CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE HIGH LINE RIDERS “Bumping Into Nothing” - JESSE MALIN “New York Before The War” - JJ GREY & MOFRO “Ol’ Glory” - JOEL RAFAEL “Baladista” - THE KENNEDYS “West” - MALCOLM HOLCOMBE “The RCA Sessions” - AMERICAN AQUARIUM “Wolves” - DIVERSE ARTIESTEN “Signature Sounds 20th Anniversary Collection, Rarities From The Second Decade” - THE FOGHORN STRINGBAND “Devil In The Seat” - THE PINE HILL PROJECT “Tomorrow You’re Going” - DUNDERHEAD “Dunderhead” - ANDREW MAXWELL MORRIS “Well Tread Roads” - SHOUTIN’ RED “Introducing: Shoutin’ Red” - NEW RISING SUN “We’re All Coming Home” - WRINKLE NECK MULES “I Never Thought It Would Go This Far” - HANS THEESSINK & TERRY EVANS “True & Blue” - BAND OF RUHKS “Band Of Ruhks” - JOE PUG “Windfall” - WILL HOGE “Small Town Dreams” - ROB LYTLE “A Hypocrite Of Heart And Hope” - ROBIN ADAMS “The Garden” - TOM RUSSELL “The Rose Of Roscrae” - POKEY LAFARGE “Something In The Water” - PAUL BRADY AND HIS BAND “The Vicar St. Sessions Vol. 1”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

THE HIGH LINE RIDERS “Bumping Into Nothing” (Blue Rose  Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)   

Na een radiostilte van goed en wel 18 jaar duiken The High Line Riders als het ware vanuit het niets plots terug op. The wie, vroeg u? The High Line Riders. Het rootsrockbandje uit New York, dat ons ooit singer-songwriter Ed Pettersen opleverde, remember? Nu ja, mocht er ondertussen nog steeds geen belletje zijn gaan rinkelen, dan maakt dat eigenlijk ook niet zo heel erg veel uit. Genieten kan je van nieuwe worp “Bumping Into Nothing” immers ook zonder de nodige voorkennis van het bandverleden.

Wat valt er allemaal te weten? Wel om te beginnen bijvoorbeeld, dat je de Riders dient te gaan zoeken in zo ongeveer dezelfde hoek als de Bottle Rockets, de Brandos, de Del Lords en de Drive-By Truckers. Die van de roots rock en alternatieve country geleverd met het bindende advies “Crank It Up!” dus. Muziek, waarin de gitaren zo goed als nooit om aandacht dienen te bedelen.

En voorts lijkt het ons zeker ook wel interessant om mee te geven, dat de band naast Ed Pettersen (zang en gitaren) verder ook nog gitarist Gary Goodlow, drummer Pete Abbott, bassist David Santos en de je misschien wel van zijn werk met Jason Molina bekende steelgitarist Mike “Slo Mo” Brenner in haar rangen telt. En dat Pettersen niet enkel alle twaalf de liedjes voor “Bumping Into Nothing” aandroeg, maar en passant ook nog even tekende voor de productie ervan. En op die manier dus ook medeverantwoordelijk werd voor het binnen de lijntjes kleuren van gasten als Jen Gunderman, Freddy Holm, Henning Kvitnes, Ida Jenshus, Freedy Johnston, Chuck Mead, The Farewell Drifters, Joanna Smith en Wendy Moten.

Opvallendste momenten van een überhaupt opvallend coherent geheel zijn wat ons betreft de met good old Freedy Johnston gedeelde melancholische gitaarrocker “Everytime It Rains”, de twee versies van het knappe “Cold Comfort” met ditmaal opvallende bijrollen voor de Noorse tandem Henning Kvitnes en Ida Jenshus, de met de onvolprezen Farewell Drifters ten gehore gebrachte shouter “Janey”, het als een bluesy klaagliedje verpakte eerbetoon aan de man uit z’n titel “Jason Molina’s Blues”, de heerlijk melodieuze, meteen tot luidkeels meebrullen uitnodigende rocker “You Can’t Get There From Here” en het meteen daaropvolgende en er ook perfect bij aansluitende “I Don’t Think About When You Were Mine” (met Chuck Mead) en zeker ook niet te vergeten, de fraaie, met zalige jengelgitaartjes en dito ondersteunende zang van Joanna Smith opgewaardeerde trage “I’m Where You Where”.

Wedden, dat het allemaal ruimschoots volstaan zal om onverwijld op zoek te gaan naar een exemplaartje van “Somewhere South Of Here”, de al in 1997 verschenen enige eerdere plaat van de groep? Die kwam er overigens nog onder de naam Ed Pettersen & The High-Line Riders. (Het kan maar helpen bij het zoeken…)

The High Line Riders, Blue Rose Records

 

JESSE MALIN “New York Before The War” (Velvet Elk / One Little Indian)

(4****)

Goed en wel vijf jaar na z’n laatste worp, het in 2010 verschenen “Love It To Life”, meldt Jesse Malin zich op ronduit indrukwekkende wijze terug met “New York Before The War”. ’s Mans batterijen zijn na die best wel lang uitgevallen carrière-time-out duidelijk weer goed geladen.

En “New York Before The War” kon daardoor uitgroeien tot een wat we zouden durven noemen aangenaam gevarieerd klinkend geheel. Met als inzet een wat moody aandoende pianoballade die gaandeweg aanzwelt tot iets van een bedaarde rocker. “The Dreamers” is dat. Vervolgens gaat het via de met een catchy baslijn meteen met de deur in huis vallende power pop van “Addicted” en de op messcherpe gitaren geënte Stones-y rock & roll van “Turn Up The Mains” richting een volgend absoluut hoogtepunt. Want dat is “Oh Sheena” wat ons betreft echt wel ontegensprekelijk. Heerlijke catchy stuff! Ons nerveus rockend best wel wat aan Paul Westerberg en de Replacements in hun hoogdagen herinnerend. Iets wat overigens voor wel meer nummers hier geldt. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag ook nog de regelrechte oorwurm “Boots Of Immigration” en het bij momenten meer gesproken dan gezongen “Deathstar”.

Een ander absoluut niet te omzeilen referentiepunt blijkt zoals in het verleden al wel vaker Ryan Adams. Zowel bij de knappe atmosferische tragen “She’s So Dangerous” en “I Would Do It For You”, als bij het zomers-melancholische Americana-intermezzo “The Year That I Was Born” en het hyperkinetisch voorbij razende “Freeway” gleden de gedachten hier onwillekeurig in die richting af. En dat zouden we nu niet meteen slecht nieuws willen noemen.

De drie dan nog resterende nummers zijn “Beat Up”, een streepje countryrock van het lekkerdere soort, “She Don’t Love Me Now”, een onder meer middels een soortement reggaemotiefje en soulvolle blazers schaamteloos naar radioaandacht hengelend lentefris rootsrockopstootje, en het afsluitende “Bar Life”, dat na een begin als ingetogen pianoballade onderweg plots iets bepaald Springsteen-esks over zich krijgt.

Al bij al best wel een blij weerzien!

Jesse Malin, One Little Indian

 

JJ GREY & MOFRO “Ol’ Glory” (Provogue / Mascot Label Group)

(4****)

Negen albums diep in hun carrière mogen we er stilaan wel van uitgaan, dat JJ Grey & Mofro geen onbekenden meer voor je zijn. En mocht dat toch nog het geval zijn: now’s as good a time as any om een serieus inhaalmanoeuvre in te zetten. Daartoe aangevuurd door “Ol’ Glory” bijvoorbeeld, het onlangs verschenen nieuwe album van het combo uit Jacksonville.

Twaalf nummers lang bewijzen songsmid Grey en de zijnen daarop andermaal tot het allerbeste te behoren wat er anno 2015 op soulvlak te rapen valt. Gelijk van bij het radiogenieke, je heupwiegend mee terug naar de vroege seventies tronende Southern soul-opdondertje “Everything Is A Song” is het weer goed prijs! Dan al weet je als luisteraar “I’m in for a real treat!” En een lekker gevarieerde bovendien ook nog, zo zal al snel blijken.

