CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES APRIL 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

BRUCE SUDANO “21st Century World” - JP DE KLERK “Old Cold Church Road” - HEATH GREEN AND THE MAKESHIFTERS “Heath Green And The Makeshifters” - WATERMELON SLIM “Golden Boy” - KENNY WHITE “Long List Of Priors” - ANNIE GALLUP “Lucy Remembers Her Father” - MOUTHS OF BABES “Brighter In The Dark” - BRIDGET KEARNEY “Won’t Let You Down” - JASON MCNIFF “Rain Dries Your Eyes” - ROBYN HITCHCOCK “Robyn Hitchcock” - CORDOVAS “Cordovas” - TAMI NEILSON “Don’t Be Afraid” - RIVER ZYDECO BAND “Down The Line” - GARLAND JEFFREYS “14 Steps To Harlem” - MONSTER MIKE WELCH AND MIKE LEDBETTER “Right Place, Right Time” - WESLEY STACE “Wesley Stace’s John Wesley Harding Featuring The Minneapolitan Sounds Of The Jayhawks” - HANNAH ALDRIDGE “Gold Rush” - RODNEY CROWELL “Close Ties” - BROCK ZEMAN “The Carnival Is Back In Town” - BRENT MOYER “Music Tells The Truth” - MARK PORKCHOP HOLDER “Let It Slide” - CHRIS BERGSON BAND “Bitter Midnight” - DON ANTONIO “Don Antonio” - MIKE TEARDROP TRIO “Hangin’ Around” - CORMAC O CAOIMH “Shiny Silvery Things”

 

 

BRUCE SUDANO “21st Century World” (Purple Hearts Records / V2)

(2,5***)

Ruim tweeëndertig jaar lang, tot aan haar dood in mei 2012 meer bepaald, was Bruce Sudano de wederhelft van Queen of Disco Donna Summer. En met en voor haar schreef hij door de jaren heen ook tal van hits. Het frivole “Bad Girls” is daarvan hier allicht de bekendste. Naast zijn vrouw profiteerden ook tal van anderen van Sudano’s neus voor hitgevoelig materiaal. Onder anderen Dolly Parton, Reba McEntire en de broers Michael en Jermaine Jackson deden eveneens hun voordeel met ’s mans pennenvruchten.

Echt nodig zal Sudano het dus wel niet meer hebben om nog te werken. En als hij dat toch nog doet, dan is het vooral omdat hij dat zelf wil. Omdat hij vindt, dat hij nog iets te vertellen heeft, nog iets kwijt moet. En op z’n nieuwe worp, het zonet verschenen “21st Century World” gaat hij dan ook nadrukkelijk de belerende toer op. Op dat onder toezicht van de als producer fungerende Mike Montali van Hollis Brown ingeblikte en al bij al heel erg sober gehouden geheel tracht hij ons een geweten te schoppen. Met name jongere generaties hoopt hij met zijn boodschap(pen) te bereiken. Zij zijn immers de toekomst, aldus de beste man terecht.

Gelijk in openingsnummer “Your World Now” moedigt hij hen aan om zich in te zetten voor de genezing van een zieke wereld. “It Ain’t Cool” is op zijn beurt een frontale aanval op wat Sudano onverbloemd “a selfish society” noemt. En als hij ons in “Common Sense” allemaal oproept om dringend ons verstand te gaan gebruiken, dan houdt dat zeker ook steek.

De vraag is alleen maar, of de vorm waarin Sudano zijn ongetwijfeld goedbedoelde boodschap aan de medemens probeert te brengen wel opweegt tegen dat bijna voortdurend kijvend in de lucht gestoken vingertje. Of die medemens de hele rit wel zal willen uitzitten met andere woorden. Daarvoor mist het gebrachte immers een weinig van het sprankelende dat ’s mans hits ooit wel hadden. Dit neigt op de keper beschouwd wat teveel richting wat wij hier graag omschrijven als  just me and my guitar. En daarvoor is Sudano wat ons betreft eigenlijk een wat te beperkte zanger. Dat wordt wel heel erg duidelijk als hij zich aan een cover van Tracy Chapmans kassucces “Talkin’ Bout A Revolution” waagt.

Bruce Sudano

 

JP DE KLERK “Old Cold Church Road” (JP De Klerk)

(3,5****)

Middelburger Jan Piet De Klerk is al jarenlang het kopstuk van JP & The Seeger Session Band, een groep gevormd naar het voorbeeld van het gezelschap waarmee held Bruce Springsteen indertijd aan de slag ging met materiaal van Pete Seeger. “Old Cold Church Road” is echter een album voor eigen rekening. Met als titel een wel erg letterlijke vertaling naar het Engels van zijn adres, de Oude Koudekerkseweg in Middelburg.

En ik moet zeggen, dat ik heel erg gecharmeerd ben door wat De Klerk op het onder de productionele auspiciën van Angelo de Rijke in Uncle Gabe’s Sound Studio in Eindhoven ingeblikte “Old Cold Church Road” brengt. Noem het maar prima Americana met zo nu en dan wel duidelijk hoorbaar de invloed van zo menig een seventies rocker, voorop de al genoemde Springsteen natuurlijk.

In openingsnummer “Home Town” bijvoorbeeld meteen al, waarin De Klerk terugblikt op zijn eigen wilde jaren. Prachtig liedje gelijk ook al. Een beetje weemoedig van aard, maar vooral ook heel erg mooi. En dat geldt ook voor het gelijk daaropvolgende “My Home”. Zoals zo ongeveer alles hier gebaseerd op De Klerks eigen leven. Een fraaie ballad, waarin De Klerks lekkere gruizige stem echt super tot haar recht komt.

Het mooiste liedje van het lot vind ik persoonlijk het melodieuze, wat naar folk overhellende en door Tren van Enckevort (Rowwen Hèze) en Emil Sarkowicz met respectievelijk fijne accordeon- en fiddlebijdragen opgewaardeerde “Power Of Song”. Al zal u me zeker ook niks slechts horen vertellen over de op De Klerks grenzeloze liefde voor zijn vrouw ingaande trage “For You”, de pittige rocker “Break The Chain”, de ballade “The Corridor” of het afsluitende titelnummer.

Wat mij betreft een zeer aangename kennismaking! Graag tot nog eens, mijnheer De Klerk!

JP De Klerk

 

HEATH GREEN AND THE MAKESHIFTERS “Heath Green And The Makeshifters” (Alive Natural Sound / V2)

(4****)

Rock & roll from Birmingham, AL. Onder die veelzeggende noemer wordt de hier vooralsnog nobel onbekend gebleven Heath Green ons door zijn platenlabel aangeprezen. En gelijk hebben ze, daar bij Alive Natural Sound Records. Green rockt inderdaad als de besten. Als de Stones in betere tijden, als de Faces, als de Black Crowes in hun hoogdagen. En net als het materiaal van met name die laatste groep bulkt ook wat Green en de zijnen hier brengen van de soul. Je bent bijna geneigd om te stellen dat hun afkomst daar wel voor iets moet tussen zitten. Goede grond daar immers in Alabama.

