CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

DAR WILLIAMS “In The Time Of Gods” - KEVN KINNEY “A Good Country Mile” - BRIGITTE DEMEYER “Rose Of Jericho” - THE BAND OF HEATHENS “The Double Down – Live In Denver – Vol. 1 & Vol. 2” - THE GREATER GOOD “The Greater Good” - WACO BROTHERS & PAUL BURCH “Great Chicago Fire” - BONNIE RAITT “Slipstream” - BAP KENNEDY “The Sailor’s Revenge” - AMERICAN AQUARIUM “Dances For The Lonely” - ERIC BIBB “Deeper In The Well” - CHUCK MEAD & HIS GRASSY KNOLL BOYS “Back At The Quonset Hut” - TAIL DRAGGER & BOB CORRITORE “Longtime Friends In The Blues” - GIRLYMAN “Supernova” - MICHAEL AND THE LONESOME PLAYBOYS “Last Of The Honky Tonks” - HALDEN WOFFORD & THE HI*BEAMS “Live! At Hodi’s” - BOB MARTIN “Last Chance Rider” - CLARENCE BUCARO “Walls Of The World” - DE HELD “De Held” - SHELBY EARL “Burn The Boats” - PONTUS SNIBB 3 “Loud Feathers” - JOEL HENDERSON “Locked Doors & Pretty Horses” - HERITAGE BLUES ORCHESTRA “And Still I Rise” - COWBOY JUNKIES “The Wilderness – The Nomad Series, Volume 4” - SHAWN NELSON “San Juan Street” - ALEXA WOODWARD “It’s A Good Life, Honey, If You Don’t Grow Weary” - LIGHTNIN’ GUY “Plays Hound Dog Taylor – Live!” - MUD MORGANFIELD “Son Of The Seventh Son” - FRED EAGLESMITH “6 Volts” - JUSTIN TOWNES EARLE “Nothing’s Gonna Change The Way You Feel About Me Now” 

 

 

DAR WILLIAMS “In The Time Of Gods” (Floating World / Bertus)

(4****)

Goed en wel vier jaar geleden verscheen met “Promised Land” de voorlopig laatste studioplaat van de Amerikaanse Dar Williams, maar als haar daadwerkelijk laatste release onthield wellicht ook u graag de hier erg gesmaakte retrospectieve “Many Great Companions” van zo’n anderhalf jaar terug. Dat laatste album was eigenlijk zo’n beetje dé ideale introductie tot de fantastische songsmid die Williams ondertussen toch al ruim twintig jaar lang is. En het leverde haar dan ook een hele schare aan nieuwe fans op. Devote volgelingen, die wellicht net als ons met hangende pootjes hebben zitten uitkijken naar haar volgende muzikale teken van leven. En dat is er dus nu. Met “In The Time Of Gods” is Williams aan haar ondertussen toch ook al negende studioplaat toe. En dat door de ondermeer van zijn werk met groten der aarde als Elvis Costello, Peter Gabriel en U2 bekende Kevin Killen geproduceerde geheel is misschien wel haar allerbeste ooit. Geschreven vanuit een wel heel speciaal concept, dat alleszins. Daartoe geïnspireerd door fraaie Canadese winteravondtableaus ging Williams immers aan de slag met aan de Griekse mythologie ontleende figuren, die ze vervolgens aan sociale items anno nu ging koppelen. Het leverde haar een tiental echte plaatjes van songs op, die zondermeer tot de verbeelding spreken. Quasi live ingespeeld met ervaren muzikanten als gitarist Gerry Leonard, bassist Zev Katz, drummer Charley Drayton, toetsenist Rob Hyman en anderen en met op haar gastenlijst  onder anderen ook nog collega Shawn Colvin en Larry Campbell klinkt het hier door Williams gebrachte materiaal warmer dan ooit. Haar ook nu weer veelal onder de noemer folkrock vallend werk heeft er naar ons gevoel zelfs een zekere commerciële potentie aan overgehouden. Dingen als het gedreven “I Am The One Who Will Remember Everything”, het catchy “This Earth” en de werkelijk bloedmooie atmosferische tweeling “Crystal Creek” en “Storm King” schreeuwen alleszins om veelvuldig (radio)gebruik. Doe er vooral uw voordeel mee, zouden we zo zeggen…

Dar Williams, Floating World

 

KEVN KINNEY “A Good Country Mile” (Kevn Kinney / Sonic Rendevous)

(3,5****)

Ergens halverwege ons leven – En dus ook het zijne! – verkocht Kevn Kinney ons voor het eerst een paar serieuze oplawaaien als kopstuk van de groep Drivin’ N’ Cryin’. Met die band beschreef hij in de jaren tachtig van de vorige eeuw de succesvolste pagina’s van zijn eigen muzikantenverhaal. En met name hun in ’88 verschenen “Whisper Tames The Lion” hebben ook wij al die tijd graag onthouden. Die plaat werd toen geproduceerd door Anton Fier van de Golden Palominos. En die tekent nu, zo’n kwarteeuw later, ook weer voor de productie van de nieuwe soloschijf van Kinney. En daarop wordt zo’n beetje het beste van twee werelden gecombineerd: de recht-toe-recht-aan-rock van Drivin’ N’ Cryin’ komt geregeld aan bod, maar ook het meer singer-songwriter-georiënteerde spul, waarmee Kinney zelf de laatste jaren flink wat zieltjes aan zich wist te binden, is rijkelijk vertegenwoordigd. Met Fiers Golden Palominos en andere gasten als Little Willies-gitarist Jim Campilongo, Gov’t Mule-bassist Andy Hess, fiddle-fenomeen Eleanor Whitmore en Steve Earle-beschermeling Chris Masterson tekent Kinney voor tien lappen classic American(a) rock. Soms freaky, soms zompig, soms bluesy, maar altijd even lekker! Daarbij gaat het voornamelijk om eigen materiaal, geschreven in zijn eentje of met Anton Fiers. Enkel “Never Gonna Change” (van Drive-By Truckers) en “Southwestern State” (van Seven Mary Three) vormen wat dat betreft gesmaakte uitzonderingen. Samen met het soulvolle “Wild Dog Moon Pt. 2” en het Young-iaans epische titelnummer “A Good Country Mile” – Eén van de allermooiste nummers van 2012 so far! – behoren die twee liedjes naar onze bescheiden mening zelfs tot het beste wat Kinney hier te bieden heeft. En dat is goed, héél goed…

Kevn Kinney, Sonic Rendezvous

 

BRIGITTE DEMEYER “Rose Of Jericho” (BDM Music / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Ze flikt het hem dus wel degelijk weer, he, de Amerikaanse met de oer-Vlaamse naam Brigitte DeMeyer! Ook “Rose Of Jericho”, haar ondertussen vijfde, is weer een echte dijk van een plaat geworden! Stilistisch gezien voornamelijk te situeren in ook wel door dames als Bonnie Raitt en Susan Tedeschi gefrequenteerde wateren. Dames, met wie DeMeyer, zoals ondertussen wel geweten, ook een geweldige soulvolle strot deelt. En daarmee maakt ze hier weer twaalf nummers lang slachtoffers. Twaalf eigen nummers, that is. Al kreeg ze bij het uitwerken daarvan her en der wel wat hulp van haar bassist Chris Donohue en drummer Brady Blade. En die laatste produceerde net als voorgangers “Something After All” en “Red River Flower” ook “Rose Of Jericho” weer. Daarop ditmaal geen gastrol meer voor Buddy Miller, maar wél voor tal van anderen als een Will Kimbrough, een Mike Henderson, een Mike Farris, een Al Perkins, een John Deaderick, een Sam Bush, een Doug Lancio en de McCrary Sisters. Aan schoon volk dus weer absoluut geen gebrek hier! Getuigen genoeg bij het voltrekken van een andermaal erg geslaagd huwelijk tussen (sub)genres als country (rock), gospel, folk, Americana, (Southern) soul, swamp (pop) en bluegrass. Tussen up- en midtempo en traag ook, want DeMeyer kan met haar waanzinnig performante stem schijnbaar alles aan. Onze favorieten: het licht funky titelnummer, het lome backporch-swingertje “Sip Molasses”, het bluesy, met de fabuleuze McCrary Sisters gebrachte “Amen Said The Deacon”, de soulvolle trage “West Side Mama, South Side Me” en de verrekte catchy Americana-riedel “This Fix I’m In”.

