CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

BLUE GRASS BOOGIEMEN “Grassified” - DANIEL MARTIN MOORE “Golden Age” - SUZETTE LAWRENCE & THE NEON ANGELS “Tear Up The Honky Tonk” - GRAHAM NASH “This Path Tonight” - RACHEL GARLIN “Wink At July” - THOMAS NORDLUND “Divide Avenue” - BASEMENT SAINTS “Get Ready” - JAMES HOULAHAN “Multitudes” - KEN DUNN & GYPSY STARFISH “The Great Unknown” - STEVEN CASPER & COWBOY ANGST “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head” - JIMMY RUGGIERE “Nicer Guy” - SPICEWOOD SEVEN “Still Mad” - IAN SIEGAL & JIMBO MATHUS “Wayward Sons” - BILL PRICE “I Can’t Stop Looking At The Sky” - JOHN PINAMONTI “The Usual” - BELLOWHEAD “Bellowhead Live, The Farewell Tour” - JOHN MCCUSKER “Hello, Goodbye” - MOULETTES “Preternatural” - AFRO CELT SOUND SYSTEM “The Source” - THE WESTIES “Six On The Out” - THE SUMNER BROTHERS “The Hell In Your Mind”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

                                                                                                                                                                               

BLUE GRASS BOOGIEMEN “Grassified” (Excelsior Recordings)

(3,5****)

2016 staat voor de Nederlandse Blue Grass Boogiemen volledig in het teken van hun vijfentwintigjarig jubileum. Een kwarteeuw lang nu inderdaad al staan Robert-Jan Kanis (zang en gitaar), Arnold Lasseur (zang, mandoline, gitaar, viool en dobro), Aart Schroevers (zang en contrabas) en Bart van Strien (zang, banjo, mondharmonica en viool) garant voor high-energy bluegrass van het betere soort. En al wie hen ooit live aan het werk zag, zal met plezier beamen dat ze zo menig een U.S. act moeiteloos achter zich laten.

Voor deze speciale verjaardag verrassen de Boogiemen ook met een speciaal project. Besloten werd immers om nummers van een aantal muzikale vrienden samen met hen van een bluegrassjasje te voorzien. Deze te verbluegrassen als het ware. Dat zulks uitermate boeiende resultaten opleverde, hoeven we je hier allicht niet te vertellen. En al zeker niet gezien het aardig eclectisch uitgevallen deelnemersveld.

Als leukste momenten stipten wij aan: een zeer mooie lezing van Tim Knols “Rearview Mirror”, een (tot onze grote verbazing) echt wel verbazend goed werkende benadering van “(Vechten Tegen) De Bierkaai” van Freek de Jonge, het zalig melancholische “Zo Fijn” van Clean Pete, het stukje jeugdsentiment dat “Belle Hélène” (voor velen onder ons) toch wel is door ex-Doe Maar Ernst Jansz, het heerlijk authentiek aandoende “Hayfever” van T-99 en het relaxed swingende “D’n Anholder Wint” van en met niemand minder dan Achterhoek-legende Bennie Jolink van Normaal.

Zijn verder ook nog van de partij: Maurits Westerik (“The Subterranean Parade”), Jeroen Mesker (“Stick With It”), rapper Def P. (“Ik Eerst”), Roos Rebergen (“Gedachten”), Awkward I (“Rock Stars”), Danny Vera (“Jesus & The Outlaw”), Tangarine (“It Will Not Bother Me”), Marike Jager (“Secret”), Blaudzun (“Elephants”) en Dave von Raven (“Ruimtetuin”).

Hoogst origineel allemaal en bovenal ook erg sympathiek. Gelukkige verjaardag, heren!

Blue Grass Boogiemen

 

DANIEL MARTIN MOORE “Golden Age” (OK Recordings / SofaBurn)

(4****)

Echt nieuw is dit “nieuwe” album van Daniel Martin Moore eigenlijk al niet meer. In de States was het immers al zo’n half jaar lang op de markt. Maar om ons niet meteen duidelijke redenen krijgt het nu ook hier eindelijk een serieuze kans. En dat is maar goed zo ook, want dit is echt wel een heel mooi geheel.

Daniel Martin Moore werkte voor zijn inmiddels toch ook alweer zesde plaat nauw samen met Jim James. Die tekende met name voor de productie. En hij zorgde ervoor, dat de vocale kunstjes van zijn beschermeling in een wat voller decorum dan voorheen terechtkwamen. Een groter geluid, dat was de betrachting. Eentje met een volledige band achter Moore, met veel toetsen en strijkers ook en met minder de nadruk op de gitaar. Van de partij voor het realiseren daarvan waren onder anderen toetsenist Dan Dorff, Jr., percussionist Dave Givan, bassisten Alana Rocklin en Zak Appleby (Houndmouth), strijkers Charlie Patton (cello) en Scott Moore (viool), nachtegaaltje Joan Shelley en uiteraard ook producer James, voor als er toch al eens ergens een gitaar nodig bleek. Martin zelf horen we vooral in de weer op de piano en sporadisch ook de gitaar.

Met z’n allen tekenen zij voor een op de keper beschouwd redelijk tijdloos aanvoelend songtiental. Onwillekeurig denk je hierbij als luisteraar terug aan knapen als een Nick Drake en een Tim Buckley. Moore beschikt immers niet enkel over een enigszins vergelijkbare ijle stem, met heel wat van zijn liedjes doet hij ook dezelfde melancholische buurten aan als genoemde heren in heel wat van hun materiaal. A match made in heaven dus.

Al is “Golden Age” inhoudelijk wel een stuk minder somber dan wat Nick Drake ooit te bieden had. Het is integendeel juist een heel warm, heel erg positief ingevuld geheel. Eentje dat er absoluut niet voor terugdeinst om bijvoorbeeld vriendschap en liefde volop te celebreren. Maar dan wel op een zodanig fraaie manier, dat het nergens banaal dreigt te worden.

Onze luistertips: de heerlijk elegante pianoballade “In Common Time”, het ook al lekker dromerig ingevulde titelnummer en afsluiter “How It Fades”, een ons best wel wat aan Ron Sexmith herinnerende herfstige trage.

Daniel Martin Moore

 

SUZETTE LAWRENCE & THE NEON ANGELS “Tear Up The Honky Tonk” (Tex-O-Billy Music)

(4,5*****)

Voor onze eerste kennismaking met Suzette Lawrence moeten we al een aardig eindje terug in de tijd. Naar 1993 meer bepaald en het derde volume van de vermaarde reeks “A Town South Of Bakersfield”. Als toen nog Suzette Renee gaf ze hem ook daarop al met de Neon Angels serieus van jetje met “He’s Breakin’ My Heart”. Iets wat in volle cowpunktijden door ons natuurlijk heel erg geapprecieerd werd.