Volop genieten geblazen is het bijvoorbeeld van tonnen aan tomeloze energie in opener “Out To The City”, van een stuiterend boogieritme in “Secret Sisters”, van messcherpe gitaren, frivool pianogepingel en rauw schreeuwwerk in “Ain’t Got God”, van een bepaald gemene stomp in “Hold On Me” en van een heerlijk zweterige groove in “Living On The Good Side”. Tussen Southern rock, R&B, soul en blues blijkt het hier bijna zesendertig minuten lang verdomd aangenaam hangen.

Hét klapstuk van het geheel is evenwel de broeierige sleper “Ain’t It A Shame”. Bij beluistering daarvan komen spontaan namen als die van Otis Redding, Solomon Burke en Eddie Hinton voor de geest. Stuk voor stuk grote strotten die voor eeuwig in ons onderbewustzijn gekerfd zullen blijven. That good? That good indeed!

Voor de productie van “Heath Green And The Makeshifters” tekenden groepsgitarist Jody Nelson en Greg Slamen. Voor de songs erop bediende men zich uitsluitend van eigen materiaal.

Heath Green And The Makeshifters

 

WATERMELON SLIM “Golden Boy” (DixieFrog / Borderline Blues / Bertus)

(3,5****)

Met zijn nieuwe cd “Golden Boy” verklaart William P. “Watermelon Slim” Homans openlijk zijn liefde aan Canada. Dat grote land grenzend aan zijn eigen thuishaven, maar jammer genoeg o zo weinig bekend bij zijn landgenoten, aldus Homans zelf. En daarin zou hij maar wat graag verandering brengen. Met een nieuw pakketje blues& roots om duimen en vingers bij af te likken bijvoorbeeld.

Een tien songs rijk allegaartje geproduceerd in samenwerking met Scott Nolan. Die zag zijn maatje ondermeer op onnavolgbare wijze a capella aan de slag gaan met “Barretts Privateers”, het door veel Canadezen als de officieuze hymne van hun land geadopteerde liedje van de hand van wijlen Stan Rogers. Nog zo’n sublieme cover is de geweldige Canadiana van “Cabbagetown” van de hand van Nolan zelve. Vernoemd naar een buurt in Toronto waar pas aangekomen Ierse immigranten uit louter noodzaak ooit kool pleegden te planten in hun voortuintjes en een warme oproep om vooral niet te vergeten waar je vandaan komt.

Een laatste vreemde eende eend in de bijt is een vet slidend aangereikte versie van Blind Willie Johnsons “You’re Going To Need Somebody On Your Bond”. Voorts enkel nieuwe Homans-deunen hier. Het pittig rockende “Pickup My Guidon” bijvoorbeeld. Of de grimmige, openlijk Homans’ afkeer voor neo-nazi’s ventilerende folk song “WBCN”. Of het voorzichtig met native rhythms experimenterende “Wolf Cry”. Het zich over het lot van op straat rondliggende daklozen uitlatende “Mean Streets” ook. En het gezien ’s mans hoger al aangekaarte missie wel erg toepasselijke “Northern Blues”. Evenals de mooie, ons best wel wat aan het materiaal van de jonge Tom Waits herinnerende pianoballade “Winners Of Us All” en het afsluitende, bij nader inzicht over John F. Kennedy handelende “Dark Genius”.

Watermelon Slim

 

KENNY WHITE “Long List Of Priors” (Continental Song City / CRS)

(4,5*****)

Wat een mooie plaat! Werkelijk puntgaaf! Ongelooflijk eigenlijk, dat deze Kenny White hier al niet veel eerder van zich deed spreken. Ongelooflijk, omdat we wel degelijk te maken hebben met iemand voor wie onderhand zo stilaan het label muziekveteraan uit de kast mag. Met iemand die al van diep in de seventies met zo menig een veel bekendere collega samenwerkte. Met iemand die vooral als toetsenist een veel gevraagde studiogast is. Zo was hij bijvoorbeeld ooit nog te horen op het sublieme debuut van Marc Cohn. En ook met onder anderen Jonathan Edwards, Livingston Taylor, Aaron Neville, Linda Ronstadt, Mavis Staples en Ricky Skaggs werkte hij in het verleden nog samen.

Een verrassing is het derhalve ook niet echt om op de gastenlijst voor “Long List Of Priors” nogal wat bekende namen aan te treffen. Zoals dat wel vaker gaat in muzikantenmiddens krijgt White hier terug wat hij zelf ooit zaaide. Onder meer David Crosby, Amy Helm, Peter Wolf, Larry Campbell en Catherine Russell verleenden graag hand-en-spandiensten bij het inblikken van de dertien liedjes op ’s mans nieuwe worp. Alvast een leuk opstapje.

Maar dat had White eigenlijk niet nodig. De beste man toont zich hier immers dertien nummers lang een echte meester in het vertellen van vertalen. Met name met betrekking tot sfeerschepping en beschrijving zal je hem maar weinig meer bijleren. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het naar een liedje van de Staple Singers (“If You’re Ready Come Go With Me”) verwijzende en naar de haatmoord op negen zwarten in een historische kerk in juni 2015 teruggrijpende “Charleston” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen. Is echt een bloedmooi nummer, dat liedje. En zoveel kan eigenlijk in één en dezelfde adem ook wel gezegd worden over het meteen daaropvolgende en ons muziekgewijs even richting New Orleans meetronende “The Moon Is Low”, over het de tanende popuraiteit van zijn sujet bezingende “Che Guevara”, over de werkelijk magistrale opener “A Road Less Traveled” en tal van andere songs hier. Net geen uur lang is het daardoor volop genieten geblazen. En dat zowel voor liefhebbers van Americana als voor fans van coole pop acts als Bruce Hornsby, Dire Straits en Joe Jackson, om er maar een paar te noemen. Echt wel een aanrader van formaat!

Kenny White

 

ANNIE GALLUP “Lucy Remembers Her Father” (Gallway Bay Music)

(3,5****)

Niet enkel door haar samenwerking met haar muzikale wederhelft Peter Gallway binnen Hat Check Girl weet Annie Gallup quasi voortdurend de aandacht op zich gevestigd te houden, neen, ook haar eigenlijk ook nooit ontgoochelende soloplaten blijven elkaar wel aan een heel erg hoog tempo opvolgen. Met “Lucy Remembers Her Father” is ze ondertussen al aan haar elfde toe. En daarop krijgen we eigenlijk vooral meer van hetzelfde. Meer van al het goede uit het verleden.

Twaalf eigen songs meer bepaald, door Gallup gebracht op de haar geheel eigen wijze. Meer vertellend, dan zingend bij tijd en wijle. Soms een heel klein beetje herinnerend aan Joni Mitchell. Een heel klein beetje dan… En dat ook wel eens met betrekking tot haar aanpak. Die neigt op de keper beschouwd wat naar het minimalistische. De eigen stem, gitaren, ukelele en lap steel en de bas en toetsen van manlief Peter Gallway volstaan voor Gallup naar goede gewoonte ruimschoots. Maar dat hoeft hoegenaamd geen bezwaar te vormen. De twee zijn immers uitstekend op elkaar ingespeeld en wat meer is ze weten exact wat ze willen. En precies dat krijgen we dan ook. Een voldragen collectie liedjes die met name door haar ongemeen sfeervolle, eerder intimistische karakter opvalt. Zonder echte uitschieters, maar ook zonder tegenvallende momenten.

