CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

BOW THAYER& PERFECT TRAINWRECK “Eden” - SPENCER BOHREN “Tempered Steel” - AMY SPEACE “How To Sleep In A Stormy Boat” - LARRY HOSFORD “Momentarily Yours” - ANDY T - NICK NIXON BAND FEATURING ANSON FUNDERBURGH “Drink Drank Drunk” - RUTH MOODY “These Wilder Things” - QUIET HOLLERS “I Am The Morning” - OLD MAN LUEDECKE “Tender Is The Night” - BART DE WIN “Easy To See” - JOHN PRIMER & BOB CORRITORE “Knockin’ Around The Blues” - NYNKE “Alter” - MELISSA GREENER “Transistor Corazón” - THE LEAVERS “Once Upon A Time” - CARA LUFT “Darlingford” - GOES EN DE GASTEN “Veur ’t zelfste geld” - PHIL ODGERS “The Godforsaken Voyage” - NANCY DUTRA “Time Will Tell” - ARTHUR LEE LAND “Cracked Open” - WAYNE HANCOCK “Ride” - DOUG MACLEOD “There’s A Time”

 

 

BOW THAYER & PERFECT TRAINWRECK “Eden” (Bow Thayer & Perfect Trainwreck)

(3,5****)

De vanuit het Amerikaanse Vermont actieve Bow Thayer is momenteel zowat één van de snelst rijzende sterren binnen het nog alle dagen flink uitdijende Americana-middenveld. Een bevoorrechte status, die hij ons inziens voornamelijk te danken heeft aan zijn wat aparte benadering van de liedjesschrijverij. Thayer concipieert immers zo goed als al zijn songs op de elektrische banjo. En daardoor krijgen die bijna als vanzelfsprekend iets quasi unieks mee. Iets opvallends alleszins. Hoe Thayer elementen uit onder meer Americana, bluegrass, folk en (roots)rock tot kernachtige songs weet te ballen, spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. Wij noemen hier bij wijze van illustratie graag de melodieuze rootsy rocker “The Beauty Of All Things”, de freaky, banjogestuurde Americana van “Blackstone Valley”, rustpuntje “Eden” en de ambitieuze, zo’n dertien minuten bestrijkende songsuite “Parallel Lives”. Materiaal waaraan, als je ’t ons vraagt, met name wat avontuurlijker ingestelde rootsmuziekliefhebbers desgewenst een flinke kluif kunnen hebben.

Bow Thayer& Perfect Trainwreck, CD Baby

 

SPENCER BOHREN “Tempered Steel” (Valve Records)

(3,5****)

Met zijn nieuwe cd “Tempered Steel” geeft snarenvirtuoos Spencer Bohren toe aan een eigen “folietje”. Dat album bevat immers enkel en alleen songs gebracht op de lap steel. Een instrument, waarmee Bohren naar eigen zeggen een werkelijk unieke relatie heeft. “It speaks both to me and through me, as if it had a mind of its own,” aldus de beste man zelf in de liner notes van z’n jongste worp. Een album, dat hij verspreid over sessies in maart 2011 en diezelfde maand vorig jaar met wat productionele bijstand van z’n platenbaas Reinhard Finke inblikte in de Tube Temple Studios in het Duitse Solingen. Elf nummers werden daar vereeuwigd. Drie daarvan eigen liedjes, twee bewerkingen van traditionals en verder hoogst originele covers van materiaal van Bob Dylan (“Ring Them Bells” en “Just Like A Woman”), Judy Roderick (“Money Blues”), Leonard Cohen (“Hallelujah”), Blind Willie McTell (“Broke Down Engine”) en Stephen Foster (“Hard Times”). Veelal eerder introvert van aard, volop terend op de door Bohrens lap steel geëvoceerde sferen. Soms eerder Americana, elders eerder blues. Een paar keer ook volledig instrumentaal. (Met name in het quasi-klassieke “Suite Steel”, het ondertussen wel zo ongeveer suf gecoverde “Wayfaring Stranger” en Dylans “sowieso al perfecte” “Just Like A Woman”.) Ideale muziek om bij het intens genieten van “wat lekkers” een lange en vermoeiende dag mee uit te luiden!

Spencer Bohren, Valve Records

 

AMY SPEACE “How To Sleep In A Stormy Boat” (Wind Bone Records / Tone Tree)

(4****)

Als we het hier allemaal een beetje goed bijgehouden hebben, dan is “How To Sleep In A Stormy Boat” na haar in 2002 verschenen debuut “Fable”, het van vier jaar later stammende en onder auspiciën van Judy Collins ingeblikte “Songs For Bright Street”, “The Killer In Me” uit 2009 en het fraaie “Land Like A Bird” van goed en wel twee jaar geleden al de vijfde volwaardige langspeler van de Amerikaanse Amy Speace. En het is andermaal een heel erg goede geworden. Vol met uitermate bezield gebrachte (epische) liedjes. Even doorleefd als simpel eigenlijk. Veelal intimistisch van aard. Geen moeilijkdoenerij hier. Soms voorzichtig verwijzend naar de keltische balladetraditie. Vaak geschreven in haar eentje, soms ook met wat hulp van anderen als een Anthony DaCosta, een Sally Barris, een Robby Hecht, een Mary Gauthier of producer Neilson Hubbard. Een Hubbard, die hier overigens ronduit voortreffelijk sturend werk heeft geleverd. Wat klinkt deze plaat immers geweldig goed! Ze leeft echt van de erdoor opgeroepen sferen. En van het inhoudelijke element uiteraard ook. Speace is immers een voortreffelijke tekstdichteres. Heel erg belezen ook. En dat bewijst ze onder meer door in het tekstboekje elk liedje door een epigraaf van Shakespeare vooraf te laten gaan. En door je met haar eigen songthema’s regelmatig flink aan het denken te zetten ook. Dat van openingsnummer “The Fortunate Ones” is wat dat betreft een uitstekend voorbeeld. “The fortunate ones”, de gelukkigen worden we daarin genoemd, ook al lijken we dan op de keper beschouwd tijdens ons aardse bestaan zo goed als alles verkeerd te doen. Alles, behalve het najagen van onze eigen dromen, waardoor we zonder het zelf te beseffen verworden tot “the fuel in this crazy machine”. Machtig nummer! En heel erg diepzinnig! En daarmee staat het hier absoluut niet alleen. Volop genieten geblazen vonden wij het bijvoorbeeld ook nog van het met Robby Hecht geschreven en in duet met “rising star” John Fullbright gebrachte “The Sea & The Shore”, het vertederende, het gemis van de eigen grote liefde bezingende “Bring Me Back My Heart” en het wat nadrukkelijker dan veel van de rest hier naar Americana neigende tweetal “Hunter Moon” en “Left Me Hanging”. Dat laatste schreef Speace overigens samen met Mary Gauthier, die we hier in het eerder al even aangestipte “The Fortunate Ones” ook zelf voorbij zagen komen voor wat achtergrondzang. Net als Jill Andrews trouwens. Andere bij de zaak betrokkenen: Neilson Hubbard (piano, vibrafoon, akoestische gitaar en elektrische bas), Kris Donegan (akoestische en elektrische gitaren en lap steel), Thomm Jutz (akoestische gitaar in de ballade “Perfume”), Michael Rinne (staande bas), Eamon McLoughlin (violen), David Henry (cello), Den Sollee (eveneens cello, maar enkel in “Lullabye Under The Willow” dan), Evan Hutchings (drums en percussie) en Dan Mitchell (piano, orgel en trompet).

