CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE WIDOWBIRDS “Heart’s Needle” - MATT ANDERSEN “Weightless” - WARD THOMAS “Footnotes EP” - SIMONE FELICE “Strangers” - BEVERLEY MARTYN “The Phoenix And The Turtle” - CARRIE TREE “Home To The Invisible” - LACHLAN BRYAN AND THE WILDES “Black Coffee” - BLAIR DUNLOP “House Of Jacks” - PHIL GAMMAGE “Adventures In Bluesland” - DAVID ROTH “Will You Come Home” - MATT HARLAN “Raven Hotel” - NICKY EGAN “The 45 Homestead Project” - DIRT RIVER RADIO “Rock N Roll Is My Girlfriend” - WILL KIMBROUGH “Sideshow Love” - PAUL CEBAR TOMORROW SOUND “Fine Rude Thing”

                                                                                                                                                                                                                                                        

 

THE WIDOWBIRDS “Heart’s Needle” (Teenage Head Music)

(3,5****)

Met hun onlangs verschenen tweede langspeler nemen de Aussies van The Widowbirds ons zonder het zelf goed te beseffen een flink eind mee terug in de tijd. Naar een tijd van nog heel wat langere haren en een uitgesproken voorliefde voor luide gitaren meer bepaald. Laat er ons als label maar grote delen van de seventies opplakken. Toen hadden we het nogal voor muziek van het door The Widowbirds geproduceerde soort. Voor bluesy rock van het hardere type, gedragen door schreeuwerige stemmen en met luide gitaren à volonté. Is ondertussen wel iets minder dagelijkse kost geworden hier, maar toch! Wat de Widowbirds op “Heart’s Needle” brengen, vinden we ook nu nog erg goed. Het doet ons met plezier terugdenken aan favorieten van weleer als Led Zeppelin, de Free en aanverwanten. En dat zou eigenlijk genoeg moeten zeggen. Behoorlijk straffe zang- en gitaarpartijen inderdaad en dito melodieuze songs ook. Om het met de woorden van “good old” Tony Joe White samen te vatten: “You boys make a real good noise, I mean REAL GOOD!”

The Widowbirds

 

MATT ANDERSEN “Weightless” (True North Records / Bertus)

(5*****)

“Mijn albums zijn geen van alle bluesalbums – ik heb er al wel blues awards mee gewonnen, maar ik zou het zeker geen bluesalbums noemen,” aldus de Canadees Matt Andersen zelf recentelijk over zijn tot op heden verschenen platen. Een opmerkelijke uitspraak misschien, maar wel eentje die steek houdt. Andersen mag dan al enkele jaren een graaggeziene gast in bluesmiddens zijn, eigenlijk is hij in de eerste plaats een uitstekende singer-songwriter. En een geweldige zanger natuurlijk. Soulvoller dan de zijne worden strotten al een poosje niet meer gemaakt…

En het lijkt wel alsof Andersen met z’n nieuwste worp nog wat meer dan voorheen op die twee facetten van z’n eigen persoontje heeft willen focussen. Gelijk van bij het samen met z’n landgenoot Joel Plaskett gepende en over een soortement van reggaeritme gedrapeerde soulvolle openingsnummer “I Lost My Way” is meteen weer duidelijk, dat Andersen inderdaad veel ruimer gaat dan louter en alleen maar blues. Het daaropvolgende en ook al met die Plaskett geconcipieerde “My Last Day” herinnert vervolgens op bezielde wijze tegelijk aan de jonge Joe Cocker en de Van Morrison van in de eerste helft van de jaren zeventig, “So Easy” is een lieflijke countryballade, titelnummer “Weightless” een veritabel juweel van een midtempo R&B-nummer en “Alberta Gold” een streepje puur verhalend rootspopgoud.