Voor de productie van “Lucy Remembers Her Father” tekende Gallup zelf.

Annie Gallup

 

MOUTHS OF BABES “Brighter In The Dark” (Wild Awake Music)

(4****)

De namen van Ty Greenstein en Ingrid Elizabeth zouden je al bekend mogen zijn van eerdere groepen waarin ze opdoken als Girlyman en Coyote Grace. Nieuwkomers zijn de twee dus zeker niet. Hun nieuwe groep is dat daarentegen wel. Nu ja, groep, Mouths Of Babes is eigenlijk gewoon een uit de twee bestaand duo, aangevuld met een hele batterij aan gastmuzikanten. Met als bekendsten allicht Allison Russell en JT Nero oftewel Birds Of Chicago, die met hun gewaardeerde backing vocals het zomers speelse “Take Me Dancing” naar nog net wat hogere hoogten helpen mee op te tillen. En daarmee zitten we meteen ook bij een goede referentie. Net als die act tonen ook Greenstein en Elizabeth zich immers echte meesters in het op radiogenieke rootsy wijze verklanken van verhalen en boodschappen.

Opvallend is bij een eerste beluistering vooral de samenzang van de twee. Mooier kan haast niet. Hoe ze elkaar aanvullen grenst echt aan het ongelooflijke. En als je daar dan ook nog eens hun talent voor het schrijven van werkelijk puntgave roots pop songs aan toe kan voegen, tja dan… Dan is het echt genieten geblazen. En dat van de eerste tot de laatste noot van “Brighter In The Dark”: van het al fluitend ingeleide “Lock & Key” over het net wat bedachtzamer neergelegde titelnummer en het bluesy duo “Beehive” en “Blue Collar Blues” tot de pianoballade “If I Had Known”, van de orkestrale folk van “Spring” en de sombere walsklanken van “Two If By The Sea” over de lichtvoetige Americana van “Black Tea, Red Wine”, het ingetogen “Red Balloon” en het al eerder aangekaarte “Take Me Dancing” tot het afsluitende duo bestaande uit het politieke statement “Any Other Day” en het bedaard rockende “The Red Carpet”.

Twaalf liedjes in totaal, die zich in no time knus tussen je oren nestelen. Catchy, maar doordacht. Speels, maar niet oppervlakkig. Af gewoon. En we kijken hier eigenlijk nu al reikhalzend uit naar meer.

Mouths Of Babes

 

BRIDGET KEARNEY “Won’t Let You Down” (Signature Sounds / V2)

(3,5****)

Op de muzikale kilometerteller van Bridget Kearney prijken ondanks haar nog relatief jonge leeftijd al aardig wat eenheden. Met name als zangeres-bassiste van soul-popsensatie Lake Street Dive deed ze de voorbije jaren al uitgebreid van zich spreken. En misschien nog wel meer door haar aan het oeuvre van dat collectiefje bijgedragen songs. Die behoorden immers geregeld tot het beste van wat de groep te bieden had. En bovendien kaapte ze er ook al een hoofdprijs mee weg in het vermaarde John Lennon Songwriting Contest.

Met “Won’t Let You Down” zet Kearney nu ook haar eerste solostappen. En wat meer is, ze doet dat opvallend monter. Ze slaagt er absoluut in om de in de titel van haar debuut gemaakte belofte ook effectief na te komen. Tussen sixties pop, eighties soft rock en indie van het modernere type doet ze onderweg zo menig een halte aan. Onder meer invloeden als de Beatles, Fleetwood Mac, Wilco en Beck laten zich daarbij her en der aanwijzen. En toch heeft de eersteling van Kearney een eigen smoel. Ondanks alles klinkt wat ze doet erg fris en origineel.

Openingsnummer en title track “I Won’t Let You Down” kerft zo spichtig om zich heen glurend de letters catchy indie pop tussen luisterbereide oren, “What Happened Today” is soulvol Beatle-esk spul overgoten met een vleugje Aimee Mann-charme, “Serenity” profiteert van opvallend, prettig gestoord toetsenwerk om de zomer vastberaden bij de haren te grijpen en weer wat dichterbij te sleuren en het bedaarde “Wash Up” is zowat een schoolvoorbeeld van Fleetwood Mac-insijpeling in andermans werk – een radiohit in wording?

De nodige soul stroomt vervolgens door popwateren in het ook al erg knappe “Who Are We Kidding”, “Living In A Cave” is op zijn beurt radiovriendelijke indie pop, “Love Doctor” belandt mede dankzij opvallend gitaarwerk ergens tussen pop, rock en soul en “Nothing Does It” is wat Nick Lowe ooit omschreef als “pure pop for now people”, maar dan wel met een zekere hang naar de sixties. Afgesloten wordt er met de tandem “Daniel” en “So Long”. Het eerste een streepje springerige pianopop, het tweede een pracht van een atmosferische ballad.

Bepaald intrigerend schijfje, als je het ons vraagt.

Bridget Kearney

 

JASON MCNIFF “Rain Dries Your Eyes” (Tombola Records)

(5*****)

Regelmatige bezoekers van deze webstek weten dat we hier een serieuze boon hebben voor Jason McNiff. Door de jaren heen verblijdde de beste man ons reeds met zo menig een bescheiden meesterwerkje. En je hoeft ons hieromtrent niet zomaar op ons woord te geloven! Ga ze er zelf op een onbewaakt moment maar eens op na… Albums als “Off The Rails”, “Nobody’s Son”, “Another Man”, “In My Time” en “April Cruel” of recent nog ’s mans samenwerking met Emma Tricca voor “Southern Star”, ze zullen je naar alle waarschijnlijkheid net zo genadeloos vloeren als ons.

Een tussenoplossing zou ook McNiffs nieuwste kunnen zijn. Dat geheel luisterend naar de mooie titel “Rain Dries Your Eyes” is immers een over twee cd’s uitgesponnen retrospectieve met het allerbeste van de Britse songsmid. Een bloemlezing met het mooiste van zijn eerder verschenen studioplaten, aangevuld met wat nieuw materiaal en eerder op de plank liggengebleven spul. Ruim drieëndertig tracks lang superieur luistervoer.

Aanbevolen met name aan fans van de jonge Dylan, Cohen en tal van andere folkrockpioniers die eind jaren zestig begin jaren zeventig het mooie weer maakten. McNiff is als het ware hun modernere uitvoering. Hij is een ware grootmeester in het afleveren van nagenoeg volstrekt tijdloze liedjes. Veelal eerder melancholisch van aard, aan de breekbare kant, wat zwaarmoedig soms ook, maar o zo mooi.