Brigitte DeMeyer, Sonic Rendezvous

 

THE BAND OF HEATHENS “The Double Down – Live In Denver – Vol. 1 & Vol. 2” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hun titelloze studiodebuut uit 2008, “One Foot In The Ether” van een klein jaar later en het vorig jaar verschenen “Top Hat Crown & The Clapmaster’s Son” zijn weliswaar stuk voor stuk uitstekende platen, maar hun reputatie van meest opwindende act van Austin, Texas verdienden Ed Jurdi, Gordy Quist, Colin Brooks en co zich toch vooral op podia in de States en elders ter wereld. Live zijn ze immers gewoon nóg beter. Een echte sensatie eigenlijk. Het beste van Americana en (Southern) roots rock combineren de heren tijdens hun shows tot één gebalde lading die zelfs de grootste twijfelaar terstond onderuit zou moeten halen. Maar goed, dat wisten we eigenlijk al wel langer dan vandaag. Daartoe hadden we het live-tweeluik “The Double Down – Live In Denver” eigenlijk al absoluut niet meer nodig. Met “Live From Momo’s” (2006), “Live At Antones” (2008) en “Live At The Blue Rose Christmas Party 2008” prijken er immers al een poosje enkele live-registraties van de groep in onze kast. Waar die dubbele worp dan wél goed voor is? Wel in eerste instantie bijvoorbeeld al om voor eens en voor altijd duidelijk te maken, dat je The Band Of Heathens eigenlijk nooit genoeg gezien en gehoord kan hebben. De heren houden er immers de goede gewoonte op na om hun materiaal regelmatig flink te hertimmeren. Onstage gewoon even hun platen zo goed mogelijk komen naspelen zit er bij deze Texanen duidelijk niet in. Zelfs twee dagen na elkaar een zelfde setlist afhaspelen lijkt compleet uit den boze. En op de beide hier besproken cd’s, opgenomen op 7 en 8 oktober van vorig jaar in Denver, Colorado, zal je dan ook niet één overlapping aantreffen. Op de bijgevoegde dvd’s vind je er wel een paar, maar je zal er wel flink moeten naar zoeken. Die van The Band Of Heathens staan dus zowel voor kwaliteit als voor kwantiteit. En de term diversiteit mag je wat ons betreft eigenlijk gerust ook nog aan dat lijstje toevoegen. Het zijn echte kanjers van zangers en muzikanten, ze verzorgen steeds weer ontzettend lange shows en hebben daarbij voortdurend oog voor de nodige afwissling. Wat kan een mens zich nog meer wensen? Buiten songs als “Judas ‘Scariot Blues”, “Polaroid”, “Gris Gris Satchel”, “LA County Blues”, “Should Have Known” en andere klasbakken bedoelen we dan natuurlijk, he…

The Band Of Heathens, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

THE GREATER GOOD “The Greater Good” (Stockfisch-Records / In-Akustik)

(4****)

Een aanradertje voor al wie net als ons de US Rails een warm hart toedraagt. Net als die groep, met in haar rangen ondermeer singer-songwriters Joseph Parsons, Ben Arnold en Tom Gillam, mag ook dit driemanschap graag flink richting de muzikale seventies lonken. En net als die groep bestaat ook The Greater Good uit een reeks gevestigde songwriter-waarden. Bij nader inzicht blijken achter die bandnaam immers niemand minder dan Eugene Ruffolo, Dennis Kolen en Shane Alexander schuil te gaan. En met z’n drieën leveren die meteen een streepje verplichte rootsy luisterkost af. Heerlijke, zoals eerder al gesteld nogal nadrukkelijk aan de jaren zeventig herinnerende liedjes à volonté hier. Tien stuks om precies te zijn. Veelal eerder rustig van karakter en drijvend op de bij momenten werkelijk fabelhafte samenzang van de drie en al even delicaat gitaarwerk. Ruffolo, Kolen en Alexander droegen daarbij elk drie liedjes aan. Het tiende nummer is de hen als het ware op het lijf geschreven afsluitende Neil Young-cover “Tell Me Why”. Wat ons betreft typisch een geval van een geheel dat groter blijkt dan de som van z’n delen!

The Greater Good bij Stockfisch-Records

 

WACO BROTHERS & PAUL BURCH “Great Chicago Fire” (Bloodshot / Bertus)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik het zo op het eerste gezicht maar een rare combinatie vond: het bepaald niet om zijn zachtzinnigheid bekend staande rockende collectief rond Jon Langford The Waco Brothers en alternatieve countrysongsmid Paul Burch, ik zag de raakpunten niet meteen. Maar het werkt op de keper beschouwd dus echt wél, he! “Chicago meets Nashville” leidt hier wel degelijk tot het nodige muzikale vuurwerk! Gelijk van bij het openingsnummer, het werkelijk retestrak rockende titelnummer is duidelijk, dat we hier met een geslaagd muzikaal huwelijk te maken zullen krijgen. Keurig gedeelde zangpartijen, behoorlijk nadrukkelijk aanwezige gitaren, hitsige vrouwelijke backing vocals, gewoon een erg sterk nummer tout court! En zo staan er hier wel meer op! Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld ook maar eens naar het best wel wat richting Doug Sahms werk overhellende rootsrockertje “Give In”, het duidelijk aan de Stones in betere tijden schatplichtige “Wrong Side Of Love”, de sfeervolle sleper “Flight To Spain” of de machtige Dylan-cover “Hard Rain’s Gonna Fall” en je zal ons wat dat betreft wellicht absoluut niet meer willen tegenspreken! Misschien vind je dit daarna zelfs ook wel één van de allereerste rootsrock-toppertjes van 2012…

Waco Brothers, Paul Burch, Bloodshot Records

 

BONNIE RAITT “Slipstream” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Bijna zeven jaar heeft ze na “Souls Alike” ons geduld op de proef gesteld en dus kon “Slipstream”, de nieuwe van Bonnie Raitt, maar beter heel goed zijn ook, anders hadden we haar een dergelijk lang carrière-intermezzo uiteraard niet zomaar vergeven. En daar lijkt de bluesdiva zich ook zelf wel bewust van te zijn geweest. Haar negentiende bulkt immers weer van de uitstekende songs. Een achttal daarvan produceerde ze zelf, voor de overige vier mocht de op dat vlak ondertussen een stevige reputatie genietende Joe Henry komen opdraven. Met hem in de buurt ging Raitt voorwaar zelfs even een weinig aan het experimenteren. Zonder daarbij al te ver buiten de van haar bekende lijntjes te kleuren overigens wel. Zo krijgt Bob Dylans “Million Miles” een sensueel funky kleedje aangemeten, drijft het door Henry met Loudon Wainwright III gepende “You Can’t Fail Me Now” voorbij op een wolk van subtiele eigentijdse soul, gaat het ook al van Dylans “Time Out Of Mind” geplukte “Standing In The Doorway” met name door Greg Leisz’ pedal steel een weinig aan het zweven en sleurt daarbij “God Only Knows” – De Joe Henry-compositie, niet de Beach Boys-klassieker! – met zich mee. Voor het overige hier de gebruikelijke Raitt-melange. Met andere woorden nogal wat swingend funky en bluesy spul, afgewisseld met de nodige bedaarde rockertjes en een handvol heerlijke ballads. Daarbij wordt naast uit de songcatalogi van het al genoemde duo Dylan en Henry ondermeer ook nog geput uit deze van Randall Bramblett (“Used To Rule The World”), Gerry Rafferty (“Right Down The Line”), Al Anderson, Bonnie Bishop, Bonnie Bramlett, Gary Nicholson en Paul Brady. En het uiteindelijke resultaat van al die huisvlijt van de op bijzonder waardige wijze op haar drieënzestigste verjaardag afstevenende Raitt zouden wij hier graag willen bestempelen als een typisch groeiplaatje. “Slipstream” lijkt immers met elke nieuwe luisterbeurt weer wat beter te worden. En zo hebben wij het natuurlijk graag…