(Er zal van “How To Sleep In A Stormy Boat” overigens ook een versie verschijnen vergezeld van een exclusieve bonus. Het betreft daarbij een E.P. met een zestal bijkomende liedjes, luisterend naar de titel “Same Old Storm: Deluxe”.)

Amy Speace

 

LARRY HOSFORD “Momentarily Yours” (4th Street Records)

(3,5****)

Elk jaar wel weer wordt er ergens in de States een steen omgedraaid, waaronder dan louter toevallig een wegkwijnend countrytalent op jaren verscholen blijkt te zitten. En dit jaar gebeurde dat in Californië, in Salinas meer bepaald. Daar “ontdekten” Adam Zerbe en Gabriel Gandzjuk van 4th Street Records de ondertussen negenenzestigjarige Larry Hosford. Die nam ergens midden de jaren zeventig twee ondertussen zo goed als onvindbare albums voor Leon Russells label Shelter Records op om vervolgens zo goed als volledig weer uit beeld te verdwijnen. Tot nu, that is. In een met de al genoemde Zerbe (ook harmony vocals) gedeelde productie en met de nodige studiohulp van muzikanten Willie Bryant (gitaar), Charlie Wallace (non-lap en pedal steel en baritongitaar), Jim Lewin (gitaar en mandoline), Rick Shea (gitaar), Harpin’ Jonny Troutner (harmonica), Jerry Bradley (bas), Mike Pupo (drums en percussie) en Victor Phillips (harmony vocals) mocht hij immers zomaar even zestien eigen nummers in neo-retro countrystijl inblikken. En die verraden een bij nader inzicht best wel vaardige schrijfhand. Bij zijn label wijzen ze in dat verband zelfs driftig richting genregroten als een John Prine, een Lefty Frizzell en een Roger Miller. Wij van onze kant dachten eerder aan een Willie Nelson en een Johnny Cash. Al werden we wellicht ook wel wat door ’s mans wat krakkemikkige manier van zingen in die richting geduwd. Wat van het nasale van Nelson, wat van de praatzang van Cash, wat van de vinnige woordenstroom van Prine, voeg die drie samen en dan kom je ons inziens best wel aardig in de buurt! In de buurt van een duidelijk door de tand des tijds aangetaste stem. Een stem waarop wellicht een heleboel potentiële “klanten” zullen afknappen. Wie er echter geen aanstoot aan neemt, zal aan “Momentarily Yours” een heel aardige plaat overhouden. Wij raden nummers als “Cocaine and Liquor”, “Billy Jackson” en “When It Rains” als appetizers aan. Vind je die net als ons goed, dan zit je gebeiteld voor zo’n drieënvijftig minuten country en Western swing zoals die zo’n veertig à vijftig jaar geleden wel meer gemaakt werd, maar vandaag de dag nog amper. Vintage stuff, zeg maar…

Larry Hosford, 4th Street Records

 

ANDY T - NICK NIXON BAND FEATURING ANSON FUNDERBURGH “Drink Drank Drunk” (Delta Groove Music)

(4****)

Een album met zo’n titel kán eigenlijk amper tegenvallen. En dat doet het dan ook niet! Meer nog, we durven “Drink Drank Drunk” van de voor de gelegenheid met gitaarfenomeen Anson Funderburgh aangevulde Andy T - Nick Nixon Band zonder meer aan te bevelen, vanwege ronduit uitstekend spul! Zo ongeveer alles klopt hier als een bus! Maar ja, met Nixon heeft de groep dan ook een fameuze zanger aan boord. Wat hij doet bulkt echt van de soul. Zó doorleefd allemaal! Heerlijk gewoon! En dan zijn er ook nog de al even sterke songs. Covers van materiaal bekend in de uitvoeringen van onder meer Clarence Gatemouth Brown (“Midnight Hour”), Johnny “Guitar” Watson (“Don’t Touch Me”), Bobby Charles (“No Use Knockin’”), T-Bone Walker (“Life Is Too Short”) en Ray Charles (“I’ve Got A Woman”) en een handvol eigen deunen. Goed voor een wel heel erg bont palet aan bluesplezier! Respectievelijk de West Coast, Chicago, Texas en New Orleans worden door de heren “en passant” aangedaan. Een flinke snuif rock & roll kan daarbij perfect, wat zydeco al evenzeer en uiteraard ook een kloeke shot R&B. Kwestie van de boel lekker levendig te houden! En daarbij mag ook Anson Funderburgh dus geregeld een handje helpen. Zijn vingers dansen gedisciplineerd over de snaren in een viertal nummers, waarvan met name het heerlijk zompige titelnummer ons uitstekend beviel. Dat liedje en de soulvol neergelegde sleper “Don’t Touch Me (I’m Gonna Hit The Highway)”, het accordeongewijs royaal met zydeco besprenkelde “Have You Seen My Monkey” en het uit hoegenaamd al z’n poriën geil werkende “You Look So Good” zouden eigenlijk al ruimschoots moeten volstaan om je met betrekking tot dit album over de streep te trekken. Maar wees gerust, ook de overige acht nummers zijn van uitstekende makelij!