Aan ons heeft Jason McNiff een fan voor het leven. Dat zou eigenlijk genoeg moeten zeggen…

Jason McNiff

 

ROBYN HITCHCOCK “Robyn Hitchcock” (Yep Roc / V2)

(3,5****)

Met het naar zichzelf vernoemde “Robyn Hitchcock” presenteert het voormalige kopstuk van de Soft Boys ons een bijzonder fijn vervolg op het goed drie jaar geleden verschenen “The Man Upstairs”. ’s Mans ondertussen eenentwintigste soloworp bevat tien stukken zoals je die op de keper beschouwd eigenlijk alleen maar van hem verwachten kan en mag. Vintage Hitchcock, zeg maar. Nadrukkelijk verwijzend naar zo menig een eerdere etappe in zijn carrière en vooral dan naar zijn psych-rockbegindagen bij de Soft Boys en later ook solo.

Ingeblikt werd “Robyn Hitchcock” in Nashville, de nieuwe thuishaven van de Brit. Voor de productie tekende hij zelf samen met de je onder meer ook van The Raconteurs bekende Brendan Benson. Hand- en spandiensten waren er tijdens het opnameproces verder onder andere ook nog van Gillian Welch, Grant-Lee Phillips, Pat Sansone van Wilco en Emma Swift. Het resultaat is Hitchcocks eerste echte full band album sinds 2008.

Echte stand-outs zijn daarop wat ons betreft vooral de nummers “I Want To Tell You About What I Want”, het nostalgische “1970 In Aspic” en het autobiografische “Raymond And The Wires”. Met name het eerste liedje van dat drietal, een eigenzinnige oproep tot een anno nu stilaan dringend nodig zijnd empathischer bestaan, is echt klasse.

Robyn Hitchcock

 

CORDOVAS “Cordovas” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

In de States verscheen dit album een jaar of vijf geleden al. (Op amper duizend exemplaren naar verluidt.) En het ging toen op de keper beschouwd gewoon onopgemerkt aan ons voorbij. Er verschijnen tegenwoordig ook zoveel goede dingen… Het is binnen de afdeling Americana ondertussen bijna onmogelijk geworden om echt alles mee te krijgen. En dus zijn herkansingen als deze zo nu en dan ook best wel waardevol.

Het debuut van Cordovas is immers een uitstekende plaat. Wij hoorden er onder meer echo’s van The Band, Crosby, Stills, Nash & Young en Grateful Dead in. De vroege seventies, dat had u goed begrepen. Redelijk tijdloos spul eigenlijk. Zonder uitzondering sterke liedjes met hun basis in country, folk en rock, niet zelden leunend op bijzonder fraai harmonieerwerk.

Gaan we dus ongetwijfeld nog wel meer van horen, van dit collectiefje rond de zwaar getalenteerde Joe Firstman. Als hij er tenminste niet weer de brui aan geeft, zoals indertijd vrij kort na de release van de eersteling van zijn groep. Een nieuwe kans zit er in dat geval allicht niet meer in. Hoe goed “Cordovas” ook is…

Onze luistertips: “Southern Rain”, “Step-Back Red” en “Storms”.

Cordovas (Rootsy)

 

TAMI NEILSON “Don’t Be Afraid” (OutsideMusic / V2)

(4****)

Bijna was ons dit geweldige album ontzegd gebleven. Kort na aanvang van de opnames voor de opvolger van het vrijwel unaniem lovend onthaalde “Dynamite!” van een jaar of drie eerder verloor Tami Neilson immers haar vader Ron, de man onder wiens vleugels ze binnen The Neilson Family zo goed als alles leerde. Een enorme klap, die ze naar eigen zeggen maar heel langzaam te boven kwam. Pas na het nodige aandringen van de familie zou ze uiteindelijk opnieuw aan de slag gaan. En da’s maar goed ook. Haar nieuwe, het hier pas verschenen “Don’t Be Afraid”, is immers andermaal een ronduit sublieme plaat geworden. Een veel betere showcase voor de geweldige zangtalenten van Neilson lijkt ons bij nader inzicht amper nog denkbaar.

Geopend wordt er met het ongemeen sfeervolle titelnummer. Het laatste liedje waaraan haar vader tot kort voor zijn dood werkte en als dusdanig ook een waardig eerbetoon. Met het wervelende “Holy Moses” wordt meteen daarna het gaspedaal voor het eerst vol ingedrukt. Als een soort van jongere uitvoering van Tina Turner schudt Neilson daarin soulvol het laatste restje schroom van zich af. Wow!

In de sleper “Lonely” treedt ze vervolgens samen met gelegenheidspartner Marlon Williams nadrukkelijk in de voetsporen van de grote Patsy Cline. Da’s classic country van het werkelijk allerbeste soort. “So Far Away” moet het in de nasleep daarvan hebben van een soort van exotische groove. Sensueel kronkelt Neilson daarin rond een paal tussen je oren. Om bloedgeil van te worden!

Met “If Love Were Enough” gaat het  tempo er aansluitend daarop weer helemaal uit. Een country crooner van het zuiverste water is het beklijvende resultaat. En over beklijvend gesproken: veel aanstekelijker als de Southern soulopstoot “Bury My Body” worden ze ons inziens amper nog gemaakt. Daarin is Neilson werkelijk op haar allerbest.

Doorheen “Loco Mama” waait vervolgens dan weer een frisse Latin-wind, het wel erg behoedzaam neergelegde “Heavy Heart” is goed voor een eigen niche in de afdeling ééntegelwerk, “Only Tears” harkt terug naar veel betere countrytijden, “Laugh Laugh Laugh” rockt sympathiek rammelend een eindje weg en afsluiter “The First Man” is broeierige slow country soul en misschien ook wel het allerbeste nummer van het geheel.

Voor de productie van “Don’t Be Afraid” tekenden Delaney Davidson en Ben Edwards. Dave Khan (gitaren en strings), Ben Woolley (basgitaren), Joe McCallum (drums) en dezelfde Davidson (gitaren) vormden Neilsons vaste begeleiders bij het inblikken van het album.

Tami Neilson

 

RIVER ZYDECO BAND “Down The Line” (Silvox Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Jubileums zijn er om gevierd te worden. En als het effe kan in stijl ook. Zo ongeveer moeten die van het Nederlandse collectiefje de River Zydeco Band erover gedacht hebben. De groep rond zanger-gitarist Edwin Balogh en accordeonist Jo van Strien bestaat dit jaar vijfentwintig jaar en trakteert ter gelegenheid daarvan op een twaalf tracks lekkere taart. Vol met heerlijk poppy benaderde zydeco met het hart overduidelijk op de juiste plaats.

De groep heeft de jongste jaren haar horizon aanzienlijk verbreed en dat resulteert hier in een zeer open, zeg maar eclectische aanpak. Zydeco vormt weliswaar nog steeds nadrukkelijk het uitgangspunt van het door het tiental gebrachte, het is hier echter duidelijk niet langer een terminus. Pop (openingsnummer “Down The Line”, de mooie tragen “Ode To You” en “Vampire Fais Do Do” en het lentevrolijke “Long Time Ago”), (rootsy) rock (“Catherine Le Bleu” en “I Don’t Mind”), R&B en soul (“Dance The Zydeco” en afsluiter “Zydeco River”), blues (“Hail To Your Beauty”), funk (“Zydekosis”), allemaal komen ze hier terloops nadrukkelijk dan wel minder nadrukkelijk even aan bod. En dat zorgt bijna vanzelfsprekend voor een even apart als aantrekkelijk sfeertje. Zoals hier gebracht wordt zydeco plots spek naar allemans bek.

