Russell geroemde Gurf Morlix.

En nu is er dus nummer drie. Voor de productie daarvan tekende McRae zelf samen met Marc L’Esperance. En die zag ditmaal ondermeer Gary Fjellgaard en Washboard Hank voor een cameo passeren. Fjellgaard zingt een alleraardigst mondje mee in het countrywalsje “Living In The Past With You”, Washboard Hank doet het dan weer op bellen, fluiten en z’n washboard in het cajuneske “Little Red Shoes”.

Verder verkent McRae op “Carve It To The Heart” op bijzonder sfeervolle wijze zo ongeveer elke uithoek tussen country en folk. Ze doet dat met negen eigen composities en een doorleefde cover van het bijvoorbeeld ook al in uitvoeringen van Johnny Cash en Michelle Shocked bekende “The L&N Don’t Stop Here Anymore”. Enkele luistertips zijn het behoorlijk desolaat overkomende folky openingsnummer “This Winding Road” en de old-timey banjodeun “Carve It To The Heart”.

Goudeerlijke country en Americana is dit, van een artieste die het gewoon allemaal heeft. Ze schrijft fantastische liedjes, heeft een prachtige, aangenaam weemoedig aandoende stem en weet bovendien ook op de akoestische gitaar en de banjo best aardig haar mannetje te staan. Voor allen bij wie de naam Linda McRae nog geen belletje deed rinkelen dringt een kennismaking zich dan ook nadrukkelijk op!

Linda McRae

Black Hen Music

CD Baby

 

 

HANNE HUKKELBERG

“Rykestrasse 68”

(Nettwerk / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Wie het heeft voor enigszins aparte damesstemmen is bij Hanne Hukkelberg aan het juiste adres. De jonge Noorse werd naar aanleiding van haar in 2005 verschenen debuut “Little Things” her en der al vergeleken met onder anderen Joanna Newsom, Björk, Stina Nordenstam en Billie Holiday. En vooral een vergelijking met die laatste gaat ook wat ons betreft op. Elegant kronkelt ze op “Rykestrasse 68”, haar als een soort van hommage aan Berlijn, de jongste maanden haar tweede thuis, opgevatte nieuwste, doorheen acht eigen nummers en een cover van het dankzij een nieuw arrangement amper nog herkenbare “Break My Body” van Frank Black en de Pixies. Lijzig sensueel beweegt ze zich daarbij met een nauwelijks anders dan als natuurlijk te omschrijven flair tussen pop, folk, jazz en moderne elektronica.

Als extraatjes krijgen we op de Europese uitvoering van het album daarenboven ook nog de in Les Tombées de La Nuit in het Franse Rennes opgenomen live bonus track “Searching” en de video bij “A Cheater’s Armoury” aangeboden.

 

Hanne Hukkelberg zakt binnenkort voor enkele optredens naar ons land af. Je kan ze dan aan het werk bewonderen op onderstaande data en locaties.

 

Woensdag 2 mei, Cactus Club @ MaZ, Brugge.

Donderdag 3 mei: AB-Club, Brussel.

 

Hanne Hukkelberg

Nettwerk Productions

 

 

KAREN COLLINS & THE BACKROADS BAND

“Tail Light Blues”

(Azalea City)

(3,5) J J J J

 

 

