ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS

 

 

TODD SNIDER

 “Live – Near Truths And Hotel Rooms”

(Oh Boy Records / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Wie Todd Snider ooit live aan het werk heeft gezien, weet dat de singer-songwriter in die omstandigheden het best tot zijn recht komt. Want al lijkt zijn wat slungelachtige verschijning er dan ook echt alles aan te doen om dat tegen te spreken, de man is wel degelijk een geboren performer. Ondanks geen al te grote stem slaagt hij er met zijn songs en zijn komische bindteksten zodoende toch steeds weer in om het publiek op zijn hand te krijgen. Ten bewijze daarvan is er nu “Live – Near Truths And Hotel Rooms”, een collectie verspreid over 18 maanden opgenomen op diverse locaties in de States. Zestien songs en wat maffe verhalen daarrond lang laat Snider horen een uitgesproken mening over van alles en nog wat te hebben. De troubadour doet dat echter steeds weer met de tong stevig in de wang geplant, zodat elkeen voor wie muziek en humor best wel iets samen mogen hebben hier een stevige kluif aan heeft. Van Sniders doorbraaksong “Talking Seattle Grunge Rock Blues” over zijn recente publiekslieveling “Beer Run” –in liefst 2 uitvoeringen voorhanden- tot “Statistician’s Blues” of “Broke” – het publiek geniet met volle teugen. Eindelijk weer eens een live-album dus, dat iets toe te voegen heeft aan het al bestaande repertoire van de artiest. File under: de betere singer-songwriter.

www.toddsnider.com

www.ohboy.com

www.bertus.nl

 

 

THE ROSINATORS

“The Rosinators”

(PDC Music)

(3,5) J J J J

 

 

Regelmatige lezers van dit e-zine weten ondertussen al wel dat wij serieus gecharmeerd zijn door de muziek van de Britse Rosinators. Dit zestal bestaande uit kernleden Paul Castle (gitaar, banjo, zang), Will Sneyd (fiddle, zang) en Fliss Premru (fiddle, zang), voor de gelegenheid aangevuld met Leigh Gordon (bas), Clare Gilliam (triangel) en Stuart Crosbie (drums) pakt op zijn debuut uit met een werkelijk onweerstaanbare hutsepot van stijlen. Van breakdowns tot ballads, van bluegrass tot cajun, van gospel tot country blues – het zit er allemaal in verwerkt. En het geheel blijkt in dit geval een flink stuk groter uit te vallen dan de som der onderlinge delen. Of het nu gaat om hun bewerkingen van het walsje “Joli Blon” of om de vitale bluegrass van “Cindy’s Breakdown” (waarin Cindy In The Summertime” naadloos versmelt met “Foggy Mountain Breakdown”) of “Blue Ridge Mountain Blues”, dan wel om de cajun two-steps “Port Arthur Blues” en “J’Etais Au Bal” of het bluesje “In My Time Of Dyin’” (dat bij de kenners onder jullie ook wel bekend zal zijn als “Jesus Make Up My Dyin’ Bed” in de al uit de jaren ’20 daterende uitvoering van de Texaanse blueslegende Blind Willie Johnson), het klinkt allemaal even uitnodigend. Het verbaast ons derhalve ook in het geheel niet, dat de Rosinators het zelfs al tot op het podium van het gerenommeerde Glastonbury festival schopten. De knappe samenzang, de heerlijke twin fiddles en de doordachte repertoirekeuze maken van “The Rosinators” een echte aanrader!

www.rosinators.com

www.pdcmusic.com

 

 

CHROME DADDIES

“Who’s Your Daddies?”

(Rhythm Bomb Records)

(3,5) J J J J

 

 

We zijn de jongste jaren het één en ander gewoon geraakt vanuit the land down under, maar dit hadden we nog niet gehad… De Chrome Daddies zijn een vier man sterk Australisch gezelschap bestaande uit “Diamond” Doug Wilshire (zang, steel, gitaar, banjo), Stuart Docherty (lead- en slidegitaar), Geoff Townsley (drums, zang) en Antonio Chico Lopez (double bass), dat op zijn tweede cd “Who’s Your Daddies?” een aanstekelijke mix van rockabilly, Western swing, (alt.) country en blues laat horen. De door het stevig aan de weg timmerende Duitse label Rhythm Bomb Records uitgebrachte uitvoering bevat naast de elf eigenlijke albumtracks als bonus ook nog eens vier in oktober van 2001 in Adelaide gemaakte live-opnames.