De kers op de taart vormt daarbij wat ons betreft het buitengewoon radiovriendelijke “I Wanna Go”. Dan gaat het even enkele tellen lang flink aan het zomeren tussen je oren. Warm aanbevolen lijkt dan voor één keer niet zomaar een cliché.

River Zydeco Band

 

GARLAND JEFFREYS “14 Steps To Harlem” (Luna Park Records / Rough Trade / PIAS)

(3,5****)

Door de even aanstekelijke als verrassende nummer-1-hit “Matador” was Garland Jeffreys eind jaren zeventig begin jaren tachtig even big business in onze kontreien. Albums als “American Boy & Girl”, “Escape Artist”, “Guts For Love” en later ook “Don’t Call Me Buckwheat” deden hem al snel uitgroeien tot een echt huisfavorietje. En zelfs nu nog belanden de meesten daarvan regelmatig in onze cd-speler. Het zal u dan ook niet verwonderen, dat we hier best wel uitkeken naar Jeffreys’ nieuwe worp. Dat is het door hemzelf en James Maddock geproduceerde “14 Steps To Harlem”. Een plaat waarop we hier het label vintage Garland Jeffreys zouden durven aan te brengen. Als vanouds heerlijk gevarieerd.

Afgetrapt wordt er met een streepje onvervalste eighties style synth pop luisterend naar de titel “When You Call My Name”. Vervolgens gaat het met het sympathiek schokschouderend voorbij gerockt komende “School Yard Blues” en het soulvolle titelnummer, de eerste single ook van het geheel, “14 Steps To Harlem” richting de radiovriendelijke roots pop van “Venus”, de volop aan ’s mans hoogdagen van weleer refererende reggae-escapade “Reggae On Broadway” en de met z’n dochter Savannah gebrachte ballad “Time Goes Away”. Daarmee zit de eerste helft er op.

De tweede wordt op gang geblazen met wat op de keper beschouwd ons lievelingsnummer van het geheel is, het op fraaie wijze aan Jeffreys’ roots in Puerto Rico herinnerende liefdesliedje “Spanish Heart”. Fijn accordeonwerk van Brian Mitchell zorgt daarin voor een ogenblikkelijk aantrekkelijk sfeertje. Via de opnieuw erg soulvolle trage “I’m A Dreamer”, de leuke Velvet Underground- en Beatles-covers “Waiting For The Man” en “Help” gaat het vervolgens richting eindsignaal met het op de één of andere manier bepaald funky werkende “Colored Boy Said” en het afsluitende, met gaste Laurie Anderson op de viool gebrachte “Luna Park Love Theme”.

Jeffreys-fans mogen wat ons betreft op beide oren slapen: hun held heeft het duidelijk nog niet verleerd! Sterke liedjes, straffe teksten, soulvolle zang, hij kan heus nog wel even mee. Laat die verlengingen dus maar komen…

Garland Jeffreys

 

MONSTER MIKE WELCH AND MIKE LEDBETTER “Right Place, Right Time” (Delta Groove Music)

(4****)

Op zondag 12 juni van vorig jaar namen Monster Mike Welch en Mike Ledbetter tijdens de drieëndertigste uitgave van het vermaarde Chicago Blues Festival samen deel aan een speciaal eerbetoon aan het adres van de legendarische Otis Rush. En die gig beviel zowat alle betrokkenen zo goed dat er wel een plaat op moest volgen. Waar Boston en Chicago elkaar ontmoetten bleek het toen immers bijzonder goed toeven. En dus is er met “Right Place, Right Time” nu ook dat zo begeerde vervolg op plaat.

Het geheel blijkt bij nader inzicht een uiterst bevlogen samengaan van talenten die hun voorliefde en respect voor klassiek fifties en sixties bluesmateriaal nergens onder stoelen of banken steken. Samen met toetsenist Anthony Geraci, bassist Ronnie James Weber en drummer Marty Richards en met occasioneel ook de hier vooral van haar samenwerkingen met Candye Kane bekende gitariste Laura Chavez, saxgeweldenaars Sax Gordon en Doug James en backing vocalists Kit Holliday en Jeanette Ocampo Welch aan boord wervelen Ledbetter (zang en rhythm guitar) en Welch (gitaren) hier doorheen een vijftal eigen songs en covers van groten der aarde als daar zijn Elmore James (“Cry For Me Baby” en “Goodbye Baby”), Magic Sam (“I Can’t Please You” en “How Long Can This Go On”), Otis Rush (“I Can’t Stop Baby”), Taj Mahal (het door Jerry Leiber en Arty Butler gepende “Down Home Girl”) en B.B. King (“Cryin’ Won’t Help You”).

De eigen bijdragen zijn het soulvol schuifelende “Kay Marie”, het nog wat in dezelfde mood rondhangende en door Welch van echt wel buitengewoon gloedvol snarenwerk voorziene “Big Mama” en het mede door Anthony Geraci’s vaardig over de toetsen dartelende vingers erg swingend uit de hoek komende “Can’t Sit Down” van de hand van Ledbetter en de broeierige sleper “I’m Gonna Move To Another Country” en afsluiter “Brewster Avenue Bump” van die van Welch.

Om vingers en duimen bij af te likken!

Monster Mike Welch

 

WESLEY STACE “Wesley Stace’s John Wesley Harding Featuring The Minneapolitan Sounds Of The Jayhawks” (Yep Roc / V2)

(4****)

Jezelf opzadelen met de artiestennaam John Wesley Harding, ooit leek het Wesley Stace een goed idee, maar de tijd leerde hem ongetwijfeld beter. Om het met de woorden van Elvis Costello samen te vatten: “It was a fine idea at the time, now it’s a brilliant mistake.” Veel meer dan een eeuwig aanhoudende verwijzing naar het werk van Bob Dylan leverde het de in de States wortel geschoten Brit immers niet op. En dus besloot hij één album geleden ook maar om weer naar zijn eigen naam – Wesley Stace dus! – terug te grijpen. Een gebeuren dat klaarblijkelijk niet echt de aandacht kreeg die hij ervoor verwacht had. En dus is er nu de weloverwogen zet “Wesley Stace’s John Wesley Harding Featuring The Minneapolitan Sounds Of The Jayhawks”. Beide namen in één titel bij wijze van vinger op de wonde. En op de cover ervan hoesjesgewijs ook nog eens verwijzingen naar zowel zijn debuut als John Wesley Harding als dat onder z’n eigen naam.

Wat van ’s mans nieuwe echter nog meer een plaat om te onthouden maakt, is de kwalitatief ijzersterke inhoud ervan. Bij nader inzicht blijkt het daarbij te gaan om elf van de vele Stace-liedjes die door de jaren heen op de plank waren blijven liggen. Bij het uitkiezen ervan had hij slechts één criterium: ze moesten de Jayhawks goed zitten. Met dat collectiefje, door alle betrokkenen voor de gelegenheid liefdevol omgedoopt tot de Wezhawks, zou Stace z’n nieuwe album later immers inblikken. Hoofdrolspelers zijn hier naast Stace zelf (zang en akoestische gitaar) dus Gary Louris (zang en elektrische gitaar), Karen Grotberg (zang en keyboards), Tim O’Reagan (zang, drums en percussie) en Marc Perlman (bas). Met op de gastenlijst verder onder meer ook nog Eric Bazilian (harmony vocals, 6-string bass en orgel). Voor de productie tekende de tandem Louris-Stace.