En ik moet zeggen, dat het me ontzettend veel plezier doet om de ondertussen in East Nashville neergestreken Texaanse ook ruim meer dan twintig jaar later nog steeds even passioneel met haar muziek bezig te horen. Niet één liefhebber van hardcore country met zo nu en dan een rockabillyrandje zal zich hiermee bekocht voelen. Wel integendeel! Dit is echt een aanrader van formaat!

Net geen veertig minuten lang etaleert Lawrence een countryhart zo groot als haar geboortestaat. Beginnend met de fraaie, met fijne pedal steel- en mandolineaccenten opgewaardeerde hartzeercountry van “Baby Don’t Cry” over de z’n titel dik drie minuten lang volop waarmakende rocker “Tear Up The Honky Tonk” en ballad “Barely Hangin’ On” tot het ergens op de grens tussen rockabilly, twangy country en bluegrass wervelende “Leavin’ His Town”. En met verderop onder meer ook nog de lekker wegrockende tip of the hat aan “haar” Lone Star State “Texas State Line”, de swingende billy van het bij ons zowel beelden van Kitty Wells als van Wanda Jackson oproepende “Kitty Cat Scratch”, het wat meer richting Americana uitwijkende “Beautiful Dream” en klassiek Texaans dansvloerspul met “Help Me Remember”.

Uitgezwaaid worden we ten slotte met “You Burned Me”, “The Sun Will Rise Again” en “Yo Soy Tejana (I’m A Texas Girl)”. Respectievelijk een passionele countryrocker van het genre waarin ook Maria McKee en Lone Justice ooit pleegden te grossieren, een prachtige, steelzwangere trage en een wervelende, tweetalige bekentenis met betrekking tot de eigen roots. Goed voor een genadeloze knock-out in de elfde ronde.

Suzette Lawrence & The Neon Angels

 

GRAHAM NASH “This Path Tonight” (Blue Castle Records)

(3***)

Ooit was Graham Nash één van onze idolen. Ten tijde van “Déjà Vu” van Crosby, Stills, Nash & Young meer bepaald. Die plaat, met onder meer dingen als “Our House” en “Teach Your Children”, blijft ook jaren na dato nog steeds één van onze all-time favorites. Maar dat was toen en dit is nu…

“This Path Tonight”, de eerste nieuwe studioplaat van Nash in veertien jaar tijd, weet ons lang niet meer in diezelfde mate te boeien. De tien door de beste man daarop in een productie van Shayne Fontayne geserveerde liedjes zijn weliswaar mooi maar ook niet meer dan dat. Ze onderscheiden zich nauwelijks of niet van wat zoveel anderen óók doen. En da’s dus ooit wel eens anders geweest…

Op “This Path Tonight” is Graham Nash vooral in de weer met zichzelf. Met terugblikken op wat ooit was. Met CSNY bijvoorbeeld. In “Golden Days”. Met ondervinden hoe het voelt na een laatste “Encore”. Met zich afvragen wat er nog komen moet. Letterlijk dan, in het titelnummer waarin expliciet de vraag “Where Are We Going?” weerklinkt.

Tegenover al die behoorlijk diepzinnige gedachten staat helaas een eerder onopvallende muzikale achtergrond. Folky, bij momenten vrijwel naadloos verglijdend in pop en rock. Ingespeeld samen met de al genoemde Shane Fontayne (elektrische en akoestische gitaren), Jay Bellerose (drums en percussie), Todd Caldwell (Hammond), Jennifer Condos (basgitaar) en Patrick Warren (keyboards en piano).

Wél heel erg mooi: het intimistische kleinood “Back Home”, een eerbetoon aan wijlen z’n maatje Levon Helm.

Graham Nash

 

RACHEL GARLIN “Wink At July” (Tactile Records)

(4****)

De voorbije zeven jaar had het leven zelf zo menig een aangename verrassing in petto voor de Californische liedjesschrijfster Rachel Garlin. Een terugkeer naar haar geboortestaat, een huwelijk, een kindje, daarna nog eentje en een haar op gelukkige wijze in de schoot geworpen job als muziekleerkracht in een plaatselijke school vergden een flinke poos zo goed als al haar aandacht. En voor het inblikken van nieuwe muziekjes bleef er dan ook maar bitter weinig tijd over. Maar al die tijd bleven de liedjes wel komen. En dan weet je, vroeg of laat komt die nieuwe plaat er toch wel weer van. In dit geval dus laat. Van 2008 en “Bound To Be Mountains” was het immers alweer geleden, dat Garlin nog eens met vers materiaal uitpakte.

Veel is er tussentijds gelukkig niet veranderd. De Amerikaanse schrijft nog altijd van dezelfde heerlijke story songs, als deze waarmee ze ooit de aandacht van de jury’s van gerenommeerde talentenjachten als die van het Newport Folk Festival en het Telluride Bluegrass Festival op zich wist te vestigen. Zelf mag ik haar eigenlijk graag zien als een net wat meer rootsy uitgevallen uitvoering van Suzanne Vega. Met die laatste deelt ze niet enkel een enigszins vergelijkbare stem, maar ook de benaderingswijze van haar liedjes. Eén enkele aandachtige beluistering van “Wink At July” zal al snel duidelijk maken, wat ik daarmee precies bedoel.

In totaal twaalf nieuwe eigen songs staan er op het album. Nummers die Garlin opnam onder de productionele vleugels van JJ Wiesler en met studiobegeleiding van muzikanten die hun sporen verdienden achter onder anderen John Hiatt, Chris Isaak, John Fogerty, Ani DiFranco, de Indigo Girls, Tori Amos en Sarah McLachlan. Het eerste in lijn is de speelse, met haar jonge jaren in Berkeley in het achterhoofd gepende folkpopdeun “Gwendolyn Said”. Gelijk een prima opener en naar verderop blijkt ook een uitstekende barometer voor wat er ons vervolgens nog allemaal te wachten staat. Zoals het zonder effectief gebruik van het instrument in de titel ervan door het leven moetende “Accordeon Song” bijvoorbeeld al, een echt pareltje van een liedje, waarin Garlin een toevallige ontmoeting met een bekende, die net al zij ook pas haar vader verloren heeft, beschrijft. Buitengewoon pakkend, hoe ze daarin met de door dat simpele gesprek vrijgekomen emoties omspringt.

“Hey Keith Haring” blijkt vervolgens een wat apart eerbetoon aan het adres van de graffitikunst van die ons veel te vroeg verlaten hebbende artiest, “This Winding Road” is een vlot folkbluesje met de blik gericht op de achteruitkijkspiegel en het ontdekken van de schoonheid van bekend terrein, “The Sea You See” richt zich tot haar vele jaren geleden uit Schotland geëmigreerde, maar ondertussen overleden moeder en “Colorado Rain” speelt tegen een levendige, voorzichtig richting bluegrass overhellende achtergrond met herinneringen aan het fijne voorspel op de lente aldaar.

