CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE ROYS “Lonesome Whistle” - DAN SARTAIN “Legacy Of Hospitality” - CHRIS BARBER “Memories Of My Trip” - SLIM CESSNA’S AUTO CLUB “Unentitled” - OWEN TEMPLE “Mountain Home” - CHRISTOPHER REES & BAND WITH THE SOUTH AUSTIN HORNS “Heart On Fire” - JULIA KENT “Green And Grey” - STEVE EARLE “I’ll Never Get Out Of This World Alive” - DIANA JONES “High Atmosphere” - LITTLE GREEN “Innocent Again” - BLACK JAKE & THE CARNIES “Where The Heather Don’t Grow” - HA HA TONKA “Death Of A Decade” - BRIAN WEBB “Strange Way To Grieve” - MALCOLM HOLCOMBE “To Drink The Rain” - BEN ARNOLD “Simplify” - TRACY NELSON “Victim Of The Blues” - THE GOOD LOVELIES “Let The Rain Fall” - TODD THIBAUD “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” - JASON ISBELL + THE 400 UNIT “Here We Rest” - THE GIBSON BROTHERS “Help My Brother” - DEVON SPROULE “I Love You, Go Easy” - PATRICK SWEANY “That Old Southern Drag” - AD VANDERVEEN “Days Of The Greats” - TWO COW GARAGE “Sweet Saint Me” - BAND OF HEATHENS “Top Hat Crown & The Clapmaster’s Son” - ISRAEL NASH GRIPKA “Barn Doors And Concrete Floors” - NICK LOWE “Labour Of Lust” - JOAN BAEZ “Play Me Backwards - Collectors Edition” - MAGGIE BJÖRKLUND “Coming Home”

 

 

THE ROYS “Lonesome Whistle” (Rural Rhythm Records)

(3***)

Broer en zus Lee en Elaine Roy lijken zich vooral tot doel te hebben gesteld om bluegrass een wat eigentijdser kleedje aan te meten. Om aan het genre wat meer sex appeal te verlenen met andere woorden. En da’s een voornemen, waarin ze op “Lonesome Whistle” tot op zekere hoogte best wel slagen ook. In de elf veelal eigen nummers op die plaat laat het vanuit Nashville actieve duo immers ruim voldoende elementen uit pop en “contemporary country” binnensijpelen om met recht en rede aanspraak te kunnen maken op een plaatsje in tal van hitlijsten stateside. Iets wat naar ons gevoel minder in hun voordeel pleit, zijn hun vaak onder de noemer “inspirational country” te categoriseren teksten. Die lijken ons immers niet echt verenigbaar met hoger vermeld doel. Maar goed, wie zijn wij, he… Als zelfs Ricky Skaggs de Roys goed genoeg vindt om een handje te komen toesteken, dan zegt dat ook wel iets. En hij is trouwens lang niet de enige. Ook dobrofenomeen Randy Kohrs en The Whites zijn op “Lonesome Whistle” van de partij. Wat betreft de muzikale omlijsting zit alles hier dan ook wel snor. Maar wat ons op de keper beschouwd eigenlijk nog het meest aansprak hier, was de knappe samenzang van de twee Roys zelve.

The Roys

 

DAN SARTAIN “Legacy Of Hospitality” (One Little Indian / Bertus)

(3,5****)

“Legacy of Hospitality” laat zich allicht nog het best omschrijven als een soort van speciale attentie aan het adres van Dan Sartains die hard fans. Het betreft daarbij immers een collectie van door de beste man tussen 1999 en 2009 ingeblikte “alternate versions, outtakes and unheard tracks”. Zo’n beetje zijn eigenste “Basement Tapes” dus. Met ondermeer dingen als “Atheist Funeral”, “Voo-Doo”, “Those Thoughts” en “Doin’ Anything I Say”, in eigen regie opgenomen in de aanloop naar zijn op veel bijval stuitende “Dan Sartain Lives” uit 2010, en de T. Rex-cover “Telegram Sam” en andere kleinoden van zijn in 2001 in eigen beheer op amper 200 exemplaren uitgebrachte debuutplaat “Crimson Guard”, ondertussen wellicht uitgegroeid tot zoiets als een collectors item. Een heus rariteitenkabinet aan rauwe, veelal verwrongen no nonsense rock & roll, allesbehalve toegankelijk eigenlijk, maar daarom zeker niet minder lekker. Bij wijlen verbluffend knappe staaltjes gitaarwerk en ’s mans regelmatig met het controversiële flirtende teksten vormen bijkomende pluspunten van dit schoolvoorbeeld van DIY-huisvlijt. En ook het feit, dat aan de cd de je een blik in ’s mans wel heel erg bijzondere leefwereld gunnende DVD-documentaire “Dan Sartain: Lives” wordt toegevoegd, schaadt de goede zaak natuurlijk absoluut niet.

Dan Sartain

One Little Indian

Bertus

 

CHRIS BARBER “Memories Of My Trip” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag wordt de legendarische Britse “toeteraar” Chris Barber door Proper Records geëerd met een werkelijk monumentale retrospectieve. Verspreid over twee cd’s worden we nog maar eens met de neus op de feiten gedrukt. Als frontman van de naar zichzelf vernoemde jazz band en trombonist speelt Barber al meer dan zestig jaar lang een quintessentiële rol binnen het muziekgebeuren daar ginds over het Kanaal. Naast zijn nauwelijks te overschatten bijdrage aan de traditionele jazzscène in zijn land waren het met name ook zijn vele uitstapjes richting andere genres, die hem aan zijn enorme reputatie hielpen. Skiffle, gospel, blues,… You name it, he’s played it! En door de band genomen ook nog eens vrijwel altijd in uitstekend gezelschap ook. Iets wat door “Memories Of My Trip” meer dan wat dan ook wordt verduidelijkt! Sonny Terry, Brownie McGhee, Eric Clapton, James Cotton, Alexis Korner, The Muddy Waters Blues Band, Rory Gallagher, Lonnie Donegan, Jeff Healey, Van Morrison, Paul Jones, Andy Fairweather Low, Mark Knopfler, het zijn maar enkele van de vele prominenten die op die fraaie dubbelaar de revue passeren. Een album, dat men, wellicht om het je als luisteraar wat makkelijker te maken, heeft opgedeeld in twee redelijk van elkaar verschillende helften. Een eerste disc focust nadrukkelijk op ’s mans verwezenlijkingen binnen blues, jazz en gospel, een tweede meer op jazz en blues en met name het eerste van die twee genres dan. De grotere namen, met uitzondering van voormalig Dire Straits-kopstuk Knopfler dan, treffen we ook op het eerste der beide schijfjes aan.

(Een kleine kanttekening nog: Barber werd op 17 april laatstleden 81. Zou dit de bij Proper Records voor dit project verantwoordelijke mensen daadwerkelijk ontgaan zijn? Just wonderin’…)

Chris Barber

Proper Records

 

SLIM CESSNA’S AUTO CLUB “Unentitled” (Munich Records)

(3,5****)

Ooit begonnen als een nog redelijk traditioneel, zij het dan ook toen al behoorlijk zwartgallig en lang niet altijd even gemakkelijk verteerbaar countrycollectiefje zijn Slim Cessna, Munly Munly en hun onderweg steeds weer wisselende kompanen door de jaren heen altijd meer gaan evolueren richting bij tijd en wijle aardig meedogenloze Gothic Americana. Met als ontegensprekelijk voorlopig hoogtepunt wat ons betreft het onlangs verschenen “Unentitled”. Een louter muzikaal gezien naar de normen van de heren aardig rijk geheel, waarop Cessna nasaler klinkend dan ooit tussen de laag vliegende banjo’s, wild aan hun kettingen snokkende gitaren, quasi hypnotiserende basbepotelingen en andere behoorlijk ongecontroleerd aandoende instrumentale bijdragen door weer zijn huiveringwekkende ding mag doen. Klinkt bij momenten alsof het vanuit een niet goed dichtgenagelde doodskist door de bezeten, zich met schuim om de mondhoeken weer een weg naar buiten zoekende inwoner daarvan over je uit wordt gerocheld! Ongelooflijk intens alleszins allemaal! En met voor de gelegenheid toch wel een aantal hoogst verrassende muzikale invalshoeken. Zo meenden wij bijvoorbeeld zowel in openingsnummer “Three Bloodhounds, Two Shepherds, One Fila Brasileiro” als in “No Doubt About It” een aparte exotische toets te mogen herkennen en onder “The Unballed Ballad Of The New Folksinger” zit er toch echt wel iets van een verkapte ska beat. En “A Smashing Indictment Of Character” begint zelfs als een heuse trage alvorens in een aanstekelijke uptempo cocktail van gelijke delen aan bluegrass, rockabilly en punk uit te monden. Neen, er zijn dezer dagen absoluut geen zekerheden meer! Behalve dan misschien, dat we Slim Cessna’s Auto Club altijd wel in de categorie “muzikale extravaganza” zullen mogen blijven onderbrengen.