Met Thom Swift schreef Andersen de prachtige trage “Let’s Go To Bed”, met Dave Gunning het licht funky opgevatte “The Fight”, met Suzie Vinnick het behoorlijk “seventies” aandoende “Drift Away”, met Keith Mullins de voorzichtig poppy aangeklede Americana van “Let You Down”, met de je onder meer van zijn bijdragen aan Blackie & The Rodeo Kings bekende Tom Wilson het op een rockabillymotiefje geënte “City Of Dreams” en met Ryan Hupman naast het al genoemde titelnummer ook nog de broeierige sleper “Between The Lines” en het spirituele “What Will You Leave”.

Pop, folk, country, blues, soul,… – you name it, Andersen does it! En hoe! In een productie van de je wellicht ook van zo menig een Los Lobos-parel bekende Steve Berlin tekent de Canadees hier naar ons gevoel voor wat straks allicht één van dé muzikale hoogtepunten van 2014 zal gaan blijken. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen…

Matt Andersen, True North Records

 

WARD THOMAS “Footnotes EP” (WTW Music)

(3***)

“Footnotes” is een vier songs tellende EP, die ons nu al een beetje warm moet maken voor het volgende zomer te verschijnen volwaardige plaatdebuut van de tweelingzussen Catherine en Lizzy Ward Thomas. Amper negentien jaar oud zijn ze, die twee Britse youngsters, en dat gegeven vertaalt zich op deze eersteling naar een geluid, waarin country naar onze normen wat al te veel overhelt naar pop. En dat is geen wonder ook, als je weet dat de twee naast de dezer dagen bijna obligate Johnny Cash en Alison Krauss ook de Dixie Chicks en Carrie Underwood als invloeden noemen.

“Footnotes” bevat naast drie door de dames in het verre Nashville ingeblikte originelen ook één covertje. Het afsluitende “Caledonia” meer bepaald, een mooie trage ontleend aan het oeuvre van Dougie MacLean. En naar onze bescheiden mening meteen ook het allermooiste nummer van de vier hier. Het puurste alleszins. En als dusdanig het ideale vehikel voor de bij momenten echt hartverscheurend mooie samenzang van de zussen Ward Thomas. Waarmee we meteen ook hun voornaamste troefkaart op tafel hebben gegooid.

De overige drie nummers zijn het wel heel erg poppy opgevatte, een als eerder bitterzoet te omschrijven relatie met technologie als inhoudelijk uitgangspunt gebruikende “The Good And The Right”, het wat meer americana-gerichte en hier derhalve wat beter in de smaak vallende titelnummer – Met weer dat fraaie harmonieerwerk! – en “Take That Train”, een uit het leven gegrepen verhalend deuntje met minstens evenveel pop als country in de aderen.

Zullen we het in verband met Ward Thomas dus maar op een nog in te lossen belofte houden? Misschien toont de toekomst zich dan wel een bondgenoot…

Ward Thomas

 

SIMONE FELICE “Strangers” (Team Love Records)

(5*****)

Als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan verkoopt Simone Felice van dit album losweg een paar miljoen exemplaren. De je onder meer al van zijn bijdragen aan The Felice Brothers en The Duke & The King bekende Amerikaan levert met zijn tweede soloplaat “Strangers” immers een volstrekt tijdloos geheel af. Een echte instant-klassieker als het ware. Een plaat, waarvan je al na één enkele beluistering weet, dat je ze voor de rest van je leven zal gaan koesteren als een ware schat.

Elk van de in totaal tien nieuwe liedjes erop heeft dat zekere “je ne sais quoi” dat elke houdbaarheidsdatum a priori compleet overbodig lijkt te maken. Denk in dat verband bijvoorbeeld ook maar even aan heel wat pareltjes op het repertoire van Dylan, Leonard Cohen, Gordon Lightfoot, Cat Stevens en The Band. Zij zouden de zo ongeveer perfecte invalshoek kunnen vormen om je voor het eerst aan dit meesterwerk te wagen. Als aanloop richting het werk van een bescheiden genie. Poëtische grandeza quasi voortdurend koppelend aan een onwaarschijnlijke diepgang en een al even ontwapenende eerlijkheid zal het je ogenblikkelijk vloeren, zeker weten…

Dingen als het zomers warmbloedige “Molly-O!” en zich volop in melancholie wentelende “merveilles” als “If You Go To L.A.”, “Our Lady Of The Gun”, “Bye Bye Palenville”, “The Best That Money Can Buy”, “Bastille Day” en andere staan voor niets minder dan (roots)pop-perfectie.