Naast de elf eigen liedjes van Stace noteren we voorts ook nog één cover. En een verrassende ook, aangezien het daarbij blijkt te gaan om een smaakvolle versie van de nederpophit “Don’t Turn Me Loose” van het Haagse duo Greenfield & Cook. Die hadden we eerlijk gezegd niet zien aankomen…

Ruim negenendertig minuten lang is het hier ook verder genieten geblazen. Met een Stace die duidelijk in bloedvorm verkeert. En eentje met zin om te variëren bovendien ook. Openingsnummer “I Don’t Wanna Rock ‘n’ Roll” bijvoorbeeld doet dat op bedaarde wijze juist wel, het meteen daaropvolgende “You’re A Song” is een rustig als een polderbeekje aan je voorbijkabbelend Americanadeuntje, “Better Tell No One Your Dreams” valt vrijwel gelijk op door z’n rootsy rockkarakter en z’n daaraan aangepast gitaargeluid, “How To Fall” is ingetogen folky spul en het pittige “For Me And You” strandt ergens op de dunne grens tussen pop en rock.

Het fraaie “Hastings Pier” flirt op zijn beurt met late sixties psychedelica, “Audience” sluit daar folkpopgewijs netjes bij aan, het ons best wel wat aan Costello in z’n hoogdagen herinnerende “The Wilderness Years” teert na het al eerder aangekaarte “Don’t Turn Me Loose” op een bijzonder lekkere groove en dito toetsenwerk van Karen Grotberg, “What You Want Belongs To You” is heerlijke verstilde roots pop, “Remember Me” durft in het zog daarvan voorzichtig melodieus te rocken en afsluiter “Let’s Evaporate”, door Stace gepend met Chas Cronk van de Strawbs, doet dat nog net iets nadrukkelijker.

Al bij al gewoon een heel erg lekker plaatje! En wat ons betreft hoeft het dan ook zeker niet bij deze ene samenwerking tussen Stace en de Jayhawks te blijven. We hebben hier immers overduidelijk te maken met een match.

Wesley Stace

 

HANNAH ALDRIDGE “Gold Rush” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Met haar eerste album, het in 2014 verschenen “Razor Wire”, maakte de toendertijd nog vanuit soulstad Muscle Shoals in Alabama actieve Hannah Aldridge hier al meteen stevig indruk. Het was het soort van album dat je als luisteraar eigenlijk gelijk al deed snakken naar meer. En dat krijgen we nu ook. Met haar tweede, in haar nieuwe thuishaven Nashville opgenomen plaat. “Gold Rush” heet die en ze werd opgenomen onder de productionele auspiciën van de tandem Jordan Dean en M. Allen Parker.

Die twee hielpen Aldridge aan een al bij al wat rockgeoriënteerder geluid. Zonder daarbij overigens de op haar debuut zo nadrukkelijk aanwezige Southern soul touch finaal uit het oog te verliezen. Zou ook dom geweest zijn om dat te doen, aangezien net daar de sterke kant van Aldridge schuilde. En dus krijgen we hier op de keper beschouwd gewoon het beste van twee werelden.

Afgetrapt wordt er met de knappe, grotendeels van de ingehouden spanning erin levende countryrocker “Aftermath”. Wat ons betreft gelijk een eerste echte voltreffer. De eerste van een hele reeks! En daartoe mag je zeker ook “Dark Hearted Woman” rekenen, een soulvol rockend kleinood met een heerlijke, meteen in het oor springende elektrische gitaarbijdrage van Sadler Vaden als alleraardigst surplus. Meer van dattum is er in het meteen daaropvolgende “Burning Down Birmingham”. Ook daarin halen de soul roots van Aldridge weer makkelijk de bovenhand.

De allersterkste songs van “Gold Rush” schuilen ons inziens echter ergens halverwege het geheel. We hebben het dan over de uitzonderlijk mooie ballad “The Irony Of Love” en de al even knappe rootsrockertjes “Shouldn’t Hurt So Bad” en “No Heart Left Behind”. Het eerste heerlijk melodieus en geënt op van dat lekker, op z’n Byrds rinkelend gitaarwerk, het tweede, net als het wat verderop volgende “I Know Too Much”, duidelijk beïnvloed door het werk van Tom Petty en zijn Heartbreakers.

Met de sfeervolle Americana-tragen “Living On Lonely” en “Lace” en het titelnummer, nog zo’n dijk van een verhalende ballade, komt Aldridge hier uiteindelijk vervaarlijk dicht bij een tien op tien terecht. Hoe dan ook een geweldige aanrader, dit “Gold Rush”!

Hannah Aldridge

 

RODNEY CROWELL “Close Ties” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Als je het hebt over Rodney Crowell, dan heb je het in wezen over niets minder dan Americana royalty. Er zijn er ondertussen al maar weinigen meer, die een levensloop vergelijkbaar met die van de minzame Texaan kunnen voorleggen. Al bijna een halve eeuw lang staat hij immers garant voor kwaliteit. Aanvankelijk nog gewoon als lid van de begeleidingsgroep van Emmylou Harris, vervolgens op eigen benen als onvervalste countryhitmachine met zo menig een nummer 1 op z’n actief en op latere leeftijd als leverancier van tal van ondertussen zo goed als onmisbaar gebleken Americanaplaten, in z’n eentje, dan wel aan de zijde van opnieuw Emmylou Harris, zij het ondertussen wel gewoon als haar duetpartner.

Die Crowell leverde zopas met “Close Ties” zijn wat ons betreft allerbeste plaat tot op heden af. Een regelrecht meesterwerk! Als vanouds heel erg persoonlijk opgevat en her en der opgewaardeerd met fijne samenwerkingen met bekende collega’s. Zo horen we bijvoorbeeld Crowells ex-wederhelft Rosanne Cash en John Paul White van The Civil Wars in de als eerste single het album voorafgaande en later hopelijk profetsich blijkende “It Ain’t Over Yet” en duikt Sheryl Crow op als duetpartner in het bedaarde “I’m Tied To Ya’”. Meteen twee van de meest opvallende nummers van het geheel.

Andere absolute topmomenten zijn het op beklijvende wijze op ’s mans vriendschappen met Guy en Susanna Clark en Townes Van Zandt focussende “Life Without Susanna”, het ook al uitgebreid naar zijn eigen verleden terugharkende “East Houston Blues” en vooral ook het afsluitende “Nashville 1972”. Dat laatste is een prachtige nostalgische hommage aan dagen en vrienden van weleer. Guy Clark, Townes Van Zandt, Tom T. Hall, Willie Nelson, Steve Earle en vele anderen passeren daarbij de revue. En dan vergaten we bijna nog de ook al werkelijk sublieme pianoballade “Forgive Me Annabelle”. Daarin zoekt Crowell op onnavolgbare wijze vergiffenis voor tijdens een stukgelopen eerdere relatie gemaakte fouten.