Zo is er meteen na die zuiders soulvolle opener al een pareltje van geheel andere orde. Met de ongemeen sfeervolle sleper “The Island” belanden we immers even volop in Americana-land, om vervolgens via het door gast Derek Trucks van wat fameus slidewerk voorziene “Every Minute” een aardig eindje over het slappe koord gespannen tussen Southern rock, soul en R&B te worden meegeloodst. Het funky “A Night To Remember” valt op zijn beurt dan weer op door z’n zalige groove en “Light A Candle” blijkt van de soul bulkend bluesy één-tegel-materiaal. En van funky gesproken: ook het sexy met de kont schuddende “Turn Loose” doet het in die sector werkelijk uitstekend.

De tweede helft van “Ol’ Glory” wordt ingezet met het op spannende wijze soul met rock verbindende “Brave Lil’ Fighter” en bevat verder ook nog het aardig swampy getinte “Home In The Sky”, het zeker gitaargewijs even wat richting Jimi Hendrix overhellende “Hold On Tight”, het beklijvende, de nadruk enkele tellen lang wat meer op het tekstuele aspect vestigende “Tic Tac Toe”, het lekker swingende titelnummer en de bij nader inzicht enigszins country-esk opgevatte afsluiter “The Hurricane”.

Wat ons betreft andermaal twaalf prima redenen om JJ Grey en de zijnen stevig aan de borst te drukken. (En om ze, als het even kan, voor wat zomerfestivals naar hier te halen!)

JJ Grey & Mofro, Mascot Label Group

 

JOEL RAFAEL “Baladista” (Inside Recordings)

(4****)

Als singer-songwriter Joel Rafael hier te lande al enige bekendheid geniet, dan is dat in eerste instantie te wijten aan “Woodey” en “Woodyboye”, de twee aan het liedgoed van wijlen Woody Guthrie gewijde projecten, waarmee hij respectievelijk in 2003 en twee jaar later van zich deed spreken. Twee erg mooie albums! Waar die platen de aandacht echter niet op vestigden, waren de eigen vaardigheden als songsmid van Rafael. En dat doet ’s mans nieuwste wat ons betreft gelukkig weer wel.

“Baladista” is ondertussen ook alweer Rafaels negende album. En op die opvolger van het in 2012 verschenen “America Come Home” blijkt de man in zeer goeden doen. Met de tien knappe ballades erop viert hij als het ware zijn gouden jubileum als performer. Het moest dus ook wel goed zijn…

Voor de productie van het geheel tekende Rafael samen met z’n vrouw Lauren zelf. Voor het inspelen ervan deed hij een beroep op collega’s Greg Leisz (elektrische gitaren, dobro en pedal steel), James “Hutch” Hutchinson (bas), John Inmon en Terry “Buffalo” Ware (elektrische gitaren in de Hedy West-cover “500 Miles”). Zelf hanteerde hij de akoestische en een mondharmonica en nam hij plaats achter de piano. Het resultaat is even simpel als doeltreffend.

In de tien liedjes op “Baladista” omarmt Rafael als vanouds het leven zelve. Met z’n fraaie momenten, maar zeker ook met z’n mindere. En tot die laatste mag je wellicht ook ’s mans in eerste single “Old Portland Town” beschreven lotgevallen rekenen. Daarin heeft hij het onder meer over z’n eigen arrestatie in het kader van een razzia bedoeld om zich aan hun legerdienst onttrekkende outlaws tot de orde te roepen.

Nog zo’n prachtig moment is het met de je van z’n werk voor de Eagles bekende Jack Tempchin gepende “Love’s First Lesson”. Die eerste les is als we Rafael en z’n maatje geloven mogen “a broken heart”. Alleen een gebroken hart weet immers “how it is to lose”.

En dan hadden we het nog niet over dingen als het vertederende, aan een gemiste liefdeskans gewijde “She Had To Go”, het je in moeilijke momenten een groot hart onder de riem stekende “Baby Let It Go” of het werkelijk schitterende “El Bracero”. In dat laatste horen we Rafael echt op z’n best. Daarin buigt hij zich over het lot van de vele Mexicaanse arbeiders, die in 1942 opnieuw richting de States werden gelokt. Aan de door de Tweede Wereldoorlog gecreëerde nood aan handwerkers moest nu eenmaal worden voldaan. Zelfs een wettelijk kader werd ervoor voorzien. Mishandeling en uitbuiting op grote schaal zouden op korte termijn helaas het gevolg blijken.

Verder ook nog heel erg mooi: de levenslessen vervat in “Sticks And Stones” en “The Good Samaritan”. Met Rafael quasi terloops op zoek naar het goede in elk van ons.

Een geheel als dit kan je eigenlijk alleen maar warm aanbevelen! En dat is bij dezen meteen ook gebeurd!

Joel Rafael, Inside Recordings

 

THE KENNEDYS “West” (The Kennedys)

(4****)

Pete en Maura Kennedy vieren in 2015 hun twintigjarig samenzijn als duo. Zowel op privé- als op muzikaal vlak overigens. En dat vieren, dat doen ze dan ook in stijl. Van elk van beiden zal er dit jaar nog een nieuwe soloplaat verschijnen, maar er is vooreerst natuurlijk hun nieuwe bandproject “West”. En da’s een verdomd lekkere plaat geworden. Een plaat, die door haar erg gevarieerde invulling op de keper beschouwd veel weg heeft van een “Kennedys-best of”. Maar dat is het nadrukkelijk niet. Het betreft hier immers wel degelijk dertien nieuwe liedjes. Alleen passeren daarin zo ongeveer alle invloeden de revue, waaraan het tweetal zich de voorbije twee decennia terloops blootgesteld wist.

Titelnummer “West” is zo bijvoorbeeld een fraai streepje twangy Americana in de voetsporen van “Woody, Willie, Hemingway & Steinbeck down the highway that ends where the sun sets”, “Elegy” op zijn beurt een fraaie, aan het folkrockgebeuren van de late sixties refererende ode aan het adres van wijlen Dave Carter en “Sisters Of The Road” een ons tegelijk wat aan The Byrds en Sandy Denny herinnerend staaltje “vrouwvriendelijkheid”. Via het licht psychedelisch getinte “Signs” belanden we vervolgens achtereenvolgens in de fijne countrydeun “Jubilee Time”, het nogal nadrukkelijk bij de tijdloze liedjes van Buddy Holly aansluiting zoekende niemendalletje “Locket”, de lichtvoetige, door hemelse samenzang tussen onze twee protagonisten gekenmerkte Americana van “Southern Jumbo” en het aan een kortverhaal van B.D. Love opgehangen en door Pete van wat lekker sitarwerk voorziene “Black Snake, White Snake”.

Richting de laatste rechte lijn van “West” gaat het aansluitend daarop met het wel bijzonder levenslustige “Bodhisattva Blues” en het heerlijk rockende, terloops met een flinke prise Chuck Berry gekruide “Travel Day Blues”. Die twee songs gaan de enige twee niet-Kennedy-nummers op het album vooraf, met name een heel erg doorleefde lezing van John Stewarts “The Queen Of Hollywood High” en het door John Wicks van The Records speciaal voor het duo gepende potje twaalf-snarenplezier “Perfect Love”. En het misschien wel beste wordt naar goede gewoonte bewaard voor het laatst. Met “Good, Better, Best” sluiten Pete en Maura immers in ingetogen Everly Brothers-modus af.

Prachtplaat!               

The Kennedys

 

MALCOLM HOLCOMBE “The RCA Sessions” (Proper / Bertus)

(5*****)

Malcolm Holcombe had het zich veel gemakkelijker kunnen maken. Hij had twee decennia aan plaatmateriaal ook eenvoudigweg kunnen compileren op een soortement best of-album. Maar dat deed de beste man dus niet. Voor z’n jubileumplaat putte hij weliswaar uit het materiaal van elk van z’n elf eerdere releases, maar alle weerhouden liedjes werden vervolgens wel keurig opnieuw ingeblikt. Dat gebeurde in het najaar van 2014 in de legendarische RCA Studios in Nashville.