“Up On A Ladder In Boots” confronteert ons daarna onder de bijzonder fijne mandolinebegeleiding van Kate Isenberg met een meteen door haar aparte werkwijze in het oog springende artieste, “Flying Together” gaat op z’n Suzanne Vega’s over maar moeilijk los kunnen laten, “Spin” blijkt in het zog daarvan één van de vlottere deunen überhaupt hier en het subtiele “Stranded” op zijn beurt dan weer enkele tellen lang aangenaam vastzitten in tal van snapshots uit het verleden.

De twee laatste stops ten slotte zijn “Dear Friend” en titelnummer “Wink At July”. In het eerste van die twee maakt Garlin ons op erg breekbare wijze deelachtig aan de inhoud van een brief geschreven als antwoord op die van een vriend, in het tweede kijkt ze tegen een zalige atmosferische rockachtergrond in blijvende verwondering naar de wereld om haar heen. Een werkelijk bloedmooi einde voor een al bij al ook zeer mooie plaat.

Rachel Garlin

 

THOMAS NORDLUND “Divide Avenue” (Codesong Records)

(3,5****)

Wie houdt van instrumentale Americana raden we aan om dringend eens een oor te luister te gaan leggen bij “Divide Avenue”, het debuut van de jonge Amerikaanse gitarist Thomas Nordlund. Wat die op z’n visitekaartje presteert spreekt immers hoegenaamd tot de verbeelding. Middels zijn liedjes brengt hij als het ware een breedbeeld-ode aan de vele werkelijk bloedmooie landschappen op het schiereiland Baja California. Aan het bepaald cinemascopische karakter van het merendeel ervan kan je als luisteraar amper voorbij.

Beklijvende baritongitaarescapades aangevuld met accenten op de twaalfsnarige baritonsteel, de 6-string steel, trompet, bugel, Wurlitzer, Rhodes, piano, akoestische en elektrische bassen en drums is wat er op het programma staat. Beurtelings wat meer Americana-, jazz- dan wel rockgericht. Eén enkele keer ook met een bescheiden vocale bijdrage van de ons voorheen volslagen onbekende Maryam Yusefzadeh.

Dit werd ons aangereikt als “een nostalgische road song verteld door gruizige elektrische baritongitaargeluiden” en da’s eigenlijk best wel een adequate beschrijving ook. Als je tenminste in rekening neemt, dat bloedheet woestijnzand nooit echt ver uit de buurt lijkt.

Noem dit wat mij betreft maar een fijne gezel voor in de al wat latere uurtjes. In die momenten tussen nacht en dag lijkt me een verkapte soundtrack als deze het best tot z’n recht te kunnen komen. (En al zeker dan als je houdt van Calexico-achtige toestanden.)

Thomas Nordlund

 

BASEMENT SAINTS “Get Ready” (Wanted Men Recordings)

(3,5****)

De Basement Saints zijn een vanuit Grenchen, Solothurn actief Zwitsers rockcollectiefje, dat met “Get Ready” aan zijn langspeeldebuut toe is. Eerder verscheen van de drie immers enkel een EP. In het najaar van 2014 was dat, met “Free Souls”, een geheel dat hen al aardig wat airplay en dankzij veelvuldig videogebruik vooral ook heel wat fans binnen skate- en snowboardkringen opleverde.

Anton Delen, Tobias Arn en Samuel Jaussi treden aan in wat heet een klassieke driemansbezetting te zijn. Anders dan verwacht worden de taken binnen de groep echter niet op de klassieke manier ingevuld. Delen en Arn blijken immers allebei gitaristen en Jaussi kijkt toe van achter z’n drumstel. Voor het broodnodige basfundament doet men net als op het podium een beroep op een technische kunstgreep, zo blijkt. Meer daarover in het de cd begeleidende booklet.

Het op hun eersteling door de Saints geserveerde spul zal o.i. vooral in de smaak gaan vallen bij liefhebbers van bluesy hard rock van het type zoals men die ook in het zuiden van de States graag maken mag. Hun sterkste troeven daarbij blijken de gevaarlijk ruige strot van kopstuk Anton Delen, de twin guitars van diezelfde Delen en maatje Tobias Arn en vooral ook hun avontuurlijkheid met betrekking tot het gebrachte. Om binnen het door hen gekozen genre op te vallen kon het inderdaad absoluut geen kwaad om te gaan voor de nodige variatie. En als je dat dan ook nog eens kan zonder daarbij de melodie uit het oog te verliezen, dan is dat enkel nog een pluspunt meer.

Onze luistertips: de terecht als eerste single weerhouden furieuze recht-toe-recht-aan rocker “High Tide”, het zich wat ons betreft nu al als gedoodverfde opvolger daarvoor aandienende groovy titelnummer, het ook al ongemeen snedige “Apple Tree”, het bijna onopvallend wat funky trekjes verradende “Red Wine” en het uitermate sympathiek voorbij gehikt komende “Revolution”.

Ideaal als soundtrack voor als straks tijdens lange ritten met de wagen onder een zonnige hemel de ruit weer ongestoord naar omlaag kan.

Basement Saints

 

JAMES HOULAHAN “Multitudes” (Gumbo Luvah Music)

(3,5****)

Met “Seven Years Now”, zijn in 2009 uitgebrachte eerste soloplaat, en “Misfit Hymns”, de drie jaar later verschenen opvolger daarvan, deed de Amerikaanse songsmid James Houlahan hier al een paar keer eerder van zich spreken. Met name die tweede plaat vonden wij echt ijzersterk. Zó goed zelfs, dat we eigenlijk best wel een beetje uitkeken naar ’s mans nieuwe.

En die nieuwe, die is er nu dus eindelijk. Na alweer meer dan drie jaar wachten. Drie lange jaren, die Houlahan klaarblijkelijk goed heeft gebruikt. Dat menen we toch te mogen concluderen uit de kwaliteit van het gros van de op “Multitudes” gebrachte liedjes. Het album begint echt wel ijzersterk. Murder ballad “Fire Of Mercy” is het soort van rammelwalsje dat allicht geen enkele fan van Tom Waits onberoerd zal laten. Vervolgens is er de groovy roots pop van het de wijde oceaan als een metafoor voor liefde en verlangen gebruikende “Delta Heart”. Ook al een prima deun! Met een heel toffe koperbijdrage van Danny T. Levin erin ook.

Dan gaat het via de lijzige Southern blues rocker “The Rogue Song” en de zijn eigen verhuis van Boston naar L.A. als uitgangspunt gebruikende rootspopdeun “See Me Through” onverwachterwijze richting de onderwereld in het omineuze “Mystery Earth Song”. De broze ballad “Morning Song” noemt Houlahan zelf een langeafstandsliefdesliedje en “Marcy’s Lament” blijkt op de keper beschouwd een soort van companion piece bij openingsnummer “Fires Of Mercy”. In die enigszins psychedelisch aandoende rocker waarschuwt de vermoorde minnares vanuit haar graf immers haar moordenaar om vooral toch maar zijn eigen kinderen met rust te laten.