Eén van dé gedoodverfde kandidaten dan ook om straks aan het eind van het jaar helemaal bovenaan het lijstje met onze favoriete schijven van de voorbije maanden te prijken, dit album. Een niets minder dan essentiële aanschaf!

Simone Felice

 

BEVERLEY MARTYN “The Phoenix And The Turtle” (Les Cousins)

(4****)

Voor het eerst in veertien jaar pakt Beverley Martyn weer eens uit met nieuw materiaal. Het album “The Phoenix And The Turtle” bevat in totaal negen liedjes. Liedjes, die ze schreef doorheen zowat haar gehele carrière. Van haar allereerste eigen nummer ooit, het ingetogen “Sweet Joy”, tot “Reckless Jane”, een nooit eerder ingeblikte samenwerking met wijlen Nick Drake. En alleen al dat laatste liedje maakt een aanschaf van “The Phoenix And The Turtle” ons inziens meer dan de moeite waard. Van een werkelijk volstrekt tijdloze schoonheid is het! Met het werk van Drake (uiteraard) als een uitstekend referentiepunt.

En dat “Reckless Jane” is lang niet de enige veritabele songschoonheid hier! Ook het op een enigszins bevreemdende manier bluesy aandoende “Going To Germany” en het in al zijn grandeur voorwaar voorzichtig even aan Janis Joplin herinnerende “When The Levee Breaks”, heropnames van twee liedjes die Martyn al aan het begin van haar loopbaan bij jug band The Levee Breakers placht te zingen, het bedaard voortkabbelende “Potter’s Blues”, het daadwerkelijk tot veelvuldig laatavondgebruik uitnodigende “Nighttime” en het uit hetzelfde muzikale vaatje tappende tweetal “Women & Malt Whiskey” en “Jesse James” konden hier alleen maar op goedkeurend geknor rekenen.

“The Phoenix And The Turtle” werd door Martyn onder de productionele hoede van Mark Pavey ergens in Wales ingeblikt. Naast hand-en-spandiensten van diezelfde Pavey op tal van gitaren bevat het album ook bijdragen van ex-Counting Crows-bassist Matt Malley en de je misschien wel van zijn werk voor Los Lobos bekende drummer Victor Bisetti.

Echt verbluffend goed!

Beverley Martyn

 

CARRIE TREE “Home To The Invisible” (Wild Cedar Records)

(3,5****)

De uit Brighton afkomstige Britse songsmid Carrie Tree wist onze aandacht in eerste instantie vooral te trekken met een toch wel als hoogst apart te bestempelen cover. Haar werkelijk magistrale, van alle overbodige franje ontdane lezing van de Portishead-hit “Glorybox” meer bepaald. Hoe de jonge Engelse zich dat indertijd ook door ons heel erg gesmaakte nummer eigen maakte sprak meteen tot onze verbeelding. En dus dompelden we ons ook met het nodige plezier onder in haar nieuwe album “Home To The Invisible”.

Die plaat bleek op de keper beschouwd vol te staan met eerder delicate folkliedjes die het toelieten levenslijnen te trekken richting onder anderen Joni Mitchell, Nick Drake en John Martyn. We hebben het dan over dingen als het buitengewoon breekbaar aandoende openingsnummer “Never Said Goodbye”, “Better Next Time” en andere. Her en der bleken er ook uitlopers te vinden tot in Zuid-Afrika. Zo reisde Tree voor het inblikken van “Mama Kita” bijvoorbeeld naar Durban af. Daar verbleef ze zo’n twee weken en werkte ze samen met onder meer zangers Albert Mazibuko van Ladysmith Black Mambazo en Zamo Mbutho uit Miriam Makeba’s band. Het behoeft allicht geen betoog, dat het resultaat dan ook zeer authentiek aanvoelt. Net als “Graceland” van Paul Simon een heel mooi voorbeeld voor de stelling dat een botsing tussen diverse culturen niet altijd tot grote stukken hoeft te leiden.