Samen met Jared Tyler (dobro, elektrische gitaar, lap steel en zang), David Roe Rorick (staande bas), Tammy Rogers (fiddle, mandoline en zang), Ken Coomer (drums en percussie), Jelly Roll Johnson (harmonica) en Siobhan Maher-Kennedy en Maura O’Connell (beiden zang) interpreteert Holcombe hier dingen als “Who Carried You”, “Mister In Morgantown”, “I Feel Like A Train”, “Doncha Miss That Water”, “The Empty Jar”, “Butcher In Town”, “To Drink The Rain”, “Early Mornin’”, “I Never Heard You Knockin’”, “I Call The Shots”, “My Ol Radio”, “Goin’ Home”, “Down The River”, “Pitiful Blues” en “A Far Cry”. De enige volstrekt nieuwe deun is het met Jelly Roll Johnson in steun opgenomen live-favorietje “Mouth Harp Man”. Daardoor meteen ook één van de meest opvallende bijdragen van het geheel.

Al willen we hier zeker ook niet nalaten om “My Ol Radio” en “A Far Cry” een speciale vermelding mee te geven. Het eerste omwille van de zalige vocale rugdekking van de bekoorlijke Siobhan Maher-Kennedy erin, het tweede omwille van de prominente vocale rol die de onvolprezen Maura O’Connell erin vervullen mag. Door de bijdragen van beide dames krijgen die nummers toch nog net dat ietsje meer.

Opvallend is overigens ook, dat men bij het registreren van het materiaal heeft geprobeerd om ook echt alle aspecten van Holcombe’s live performances te vereeuwigen. Wat concreet betekent, dat we hem hier zowel in z’n dooie eentje, geflankeerd door z’n vaste maatje Jared Tyler als met een heuse band aan het werk horen en zien.

Horen én zien inderdaad, want het door Ray Kennedy en Brian Brinkerhoff geproduceerde “The RCA Sessions” bestaat uit een cd én een dvd. Ideaal dus als aandenken aan een gig van de man of misschien ook wel juist als surrogaat daarvoor. Hoe dan ook van het allerbeste wat zich vandaag de dag in de schemerzone tussen Americana, folk en blues vinden laat. Holcombe is wat ons betreft één van de allerbeste Americana singer-songwriters überhaupt. En met z’n "schuurpapieren” stem bovendien ook één van de meest markante, binnen het genre actieve figuren.

Malcolm Holcombe

 

AMERICAN AQUARIUM “Wolves” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met “Wolves” breien de onverbeterlijke BJ Barham en de zijnen eindelijk een vervolg aan “Burn. Flicker. Die.”, hun ondertussen dik twee jaar geleden verschenen, door Jason Isbell geproduceerde laatste studioplaat. En wat voor een vervolg! Dit is ons inziens het soort van plaat, waarmee je binnen afzienbare tijd ook op wat grotere schaal wat zou moeten kunnen betekenen. Een bescheiden classic, zeg maar.

“An ode to last calls, lost love and long horizons”, aldus de schrijvende medemens van dienst bij hun platenlabel Blue Rose Records. En die paar woorden vatten alvast het inhoudelijke aspect van “Wolves” zeer goed samen. Wat betreft het muzikale valt dan weer meteen op, dat Barham en co ditmaal hebben gekozen voor een wat meer open aanpak. En precies daar lagen natuurlijk ook hun kansen. Door niet langer uitsluitend op de Americana-goegemeente te focussen worden ze eensklaps ook een pak aantrekkelijker voor een ruimdenkend indie-publiek. En wie weet, tot wat dat op termijn allemaal leiden kan…

Maar goed, laat het ons maar eens even hebben over de tien songs op “Wolves”. Daarvan zijn er bij nader inzicht nogal wat die zich nog het best laten omschrijven als bedaarde, van de ingehouden spanning erin levende (roots)rockertjes. We denken dan bijvoorbeeld aan dingen als “Southern Sadness”, “Wichita Falls” en “Old North State”. Het “hoekige” “Ramblin’ Ways” is op zijn beurt dan weer een onverholen flirt met pop en rock, titelnummer “Wolves” doet iets heel moois met een eigentijds countryrockgegeven en het afsluitende “Who Needs A Song” eist nadrukkelijk een stekje onder de hoofding red-dirt southern rock op. Heerlijk nummer gewoon, dat laatste! En dat geldt dan weer zeker ook voor de atmosferische sleper “Man I’m Supposed To Be”. Da’s misschien wel het allerbeste nummer van de tien hier. Het heeft iets bepaald Springsteen-esks over zich. Enkel de beurtelings door een banjo en een elektrische gitaar aangejaagde catchy countryrocker “Losing Side Of Twenty-Five” vormt wat dat betreft voor ons serieus te nemen concurrentie.

Enfin, om een lang verhaal kort te maken: vooral niet te lang over nadenken, gewoon snel toevoegen aan je collectie, deze achtste van American Aquarium. Het zou immers zot zijn, om wat straks ongetwijfeld één van dé platen van het jaar zal blijken om wat voor reden dan ook te laten liggen…

American Aquarium, Blue Rose Records

 

DIVERSE ARTIESTEN “Signature Sounds 20th Anniversary Collection, Rarities From The Second Decade” (Signature Sounds)

(4****)

Het vanuit het Amerikaanse Northampton, Massachusetts actieve Signature Sounds bestaat dit jaar precies twintig jaar en dat zullen we met z’n allen geweten hebben ook! Zo’n gelegenheid laat je immers niet zomaar voorbijgaan…

Bij wijze van gigantische verjaardagstaart schotelt men ons een in achttien keurige deeltjes aangesneden anniversary collection voor. En de ondertitel van dat geheel blijkt bij nader inzicht echt wel veelzeggend. Aan rariteiten op dit album immers absoluut geen gebrek! Liefst elf van de achttien ons aangeboden nummers kunnen onder de hoofding previously unreleased. Zes andere verschenen eerder enkel op schaars 45-toeren-vinyl of op EP, “Violent Love” van Sweet& Lowdown Featuring Miss Tess & Rachael Price maakte deel uit van het in 2008 verschenen download only album met dezelfde titel. Samengevat: de kans op overlappingen met materiaal reeds in je bezit is hier aan de eerder kleine kant.

En aan muzikale schatten bovendien absoluut geen gebrek! Het heerlijk jazzy rootsdeuntje “Lovesick Red Stick Blues” van Aoife O’Donovan en haar maatjes van Crooked Still is er zo zeker eentje. Evenals het door Jeffrey Foucault met de hulp van Jennifer Condos, Billy Conway, Kris Delmhorst, Eric Heywood en de legendarische Van Dyke Parks ingeblikte alternatieve countryrammelaartje “Real Love” en het uitermate swingende, van de single “Be Back Home” van The Sweetback Sisters geplukte titelnummer. Of de knappe, echt wel ongemeen soulvolle roots pop van “What I’m Doing Here” van Lake Street Dive, het lentefris sprankelende folkrockgeweld van “Such Great Heights” van Joy Kills Sorrow en het qua ritmiek ogenschijnlijk enigszins op traditionele field hollers geënte “No Shortcuts” van Heather Maloney & Darlingside.

En dan hadden we het nog niet over een hele reeks hoogst interessante covers. Als daar zijn de tot haar naakte essentie herleide Peter Mulvey-lezing van Randy Newmans klassieker “Lonely At The Top”, Eilen Jewells ronduit heerlijke versie van Stonewall Jacksons “Why I’m Walkin’”, Barnstars bluegrass-benadering van Joni Mitchells “Carey”, Caroline Herrings met veel respect voor het origineel vertolkte uitvoering van Kate Wolfs “Here In California” en het door Zoe Muth en haar Lost High Rollers bij legende Dock Boggs gevonden en z’n titel de nodige eer aandoende “Country Blues”.

Voorts ook nog materiaal van Parsonsfield (het atmosferische “Moonshiner”), Winterpills (de radiogenieke rockdeun “A Tree In The Lung”), Chris Smither (een niet eerder verschenen versie van zijn eigen “Drive You Home Again”), de Sacred Shakers (een rete-aanstekelijke uitvoering van het ondertussen als public domain opgeborgen “Samson & Delilah”), Kris Delmhorst (de verstilde, maar net niet in je oor gefluisterde beauty “If This Ain’t Heaven”) en Rani Arbo & Daisy Mayhem (het met de blik ergens op het swingende midden van de vorige eeuw gericht gebrachte “I’m Satisfied With You”).

Afgesloten wordt er met een als hidden bonus track opgediste commercial voor het label.