“Rock Star (Dedicated To The Ruined Heroes Of Sunset Strip)” schreef Houlahan, ook al naar eigen zeggen, als een soort van eerbetoon aan “the ghosts of L.A. music past”. En zowel “Home” als afsluiter “Joyful Circuit” blijken aansluitend daarop opnieuw liefdesliedjes. Met wat ons betreft vooral dat laatste als een waar blijvertje.

James Houlahan

 

KEN DUNN & GYPSY STARFISH “The Great Unknown” (Ken Dunn Music)

(4****)

Echt wel een verrassend goede plaat, deze zesde van de Canadese folkveteraan Ken Dunn en z’n bandje Gypsy Starfish. Z’n eerste nieuwe langspeler in meer dan vijftien jaar tijd trouwens. Sinds het in 2000 uitgebrachte “Time And Space” volgden immers enkel nog de EP “Sacred Water” onder de vlag Gypsy Starfish in 2014 en de verzamelaar “Pouring Rain” een goed jaar later. Haast bij wijze van voorspel op “The Great Unknown” zou je kunnen zeggen.

Voor dat nieuwe album liet Dunn, zelf een uitstekende gitarist (finger style), zich begeleiden door Anna Green (harmony vocals), Tyler Beckett (fiddle), Keira McArthur (cello), Drew McIvor (keyboard), Dean Drouillard (elektrische gitaar), Randy Martin (bas) en Mark Mariash (drums en percussie). En dat bleek bij nader inzicht een uitstekende zet. Met z’n allen bezorgen zij de beste man immers de zo ongeveer perfecte muzikale achtergrond voor een glansprestatie. Want, laat daarover vooral geen twijfel bestaan, “The Great Unknown” is wel degelijk een echte glansprestatie.

Een glansprestatie zoals je die eigenlijk eerder van Dunns landgenoot Neil Young verwachten zou. Met diens wat meer folk- en countrygeoriënteerd materiaal heeft het op “The Great Unknown” gebodene overigens aardig wat gemeen. En mooi het midden tussen folk, country en Americana houdende liedjes als “My Beating Heart”, “Hard But True”, “Forsaken By These Blues”, “Stay By My Side”, “Mermaid Of Avila”, “Cross Of Lorraine” en andere zullen bij de liefhebbers van Youngs oeuvre dan ook zeker niet in dovemansoren vallen. En dan hadden we het nog niet eens over wat rockender spul à la “Mighty Shore” of “Fukushima Nightmares”. Daarbij zal de eerder aangevatte omarming gegarandeerd alleen nog maar inniger worden.

Daarbij voortdurend zowel het persoonlijke als het sociale rijkelijk aan bod laten komend etaleert Dunn hier een bijzonder vaardig handje als songsmid. En dat gecombineerd met z’n eigen wat aparte, maar bijzonder warme nasale stem, het fraaie harmonieerwerk van Green, z’n veelal ingetogen kunstjes op de gitaar en het vakmanschap van alle andere betrokkenen doet het hem. Het maakt het heel erg moeilijk om hier niet van te houden.

Ken Dunn

 

STEVEN CASPER & COWBOY ANGST “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head” (Silent City Records)

(3,5****)

De achterliggende gedachte achter de drie laatste releases van de vanuit L.A. al een poosje aan de weg timmerende Steven Casper is al bij al eigenlijk vrij simpel. Het maken van een album duurt langer dan het maken van een EP en het onder de mensen brengen van je nieuwe nummers via een LP dus ook. En aangezien hij z’n creatieve eieren nu eenmaal zo snel mogelijk kwijt wil, beperkte hij zich zowel bij “Trouble”, “Endless Sky” als nu bij “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head” dus maar tot het EP-formaat. Het is een visie als een andere natuurlijk.

En eerlijk gezegd treur ik er niet eens echt om, dat Casper en de zijnen tot die modus operandi zijn overgegaan. Op die manier komen ze immers steeds dichter in de buurt van een volledig bevredigend geheel, iets wat vroeger in veel mindere mate het geval was. Eigenlijk schortte er altijd wel iets aan hun platen.

Net geen vijfentwintig volle minuten duurt “I Feel Like I’ve Got Snakes In My Head”. En zes nummers, waarvan er eentje later in een 4 A.M.-versie als bonus track wordt herhaald, sluiten een lang feest a priori uit. Maar een feestje wordt het this time around wél. Het door Casper en de zijnen op deze nieuwe mini aangereikte materiaal is immers goed tot zeer goed. Van het als een soort van hommage aan het adres van Ennio Morricone opgevatte instrumentale openingsnummer “For A Few Dollars Less” tot de heerlijk weghikkende bluesrocker “Driving Fast”, van het mooie, maar naar mijn gevoel net iets te nadrukkelijk op een verblijf in één of meer van de vele Americana-hitlijsten mikkende “Restless Heart” tot de door Charity McCrary en Linda McCrary-Fisher op de van hen vertrouwde manier met wat soul besprenkelde honky-tonker “She’s Bad” en de Tex-Mex van het rete-aanstekelijke, ons terloops best wel wat aan Joe “King” Carrasco herinnerende “Maria”, stuk voor stuk zijn het best wel aardige nummers.

Enkel de pianoballade “Slow Dancing” had voor mij niet meer echt gemoeten. Vond ik net wat te melig. Zelfs de mooie harmony vocals van Sharon Bautista daarin kregen me niet helemaal over de streep. Iets wat het gezelschap kort daarna overigens wel nog eens lukte met de eerder al even aangesproken bonus track, de 4 A.M.-versie van “Driving Fast”, dat in z’n onthaaste versie zelfs nog een stuk beter blijkt te klinken dan het origineel.

Steven Casper & Cowboy Angst

 

JIMMY RUGGIERE “Nicer Guy” (Blue Streak Records)

(3,5****)

De Texaanse roots music scene heeft er met Jimmy Ruggiere weer een interessante nieuwe naam bij. Alhoewel, een echte nieuwkomer kan je de met “Nicer Guy” debuterende veteraan eigenlijk amper nog noemen. Als sidekick voor anderen verdiende hij de voorbije jaren reeds ruimschoots zijn sporen. De beste man kan immers een aardig eindje uit de voeten op de harmonica.