Slim Cessna’s Auto Club

Munich Records

 

OWEN TEMPLE “Mountain Home” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wellicht tot zijn eigen grote verbazing stootte “Dollars And Dimes”, de vorige plaat van Owen Temple, nu goed een jaar of twee geleden prompt door tot de top van de Euro Americana Chart. Een heus aha-erlebnis voor de vanuit Austin actieve songsmid, die ondanks uitstekende eerdere platen als “General Store”, “Passing Through”, “Right Here And Now” en “Two Thousand Miles” voorheen eigenlijk amper naambekendheid genoot buiten zijn thuisstaat. Liggen de kaarten nu toch wel even anders… Zijn zesde, net als voorganger “Dollars And Dimes” opnieuw door Gabe Rhodes geproduceerde cd zal in onze kontreien zonder enige twijfel ook wel weer het nodige stof gaan doen opwaaien. En terecht ook, want “Mountain Home” is wat ons betreft zondermeer zijn sterkste collectie liedjes so far. Zich daarbij geflankeerd wetend door gerenommeerde studioratten en gewaardeerde collegae als de al genoemde Rhodes (akoestische en tenorgitaar, banjo, dobro en piano), Charlie Sexton (bas en baritongitaar), Bukka Allen (piano, orgel en accordeon), Rick Richards (drums en percussie), Brian Standefer (cello), Tommy Spurlock (pedal steel), Gordy Quist (akoestische gitaar en harmony vocals), Jamie Wilson (harmony vocals) en Adam Carroll (harmonica) schuimt de Texaan daarop tien nummers lang de kleinere steden van zijn heimat af. Een geoefend oog en een vaardige pen als die van Temple treffen daarin klaarblijkelijk ruim voldoende excentrieke karakters en vertellenswaardige verhalen aan om er een hele plaat mee te kunnen vullen. Voor wat betreft de muzikale inkleding van zijn story songs zocht de beste man vervolgens opnieuw zijn heil in oertraditionele Amerikaanse muziekstijlen als daar zijn Americana, bluegrass, folk en blues. Er daarbij bijna als vanzelfsprekend op toeziend, dat er sfeergewijs voldoende aandacht wordt besteed aan variatie. Van ingetogen weemoedig (“Jacksboro Highway”) tot laidback bluesy (het bij Leon Russell geleende “Prince Of Peace”, de enige cover overigens hier), van warmbloedig Zuiders (de heerlijke Americana-deun “One Day Closer To Rain”) tot dartel country & “grassy” (het titelnummer), van ronduit moody (het door Tommy Spurlock steelgewijs mee naar eenzame hoogten getilde (“Desdemona”) tot swampy (het samen met Gordy Quist en Adam Carroll gepende “Medicine Man” en “Danger And Good Times”), van bedaard folky (het gaandeweg een weinig richting “Nebraska”-Springsteen evoluerende en effenaf briljante “Small Town”) tot gewoon lieflijk (“Fall In Love Every Night”), voor elkeen wel zo’n beetje wat wils hier. En precies dat maakt wat ons betreft ook van “Mountain Home” weer een bescheiden toppertje.

Owen Temple

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

CHRISTOPHER REES & BAND WITH THE SOUTH AUSTIN HORNS “Heart On Fire” (Red Eye Music / Bertus)

(4****)

Van radicale koerswijzigingen gesproken! Dit is er dus één! De ons voorheen voornamelijk van innemende Americana in de ruimste zin van het woord bekende Welshman Christopher Rees gaat op “Heart On Fire” resoluut voor een Southern soul-geluid. Een voornemen, waar hij mede dankzij het bezielde blaaswerk van de knapen van de South Austin Horns ook nog eens met brio in slaagt ook.

Nochtans kwam “Heart On Fire” eerder toevallig tot stand. De voorbije jaren had Rees, daarbij geïnspireerd door lichtende voorbeelden als de tandem Dan Penn en Spooner Oldham, flink wat soulvolle deunen gepend. Alleen kon hij daar op zijn eigen platen so far niet zo heel erg veel mee aan, ook al omdat ze in zijn ogen het nodige “koperwerk” vereisten. En dat vond hij, ook alweer eerder toevallig, toen hij na één van zijn optredens tijdens de vermaarde Texaanse muziekmarathon SXSW aan de praat geraakte met South Austin Horns-kopstuk Mark Wilson. Binnen de kortste keren werd daar en dan de kiem gelegd voor een toekomstige samenwerking. Met het gekende resultaat!

Een dijk van een plaat, vinden wij persoonlijk, dat “Heart On Fire”, waarop Rees ons alle hoeken van het soulcanvas laat zien, alsof hij zijn hele leven lang niks anders gedaan heeft. Heerlijk broeierige slepers zoals het wel een beetje aan de genreklassieker “The Dark End Of The Street” verwante “Morning Light”, “Heart On Fire”, “Unstoppable” en andere worden op tijd en stond afgewisseld met wat meer op de kuiten mikkend spul als het lekker wilde, overdadig met rockabilly besprenkelde “Warm By My Fire”, zich schaamteloos tussen R&B en lome rock & roll wringend goed genre “In The Middle Of The Night” en zonnige “soul op z’n Stax” à la “Sparks Flying”. Volstrekt onweerstaanbaar spul gewoon! In die mate zelfs, dat we Rees van hier uit zouden willen adviseren om met zijn volgende platen vooral de met “Heart On Fire” ingeslagen weg te blijven bewandelen. Wij zullen hem dan alvast graag blijven volgen…

Christopher Rees

Red Eye Music

Bertus

 

JULIA KENT “Green And Grey” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Green And Grey” van Julia Kent durven wij van hier uit voorzichtig te bestempelen als een tip voor wie wel eens wat anders wil. Die tweede van de in Canada geboren, maar dezer dagen in de States residerende celliste heeft überhaupt maar weinig gemeen met wat wij hier doorgaans zoal kritisch belichten. Kent maakte de voorbije jaren vooral naam in dienst van anderen. Met name haar spel in functie van het door Rasputina en meer nog Antony & The Johnsons gebrachte sprak bij velen tot de verbeelding. Iets wat in 2007 vooreerst aanleiding zou geven tot haar solodebuut “Delay” en nu dus ook tot “Green And Grey”. Stond haar vistekaartje nog volop in het teken van wat haar “weg uit de realiteit” in de wachthal van zo menig een luchthaven overkwam, dan zoekt Kent op “Green And Grey” als het ware naar een vluchtroute. Het groen en het grijs uit de titel van die plaat lijken daarbij de twee voornaamste facetten van de buitenwereld te symboliseren: de natuur en het door de mens reeds volop ingepalmde stukje aarde. Bedienen doet ze zich voor haar bij momenten welhaast klassieke vormen aannemende geluidslandschappen als vanouds niet enkel van op haar cello voortgebrachte klanken, maar ook van loops, elektronica en “field recordings”. En dat met bij momenten verbluffend knappe resultaten. Haar muziek heeft absoluut iets innemends over zich. Atmosfeer regeert hier absoluut. Wat van “Green And Grey” ideaal laat avondvertier maakt. Het soort van muziek, waarmee je een zware dag definitief achter je laat. Hoogst apart, maar wel heel erg mooi!