En er valt nogal wat te beleven gedurende die in totaal vijftien tracks. Teveel om op te sommen eigenlijk, maar onze favorieten willen we je toch niet onthouden. Eerst en vooral is dat de heerlijke retro country van “Drinkin’ My Heart In Two”. Maar ook de wilde rockabilly van “Little Joe From Chicago”, het veelzeggend getitelde “Honky Tonk Night Time Man”, het aan het werk van de Derailers verwante “Just The Same” en een spetterende live-uitvoering van de George Jones classic “The Race Is On” zijn lekkere lappen rootsmuziek voor de eenentwintigste eeuw, waar wij ons met veel plezier aan overgeven.

www.chromedaddies.com

www.rhythmbomb.com

http://cdbaby.com/cd/chromedaddies

 

 

EDIE CAREY

“Come Close (The Live Photo Album)”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Van alle vrouwen die gewapend met hun gitaren dezer dagen de Amerikaanse coffeehouses muzikaal onveilig maken ligt Edie Carey ons zondermeer het nauwst aan het hart. Niet alleen heeft ze een wonderschone stem die de eeuwige jeugdigheid van een Edie Brickell of een Rickie Lee Jones koppelt aan de bezielde zeggingskracht van Shawn Colvin, ook haar uit het leven gegrepen liedjes, bol staand van de voor eenieder onmiddellijk herkenbare emoties, zorgen ervoor dat je te allen tijde werkelijk weerloos aan haar lippen hangt.

Op “Come Close (The Live Photo Album)” staan zo vijftien liedjes (plus nog eens één low-fi bonus track) verzameld die voornamelijk in 2002 her en der on the road werden opgenomen. De singer-songwriter Carey in haar natuurlijke biotoop dus als het ware, voortdurend voeling houdend met haar dankbaar reagerend publiek. Het resultaat is een album dat je als een goede vriend(in) in de armen sluit en blijft koesteren. De intimistische pracht van songs als “Compromise (Be A Poet About It)”, het bijna gefluisterde “If I Were You”, het sterk aan Shawn Colvin herinnerende “Violently” en het wonderschone, naar aanleiding van het huwelijk van haar zus geschreven “I Like You (Farr’s Song)” (over twee heel erg verlegen mensen die elkaar haast intuïtief toch weten te vinden) is geregeld goed voor een rondje kippenvel. De enige cover hier, “Diamond In The Rough” van Shawn Colvin, is eigenlijk een mooie samenvatting van onze gedachten over deze plaat: Carey is inderdaad een ruwe diamant en een echte aanrader derhalve voor de fans van de hoger genoemde dames en andere vrouwelijke singer-songwriters van hetzelfde kaliber.

www.ediecarey.com

 

 

RANDY WEEKS

“Sold Out At The Cinema”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Randy Weeks heeft in het verleden heel wat krediet vergaard als één van de stichtende leden van The Lonesome Strangers, één van de meest in het oog springende bandjes die tijdens de hoogdagen van de zogeheten Town South Of Bakersfield generatie de kop opstaken. Drie platen lang lieten zij twangy gitaren regeren in heerlijke country songs met een scherp randje. En nu nog willen wij regelmatig een keertje hun “Land Of Opportunity” in de cd-wisselaar laten glijden om daarvan ten volle te genieten. Later zou Weeks zich voor het eerst aan een solo-carrière wagen met de cd “Madeline”. Een plaat die door de critici vrijwel unaniem lovend onthaald werd, maar die wat de verkoopcijfers betrof niet echt een hoogvlieger werd. Een tweede poging dus maar zeker? En die is er nu in de vorm van “Sold Out At The Cinema”, een album dat zijn naam ontleende aan de Cinema Bar in Culver City, waar Randy Weeks en kompanen tweemaal per week optreden. Twang voert de man nog steeds hoog in het vaandel, maar het klinkt toch allemaal net ietsje anders dan voorheen. Weeks zoekt zijn materiaal voortaan in het schemergebied tussen Americana, rootsrock en lekker jengelende gitaarpop (naar Brits patroon).