Maar goed, da’s een ander verhaal. Hier en nu ligt de focus geheel en al op z’n debuut als zingende songsmid. Een debuut dat hij opnam onder de productionele hoede van de dezer dagen zo ongeveer voor kwaliteit garant staande Chris Gage. En dus klinken ’s mans originele slice of life stories ook zonder uitzondering af. Werkelijk tot in de puntjes toe verzorgd. Met dank daarvoor verder onder meer ook nog aan Paul Pearcy, David Carroll, Mark Epstein, Warren Hood, Jimmy Shortell, Lloyd Maines, Rolf Sieker en Kristin deWitt. Leuk clubje, als u het ons vraagt.

Openen doet Ruggiere “Nicer Guy” met “Baby I’m Wise To You”, een nadrukkelijk tot dansen uitnodigende reeks bedenkingen bij het reilen en zeilen binnen een relatie. Vervolgens is er “I Cried All The Way To Fort Worth”. Nog zo’n dansvloervehikel, as country as it gets. “We’re Going Home To Say Goodbye To Dad” noemt Ruggiere zelf a folk anthem. Eentje dat gegarandeerd zal aankomen bij iedereen die ooit een ouder moest afstaan.

Met “I’ll Take The Ride” gaat het tempo dan resoluut wat de hoogte in. En die countryrocker is wat ons betreft meteen ook één van de fijnste liedjes op “Nicer Guy”. Iets wat we graag nog eens even herhalen voor de meteen daaropvolgende country shuffle “A Heartache Couldn’t Happen To A Nicer Guy”. Ook dat aan deze collectie haar titel verlenende deuntje nestelt zich al na één enkele beluistering knus tussen je oren.

Met “The Livin’ End” belanden we vervolgens enkele minuten lang in ballade-modus, “There’s One Too Many Pretty Girls In Tucson” is typisch border-spul met bijna als vanzelfsprekend de nodige Mariachi-accentjes, het lichtjes bluesy getinte “It Hurts So Bad I Want To Wake Up Stoned” verklapt titelgewijs al zo ongeveer z’n hele eigen verhaal en “Sunday’s Broken” is gewoon een hele fijne Americana story song. En ook afgesloten wordt er in stijl. Met de zwierige bluegrass van “90 Miles To Nashville” meer bepaald.

Jimmy Ruggiere

 

SPICEWOOD SEVEN “Still Mad” (Phoebe Claire Publishing LLC)

(3,5****)

Ik blijf het maar een vreemde naam vinden voor een duo. Spicewood Seven… Je verwacht er zeven en je krijgt er dus maar twee. Tommy Spurlock en Luke Powers met name. Het odd couple dat al in 2006 voor het eerst van zich deed spreken met z’n debuut “Kakistocracy”, een countryrock-protestalbum pur sang en vast niet de lievelingsplaat van George W. Bush. En allicht precies juist daarom van veel anderen net wel.

Nu, net geen volle tien jaar later, achten Spurlock en Powers de tijd eindelijk rijp voor een nieuwe worp. En het lijkt daarop wel alsof de tijd al die jaren stil heeft gestaan, want “Still Mad” pakt de draad precies daar op waar hij na “Kakistocracy” liggen bleef. Wat er concreet op neerkomt, dat ook de nieuwe samenwerking tussen Spurlock en Powers weer tjokvol staat met lekker wegluisterende Americana opgehangen aan bij momenten ijzersterke teksten. Zo vertelt het steelzwangere “The Magic Bullet” bijvoorbeeld de moord op Bobby Kennedy nog eens na vanuit het standpunt van de fatale kogel en mag in het bedaarde “Everything Is Great” een Trump-alike onafgebroken z’n eigen rijkdom bewieroken tegen een achtergrond van schrijnende armoede.

Hebben met andere woorden tekstueel duidelijk wat meer te bieden dan nogal wat dezer dagen actieve Americana acts, deze Spicewood Seven. De lyrics zijn werkelijk to the point, de humor messcherp, de muzikale inlijsting erg aantrekkelijk. Verkeersagressie, stuklopende relaties, de doorsnee-Amerikaan anno nu, het zijn maar enkele voorbeelden van hier verder nog aangekaarte topics.

Voor de productie van dit fijne album tekende Tommy Spurlock gezien zijn enorme staat van dienst op dat vlak uiteraard zelf. En wat studiobijstand kregen beide heren onder meer nog van Leon Rausch, Garth Hudson, Suzi Ragsdale, bassist B.C. Cummings en drummers Beau Johnson, Scott Musick en Jimmy Karstein.

Spicewood Seven (MySpace), CD Baby

 

IAN SIEGAL & JIMBO MATHUS “Wayward Sons” (Nugene Records)

(5*****)

De maanden april, mei en juni staan voor Ian Siegal en Jimbo Mathus na een geslaagde eerdere doortocht opnieuw in het teken van een gezamenlijke tour doorheen Europa en het Verenigd Koninkrijk. En als voorbode daarop trakteren de twee heren nu alvast al op “Wayward Sons”, een eind november 2014 in Café De Noot in het Nederlandse Hoogland vereeuwigde gig. Een setje dat perfect illustreert wat er je te wachten staat, als je zou besluiten om binnenkort ook zelf één van de vele optredens in de buurt van het duo bij te gaan wonen. Een heerlijk atmosferisch geheel is het, waarbij je als luisteraar bijna voortdurend het gevoel hebt de twee binnen handbereik te weten. Alsof ze gewoon ergens in dezelfde ruimte als jij voor jou persoonlijk zitten te musiceren.

Een heerlijk intimistische show dus. En eentje waarbij zowel eigen materiaal als zo menig een pareltje ontleend aan het rijke Amerikaanse roots- en bluesverleden de revue passeren mag. Van de ons tot voor kort vooral als kopstuk van de Squirrel Nut Zippers bekende Jimbo Mathus (zang, gitaar, mandoline, harmonica en kazoo) krijgen we zo het bij nader inzicht behoorlijk Dylanesk aandoende “In The Garden”, het zuiders lijzige “Tallahatchie”, het tragikomische verhaal van de gekke, maar vooral ook verschrikkelijk luie “Old Earl”, het fijne akoestische bluesje “Too Much Water” en de magistrale story song “Milltown”. Van Britse bluesmaestro Siegal (zang, akoestische en slidegitaren) is er enkel het je wellicht ook al van “The Picnic Sessions”, zijn vorig jaar verschenen samenwerking met broederpaar Cody en Luther Dickinson, Alvin Youngblood Hart en ook al Jimbo Mathus, bekende “Talkin’ Overseas Pirate Blues”.

Voorts stoot je hier tussen de pittige en sappige verhalen door ook nog op doorleefde vertolkingen van Townes Van Zandts “Heavenly Houseboat Blues”, het ons vooral in een benadering van Johnny Cash bijgebleven “Crazy Old Soldier”, Leadbelly’s classic “Goodnight Irene” en de traditionals “Jesse James”, “Mary Don’t You Weep”, “Casey Jones”, “Ludella” en “Stack O’Lee”. En als encores zijn er na al dat fraais ook nog daar naadloos bij aansluitende versies van het ook al overgeleverde gospelfavorietje “I’ll Fly Away” en Ewan McColls, hier vooral in de uitvoering van de Pogues bekende, meesterwerk “Dirty Old Town”.