Andere opvallende momenten op “Home To The Invisible”: het op wel heel subtiele wijze met wat elektronische geluiden besprenkelde “Perfectly Cast”, het wat levendiger dan het merendeel van de songs hier ingevulde “Wild Winds” en de voor de mens Tree naar verluidt behoorlijk karakteristieke “Water Song”. Stuk voor stuk ideale kompanen voor in de late uurtjes.

Carrie Tree

 

LACHLAN BRYAN AND THE WILDES “Black Coffee” (WJO)

(4,5*****)

Wat een heerlijke plaat! (Net als z’n voorgangers “Ballad Of A Young Married Man” en “Shadow Of The Gun” trouwens…) Alternatieve Australische country van het werkelijk allerbeste soort. En onlangs in eigen land dan ook terecht bekroond tot “Best Alt. Country Album” van het jaar.

Lachlan Bryan en kompanen staan garant voor een als ronduit subliem te omschrijven mix van elementen uit country, folk en rock & roll. Met de nadruk uiteraard op het eerste van dat drietal en dat in de ruimste zin van het woord. Soms horen we de (country)rocker, veelal de troubadour, af en toe ook de traditionalist in Bryan. Allemaal even vaardig. En voortdurend vakbekwaam ondersteund door de Wildes ook.

Veel van het materiaal voor “Black Coffee” schreef Bryan zo’n jaar of anderhalf geleden tijdens een liefst drieëntwintig staten aandoende tournee doorheen de States. Hij vond er naar eigen zeggen inspiratie in “run-down hotels, roadside diners, desert landscapes and cheap, supermarket six-packs”. In “een Amerika in het voorbijrijden” als het ware. En die atmosfeer ademt “Black Coffee” eigenlijk ook. Overtuig jezelf daarvan bij gelegenheid maar eens middels een beluistering van dingen als het met Bill Chambers gebrachte en gestaag voorbijrockende “309”, het voorzichtig wat richting een old-time-geluid lonkende “Big Fish”, het op de keper beschouwd eerder als rock & roll dan als country te bestempelen “You, Me And The Blues”, de omineuze rootsy trage “Deathwish Country” of het op bijzonder soulvolle wijze met Zoe Rinkel gedeelde “Dragging My Chain”. En dan hadden we het nog niet over de sublieme authentieke Americana van het titelnummer en “Change In The Wind”, het lang niet alleen tekstueel dreigend aandoende “The CEO Must Die”, de al bij al eerder traditioneel ingevulde ballade “Kiss Me Or Kill Me” en het afsluitende, ons samen met z’n “surrogaatzus” Melody Pool aangereikte juweeltje “Forty Days And Nights”.

Zouden we durven aan te beleven aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Kieran Kane, een Radney Foster en een Steve Earle. Echt wel heel erg straffe rootsmuziek dus!

Lachlan Bryan, Bandcamp

 

BLAIR DUNLOP “House Of Jacks” (Rooksmere Records)

(4****)

De Britse hypemachine heeft er met Blair Dunlop weer een vette kluif bij. De man wordt sinds z’n onwaarschijnlijk mooie debuutplaat “Blight & Blossom” van goed en wel anderhalf jaar geleden en de met de dames van Larkin Poe gedeelde EP “Killing Time” van vorig jaar naar onze bescheiden mening terecht als één van dé te volgen (folk)talenten van de toekomst geroemd. Iets wat hem vorig jaar tijdens de BBC Radio 2 Folk Awards alvast de felbegeerde Horizon Award opleverde.