Andy T - Nick Nixon Band, Delta Groove Music

 

RUTH MOODY “These Wilder Things” (True North Records)

(5*****)

Wat hebben we aan de liedjes van deze Canadese schone al veel plezier beleefd! Bij The Wailin’ Jennys eerst, het trio dat ze na haar periode als kopstuk van de rootsband Scruj MacDukh samen met Nicky Mehta en de ondertussen door Annabelle Chvostek en later Heather Masse vervangen Cara Luft mee oprichtte, en meer recent ook op haar soloplaten natuurlijk. Al op het voor een Juno genomineerde “The Garden” uit 2010 en ook nu weer op de eveneens door David Travers-Smith geproduceerde opvolger daarvan, het werkelijk van de eerste tot de laatste noot beklijvende “These Wilder Things”. Met haar warme sopraanstem steelt Ruth Moody daarop tien nummers lang onophoudelijk de show. Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker is het, wat ze doet! Van haar meteen in het oog springende, zo goed als volledig onthaaste akoestische Americana-versie van Bruce Springsteens “Dancing In The Dark” tot het al even innemende, stemgewijs met Aoife O’Donovan van Crooked Still gedeelde en door Jerry Douglas van fraai dobrowerk voorziene “One Light Shining”, van de door Dire Straits-gitaarheld Mark Knopfler van wat karakteristiek snarenwerk en zang voorziene ballade “Pockets” tot het sprankelende, met haar collega’s Wailin’ Jennys vocaal rugdekking verlenend gebrachte streepje rootspop “One And Only” of buitengewoon sfeervolle ingetogen pareltjes als het titelnummer of “Trees For Skies”, hier valt er zó ontzettend veel te genieten! En dan vergaten we nog bijna het door een opgemerkte eigen banjobijdrage erin behoorlijk old-timey uit de hoek komende en ook al verbluffend knappe “Trouble And Woe”, de pianoballade “Make A Change”, het mede door fijn fluitspel van Mike McGoldrick net wat meer dan de rest hier richting (Keltische) folk overhellende “Life Is Long” en de sprankelende afsluiter, Moody’s ode aan de liefde “Nothing Without Love”. Werkelijk bloedmooi allemaal! Geen wonder, dat Mark Knopfler haar op basis hiervan gevraagd heeft om binnenkort in mei en juni als openingsact te fungeren tijdens zijn Europese optredens in onder meer Nederland, Frankrijk en Engeland. En goed vooral ook voor mooie Moody, want geloof ons vrij, ze gaat er weer heel wat nieuwe vrienden aan overhouden!

Ruth Moody, True North Records

 

QUIET HOLLERS “I Am The Morning” (Quiet Hollers)

(3,5****)

Eindelijk weer eens plaat, waarvoor je als recensent zonder al teveel nadenken de omschrijving alternatieve country uit de kast durft te halen! Iets wat de jongste maanden op de keper beschouwd steeds minder vanzelfsprekend leek te worden. Verantwoordelijken daarvoor zijn de vijf van Quiet Holler, een groep uit Louisville, Kentucky, die om zichzelf te plaatsen de namen van acts als The Lumineers, Lucero, Deer Tick, The Avett Brothers en The Replacements noemt. En daar zouden wij er met Frog Holler eigenlijk graag nog eentje aan toevoegen. Dat was immers de richting, waarin wij bij het horen van hun songs meteen dachten. En dat mag je als een serieus compliment beschouwen, want die groep rond Darren Schlappich staat hier sinds jaar en dag bijzonder hoog aangeschreven. En Quiet Hollers derhalve vanaf nu dus ook al een beetje. Shadwick Wilde (zang, elektrische en akoestische gitaren, harmonica en banjo), Adam Buntain (akoestische gitaar en bas), Aaaron West (violen), Nick Goldring (drums, mandoline, accordeon en zang) en Ryan Scott (bas en zang) slagen er op hun debuut wonderwel in om de kloof tussen hun punkrockverleden en hun actuele voorkeur voor Americana te dichten. Wilde’s songs, hoe introvert bij momenten ook, houden altijd wel iets van een ruw randje achter de hand. Klinkt vreemd misschien, maar het is wel zo. En misschien was dat wel net één van de factoren, waardoor wij de acht songs op “I Am The Morning” al snel gingen appreciëren. Dát en het opvallende spel van beurtelings zachtzinnig en al schreeuwend aangereikte woorden, van afwisselend hardere elektrische gitaren tegenover een weelde aan akoestische instrumenten, met voorop violen, een banjo en een mandoline. Een fijn plaatje, rijk aan contrasten! En een echt groeiertje ook!

Quiet Holler, CD Baby

 

OLD MAN LUEDECKE “Tender Is The Night” (True North Records)

(4****)

Het onlangs voor een Juno Award genomineerde “Tender Is The Night” is na “Mole In The Ground” uit 2003, “Hinterland” uit 2006, “Proof Of Love” uit 2008, “My Hands Are On Fire And Other Love Songs” uit 2010 en het met Lake Of Stew gedeelde “Sing All About It” van twee jaar geleden al het zesde album van de sympathieke Chris “Old Man” Luedecke uit Chester, Nova Scotia in het oosten van Canada. Die Luedecke, zo leerden we de voorbije jaren, is een buitengewoon fijne zanger, een al even vaardige songsmid, maar bovenal ook een kanjer op de banjo. En dan was er natuurlijk nog zijn uitgesproken voorliefde voor bluegrass en andere old-time string band music. Lang voor het door groepen als Mumford & Sons en The Civil Wars plots hip werd om met een banjo in de hand rond te gaan zeulen maakte Luedecke er al zijn handelsmerk van. En dat legde hem bepaald geen windeieren ook. Niet enkel wist hij er een ondertussen flink uitgedijde fanschare mee aan zich te binden, met zijn bij momenten best wel wat aan de betreurde John Hartford herinnerende aanpak won hij vooral ook het respect van heel wat gerenommeerde collega’s. En dat valt hier en nu dan weer af te lezen van de muzikale bezetting voor “Tender Is The Night”, die nieuwe cd van ‘m. Voor de productie daarvan tekende immers niemand minder dan Tim O’Brien. En terwijl die toch in de buurt was, nam hij ook maar wat zangpartijen en bijdragen op respectievelijk mandoline, fiddle, bouzouki en gitaren voor zijn rekening. Mike Bub van zijn kant stond in voor het “bepotelen” van de bas, Kenny Malone tekende voor het percussiewerk. Het resultaat: dertien, hoegenaamd zonder uitzondering bijzonder aangenaam wegluisterende liedjes, waarin bijna onopvallend vele decennia aan rootsmuziek vervat blijken te zitten. Nu eens heerlijk uitgelaten (het lentefrisse duo “I’m Fine (I Am, I Am)” en “Kingdom Come”), dan weer eerder ingetogen (“Song For Ian Tyson”, een ode aan z’n bekende zingende landgenoot). Nu eens goed voor een brede grijns op je gezicht (“Little Stream Of Whiskey”), dan weer wordt er voorzichtig een traan weggepinkt (“Can’t Count Tears In The Ocean”). Nu eens verhalend, duidelijk mikkend op luisterende oren (“Jonah & The Whale”, “Tortoise & The Hare”), dan weer lekker swingend, met het vizier gericht op dansgrage benen (“This May Hurt A Bit” en “Roll In My Sweet Baby’s Arms”). Een plaat een beetje zoals het leven zelf eigenlijk: heerlijk gevarieerd, tot het er eenmaal is weet je niet, wat er op je afkomen zal.