Bonnie Raitt, Proper Records

 

BAP KENNEDY “The Sailor’s Revenge” (Proper / Rough Trade)

(4****)

De grote Steve Earle himself noemde Bap Kennedy ooit respectvol “the best singer-songwriter I ever saw”. En dat het hem wel degelijk menens was met die uitspraak onderstreepte hij door de Ier kort na de zwanenzang van diens band Energy Orchard naar Nashville te tronen en er samen met hem het uitstekende “Domestic Blues” in te blikken. Het begin van een ondertussen tot zes eenheden aangezwollen topcatalogus met als voorlopige hoogtepunt het zopas voor de zwijnen gegooide “The Sailor’s Revenge”. Dat door een andere bekende bewonderaar geproduceerde geheel zou Kennedy eindelijk richting een wat ruimere bekendheid moeten kunnen catapulteren. Beter dan hier klonk hij naar onze bescheiden mening alleszins nog nooit. Een pluim op de hoed van Mark Knopfler dan ook voor zijn secuur dirigeerwerk in de opnamestudio. Heel knap, hoe hij erin geslaagd is om topmuzikanten als James Walbourne (akoestische en elektrische gitaren), Jerry Douglas (lap steel en dobro), Guy Fletcher (Hammond-orgel, ukelele en piano), Michael McGoldrick (fluiten en tal van andere blaasinstrumenten), John McCusker (ondermeer fiddle), Glenn Worf (diverse bassen), Richard Bennett (elektrische gitaar) en Ian Thomas (drums) steeds gedwee ten dienste van het liedje te laten spelen, ten dienste van de zalige weemoedige stem van Kennedy. En die bedankt op zijn beurt voor zoveel inzet met elf van de allermooiste liedjes op zijn repertoire tot op heden. Soms voorzichtig overhellend richting maritieme folk, elders eerder te bestempelen als Americana en roots pop, zonder uitzondering bloedmooi! Met als absolute topmomenten naar onze smaak het door de jaren wijs geworden en allicht juist mede daardoor meteen de juiste snaar rakende “Shimnavale”, het ook al in melancholie badende “Lonely No More”, titelnummer “The Sailor’s Revenge” en het net wat vlottere en ondermeer door Jerry Douglas van heel fraai snarenwerk voorziene “Please Return To Jesus”. Een aanrader!

Bap Kennedy, Proper Records

 

AMERICAN AQUARIUM “Dances For The Lonely” (Floating World Records / Bertus)

(4****)

Met hun “Small Town Hymns” maakten die van American Aquarium nu goed anderhalf jaar geleden ook in Europese rootsmuziekkringen vrienden met bosjes. En het hoeft ons inziens dan ook niet echt te verwonderen, dat ook hun “Dances For The Lonely” hier nu vooralsnog een kans krijgt. Die door Chris Stamey geproduceerde vierde van de groep uit North Carolina verscheen in hun thuisland al in 2009, maar wordt pas nu ook officieel in Europa uitgebracht. Als appetizer voor hun er in mei aan komende Europese tournee zeg maar. Al blijft het eigenlijk wel vreemd, dat men daartoe niet voor het in de States net op de markt gegooide “Live In Raleigh” heeft gekozen. Maar goed, dat neemt niet weg, dat dit nog altijd een heerlijke plaat is. Meer rock dan “Small Town Hymns” dat wel, maar net als die plaat ook echt beestig goed. Met tal van momenten die bruisen van de aanstekelijke energie. Openingsnummer “Katherine Belle” is er gelijk zo eentje. Deed ons ogenblikkelijk denken aan de Springsteen van ten tijde van “Born To Run”. En die Springsteen, zijn maatje Little Steven en Tom Petty vormen hier eigenlijk best wel regelmatig goed vergelijkingsmateriaal. De herkenbare neuzelstem van groepskopstuk BJ Barham werkt dergelijke referenties zeker in de hand, maar er is nog zoveel meer dan dat. Heel wat muzikale “details” wijzen eveneens nadrukkelijk in die richting. De blazers in het al genoemde “Katherine Belle” bijvoorbeeld, de aan “Mary Mary” toegevoegde piano-accenten zeker ook, de warmbloedige gitaren her en der… Enfin, zo’n beetje alles eigenlijk. Behalve het inhoudelijke dan misschien. Daarin rekent Barham immers vooral af met een “madam”. Met name het klaaglijk bijtende “I Hope He Breaks Your Heart” laat wat dat betreft nog maar weinig aan de verbeelding over. Daarin hoopt onze man immers luidop, dat “de nieuwe in haar leven” evenveel emotionele ravage zal aanrichten als zij dat bij hem deed. “I hope he breaks your heart, I hope you cry all night, I hope you feel the way I do now,” luidt het strijdvaardig. Wat een contrast eigenlijk met de in het afsluitende “Tennessee” overheersende gevoelens. In die buitengewoon mooie trage regeren immers nog twijfel, pijn en eenzaamheid. “Dances For The Lonely” als deel van een nog aan gang zijnd verwerkingsproces dus…

American Aquarium, Floating World Records

 

ERIC BIBB “Deeper In The Well” (DixieFrog Records / Bertus)

(4,5*****)

Eric Bibb is hier al vele jaren een graag geziene gast. Vrijwel steeds staat hij immers garant voor akoestisch blueswerk van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Blueswerk, dat doorgaans bovendien ook een pak toegankelijker blijkt dan dat van veel van zijn collega’s. En dat is ook voor veel van de liedjes op het zopas verschenen “Deeper In The Well” weer het geval. Voor de opnames daarvan trok Bibb naar de Cypress House Studio van snarenwonder Dirk Powell in Louisiana. En niet toevallig ook, zo blijkt al snel, want zo goed als alles op “Deeper In The Well” ruikt op z’n minst sterk naar het muzikale erfgoed van die Amerikaanse staat. Zelfs al gaat het bij net iets meer dan de helft van de gebrachte liedjes dan ook om Bibb-originelen. Verder krijgen we hier ook nog covers van de traditionals “Dig A Little Deeper In The Well”, “Sinner Man” en “Boll Weevil” en van songs van Taj Mahal (“Every Wind In The River”), Harrison Kennedy (“Could Be You, Could Be Me”) en Bob Dylan (“The Times They Are A Changin’”). Dat laatste krijgt van Bibb een bedachtzame akoestische bluestwist mee en mogen we allicht zien als zijn manier om zijn gevoelens met betrekking tot de huidige financiële malaise in grote delen van “de beschaafde wereld” te ventileren. Heel knap gedaan! Zoals zo ongeveer alles hier trouwens. En dat hoeft allerminst te verbazen ook, als je weet wie er allemaal aan het album meewerkte. Naast op de naam van Bibbs harmonica-maatje Grant Dermody stoten we verder ondermeer ook nog op die van Dirk Powell (banjo, fiddle, mandoline, accordeon, akoestische bas en zang), Cedric Watson (fiddle en zang), Danny DeVillier (drums en tamboerijn), Christine Balfa (cajun-triangel), Jerry Douglas (dobro) en Michael Pepin (tal van gitaren). Maar de voornaamste blikvangers blijven wel te allen tijde de warme stem van Bibb zelve en ’s mans ronduit geweldige snarenbenadering. De anderen zijn er als het ware alleen maar bij om de hier gepresenteerde mix van oud en nieuw, van blues, gospel en folk ook effectief zo goed mogelijk te kunnen perfectioneren. En dat lukt dan ook wonderwel!