Voor de productie van dit bijzonder fraaie album tekenden Jordan Lehning en Kim Buie.

Rodney Crowell

 

BROCK ZEMAN “The Carnival Is Back In Town” (Busted Flat Records)

(5*****)

Op zijn ondertussen twaalfde langspeler gaat de Canadese songsmid Brock Zeman op werkelijk meesterlijke wijze de conceptuele toer op. Op die opvolger van het ook al briljante “Pulling Your Sword Out Of The Devil’s Back” van zo’n twee jaar geleden gunt hij ons immers een blik achter de schermen van een rondtrekkend circus. Hij beschrijft in de veertien nummers van die nieuwe van ‘m niet enkel de vele markante figuren die je erin aantreft, hij kruipt terloops ook tot diep in hun hoofden. Hij confronteert ons met hun lang niet allemaal even vrolijke verhalen, met hun hoop, met hun dromen.

Met name door zijn gruizige voordracht zal Zeman daarbij zo menig een muziekliefhebber weer gaan verleiden tot vergelijkingen met Tom Waits. En toegegeven, daar zit wel iets in ook. Al zijn knapen als Steve Earle en Leeroy Stagger bij momenten zeker zo goede referentiepunten. Ronduit uitstekende rootsmuziek is alleszins het resultaat. En heerlijk gevarieerde ook. Met de nodige mood swings die fijntjes de inhoud van Zemans prachtliedjes versterken.

Onze onverbintelijke luistertips: het wervelende “The Juggler”, de beklijvende verhalen van “Buckshot Sadie”, “Drinks (The Clown)” en “Little Mac”, het duistere “Dirty Little Secrets” en het in echt alles wel heel erg Waitsiaans aandoende “Freak Show”.

Brock Zeman

 

BRENT MOYER “Music Tells The Truth” (Brambus Records)

(3,5****)

De al sinds jaar en dag vanuit Nashville aan de weg timmerende songsmid Brent Moyer is wat ons betreft wat je noemt een zekerheidje. Als je ooit één van zijn platen wist te appreciëren, dan kan je eigenlijk zonder al teveel nadenken ook gaan voor elke volgende. Moyer, ook wel bekend als The Global Cowboy, zal zich immers wel nooit laten betrappen op echt wereldschokkende dingen. Hij weet duidelijk waar zijn sterktes liggen en die troeven speelt hij keer op keer opnieuw uit. Als zanger, als schrijver en als gitarist.

Moyer schrijft vanuit het hart. En dat gegeven reflecteren zijn liedjes ook nadrukkelijk. Liedjes die hij this time around pende met een handvol hier bekende en minder bekende collega’s uit Nashville. Met Cathryn Craig en Brian Willoughby (“We’re Walking Each Other Home”) meer bepaald, met Anne McCue (het zachtjes swingende “Dig Two Graves”) ook, met Joe Collins (“Why Fight It” en het zomers lijzige “On Captiva”), met outlaw-legende Bob “Reckless Johnny Wales” Saporiti (titelnummer “Music Tells The Truth”, het ons aan zowel Tom Russell als Marty Robbins herinnerende “Boston To Austin”, “Dig Two Graves” en de bedaarde Tex-Mex-deun “Kay, Que Pasa”), Aaron Raitiere (“So Much”), Lucas P. Gravel (de potentiële countryradiohit “Easy Side”) en John Hadley (“Never Too Late”, “What’s Going On With You” en “Can’t Get There From Here”).

Met Americana en country als vanouds als duidelijk uitgangspunt. En met al evenzeer de gebruikelijke omzwervingen richting andere muzikale oorden. Ten bewijze daarvan noemen we hier bijvoorbeeld graag het bluesy ondertoontje van “Never Too Late”, het ongegeneerd richting rock lonkende duo “Can’t Get There From Here” en “Music Tells The Truth” of de mooie pop ballad “Why Fight It”.

Ouderwets lekker!

Brent Moyer

 

MARK PORKCHOP HOLDER “Let It Slide” (Alive Natural Sound / V2)

(3,5****)

Met Mark “Porkchop” Holder duikt na John Wesley Myers en Van Campbell nu ook het derde stichtende lid van de veelbesproken Black Diamond Heavies weer terug op. Myers gaat dezer dagen flink tekeer onder zijn alter ego James Leg, Campbell doet regelmatig van zich spreken als één helft van het onlangs ook nog door ons land trekkende blues from the gutter duo King Mud en Holder doet daar op z’n comebackplaat absoluut niet voor onder. “Let It Slide” staat voor een bepaald lekker potje dirty roadhouse music. Voor een negen songs lange opstoot van vuige blues& roots. Heerlijk greasy. Gekruid met een forse snuif garage rock. En derhalve bij momenten ook aan de heavy kant. Wat een manier om tien jaar vechten tegen depressies en verslavingen achter je te laten! Als statement kan het al tellen.

Op “Let It Slide” wordt Holder bijgestaan door Travis Kilgore (bas, akoestische gitaar en zang) en Doug Bales (drums, percussie en backing vocals). Zelf neemt hij naast de leadzang en het gitaarwerk ook wat bijdragen op harmonica en lap steel voor zijn rekening.

Onze luistertips: het moddervette, ronduit bezwerend werkende “Stagger Lee”, titelnummer “Let It Slide”, de gemuteerde countrydeun “Stranger” en afsluiter “Baby Please Don’t Go”.

Mark Porkchop Holder

 

CHRIS BERGSON BAND “Bitter Midnight” (Continental Blue Heaven)

(4****)

Met onder meer al optredens op Swing Wespelaar en het (Ge)Varenwinkel Blues & Roots Festival in ons land en op Moulin Blues en de Rhythm & Blues Night in Nederland op hun conto wisten Chris Bergson en de zijnen zich ook hier reeds van een aardige reputatie te verzekeren. Het gezelschap geldt wat ons betreft volkomen terecht als één van dé interessantste acts van de laatste jaren. En die reputatie verdienen ze ons inziens om tal van redenen. Er zijn om te beginnen natuurlijk de soulvolle zang en de gitaristieke kunstjes van kopstuk Bergson zelve, maar wat het ‘m voor ons toch vooral doet is de open benadering van het gegeven blues door de band. Rock, funk, soul, jazz, allemaal vinden ze wel ergens hun weg naar de songs van Bergson en dat betekent bij nader inzicht zoveel als een garantie op een lekker gevarieerd geheel.

Afgetrapt wordt er zo bijvoorbeeld met het heerlijk funky uit de hoek komende “Pedal Tones”. Vervolgens gaat het middels het door toetsenist Craig Dreyer mee aangejaagde “5:20” op z’n Ray Charles verder richting de Memphis style-trage “Just Before The Storm”, het door Ellis Hooks gezongen en naar Stax-rijpe hoogten getilde “Knuckles & Bones” en “Explode Or Contain”, Bergsons beklijvende kijk op de wereld anno nu. “Lullaby” is in het zog daarvan just that, “61st & 1st” rockt bedaard schokschouderend een aardig eindje weg, “Blues For Dave” is een heerlijke sleper nog recht van de traditionele leest en het aangenaam nerveuze “Small Trouble” heeft duidelijk zowel soul, funk, jazz als blues in de genen. Wachten er ons dan nog: het ingehouden “Another Day” en het met Bergson en Hooks nu samen in de hoofdrollen neergelegde titelnummer, een dijk van een blues slow.