Allemaal samen goed voor net geen vierenzeventig minuten rootsvermaak van de werkelijk bovenste plank. Het soort van plaat met andere woorden dat er je spijt doet van hebben dat je er die bewuste avond in november zelf niet bij was.

Ian Siegal, Jimbo Mathus

 

BILL PRICE “I Can’t Stop Looking At The Sky” (Grass Magoops Records)

(4****)

Van een ambitieus project gesproken! Liefst vier jaar deed de Amerikaan Bill Price erover om “I Can’t Stop Looking At The Sky” te voltooien. Maar met z’n in één van de meest uit de kluiten gewassen deluxe-verpakkingen die wij ooit zagen aangereikte twee uur en drieëntwintig minuten aan originele muziek staat daar dan ook wel iets tegenover. Twee cd’s, een 120 pagina’s tellend journaal bijgehouden tijdens de trip die de inspiratie voor de liedjes erop moest leveren, twee royaal bemeten, 40 pagina’s dikke tekstboeken, het 160 pagina’s tellende begeleidende boek “Digging Deeper Toward The Sky”, een verzameling short stories, essays en gedichten, enkele mini-posters, postkaarten, stickers, buttons en een bladwijzer, kortom een echt hebbeding, dat “I Can’t Stop Looking At The Sky”.

Maar ons interesseert natuurlijk in de eerste plaats de muziek erop. En ook die blijkt bij nader inzicht meer dan in orde. Lekker gevarieerd ook, met op tekstueel vlak oog voor zowat het gehele menselijke bestaan. Tegelijk persoonlijk, maar ook heel universeel allemaal. Wij gingen er alvast graag in mee. Van het zomerse, door een funky gitaartje ingeleide en daar ook mee onderbouwde “Empty Out My Head” over de laatavond-jazz van “Get Me Gone” tot het zwierige rootspopdondertje “I Don’t Want To Come Home”, van de in een rechtvaardige wereld tot een lang bestaan in de ether gedoemde ingetogen pop beauty “On The Dancer” over het met een zalig streepje accordeon opgewaardeerde en ons best wel wat aan Paul Simon ten tijde van “Graceland” herinnerende “Makes Me Feel Better” – Nog zo’n radiovriendelijk niemendalletje! – tot het daar perfect bij aansluitende “What Can You Do?”, van de snedige rootsrocker “Heaven Collapse” over de typische West Coast pop van “Our Lady Of The Trampolene” tot het nerveus een eindje voort stuiterende “Out Of The Shadows”, van het meteen door een zweempje cajun opvallende “Crazy Good / Crazy Bad” over de catchy pop van “Post Rain Redemption” en dito rock van “She’s Good Crazy” en “I Want To Hold Your Hand Revisited” tot de fijne ballad “Wild Saint” en andere, aan toffe liedjes hier hoegenaamd geen gebrek.

Verdient dan ook absoluut onze aanbeveling, dit als “a musical, literary and design odyssey” gepromote geheel.

Bill Price

 

JOHN PINAMONTI “The Usual” (John Pinamonti)

(3,5****)

Zelf maakte ik kennis met de Amerikaanse singer-songwriter John Pinamonti ergens in 2004. Naar aanleiding van ‘s mans derde cd “JP3” was dat. En ik ben hem sindsdien eigenlijk altijd wel wat blijven volgen. Ik mocht ‘m immers wel, die Pinamonti. En mij hoeft u dan ook niet meer te komen vertellen, dat de beste man een bijzonder fijne storyteller is en een begenadigd gitarist bovendien ook. Nee, nee, dat wist ik al. Hier staan z’n jongste albums inmiddels ergens in de buurt van die van John Prine, als u begrijpt wat ik bedoel.

En daar zal ik maar wat graag ook weer een plaatsje voor Pinamonti’s zesde reserveren. “The Usual” heet die en hij staat eigenlijk ook gewoon vol daarmee. Vol met liedjes zoals ik die van Pinamonti door de jaren heen gewoon ben geraakt. Muzikaal lekker gevarieerd en terugvallend op ijzersterke teksten. Heerlijk helder van taal, want “in der Beschränkung zeigt sich” – zoals ondertussen allicht wel alom geweten – “der Meister”. Zin in een voorsmaakje? Kan altijd. Bij “The Usual” zit immers geen tekstboekje, daarvoor moet u even naar Pinamonti’s eigen webstekje. En als u daar dan toch al bent, kan u misschien ook even kennismaken met de muziek van de man. Die varieert van eerder traditioneel opgevat folky singer-songwriterspul tot het aardig wat ruimer zoekend Americana- en rootsmateriaal. Als voorbeelden daarbij zouden onder andere de goed in het gehoor liggende roots rock van “I Want It Now”, de echt ook wel meteen aansprekende Americana van “In Plain Sight” en het lang niet enkel blazersgewijs met een gevoel van jazzigheid overladen “City Of Angles” goede diensten kunnen bewijzen.

Niet alles is hier overigens eigen fabricaat. Onder afsluiter “I Can’t Feel At Home In This World Anymore” prijkt de naam van A.P. Carter.

John Pinamonti, CD Baby

 

BELLOWHEAD “Bellowhead Live, The Farewell Tour” (Navigator Records)

(5*****)

Wat zullen we hen gaan missen, die van Bellowhead! Binnenkort houden ze het immers definitief voor bekeken. Nog snel één laatste tournee afwerken en dan voorgoed “Schluss damit!” Maar niet zonder nog één laatste worp! Het standbeeld dat ze eigenlijk al lang verdienden! We hebben het dan over de fraai vormgegeven 3 disc set “Bellowhead Live, The Farewell Tour”. 52 tracks, verspreid over twee cd’s en één dvd, verpakt in een fraai hardcover booklet met het nodige concertfotomateriaal als kers op de taart.

De voor velen beste live band van het Verenigd Koninkrijk van de laatste jaren vereeuwigd in z’n element. Stomend, wervelend, triomferend! Op werkelijk onnavolgbare wijze een brug slaand tussen verleden en heden, tussen traditie en moderne tijd, tussen folk en doorgaans als meer eigentijdse muzikale uitdrukkingsvormen ervaren genres. Velen probeerden het voor hen, niemand deed het eigenlijk beter.

Nog één keer is het dan ook volop genieten geblazen van dingen als “Roll Alabama”, “10,000 Miles Away”, “Lillibulero”, “Betsy Baker”, “If You Will Not Have Me, You May Let Me Go”, “Jordan”, “Roll The Woodpile Down”, “Rosemary Lane” en vele, vele anderen. Met als orgelpunt een leuke lezing van Richard Thompsons “Down Where The Drunkards Roll” aan het eind van de dvd.