Eric Bibb, Dixiefrog Records

 

CHUCK MEAD & HIS GRASSY KNOLL BOYS “Back At The Quonset Hut” (Ramseur Records)

(5*****)

Wat een fantastische plaat, deze nieuwe van voormalig BR5-49-kopstuk Chuck Mead! Op zijn tweede solo-cd treedt hij met zijn begeleiders van de Grassy Knoll Boys resoluut in de voetsporen van Nashville Sound-pioniers Owen en Harold Bradley. In “The Quonset Hut”, hun sinds kort weer geopende studio op Music Row, spelen Mead en de zijnen in het gezelschap van een hele schare aan bekende gasten even voor country-jukebox. Gewoon met z’n allen op hetzelfde moment samen in één en dezelfde opnameruimte, nog echt “the old way” dus, ploegen ze doorheen country- en rock & roll-klassiekers als “Wabash Cannonball”, “Honky Tonk Hardwood Floor”, “Hey Joe”, “Settin’ The Woods On Fire”, “Apartment #9”, “You Better Treat Your Man Right”, “Girl On The Billboard”, “Cat Clothes”, “Be Bop A Lula” en andere. Mooi is, dat ze daarbij ook kunnen terugvallen op de nodige hand- en spandiensten van legendarische studiomuzikanten als daar zijn Harold Bradley (gitaar), Buddy Spicher (fiddle), Bob Moore (bas) en Hargus “Pig” Robbins (piano). Zo’n beetje hun eigen persoonlijke “A-Team” dus. En dat resulteert bijna als vanzelfsprekend in het ene hoogtepunt na het andere. Wij noemen hier ondermeer een met die van de Old Crow Medicine Show ingespeelde, wervelende uitvoering van “Wabash Cannonball”, het met Jamey Johnson gedeelde “You Better Treat Your Man Right” en het in duet met Elizabeth Cook gebrachte “Pickin’ Wild Mountain Berries”. Of ook nog: het met een gastrol van countrylegende Bobby Bare opgewaardeerde “Hey Joe”, een wel erg doorleefde lezing van Charlie Rich z’n “Sittin’ And Thinkin’” en het heerlijk swingende “Tennessee Border”.

Chuck Mead & His Grassy Knoll Boys, Ramseur Records

 

TAIL DRAGGER & BOB CORRITORE “Longtime Friends In The Blues” (Delta Groove Music)

(4****)

“Lowdown blues is all I like… All I feel… And I sing what I feel.” Aan het woord: James Yancy Jones, je wellicht beter bekend als Tail Dragger. Die roepnaam werd Jones ooit nog opgespeld door blueslegende Howlin’ Wolf zelve. De man had nu eenmaal de kwalijke reputatie om graag te laat te komen opdagen voor optredens. Iets wat ook “The Wolfman” niet ontging dus. En over Howlin’ Wolf gesproken. Het was op 11 januari 1976, precies één dag na diens dood, dat onze twee protagonisten van vandaag, Tail Dragger en harmonicavirtuoos Bob Corritore, elkaar voor het eerst ontmoetten. Tijdens een eerbetoon aan Howlin’ Wolf in de 1815 Club in Chicago meer bepaald. Die gig markeerde het begin van een mooie vriendschap, die vroeg of laat ook wel eens moest uitmonden in een samenwerking van de twee. En die is er dus nu: het met een wel erg toepasselijke titel gezegende “Longtime Friends In The Blues” meer bepaald. En daarop gaan alle bluessluizen onvoorwaardelijk open! Het lijkt verdorie wel, alsof we onverwacht in een juke joint in Chicago aan het eind van de fifties belanden. Heerlijk ruw, heerlijk intens gaat het er hier aan toe. Met naast twee supermannen die elkaar op geweldige wijze complementeren (Wat een stem en wat een subliem blaaswerk ook!) ook nog eens de verzamelde talenten van pianist Henry Gray, jarenlang één van de vaste mannen achter Howlin’ Wolf, gitaristen Kirk Fletcher en Chris James en een uit bassist Patrick Rynn en drummer Brian Fahey bestaande ritmesectie op het appel. Het maakt van de tien zich tussen het begin van “I’m Worried” en het slot van “Please Mr. Jailer” afspelende momenten één groot bluesfeest. Eentje dat Howlin’ Wolfs boude voorspelling van weleer eindelijk volop rechtvaardigt. “One day this boy will take my place,” meende die immers ooit over Tail Dragger.

Tail Dragger, Bob Corritore, Delta Groove Music

 

GIRLYMAN “Supernova” (Girlyman Inc.)

(3,5****)

Het leven kan soms een echte bitch zijn. Vraag het maar aan de vier van Girlyman. Net op het moment dat hun carrière als een trein begon te lopen sloeg het noodlot voor dat getalenteerde kwartet uit Atlanta keihard toe. Ergens diep in 2010 werd bij stichtend lid Doris Muramatsu immers leukemie vastgesteld. Game over voor de groep, zo leek het aanvankelijk even, maar dat was buiten Muramatsu zelf gerekend. Negen maanden en tal van bloedtransfusies en chemo’s later stond die er weer helemaal. En dus kunnen we met z’n allen ook weer volop genieten van de uitermate fraaie meerstemmige zang en de vaak enigszins Beatle-esk aandoende arrangementen, die voor de groep in het verleden al zo kenmerkend bleken. Met name het door de gerenommeerde Ben Wisch in goede banen geleide geweldige harmonieerwerk van de vier en de levendige percussie van nieuwkomer JJ Jones – Je wellicht nog wel bekend van bij Po’ Girl! – verlenen aan de liedjes van Girlyman ook ditmaal weer dat zekere speciale iets, waardoor ze zich onderscheiden van zoveel anderen. Een beetje zoals we dat ook wel kennen van een groep als Vampire Weekend. Folk ja, maar dan wel gehuld in een erg eigentijds kleedje en met nogal wat pop- en rocksubstantie in de aderen. Heel erg levendig gebracht allemaal en gezien de eerder geschetste voorgeschiedenis niet geheel onverwacht meer dan eens opgehangen aan thema’s als onzekerheid, verandering en hoop.

Girlyman

 

MICHAEL AND THE LONESOME PLAYBOYS “Last Of The Honky Tonks” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Een tweede kans voor deze voor Michael Ubaldini een weinig atypische plaat. “The Rock and Roll Poet” houdt zich op deze al in 2010 voor het eerst opgedoken schijf immers in traditionele countrywateren op. Met zijn Lonesome Playboys roept hij ondermeer herinneringen op aan genregroten als een Merle Haggard, een Hank Williams en een Gram Parsons. En daar is wat ons betreft absoluut niks mis mee. Zeker ook omdat Ubaldini en co absoluut niet vervallen in slaafs epigonisme. Ze vertalen gewoon een hen nauw aan het hart liggend stukje verleden naar het hier en nu. Weg van elke vorm van commercie. “I want to lay waste to (this) fake, studio-created country music,” aldus Ubaldini zelf. Eerlijke muziek, daar draait het hier dus allemaal om. Onze vrijblijvende luistertips: het lekker bluesy ingevulde “When A Freight Train Rolls Right Over You”, het swingend richting Bakersfield zwaaiende “The Last Honky Tonk” en afsluiter “The World Ain’t What It Used To Be”.

Michael And The Lonesome Playboys

 

HALDEN WOFFORD & THE HI*BEAMS “Live! At Hodi’s” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

Hoogst vermakelijke registratie van een tijdens de bar koude januarimaand van vorig jaar in Hodi’s Half Note in Fort Collins, Colorado afgewerkte gig. Met Wofford en kompanen echt in optima forma! Vijftien nummers lang illustreren ze hier, waarom ze in de States en tot ver daarbuiten in zowel traditioneel als alternatief ingestelde countrymiddens graag geziene gasten zijn. “This time around” brengen ze weliswaar voornamelijk covers van materiaal van anderen, maar dat kan de pret hoegenaamd niet drukken. Wel integendeel eigenlijk. Hen nummers van onder anderen Hank Williams (“Six More Miles” en “The Angel Of Death”), Bob Dylan (“Highway 61 Revisited” en “All Along The Watchtower”), Kris Kristofferson (“The Best Of All Possible Worlds”), Robert Hunter en Jerry Garcia (“Dire Wolf”), Shel Silverstein (“Gotta Ged Rid Of This Band”) en Bob Wills (“Fat Boy Rag”) horen tackelen is een ware lust voor het oor. En dat ze daarbij binnen het uitgestrekte countrygenre nogal wat kilometers afleggen vinden wij ook alleen maar een pluspunt. Van twangbeladen country rock tot Western swing, van traditionele “4 chords and the truth”-honky-tonk tot “Yodelin’ Rhythm & Blues”, van aan Buddy Holly verwant spul tot alternatieve country of rockabilly, Wofford en co wagen er zich hier allemaal wel ergens aan. Het resultaat is een set die regelrecht bruist van de vitaliteit. En ook het element humor speelt een bij momenten redelijk prominente rol. Het Wofford op zijn uiterlijk afgaande echt wel op het lijf geschreven “Hippie In My House” en zijn lezing van Shel Silversteins “Gotta Get Rid Of This Band zijn wat dat betreft goede voorbeelden. Zo aanstekelijk… Moet je wel van houden!