Old Man Luedecke, True North Records

 

BART DE WIN “Easy To See” (Shine A Light Records / Lucky Dice)

(4****)

Gods wegen en die van de posterijen wereldwijd blijken helaas niet altijd even doorgrondelijk. En dus gebeurt het wel eens, dat een plaat veel later dan oorspronkelijk voorzien op onze schrijftafel belandt. En dan gaan er natuurlijk meteen enkele vragen branden. Schrijven we er nog over of niet? Is het ruim een half jaar na de release ervan überhaupt nog wel relevant om over dat “nieuwe” album je mening neer te pennen? Er ligt sowieso nog genoeg echt nieuws op behandeling te wachten… Meestal betekent het gaan stellen van die vragen ze voor jezelf eigenlijk ook al zo goed als beantwoord hebben en wordt er daadwerkelijk gewoon aan de betrokken platen voorbijgegaan. Jammer, maar helaas… Niet echter, wanneer zo’n laat arriverende plaat zó goed blijkt als de nieuwe van de sympathieke Nederlander Bart de Win. Na “The Simple Life” uit 2009 en “Little World” van twee jaar geleden de door die rassongsmid voor een loepzuivere hattrick nog benodigde derde voltreffer. Een verbluffend mooi album weer, waarop de Win als vanouds op eigenzinnige wijze een geheel eigen draai aan het begrip Americana meegeeft. En dat betekent, dat we ook nu quasi “en passant” weer heel wat muzikaal terrein bestrijken. Van het lijzige pubrockertje “Next Time” tot de (pianogestuurde!) Americana van “Close The Door”, van het voorzichtig bluesy gekleurde “Dear Memory” tot het zelfs wat naar reggae neigende “These Are The Times”, van het buitengewoon soulvolle “Stepping Through” tot de in duet met Arianne Knegt gebrachte breekbare akoestische rootspop van “Easy To See”, van het verhalend-countryeske, met BJ Baartmans op de banjo opgenomen “Songs” tot de late night jazz-benadering van “No Sugar”, van het ergens tussen Ray Charles, Tony Joe White en Dr. John strandende “You Really See Me” tot het rootsy rockertje “Man Out Of Me”, van het folky, een beetje à la John Gorka de eigen lang vervlogen kinderjaren evocerende “Gone” tot het afsluitende “Riversong”, een mooi popliedje tout court, je glijdt hier als luisteraar werkelijk van de ene in de andere prachtluisterervaring. Die heerlijke gebronsde stem! Die mooie, o zo herkenbare teksten! Dat muzikale meesterschap! Alles klopt hier gewoon! En eigenlijk hoeft dat zelfs niet eens te verwonderen. Van de Win zelf wisten we ondertussen immers al, hoe goed hij wel is, van producer BJ Baartmans eveneens en ook aan de capaciteiten van andere betrokkenen als Walt & Tina Wilkins, Kim Deschamps, Jimmy Davis, JT Nero & Allison Russell oftewel Birds Of Chicago, Iain Matthews, Gillad Atzmon en ’s mans begeleidingsgroep The Simple Life hoefde vooraf eigenlijk absoluut niet te worden getwijfeld. Het logische gevolg van zoveel getalenteerde en bovenal ook gepassioneerde vaklui op een kluitje is een plaat, waarvan je als luisteraar nu al weet, dat je ze binnen pakweg twintig of dertig jaar nog altijd met evenveel plezier uit de kast zal blijven halen als nu. Chapeau daarvoor andermaal, beste mijnheer de Win! Het lange wachten was meer dan de moeite waard…

Bart de Win, Lucky Dice Music

 

JOHN PRIMER & BOB CORRITORE “Knockin’ Around The Blues” (Delta Groove Music)

(4,5*****)

Als je muzikale paden door de jaren heen zo vaak kruisen als die van John Primer en Bob Corritore, dan valt een samenwerking na verloop van tijd eigenlijk amper nog uit te sluiten. En da’s dan ook exact wat we krijgen op “Knockin’ Around These Blues”. Primer, sinds jaar en dag in de weer om het traditionele bluesgeluid van Chicago in stand te houden, en Corritore, harmonica-maestro par excellence, laten je daarop tien nummers lang alle hoeken van het bluescanvas zien. In een productie van Corritore zelf en met de nodige studiohulp van kanjers als pianist Barrelhouse Chuck, gitaristen Billy Flynn en Chris James, bassisten Bob Stroger en Patrick Rynn en drummers Kenny “Beedy Eyes” Smith en Brian Fahey leveren ze een heus Chicago-bluesmeesterwerk af. Daarbij wordt er uitvoerig geput uit het oeuvre van Windy City bluesiconen als Jimmy Reed (“The Clock”), Little Walter (de sublieme sleper “Blue And Lonesome”), Willie Dixon (“Just Like I Treat You”), Robert Lockwood, Jr. (“Little Boy Blue”) en anderen. Maar ook materiaal van Primer (de sympathieke mid-tempo shaker “When I Get Lonely”) en Corritore (het wervelende, z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “Harmonica Joyride”) zelf passeert terloops de revue. Samen goed voor een echt “monster” van een plaat! Heerlijk “greasy”! Chicago blues zo goed als je die sinds de hoogdagen van het genre amper nog hoorde!