Een bijzonder prettig nevenverschijnsel van de alsmaar toenemende populariteit van alt. country en Americana vinden wij de hernieuwde belangstelling die stilaan zo ongeveer dood gewaande genres als traditionele country en honky-tonk daardoor plots gaan genieten. En vooral de dames laten zich daarbij bepaald niet onbetuigd. Miss Leslie & Her Juke-Jointers, Karling Abbeygate, Amber Digby, Sunny Sweeney, de op dit moment door ons land trekkende Ruby Dee en haar Snakehandlers, stuk voor stuk bewezen ze de afgelopen maanden, dat country zoals die weleer gemaakt werd opnieuw volop levensvatbaar is. En dat doen ook Karen Collins en haar Backroads Band. Niks pretentieus gedoe hier. De enige ambitie van het viertal uit de omgeving van Washington is het, ons de gouden tijden van weleer te laten herbeleven. Klassieke honky-tonk en rootsmuziek zoals die bij benadering tussen 1940 en 1970 werden gemaakt zijn hun specialismen. En Collins bewijst zich daarbij als een zangeres, die het ook in die periode best wel eens goed zou kunnen hebben gedaan. Ergens tussen Hazel Dickens, Patsy Cline en Loretta Lynn, zeg maar. Met veel gevoel tackelt ze hier een aantal voor het genre klassieke thema’s, daarbij vakkundig geruggensteund door snarenvirtuoos Ira Gitlin, bassist Geff King en drummer Rob Howe. Enkele luistertips: het sprankelende “Only Mama That’ll Walk The Line”, een vrouwelijke kijk op de Waylon Jennings-hit uit 1967, het mede dankzij een bijdrage van Buddy Charleton op de pedal steel al even speels swingende “Honky Tonk Guitar”, het met de neus overduidelijk richting Bakersfield wijzende “Highway Of Love” en het rootsy “Hurricane”, dat Collins zelf een resultaat van het stormseizoen van 2004 noemt, al gaat het dan ook gewoon over een stukgelopen relatie.

Karen Collins & The Backroads Band

CD Baby

 

 

DANNY & DUSTY

“Cast Iron Soul”

(Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Nooit gedacht, dat er daadwerkelijk ooit nog eens een vervolg zou worden gebreid aan het ondertussen tot genreklassieker uitgegroeide “Lost Weekend” van Danny & Dusty. Die in 1985 letterlijk tijdens een “verloren weekendje” zuipen en pret maken ingeblikte samenwerking tussen Dan Stuart (Danny) van Green On Red en Steve Wynn (Dusty) van de Dream Syndicate is het soort van plaat waar verzamelaars vandaag de dag maar wat graag diep voor in de beurs tasten. En misschien zullen ze dat binnen een jaar of twintig ook wel doen voor de al bijna even toevallig tot stand gekomen opvolger “Cast Iron Soul”. Als een echte donderslag bij heldere hemel kwam een aantal weken geleden het nieuws, dat Stuart en Wynn samen met Johnny Hott (House Of Freaks, Sparklehorse), Bob Rupe (Silos, Cracker), Stephen McCarthy (The Long Ryders) en Chris Cacavas (Green On Red) in een opnamestudio waren gesignaleerd voor een nieuw Danny & Dusty-album. En dat was wellicht ook nooit gebeurd, mocht Wynn niet toevallig zijn komen vast te zitten met een gebroken enkel. Stuart zag zijn kans schoon om hem precies op dat moment te overvallen met zijn vraag om weer eens samen aan de slag te gaan. En wellicht tot zijn eigen grote verbazing stemde Wynn daarin toe. JD Foster werd vervolgens snel aangezocht om de productie voor zijn rekening te nemen en vanaf dan was de bal echt aan het rollen. Het resultaat: twaalf nieuwe Danny & Dusty-deunen, die in een wip weer een brede glimlach op de lippen van elke liefhebber van het alt.-countrygenre zullen toveren.

Vooral het nonchalant openende “The Good Old Days”, waarin over heerlijk loom agerende blazers en zo’n typisch saloonpianootje op ironische wijze het eigen ouder worden wordt bezongen, is een echt kuitenbijterje. Eén keer beluisteren en ook jij bent gegarandeerd verkocht! In titelnummer “Cast Iron Soul” tapt het gezelschap vervolgens ongegeneerd uit het rockvaatje, “Last Of The Only Ones” slaat al countryrockend een brug tussen Stuarts eigen werk bij Green On Red en Neil Young ten tijde van “Comes A Time”, “Warren Oates” herinnert muzikaal gezien zowel aan de Dream Syndicate als recenter Grant Lee Buffalo, “Raise The Roof” is het soort van gitarenzwangere rocker waar de Stones al jaren niet meer echt aan toe komen en “Thanksgiving Day” rustige, bijna op z’n Jayhawks voortkabbelende Americana. Nu willen we ze hier zeker niet allemaal gaan overlopen, de nummers op “Cast Iron Soul”, maar er is er nog één waar we absoluut niet omheen kunnen. Het betreft het met soulvolle blazers gelardeerde “New York City Lullaby”. Die als song verpakte, sombere kijk op hun huidige thuishaven is wat ons betreft immers één van dé absolute topmomenten op deze lekker gevarieerde en als geheel bijzonder geslaagde schijf.