Julia Kent

Tin Angel

Sonic Rendezvous

 

STEVE EARLE “I’ll Never Get Out Of This World Alive” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Nog zo’n release, waar wij de voorbije weken met ontzettend veel goesting hebben zitten naar uitkijken! Zo’n vier jaar na het met een Grammy bekroonde “Washington Square Serenade” en toch ook alweer twee na ‘s mans ook al met diezelfde onderscheiding gewaardeerde Townes Van Zandt-eerbetoon pakt Steve Earle eindelijk weer eens uit met nieuw songmateriaal. Hij heeft ons naar zijn normen ditmaal dus wel echt lang op onze honger laten zitten. En dat heeft natuurlijk veel zo niet alles te maken met zijn binnenkort te verschijnen eerste roman. In dat net als deze nieuwe plaat naar Hank Williams’ laatste single vernoemde boek verbeeldt Earle zich het getroebleerde leven van Doc Ebersole, verdoemd tot eeuwige achtervolging door de geest van zijn voormalige patiënt en vriend wijlen het betreurde country-icoon. Wat - Als we de eerste commentaren mogen geloven tenminste! – aanleiding geeft tot een bijzonder hoogstaand staaltje aan literatuur en al zeker als het van een debutant komt, zoals Earle er zoals geweten één is. Maar daarop is het wel nog even wachten. Het boek verschijnt immers pas op 12 mei. En vooralsnog wellicht alleen in de States. En dus doen wij ons hier gewoon nog maar even tegoed aan het muzikale lekkers van Earle, dat al wél vrijelijk beschikbaar is. En lekker is dat zeker! Wij durven deze veertiende studioplaat van de “Hardcore Troubadour” zelfs nu al zonder blikken of blozen tot zijn allerbeste te rekenen. Heel wat van de elf liedjes erop hebben op de één of andere manier iets te maken met de sterfelijkheid van de mens. Een gegeven, dat zonder ook maar de minste twijfel een oorzaak vindt in het overlijden van Earle’s vader vrij kort nadat hij met het schrijven van songmateriaal voor deze nieuwe collectie begon. Zoveel wordt wel duidelijk, als we van de artiest zelf in de liner notes mogen vernemen: “This disc/file/whatever (as well as the book that bears the same title) are, no doubt, the only art that I could have possibly made as I attempted to gleam any lessons from the last days of my Father’s life that I can apply to whatever’s left of mine.” Behoorlijk diepzinnig allemaal, maar dat hadden we van Earle ook niet anders verwacht. Gelukkig wordt het gebrachte er niet al té zwaarmoedig door. In een productie van de dezer dagen schijnbaar alomtegenwoordige T Bone Burnett opteert Earle voor een behoorlijk gevarieerd palet. “First up” is de bezadigde, met de blik geruime tijd op de achteruitkijkspiegel gerichte countryrocker “Waitin’ On The Sky”, waarin onze man zichzelf uiteindelijk in vrede met zichzelf “sittin’ on top of the world” weet. Vervolgens flirt hij in “Little Emperor” schoorvoetend met lome bluegrass, deelt in het op de Ierse folkleest geschoeide “The Gulf Of Mexico” – Zijn mooiste liedje in tijden! – op zijn manier in de door het veelbesproken olielek veroorzaakte miserie aldaar, breit daar met het old-timey “Molly-O” dan ook nog eens het als het ware ideale vervolg aan en brengt dan zijn eigen versie van het door hem speciaal voor Joan Baez geschreven “God Is God”. Met zijn geweldige tekst en zijn Springsteeneske benadering gelijk een volgend serieus hoogtepunt! Iets wat wij hier eigenlijk ook wel van het swampy “Meet Me In The Alleyway” vinden. Zowel tekstueel als muzikaal goed voor de nodige huiveringen, dat nadrukkelijk donkere voodootoestanden suggererende deuntje. Aansluitend is er dan de flink onder de huid gaande liefdesverklaring aan het adres van zijn vrouwtje, “Every Part Of Me”. Wij kunnen ons voorstellen, dat Allison Moorer nog regelmatig een flinke brok zal wegslikken, als ze haar echtgenoot teder hoort verkondigen: “I can’t promise anything, except that my last breath will bear your name.” Een hele geruststelling, zeker gezien Earle’s turbulente liefdesleven in het verleden. Via een volgende fraaie trage, “Lonely Are The Free”, en het sfeervolle, met zijn eega gedeelde “Heaven Or Hell” belanden we tenslotte bij het ook al van Joan Baez’ “Day After Tomorrow” bekende “I Am A Wanderer” en die andere “ouwe getrouwe”, het onder de bezielende leiding van Allen Toussaint met blazers opgewaardeerde “This City”, geschreven voor de HBO-serie “Treme”, waarin Earle als Harley ook zelf aan het acteren ging. Een buitengewoon knap orgelpunt voor een al even buitengewoon knappe plaat!

(Ook verkrijgbaar als gelimiteerde CD-DVD-combinatie met als niet te versmaden extraatjes de mini-documentaire “The Making of I’ll Never Get Out Of This World Alive” en een “high resolution audio mix” van de gehele plaat.)

Steve Earle

New West Records

Sonic Rendezvous

 

DIANA JONES “High Atmosphere” (Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

Er zijn zo van die platen, waar je als connoisseur net wat meer naar uitkijkt dan naar andere. Een gevoel, dat ons naar aanleiding van de nieuwe van Diana Jones maar weer eens bekroop. Na haar beide vorige albums, het in 2006 verschenen “My Remembrance Of You” en “Better Times Will Come” van drie jaar later, staat de Amerikaanse immers hoog in het lijstje met onze favoriete singer-songwriters. En de wetenschap, dat ze voor “High Atmosphere” in zee zou gaan met Ketch Secor van Old Crow Medicine Show, scherpte onze honger naar die schijf alleen nog maar aan. En dat volkomen terecht, zoals nu blijkt. “High Atmosphere” is immers andermaal een oerdegelijk en hoogst genietbaar album geworden. Daar waar de paden van folk, Americana en bluegrass elkaar kruisen zal je maar zelden op beter materiaal stoten. Veritabele heerlijkheden van verhalende songs, de bijzonder smaakvolle instrumentale invulling daarvan en natuurlijk ook die geweldige diepe stem van La Jones zelf doen het ‘m voor ons vrijwel keer op keer. Meer dan eens werden we zelfs gewoon regelrecht van onze sokken geblazen. Ondermeer door “Don’t Forget Me” en “Funeral Singer”, twee liedjes waarvoor Jones kon rekenen op wat vocale bijstand van collega Jim Lauderdale. Het eerste een dot van een ballade, waarin een man na jaren van hechtenis op het punt staat om uit de gevangenis ontslagen te worden, het tweede ook al een trage, waarin enkele zangers zich tijdens een begrafenis realiseren, dat hun liedjes eigenlijk alles zijn wat ze nog te bieden hebben. Een recurrent thema hier trouwens, dat afscheid nemen van. Ook in “I Told The Man” bijvoorbeeld, een mooie “funeral ballad” over de dood van een mijnwerker. Heel even deed Jones ons daarin denken aan collega Mary Gauthier. En dat mag je gerust als een serieus compliment beschouwen. Andere absolute hoogtepunten hier zijn wat ons betreft het eerder contemplatieve “I Don’t Know”, het bij nader inzicht enkel muzikaal gezien wat lichtvoetiger opgevatte quasi-voorspel op een “murder ballad” “Sister”, waarin Jones van aan de zijlijn zorgelijk toekijkt, hoe haar zuster in het huwelijksbootje stapt met een man, wiens eerste vrouw nog steeds vermist is, en “Poverty”, een redelijk nadrukkelijk op de old-time Americana-leest geschoeid liedje over armoede en de manier waarop zo menig een leven daardoor dezer dagen wordt beïnvloed. Eigenlijk weerhield enkel het laatste nummer op “High Atmosphere” ons ervan om het album met vijf sterren te eren. Jones’ versie van de traditional “Motherless Children” wist ons immers net wat minder te bekoren dan al de rest hier. Neemt echter niet weg, dat we hier wel degelijk met een ronduit uitstekend geheel te maken hebben.

Diana Jones

Proper

 

LITTLE GREEN “Innocent Again” (Paraply Records / Hemifrån)

(4****)

Americana van het werkelijk allerbeste soort. Anders kunnen we deze derde van het vanuit Göteborg actieve viertal Little Green nauwelijks omschrijven. Gelijk van bij de nadrukkelijk op nog bij The Byrds op school gezeten hebbende rinkelende gitaren geënte opener “Time ‘til Monday” is het goed prijs. Een dijk van een melodie, knappe zang, dito gitaren. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn! En het betreft daarbij gelukkig heus geen toevalstreffer. “Innocent Again” is namelijk tot de nok toe gevuld met dergelijke juwelen. “For A While” mag dan op het eerste gehoor al wat bedachtzamer aandoen, die compositie van Thomas Pontén is minstens even knap. En dat geldt al evenzeer voor de bedaarde country rock van het met Kimmie Rhodes gebrachte titelnummer, voor het gevoelsmatig het midden van de jaren zeventig evocerende en met Ted Russell Kamp gedeelde “Meet Me On The Corner”, voor het met kloeke snuiven bluegrass en cajun op smaak gebrachte “Let’s Hope Our Ways Won’t Cross”, voor het enigszins funky aandoende “Don’t Tell Me It’s Over”, opnieuw met een gedeelde hoofdrol voor Kamp, voor de knappe trage “This Is Our Life”, een duetje met Lisa Pedersen, en voor “I Can Talk Again”, samen met “Cut The Tail” één van de meer uitgesproken countrymomenten hier en een verdere coöperatie, ditmaal met de door ons op handen gedragen singer-songwriter Keith Miles. Beschouw dit wat ons betreft gerust maar als een elftal op Champions League-niveau! Beresterke collectie gewoon!