Opener “Miles Away” bijvoorbeeld is een gezapig voortkabbelend Americana-liedje, waarin vooral de mooie interactie tussen vocalen en gitaar imponeert. “We Go ‘Round In Circles” is vervolgens smaakvolle rootsrock à la Nick Lowe (voorzien van een attractief mondharmonicaatje) en het daaropvolgende licht bluesy “Big Man Make The Little Girl Cry” is gewoon “catchy as hell”, zoals de Amerikanen dan plegen te zeggen. In “This Is The Last Time” meenden we sporen van Jim Lauderdale te herkennen en het bitterzoete “What Am I Supposed To Do (About You)” is met zijn fraaie mondharmonica- en steelgitaarinkleuring sterk verwant aan de meer countrygetinte momenten van onze favoriete Britten van Squeeze. Nog meer Britten trouwens, als even verderop de Searchers navolging vinden in een prima rootspop-uitvoering van “Take It Or Leave It”. Ideale woorden zijn dat wat ons betreft om deze recensie mee af te ronden: “Te pakken of te laten!” Weeks op het lijf geschreven gewoon! Hij lijkt immers wars van alle trends steeds weer zijn eigen gangetje te zullen blijven gaan, of het nu verkoopt of niet…

www.randyweeks.com

 

 

TOMMY NOLEN

“My Kind Of Music”

(Rhythm Bomb Records)

(4,5) J J J J J

 

 

“I’m A Honky Tonk Daddy,” zingt Tommy Nolen in het openingsnummer van zijn eerste cd voor het nog jonge Duitse label Rhythm Bomb Records, “My Kind Of Music”. En zo is het maar net! In eerste instantie schoten ons bij het beluisteren van dit album spontaan de namen van Wayne Hancock, Johnny Dilks en Hank III te binnen. En daarmee is het referentiekader alvast zonneklaar: heerlijk authentiek aandoende hillbilly, Western Swing en honky tonk, waaraan zo nu en dan een flinke scheut rockabilly wordt toegevoegd om het geheel nog wat meer op smaak te brengen. In tegenstelling tot de muziek van het genoemde drietal vermag die van Nolen het echter de jaren ’40 en ’50 écht te laten herleven. Enkel een aantal van de thema’s van zijn songteksten verraden het hier en nu nog. Nolen maakt er zelf dan ook geen geheim van, dat Hank Williams en Merle Travis tot zijn grote voorbeelden behoren. Het nummer “Merle (You’re Just My Hero Now)” is wat dat betreft bijzonder veelzeggend. En ook in het titelnummer “My Kind Of Music” geeft Tommy Nolen duidelijk aan, wat hij zelf onder country meent te moeten verstaan.

Opvallend is dat onder elk van de negentien nummers de naam Thomas Kappel prijkt. Enerzijds omdat de naam Tommy Nolen dus eigenlijk de Duitse afkomst van de man camoufleert, maar anderzijds vooral ook omdat de 35-jarige over een fenomenaal schrijftalent beschikt. Daarnaast is het minstens even indrukwekkend te vernemen, dat hij ook alle instrumenten zelf bespeelde. Nolen is dus wat de Amerikanen een echte “natural” noemen. Maar geloof ons vooral niet op ons woord! Laat je ook zelf inpakken door heerlijke nummers “No Matter How”, “Forklift Driver Blues”, “John Wesley Hardin”, “I’m A Lonesome Fool” of “Honky Tonk Daddy”. Dit is immers een echte openbaring! En het is dan ook met heel veel plezier dat we het goede nieuws meepikken, dat Rhythm Bomb Records binnen afzienbare tijd wil uitpakken met drie verdere cd’s van de man. “My Kind Of Music”? Inderdaad! En als de hier eerder gevallen namen ook jou niet onberoerd laten, dan is deze cd een essentiële aanschaf!

www.rhythmbomb.com

 

 

THE HANGDOGS

“Wallace ‘48”

(Crazyhead Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Een album dat voor het ogenblik terecht hoge ogen gooit in alt. country-kringen in de States is “Wallace ‘48”, de vijfde van de New Yorkse Hangdogs. Een album vernoemd naar Henry Wallace, de man die de Amerikanen als presidentskandidaat van de progressieven in 1948 een toekomst vrij van oorlog beloofde en vooral ook meer aandacht voor het welzijn van de gewone man. Uiteindelijk zou hij het niet halen, maar in tegenstelling tot de latere winnaar, Truman, zou Wallace door heel wat mensen op handen gedragen blijven.