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

PONTUS SNIBB

Admiral Street Recordings”

(Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Voorwaar een speciaal gevalletje, deze Zweed. Hij speelt zo’n beetje alles. Country, Americana, blues, rock & roll, heavy metal, je zegt het maar. Zijn eerste platen maakte hij met de Mescaleros, een groep die later onder de naam Snibb zou voortdoen. Vervolgens kwam er met “Lost & Found” een eerste solo-CD. En daarop zocht onze man zijn heil in akoestische singer-songwriter rock. Tussendoor was hij als gitarist en drummer aan de slag bij gerenommeerde acts als Jason & The Scorchers, Eric Bibb, Charlie Musselwhite, Kevin Welch, Angela Strehli, Mason Ruffner, Kim Wilson, Buddy Miller, Spooner Oldham en Dan Penn. Het zegt iets over zijn kwaliteiten!

Voor zijn nieuwe CD nam Pontus Snibb vierentwintig liedjes op en nodigde een stel vrienden uit om te bepalen, welke daarvan op “Admiral Street Recordings” zouden belanden. Het werden er uiteindelijk veertien. Met als meest in het oog springende, het aanstekelijke countryrockertje “So The Story Goes”, een duet met Jason Ringenberg. Nog zo’n oorwurm is het ongegeneerd naar het diepe Zuiden van de States lonkende “Oh Ranita”. Eén keer beluisteren en je bent geheid verkocht!

Elders wijkt Snibb regelmatig af van het beproefde singer-songwriterrecept. “Ain’t Giving Up On Rock & Roll” en “Night Time” zijn zo bijvoorbeeld heerlijk vette rock & roll van het genre waarin ook groepen als de Georgia Satellites, de Black Crowes en de Faces ooit grossierden, “Multiple Personalities” deed ons ogenblikkelijk denken aan de Free en Bad Company, “Hard Hard World” klinkt bij momenten als Chuck Berry als bij toeval opgezadeld met een akoestische gitaar, “Ain’t Gonna Quit” is ziekelijk nerveuze blues, “The Low Won’t Let Her Go” een funky variant van hetzelfde genre en “Forever Gone” doet het met een gezonde dosis soul.

Enfin, aan variatie absoluut geen gebrek hier!

Pontus Snibb

MySpace

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

 

JAYSON BALES & THE REVIVAL

“Cruel & Unusual”

(Pampelmoose / Shut Eye)

(3) J J J

 

 

Jayson Bales is een in Austin,TX geboren, maar dezer dagen in Dallas residerende singer-songwriter, die met één voet nog duidelijk in dezelfde traditie staat als bekendere collega’s à la een Robert Earl Keen of een Jack Ingram, maar met de andere resoluut op zoek gaat naar een geluid dat hem duidelijk onderscheidt van wat er momenteel zoal leeft binnen de muziekscene van de Lone Star State. Hij weigert zich immers te laten vastpinnen op (outlaw) country alleen. En zo komt het, dat een weinig aan het oeuvre van de al genoemde Keen refererende dingen als het aanstekelijke “Lazarus’ Banquet Table” of “335” op ’s mans door Salim Nourallah (Rhett Miller, Old 97’s) geproduceerde vierde CD “Cruel & Unusual” worden afgewisseld met materiaal van een totaal andere orde. “X Street” is zo bijvoorbeeld een onder bijzonder venijnig uit de hoek komende gitaren kreunende rocker, “I Wonder Where You Are Tonight” valt evenals de gevoelige (Eigenlijk nogal melige!) pianoballade “Amy’s Song” ontegensprekelijk onder de noemer pop en het bevreemdende “Las Vegas” met wat goede wil zelfs onder desert rock.