Little Green

 

BLACK JAKE & THE CARNIES “Where The Heather Don’t Grow” (Black Jake & The Carnies / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Dankzij hun door tal van getuigen reeds als ronduit wervelend bestempelde live act genieten “Black Jake” Zettelmaier en zijn Carnies in hun thuisland een nog voortdurend gestaag groeiende reputatie. Echte podiumbeesten zijn het naar verluidt, die er wellicht tot veler verbazing ook in slaagden om die ongebreidelde energie ook op plaat te vereeuwigd te krijgen. Uitgangspunt vormden daarbij ontegensprekelijk old-time folk en bluegrass, maar dan wél vakkundig verzopen in een bad met ondermeer punk, ragtime en blues. Zettelmaier op banjo en van achter de microfoon, Gus Wallace (fiddle), Zach Pollock (mandoline en zang), “Jumpin’ Joe” Cooter (basgitaar), Billy “The Kingpin” LaLonde (drums, washboard en zang) en J.C. Miller (accordeon en zang) knijpen op “Where The Heather Don’t Grow” met een aan het maniakale grenzende verbetenheid als het ware de strotten van beide eerstgenoemde genres dicht, om er vervolgens met revitaliserende elementen uit elk van de drie volgende weer leven in te blazen. En dat – Het moet gezegd! – met hoogst opmerkelijke resultaten. Noem het rete-alternatief neo-traditionalisme, noem het “punkgrass”, noem het zoals je wil, feit is, dat deze muziek in wezen volstrekt uniek is en bovendien nog eens ongemeen energiek ook. Onze luistertips: de wervelende “grass”, van het ons qua intensiteit aan de Pogues in hun hoogdagen herinnerende “Styxferry County”, het ook al van de energie bruisende en van hetzelfde walletje etende “Paper Outlaw” en het meer gelalde dan gezongen “Crazy MacCready’s”. Een absolute aanrader voor fans van ongegeneerd met traditioneel Amerikaans muziekerfgoed jonglerende acts als de .357 String Band, de Pine Box Boys, de vroege Avett Brothers, Pronghorn en aanverwanten.

Black Jake & The Carnies

Sonic Rendezvous

 

HA HA TONKA “Death Of A Decade” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

Eén van de door ons meest gedraaide albums van het ogenblik is “Death Of A Decade” van het jonge Amerikaanse viertal Ha Ha Tonka. Dat collectiefje debuteerde zo’n jaar of vier geleden al met het knappe “Buckle In The Bible Belt”, rondde met het in 2009 verschenen “Novel Sounds Of The Nouveau South” moeiteloos de kaap van de “moeilijke tweede” en toont zich ook op z’n derde weer in uitstekende doen. Wat ze brengen doet ons eigenlijk een beetje denken aan het werk van die van Vampire Weekend. Louter muzikaal gezien zijn Brian Roberts en de zijnen daarmee absoluut niet verwant, maar wat betreft hun aanpak juist des te meer. Waar het bij Vampire Weekend eigenlijk allemaal een beetje draait rond een alternatieve benadering van het begrip wereldmuziek, pakt Ha Ha Tonka met een vergelijkbare tackle op Southern rock uit. Iets wat door hun platenlabel overigens heel treffend verwoord werd, toen men het geluid van “Death Of A Decade” omschreef als de plaats waar authentiek en modern, akoestisch en elektronisch en traditie en innovatie elkaar ontmoeten. Het resultaat van al die botsingen is een sprankelend, uitermate hip aandoend geheel, waarvoor met name in de States wat alternatiever ingestelde critici maar niet genoeg superlatieven lijken gevonden te kunnen krijgen. Bijzonder okselfris klinkt het allemaal en heel erg toegankelijk ook en dat ondanks z’n niet altijd even “lichte” teksten. Daarin heeft Roberts het ditmaal met name over de overgangfase van zijn bestaan als jongen naar dat als man. Veelzeggend is wat dat betreft vooral het intrigerende “Westward Bound”, waarin hij zingt: “I realize that youth is wasted on the young… I know my wasting days are done.” Nu ja, als dat zulke platen mag blijven opleveren, zullen wij alvast tot de allerlaatsten behoren om daarover aan het klagen te gaan…

Ha Ha Tonka

Bloodshot Records

Bertus

 

BRIAN WEBB “Strange Way To Grieve” (Brian Webb / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Prima nieuwe plaat van de man die onlangs werd opgetrommeld om Charlie Parr op de affiche van het Blue Highways Festival in Utrecht te komen vervangen. Webb toont zich daarop als vanouds als moeilijk voor één gat te vangen. Voor zijn muziek bedient hij zich van elementen uit zo diverse genres als Americana, country, folk, blues, gospel, pop en rock, om het resultaat vervolgens af te kruiden met een kloeke dosis soul. Men denke wat dat betreft bijvoorbeeld aan acts als wijlen Jeff Buckley, Slaid Cleaves, Ryan Adams en de Counting Crows. Het tekstuele aspect van zijn werk verdient dan weer eerder een wenk richting de Canadese bard Leonard Cohen. Net als deze laatste koppelt Webb in zijn liedjes verhalende hoogstandjes aan een flink uit de kluiten gewassen poëtisch inlevingsvermogen. En helemaal toevallig zal het dan ook wel niet zijn, dat de enige cover op “Strange Way To Grieve” er één van een nummer van Cohen is.  Van het volstrekt tijdloze “Bird On A Wire” meer bepaald, dat Webb hier samen met “z’n maatje” Rose Polenzani aan één van z’n allermooiste versies ooit helpt. Die Polenzani is overigens heel erg nadrukkelijk aanwezig op “Strange Way To Grieve”. Ze nam immers ook zo goed als alle achtergrondzang voor haar rekening. Andere prominente betrokkenen: Austin Nevins (voor de met Webb gedeelde productie en tal van gitaren), Jeff Berlin (drums en percussie), Sean Staples (mandoline) en Rose Cousins (zang). Onze favorieten op “Strange Way To Grieve”? De gloedvolle trage rootsrocker “California Part 2”, de al genoemde, ronduit hemelse Cohen-adaptatie, het verstilde titelnummer - Ook al zo’n echte wolk van een Americana ballad! – en het wat venijniger uit de hoek komende “Lonelysome”. Hopelijk laat Webb ons ditmaal weer geen negen jaar wachten op een opvolger van zoveel moois!

Brian Webb

Lucky Dice Music

 

MALCOLM HOLCOMBE “To Drink The Rain” (Music Road Records / Munich)

(5*****)

Onder het motto “Beter laat dan nooit!” – Ongelooflijk toch, hoe lang sommige platen erover doen om vanuit de States ons apenlandje te bereiken! – hier toch nog maar wat lovende woorden voor “To Drink The Rain”, de jongste worp van de maker van onze plaat van het jaar in 2009, de Amerikaanse singer-songwriter Malcolm Holcombe. Al was het alleen al maar, omdat het hier naar onze bescheiden mening wederom een uitgesproken vijfsterrenplaat betreft. Holcombe’s ondertussen ook alweer achtste langspeler biedt weer hoegenaamd alles, wat we ondertussen van de beste man hebben leren verwachten. Het onder de productionele auspiciën van zijn jarenlange gabber Jared Tyler in amper drie dagen tijd in de vermaarde Cedar Creek Recording Studios in Austin ingeblikte geheel werd door Holcombe weer volgestouwd met op ingenieuze wijze het midden tussen Americana, folk en blues houdende moordsongs. Liedjes, waarin met name voor het meer alledaagse weer een bijzonder prominente plaats blijkt weggelegd. En precies dat alledaagse lijkt het ook te zijn geweest, wat aanleiding heeft gegeven tot het heerlijke “down to earth”-geluid van “To Drink The Rain”. Vrijwel alles hier klinkt, alsof het op een onbewaakt moment gewoon ergens op een veranda diep in het Zuiden van de States werd vereeuwigd. Maar dan wel met de juiste mensen om zich heen natuurlijk. In casu bassist Dave Roe, fiddler Luke Bulla, drummer Bobby Kallus en andere “vrienden voor het leven” als de al genoemde Tyler (dobro, akoestische slide en harmony vocals), Shelby Eicher (mandoline) en Andrew Hardin (akoestische gitaar). Samen met Holcombe maken zijn van deuntjes als het sierlijke countrywalsje “Down In The Woods”, het biografisch opgevatte Americana-luisterliedje “Becky’s Blessed (Backporch Flowers)”, het grappige akoestische boogiebluesje “One Leg At A Time”, het ons van opzet een weinig aan heel wat van het werk van John Prine herinnerende “Mountains Of Home” en andere nadrukkelijk voor de eeuwigheid bestemde juwelen, die eigenlijk niet één liefhebber van “het betere singer-songwritermateriaal” zich zou mogen ontzeggen. Wat ons betreft zonder ook maar de geringste aarzeling te rangschikken onder de hoofding “Moordplaten!”