Signature Sounds

 

THE FOGHORN STRINGBAND “Devil In The Seat” (The Foghorn Stringband)

(4****)

The Foghorn Stringband is een uit Caleb Klauder (mandoline, fiddle en zang), Stephen “Sammy” Lind (fiddle, banjo en zang), Reeb Willms (gitaar en zang) en Nadine Landry (staande bas en zang) bestaand viertal uit Portland, Oregon, dat zich klaarblijkelijk tot doel heeft gesteld old-time string band music te allen prijze ook in de eenentwintigste eeuw in leven te houden. En als daartoe een enigszins aan het punkgenre in zijn kinderschoenen verwante attitude nodig blijkt, dan zullen we die krijgen ook! Dat was al zo op hun in 2003 verschenen eersteling “Rattlesnake Tidal Wave” en dat is door de jaren heen eigenlijk altijd wel zo gebleven.

Op “Devil In The Seat”, het inmiddels zesde album van de groep – als we tenminste het in 2010 onder de benaming The Foghorn Trio verschenen “Sud de la Louisiane” mogen meerekenen – dartelen Klauder en Landry en co doorheen zestien stukken die we zonder uitzondering elders al wel eens eerder hebben gehoord. Maar dat mag de pret absoluut niet drukken! Van het openingsnummer, een van de joie de vivre bijna uit zijn voegen barstende uitvoering van de traditional “Stillhouse”, tot de afsluitende, via een ommetje langs Steve Green op het repertoire van de groep belande David Russell Hamblen-instrumental “Chadwell’s Station” is dit muziek waar je zo ongeveer terstond vrolijk van wordt. Muziek, waarin virtuositeit het nadrukkelijk moet afleggen tegen frisheid en spelvreugde. En zo hoort het eigenlijk gewoon ook.

Van een werkelijk ontwapenende schoonheid vonden wij onder meer het van Hazel Dickens en Alice Gerrard geleende en ook hier meerstemmig gebrachte “Mining Camp Blues”, het als vanouds wervelende “Columbus Stockade Blues”, het ook al ongekend vingervlug vertolkte “Old Molly Hare”, het ogenschijnlijk absoluut niet kapot te krijgen en ook hier weer schitterende “Henry Lee”, het je wellicht ook al wel in de uitvoering van The Carter Family bekende “John Hardy” en een zeer fraaie lezing van Garry Harrisons “Jailbreak”. Ach, op de keper beschouwd eigenlijk gewoon alles. Je zou bij het beluisteren hiervan bijna gaan wensen, dat je de klok kon terugdraaien naar de eerste helft van de vorige eeuw… Maar ja, echt nodig is dat nu ook weer niet, hè… We hebben immers altijd nog de Foghorn Stringband om ons te gepasten tijde op onze wenken te komen bedienen!

“Devil In The Seat” is net als z’n voorgangers “Rattlesnake Tidal Wave”, “Reap What You Sow”, “Weiser Sunrise”, “Boombox Squaredance” en “Sud de la Louisiane” weer een regelrechte aanrader. Maar dat had u ondertussen al wel begrepen zeker?

The Foghorn Stringband

 

THE PINE HILL PROJECT “Tomorrow You’re Going” (Signature Sounds)

(5*****)

“Tomorrow You’re Going” is typisch zo’n gevalletje van een geheel groter uitvallend dan de som van z’n verschillende delen. Want hoe goed ook de platen van Richard Shindell en Lucy Kaplansky voor eigen rekening, zo mooi als hun eerste samen zijn ze wat ons betreft niet. Dit hier benadert gewoon de perfectie! En als dusdanig vormt het ook het ideale geschenk terug voor de velen, die ervoor zorgden, dat de twee middels een Kickstarter-campagne nog binnen de vierentwintig uur de door hen vooropgestelde som van $40,000 wisten te vergaren. Meer nog: afgeklokt werd er met $85,000 op meer dan het dubbel! Moet je als artiest wel een heel goed gevoel aan overhouden…

En zullen wij u eens iets vertellen? Wij zijn er nu al 100% zeker van, dat elke backer die er in de aanloop naar dit project geld voor over had om Shindell en Kaplansky deze plaat samen te weten maken ook bij een volgende fundraising-campagne enthousiast weer met centen zal staan te zwaaien. Wellicht zal de groep “steuners” er na “Tomorrow You’re Going” zelfs nog flink wat groter op worden. Het zou na zo’n prachtplaat eigenlijk alleen maar logisch zijn ook…

Dat de stemmen van Shindell en Kaplansky elkaar op wonderbaarlijke wijze aanvullen, dat wisten we al van eerdere samenwerkingen op elkaars platen en van hun bijdrage aan Cry Cry Cry, het trio met verder ook nog Dar Williams, waarmee ze in ’98 één, ook al heel erg mooi album afleverden. En dat ze allebei een heel mooi liedje in de vingers hebben, was ons evenmin vreemd. Maar op nieuwe pennenvruchten van eigen hand moeten we op dit door Larry Campbell geproduceerde geheel niet rekenen. Waarom precies niet, weten wij ook niet, maar “Tomorrow You’re Going” bevat effectief uitsluitend covers van materiaal van anderen. Goed gekozen covers, dat gelukkig wel.

We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag “Lately” van de onvolprezen Greg Brown, “Wichita” van ons aller Gillian Welch, “Missin You” van Little Feat en “Rain Just Falls” van David Halley. Of ook wat onverwachtere keuzes als U2’s “Sweetest Thing” en “I Live On A Battlefield” van de schrijverstandem Paul Carrack en Nick Lowe. Liedjes, die door het duo zonder ook maar de minste uitzondering spelenderwijze het eigen muzikale universum worden binnengeloodst. Liedjes, die in veel gevallen behoorlijk radiovriendelijk blijken ook.

Niet enkel liefhebbers van het eerdere werk van het duo Shindell-Kaplansky, maar zeker ook die van het recente oeuvre van Buddy & Julie Miller, Gillian Welch & David Rawlings, Emmylou Harris en Rodney Crowell en aanverwanten zullen hier hun pret absoluut niet mee op kunnen. Wat ons betreft één van dé muzikale hoogtepunten van 2015 so far!

The Pine Hill Project, Signature Sounds

 

DUNDERHEAD “Dunderhead” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wie houdt van een portie sprankelende eigentijdse bluegrass op z’n tijd is bij het Zweedse Dunderhead – Voorheen nog Angelina Darland and the Moonshine Brothers! – nadrukkelijk aan het juiste adres. Dat sinds januari 2013 vanuit Göteborg aan de weg timmerende vijftal rond de ravissante Angelina Lundh heeft werkelijk alles om het op zeer korte termijn te gaan maken. Een mening, waarin wij overigens duidelijk niet alleen staan. Dat bewijst het feit dat ze op de jongste uitgave van het European World Of Bluegrass Festival in het Nederlandse Voorthuizen met de hoofdvogel aan de haal gingen wellicht op afdoende wijze.

Een toch wel opvallend gegeven is dat die van Dunderhead het op hun debuut meteen uitsluitend met eigen materiaal doen. En dat blijkt werkelijk ijzersterk. Zowel de pennenvruchten van frontvrouwe Angelina Lundh als die van mandolinevirtuoos Mikael Grund zullen zo menig een Amerikaanse collega ogenblikkelijk het schaamrood op de wangen jagen. En ook hun met collega’s Anders Ternesten (banjo en reso-gitaar), Jimmy Hermansson (leadgitaar en backing vocals) en Carl Karlsson (staande bas) gebrachte vertolkingen ervan zullen gegarandeerd monden gaan doen openvallen aan de andere kant van de oceaan. Veel beter kan je dit immers amper doen.

Mooie Lundh reserveert hiermee wat ons betreft zelfs met stip een eigen stekje in het kielzog van gerespecteerde vrouwelijke collega’s als een Alison Krauss, een Rhonda Vincent, een Claire Lynch en aanverwanten. Zo goed, vraagt u? Zo goed indeed!

Dunderhead, Rootsy

 

ANDREW MAXWELL MORRIS “Well Tread Roads” (Andrew Maxwell Morris)

(3,5****)

Scoren met een plaat boordevol knappe rootsmuziekjes, we zien het Jef Vermassen nog niet meteen doen… Maar het kan dus wel degelijk, he! Dat bewijst de in Australië geboren maar ondertussen al een poosje in Engeland wonende strafpleiter Andrew Maxwell Morris met z’n debuut “Well Tread Roads”.