Halden Wofford & The Hi*Beams, CD Baby

 

BOB MARTIN “Last Chance Rider” (Riversong Records)

(4****)

Met name dankzij de volgehouden inspanningen van enkele Nederlandse bewonderaars van zijn werk, waaronder Euro Americana Chart-bezieler Rein van den Berg en de zo’n beetje als zijn boekingsagent optredende Hans Jacobs, valt de Amerikaanse singer-songwriter Bob Martin ruim vier decennia na zijn fabuleuze debuutplaat “Midwest Farm Disaster” eindelijk de aandacht te beurt, waar hij eigenlijk gewoon al die jaren recht op had. Het voorlopige resultaat van hun inspanningen: een tweede Bob Martin-tournee doorheen de lage landen in amper een paar maanden tijd en een heruitgave van zijn in 1982 verschenen en al een poosje schier onvindbare tweede cd “Last Chance Rider” op de koop toe. En ook dat is een behoorlijk straffe plaat. Als je door het uiteraard wat gedateerd aandoende geluid heen te luisteren vermag, dan hoor je een songsmid die terecht wel eens wordt omschreven als een muzikale kruisbestuiving tussen Bob Dylan, Jackson Browne en Elliott Murphy. Schrijvend vanuit het gedachtegoed van wijlen Woody Guthrie en de uit zijn eigen geboortestreek afkomstige “beat poet” Jack Kerouac streeft hij in zijn liedjes vooral naar het door zijn landgenoten zo hoog in het vaandel gevoerde gevoel van vrijheid. Zijn teksten daarbij uitsmerend over eigen, met ondermeer mondharmonica-, piano-, fiddle-, pedal steel- en banjoklanken ingekleurde melodieën. Soms een weinig richting pop neigend, maar al bij al toch vooral onder te brengen onder de hoofding (country)folk. Met als topmomenten wat mij betreft: titelnummer “Last Chance Rider”, het ingetogen poëtische “Hotel St. James” en het van achter de eigen piano gebrachte en heel erg seventies aandoende “Appalachia Lullaby”. Een bijzonder aangename “trip down Memory Lane”!

Bob Martin

 

CLARENCE BUCARO “Walls Of The World” (Continental Song City)

(4****)

Clarence Bucaro is als goede wijn. Met het verstrijken der jaren wordt hij er alleen maar beter op. U gelooft ons niet? Dan moet u bij gelegenheid vooral ’s mans nieuwe cd “Walls Of The World” eens een luisterkans gunnen. Wedden, dat u dan snel bijdraait? Die vijfde van ‘m, de opvolger van het drie jaar geleden voor het eerst verschenen “New Orleans” is immers andermaal een waar schot in de roos. Met zijn honingzoete stem en zijn vaardige pen als vanouds als zijn voornaamste bondgenoten serveert Bucaro daarop onder de productionele hoede van de in het verleden ondermeer al voor groten als David Bowie, Lou Reed en Björk actieve Hector Castilo en Chocolate Genius elf zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelende liedjes. Sommige daarvan vallen nadrukkelijk onder de noemers roots pop en rock, voor anderen mag het label Americana of soul weer uit de kast. En er zitten er zelfs een paar met bescheiden hitpotentie tussen. We denken dan bijvoorbeeld aan de melodieuze rocker “Malibu” en openingsnummer “Two Men Down”, een uit hetzelfde hout gesneden eerbetoon aan het adres van de tijdens de Arabische Lente in Libië om het leven gebrachte fotografen Tim Hetherington en Chris Hondros. Andere prijsnummers hier: de Bucaro weer nadrukkelijk op één lijn met Jackson Browne plaatsende prachtballade “Change”, het met collega Freedy Johnston gepende en door Chris Masterson van treffend gitaarwerk voorziene “Dangerous Secret”, het ongemeen soulvolle “Rose Of Jericho” en vooral ook de met Melanie Horsnell gebrachte break-up song “Are We Gonna Make It Through The Night?”. Niet enkel liefhebbers van het werk van de al genoemde Browne, Van Morrison en zeker ook Ron Sexsmith zullen er een vette kluif aan hebben!

Clarence Bucaro, Continental Record Services

 

DE HELD “De Held” (Petrol Music)

(4,5*****)

Van een droomdebuut gesproken! Ruim dertien jaar lang werd hierop gebroed en dat hoor je eraan ook. Hier wordt de perfectie immers akelig dicht benaderd. En precies dat was het ook, wat Hasselaar Jo Jacobs van in het begin al voor ogen had. Wat hem ertoe aanzette ook, om een al in 2001 onder de hoede van producer Wouter Van Belle begonnen plaat niet af te werken. De twijfel sloeg Jacobs indertijd om het hart en dus verkoos hij om te wachten. Ondertussen zijn zinnen verzettend door gitaarbouw te gaan studeren en vervolgens een zoektocht in te zetten naar de voor hem meest geschikte besnaarde maat. En dat kostte tijd. Veel tijd… Want pas in 2010 neemt hij de draad van zijn eersteling weer op, wanneer hij in de privacy van zijn woonst in de Limburgse hoofdstad enkele nummers opneemt. En vervolgens gaat het richting een kleine deelgemeente van Sint-Truiden, waar Jacobs in het huis van de moeder van Gaëtan Vandewoude van Isbells, waar regelmatig huiskamerconcerten worden georganiseerd, uiteindelijk de ideale omgeving meent te hebben gevonden om zijn albumdebuut in te blikken. Samen met die Vandewoude. De twee mannen verdelen onderling het instrumentale werk en kiezen daarbij voor een overwegend heerlijk intimistische aanpak. Een ideaal biotoop voor de liedjes van Jacobs, die op indrukwekkende wijze gevoelens vangen. Momentopnames zijn het van wat zich ooit in het hoofd van hun bedenker afspeelde. Soms een weinig neigend richting kleinkunst, maar dan niet in de klassieke betekenis van dat woord. Daarvoor klopt de muzikale omkadering immers lang niet altijd. Hier horen we ook eels in hun rustige momenten en Nick Drake, Leonard Cohen en aanverwanten. Gevoeligheid troef, maar dan wel in de eigen moedertaal. En dat schept natuurlijk een zekere band. Het maakt het vooral ook makkelijker om jezelf te herkennen in de geesteskinderen van Jacobs. Want dat doe je onvermijdelijk. Veel van wat de man hier met een absoluut minimum aan woorden schildert heb je zelf ook al wel eens ooit ervaren. Het weemoedige verlangen sprekend uit “Vroeg Donker” bijvoorbeeld. Of het verliefde buikgevoel van “Hebbewil”. Het ontgoocheld worden door de medemens in “Mensen Vallen Altijd Tegen” ook. Het zijn dat soort van momenten, die van De Held voor velen snel ook effectief een persoonlijke held zullen maken. Zijn liedjes voelen immers aan als een kameraadschappelijke arm om je schouder. Door zijn eigen ziel erin bloot te leggen nodigt Jacobs je als het ware uit om hetzelfde te doen. En dat werkt behoorlijk louterend. Probeer het bij gelegenheid maar eens…

(Onze luistertip: het nu al klassieke “Typisch Belgisch Weer”. Veel mooier dan dat daarin gebeurt kan je het zich afwisselen van gemoedstoestanden amper beschrijven, lijkt ons. Een van de allermooiste Vlaamse liedjes ooit!)