Openingsnummer “Wallace ‘48” heeft als dusdanig tekstueel gezien al de nodige toelichting gekregen. Muzikaal gezien is het nummer niet echt representatief voor wat volgen zal. In tegenstelling tot het merendeel van de andere songs betreft het hier immers een akoestisch uitstapje in de richting van wat we van de Gourds ook wel eens te horen krijgen. De overige songs zijn over het algemeen lekker strakke alt. country rockertjes, waarbij regelmatig de namen van Reckless Kelly en de Backsliders door ons hoofd flitsten. Vooral “Memo From The Head Office” knalt lekker stevig uit de luidsprekers. “Attention, radio guys, DO NOT PLAY THIS ONE ON THE AIR!” waarschuwen de heren dan ook in het begeleidende schrijven. Je vraagt je af of ze ‘t ook echt menen…

“She’s Leavin’ You” is vervolgens een knappe countrydeun van het type waarop die van Reckless Kelly een patent lijken te hebben en “Midnight Train To Georgia” is een bijzonder geslaagde alt. country-versie van de gelijknamige soul classic. Net zoals trouwens ook “Long Black Veil” dat even verderop is van dat andere stukje Amerikaans cultuurpatrimonium. Andere songs die wij onmiddellijk tot onze favorieten rekenden zijn het lekker vet rockende honky tonk tweetal “Serious Guy” en “Alcohol Of Fame”, beide met lead vocals van Kevin “Texas Tex” Karg, en “Goodnight, Texas”, een bitterzoete alt. country blik in de achteruitkijkspiegel, waarin enerzijds het vruchteloze labeur van een rock & roll-bestaan, anderzijds de toewijding van de Texaanse fans van de band aan bod komen. Eén laatste nummer nog willen we je zeker niet onthouden en dat is “Drink Yourself To Death” – een pittige country shuffle van het type waarvoor ook de Backsliders bekend stonden, bedoeld als stevige trap in het kruis van al diegenen die vanuit Nashville dezer dagen het begrip country bezoedelen.

www.hangdogs.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27785

 

 

FRANK CARLIER

“Hellbound”

(CRS Records)

(4) J J J J

 

 

Met “Hellbound” tekent Frank Carlier voor zijn inmiddels derde cd. Weg is dus een beetje het verrassingseffect. Dat heeft plaatsgeruimd voor hooggespannen verwachtingen. En die worden door Carlier ruimschoots ingelost. Ook op “Hellbound” verkent hij immers weer op bijzonder smaakvolle wijze de singer-songwriterwateren die ook door John Prine, Tom Waits en Randy Newman worden bevaren. Muzikaal gezien vertrekt Carlier vanuit een modern folk standpunt en kruidt zijn songs met invloeden uit tal van andere genres telkens wanneer ze daar om vragen. Openingsnummer “Star” wordt zo western roots rock met een subtiel Tex-Mex-pigmentje, “Jamaican Get Away” doet zijn titel alle eer aan en bevat een gitaartje dat bij Ry Cooder in de leer is geweest, “Stompin’ Ground” (met een hoofdrol voor de fantastische Carol O’Quinn) is pure Dixieland jazz, “Days Behind Me” is een ballad die lijkt te zijn weggelopen uit het repertoire van good ol’ Randy Newman (compleet inclusief cello en piano), “Purgatory” is een sfeervolle bluesy resonator gitaarinstrumental, titelnummer “Hellbound” is hardcore bluegrass en afsluiter “The Only Thing I Do” al even pure rootsy country. Voor elk wat wils dus op deze werkelijk voortreffelijke rootsmuziek-cd: sterke teksten, de heerlijke donkerbruine stem van Frank Carlier en een muzikaal palet dat weinig te wensen overlaat. Hij zou naar verluidt al in de belangstelling van enkele majors staan en als je dit allemaal hoort, begrijp je meteen ook waarom. Warm aanbevolen!