En dus waren de verwachtingen met betrekking tot z’n moeilijke (volwaardige) tweede hier ook hooggespannen. Zou Dunlop al het over hem vertelde en geschreven goede kunnen bevestigen of net niet? Wij kennen tot ons grote geluk ondertussen het antwoord op die vraag. En dat is… Ja! Ja! En nog eens ja! Het qua productie iets minder licht dan z’n voorganger uitgevallen “House Of Jacks” is een echte schoonheid van een singer-songwriterplaat geworden. Strandend ergens tussen folk en pop lijkt het elf songs tellende geheel niets minder een stralende toekomst te wachten. Het zou ons alvast absoluut niet verbazen mocht Dunlops tweede in groten getale aftrek gaan vinden.

Dunlops voornaamste troeven? Zijn mooie, rustgevende stem, zijn kristalheldere gitaarspel en vooral ook zijn verhalen. Als mooie voorbeelden van dat laatste staan onder andere het zich aan een wel heel erg diepgewortelde liefde overgevende titelnummer, het op sfeervolle wijze het drastisch veranderende lot van een jonge Italiaanse voetballer bezingende “The Ballad Of Enzo Laviano” en het deterministische “Chain By Design” als een huis.

Dunlop lijkt bij het schrijven van deze en andere liedjes vrijwel voortdurend voor zijn vak klassieke normen en waarden te hebben nagestreefd. Maar dat betekent hoegenaamd niet, dat het resultaat er oubollig is door gaan klinken. Wel integendeel zelfs! Door voor een wat ruimer instrumentarium dan voorheen te opteren verleende de beste man aan zijn nieuwe worp juist een meer eigentijds karakter.

Dit horen is het ook kopen!

Blair Dunlop

 

PHIL GAMMAGE “Adventures In Bluesland” (World Wide Vibe)

(3,5****)

Phil Gammage levert met z’n nieuwste een plaat af, waarvan je de titel wel heel erg letterlijk mag nemen. In een productie van Kevin Tooley en met de nodige studiohulp van Don Fiorino (lap steel en banjo), Richard Demler (bas), Kevin Tooley (drums en percussie) en Joe Nieves (background vocals) tackelt hij (zang, gitaar en harmonica) op “Adventures In Bluesland” in totaal dertien de grenzen van het bluesgenre flink aftastende nummers. Een zevental daarvan blijken eigen composities, de rest zijn covers. Onder meer van de ZZ Top-hit “La Grange” en de traditionals “In The Pines” en “Wayfaring Stranger”. Veelal moody, behoorlijk groovy spul, hier en daar afgewisseld met een wat wilder nummer. Met daarbij vrijwel voortdurend een uitgesproken hoofdrol voor de ons best wel wat aan die van wijlen Elvis Presley herinnerende baritonstem van Gammage zelf. Onze zoals steeds onverbintelijke luistertips: het heerlijk nerveuze “Kills Me When You’re Gone”, de lome, quasi dronken aandoende R&B van “Trying To Get To You” en zeker ook ’s mans geslaagde verbouwing van het hoger al even genoemde “In The Pines”.

Phil Gammage

 

DAVID ROTH “Will You Come Home” (Stockfisch Records)

(3,5****)

Zanger-songsmid David Roth gebruikt zijn liedjes om ons tot op zekere hoogte deelachtig te maken aan zijn eigen leven. In de twaalf songs op “Will You Come Home” neemt hij ons mee op een trip langsheen diverse haltes in z’n bestaan tot op heden. Met zijn warme stem, z’n geoefende pen en de eigen akoestische daarbij als z’n voornaamste bondgenoten schildert hij in z’n liedjes verhalen, anekdotes en herinneringen. Het resultaat is wat wij ruim vijftig minuten luistervoer voor gevorderden zouden willen noemen. Een reeks betoverende melodieën als vehikel voor een stel welgemeende boodschappen. Fraai mee ingekleurd door Ian Melrose, Lutz Möller, Lucile Chaubard, Don Ross, Manfred Leuchter, Beo Brockhausen, Kerstin Blodig, Alessandro Gulino, Hans-Jörg Maucksch, Lea Morris en Mike Silver. Luisterliedjes, te situeren ergens tussen akoestische pop, kleinkunst en folk. En aan te bevelen derhalve ook in eerste instantie aan pakweg de liefbbers van de muziek van James Taylor en aanverwanten.