De Held, Petrol Music

 

SHELBY EARL “Burn The Boats” (Local 638 / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Er zijn zo van die platen die je eigenlijk maar beter even zelf gehoord kan hebben om er je een gepast oordeel over te vormen. “Burn The Boats” van Shelby Earl is er zo bijvoorbeeld eentje. Wat helpt het je immers vooruit om mij hier te weten verkondigen, dat die nog relatief jonge Amerikaanse me beurtelings aan Neko Case en Tift Merritt herinnert. Twee van mijn favoriete Americana-singer-songwriters. Het ene moment heeft ze het sensueel onderkoelde van de eerste, het andere net het warme, soulvolle van de andere. Feit is, dat ze over een geweldige stem beschikt en daarnaast ook over een zeer vaardige pen. Wars van alle trends stort ze zich in de twaalf songs op het door John Roderick van de Long Winters en met leden en oud-leden van diezelfde groep, Fleet Foxes, Telekinesis, The Maldives, The Head And The Heart en andere ingespeelde “Burn The Boats” op haar door haar eigen leven aangereikte thema’s als het verwerken van een verlies, leren uit gemaakte fouten en drijven op hoop. En om dat laatste effectief te kunnen realiseren moet je soms daadwerkelijk alle schepen achter je verbranden… Vandaar die titel dus. De wat ons betreft sterkste momenten hier: het zacht twangende, rond de veelzeggende zinsnede “3 can be a crowd for 2” opgebouwde “Legend Of Persephone”, het ingetogen voorbij waaiende “Everyone Belongs To Someone” en de zo mogelijk nog introvertere, wat herfstig aandoende eigentijdse folkdeun “Beloved”. Noem dat maar de krenten in de spreekwoordelijke pap. Echt mindere momenten kent dit geheel echter hoe dan ook niet. Een stevige aanrader dus.

Shelby Earl, Sonic Rendezvous

 

PONTUS SNIBB 3 “Loud Feathers” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3***)

Met “Loud Feathers”, de derde van Pontus Snibb, belanden we in de afdeling “zware metalen”. ’s Mans nieuwste bulkt weer echt van het soort van heftig snarengeweld, waaraan wijlen Alfred Lagarde ondertussen toch ook alweer zo’n drie decennia geleden graag de nodige aandacht mocht besteden in het Nederlandse cultradioprogramma “Betonuur”. De Zweed serveert hier elf lappen gitaristieke nijdigheid, waarvoor beurtelings de termen hard rock, blues rock en classic rock uit de kast mogen. Je hoort er naar ons gevoel bij momenten redelijk nadrukkelijk invloeden als Free, Van Halen, AC/DC, ZZ Top en anderen in terug. Voornaamste ingrediënten: schreeuwerige zangpartijen, een aalvlugge snarenbehandeling en retestrak slagwerk. Moet je voor zijn.

Pontus Snibb, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JOEL HENDERSON “Locked Doors & Pretty Horses” (TroubleCure Records)

(4****)

Joel Henderson is een ons tot voor kort volslagen onbekend gebleven, vanuit Louisville, Kentucky actieve songsmid, die zopas met “Locked Doors & Pretty Fences” een echt wel ijzersterk derde album heeft afgeleverd. Onder de productionele hoede van de ondermeer van zijn werk met John Mellencamp, Neil Young en Willie Nelson bekende Paul Mahern serveert hij daarop elf knappe eigen liedjes, die naar onze bescheiden mening vergelijkingen met onder anderen de al genoemde Mellencamp, Amos Lee, Ron Sexsmith, Thad Cockrell en Ryan Adams best kunnen rechtvaardigen. En vooral de drie laatsten dan, waarmee Henderson ook wel een zekere stemverwantschap vertoont. Zijn zang is net als die van de genoemde heren ongemeen warmbloedig en werkt derhalve ook ogenblikkelijk uitnodigend. En zijn songteksten doen dat eigenlijk ook. Henderson schrijft immers buitengewoon intelligente liedjes, die je verbeelding meteen aan het werk zetten. Je wordt als het ware naar binnen gezogen in het door de beste man beschreven universum en voelt je er meteen thuis. Noem het Americana, roots rock dan wel  folk, wat hij doet, feit is, dat “Locked Doors & Pretty Fences” voor ons één van dé aangenaamste verrassingen van 2012 so far is. Vooral de wat ingetogenere nummers erop als “Curves”, “I’ll Be Waiting” en “This Time Of Year” zijn echt wel bloedmooi.

Joel Henderson

 

HERITAGE BLUES ORCHESTRA “And Still I Rise” (Raisin’ Music / Continental Record Services)

(5*****)

Een welwillend oor te luister leggen bij het Heritage Blues Orchestra is als door een museum gewijd aan traditionele bluesvormen en aanverwante kuieren. In een eigentijdse setting stoot je op zo menig een verloren gewaande schat, gekoesterd door niet één, maar liefst drie conservatoren met de nodige kennis van zaken. Chaney (zang, handclaps) en Bil Sims Jr. (zang, elektrische en akoestische gitaren, handclaps) en Junior Mack (zang, elektrische en slidegitaren, dobro) zijn het immers, die met z’n drieën de creatieve spil van dit gezelschap vormen. Al zag producer Larry Skoller ter gelegenheid van de opnames van “And Still I Rise” wel heel wat meer volk in de vermaarde Excello Recording Studio in Brooklyn, NY samentroepen. Ook Vincent Bucher en Matthew Skoller (beiden harmonica), Kenny “Beedy Eyes” Smith (drums, percussie), Bruno Wilhelm (tenorsax), Kenny Rampton en Steve Wiseman (beiden trompet) en Clark Gayton (trombone, sousafoon en tuba) dragen immer bij tot het totaalgeluid van het HBO. Met z’n allen pluizen zij op “And Still I Rise” met veel expertise terzake twaalf nummers lang het testament van het Afrikaans-Amerikaanse rootsmuziekgebeuren na. De Mississippi Delta wordt daarbij aangedaan, New Orleans (“C-Line Woman”) ook, Kansas City (“Going Uptown”), Highway 61 en noem maar op. Je hoort hier werkelijk zo goed als alles: van field hollers (“Levee Camp Holler”) tot spirituals (Eric Bibbs “Don’t Ever Let Nobody Drag You Spirit Down” en het superswingend gebrachte “In The Morning”), van gospel (de geweldige Junior Mack-original “Chilly Jordan” en “Get Right Church” – Met een lekker vette slide!) tot country blues (“Big-Legged Woman”), swampy deltaspul (“Clarksdale Moan”), retestrakke prille Chicago style R&B (Muddy’s “Catfish Blues”), een door de blazers op ingetogen wijze ingeleide Leadbelly-cover (“Go Down Hannah”), etcetera. En dat allemaal op even fraaie wijze vertaald naar een eigentijdse context. Veel beter kan je dat echt niet doen! Een heuse luistertrip “de luxe”! (Met drie geweldige stemmen als mooi meegenomen bonus!)

Heritage Blues Orchestra, Continental Record Services

 

COWBOY JUNKIES “The Wilderness – The Nomad Series, Volume 4” (Latent Recordings / Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

Met “The Wilderness” komt er voor Margo en Michael Timmins en de overige Cowboy Junkies een einde aan de in het najaar van 2010 ingezette vierdelige “Nomad Series”. Dat behoorlijk ambitieuze project plaatste het viertal in amper anderhalf jaar tijd nadrukkelijk terug op de kaart. Via het door een bezoek van songsmid Michael Timmins aan China beïnvloede “Renmin Park”, het Vic Chesnutt-eerbetoon “Demons” en het psychedelische, behoorlijk zwaar door het bluesgenre geïnspireerde “Sing In My Meadow” belanden we uiteindelijk terug in vertrouwde Cowboy Junkies-wateren. En dat is an sich niet eens zo onlogisch, als je weet, dat het materiaal voor “The Wilderness” eigenlijk al van eind 2007-begin 2008 stamt. Van voor de drie andere schijven in de reeks dus. De Timminsen en co hebben naar eigen zeggen al die tijd gewoon gewacht op het moment, dat ze echt klaar waren voor het inblikken ervan. Nu dus. En ik moet zeggen, dat ik er erg mee opgezet ben. Eindelijk horen we hier immers weer eens nadrukkelijk de geweldige alternatieve songsirene Margo Timmins aan het werk. Als vanouds bedwelmend uithalend in een reeks liedjes rond thema’s als eenzaamheid, verlies, wanhoop en andere. Veelal introvert materiaal, dat op die manier ook perfect aansluit bij het wintertafereel van kunstenaar Enrique Martinez Celaya op de cover van het album. Het onderliggende concept daarbij niet langer als alles bepalende factor, maar gewoon weer de songs zelf. En dat leidt uiteindelijk tot een werkstuk van een ronduit beklemmende schoonheid. Eigenlijk gewoon één van dé allerbeste Cowboy Junkies-albums überhaupt.