John Primer, Bob Corritore, Delta Groove Music

 

NYNKE “Alter” (Crammed Discs)

(4****)

Nynke Laverman is wat je noemt een heus (folk)fenomeen. Wat ze doet blijft “nach wie vor” volstrekt uniek. Ook op haar nieuwe cd “Alter” weer. De manier waarop ze op die plaat “haar” Fries bedt in een hoogst eigenzinnige hybride van (Noord-)Europese, mediterrane en Latijns-Amerikaanse folkelementen, verraadt nadrukkelijk een duidelijke visie. Met name die van de buitengewoon zelfbewuste poëte, die zoveel meer wil zijn dan alleen maar een populaire artieste. Met haar geesteskinderen lijkt ze vooral ook te willen fungeren als een aantrekkelijke ambassadrice voor de taal waarin haar eigen verleden, heden en allicht ook toekomst geworteld zitten. En net door te opteren voor een dermate eclectisch ingevulde uitdrukkingsvorm wordt haar kans op slagen natuurlijk alleen maar rianter. In die mate zelfs, dat het als het ware als één langgerekte ode aan het adres van de zo stilaan voorzichtig weer haar opwachting makende lente en andere ontluikende nieuwe levensvormen opgevatte “Alter” ook nadrukkelijk hengelt naar internationale erkenning. Iets waarvoor Laverman ook een beroep deed op de veel gelauwerde producer-gitarist Javier Limón, onder meer bekend van zijn werk met Paco de Lucia, Mariza en Carlinhos Brown. En die stuwt haar hier geregeld naar eenzame hoogten! We noemen in dat verband om te beginnen al het briljante “Foarjiersfers”, een werkelijk oorstrelend mooie, op een gedicht van Rutger Kopland geënte hymne aan de lente. Of “Dūns Fan De Siedden” ook, waarin over een soort van verkapt tangoritme een zucht van verlichting bij het zien van de na een lange winter weer volop ontwakende aarde wordt geslaakt. Of “Nei Hūs”, waarin de protagonist(e) onder een voorzichtig Iberisch-Noord-Afrikaans geïnspireerde muzikale lappendeken vooral op zoek naar zichzelf blijkt. Oók héél mooi: het ogenschijnlijk als een doodgewoon liefdesliedje beginnende, maar op een enigszins magisch-realistisch aandoende noot eindigende “Foarsizzing”, het over een verleidelijk Zuiders ritme over (voorjaars)gevoelens van eindeloze liefde dansende “Balts”, “Awaiting”, het enige niet-Friese liedje van deze collectie en een monoloog aan het adres van de ongeboren liefdesvrucht in het eigen lichaam, het met de Friese poëet Tsjebbe Hettinga geschreven (en gebrachte) “Eftereach” en zeker ook “De Brulloft”, een sublieme cover van Lhasa de Sela’s “I’m Going In” en een passionele smeekbede om onvoorwaardelijke, het aardse bestaan overstijgende overgave. Dat laatste is wat ons betreft zo ongeveer het ideale voorbeeld om mee te illustreren, hoe goed Laverman wel is in het verklanken van gevoelens, het vertalen van gewaarwordingen van welke aard dan ook naar woord en lied. Iets waarbij ze aan het buitengewoon melodieus aandoende Fries overigens een erg fijne “partner in crime” heeft…

Nynke, Crammed Discs

 

MELISSA GREENER “Transistor Corazón” (Anima Records)

(3,5****)

Net als heel wat collega-Americana-recensenten ben ook ik heel erg te spreken over “Transistor Corazón”, de derde van de dezer dagen in Nashville gehuisveste zingende liedjesschrijfster Melissa Greener. Die blijkt immers niet enkel gezegend met een prachtig lijf en een al even tot de verbeelding sprekende stem, maar vooral ook met een buitengewoon vaardig schrijfhandje. Jaren van boeken jatten uit de plaatselijke schoolbibliotheek lieten duidelijk een diepe indruk na. Met dank aan met name de heren dichters Thomas, Service, Dickenson en Yeats. Hun gedichten, een aan diverse muziekjes rijke jeugd in Detroit, een langdurig oponthoud in muziekstad Austin en een behoorlijk avontuurlijk bestaan überhaupt vormden Greener tot wat ze vandaag de dag is. En dat is een bijzonder bekwame songsmid. Een croonende folkdiva in wording, die op haar nieuwe worp naar eigen zeggen vooral de complexere kantjes van het hart exploreren wil – “The machinery versus the soul, the circuitry versus the spirit.” Hoogst interessant allemaal! En al zeker, als je het dan ook nog eens zo weet te verpakken als Greener. In een productie van de ook van zijn werk met onder anderen Hayes Carll, Josh Rouse en Richard Julian bekende Brad Jones houdt die het immers heerlijk ruim hier. Ze eet van wel heel erg veel muzikale walletjes tegelijk: van eigentijds benaderde torch songs (“Ghost In The Van”) tot radiovriendelijk (roots)rockspul (“The Mess Love Made”, “Jackson”), van eerder klassiek opgevatte folkdingen (“With The Weather”, “Inisheer” en “Why”) tot Tex-Mex (titelnummer “Transistor Corazón”), van soulvol gemijmer (de Jesse Winchester-cover “That’s What Makes You Strong”) tot pure popseductie (het bij de Beatles geleende en hier compleet onthaaste “If I Fell” en het zomers-eigenzinnige “Always”). Vraiment très, très chouette!

Melissa Greener

 

THE LEAVERS “Once Upon A Time” (South Of The River Records)

(3,5****)

Vanuit Austin, TX bereikte ons onlangs het debuut van de ons voorheen volslagen onbekende Leavers. Die groep rond de grofgevooisde singer-songwriter Steven Ray Will bleek bij nader inzicht uit louter “veteranen” van het lokale muziekgebeuren aldaar te bestaan. Voor ze tot The Leavers toetraden verdienden Will (zang en slaggitaar) en kompanen Alan Durham (lead- en slidegitaar), Tim McMaster (bas en zang) en Jeremy G. Bow (drums) immers stuk voor stuk al uitgebreid hun sporen naast of achter collega’s als Tom Gillam, Alejandro Escovedo, Jon Dee Graham, Will en Charlie Sexton, Robert Earl Keen, Bruce en Charlie Robison, Kelly Willis, Rusty Wier en tal van anderen. En met dat indrukwekkende namenlijstje is de toon meteen ook gezet. Met name die van de drie eerst opgesomde acts blijken best wel indicatief voor wat je op “Once Upon A Time” wacht. Dat blijkt immers een uiterst potente mix van Americana en roots rock op z’n Texaans te zijn. Met in gitaren gedrenkte (country)rockers à volonté, maar evengoed met een aardige dosis aan met buitengewoon veel passie gebrachte tragen. Zes daarvan originelen, vier covers. Prima covers! Van “Joey”, de “creepy” ballade, die indertijd eerder onverwacht uitgroeide tot de grootste hit op het repertoire van Concrete Blonde, van “Miss Ohio” van Gillian Welch ook, hier gebracht à la iets van The Band, The Band Of Heathens of The Resentments, van Blaze Foley’s genreklassieker “Clay Pigeons” en van “Let The River Run Dry” van Jay Thomas, een in Austin naar verluidt ook al flink aan de weg timmerende nieuwkomer. Voor de productie van “Once Upon A Time” tekenden Steven Ray Will zelf en Joe Carroll.