David Roth, Stockfisch Records

 

MATT HARLAN “Raven Hotel” (Berkalin Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

We hebben nog maar zelden een album met zoveel overwicht de eerste plaats in de Euro Americana Chart weten claimen, als “Raven Hotel” van Matt Harlan deze maand. De momenteel door onze contreien tourende Texaanse songsmid degradeerde met z’n derde de nochtans verre van misselijke concurrentie als het ware tot louter bijrolletjes. En wat meer is… Terecht ook! Want “Raven Hotel” is wederom een bescheiden meesterwerk! Veel beter kan je Texaanse Americana anno nu wel niet maken!

In een productie van de indertijd ook al mee voor het welslagen van z’n geweldige debuut “Tips & Compliments” verantwoordelijke Rich Brotherton en met de nodige studiohulp van diezelfde Brotherton (akoestische en elektrische gitaren, banjo, lap steel, dobro, bas, synth en zang) en z’n vrouw Maddy (viool) en collega’s als een Bukka Allen (accordeon, orgel, piano), Floyd Domino (keyboards), Glenn Fukunaga (diverse bassen), John Green (drums en percussie), John Mills (tenorsax), Mickey Raphael (harmonica) en z’n eigen vrouw Rachel Jones (zang) waadt Harlan op z’n nieuwe worp omzichtig doorheen twaalf eigen nieuwe liedjes. Liedjes, waarmee hij zich zo stilaan toch wel van een eigen plaatsje tussen zingende en schrijvende groten der aarde als een Guy Clark, een Lyle Lovett en een Robert Earl Keen weet te verzekeren. Liedjes, gebaseerd op scherpzinnige waarnemingen en derhalve ook rijk aan tekstuele hoogstandjes. Met de poëzie te allen tijde ten dienste van het liedje, zeg maar. Soms (zacht country)rockend (“Rock & Roll”), soms eerder jazzy (“Burgundy & Blue”), geënt op elementen ontleend aan het bluegrassgenre (“Half Developed Song”) of folk (het ongemeen prachtige titelnummer) of Americana tout court (“Rearview Display”).

Enkele van onze geprefereerde momenten: de even simpele, als mooie Texicana van “Old Spanish Moss”, de in duet met z’n vrouw Rachel gebrachte schuifelaar “Slow Moving Train”, het van achter een verleidelijke sluier van gitaar- en orgelklanken naar je lonkende rootspopjuweeltje “The Optimist” en “Old Allen Road”, een weemoedig ingekleed stukje troubadoursdiepzinnigheid.

“One good thing about music,” aldus wijlen Bob Marley ooit in een wel zeer helder moment, “when it hits you, you feel no pain.” En da’s maar goed ook, want anders lagen we dankzij de brave Matt Harlan nu ergens ferm af te zien…

Matt Harlan, Sonic Rendezvous

 

NICKY EGAN “The 45 Homestead Project” (Ropeadope)

(4****)

Op haar eigen webstek noemt aanstormend roots’n’soul-talent Nicky Egan onder meer Candi Staton, Janis Joplin, Sarah Vaughan, Etta James, Otis Redding, Norah Jones, Bonnie Raitt, Joni Mitchell, Aretha Franklin, James Brown en Dan Auerbach als grote inspiratiebronnen. Maar er is er, als je ‘t ons vraagt, toch eentje, die ze lijkt te – Willen? – vergeten… En dat is wijlen Amy Winehouse. Haar stem en haar manier van zingen herinneren immers meer dan zomaar een klein beetje aan die van het veel te vroeg overleden supertalent. En net als die Winehouse wist ook Egan ons dus zonder pardon te vloeren.

De zeven nummers van haar tweede album “The 45 Homestead Project” zijn van die aard, dat je er als luisteraar vrijwel ogenblikkelijk aan verslingerd geraakt. Dingen als het tegelijk aan Winehouse en de legendarische Temptations in hun hoogdagen herinnerende “Made A Fool Of Me”, het als een zacht zomerbriesje voorbijwaaiende “I Tried”, het zwoele “Left Unsaid”, het met een warmbloedige toetsenbijdrage omzoomde en wellicht mede daardoor buitengewoon radiovriendelijk overkomende “Rules Within” en het van opzet wel iets van enkele van Marvin Gaye’s vele meesterwerken hebbende “Train Trials” nestelen zich meteen knus tussen je oren.