Cowboy Junkies, Proper Music

 

SHAWN NELSON “San Juan Street” (Fonky Tonk Music)

(3,5****)

Het voorrecht genieten om jezelf met enige regelmaat tussen groten van de Lone Star State singer-songwriter scene à la een Robert Earl Keen of een Guy Clark te mogen bewegen, ermee op te treden, ermee te kunnen praten, heeft zo zijn prettige gevolgen. Dat wordt vrijwel meteen duidelijk bij het beluisteren van “San Juan Street”, de vierde van Shawn Nelson. Dat door accordeonvirtuoos Joel Guzman geproduceerde en met zijn eigen band The Ramblers en gasten als gitarist Matt Slusher, de je wellicht van de South Austin Jug Band bekende bassist Will Dupuy, fiddler Trisha Keefer van The Trishas en Texaanse jazzautoriteit Ephraim Owens (trompet) ingeblikte geheel laat immers een gerijpte songsmid aan het woord, die zich stilistisch gezien vooral niet al te veel beperkingen lijkt te willen laten opleggen. En dat kunnen wij met z’n allen alleen maar toejuichen natuurlijk. Het maakt van “San Juan Street” immers een echt Americana-snoepje “Texas style”. Proef bij gelegenheid maar eens even van dingen als de van een outlaw country-randje voorziene two-step “Nobody Got A Hold On Me”, het romantische, voorzichtig richting het muziekgebeuren uit z’n titel lonkende “More Than California”, het fraaie, met Tex-Mex-motiefjes stoeiende tweetal “Dreams In The Desert” en “San Juan Street”, de fiddle-gestuurde melodieuze alternatieve country van “Anna Lee” of het sympathiek rockende “Down Here” en je zal ons daarin allicht meteen bijtreden. Enkel “Daydreamers”, een kruisbestuiving van spul uit zijn thuisstaat met reggae, had Nelson wat ons betreft beter achterwege gelaten. Daarmee lonkt hij immers wat al té nadrukkelijk naar bijkomende radioaandacht en het steekt ook gewoon af tegen de rest hier. Verder echter een prima plaat, dit “San Juan Street”, waarmee je momenteel voordelig tot zelfs helemaal gratis (“Name your price!”) kan kennismaken via ’s mans Bandcamp-pagina. Vooral even doen!

Shawn Nelson, CD Baby

 

ALEXA WOODWARD “It’s A Good Life, Honey, If You Don’t Grow Weary” (Continental Song City)

(4,5*****)

Zinnenprikkelend! Een ander woord wou me maar niet te binnen schieten om deze derde van de in Alabama geboren, in Virginia en South Carolina grootgebrachte, maar dezer dagen in New York residerende Alexa Woodward mee te prijzen. Van haar fluwelen sirenenstem gaat een ronduit bedwelmende werking uit. “It’s A Good Life, Honey, If You Don’t Grow Weary” groeit er alvast door uit tot een hoogst aparte en buitengewoon aangename luisterervaring. Eentje waarin old-time Americana en meer contemporaine elementen beide hun plaats hebben. Woodwards vaak op het relationele focussende teksten worden immers geënt op delicate melodieën, waarin naast haar eigen banjo en ukelele ook tal van andere, voor het genre vaak heel wat minder voor de hand liggende instrumenten als een vibrafoon, een melodica, een Oberheim (synthesizer), een triangel en een autoharp figureren. En dat mondt bijna als vanzelfsprekend in hoogst aparte resultaten uit. En werkelijk bloedmooie vooral ook! Fraai balancerend op het slappe koord tussen vintage en eigentijds. Volstrekt uniek. Zoals bijvoorbeeld ook een Abigail Washburn en een Gillian Welch dat zijn. En dus ontging me ook zo goed als volledig de zin van de vergelijkingen met die beide dames, die ik de voorbije weken her en der las. Enkel de oude ziel, die ook in hun nog relatief jonge lichamen rondwaart, meenden we ook hier te mogen onderscheiden. Voor het overige hebben Woodwards ontwapenende, vaak erg poëtische liedjes echter geen boodschap aan referenties “whatsoever”. De twaalf songs hier verdienen een fijnproeversaanpak. Dat je ze tussen tong en verhemelte laat wegsmelten als het ware. Maar goed, ik ben aan het afdwalen… En dat verdient deze naar een vaak door haar door de ziekte van Alzheimer geteisterde grootmoeder gebezigde spreuk vernoemde plaat van Woodward absoluut niet. De jonge Amerikaanse vond in die woorden troost in moeilijke tijden en reikt ze ook ons nu aan, verpakt in een werkelijk wonderschoon muzikaal geheel. Vanuit de grond van mijn hart aanbevolen!

Alexa Woodward, Continental Record Services

 

LIGHTNIN’ GUY “Plays Hound Dog Taylor – Live!” (Parsifal / Dixiefrog / Bertus)

(5*****)

“Please, let’s keep the blues alive, ladies and gentlemen,” vraagt Lightnin’ Guy Verlinde ergens halverwege deze set, net voor hij zich wervelend aan “Roll Your Money Maker” vergrijpt. You just did, pal, you just did! Veel stomender dan Verlinde (zang en slidegitaar) en zijn kompanen Erik “King Berik” Heirman (drums) en Bart “Brewer Jr.” Mulders (ritmegitaar) hier kan je immers amper uit de hoek komen. Getrouw aan de voor Hound Dog Taylor & The Houserockers zo karakteristieke driemansbezetting zonder bassist evoceren ze tot in de perfectie het moddervette geluid van hun idolen. Geen seconde laten ze er twijfel over bestaan, waarom zij en niemand anders werden weerhouden om ons land dit jaar op de European Blues Challenge te vertegenwoordigen. The Borderline in Diest wordt gewoon platgewalst! Met de slide van Verlinde uiteraard als dé voornaamste blikvanger. Hound Dog Taylor had zich echt geen knapper eerbetoon kunnen wensen. De intensiteit waarvoor zijn optredens ooit garant stonden wordt hier schijnbaar moeiteloos geëvenaard. Aan sneltreinvaart, zoals in het zijn titel werkelijk alle eer aandoende “Let’s Get Funky”, het eerder al even vermelde “Roll Your Money Maker”, “Take Five”, “55th Street Boogie”, “Wild About You Baby” en “Taylor’s Rock”, of juist heerlijk diepgaand, zoals in de slepers “Sadie” en “Freddie’s Blues”. Heel even is Diest hier klein Chicago ergens in de periode vervat tussen de late fifties en de vroege seventies. Aan ambiance absoluut geen gebrek! Deze plaat horen is bij een volgende doortocht van Verlinde en kornuiten in de buurt gegarandeerd op de voorste rij staan! En dat lijkt ons al evenzeer een garantie voor een bluesbelevenis om niet al te snel meer te vergeten. Wij die dachten met de nieuwe schijven van Howlin’ Bill en Fried Bourbon de voornaamste kanshebbers voor de titel van Belgische bluesplaat van het jaar al gehoord te hebben slikken bij dezen die opvatting snel weer terug in. Dat was duidelijk een vergissing! Iemand moest deze knaap snel maar eens aan een tijdelijke werkvergunning voor de States helpen! Ze zullen ginder nogal eens ogen opentrekken… Verplichte aanschaf, laat daar vooral niet de minste twijfel over bestaan!