Malcolm Holcombe

Music Road Records

 

BEN ARNOLD “Simplify” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een kleine eeuwigheid geleden ondertussen vielen wij hier als een blok voor “Almost Speechless”, het debuut van de uit Philadelphia, PA afkomstige singer-songwriter Ben Arnold. Aan één enkel zich op een ergens medio de jaren negentig gratis door een lokale krant verdeelde verzamelaar bevindend liedje hadden wij ruimschoots genoeg om ’s mans enorme talenten toen al te onderkennen. Die eersteling moesten en zouden we zo snel mogelijk hebben. En genoten dat we ervan hebben ook! Net als van latere platen als “Calico” en “Nevermind My Blues” overigens. En van Arnolds werk bij artiestencollectieven als 4 Way Street en recent nog US Rails. Zijn bijdragen aan die groep met Scott Bricklin, Joseph Parsons, Tom Gillam en Matt Muir waren het wellicht ook, die hem een nieuwe platendeal bij het Duitse Blue Rose Records opleverden. En zijn eerste voor dat huis van vertrouwen is er opnieuw een om vingers en duimen van af te likken. Prachtig gewoon, hoe de met een heerlijk lijzige soulvolle stem gezegende Arnold daarop schijnbaar moeiteloos elementen uit zo diverse genres als pop, roots en swamp rock, folk, R&B en in mindere mate ook funk en blues met elkaar weet te versmelten. Op die manier wordt zijn zevende een soort van roots-totaalpakketje, dat eerder een echte Southerner doet vermoeden dan iemand met z’n roots in “Philly”. Meer dan eens dwaalden onze gedachten hierbij af richting Muscle Shoals. En met name dan tijdens de wat rustigere momenten. We denken dan bijvoorbeeld aan de gloedvolle trage “O’ Holy Ghost”, aan het ronduit Hiatt-iaans te noemen “Slow Learner” of aan het lekker bezadigd funkende titelnummer. Andere absolute toppers hier: het zo’n beetje als de ideale soundtrack bij de voorbije zomerse dagen agerende openingsnummer, het stampertje “Depend On Love”, het werkelijk rete-aanstekelijke, door een uitermate geslaagd te noemen combinatie van piano en gitaren aangejaagde “Baby, Let The Tears Roll Down”, het voorzichtig swampy aandoende “Love Don’t Lie”, de met veel gevoel van achter de piano gebrachte “groovy” Lennon-cover “Watching The Wheels” en de knappe, ook weer nadrukkelijk naar “deep South-model” gefabriceerde ballad “Fishin’”. Met dat soort van liedjes doet Arnold “this time around” een gooi naar de harten van liefhebbers van het materiaal van knapen als een Delbert McClinton, de al even genoemde John Hiatt, Randall Bramblett, ja zelfs Dylan. Prima plaat!

Ben Arnold

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

TRACY NELSON “Victim Of The Blues” (Delta Groove Music)

(4****)

 “Victim Of The Blues”, haar zesentwintigste plaat in net geen vijf decennia tijd, markeert voor Tracy Nelson een terugkeer naar haar eigenlijke roots. In een productie van Mike Dysinger stort ze zich immers op een elftal songs, die in een niet meer zo nabij verleden ontsproten aan de scène van South Side Chicago. Op de muziek met andere woorden, waarvan ze als teenager zelf compleet ondersteboven geraakte. We hebben het dan over songgoed van onder anderen Howlin’ Wolf, Jimmy Reed, Willie Dixon, Lightnin’ Hopkins en Ma Rainey. En daarin illustreert Nelson nog maar eens, welk een fantastische zangeres ze wel is. Deze “witte madam” behoort wat ons betreft zondermeer tot het allerbeste wat het bluesgenre dezer dagen te bieden heeft. En in het excellente gezelschap van muzikanten Mike Henderson (gitaar), Byron House (bas), John Gardner (drums), Jimmy Pugh (piano en Hammond B3), Marcia Ball (piano) en George Bradfute (gitaar) laat ze ons op “Victim Of The Blues” dan ook elf nummers lang alle hoeken van het canvas zien. Met als “moments suprêmes” ons inziens het heerlijk rollende, met Marcia Ball achter de piano gebrachte “Shoot My Baby”, de heerlijk soulvolle, bij Joe Tex geleende sleper “The Love You Save”, het aanstekelijk schokschouderende, met Angela Strehli gedeelde en tot onze grote verbazing in amper één take ingeblikte “Howlin’ For My Baby” en het afsluitende, door John Cowan met een gesmaakt gastoptreden opgewaardeerde “Without Love”, een nadrukkelijk naar pure gospel neigende streep muziekgeworden passie. Maar versta ons vooral niet verkeerd, echt mindere nummers staan hier niet op! Typisch zo’n geval van “All killer, no filler!”

Tracy Nelson

Delta Groove Music

 

THE GOOD LOVELIES “Let The Rain Fall” (Six Shooter Records)

(3,5****)

The Good Lovelies zijn een vanuit het Canadese Toronto aan de weg timmerend rootstrio, dat ons met name door zijn bij momenten werkelijk fabelachtige samenzang wist te betoveren. Caroline Brooks, Kerri Ough en Sue Passmore zijn met “Let The Rain Fall” al aan hun vierde cd toe. Eerder verschenen van de dames immers ook al de EP “Oh My!”, hun titelloos volwaardig lp-debuut en de kerstplaat “Under The Mistletoe”. Maar “Let The Rain Fall” staat toch wel voor het voorlopige hoogtepunt in hun carrière. Daarop weten de drie nachtegaaltjes immers heel mooi de gouden middenweg tussen retrogetint, op hecht harmonieerwerk geënt spul genre The Boswell Sisters en in iets mindere mate ook wel The Andrews Sisters en actueler wat meer Americana-georiënteerd materiaal à la The Wailin’ Jennys en aanverwanten te vinden. En over die gouden middenweg gesproken: ook wat betreft de broodnodige variatie zitten we hier gebeiteld. De Lovelies zorgen immers voor ruimschoots voldoende afwisseling door regelmatig van tempo te wisselen. Van lekker upbeat tot knap ingetogen, met stops bij zo ongeveer elke halte tussen die twee extremen in. Met als hoogtepunten naar onze smaak “Backyard”, een gezellig swingend eerbetoon aan hun thuishaven Toronto, het met een sfeervol streepje koperwerk opgewaardeerde “Kingston”, de knappe rootsy trage “Every Little Thing”, het ook al ingetogen en deels in het Frans gebrachte “Mrs. T.” en het ons zomers voorbij stuiterend aan de Britse Puppini Sisters herinnerende “Crabbuckit”, geleend bij hun landgenoot-rapper k-os. We weten het wél, één zwaluw maakt de lente nog niet, maar met deze zangvogeltjes in de buurt lijkt er toch maar mooi weer wat meer schot in de zaak te komen…

Good Lovelies

Six Shooter Records

 

TODD THIBAUD “Live At The Rockpalast Crossroads Festival” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een zoveelste waarachtig live-juweeltje van het huis Blue Rose! Ditmaal betreft het daarbij een op 26 maart 2009 ter gelegenheid van het Rockpalast Crossroads Festival in de Harmonie in Bonn ingeblikt optreden van singer-songwriter Todd Thibaud. Het absolute hoogtepunt van diens toenmalige tournee doorheen Duitsland, aldus zo ongeveer alle betrokkenen. Uiteraard sterk focussend op zijn indertijd net verschenen vijfde studioplaat “Broken”, maar zich absoluut niet beperkend tot materiaal van die schijf alleen, toont Thibaud zich in het gezelschap van Thomas Juliano (elektrische gitaar), Sean Staples (mandoline) en ritmetandem Joe Klompus (bas) en Pete Caldes (drums) in buitengewoon goeden doen. En met name uitzonderlijk goed bij stem dan nog. Van “Broken” serveert hij liefst negen songs, waaronder “I Go On”, “Broken”, “Changing Now”, “Simple Man” en “Drifting”, van eerdere platen plukt hij klassiekers als “Is It Love?”, “Little Mystery”, “Dragging Me Down” en “Three Words”. Afgerond wordt er met de al wel langer op zijn live-repertoire prijkende Stones-cover “Dead Flowers”. Twintig liedjes in totaal, hier keurig verdeeld over twee cd’s en ook nog eens hernomen op één enkele DVD. Voor ’s mans fans en liefhebbers van quasi perfecte roots pop en Heartland rock met een aangenaam hoog West Coast-gehalte in het algemeen één groot feest dus. En zowel wat betreft het geluid als het beeld van ronduit uitstekende kwaliteit bovendien. Bij Blue Rose weten ze duidelijk, hoe hun klanten tevreden te houden! Waarvoor van hier uit onze oprechte dank!