De betere nummers zijn al bij al de meer Americana-georiënteerde zoals het Woody Guthrie en diens werk bezingende “Half Right” of het knappe, over rinkelende gitaren vertelde verhaal over de dezer dagen achter zowat elke straathoek loerende gevaren “I Walk Alone”. Daarin schuilt wat ons betreft duidelijk de grote kracht van Bales (en kompanen). Van dat kaliber graag meer dus op een volgende worp!

Jayson Bales & The Revival

MySpace

Pampelmoose

Shut Eye Records & Agency

 

 

BRIGHT EYES

“Four Winds”

(Saddle Creek)

(3,5) J J J J

 

 

Als voorsmaakje op hun binnenkort te verschijnen nieuwe CD “Cassadaga” pakten Conner Oberst en de zijnen zopas uit met de EP “Four Winds”. Het gaat daarbij eigenlijk gewoon om de eerste single van dat album aangevuld met vijf niet erop voorkomende nummers van dezelfde sessies. En die beloven zonder uitzondering het allerbeste voor de opvolger van “I’m Wide Awake, It’s Morning” en “Digital Ash In A Digital Urn”, de twee jaar geleden simultaan verschenen doorbraakplaten van Bright Eyes. Het door nerveuze violen en warm toetsenwerk gedragen “Four Winds” koppelt zo bijvoorbeeld op z’n Dylans country aan pop, “Reinvent The Wheel” herinnert onopvallend aan het werk van tal van Britse 80’s-groepjes, “Smoke Without Fire” is in al zijn naaktheid een echte wolk van een ballade, “Stray Dog Freedom” neigt eigenzinnig voorzichtig richting 70’s Southern rock, “Cartoon Blues” is bedrieglijk aanstekelijke rootspop zoals je die bijvoorbeeld ook wel van een Elvis Costello durft te verwachten en “Tourist Trap” ingetogen late night Americana.

Als dit de left-overs van de albumsessies zijn, dan kunnen we amper wachten om “het echte werk” te horen te krijgen. Dat moet al bijna van briljante makelij zijn om beter te zijn dan deze “liggenblijvertjes”. We zijn benieuwd!

Bright Eyes

Saddle Creek

 

 

GRADY

“Y.U. So Shady?”

(TexTone / Cargo / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

In een vorig leven maakte de Canadees Gordy Johnson nog het mooie weer bij het ook in deze kontreien in bepaalde kringen behoorlijk succesvolle bluesrockgezelschap Big Sugar, dezer dagen opereert hij vanuit Austin, TX als kopstuk van het trio Grady. Met die groep sleepte hij al vrij snel na haar ontstaan enkele prestigieuze prijzen in de wacht. Zo werden ze tijdens de jaarlijks uitgereikte Austin Music Awards ondermeer al uitgeroepen tot beste nieuwe groep en beste rockact tout court. Alle ingrediënten voor een ouderwets lekkere pot rock & roll zijn dan ook aanwezig op hun debuut “Y.U. So Shady?”. Om te beginnen is er de heerlijk gruizige schreeuwzang van Johnson zelf, te situeren ergens tussen Lenny Kravitz zo circa “Are You Gonna Go My Way” en StevenTyler van Aerosmith in zijn beste dagen. En dan dat gitaarwerk! Het begeleidende schrijven heeft het over “ZZ Top onder de steroïden” en dat geeft inderdaad een goed beeld weer van het gebrachte. Voeg daar nog de werkelijk retestrak uit de hoek komende ritmetandem Big Ben Richardson (bas, zang)-Chris “Whip” Layton (drums, zang) aan toe en de puzzel is compleet. Een gegarandeerde live hit voor de op stapel staande zomerfestivals, dit drietal, als het daartoe tenminste de kans krijgt.