De tien liedjes daarop weerspiegelen enerzijds duidelijk ’s mans voorliefde voor vooral in de seventies populaire acts als James Taylor, Jackson Browne en The Eagles, maar anderzijds toch ook een zekere hang naar Americana, folk en pop anno nu. Veelal bedient hij zich daarbij van eerder melancholisch aandoende melodieën. En da’s eigenlijk maar logisch ook, want die kleuren nu eenmaal het best bij z’n best wel wat aparte stem. Deed ons bij momenten een heel klein beetje denken aan die van Paul Buchanan van The Blue Nile.

Sfeervolle miniatuurtjes zijn het, waarin niet zelden onbeteugelde verlangens een centrale rol blijken te spelen. Verlangens naar vriendschap, liefde, een thuis en andere. Met als voor ons mooiste exponenten het sterk filmisch aandoende titelnummer, de werkelijk sublieme pianoballade “In A Heartache” en het in al z’n verkillende eenvoud al even beklijvende “Friday Night”.

Een typische groeiplaat eigenlijk.

Andrew Maxwell Morris

 

SHOUTIN’ RED “Introducing: Shoutin’ Red” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3***)

Op haar debuutplaat “Introducing: Shoutin’ Red” doet de jonge Zweedse Felicia Jangard Nielsen twaalf nummers lang haar uiterste best om te klinken als een eigentijdse versie van bluesgrootheid Memphis Minnie. Een opzet, waar ze an sich best wel goed in slaagt ook. In een productie van lokale jazzdrumheld Bosse Skoglund kronkelt ze zich stemgewijs tot diep in de voetsporen van haar legendarische voorbeeld.

De vraag is alleen maar: wie zat er echt te wachten op een zoveelste reeks covers van dingen als “Geordie”, “I Look Down The Road And I Wonder”, “Hesitation Blues”, “Seven Dark Strangers”, “Statesboro Blues”, “Frankie And Albert” en andere. Zeker in tijden, waarin het slechts enkele muisclicks vergt om je de originelen toe te eigenen…

Laten we het hier dus maar houden op een verdienstelijke poging om wat klassieke en minder klassieke akoestische blues- en folkdeunen van een laagje stof te ontdoen. Wat daarbij in het voordeel van de vierentwintigjarige Zweedse pleit zijn haar knappe stem en dito gitaarspel.

Shoutin’ Red, Rootsy

 

NEW RISING SUN “We’re All Coming Home” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(3,5****)

New Rising Sun is een jong bandje van eigen bodem, dat op hoogst creatieve wijze een brug weet te slaan tussen in essentie toch behoorlijk van elkaar verschillende muziekgenres als folk, country, blues en rock. Met als gevolg een compleet eigen smoelwerk, een sound als geen ander. “We’re All Coming Home” is al het derde album van de uit Dries Bongaerts (zang, gitaar, banjo), David Hermans (elektrische gitaar, mondharmonica), Diego Faes (bas, contrabas), Sandro Rossi (toetsen, viool) en Tim Caramin (drum) bestaande groep. Hoog tijd dus voor een nadere kennismaking, vonden wij.

En die beviel ons, om maar meteen met de deur in huis te vallen, bijzonder goed! De grote meerderheid der songs op “We’re All Coming Home” valt op door z’n geweldige maturiteit. We kennen heel wat buitenlandse acts die zonder aarzelen een moord zouden begaan voor veritabele prachtliedjes als “The Day My Love For You Will Die”, “Sad Sad World”, “Diggin’ Me A Hole” en andere. Hoe grenzen tussen genres daarin vrijwel voortdurend onopvallend vervagen spreekt tot de verbeelding.

In “The Day My Love For You Will Die” lijkt het zo bijvoorbeeld wel, alsof Nick Cave de old-time country-toer op wil. Maar dan wel met een ommetje langs de blues. En in “We’re All Coming Home” herkenden wij zowel elementen uit alternatieve country als uit gypsy folk. Iets waar de inzet van een banjo en een fiddle wellicht niet geheel vreemd aan zullen zijn.

Het lichtjes fantastische “Diggin’ Me A Hole” is op zijn beurt ingetogen Americana van het werkelijk allerbeste soort, “On Our Way” zouden we durven te omschrijven als een banjogeleide folkrockexcursie, “Stranger In The Night” als een rootsy rockballade en het meteen daaropvolgende “Easy Diamonds” als de rockende variant daarop. Lekker Ribot-esk gitaartje trouwens, in dat laatste!

Resten dan nog: het door z’n haast Youngiaanse urgentie opvallende protestliedje “Sad Sad World”, het onthaaste verlengstuk daarvan “40 Years In The Desert”, de sfeervolle trage “Stay Away From Me” en de na een wat terughoudende intro compleet openbarstende folk rock beauty “Wait”.

New Rising Sun, Starman Records

 

WRINKLE NECK MULES “I Never Thought It Would Go This Far” (Lower 40 Records)

(4****)                

Zwarte katten moet je te allen tijde mijden. Ze brengen je immers niks anders dan ongeluk. Dat wil althans het er rond bestaande bijgeloof. Maar daar trekken wij ons met z’n allen lekker niks van aan natuurlijk… Al was het alleen al maar, omdat we ons vooral de alweer uitstekende nieuwe van de Wrinkle Neck Mules niet door de neus willen laten boren. Want op het frontje daarvan prijkt… Yep, een vervaarlijk ogende zwarte kat!

De dertien tracks op het titelgewijs natuurlijk nadrukkelijk op het eigen langdurige groepsbestaan alluderende “I Never Thought It Would Go This Far” werden in een met Rob Evans gedeelde productie vorig jaar in mei tijdens een in totaal amper acht dagen in beslag nemende sessie analoog ingeblikt. En het valt gelijk op, dat nogal wat van de nieuwe songs daarop behoorlijk bedaard uitvallen. Je zou kunnen stellen, dat de nadruk in vergelijking met voorganger “Apprentice To Ghosts” wat verschoven is van roots rock naar alternatieve country. En ik moet zeggen, mij bevalt die shift best wel.

Duidelijk Americana-georiënteerde songs als het mede door het lekkere toetsenwerk van gast Mark Goldstein erin door een soulvol randje opvallende “Mustang Island”, het onder meer banjogewijs z’n roots vet onderlijnende “Bury My Gold” en de aanstekelijke opener “Whistlers & Sparklers” scoorden vrijwel meteen zeer hoog op mijn persoonlijke appreciatiemeter. En op de keper beschouwd deden eigenlijk ook de resterende tien deunen dat wel. Van de knappe alternatieve countryslepers “Beehive” en “Release The Reins” en het voorzichtig het tempo wat opdrijvende “Heaven’s High” tot het ons best wel wat aan huisfavorietje Frog Holler – Hoe zou het nog met die groep zijn? – herinnerende “Token”, van het wél een aardig eindje wegrockende “Sugar Bowl” en het meteen daarna gelijk ook weer flink gas terugnemende “Never Was The Bird” tot het met old-time country en rock tegelijk flirtende “Undertaker’s Song”, van het gloedvolle duo “Days Don’t End” en “Tropical Depression” tot afsluiter “The Line’s Been Drawn”, ik zou hier echt wel durven te spreken van “alle dertien goed”.

Meer nog: voor mij behoren de Wrinkle Neck Mules na dit “I Never Thought It Would Go This Far” meer dan ooit tot het allerbeste wat het alternatieve countrygenre dezer dagen (nog) te bieden heeft. Dit horen is het gegarandeerd ook kopen… U bent bij dezen gewaarschuwd!

Wrinkle Neck Mules

 

HANS THEESSINK & TERRY EVANS “True & Blue” (Blue Groove / Music & Words)

(4****)

Na twee eerdere studioplaten samen is er nu ook het eerste live-album van het duo Hans Theessink en Terry Evans. En sta mij toe om het te zeggen: ik heb daar echt wel naar uitgekeken. Met hun twee vorige worpen samen, het met Ry Cooder in de buurt ingeblikte “Delta Time” en het werkelijk magistrale “Visions” van ondertussen toch ook al zo’n jaar of zeven geleden, hadden de beide heren mij immers genadeloos gevloerd. Dat zijn allebei platen waar je als blues & roots aficionado geregeld graag naar terug blijft grijpen. Ware beauties!