Elf songs, één constante: kwaliteit!

Chris Bergson Band, Bandcamp

 

DON ANTONIO “Don Antonio” (Santeria / Lucky Dice Music)

(3,5****)

Om de naam Antonio Gramentieri kan je vandaag de dag binnen het Euro-Americanagebeuren amper nog heen. De vanuit het vermaarde Romagna actieve Italiaan heeft immers niet bepaald wat je noemt een zittende kont. Zo schrijft hij onder meer muziek voor films en ballet, produceert materiaal voor anderen en – Interessant voor ons! – staat aan het hoofd van een eigen roots rock band. Sacre Cuori meer bepaald. Met die groep, maar ook aan de zijde van tal van kleppers uit het genre als daar zijn onder anderen de je van Green On Red bekende Dan Stuart, Terry Lee Hale, Richard Buckner, Hugo Race en dezer dagen ook Alejandro Escovedo is hij jaarlijks goed voor een ontzagwekkend aantal optredens in binnen- en buitenland. Onvoorstelbaar eigenlijk, dat hij tussendoor toch ook nog de tijd vond om de eersteling van z’n nieuwe geesteskind Don Antonio klaar te stomen.

Dat debuut is een – Om het nog zacht uit te drukken! – hoogst bevreemdende plaat geworden. Het heeft allemaal iets van een weirde trip. Veelal, maar niet uitsluitend instrumentaal van aard. Alsof die van Calexico en Los Lobos, Ennio Morricone, Ry Cooder en alles wat toevallig aan bruikbare muziekjes voorhanden was achteloos samen door de blender werden gehaald. Het levert een op de keper beschouwd met een erg filmisch karakter gezegend geheel op. Een plaat waarvan je ongetwijfeld nog het één en ander zal gaan terughoren als soundtrack onder tv-producties die het moeten hebben van sfeer. Want bijzonder sfeervol is dit allemaal zeker wel. De manier waarop Gramentieri indrukken allerhande weet te verklanken spreekt daardoor ontzettend aan.

Don Antonio

 

MIKE TEARDROP TRIO “Hangin’ Around” (Enviken Records)

(4****)

Eén enkele videoclip op YouTube, meer was er niet nodig om ons te overtuigen van het enorme potentieel van dit Zweedse drietal. Met hun werkelijk wervelende vertolking van Conway Twitty’s “Don’t Go Too Far” bliezen Mike Teardrop (zang en bas), Rasmus Andersson (gitaar en harmony vocals) en Henrik Ulander (drums) ons meteen compleet van de sokken. Dat smaakte volop naar meer. Veel meer zelfs! En dat krijgen we nu ook op hun debuutplaat “Hangin’ Around”.

Op die plaat verkennen de drie met verve het grensgebied tussen rockabilly en country. De ene keer ligt daarbij de nadruk al wat meer op het ene, de andere keer wat meer op het andere, maar echt ver is het element country nooit ver uit de buurt. En dat is maar goed zo ook. Het maakt van “Hangin’ Around” één lang luisterplezier, een echt feest van een plaat. Met naast de al genoemde Twitty-cover verder onder meer ook nog een heerlijk zwierige lezing van de Rodney Crowell-hit “She’s Crazy For Leaving”, een ergens heel dicht in het zog van wijlen The King strandende uitvoering van Glenn Honeycutts trage “I’ll Wait Forever”, een pittige vertolking van “Time Of My Life” van de Kingcats en een al even overtuigende, zomerse wandeling doorheen Pat Capocci’s “Work My Magic”. Dat laatste bij wijze van grote uitzondering overigens met lead vocals van gitarist Andersson.

Veertien nummers lang onvervalste retro fun van de bovenste plank. Een echte aanrader voor al wie hield van wat acts als BR5-49 en Big Sandy & His Fly-Rite Boys en aanverwanten ooit nog met enige regelmaat uit de mouw schudden.

Mike Teardrop Trio

 

CORMAC O CAOIMH “Shiny Silvery Things” (Cormac O Caoimh)

(4****)

Wat vonden wij het midden van de jaren tachtig een geweldige tijd om muzikaal te beleven! Met volle teugen laafden we ons indertijd aan nieuwe platen van onder meer Morrissey en z’n Smiths, Lloyd Cole & The Commotions en Elvis Costello, om zomaar voor de vuist weg enkele van onze muzikale helden uit die periode te noemen. En dan waren er natuurlijk ook nog de opkomende talenten Roddy Frame, Paddy McAloon en Martin Stephenson. Met respectievelijk Aztec Camera, Prefab Sprout en de Daintees bezorgden zij ons zo menig een fijn moment. “High Land, Hard Rain”, “Swoon”, “Steve McQueen” en “Boat To Bolivia”, het zijn vier albums die voor eeuwig en altijd in ons geheugen gegrift staan.

En precies in die traditie past ook “Shiny Silvery Things” van de vanuit Cork actieve Cormac O Caoimh. Als hij met “Second Hand Clothes” dat vierde album van ‘m op gang trapt, dan lijkt het wel alsof we met de teletijdmachine van professor Barabas uit de stripserie “Suske en Wiske” worden teruggecatapulteerd naar 1984 en het debuut van Paddy McAloon en de zijnen. Er is om te beginnen al een zekere stemgelijkenis tussen de twee, maar er is vooral ook hun gedeelde passie voor tot in de puntjes verzorgde popdeuntjes.

Sommige traag, andere wat vlotter, sommige persoonlijk, andere net niet, sommige fictioneel, andere gebaseerd op de realiteit. Charmant van het eerste tot het laatste. Totaal niet opdringerig en zich paradoxaal genoeg toch ogenblikkelijk tussen de oren nestelend. Hartverwarmend mooi, niet zelden op het delicate af. Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als het al genoemde “Second Hand Clothes”, “Have You Built Yourself Well”, “Hey You”, “Tea In My Teacup”, “Silence And Sound” en andere en tracht daarbij onbewogen te blijven. Het zal je niet meevallen! Bepaald niet.

Mocht O Caoimh deze plaat zo’n dertig jaar eerder afgeleverd hebben, dan zouden we zijn naam nu allicht eerbiedig uitspreken in het hoger opgesomde lijstje met top-songwriters. Maar goed, dat is nu eenmaal niet het geval en dus zal hij genoegen moeten nemen met een plaatsje op de plank ergens heel dicht in de buurt van het prille materiaal van de heren McAloon, Frame, Stephenson en co. Een plaatsje waar het bijzonder goed toeven is.

Gaan we alleszins nog heel veel plezier aan beleven, aan dit “Shiny Silvery Things”. Zoveel is nu al wel zeker.

Cormac O Caoimh

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home