http://www.angelfire.com/sc/frankcarlier/

http://www.cdbaby.com/cd/carlier3

 

 

TOMMY HALE

“Far From Grace”

(Holiday Disaster Records)

(3,5) J J J J

 

 

In een vorig leven maakte Tommy Hale deel uit van de formatie Swank Deluxe met wie hij ook het album “An Acceptable Level Of Decadence” opnam. Dan besloot hij echter om zich terug te trekken als performer en zich te gaan toeleggen op de productie van het werk van anderen. Nate Fowlers Elixir, Milton Mapes, Horde Of Three en Jack Ingram behoorden zo ondermeer tot zijn cliënteel.

Met “Far From Grace” kiest de in Dallas woonachtige Hale nu echter weer volop voor een eigen hoofdrol. Het album bulkt van de songs die je zo aan Chuck Prophet zou toeschrijven. Lekker recht-voor-de-raap rootsrocken lijkt Hale’s enige bekommernis. En hij doet dat prima ook. Het jachtig rockende, met zijn vroegere beschermeling –ondertussen Texaanse halfgod- Jack Ingram gepende “Where Were You Yesterday”, het een weinig naar de Stones neigende “Things Are Going My Way” en het knappe verhalende “Uncle Jim” (over een altijd dronken oom en opgetrokken rond het spitsvondige refrein “Santa Claus is drunk again, the kids say he smells like Uncle Jim”) zijn lekker weghappende songs die nu al volop doen uitkijken naar meer. Sympathiek debuut!

www.tommyhale.com

 

 

KAREN LYNNE & MARTIN LOUIS

Blue Mountain Rain”

(Shoestring / Strictly Country Records)

(3,5) J J J J

 

 

Een uitstekend bluegrassalbum vanuit eerder onverwachte hoek is “Blue Mountain Rain” van de Australische Karen Lynne, een plaat die ze opnam samen met Martin Louis, de banjospeler van de uit Sydney afkomstige bluegrassband Acoustic Shock. Lynne nodigt in heel wat opzichten uit tot vergelijkingen met Rhonda Vincent. Vooral stemgewijs komt ze vaak heel erg dicht in de buurt van dat Amerikaanse nachtegaaltje. Uitstekende bluegrassvertolkingen van Buck Owens’ “My Heart Skips A Beat”, Kasey Chambers’ “This Flower”, het ook in de uitvoering van Rhonda Vincent bekende “Pathway Of Teardrops” (van Webb Pierce) en Hank Locklins “Send Me The Pillow” moeten in niets onderdoen voor de grote Amerikaanse voorbeelden. En de schitterende original “This Ring” toont bovendien aan dat Lynne over een prima pen beschikt. Meer graag!

www.karenlynne.com

karenlynne@bigpond.com

http://www.strictlycountry.nl/productssmos.html

 

 

THE MOONSHINE PLAYBOYS

“Where The Wild Things Are”

(Full House / Bang! Music)

(3,5) J J J J

 

 

Wat nummers als “Fight For Your Right” (Beastie Boys), “Enter Sandman” (Metallica), “(We Are) The Road Crew” (Motorhead), “Caroline” (Status Quo), “Going Up The Country” (Canned Heat), “Born To Be Wild” (Steppenwolf), “Stairway To Heaven” (Led Zeppelin) en “Bicycle Race” (Queen) met elkaar gemeen hebben? Afhankelijk van de haarlengte van de ondervraagde zal het antwoord op die vraag wellicht telkens weer anders klinken… Maar één ding is zeker: het zijn eigenlijk allemaal gewoon verkapte countrydeunen! Nu eens neigend naar onversneden hillbilly, dan weer eerder bluegrass of cajun - of zelfs een kruisbestuiving van die twee. Zo willen onze landgenoten van The Moonshine Playboys het toch verkocht weten op hun aanstekelijk cd-debuut “Where The Wild Things Are”. Een geheel nieuw concept is het gezien de vergelijkbare lotgevallen van Hayseed Dixie in de States natuurlijk niet. Maar het werkt wel! En hoe… Banjo, mandoline, doghouse bass en gitaar worden hier absoluut niet gespaard. Geen wonder dan ook dat Wayne, Bronson “Bubba” en Marvin Cuvelier live al een behoorlijk stevige reputatie genieten. Dit is zo aanstekelijk dat je voeten vrijwel constant de beat meetappen en dat meezingen een voor de hand liggende optie wordt. Met “Backdoor (La Porte D’en Arrière)”, “Deep In The Heart Of Texas”, “The Midnight Special”, “Will The Circle Be Unbroken”, “Parlez Nous A Boire” en het afsluitende “You Are My Moonshine” (Huh?) is er trouwens ook flink wat traditioneel tegengewicht voor al dat uit rockkringen meegezeuld geweld voorzien.