Best wel vreemd eigenlijk, dat er tot op heden nog geen van de grotere platenmaatschappijen op Egans wagentje gesprongen is. Dit bulkt naar onze bescheiden mening in al z’n authenticiteit immers toch van de commerciële potentie!

Een echte ontdekking!

Nicky Egan, Bandcamp

 

DIRT RIVER RADIO “Rock N Roll Is My Girlfriend” (Bad Reputation)

(4****)      

Die van het Australische Dirt River Radio maken zich op om in de nadagen van 2014 voor het eerst ook Europese podia onveilig te komen maken en dat zullen we geweten hebben ook. Bij wijze van opwarmertje kregen we onlangs alvast “Rock N Roll Is My Girlfriend”, het derde album van het viertal uit de buurt van Melbourne voorgeschoteld. En dat beviel ons heel erg goed. Zo goed zelfs, dat we nu alvast uitkijken naar het momenteel door de groep ergens in de buurt van hun thuishaven ingeblikte nieuwe album, dat als veelbelovende werktitel “Tea & Pornography” meekreeg.

In afwachting daarvan nemen we echter graag nog een poosje genoegen met “Rock N Roll Is My Girlfriend”. Dat album namen zangers-gitaristen Heath Brady en Danger Alexander en hun maats op onder de productionele hoede van de je misschien ook wel van zijn werk met Midnight Oil of Paul Kelly bekende Matt Voight. En diens voornaamste opdracht bestond er “this time around” in om de vibe van de Stones-klassieker “Exile On Main Street” zo dicht mogelijk te benaderen. Een missie, waarin hij wonderwel slaagde. Hij wist het live-geluid van de band alvast perfect naar de nieuwe studioplaat te vertalen.

Wie houdt van onder gruis bedolven stembanden, heftige gitaarescapades en het liefst dan nog van meerdere exemplaren van het type Gretsch tegelijk, van classic rock vermengd met wat blues en zelfs alternatieve country, die zit bij Dirt River Radio goed voor ruim eenenveertig minuten luisterplezier van de bovenste plank. Uptempo gitaarrockers worden op “Rock N Roll Is My Girlfriend” afgewisseld met zo menig een wat meer ingetogen momentje. Raakpunten zijn er daarbij met tal van classic en Southern rock acts, naast natuurlijk met de Stones en de Black Crowes. Knap trouwens ook, hoe men er voortdurend zorg voor draagt bij zoveel vingervaardigheid het liedje nooit echt uit het oog te verliezen.

Onze lievelingsmomenten: de behoorlijk nadrukkelijk het gebruik van anabole steroïden verradende speed country van “Fuck You * I Miss You”, het ongemeen soulvolle “New York City”, de knappe, op geheel en al natuurlijke wijze een aardig eindje richting Americana overhellende power ballad “All The Good Girls” en de vanuit nagenoeg heel zijn wezen om veelvuldig radiogebruik smekende melodieuze rocker “Blackhearted”. Nummers van dat kaliber staan quasi garant voor een hoogst opwindende live act. Iets waarvan we ons op woensdag 1 oktober in het Manuscript in Oostende ook effectief kunnen gaan overtuigen overigens, want daar zal de band dan uitgebreid ten dans spelen.

Dirt River Radio

 

WILL KIMBROUGH “Sideshow Love” (Daphne Records / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Gevraagd naar een eigen omschrijving van z’n net verschenen zevende soloplaat had muzikaal manusje-van-al Will Kimbrough onlangs een bijzonder leuk antwoord klaar. “I like to think of it as a trip from Saturday night to Sunday morning. From flirt to first kiss, from heart to heart all night conversation to sunup and coffee and oh-my-God-what-are-we-going-to-do-now? With killer guitar parts.” Een wel bijzonder treffende samenvatting, aangezien het merendeel van de songs erop daadwerkelijk focust op de liefde in zowat al haar aspecten. Zo ongeveer elke halte tussen smachtend verlangen en pure lust wordt daarin wel ergens aangedaan. En dat levert als geheel weer een bijzonder fijne Americana-plaat op.