En ook “True & Blue” zal hier de komende dagen, weken, maanden en jaren ongetwijfeld een dergelijk lot beschoren gaan blijken. Dat vorig jaar in de Weense Metropol ingeblikte geheel illustreert misschien nog wel mooier dan zijn voorgangers, hoe goed Theessink en z’n Amerikaanse vriend elkaar wel aanvoelen, aanvullen ook. Met z’n tweetjes live, zonder geruststellend vangnet om op terug te vallen voor als het even fout mocht gaan, stelen ze hier op compleet ongedwongen wijze ruim zeventig minuten lang de show.

Geopend wordt er met de fraaie Theessink-compositie “Demons” van het album “Visions”. De eerste van een reeks van zes nummers van de Nederlander die de revue zullen passeren. Ook de werkelijk zalige tragen “Vicksburg Is My Home” en “Shelter From The Storm”, het met een fijn streepje mondharmonica opgewaardeerde “Delta Time”, het sympathiek schokschouderend wat richting R&B overhellende “I Need Money” en het ritmisch al even sterke “Tears Are Rolling” moeten er wat verderop immers nog aan geloven.

Tussendoor zijn er covers van onder meer Leadbelly’s “Bourgeois Blues”, J.B. Lenoirs “Talk To Your Daughter”, Robert Johnsons “Cross Road Blues” en de onder andere door The Five Keys de eeuwigheid ingezongen Billy Hill classic “The Glory Of Love”. En van “Gotta Keep Moving” ook, een nummer dat Evans ooit nog samen met z’n maatje Bobby King en hun beschermheer Ry Cooder pende.

Twee elkaar op uitzonderlijk mooie wijze complementerende stemmen, twee gitaren en een mondharmonica, meer was er duidelijk niet nodig om ze daar in het verre Wenen één van de avonden van hun leven te bezorgen. Het was er voorzichtig even kloppen op de poorten van de blueshemel. Met een gezonde dosis soul(gevoel) als welgekomen surplus. Echt enig mooi allemaal!

Hans Theessink, Terry Evans, Music& Words

 

BAND OF RUHKS “Band Of Ruhks” (101 Ranch Records)

(4,5*****) 

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: dit is een werkelijk van de eerste tot de laatste noot hoogst genietbare bluegrassplaat! Maar ja, het betreft hier dan ook niet de minsten, he. Bij nader inzicht hebben we hier immers te maken met een soort van reünie van de Lonesome River Band in z’n hoogdagen. Het van The Rambling Rooks onlangs tot Band Of Ruhks omgedoopte trio waarmee we hier geconfronteerd worden bestaat immers uit niemand minder dan Ronnie Bowman (zang, slaggitaar), Don Rigsby (zang, mandoline, mandola, altviool) en Kenny Smith (zang, gitaren).

En dat door de wol geverfde drietal zingt en speelt hier ruim dertien nummers lang de pannen van het spreekwoordelijke dak. Geflankeerd door gerenommeerde en minder gerenommeerde gasten als de grote Ralph Stanley himself (gezongen intro tot de nu al klassieke eerste single “Coal Mining Man”, een nummer dat Bowman schreef samen met collega Mark Collie), Lee Ann Womack (tenorzang in het moody “Rendezvous With Danger”), bassisten Alan Bartram en Bary Bales, banjovirtuozen Rob McCoury, Scott Vestal, Ron Stewart en Justin Moses (ook resonator), fiddlers Stuart Duncan en Jimmy Van Cleave, resonatorgitaristen Rob Ickes en Jimmy Stewart, drummer-percussionist Chris Brown, accordeonist Jeff Taylor (ook penny whistle) en Eamon McLoughlin (strings) leveren de drie een album af, dat zowel bij halsstarrig aan tradities vasthoudende liefhebbers van het bluegrassgenre als bij de toekomst meer open-minded tegemoet kijkende volgelingen ervan zou moeten kunnen aanslaan.

Werkelijk alles lijkt immers te kloppen op het daardoor zeer gestroomlijnd aandoende “Band Of Ruhks”. Het samenspel tussen de heren onderling en hun gasten is nergens minder dan sprankelend. Waarbij wel onmiddellijk dient te worden opgemerkt, dat elke vorm van virtuositeit hier voortdurend volledig ten dienste van het liedje komt te staan. De samenzang dan maar? Ook die blijkt hier werkelijk hemels!

Net als het gros van de gebrachte liedjes trouwens ook. Onder zes van de dertien daarvan prijkt ook de naam van “mooizinger” Bowman. Hem mag je dus zeker de spilfiguur van de Band Of Ruhks noemen. Verder nog een trits liedjes speciaal voor de gelegenheid aangedragen door anderen en onder meer ook covers van de Leon Payne-klassieker “Lost Highway” en de Ierse evergreen “Danny Boy”.

Wat ons betreft zonder meer een aanrader van formaat, dit “debuutalbum”!

Band Of Ruhks

 

JOE PUG “Windfall” (Loose Music)

(4****)

Het kan verkeren… Leek het er eind 2013 nog op, dat we Joe Pug voorgoed aan het verliezen waren, dan slaat die nu, amper anderhalf jaar later, keihard terug. De Texaanse songsmid slaagde er de voorbije maanden immers in om in z’n persoonlijke leven weer alles op een rijtje te krijgen en vond zodoende meteen ook weer de voor z’n artistieke bestaan broodnodige innerlijke rust terug. En dat resulteert hier en nu in een alweer uitstekende nieuwe plaat.

En geen wonder eigenlijk, dat er daarop een behoorlijk centrale rol weggelegd blijkt voor het thema weerstand bieden. Je kan als songsmid je eigen leven nu eenmaal niet helemaal wegvlakken als het gaat om het creëren van nieuw materiaal. Vandaar dat we hier zowel worden geconfronteerd met wat citaten ontleend aan de recente, wat donkerdere pagina’s uit de dagboeken van Pug als met de eerste straaltjes nieuw zonlicht in z’n leven. Met een op stapel staand huwelijk als het voorlopige hoogtepunt.

Tenzij je het van de artistieke kant bekijkt natuurlijk. Dan zou dat de opvolger van “Messenger” uit 2010 en “The Great Despiser” van zo’n twee jaar later moeten zijn uiteraard. Een plaat, waarop Pug het louter muzikaal gezien her en der over een totaal andere boeg gooit. En dat leverde hem recentelijk onder meer al vergelijkingen op met collega’s als een Josh Ritter, een Richard Buckner, een Ryan Adams, een M. Ward en een Mark Erelli. Schoon gezelschap dus!

Duane Lundy tekende voor de bijzonder subtiele productie van “Windfall”. Hij begeleidde Pug doorheen een tiental veelal eerder melancholiek aandoende liederen. Introspectie blijkt daarbij een sleutelwoord. En daarbij hoort natuurlijk een zo bescheiden mogelijk gehouden akoestisch instrumentarium. Al hoorden we hier en daar ook wel even een elektrische gitaar.

Nogal wat ballades op “Windfall” dus, maar toch ook enkele “vreemde eenden in de bijt”. Het bedaard countryrockende “Burn And Shine” is er zo bijvoorbeeld al eentje. En ook “The Measure” wel, al gaat Pug ook daarmee zeker niet meteen de bocht uit gaan.

Onze lievelingsmomenten op “Windfall”: de heerlijke, door Pat Sansone (Autumn Defense, Wilco) van wat fraai toetsenwerk voorziene trage “If Still It Can’t Be Found”, het “moody” “Veteran Fighter” en vooral ook de ondertussen naar verluidt al tot live-favorietje uitgegroeide sleper “Oh My Chesapeake”.

Kort samengevat: alweer een prima plaat, deze derde volwaardige langspeler van Joe Pug.

Joe Pug, Loose Music

 

WILL HOGE “Small Town Dreams” (Cumberland Records)

(4****)

Met het nummer “Strong” van z’n vorige cd “Never Give In” scoorde de sympathieke Will Hoge negen albums diep in z’n carrière totaal onverwacht een knoeperd van een hit. En dat heeft hier zo z’n gevolgen! Je moet het ijzer smeden als het heet is, moet de beste man gedacht hebben en dus ging hij voor een op de keper beschouwd behoorlijk commercieel aandoend geheel.