Het resultaat: een uiterst sympathieke Belgische countryplaat waar we d’r graag nog eentje bij ontkurken… Cheers!

www.moonshineplayboys.com

http://www.bangdistribution.com/

 

 

CHRIS DANIELS, THE KINGS AND FRIENDS

“The Spark”

(Moon Voyage Records)

(4) J J J J

 

 

Alstublieft, dankuwel! Op de valreep, nog net voor de doortocht van het gezelschap door Nederland (Zie concertagenda!), de nieuwe cd van Chris Daniels en zijn Kings, “The Spark”. Daniels en de zijnen bevinden zich voor hun jongste worp in werkelijk excellent gezelschap. Sonny Landreth, Tony Furtado, Bill Payne van Little Feat, Richie Furay van Poco, Sam Bush, Mollie O’Brien, Steve Conn uit de band van Bonnie Raitt, Steve Riley en nog een trits anderen, ze waren allemaal van de partij om hun steentje eraan bij te dragen. Geen wonder dan ook, dat “The Spark” een uitstekend album is geworden. Vanaf de met een fraaie slide-partij van Sonny Landreth opgeluisterde opener “50/50” is het meteen goed raak. Zo hoort de perfecte kruising tussen blues, soul en reggae dus te klinken… En ook het aansluitende titelnummer weet onmiddellijk te bekoren. Met alweer een opvallende slide-bijdrage, ditmaal van Tony Furtado, terwijl Sam Bush hem serieus van jetje geeft op zowel de mandoline, als de fiddle. Wat daarbij uit de bus komt is heel erg fraaie roots rock. Het volgende hoogtepunt is “Biggest Heartache On The Block”, waarin Daniels met wat vocale bijstand van Mollie O’Brien relaxt swingend naar New Orleans neigt. Iets wat hij wat verderop trouwens nog een paar keer herhaalt in met name “In The Night” (gesigneerd Henry Roeland Byrd oftewel Professor Longhair en met een bijzonder lekkere accordeonbijdrage van Steve Riley) en “Tuesday Man” (met knap National steel-spel van Daniels zelf). En dan hadden we ’t nog niet over het door Dave Steen geschreven “Jump” dat zijn titel echt alle eer aandoet en over het zomerse rootsdeuntje “Kelly Jean” waarin Sam Bush zich nog eens lekker speels mag laten gaan op de mandoline. Of over een paar rustigere momenten, als daar zijn “At Last” of “If I’d Only Taken You Dancing”.

Op school zou je hier een dikke 8 op 10 voor krijgen! Zeer goed dus…

www.chrisdaniels.com

 

 

THE UGLY BUGGY BOYS

“Yoddle Hey Hee Hoo”

(Magnet Records / Bang! Music)

(3) J J J

 

 