Todd Thibaud

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

JASON ISBELL + THE 400 UNIT “Here We Rest” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als we de EP “Live At The Twist & Shout” mogen meerekenen, is “Here We Rest” ook alweer Jason Isbells vierde cd sinds hij in juli 2007 solo ging met “Sirens Of The Ditch”. Een bezige bij dus, de voormalige Drive-By Trucker, die op zijn platen voor eigen rekening steeds weer nadrukkelijk aansluiting zoekt bij de eigen roots. En die liggen in het vooral in soulkringen als legendarisch beschouwde Muscle Shoals, Alabama. Een streek, die het de jongste jaren op economisch vlak behoorlijk hard te verduren kreeg. En uitzichtloosheid regeert er momenteel dan ook. Een gevoel, dat Isbell na een soort van veredeld sabbatjaar in zijn thuishaven absoluut ook in zijn muziek wou laten doorklinken. Iets waar hij zonder te vervallen in al te deprimerende toestanden ook wonderwel in slaagt. In gereputeerde studio’s als The Nutthouse in Sheffield, Alabama en Fame in Muscle Shoals zelf blikte hij samen met zijn 400 Unit een elftal nieuwe nummers in, die vrijwel zonder uitzondering worden omgeven door de voor die omgeving in het verleden al zo vaak karakteristiek gebleken soulvolle gloed. Nu eens gaat hij daarbij eerder de singer-songwriterkant uit, zoals bijvoorbeeld in de knappe, akoestisch gehouden trage “Daisy Mae” en het ook al erg laid-back aandoende openingsnummer “Alabama Pines”, dan weer kiest hij voor een bedaard bluesy swingende aanpak (“Never Could Believe”), gaat ingehouden aan het rocken (“Go It Alone”) of presenteert zich ronduit soulvol (“Heart On A String”). Het resultaat van die gevarieerde aanpak is een album zonder echte uitschieters, dat je vooral in zijn geheel dient te genieten. De aangenaam rauwe zang van Isbell zelf, het uitstekende snaren- en toetsenwerk van respectievelijk Browan Lollar en Derry DeBorja en vooral ook de stuk voor stuk knappe songs hier vormen dan een garantie voor net geen veertig minuten luisterplezier van de bovenste plank. Iets wat we van Jason Isbell en de zijnen op de keper beschouwd zo stilaan wel gewoon geraakt zijn.

Jason Isbell + The 400 Unit

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

THE GIBSON BROTHERS “Help My Brother” (Compass)

(4,5*****)

Doorheen zowat de hele geschiedenis van het bluegrassgenre zijn musicerende broederparen altijd een rol van betekenis blijven spelen. De Louvins uiteraard, de Stanleys, de Delmores, de Osbornes zeker ook, noem ze maar allemaal op… Genetische verbondenheid vormde als het ware een natuurlijke garantie op kwaliteit, op iets speciaals. En het doet ontzettend veel plezier om vast te mogen stellen, dat zulks ook anno nu nog het geval kan zijn. Een uitstekend voorbeeld om die vaststelling mee te illustreren vormen de Gibson Brothers. Ook op hun ondertussen toch ook alweer tiende langspeler houden broers Eric (banjo) en Leigh Gibson (akoestische gitaar) moeiteloos de traditie van de hecht harmoniërende “siblings” in ere. Samen met hun vaste begeleiders Mike Barber (bas), Clayton Campbell (fiddle) en Joe Walsh (mandoline) en gerenommeerde gasten als Ricky Skaggs (zang), Claire Lynch (zang), Alison Brown (banjo) en Mike Witcher (dobro) dartelen ze doorheen een zevental eigen nieuwe nummers en covers van materiaal van ondermeer Jim en Jesse McReynolds (“I’ll Love Nobody But You”), Jim Newberry (het spirituele “Singing As We Rise”) en de hier op handen gedragen tandem Jamie O’Hara en Kieran Kane (“Just Lovin’ You”). Het resultaat is van een ronduit hartverwarmende schoonheid. Speciaal in zo ongeveer elk opzicht. Buiten vocale hoogstandjes à volonté, een onvoorstelbare instrumentbeheersing en ontzettend veel spelvreugde bleven zo bij ons ook tal van teksten hangen. De boodschap daarin liet ons immers regelmatig met een wel erg warm gevoel vanbinnen achter. Bluegrass op z’n allerbest dus! Onze luistertips: het intimistische, met Claire Lynch gedeelde “Talk To Me”, het hoegenaamd van de “joie de vivre” bulkende titelnummer en de uitzonderlijk knappe ballade “Dixie”.

The Gibson Brothers

Compass Records

 

DEVON SPROULE “I Love You, Go Easy” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(4****)

Haar naam mag dan al rijmen op rock & roll, met dat genre heeft de vanuit Virginia actieve Devon Sproule al bij al maar weinig gemeen. Haar natuurlijke biotoop is veeleer de schemerzone tussen folk en Americana. Al schuwt ze zeker ook een occasionele popnoot niet. En wellicht is het precies dat laatste, wat van de Amerikaanse in het verleden al een graag opgevoerde gaste maakte bij heel wat radio- en tv-persoonlijkheden en een al even uit de kluiten gewassen schare aan muziekcritici. Met als voornaamste troeven haar fluwelen, best wel wat aan die van collega Suzanne Vega herinnerende stem en een ronduit benijdenswaardige pen schildert ze op “I Love You, Go Easy”, de opvolger van het knappe drieluik “Keep Your Silver Shined”, “Don’t Hurry For Heaven” en “Live In London” een aantal nieuwe miniatuurtjes, die door haar nog voortdurend groeiende fangemeenschap wellicht weer met open armen zullen worden ontvangen. Voor die nieuwe schijf trok Sproule naar haar geboorteplaats Ontario. Daar ging ze op aanraden van lokale producer Sandro Perri in zee met The Silt, een trio uit Toronto, dat erom bekend staat popmuziek van een enigszins experimenteel randje te durven voorzien. Dat gebeurt ondermeer door het inzetten van een aardig gevarieerde batterij aan blazers en analoge synthesizers. En dus klinkt Sproule hier ook een flink stuk “poppier” dan dat voorheen het geval was. Niet enkel in de acht eigen nieuwe nummers overigens, maar ook in lezingen van cultheldin Mary Margaret O’Hara’s “Body’s In Trouble” – Van het geweldige “Miss America” uit ’88, remember anyone? – en “Runs In The Family” van The Roches. Het maakt van “I Love You, Go Easy” het soort van plaat, waar je vooral in de wat latere uurtjes maar wat graag naar terug zal blijven grijpen. Behoorlijk apart allemaal, maar vooral ook heel erg warm aandoend en als dusdanig ideaal als invitatie tot Sproule’s gedachtegoed. Zou wat ons betreft absoluut niet misstaan op de affiches van bijvoorbeeld het Cactus Festival in Brugge of het jaarlijkse folkfestijn in Dranouter, deze dame!