(O, en by the way ook nog even vertellen, dat je dit optreden middels een aan de binnenzijde van het artwork van de cd vermelde speciale code via de webstek van Lightnin’ Guy ook bekijken kan. Je vindt er video’s van elk van de elf tracks hier.)

Lightnin’ Guy, Parsifal, Dixiefrog

 

MUD MORGANFIELD “Son Of The Seventh Son” (Severn Records / Continental Record Services)

(4****)

“Son Of The Seventh Son” is de tweede studioplaat van de oudste zoon van McKinley Morganfield. Zijne blueshoogheid Muddy Waters met andere woorden. En dat hoor je! In een productie van bluesharpvirtuoos Bob Corritore benadert Morganfield zijn ouweheer bij momenten echt wel angstaanjagend dicht. Vooral in titelnummer “Son Of The Seventh Son” is dat zeer nadrukkelijk het geval. En dat is heus niet enkel zo, omdat Mud daarin kwistig met nadrukkelijk aan de “Father of modern Chicago blues” gelinkte termen als “Mannish Boy” en “Hoochie Coochie Man” in de weer is. Neen, vooral die stem doet het hem. De bariton van Mud moet absoluut niet onderdoen voor die van zijn vader. En dat geldt ook voor zijn podiumprestaties. Zowel zijn zang als zijn verschijning schreeuwen gewoon om vergelijkingen met die van de blueslegende zaliger. Eén van diens sidekicks verwoordde het compleet verbouwereerd als volgt: “It’s like watching a ghost in the flesh!” Gelukkig is Mud Morganfield evenwel geen slaafse imitatie van wijlen Waters. Hij heeft zo zijn eigen mening over hoe traditioneel geschoeide Chicago blues anno nu hoort te klinken. En daartoe liet hij zich voor “Son Of The Seventh Son” begeleiden door louter topmuzikanten van de scène aldaar. Of wat dacht je van gitaristen Rick Kreher en Billy Flynn, toetsenist Barrelhouse Chuck, bassist E.G. McDaniel, drummer Kenny “Beedy Eyes” Smith en mondharmonicameesters Harmonica Hinds en Bob Corritore? Zij stuwen Morganfield doorheen een zevental eigen nummers en vijf songs van anderen. Daaronder welgeteld één Muddy Waters-cover. We hebben het dan over een ongemeen soulvolle lezing van de sleper “You Can’t Lose What You Ain’t Never Had”. Voorts ook nog songmateriaal van de al genoemde heren Flynn (het onder invloed van Barrelhouse Chucks groovy orgelwerk tot het buitenbeentje hier uitgroeiende “Money (Can’t Buy Everything)”) en Corritore (de uitdagende trage “Go Ahead And Blame Me”) en van John T. Brown (het stomende, door Corritore op z’n “smoelschuiver” de nodige extra vitaliteit ingeblazen “Short Dress Woman”) en John Grimaldi (het omineuze titelnummer). Stuk voor stuk erg knappe deunen. En dat geldt zeer zeker ook voor ’s mans eigen composities “Midnight Lover” (waarin hij heel even teruggrijpt naar zijn eigen oude liefde soul), “Loco Motor” (een aan stoomtreinvaart richting het aan vrouwelijk schoon rijke jachtterrein New Orleans denderende hipshaker), “Catfishing” (een swampy knipoog richting één van de vele verlokkingen van een mannenleven) en “Blues In My Shoes” (een soort van mid-tempo credo). Enfin, aan lekkers absoluut geen gebrek hier. Genoeg allicht om Morganfield voor veel festivalorganisatoren snel te gaan laten uitgroeien tot een meer dan waardig alternatief voor z’n vader die er nu toch al een hele poos niet meer is. En dat wat ons betreft terecht ook!

Mud Morganfield, Continental Record Services

 

FRED EAGLESMITH “6 Volts” (A Major Label / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Via ‘s mans eigen webstek en tijdens zijn optredens was deze nieuwe cd, zijn negentiende ondertussen toch ook alweer, al een poosje verkrijgbaar, maar nu ligt hij eindelijk ook hier in de winkel. En, laat ons wel wezen, daar hoort hij gewoon ook thuis, want dit is Fred Eaglesmith eindelijk weer eens op zijn allerbest. Eigenlijk weet je vooraf nooit, wat je van de Canadese singer-songwriter met Nederlandse roots verwachten mag en dan doet het extra deugd om hem bezig te horen zoals hier. Weer in zijn vertrouwde Americana-biotoop, heerlijk “live off the floor” ingeblikt. Met zijn allen rond één enkele microfoon, lo-fi tot en met, maar wellicht juist mede daardoor weer o zo lekker. En dat hij zich hier regelmatig ook van zijn wat gevoeligere kant durft te tonen helpt ongetwijfeld ook. Zoals in het fraaie “Stars” bijvoorbeeld. Daarmee eert hij postuum zijn enkele jaren geleden totaal onverwacht overleden partner in crime Willie P. Bennett. Je hoort er bij momenten als het ware de krop in zijn keel in. Maar lang niet alles hier is even subtiel van aard, hoor. Rauwere bijdragen als het met aan Neil Young herinnerend messcherp gitaarspel ingekleurde “Johnny Cash”, titelnummer “6 Volts” en “Betty” staan in schril contrast met meer pastoraal ingevulde dingen als het tragische “Katy”, het melancholische “Betty Oshawa” of afsluiter “Trucker Speed”, waarin instrumentale hoofdrollen voor banjo, mandoline, pedal steel en dergelijke blijken weggelegd. Steeds in functie van het liedje weliswaar. Of eerder nog van de verhalen van Eaglesmith, ook hier, zoals nagenoeg steeds al in het verleden, weer goed voor zo menig een beklijvend luistermoment. “Vintage sound, vintage recording, vintage Fred,” aldus zijn Nederlandse verdeler, en zo is het maar net.

Fred Eaglesmith, Sonic Rendezvous

 

JUSTIN TOWNES EARLE “Nothing’s Gonna Change The Way You Feel About Me Now” (Bloodshot / Bertus)

(5*****)

“What doesn’t kill you makes you stronger,” zo goed als elke dag weer worden we er tegenwoordig door de jonge Amerikaanse hitmachine Kelly Clarkson meermaals luidkeels aan herinnerd en – Ik zeg het niet graag! – daarmee heeft ze natuurlijk overschot van gelijk. Dat blijkt ook naar aanleiding van de nieuwe van Justin Townes Earle maar weer eens. Zijn recente pad liep nu niet meteen over rozen. Een zwaar uit de hand gelopen drankprobleem, een resem ziekenhuisverblijven, een burn-out… We hebben er al aan veel minder compleet ten onder weten gaan. Niet echter de jonge Earle. Die spoelt zijn zorgen door met een vierde topplaat op rij. Eén die zich wellicht niet zal laten verdringen, als we straks aan het eind van het jaar met z’n allen weer lijstjes gaan opstellen met alles wat er op muzikaal vlak toe deed in 2012. Het onder de productionele hoede van Skylar Wilson geheel live in een tot opnamestudio omgebouwde kerk in Asheville, NC ingeblikte “Nothing’s Gonna Change The Way You Feel About Me Now” klinkt nochtans geheel en al anders dan wat we de voorbije jaren van Earle gewoon waren geraakt. Onder de vlag Americana mag wat hij doet wat ons betreft allemaal nog net wel, maar je moet er dan wel een flinke scheut (Memphis) soul bijdenken. Veel koperwerk “this time around”, waardoor met name de klassieke Muscle Shoals sound van weleer regelmatig akelig dicht benaderd wordt. En die zit Earle Jr. echt als gegoten. Het warme karakter van zijn stem wordt er alleszins flink door geaccentueerd. “Nothing’s Gonna Change The Way You Feel About Me Now” zal hem naar onze bescheiden mening op vrij korte termijn wellicht voorgoed uit de schaduw van zijn bekende vader gaan tillen.

Justin Townes Earle, Bloodshot Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home