The Leavers

 

CARA LUFT “Darlingford” (Blue Case Tunes / CRS)

(4****)

Met “Darlingford”, de opvolger van het al in 2007 kort na haar vertrek bij The Wailin’ Jennys verschenen “The Light Fantastic”, haar ondertussen derde soloplaat, slaat de Canadese Cara Luft veel meer nog dan in het verleden al spijkers met koppen. Het is hoe dan ook haar meest persoonlijke plaat tot op heden geworden. Duidelijk getekend door recente “zure” gebeurtenissen in haar eigen leefwereldje. En dergelijke inspiratiebronnen zorgen zoals algemeen geweten doorgaans voor de zoetste pennenvruchten. Zeker dan, als je zoals Luft, de kunst verstaat om aan je eigen gebroken hart universele waarheden te ontlokken, waarin de gemiddelde luisteraar zich gemakkelijk zal terug weten te herkennen. Iets waarvan de Canadese zich overigens ook zelf maar al té bewust lijkt, aangezien ze in het booklet bij haar nieuwe cd dienaangaande H.A. Overstreet citeert: “I have my own particular sorrows, loves, delights; and you have yours. But sorrow, gladness, yearning, hope, love, belong to all of us, in all times and in all places. Music is the only means whereby we feel these emotions in their universality.” Dertien songs leverde dat in totaal op. Twaalf plus één live bonus track (“Charged!”) eigenlijk. Vier daarvan blijken covers: van Waterboys-kopstuk Mike Scotts “Bring ‘Em All In”, van Derroll Adams’ “Portland Town” en van de traditionals “He Moved Through The Fair” en “The Ploughboy And The Cockney”. Voorts enkel originelen, door Luft in haar dooie eentje gepend of samen met Lewis Melville en een enkele keer ook Lynn Harbaugh. Fraai rootsy folkspul, veelal van het eerder bezadigd opgevatte type. Soms met een bescheiden knipoog richting (roots) pop of country. Doorgaans met een instrumentale hoofdrol voor de fiddle van Jesse Zubot. En met verder onder meer ook tal van (akoestische en elektrische) gitaren, banjo, mandoline, pedal en lap steel, accordeon, hambone, Hammond-orgel, drums en percussie, een heus strijkkwartet en gezongen bijdragen van JP Hoe, Tim O’Brien, Keri Latimer, Andy Worthington en Keith MacPherson. Allemaal ten dienste van de pen en vooral ook de stem van Luft zelve. Die verleidelijke zoete alt, die bij zo menig een veel bekendere collega weer spontaan het schaamrood over de wangen zal jagen… Onze, zoals gewoonlijk onverbintelijke luistertips: Lufts werkelijk bloedmooie lezing van het klassieke “He Moved Through The Fair”, het bedrieglijk vrolijke “My Darling One” en de ontwapenende biecht uit eigen gevoelsleven “Bye Bye Love”. Goed voor een volgende Juno award?

Cara Luft, Continental Record Services

 

GOES EN DE GASTEN “Veur ’t zelfste geld” (Muda)

(4,5*****)

Om het met de gevleugelde woorden van een Amerikaanse spitsbroeder te zeggen: “I don’t like Michel Goessens… I love the guy!” En de reden daarvoor is behoorlijk voor de hand liggend. Aan prima songwriters geen gebrek in ons landje, maar storytellers van het kaliber van de voormalige Aardvark-bevolker… Da’s toch een ander paar mouwen! Goessens is wat dat betreft een echte crack. Zijn liedjes hebben bij nader inzicht wel iets van door klikgrage amateurs gemaakte foto’s. In die zin, dat ze zo op het eerste gezicht ook volkomen op toevalligheden lijken te berusten. Op door het moment ingegeven inspiratie. Het verhaal vertellend van een als passerende dorpsbewoner louter toevallig meegekregen gebeurtenissen. Allerminst volkomen van wezen, maar allicht net daardoor heel erg vitaal. Ze tonen het leven immers zoals het is. Kodakmomenten van verbazing en nieuwsgierigheid. Niet zelden op het kruispunt van het gewone en het duistere. Want dat lijkt Goes’ dada wel. Hij ziet wat anderen ook zien, maar ook wat er daarachter (aan vaak minder fraais) schuil gaat. En dat levert op het volledig in het “Sleins” (het dialect van Sleidinge, een deelgemeente van Evergem, even ten noordwesten van Gent) gebrachte “Veur ’t zelfste geld” een veertiental behoorlijk beklijvende verhalen op. Zoals de over een relaxte JJ Cale-achtige groove heen gedrapeerde dorpsroddels over “De jongsten van Laroy” (“Dat es genen gewonen!”). Of de zomerse, aan het gepoch van een lichtjes doordravende verzamelaar van ooit vooral aan overleden rocksterren toebehoord hebbende curiosa opgehangen Americana van “Het zal wel zijn”.  Of het Waitsiaanse rammelbluesje “Knip van Sleine”, waarin er eentje – Een verknipte? – de weg vraagt naar de psychiatrische instelling Van Sleidinge. Of het op het eerste gehoor eerder onschuldige, zo ongeveer aan wandeltempo gedeclameerde “Nonkel Georges” over een reisgrage “brave nonkel”, die bij nader inzicht wel zo z’n redenen heeft om er constant opnieuw op uit te trekken. “De mensen zijn daar nog mé weinig content / Mé geld in au zakken zijde daar nen echten vent / Vriendelijke meiskes – Love you longtime / Gewillig en gedienstig – All of the time,” luidt het daarin veelzeggend.  En dan hadden we het nog niet gehad over het best wel wat desolaat aandoende, banjogestuurde “De lijne van mijn leven”. Daarin leidt door een handlezeres verkondigd slecht nieuws ogenblikkelijk tot het met een mes eigenhandig verlengen van de levenslijn uit de titel ervan door de door het lot opgejaagde. Nog zo’n, een weinig “creepy” aandoende deun is de intimistische pianoballade “Rosa”. Daarin horen we het aandoenlijke gejammer van een de hemel aanroepend oud moedertje, dat haar zoon net met een zak vol botten van het plaatselijke kerkhof heeft zien terugkeren. Een topmomentje! En da’s iets wat zeker ook geldt voor het een geen al te prettige jeugd verradende “Al dadde zegt”, het ingetogen schuifelend verweer van een net een keer te veel gepeste kleine jongen. En misschien nog wel meer voor het bluesy “Kop in ’t zand” en het intrieste “We komen wel af”. In het eerste blijken spreken en zwijgen in exact diezelfde volgorde als vanouds zilver en goud, in het tweede komt berouw na de zonde. Wie aan dat laatste geen brok in de keel overhoudt, is gewoon van steen. Die ene loze belofte… Wel duizend keer opnieuw gemaakt… We komen wel af! En nu… Nu is ze dood… Elke keer opnieuw mag ik na het beluisteren van dit nummer de opstaande haartjes van mijn armen gladstrijken. Een kippenvelmoment van formaat heet zoiets! En alleen daarom al zou ik jullie “Veur ’t zelfste geld” van Goes & De Gasten ook van ganser harte kunnen aanbevelen. Maar dan zou ik een heleboel andere nummers hier vreselijk te kort doen en dat doe ik uiteraard liever niet. O, en voor ik het vergeet, Goessens’ gasten, dat zijn ook bepaald niet van de minsten! Of wat dacht je van namen als HT Roberts, Bruno Deneckere, Lieven Tavernier, Filip de Fleurquin, Gijs Hollebosch, Niels Delvaux, Jan Borré en Mario Vermandel? Schoon volk inderdaad! En ‘n “vrie schuune” cd ook!