(Op deze Europese uitvoering van “Y.U. So Shady?” vind je als extraatje in vergelijking met de Amerikaanse release als bonus overigens ook nog de videoclip bij het nummer “Woman Got My Devil”.)

Grady

Tex-Tone

Cargo Records

Sonic Rendezvous

 

 

JORMA KAUKONEN

“Stars In My Crown”

(Red House Records / Music & Words)

(3,5) J J J J

 

 

Voor het alweer vijf jaar geleden verschenen “Blue Country Heart” werd ex-Jefferson Airplane-kopstuk Jorma Kaukonen wat ons betreft volkomen terecht genomineerd voor een Grammy. Spijtig genoeg zou dat beeldje uiteindelijk echter niet op zijn schoorsteenmantel belanden. Dat hij toch kiest voor een logisch vervolg op die succesplaat hoeft echter allerminst te verwonderen. Net als “Blue Country Heart” baadt ook zijn nieuwste, “Stars In My Crown”, in een erg relaxt bluesy Americanasfeertje. En net als die plaat is ook deze gewoon af. Met uitzondering van een wat ons betreft compleet overbodige cover van het hier vooral in de uitvoering van Boney M bekende “By The Rivers Of Babylon” doet Kaukonen ook nu weer alles goed. Luister bijvoorbeeld maar eens naar zijn even eigenzinnige als geslaagde interpretatie van “When The Man Comes Around” van Johnny Cash. Of naar de van respectievelijk Lightning Hopkins en Rev. Gary Davis geleende akoestische bluesjes “Come Back, Baby” en “There’s A Table Sitting In Heaven”. Heerlijk gewoon! Net als enkele van de vijf zelf aangedragen nummers trouwens. Wij vielen zo bijvoorbeeld meteen voor het nogal Knopfleriaanse “Overture: Heart Temporary”, het instrumentale bluesje “Fur Peace Rag”, het ingetogen, met fraai resonatorwerk van Sally Van Meter opgewaardeerde “Living In The Moment” en het nogal opzichtig tussen blues, jazz en swing twijfelende “Late Breaking News”. Warm aanbevolen derhalve ook!

Jorma Kaukonen

Red House Records

Music & Words

 

 

PETE BERWICK

“Ain’t No Train Outta Nashville”

(Shotgun Records)

(3) J J J

 

 

Onder het motto “Beter laat dan nooit!” pakt rebel Pete Berwick op z’n achtenveertigste na zo’n vijf jaren van sabbatsrust eindelijk weer eens uit met nieuw plaatmateriaal. Nu ja, nieuw… Het betreft daarbij eigenlijk al in 1993 gemaakte opnames. Het bankroet van zijn toenmalige werkgever Bitter Creek Records stond een release ervan echter lang in de weg. Maar nu acht Berwick de tijd dus rijp om er vooralsnog mee uit te pakken via zijn eigen label Shotgun Records. En daar kunnen we alleen maar blij om zijn, want “Ain’t No Train Outta Nashville” is een bijzonder lekkere plaat. Ergens op het kruispunt tussen knapen als een Steve Earle, een Johnny Cash, een Bob Dylan, een Bruce Springsteen en een Jason Ringenberg strooit hij kwistig in het rond met liedjes van het type waarvoor die van de Blasters ooit de term “American music” uitvonden, een zinderende mélange van rock, country, Americana en blues dus. Dingen als “Six Pack Town”, “Devil Knows His Name” en “Rusted Ball And Chain” herinneren zo bijvoorbeeld aan het materiaal van de Hardcore Troubadour ten tijde van “Copperhead Road”, doorheen “Rebels And Cadillacs” waart waggelend als een eend de geest van Chuck Berry rond, het titelnummer en “Can’t Hide The Tears” zijn jachtige countryrockertjes van het genre waarvoor Jason & The Scorchers ooit ook graag tekenden en hét absolute prijsbeest hier, het ingetogen “Only Bleeding”, is een wolk van een trage op z’n Dylans. Straffe kost dus! De enige bedenking die je erbij zou kunnen hebben, is dat het geluidstechnisch niet allemaal even af klinkt, maar noem dat wat ons betreft maar detailkritiek.