Kimbrough produceerde het album zelf. Al kreeg hij daarbij wel de nodige hulp van David Henry. En die was naar goede gewoonte ook van de partij op z’n cello. Andere betrokkenen: bassisten Chris Donohue en Tim Marks, drummer-percussionist Paul Griffith, gitarist Pat Buchanan (voor de slidebijdrage in “Dance Like Grownups Dance”) en zangeres Lisa Oliver Gray. Maar het merendeel van het werk deed Kimbrough zoals we dat door de jaren heen van hem gewoon geraakt zijn uiteraard ook nu weer zelf. En dat betekent, dat we hem hier niet enkel horen zingen, maar ook aan de slag weten op respectievelijk gitaren, mandoline, banjo, elektrische bas, keyboards en wat percussie-instrumenten. Een manusje-van-al inderdaad, zoals we al schreven…

Alle songs voor “Sideshow Love” schreef Kimbrough daarenboven ook zelf. Zij het, dat dat zo nu en dan wel gebeurde met een schrijfgrage andere pen in de buurt. Met name die van collega’s Jeff Finlin (voor het bedaarde, maar hypernerveuze rootsy rockertje“When Your Loving Comes Around”), John Deaderick (voor het zomers sensuele rootspopdeuntje “Dance Like Grownups Dance”), Joy Lynn White (voor de verbluffend mooie Americana-ballade “Has Anybody Seen My Heart”) en Carter Wood (voor het in dezelfde buurt als het vorige liedje residerende en van de ingehouden spanning levende “Who Believes In You”).

Samengevat: “Sideshow Love” mag worden ondergebracht onder de hoofdingen Americana, country(rock) en roots pop. En binnen elk van die vakjes verdient de plaat het wat ons betreft ook te worden aanbevolen.

Will Kimbrough, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

PAUL CEBAR TOMORROW SOUND “Fine Rude Thing” (Groovesburg Joys / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Holy shit, wat een geweldige plaat is dit! Een echte bom! Niet meteen gemakkelijk te categoriseren, maar what the fuck! Dit is ruim veertig minuten lang frenetisch bonken op de poorten van de rootsmuziekhemel. Van het op bezeten wijze met een schijnbaar aan het repertoire van Elvis Costello en z’n Attractions in hun formatieve jaren ontleende beat aan de slag gaande titelnummer tot de aan min of meer dezelfde periode refererende en z’n titel echt wel alle eer aandoende pub rock van “Summer Starts Right Now”, van het samen met Chuck Mead gepende en op een gigantische swampy soulgolf surfende “Baby Shake” tot het op z’n Al Greens gecroonde – Gekreunde? – “You Owe It To You”, van het zwaar verslavende, een Afrikaans ritme op een Westerse funkleest mishandelende “The Whole Thing” of het extreem catchy, ook al bandeloos (loom) funky uit de hoek komende “Might Be Smiling” tot het met lentefris gitaargerinkel en dito orgelgezoem opgewaardeerde mid-tempo rockertje “Not Necessarily True”, van het bijzonder radiogenieke “rootspopdondertje” “Yeah Yeah” tot het zo’n beetje op z’n Van Morrisons met een soulgegeven omspringende “Just That Cold”, van het samen met Cesar Rosas van Los Lobos geconcipieerde en onder een dijk van een groove krakende “Shack & Shambles” tot “Like Loving People Do”, de in een onvervalst skagewaad gehulde “grande finale”, niet één nummer dat we hiervan nog zouden willen missen! Dit wordt onze soundtrack voor een hopelijk weer lekker hete zomer! Zeker weten…

Paul Cebar Tomorrow Sound, Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home