Goes en de Gasten

 

PHIL ODGERS “The Godforsaken Voyage” (Cargo Records / Suburban Records)

(3,5****)

Verrassend goed eigenlijk, deze soloplaat van Phil Odgers. Een man, die al wat oudere jongeren onder ons zich graag nog zullen herinneren als één van de dragende krachten achter The Men They Couldn’t Hang, de Britse groep die met name in de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw met albums als “Night Of A Thousand Candles”, “How Green Is The Valley”, “Waiting For Bonaparte” en “Silvertown” samen met The Pogues het folkgenre een gesmaakte facelift verkocht. Platen, die wij overigens ook nu nog op regelmatige basis graag nog eens mogen opleggen! Het zegt iets over de tijdloze kwaliteit ervan. Benieuwd, of we dat over dertig jaar of zo ook over deze soloschijf van Odgers zullen mogen schrijven. Want die is, zoals hier hoger al even gesteld, best wel goed. Odgers werkte er opnieuw voor samen met producer Mick Glossop, in het verleden ook al verantwoordelijk voor zo menig een The Men They Couldn’t Hang-album. Oorspronkelijk was het hun bedoeling om samen een EP te vullen met favoriete covers. Maar de online-reactie op Odgers’ mooie versie van Kris Kristoffersons “Sunday Morning Coming Down” was zo overweldigend, dat men al snel van dat plan afstapte en gewoon een volwaardige langspeler inblikte. En daarop belandden naast de al genoemde uitvoering van “Sunday Morning Coming Down” ook nog covers van “Through The Morning, Through The Night” van Gene Clark en “Bottom Of The Night” van Tom Waits (& Kathleen Brennan). En die blijken bij nader inzicht al even geslaagd uit te vallen. Zeker die van “Through The Morning, Through The Night”, waarvoor Odgers wat vocale bijstand kreeg van folkdiva Eliza Carthy. Eén van de vele opvallende gasten hier, die Carthy, naast onder meer ook nog Nick Reynolds van Alabama 3, John Jones van de Oyster Band, Morrissey-begeleider Johnny Bridgewood, Slim van Urban Voodoo Machine en Tom Spencer en Jon Odgers van… The Men They Couldn’t Hang. Samen met Odgers en z’n muzikanten verkennen zij tien nummers lang de grenzen tussen folk, country, pop en rock. En dat leverde quasi “en passant” enkele echte verhalende hoogstandjes op. Met name het titelnummer is er zo eentje. Daarop wordt tegen een voortdurend tussen folk en country twijfelende achtergrond het verhaal van een stel zich gewelddadig tegen de sluiting van de fabriek waar ze werken verzettende arbeiders verteld, dat eindigt met hun transportatie naar het verre Australië. Een echte prachtliedje! En zo bevinden er zich op “The Godforsaken Voyage” wel meer. We denken hier dan bijvoorbeeld in de eerste plaats ook nog aan het met Eliza Carthy en John Jones gebrachte “Dusty Fields”, aan het heerlijk melancholische “Coming Home” en aan het enigszins bevreemdend werkende “The Master’s Whip”.

The Men They Couldn’t Hang, Cargo Records, Suburban Records

 

NANCY DUTRA “Time Will Tell” (Dutrasweet Music)

(4,5*****)

Dit zou straks, aan het einde van kalenderjaar 2013, wel eens dé verrassing van het voorbije Americana-seizoen kunnen gaan blijken. Wat een plaat, dit debuut van de jonge Canadese Nancy Dutra! Geen wonder eigenlijk, dat ze nu al gerenommeerde collega’s als een Ron Sexsmith en een Kevin Welch tot haar vaste aanhang mag rekenen. Allebei bleken die trouwens ook bereid om mee te pennen aan een nummer voor “Time Will Tell” en allebei leveren ze ook gezongen bijdragen aan het album. En daarmee waren ze lang niet de enige bekende betrokkenen. De onder meer van zijn werk voor Jill Barber en Madison Violet bekende Les Cooper produceerde Dutra’s visitekaartje immers en ook Justin Rutledge, Jason Wilber, Chris Bennett en Old Man Luedecke droegen een steentje eraan bij. En dus zit louter muzikaal gezien alles hier vanzelfsprekend ook wel snor. Maar dé grote blikvanger is en blijft toch wel Dutra’s geweldige stem. Met dat fluwelen godsgeschenk lijkt ze echt alles aan te kunnen. Elf nummers lang hield ze ons alvast aan haar lippen gekluisterd. Van de ons best wel wat aan dames als een Lynn Miles of een Lucinda Williams herinnerende Americana-schuifelaar “Tears Would Fall” tot het poppy titelnummer, van het mede door een fijne orgelbijdrage van Robbie Grunwald en partnerzang van John Prine’s jarenlange rechterhand Jason Wilber erg soulvol uitvallende “Your Time Is Through” tot de met Justin Rutledge gebrachte alternatieve tranentrekker “Weak, Weary & Worn”, van de met Ron Sexsmith gepende en ook vocaal gedeelde prachtballade “Sweet Tomorrow” tot het met bluegrass stoeiende “Ride That Train”, van het licht jazzy swingertje “Bye Bye Baby” tot de volbloed-country van “I Cry” of de ingetogen Kevin Welch-co-write “Nowhere Left To Fall” en andere, je zal hier vergeefs op ook maar één enkel minder moment zitten te wachten. Werkelijk bloedmooi allemaal en derhalve ook van ganser harte aanbevolen! Zeker aan liefhebbers van het materiaal van de hoger al genoemde dames en aanverwante vrouwelijke zielen als Iris DeMent, Pieta Brown, Audrey Auld en Eliza Gilkyson.