Pete Berwick

CD Baby

 

 

TEXUM

“Different Strokes For Different Folks”

(Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Het Zweedse Rootsy-label heeft zich de voorbije maanden al wel vaker gepresenteerd als een toonbeeld van goede smaak en dat doet het ook nu weer. Met de groep Texum meer bepaald. Dat zeven man sterke gezelschap wist men te strikken in Oppdal, een landelijk stukje niemandsland in hartje Noorwegen. En zelfs daar blijkt Americana te kunnen. Meer zelfs nog: zeer goed te gedijen! Als er al één ding is dat “Different Strokes For Different Folks”, het volwaardige CD-debuut van de groep, bewijst, dan is het dat wel. Gelijk van bij openingsnummer “17th of May” weet je, dat je hier iets heel speciaals te wachten staat. Die een weinig aan het werk van Justin Rutledge verwante alt.-countryschuifelaar toont echter nog maar één van de vele kanten van de groep rond zanger-gitarist Bård Sande. In “What You Leave Behind” doen de Noren vervolgens iets moois met roots pop, soul en jazz. Als die van Steely Dan Americana zouden maken, dan hadden ze wellicht zo geklonken. “Guitars & Hearts” is dan weer wel het onversneden spul. Mooie, een beetje zweverige samenzang, pianootje, een ingetogen twangend gitaartje, harmonica, cello, accordeon, de juiste accentjes op de juiste plaats, je kent dat wel! In “The Last Farmer” komen vervolgens even de Stones voorbij, “New Beginning” is maar heel voorzichtig zijn geheimen prijsgevende alt. country in cinemascope, “The Inspector” teert ondermeer op gloedvol toetsenwerk om soulvol rootsrockend uit de hoek te kunnen komen, de sleper “Nothing New” staat voor een nagenoeg perfecte kruising tussen iets van Ryan Adams en iets van de Jayhawks, “Old Letters” is ondanks een opvallende orgelbijdrage gewoon traditionele country, “Sunny Day” een streepje lome zondagnamiddag(roots)pop en “Music & Crowd” de wat ondermaatse afsluiter van een voor het overige erg geslaagde plaat. Bij een stoelendans tussen pop, folk, roots rock en soul belandt het jammer genoeg precies tussen alle vier in. Maar, zoals al gezegd, voor het overige amper een kwaad woord over dit fraaie debuut! Echt een plaat om te koesteren!

Texum

MySpace

Rootsy.nu

Sonic Rendezvous

 

 

THE SKEETERS

“Rhythm Of The World”

(Free Bound Records)

(3,5) J J J J

 

 

Deel drie in het levensverhaal van het uit Fort Payne, Alabama afkomstige viertal The Skeeters. Net als hun vorige twee platen, hun in 2002 verschenen titelloze debuut en het van twee jaar later stammende “Easy For The Takin’”, is ook hun derde, “Rhythm Of The World”, weer een schoolvoorbeeld van hoe moderne outlaw country hoort te klinken. Zanger-songsmid Bert Newton klinkt nog steeds als de reïncarnatie van Waylon Jennings zelve en ook zijn liedjes halen spelenderwijs het niveau van die van zijn grote voorbeelden. Je hoort Jennings, Kristofferson en Shaver in zo ongeveer elke noot die op deze plaat gespeeld wordt. En dat bedoelen we als een serieus compliment!

Slechts vier keer laten de Skeeters zich verleiden tot het brengen van songgoed van anderen. Dat daarbij gekozen wordt voor “Honey Chile” van Billy Joe Shaver en “Late Again” van Kris Kristofferson lijkt niet meer dan logisch. Het ondermeer in een uitvoering van Levon Helm bekende “God Bless ‘Em All” en het soulvolle, door de heren Boyer (Decoys) en McGee aangedragen “Blues Flowin’ Freely” zijn dan een stuk minder voor de hand liggend.

Ideaal spul voor elkeen die de Willies en Waylons van deze wereld een warm hart toedraagt!

The Skeeters