Devon Sproule

Tin Angel

Sonic Rendezvous

 

PATRICK SWEANY “That Old Southern Drag” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“That Old Southern Drag” is de opvolger van het door Dan Auerbach geproduceerde “Every Hour Is A Dollar Gone”, waarmee Patrick Sweany al in 2007 uitgebreid van zich deed spreken. Op die nieuwe van ‘m stoeit de vanuit Ohio naar Nashville verkaste singer-songwriter met rootsy hybriden, die in zijn “wahlheimat” wellicht op de nodige gefronste wenkbrauwen zullen stuiten. Het uitgangspunt vormen “nach wie vor” eigenzinnig ingevulde benaderingen van retro blues rock en R&B, waarin Sweany, daarbij de eigen indie-instelling voortdurend trouw blijvend, respectvol het hoofd buigt voor Southern soul-grootheden als Eddie Hinton, Arthur Alexander en Solomon Burke. Onder de productionele hoede van Joe V. McMahan en in het gezelschap van toetsenman Clint Parris, bassist Tim Marks en drummer Adam Abrashof bestrijkt hij daarbij nogal wat terrein. “Oh! Temptation” is zo bijvoorbeeld eersteklas ritmische “soul with an edge”, het bedaarde “Same Thing” lijkt wel weggeglipt uit de songcatalogus van de hier eerder al even genoemde Arthur Alexander, “Sleeping Bag” vertoont - daarbij redelijk nadrukkelijk twijfelend tussen Stonesy rock en R&B - een overduidelijke hang naar de late sixties en “Rising Tide” is een deluxe groovy rockbeest, dat ons vrijwel ogenblikkelijk even deed terugdenken aan de hoogdagen van het geweldige Bad Company. Bijzonder lekker allemaal! (Ook verkrijgbaar op vinyl!)

Patrick Sweany

Nine Mile Records

Sonic Rendezvous

 

AD VANDERVEEN “Days Of The Greats” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Niet één andere in het Americana-genre actieve singer-songwriter in Europa kan terugblikken op een even imposante “back catalogue” als de Nederlander Ad Vanderveen. Meer nog, maar bitter weinig Amerikaanse spitsbroeders van ‘m kunnen dat. Al jarenlang staat de in het verleden wat al té vaak als “de Nederlandse Neil” omschreven Vanderveen garant voor topkwaliteit. Maar zo goed als op “Days Of The Greats” vonden wij hem eigenlijk nog nooit klinken. Met alle respect voor tal van zijn vroegere platen, hier lijkt Vanderveen pas echt “thuis te komen”. “Days Of The Greats” heeft iets hoegenaamd tijdloos over zich. Het is het soort van plaat, waarvoor je als muzikant duidelijk de nodige levenswatertjes doorzwommen moet hebben. Zoals de lekkerste vruchten, die zoals geweten hun tijd om te rijpen nodig hebben, zo lijkt ook Vanderveen aan elk verstrijkend jaar weer wat meer aan smaak te ontlenen. Iets wat vooral met betrekking tot zijn teksten almaar duidelijkere sporen nalaat. Maar “this time around” heeft ook zijn muziek dat zekere “je ne sais quoi” meer. Heerlijk rijp, enigszins bezadigd klinkt die. Quasi terloops zo goed als het gehele Americana-spectrum aftastend, zonder daarbij onsamenhangend te gaan overkomen. Hier en daar eerder folkgetint, elders “Americana pur”, ’n weinig bluesy tot ingehouden rockend, Vanderveen laat hier weinig kansen onbenut. Een waar meesterwerk is het bijna vanzelfsprekende resultaat. Chapeau, Ad!

Ad Vanderveen

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

TWO COW GARAGE “Sweet Saint Me” (Suburban Home / Sonic Rendezvous)

(4****)

Vanaf halverwege april doen Micah Schnabel en zijn compagnons van Two Cow Garage uitgebreid onze kontreien aan. Met stops in Raalte (9 april, Pedro Pico Pop), Diksmuide (22 april, 4AD), Schijndel (23 april, Paaspop), Haarlem (28 april, Patronaat), Eindhoven (29 april, Effenaar) en Venlo (30 april, Koninginnedag Festival) worden we zelfs regelrecht verwend. En je mag ons rustig op ons woord geloven, als we in verband met die gigs stellen, dat je er absoluut één van gezien moet hebben. Enkel en alleen al afgaande op het op hun jongste cd “Sweet Saint Me” gebodene vonden wij meer dan genoeg redenen om een dergelijk standpunt mee te onderbouwen. Met die plaat maken Schnabel en de zijnen een soort van doorstart. Weer wat verder verwijderd van hun oorspronkelijke habitat alt. country bewijzen ze ruim dertien nummers lang stilaan tot het selecte groepje der meest opwindende rock acts van het moment te moeten worden gerekend. Eén lange opstoot van adrenaline is “Sweet Saint Me”, van harte aan te bevelen aan liefhebbers van groepen als The Gaslight Anthem, The Replacements en natuurlijk ook Slobberbone. Rootsy rock, gebracht met een met het punkidioom flirtende rauwheid en gedragen door de rauw-hese strot en het vurige gitaarwerk van Schnabel zelve, die zich quasi “en passant” ook nog maar eens als een uitstekende songsmid presenteert. Eéntje waarvoor zich steeds meer de vergelijking met Paul Westerberg in zijn beste Mats-dagen opdringt. Het jachtige, op buitengewoon energiek gitaarwerk geënte “Sally I’ve Been Shot”, het heerlijk melodieuze, deels aan een soort van glamrock-drumroffel van Cody Smith opgehangen titelnummer, het op verlangen “pur sang” en veel soul drijvende “Lydia” en de knappe trage “Closer To You” zouden wat ons betreft bijvoorbeeld al ruimschoots mogen volstaan om ook jou daarvan te overtuigen… (Ook verkrijgbaar als LP!)

Two Cow Garage

Sonic Rendezvous

 

BAND OF HEATHENS “Top Hat Crown & The Clapmaster’s Son” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Toen ze hun eerste beide platen, in respectievelijk Momo’s en Antone’s opgenomen live-gehelen, voorstelden, durfden we met betrekking tot de Band Of Heathens eigenlijk nog niet goed de term supergroep in de mond nemen. De groep mocht als roergangers dan al drie uitstekende singer-songwriters hebben, echt bekende namen waren dat toen nog niet. Maar daarin zou al snel verandering komen! Met hun studiodebuut, het naar zichzelf vernoemde “The Band Of Heathens” uit 2008, en het amper een jaar later op de wereld losgelaten “One Foot In The Ether” groeiden Ed Jurdi, Gordy Quist en Colin Brooks aangevuld met bassist Seth Whitney en drummer John Chipman “in no time” uit tot gevestigde waarden binnen het Americana-wereldje. Vergelijkingen met The Band dienden zich in die periode in groten getale aan. Iets waar met name het volstrekt tijdloze karakter van de muziek van het vijftal wellicht niet echt vreemd aan was. Een goede lijn, die ook op hun nieuwe worp “Top Hat Crown & The Clapmaster’s Son” weer wordt door getrokken trouwens. In een productie van de recent ondermeer nog om zijn werk met Ray Wylie Hubbard en de Court Yard Hounds geprezen George Reiff opteerde men ook nu weer voor een heerlijk gevarieerde aanpak. In het door Quist voorzichtig tegen aangenaam warm aandoend gitaargerinkel neergelegde “Polaroid” klinken zo bijvoorbeeld zowel de Jayhawks, de Beatles als de Byrds door, “Nothing To See Here” is een behoedzaam achtergelaten streepje quasi perfecte melodieuze roots pop, “The Other Broadway” doet iets heel moois met nadrukkelijk op een Southern-leest geschoeide soul, “I Ain’t Running” schudt tegen een funky ritme heftig met z’n hele hebben en houden, het ook al heel erg groovy “Gravity” krijgt mede door een aparte orgelinvulling voorwaar zelfs een licht psychedelisch tintje mee en het eerder al even als download aangeboden ”Free Again” tackelt op speels-kritische rootsrockwijze de milieuramp in de Golf van Mexico. Andere, wat ons betreft zeker ook te onthouden momenten: de enige cover hier, het indringende, van een Levon Helm-plaat geleende “Hurricane”, de werkelijk grandioze Americana van “Gris Gris Satchel” en de vocaal door Ed Jurdi gedragen zwierige bluesy rocker “Should Have Known”. Stuk voor stuk deunen, die de sowieso al niet geringe populariteit van de Band Of Heathens in de nabije toekomst alleen nog maar meer zullen aanzwengelen.