Voor de productie tekende hij in tegenstelling tot voor z’n jongste drie platen niet zelf, maar huurde hij de je misschien ook wel van z’n werk met Marc Broussard en Eric Paslay bekende Marshall Altman in. En die laat hem hier heerlijk knallen! Elf nummers lang flirt Hoge met hitlijsten allerhande. En dat kan ook haast niet anders, als je weet dat hij het gros van de nummers op “Small Town Dreams” schreef samen met collega’s als Gary Allan, Chris Stapleton, Adam Hood, Jessi Alexander, Eric Paslay, Tommy Lee James, Brett Beavers en anderen.

De vanuit Nashville actieve Hoge noemt z’n tiende zelf z’n meest representatieve plaat so far. Ze zou niet enkel tonen wie hij als artiest is, maar vooral ook waar hij vandaan komt. En dat verklaart meteen helemaal het inhoudelijke aspect van een aantal van de nummers erop. Zo is er bijvoorbeeld de geweldige, samen met Jessi Alexander en Tommy Lee Jones gepende eerste single “Middle Of America”. Doet een beetje denken aan John Mellencamp ten tijde van z’n klassieker “Jack & Diane”, die zalige rocker. Als dat geen monsterhit wordt, tja dan weten wij het ook niet meer…

En met materiaal van dat kaliber blijkt “Small Town Dreams” op de keper beschouwd echt tot de nok toe gevuld. Openingsnummer “Growing Up Here” lijkt zo bijvoorbeeld weggelopen van het repertoire van Tom Petty, “They Don’t Make ‘Em Like They Used To” is een zaligheid van een achteromkijkende ballad en “Better Than You” geeft zo menig een Texaanse countryrockster anno nu het nakijken. “Little Bitty Dream” blijkt op zijn beurt dan weer een vertederend rustpuntje, “Guitar Or A Gun” klinkt net zo verontrustend als z’n titel dat a priori al doet vermoeden en “All I Want Is Us Tonight” zou wel eens een stralende toekomst als stadionrockhymne tegemoet kunnen gaan. De pianoballade “Just Up The Road”, het sympa bar-rockend aan eerdere Hoge-platen herinnerende “Desperate Times”, het atmosferische “The Last Thing I Needed” en het er gelijk als bezeten vandoor gaande “’Til I Do It Again” vervolledigen aansluitend een wat ons betreft quasi perfect songelftal.

“The last time I do it, ‘til I do it again”? Hoge hoeft er voor ons echt niet al te lang mee te wachten…

Will Hoge

 

ROB LYTLE “A Hypocrite Of Heart And Hope” (Heart And Hope Music)      

(3,5****)               

Na jaren van “leven in z’n wagen” besloot de Amerikaanse singer-songwriter Rob Lytle ergens rond de eeuwwisseling om er tijdelijk het bijltje bij neer te leggen. De volgende veertien jaren van zijn bestaan zou hij zich met volle overgave op de liefde van z’n leven storten. Z’n huwelijksleven en z’n nog jonge familie werden vanaf dat moment z’n full-time-prioriteiten. Tot hij ergens laat in 2009 plots opnieuw last kreeg van de “liedjesmicrobe”. Met een jaar of twee later zelfs een plaats in de finale van de prestigieuze Kerrville Folk Festival Songwriting Competition tot gevolg. En pas echt culminerend in de prima onthaalde cd “You. Must. Stop.” nog in datzelfde jaar. Lytle’s carrière als artiest stond meteen keurig terug op de rails.

En dus moest er ook wel een vervolg komen. Act twee van z’n muzikale wedergeboorte, zeg maar. En die is er nu met het door de gerenommeerde Thomm Jutz geproduceerde “A Hypocrite Of Heart And Hope”. Daarop presenteert Lytle ons tien uit de bast van het leven zelve gesneden eigen liedjes, die zijn reputatie van eloquente woordkunstenaar hoegenaamd alle eer aandoen. In het gezelschap van de eerder al genoemde Jutz (gitaren), Mark Fain (bas), Barry Walsh (toetsen), Lynn Williams (drums en percussie), Terry Crisp (pedal steel) en Britt Savage en Peter Cronin (harmony vocals) schuift hij geduldig aan in het rijtje met enigszins vergelijkbare singer-songwriters als een John Gorka, een Terence Martin, een Jeff Talmadge en anderen. U weet wel, dat van schrijvers van doorgaans innemende liedjes met op de koop toe prachtige gebronsde stemmen. Schrijvers, doorgaans actief in de schemerzone tussen folk en Americana.

En daar vond Lytle voor ons dingen als het uit pure liefde opgetrokken “Come South”, het bedaard rockend de lente inluidende “The Way We Used To Love”, de prachtige, wel heel erg persoonlijke pianoballade “Mother, Can You Hear Me?” en het al even verbluffend mooie streepje verhalende country “Drunk Girl”. Met name dat laatste is een echt blijvertje. Met op de achtergrond de zachtjes jammerende pedal steel van Crisp gaat onze man daarin op zoek naar een dronken meid voor één nacht. Echt mooi hoeft ze niet eens te zijn. Wat goedlachs gezelschap tot de volgende morgen volstaat ruimschoots, dank u…

Rob Lytle

 

ROBIN ADAMS “The Garden” (Backshop Records)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op het moment dat z’n nieuwe langspeler “The Garden” op m’n schrijftafel belandde eigenlijk nog nooit iets gehoord had van Robin Adams. De vanuit Glasgow naar verluidt al een flinke poos aan de weg timmerende songsmid was er effectief drie albums lang in geslaagd om zich aan het zicht van m’n nochtans immer actieve radar te onttrekken. En over z’n eerdere worpen “Down To Reverie” uit 2008 en “Be Gone” en “Robin Adams’ Train Crash Choir” uit 2011 hoef je me dan ook niks te vragen. Die moet ik zelf dringend nog gaan ontdekken.

Dringend, omdat ’s mans nieuwe worp “The Garden” me ondertussen wél ergens midscheeps geraakt heeft met alle gevolgen van dien. Ik werd echt overdonderd door het liedjestiental daarop. Liedjes, die me in al hun eenvoud herinnerden aan groten der aarde als een Nick Drake, een Bert Jansch en een John Martyn. Knapen, die Adams, met uitzondering van laatstgenoemde, ook zelf opsomt als inspiratiebronnen trouwens. Naast onder meer ook nog John Fahey, Neutral Milk Hotel, Arthur Rimbaud en Vincent van Gogh.

En met name die laatste liet zwaar z’n stempel achter op “The Garden”. Nogal wat van de liedjes erop baseren zich voor hun inhoud immers op het leven en de dood van de vermaarde schilder. Het merendeel ervan is thematisch in de weer met de immer in én met z’n bestaan worstelende artiest. Iets wat Adams en van Gogh zo op het eerste gezicht tot op zekere hoogte met elkaar lijkt te verbinden.

En ook met betrekking tot z’n modus operandi heeft Adams duidelijk gehandeld met van Gogh in het achterhoofd. Hij nam “The Garden” immers volledig op in z’n eigen slaapkamer. Met uitzicht op de tuin uiteraard. (Of waar dacht je dat die titel vandaan kwam?) Hij benaderde z’n liedjes zoals Van Gogh z’n schilderijen. Ze moesten als het ware het moment van hun ontstaan in zich vangen.

Het resultaat zijn tien wel heel erg persoonlijk ingevulde luisterliedjes. Liedjes, die aan een minimum aan instrumentale begeleiding genoeg hebben om je als luisteraar keer op keer opnieuw te blijven bekoren. Veel meer dan een akoestische gitaar en occasioneel een mondharmonica blijkt daarvoor niet nodig. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar “things of beauty” als het titelnummer, de single “Holy Smoke”, “Keep Me”, “Troubled Skies” of “Right To Run”. Van liedjes als deze zou de oude Keats ongetwijfeld gezegd hebben, dat ze “a joy forever” waren…

Robin Adams op MySpace

 

TOM RUSSELL “The Rose Of Roscrae” (Proper Records / Bertus)

(4,5*****) 

Van een ambitieus project gesproken! Songsmid Tom Russell ziet de dingen hier wel heel erg groots… Tweeënvijftig tracks, goed voor net geen honderd vijftig minuten entertainment van het betere soort. Voor z’n derde “folk opera” heeft de Amerikaan duidelijk alle registers opengetrokken. “The Man From God Knows Where” uit 1999 en “Hotwalker” van een jaar of tien geleden hebben er hiermee een aardig in het oog springende opvolger bij.