’t Is dat we hier maar vijf sterren te grabbel mogen gooien, anders hadden we er graag nog een paar meer bovenop gedaan! Dit is immers één van de sterkste live-registraties ooit tout court! Een niets minder dan verplichte aanschaf!

Bellowhead, Navigator Records

 

JOHN MCCUSKER “Hello, Goodbye” (Under One Sky Records)

(4****)

De kans is redelijk groot, dat u de Schot John McCusker eerder kent van z’n werk voor en met anderen dan van z’n eigen platen. McCusker, die dit jaar al zijn vijfentwintigjarig artiestenjubileum viert, geniet immers vooral bekendheid als producer van materiaal van onder meer Eddi Reader, Heidi Talbot, Eliza Carthy, Linda Thompson en Kris Drever en als sidekick van Mark Knopfler, van wiens begeleidingsgroep hij sinds 2008 vast deel uitmaakt.

“Hello, Goodbye” is ’s mans eerste nieuwe soloplaat in dertien jaar. En op die nieuwe schijf etaleert hij eens te meer welk een fenomenaal talent hij wel is op de fiddle. In het buitengewoon vakbekwame gezelschap van onder anderen James Mackintosh (drums en percussie), Ewen Vernal (bas), Ian Carr (gitaar), Michael McGoldrick (whistle), Andy Cutting (melodeon), Phil Cunningham (accordeon) en Tim O’Brien en Heidi Talbot legt hij in iets meer dan tweeënzestig minuten een twaalf etappes tellend parcours af. Een traject gekenmerkt door een diep respect voor de eigen roots en werkelijk barstend van de joie de vivre. Een geheel en al instrumentaal gehouden evocatieve symbiose van all things folk, both old and new. En eentje met de blik bovendien bijna voortdurend ook op de wijde wereld daarbuiten gericht. Klaar om te verkennen, om te leren kennen, om op te zuigen. Klaar om grenzen te overschrijden. Waardoor de muziek op “Hello, Goodbye” bijna als vanzelfsprekend iets lentefris, iets avontuurlijks over zich krijgt.

Onze luistertips: de nummers “Calendar Boys”, “The Wedding”, “Tune For Nana” en “Under One Sky”.

John McCusker

 

MOULETTES “Preternatural” (Craft Pop Records / Republic Of Music)

(3,5****)

Het vanuit kuststad Brighton actieve Britse vijftal Moulettes is allesbehalve een doordeweeks bandje. Dat bleek al uitgebreid naar aanleiding van de drie eerdere releases van de groep, het naar zichzelf vernoemde “Moulettes” uit 2010, “The Bear’s Revenge”, de opvolger daarvan uit 2012, en “Constellations” van ondertussen goed en wel een jaar geleden, en dat blijkt ook nu weer, met “Preternatural”.

Inspiratie daarvoor vond leadzangeres Hannah Miller begin vorig jaar in een artikel in de New Scientist. Dat laatste zette haar ertoe aan om de ons omringende biodiversiteit eens wat grondiger te gaan bestuderen. En dat leidde op zijn beurt dan weer tot songs over de meest uiteenlopende natuurfenomenen. Van luide, tot op heden ongeïdentificeerd gebleven, aan de één of andere onderwatergigant toegedichte geluiden (“Behemooth”) tot de door octopussen als ware kameleons gebruikte kleurenpaletten (“Underwaterpainter”), van de bedreigde schoonheid van zo menig een rif (“Coral”) tot de zonderlinge egelvis (“Pufferfish Love”) en meer van dattum.

Miller (cello, zang en gitaar) en kompanen Ollie Austin (drums, gitaar, piano en zang), Ruth Skipper (fagot, zang, autoharp en synths), Jim Mortimore (double bass, gitaar en zang) en Raevennan Husbandes (elektrische gitaar, zang en percussie) brengen die tot denken aanzettende mini-eposjes over al dat ons omringende fraais in deuntjes die aan originaliteit absoluut niets te wensen overlaten. Elementen uit alt-folk, prog, pop en rock worden al harmoniërend als het ware gedwongen om met elkaar te verbroederen. Eclecticism rules! Evenals eigenzinnigheid. De vaste wil om op te vallen tussen de rest.

En dat doen de Moulettes zeker. Van het door bezwerende etherische zangpartijen gedragen “Medusa” tot de funky electro-rock van “Underwaterpainter”, van de drumzwangere prog-epiek van “Behemooth” tot de hoogst aparte catchy art pop van “Coral”, van het trippy “Pufferfish Love” tot het ook al ogenblikkelijk zwaar verslavend werkende beatkleinood “Patterns” en andere, je krijgt hier als luisteraar hoegenaamd niet de kans om je te gaan vervelen. In elk hoekje van “Preternatural” schuilt er wel weer iets nieuws dat het ontdekken waard is. Een beetje zoals in het leven zelf dus. En was dat nu niet net het uitgangspunt van het album? Juist, ja.

Moulettes

 

AFRO CELT SOUND SYSTEM “The Source” (ECC Records)

(4,5*****)

Het blijft al bij al toch een hoogst opmerkelijk succesverhaal, dat van het op twee werelddelen thuis zijnde collectief Afro Celt Sound System. Je vraagt je af, of Simon Emmerson en de zijnen zelf zo’n twintig jaar geleden hadden durven te voorspellen, dat ze nu, anno 2016, de kaap van de anderhalf miljoen verkochte albums al ruim gerond zouden hebben. Je bent geneigd om te denken van niet. En toch is het zo.

En daar zullen er weldra wellicht weer flink wat bij gaan komen ook. Voor het eerst in tien jaar is er immers weer nieuw plaatwerk van het Europees-Afrikaanse gezelschap met naast de al genoemde Emmerson this time around onder meer ook N’Faly Kouyate, Johnny Kalsi, Davy Spillane, Emer Mayock, leden van Shooglenifty, Gaelic rapper Griogair, fluitiste Rioghnach en het Guinese kwintet Les Griottes aan boord.