Nancy Dutra, CD Baby

 

ARTHUR LEE LAND “Cracked Open” (Perfect Groove Records)

(3,5****)

Het minste wat je van de muziek van Arthur Lee Land zeggen kan, is dat die wel heel erg avontuurlijk van opzet is. En het is derhalve ook niet echt vanzelfsprekend om er een passende niche voor te vinden, om er een voor iedereen lekker gemakkelijk labeltje op te plakken. Land bedient zich van elementen uit onder meer folk(rock), bluegrass, world beat en elektronische muziek om tot iets echt wel volstrekt unieks te komen. En dat leidde in het verleden in de pers al tot behoorlijk “aparte stickertjes” erop. Of wat dacht je van termen als “electro-americana”, “afrograss-folktronica” en “altronicana”? Je moet er maar op komen! Wij houden het hier gemakshalve gewoon op “iets speciaals”. Iets op vreemde wijze fris aandoend ook. En dat hadden we, afgaand op wat voorafgaandelijk onderzoek op het internet, eigenlijk niet echt verwacht. Daarvoor leek het ons allemaal net iets té gemaakt. Maar goed, ook wij vergissen ons dus wel eens, he… En dat hadden we gelijk vanaf openingsnummer “Cracked Open” geweten ook. Middels nerveus snarengetokkel en warmbloedige zang wist Land ons daarmee gelijk voor z’n zaak over de streep te trekken. Een leuke hybride van folk(rock) en bluegrass, dat liedje. “After The Eclipse” stoeit vervolgens op zomerse wijze met pop, roots en een beat, “Left Hand Creek” is voorzichtig etherische, melodieuze (folk)pop, “Good Enough” doet (met name banjogewijs) iets heel moois (en heel radiovriendelijks ook) met pop en bluegrass en het licht onderkoeld gebrachte “Do You Ever Think Of Me?” diept dat gegeven zelfs nog wat meer uit. “Into The Waters” leeft vervolgens van iets als een Iberisch ritme, “Undertow”, het naar onze bescheiden mening met afstand mooiste nummer hier, staat garant voor enkele minuten ingetogen popperfectie en “Hawthorne Tree”, gebracht met wat vocale ondersteuning van bekende gasten Beth Nielsen Chapman en Leigh Nash, zal dat mede door z’n wel erg klantvriendelijke beat wellicht voor heel wat anderen zijn. Resten dan nog: “True North” en “Drum& A Chair” en z’n intro. Het eerste, een, zoals wel meer liedjes hier, onvervaard het slappe koord tussen traditie en toekomst bewandelend niemendalletje, het tweede een met een tabla en een vinnige banjo opgewaardeerd rondje stoeien met onder meer een Afrikaans ritme en bluegrassmotiefjes. Héél speciaal dus, he, maar dat schreven we hier inderdaad al eens eerder ergens…

Arthur Lee Land

 

WAYNE HANCOCK “Ride” (Bloodshot / Bertus)

(4****)

“Same old, same old” in Casa Hancock. De beste leerling uit het klasje van Meester Hank rampetampt er dus ook op z’n nieuwste weer driftig op los met het erfgoed van z’n grote voorbeeld. Traditionele country juke joint swing style dus, geworteld ergens diep in de jaren vijftig. En uiteraard ook weer een kloeke dosis rockabillygevoel, wat blues, her en der een prise rock & roll en zelfs wat vintage jazz-elementen. Voor de productie tekende net als voor voorganger “Viper Of Melody” weer Lloyd Maines. En die zag Hancock “this time around” aan de slag gaan met vrijwel uitsluitend eigen materiaal. Enkel de door “The Train” wellicht bij Jimmie Rodgers opgeraapte traditional “Any Old Time” vormt wat dat betreft een uitzondering. Allemaal samen elf nummers, goed voor ruim vijfendertig minuten top-amusement. Met als uitschieters naar onze bescheiden mening: het heerlijk rockende titelnummer, in de grote voetsporen van de oude Williams welig tierende songschoonheden als “Low Down Blues” en “Lone Road Home”, het z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Get The Blues Low Down” en het met een royale portie “twang” opgewaardeerde “Deal Gone Down”. Hoegenaamd niks nieuws onder de zon, maar wel weer heel erg lekker allemaal!

Wayne Hancock, Bloodshot Records

 

DOUG MACLEOD “There’s A Time” (Reference Recordings)

(4****)

‘t Is een beetje vreemd misschien, maar met elke nieuwe plaat van Doug MacLeod lijk ik nog wat meer van’ m te gaan houden. Maar wat hij doet is dan ook zó ontzettend puur! Je moet al bijna van steen zijn om er niet gelijk midscheeps door te worden geraakt! Geen grootse gebaren of extreem luide snarenmanoeuvres hier, neen, hier regeren een stel fluwelen vingers en een te allen tijde perfect daaraan beantwoordende stem. MacLeod als vaardige verteller, terwijl zijn vingers als het ware zelfstandig op zoek lijken naar een geschikte melodie bij elk van z’n verhalen. Behoedzaam bezoeken zij op “There’s A Time” weer een veelheid aan gitaren, luisterend naar kleurrijke namen als “Moon”, “Little Bit”, “Owl” en “12 String”. Daarbij bijgestaan door bassist Denny Croy en drummer Jimi Bott blikte MacLeod in mei van vorig jaar “live” dertien ook nu weer onder de noemer akoestische blues (& roots) vallende nieuwe songs in. “Live” tussen aanhalingstekens, omdat er wel degelijk werd opgenomen in een studio – de Skywalker Sound in Marin County CA meer bepaald – maar dan wel zonder de gebruikelijke overdubs. Gewoon samen in een cirkeltje zitten en spelen maar! Niet geheel en al zonder fouten misschien, maar who cares? Eigen songs als “Rosa Lee”, “Black Nights”, “The Up Song”, “My Inlaws Are Outlaws”, “The Entitled Few”, “A Ticket Out”, “Run With The Devil”, “East Carolina Woman”, “The Night Of The Devil’s Road”, “Ghost” en andere varen duidelijk wel bij die losse aanpak. Ze zullen zowel liefhebbers van het betere singer-songwriterspul als bluespuristen ogenblikkelijk een warm gevoel vanbinnen bezorgen! Wie MacLeod al kende, wist dat al wel langer. Wie hem nog niet kent, moest hier wat mij betreft dringend maar eens aan!

Doug MacLeod, Reference Recordings

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home