Via het verhaal van een Ierse jongen die ergens aan het eind van de negentiende eeuw naar de States reist om er cowboy te worden biedt “The Rose Of Roscrae” ons een uitermate boeiende kijk op de geschiedenis van het Amerikaanse Westen en van traditionele cowboy- en folkmuziek. En daarvoor passeren nogal wat bekende namen de revue. Een veritabele “who’s who” aan Americana-iconen trekt hier voorbij. We noemen in dat verband onder meer Jimmie Dale Gilmore, David Olney, Johnny Cash, Joe Ely, Augie Meyers, Fats Kaplin, Moses Clear Rock Platt, Gretchen Peters, Walt Whitman, Ramblin’ Jack Elliott, Jack Hardy, David Massengill, Tex Ritter, A.L. Lloyd, Finbar Furey, Sourdough Slim, Blackie Farrell, Ross Knox, Glenn Orhlin, Pat Russell, John Trudell, Thad Beckman, Maura O’Connell, Eliza Gilkyson, Ana Gabriel, Ian Tyson, Bonnie Dobson, Lead Belly, Guy Clark, Dan Penn, Gurf Morlix en Pat Manske. En ook het je vast nog wel van Russells vorige cd “Aztec Jazz” bekende Norwegian Wind Ensemble is weer van de partij. Voor de door Mats Hålling gearrangeerde en met Jimmie Dale Gilmore gebrachte ouverture tot “The Rose Of Roscrae” met name.

De term chef d’oeuvre is hiervoor wel op z’n plaats, menen we. Niet enkel het concept, het verhaal en de uitgebreide lijst met betrokkenen spreken immers geweldig aan, maar ook nogal wat van de en passant ten gehore gebrachte liedjes. Iets als dit hoorden we eigenlijk gewoon nog nooit! Eén lange luistertrip zonder weerga is het! Ga er maar eens goed voor zitten… Het loont!

Tom Russell, Proper Records

 

POKEY LAFARGE “Something In The Water” (Rounder Records)

(4****)

“Amerikanen houden ervan om zichzelf opnieuw uit te vinden, maar helemaal weg van de plaats waar je vandaan komt raak je nooit,” aldus Pokey LaFarge. “En in een geglobaliseerde wereld als die van nu zijn er, denk ik, zelfs bepaalde delen van onze regionale identiteit waar we maar beter halsstarrig kunnen aan vasthouden, die we maar beter kunnen koesteren.” Het verklaart meteen ten volle, waarom het Amerikaanse Middenwesten – The Midwest klinkt echt zoveel beter… - zo’n essentiële rol speelt in z’n muziek. En met name dan op z’n nieuwe worp “Something In The Water”. De vanuit St. Louis actieve LaFarge groeide er immers op. En vooral ook: hij genoot er zijn muzikale vorming.

Voor dat nieuwe album riep LaFarge de productionele hulp in van de hier te lande vooral om z’n werk met JD McPherson bekende Jimmy Sutton. En die gidste hem op buitengewoon vaardige wijze doorheen een twaalftal nieuwe songs. Enkele daarvan, met name de intimistische inleiding tot de kunst van het verleiden “When Did You Leave Heaven” en het echt wel rete-swingend gebrachte “All Night Long”, zijn herinterpretaties van oude blues standards. Het leeuwendeel van de songs zijn echter nieuwe LaFarge-originelen. En die blijken naar ondertussen goede gewoonte lang niet allemaal onder één en dezelfde hoed te vangen. Elementen uit vroege jazz, ragtime, country blues, Western swing en nog wel meer genres vinden allemaal wel ergens hun weg naar de bijzonder smaakvolle muzikale gumbo van LaFarge.

Titelnummer “Something In The Water” blijkt zo een erg lekkere stijloefening in gypsy swing, “Wanna Be Your Man” is ragtime van de werkelijk bovenste plank en “Underground”, een even gewaagde als geslaagde hybride van jazz en retro rock, lijkt inderdaad bestemd tot een lang leven in de kontreien uit z’n titel. Het gevoelige “Cairo, Illinois” is vervolgens dan weer spek naar de bek van de crooner in LaFarge, “Actin’ A Fool” lijkt verwekt tijdens een heet nachtje gestoei met Western swing en voor de fraaie ballade “Goodbye, Barcelona” mag de vlag “exotica” even worden uitgerold. Het akoestische countrybluesje “Far Away”, het met name blazersgewijs wat zomerse R&B in zich naar binnen smokkelende “The Spark”, het wel heel erg nadrukkelijk richting Bob Wills-territorium uitwijkende “Bad Girl” en het wervelende “Knocking The Dust Off The Rust Belt Tonight” – Hét absolute prijsbeest hier! – mogen de feestelijkheden op gepaste wijze afsluiten.

Pokey LaFarge            

 

PAUL BRADY AND HIS BAND “The Vicar St. Sessions Vol. 1” (Proper Records / Bertus)

(3,5****)

In het najaar van 2001, in oktober om precies te zijn, stonden Paul Brady en z’n band liefst drieëntwintig keer op een rij op de planken van het legendarische Vicar St. in Dublin. An sich al een hele prestatie, maar die verbleekt nog bij het zien van de vele namen van bekende collega’s die indertijd voor een speciaal gastoptreden voorbijkwamen. En met de nieuwe cd van de Ierse troubadour krijgen we een eerste fraai aandenken daaraan.

Daarop bevinden zich bij nader inzicht maar een drietal nummers die de brave man gewoon zelf ten beste geeft. Dat zijn respectievelijk openingsnummer “I Want You To Want Me”, “The Soul Commotion” en het ook al heel erg soulvolle “Believe In Me”. In alle andere voor het geheel weerhouden tracks zijn het vooral Brady’s gasten, die even de vocale hoofdrol voor zich opeisen.

De donkerbruine grom en de uit duizenden herkenbare gitaar van ex-Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler mogen zo bijvoorbeeld de sfeer bepalen in het fraaie “Baloney Again”, Gavin Friday en z’n secondant Maurice “The Man” Seezer geven acte de présence voor de ook na al die jaren nog hemels klinkende popdeun “Nobody Knows” en de immer opvallende Sinéad O’Connor waadt a capella doorheen “In This Heart”. Van Morrison levert dan samen met Brady naar ons gevoel hét absolute hoogtepunt van de plaat met een werkelijk van de Keltische soul bulkende vertolking van “Irish Heartbeat”. En ook Bonnie Raitt is naar goede gewoonte in prima doen in het in duet met haar gastheer gebrachte “Not The Only One” en het beleefd wereldwijs rockende “The World Is What You Make It”.

Bijzonder aangenaam verrast werden we vervolgens dan weer door de bijdrage van Curtis Stigers. Die brengt in een tot het absolute minimum gereduceerde setting van een akoestische gitaar en een piano samen met Brady de bloedmooie, door hemzelf samen met Beth Nielsen Chapman geschreven ballade “Don’t Go Far”. En wat te denken van de doortocht van tienermeisjesidool Ronan Keating hier? Ook die kleurt keurig binnen de lijntjes van het geheel met een krachtige vertolking van “The Long Goodbye”. Net als de lichtjes fantastische Eleanor McEvoy, die met Brady ter ondersteuning aan de piano een huiveringwekkend schone vertolking van haar eigen “Last Seen October 9th” uit de mouw schudt.

Afgesloten wordt er met een Bob Dylan-cover. Met het Brady werkelijk op het lijf geschreven “Forever Young” met name. En daarvoor weet hij zich in wel zeer goed gezelschap! Want zeg nu zelf, met Mary Black, Moya Brennan en Maura O’Connell samen op de bühne mogen staan, wat kan een mens zich nog meer wensen? Niet veel, lijkt ons…

Alhoewel… Laat die volgende volumes maar vlug komen!

Paul Brady, Proper Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home