The Band Of Heathens

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

ISRAEL NASH GRIPKA “Barn Doors And Concrete Floors” (Continental Song City)

(5*****)

Een bijzonder straffe knaap, deze Israel Nash Gripka! Zijn twee jaar geleden zowat “complete out of the blue” verschenen debuut “New York Town” sloeg hier al in als een bom. Een 5-sterrenplaat was dat, waar we eigenlijk helemaal niet op voorbereid waren. En daar breit hij nu met “Barn Doors And Concrete Floors” probleemloos een minstens even knap vervolg aan. Dit is alternatieve country, die zonder blikken of blozen aanspraak maakt op een plaatsje langs het allerbeste van acts als Whiskeytown, Ryan Adams, Wilco, Uncle Tupelo of de Jayhawks. Gripka vermengt in de elf nummers van zijn tweede in eerste instantie het melancholische geneuzel van Neil Young met het ruw-hese van John Fogerty en kruidt vervolgens het resultaat af met “down to earth roots music” à la The Band of country rock van het genre, waarmee het merendeel van de hoger genoemde artiesten ook al op zoek naar meerdere eer en glorie gingen. Die werkwijze en zijn ook al verbluffend knappe teksten leiden tot volstrekt tijdloze muziek. Tot een plaat, die als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, ooit zelf als een referentie zal worden gebruikt om er het materiaal van anderen tegen af te wegen. Mogen we het label “toekomstige klassieker” er even voor in de mond nemen, ja? Dat lijkt ons immers zowat de enige accurate omschrijving voor dingen als het weemoedig rockende, met zalige gitaren en een dito mondharmonicaatje opgewaardeerde “Fool’s Gold”, het meer op ‘s mans countrykant focussende “Drown”, de werkelijk bloedmooie “Youngiaanse” ballade “Sunset, Regret”, het mede door het gloedvolle toetsenwerk van Jason Crosby erin van de sfeer druipende “Louisiana” en andere. Waarvoor dank ook aan Sonic Youth-drummer Steve Shelley, die tekende voor een werkelijk vlekkeloze productie. Bloedmooi!

Israel Nash Gripka

Continental Song City

 

NICK LOWE “Labour Of Lust” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Opvallend verschijnsel toch: hoe meer je platenbazen hoort klagen over hun teruglopende cd-verkoop, hoe groter de hoeveelheden aan heruitgaven, die ze op verzamelaars loslaten… Nu ja, ons hoor je daarover niet klagen. Wij hebben nog wel wat aftandse vinyl-exemplaren zitten, die we graag door een “zilverling” vervangen zouden zien. Het in ’79 verschenen “Labour Of Lust” van Nick Lowe was er tot voor kort ook zo één. Echt grijs hebben we die plaat hier gedraaid! Lowe’s ondermeer met Rockpile, Elvis Costello (background vocals in “American Squirm”) en Huey Lewis (harmonica in “Born Fighter”) ingespeelde “pure pop for now people” is door de jaren heen altijd tot ons lievelingsluistervoer blijven behoren. Van zijn wellicht grootste hit tot op heden, het enigszins Spectoriaans opgevatte “Cruel To Be Kind” tot het onderkoeld stompende “Cracking Up”, van het hortend en stotend gebrachte, muzikaal wel wat aan Costello in diezelfde periode herinnerende “Big Kick, Plain Scrap” tot het met een wolk van een melodie gezegende “American Squirm”, van het strijdvaardige “Born Fighter” tot die andere perfecte popdeun “Switchboard Susan”, het met een countrymotiefje stoeiende “Without Love” en andere, dit is en blijft altijd weer opnieuw genieten geblazen. Nu in een fraai, het oorspronkelijke artwork respecterend digipack gestoken opnieuw verkrijgbaar, aangevuld met “Basing Street”, een verloren gewaand B-kantje, en voorzien van de nodige verhelderende uitleg door Lowe zelve, Will Birch en Gregg Geller. Als het van ons afhangt zeker niet de laatste Lowe-reissue! Met name zijn twee platen met z’n Cowboy Outfit staan nog hoog op ons verlanglijstje. Maar mag er dan misschien wel wat meer bonusmateriaal bij?

Nick Lowe

Proper Records

 

JOAN BAEZ “Play Me Backwards – Collectors Edition” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Bijzonder geslaagde heruitgave van het al in 1992 verschenen “Play Me Backwards” van Joan Baez. De sessies voor dat album brachten haar indertijd voor het eerst sinds lang weer naar Nashville. Daar blikte ze naast een handvol eigen songs op buitengewoon overtuigende wijze ook materiaal van ondermeer Mary Chapin Carpenter (“Stones In The Road”), John Stewart (“Strange Rivers”), John Hiatt (“Through Your Hands”), het duo Janis Ian en Buddy Mondlock (“Amsterdam”) en Ron Davies (“Steal Across The Border”) in. Wat deze reissue voor verzamelaars echter pas echt tot een snoepje maakt, is het eraan toegevoegde schijfje. Daarop horen we tien voorheen niet verkrijgbare demo’s van door Baez indertijd aanvankelijk ook voor gebruik geselecteerde liedjes. Heerlijk spiernaakte versies van materiaal van wijlen Mark Heard (“Rise From The Ruins” en “Lonely Moon”), John Hadley (“The Last Day”), Gary Nicholson (“Trouble With The Truth”), Janis Ian (“We Endure”), Ron Davies (het oorspronkelijk door Kevin Welch als “Dark Eyed Gal” gebrachte “Dark Eyed Man”), het triumviraat Pat Bunch, Wally Wilson en Kenny Greenberg (“Much Better View Of The Moon”), maatje Bob Dylan (“Seven Curses”) en een nobele onbekende (“Medicine Wheel”). En ook het door haarzelf met Ashley Cleveland gepende “In My Day” komt zo aan de beurt. Gewoon een volledige plaat dus eigenlijk en dat dan nog met een Baez zoals we haar op de keper beschouwd eigenlijk het liefst van al horen. Met veelal enkel een akoestische gitaar of een piano ter ondersteuning wint haar geweldige stem immers alleen nog maar meer aan zeggingskracht.

Joan Baez

Proper Records

 

MAGGIE BJÖRKLUND “Coming Home” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

Met Maggie Björklund heeft het gereputeerde Bloodshot Records uit Chicago er weer een interessante “nieuwkomer” bij. Dat woord plaatsen we bewust tussen aanhalingstekens, omdat de Deense er eigenlijk al aardig wat jaren als muzikante heeft op zitten. Als gitariste voor de all-girl country band The Darleens en het experimentele popgezelschap Miss B Haven met name. Nadat die laatste groep werd ontbonden begon voor Björklund echter als het ware een nieuw leven. Ze werd smoorverliefd op het o zo aparte geluid van de pedal steel en trok richting Nashville om er bij de legendarische Jeff Newman lessen op dat instrument te gaan volgen. Vervolgens belandde ze in Seattle. En daar bekwaamde zich tijdens vele uren als sessiemuzikante voortdurend verder op haar nieuwe instrument en ging ze ook aan de slag bij Mark Pickerel & His Praying Hands. En nu is er dus haar solodebuut. Op “Coming Home” weet ze zich in het gezelschap van nogal wat schoon volk. Zo kon ze ondermeer rekenen op Joey Burns en John Convertino van Calexico als ritmetandem, Jacob Valenzuela van diezelfde groep als blazer en de ons vooral van zijn werk bij Screaming Trees bekende drummer Barrett Martin. Enkele hun stemmen aan wat liedjes lenende collega’s zijn op de keper beschouwd echter de opvallendste gasten. De hier dezer dagen door zijn werk met Isobel Campbell regelrecht op handen gedragen Mark Lanegan horen we zo bijvoorbeeld in het wat aparte “woestijnwalsje” “Intertwined” en het titelnummer, Jon Auer van The Posies stuwt het licht psychedelisch aandoende “Vildspor” naar ongekende hoogten en zet ook het in een soort van loungy sfeertje badende “Playground Stars” naar zijn hand, terwijl Rachel Flotard van Visqueen het volop naar de sixties lonkende “Summer Romance” en “The Anchor Song” op z’n Neko Case ook al tot ver boven de middelmaat doet uitstijgen. Mooi zondermeer allemaal en dat geldt ook voor de zang van Björklund zelve en al zeker voor haar spel op haar “nieuwe liefde”. “Psychedelic desert pop music” is de omschrijving, die men er bij haar platenlabel voor in de mond neemt en die is eigenlijk best wel treffend. Vooral met betrekking tot de vele instrumentale passages dan. Daarin lijkt Björklund immers daadwerkelijk het midden te willen houden tussen sixties pop psychedelica, desert roots à la Calexico en filmische klanktapijten genre Ennio Morricone. Als knapste voorbeeld daarvan onthielden wij het intrigerende “Insekt”, dat klinkt als het muziekje onder de slotscène van een Western, waarin een revolverheld na nog één laatste gevecht zachtjes heen en weer wiegend op de rug van zijn paard langzaam in de verte verdwijnt.

Maggie Björklund

Bloodshot Records

Bertus

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home