Luisteren naar dat nieuwe epos “The Source” is een niets minder dan caleidoscopische ervaring. Je wordt er als luisteraar compleet door overdonderd. Je wordt quasi doorlopend meegezogen in een meedogenloze maalstroom aan complexe en minder complexe ritmes en gevoelens. Het kloppende hart van “The Source” vormen daarbij de diverse continenten bestrijkende cultuuruitingen of op z’n minst –uitingsvormen, die je meetronen naar oorden waar grenzen zo goed als compleet komen te vervagen. Grenzen tussen landen en culturen, maar evengoed tussen zo op het eerste gezicht maar weinig met elkaar gemeen hebbende muziekgenres. En elementen uit met name Keltische folk, Westerse pop, rap, dance en tal van Afrikaanse stromingen verworden hier dan ook tot louter bestanddelen van één enkel groter geheel. Een buitengewoon intrigerend geheel. Een geheel dat wie ervoor openstaat keer op keer opnieuw in verwondering achter zal laten. Een geheel dat er door zijn bijna magisch aandoende muzikale kruisbestuivingen quasi doorlopend in slaagt om de meest wonderbaarlijke werelden te evoceren. Je moet het eigenlijk gewoon zelf horen om het te geloven…

Onze luistertips: het mede door een jachtig ritme z’n vlag echt wel helemaal verdienende “Desert Billy”, het als Afro Celt Sound System meets The Dhol Foundation aangereikte percussiehoogstandje “The Magnificent Seven” en zeker ook de titelgewijs nog maar weinig aan de verbeelding overlatende afsluiter “Kalsi Breakbeat”. En dan vergaten we bijna nog het stomende, ethno-dansvloerrijpe “The Communicator”.

Afro Celt Sound System

 

THE WESTIES “Six On The Out” (Pauper Sky Music)

(4,5*****)

“West Side Stories” van The Westies vonden wij hier één van dé platen van 2015. En je kan het album logischerwijze dan ook terugvinden in ons jaarlijstje elders op de site. Man-vrouw-duo Michael McDermott en Heather Horton pakten ons met hun verhalen op dat geheel meteen genadeloos in. En toen we onlangs vernamen, dat er al een nieuwe van het tweetal op komst was, konden we onze nieuwsgierigheid dan ook amper nog de baas. En terecht ook, zo blijkt nu!

Ook “Six On The Out”, de zogeheten “moeilijke tweede” van McDermott en Horton en co, puilt immers weer uit van de straffe story songs. Niet zelden geboren uit het allesbehalve onbevlekte eigen verleden van McDermott. Die kreeg recentelijk met het openen van de sluizen naar z’n een poosje verdrongen eigen achtergrond naar eigen zeggen een ware zondvloed aan inspiratie over zich heen. En wat doe je dan? Schrijven natuurlijk!

In elk liedje loop je hier als luisteraar weer andere interessante personages tegen het lijf. Elk nummer vertelt z’n eigen verhaal, zich veelal afspelend aan de zelfkant van het leven. Daar waar je zelf eigenlijk gewoon het liefst niet bent dus. En precies dat is de rode draad die doorheen “Six On The Out” loopt. Alle verhalen spelen zich immers af in datzelfde grimmige, door misdaad verziekte stukje van de wereld.

Openingsnummer “If I Had A Gun”, een knap streepje ingehouden urban Americana, pakt gelijk uit met een redelijk straf scenario. De verteller van het verhaal erin blijkt een net terug op vrije voeten gestelde bajesklant volop in de weer met de twijfels in z’n hoofd. Welk pad zal hij inslaan? Dat van een eerlijk leven of het hem al bij al veel beter bekende? De titel van het liedje alleen al lijkt ons voor het antwoord duidelijk in één welbepaalde richting te willen duwen.

Vervolgens is er het ook al ijzersterke “Pauper’s Sky”. Klinkt zo ongeveer als Bruce Springsteen meets New Order. Heel eighties alleszins. Bijna opgewekt eigenlijk, maar dat blijkt met het tekstvel erbij alleen maar schijn. Wanhoop regeert immers nadrukkelijk onder de hemel van de armoezaaier uit de titel ervan. En diezelfde donkere ondertoon treffen we ook weer aan in “Parolee”. Met opnieuw een ex-veroordeelde – Dezelfde als eerder? – aan de vooravond van een zich als extreem moeilijk aankondigend nieuw leven. Wie zit er buiten eigenlijk nog op hem te wachten? Tegen een wat meer folky aandoende achtergrond hangt het verleden ook hier weer als een kanjer van een molensteen om de enkels van de protagonist.

Ook desperaat maar op een totaal ander vlak dan klinkt ergens halverwege “Like You Used To”. Daarin neemt Heather Horton voor de gelegenheid de vocale honneurs waar. En eigenlijk is het gewoon een soort van klaagzang om een langzaam teloorgaande liefde. “I want you to love me. You think you could love me, like you used to?”, smeekt ze bijna. En misschien is er ergens nog wel hoop voor haar. Als we mogen afgaan op het meteen erop volgende catchy rockertje “Everything Is All I Want For You” tenminste. Daarin is het op zijn beurt immers de ex-gevangene die wanhopig hengelt naar liefde.

Het moge ondertussen hopelijk al wel zo’n beetje duidelijk zijn, dat “Six On The Out” opnieuw een plaat is die je vooral niet wil missen. Wij zouden ze vooral willen aanbevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Bruce Springsteen, een Elliott Murphy, een John Mellencamp, een Chris Knight en een Jeff Black.

The Westies

                                                   

THE SUMNER BROTHERS “The Hell In Your Mind” (Sumner Brothers Records)

(3,5****)

De Sumner Brothers hebben zich de voorbije tien jaar opgewerkt tot één van dé in de gaten te houden roots acts van Canada. Met als voorlopige hoogtepunt wat ons betreft zonder ook maar de minste twijfel hun in 2012 verschenen vijfde cd “I’ll Be There Tomorrow”. Dat album ontlokte aan zo menig een recensent de wildste superlatieven.

En het zou ons eigenlijk absoluut niet verbazen mocht ook de opvolger daarvan, het nu voorliggende “The Hell In Your Mind” dat weer gaan doen. Al zullen het ditmaal wellicht anderen gaan zijn die ervoor uit hun dak gaan. Op die nieuwe varen broers Brian en Bob Sumner en kompanen immers nadrukkelijk een meer rockgeoriënteerde koers. Eigenlijk een beetje zoals ook die van Wilco dat op een bepaald moment zijn gaan doen. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat de experimenteerdrift van de Canadezen nog bijlange na niet zo ver reikt als die van Jeff Tweedy en de zijnen. Daarvoor lijken de Sumners op de keper beschouwd (nog) teveel belang te hechten aan de melodie.

Acht liedjes staan er in totaal op “The Hell In Your Mind”. En de meesten daarvan rocken zoals hoger al vermeld een aardig eindje weg. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het slepende “Last Night I Got Drunk”, het na een zweverig sfeervolle intro net niet in woeste gitaargolven verzuipende “Ant Song”, het ons en passant een heel klein beetje aan Nirvana herinnerende “Giant Song” en het bijzonder passioneel neergelegde duo “Go This One Alone” en “I’m Not Ready”.

De alternatieve countrykant van de Brothers treffen we hier en daar uiteraard ook nog even aan. In rustpuntje “It Wasn’t All My Fault” bijvoorbeeld al, maar zeker ook in de met name qua structuur nog eerder traditioneel opgevatte ballad “Lose Your Mind”.

The Sumner Brothers, CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home