Bij de Ugly Buggy Boys zit net als bij grote voorbeelden de Soggy Bottom Boys –het succesvolle groepje ontsnapte bajesklanten uit de succesfilm “O Brother Where Art Thou?”- de tong voortdurend stevig in de wang geplant. Country, swing, hillbilly, rockabilly, bluegrass, ragtime – ze brengen het allemaal op hun hoogsteigen doldwaze manier. Daardoor onstaat er een bij tijd en wijle werkelijk hoogst aanstekelijk brouwsel dat live gegarandeerd voor ambiance zal zorgen. Het meest doen onze muzikale landgenoten –want het zijn inderdaad Belgen- qua aanpak nog denken aan de knapen van Hayseed Dixie, die in de States met hun hillbilly-benadering van rock classics van AC/DC, Kiss, Queen en anderen al het nodige stof deden opwaaien en hun platen als zoete broodjes over de toonbanken zagen gaan. Zelf schuwen de Ugly Buggy Boys het werk van anderen trouwens ook niet. Onder “Hot Corn, Cold Corn” had bijvoorbeeld best de naam Isaac Payton Sweat mogen prijken en “Josephine” leent nogal opzichtig hele moten bij Fats Domino’s naamgenote – al lazen we dat niet meteen in de credits… Wél worden daar als covers vermeld “Smoke” (een geestige hillbilly tackle inclusief jodel van de Deep Purple-klassieker “Smoke On The Water”), het thema van de “Looney Tunes” en het lijflied van de groep, “I Hate The Tekno”.

Al bij al is “Yoddle Hey Hee Hoo”, de eerste full cd van de Ugly Buggy Boys,een heerlijke plaat voor al uw wilde feestjes en partijen. Lekkere hillbilly-hapjes als “Honky Tonkin’”, Mama Don’t Low” of “Mean Old Man” zullen er vergezeld van royale hoeveelheden geestrijk vocht gegarandeerd goed naar binnen gaan!

http://www.users.skynet.be/TUBB

http://www.bangdistribution.com/

 

 

THE CYRUS CLARKE EXPEDITION

“The Road To California

(Ranch Recording)

(4) J J J J

 

 

Cyrus Clarke maakt al zo’n slordige dertig jaar een hoogsteigen soort akoestische muziek. Zo startte hij in ’72 samen met David West ondermeer de Cache Valley Drifters op en drukte hij later zijn stempel op bands als de Acousticats en zijn eigen Cyrus Clarke Band. En nu is er dus het verlengstuk daarvan, de Cyrus Clarke Expedition.

Naast Cy Clarke zelf treffen we in die band ook mandolinetovenaar Mike Mullins aan, evenals bassist Jack Joshua (The Tatters) en gitarist Barney Tower. Samen staan ze in voor een werkelijk indrukwekkend mooie neo-folk geluidscollage, waarin beurtelings hoofdrollen zijn weggelegd voor de warme stem van Clarke en het vingervlugge snarenwerk van Mike Mullins op zijn mandoline. Al zou je net zo goed kunnen gewagen van rootspop of Americana, de grens laat zich hier immers niet altijd even gemakkelijk trekken.

Vijf eigen composities worden afgewisseld met covers van werk van Woody Guthrie, Chuck Berry, Merle Haggard, Kate Wolf, de Flying Burrito Brothers en nog een trits anderen. Eigenaardig genoeg blijkt het eindresultaat desondanks een bijzonder samenhangend geheel. Van het openingsnummer, een heerlijk relaxte rootspopversie van de Woody Guthrie classic “Do Re Mi”, tot de afsluitende, zacht heupwiegende uitvoering van Chuck Berry’s “Promised Land” klinkt alles hier werkelijk even warm en aantrekkelijk. Deze plaat ervaar je als een wonderschone zonsondergang op een zwoele zomeravond bij een goed glas en in fijn gezelschap. Werkelijk alles erop voelt goed aan. En als we dan toch al zouden moeten gaan zoeken naar hoogtepunten, dan zouden we in eerste instantie denken aan twee eigen composities van Clarke. De dromerige ballad “Somewhere, Tomorrow, And Forever” is een echt kippenvelnummer en het Americana-juweeltje “Kern County Fandango” moet daar nauwelijks voor onderdoen. Ook heel knap zijn verder de puike rootsy vertolkingen van het van Merle Haggard bekende “Swinging Doors” en van de Flying Burrito Brothers-hit “Sin City”. Opvallend zijn tenslotte ook de kleine lettertjes die we lezen onder “Dire Wolf” –“Dedicated to George W. Bush and James Baker III.”

www.ranchrecording.com

http://www.cdbaby.com/cd/cyrusclarke2

 

 

DON EVERETT PEARCE

“Brutish Little Ballet”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

De naam is Don. Don Everett Pearce. Zegt je niks? Wees gerust, ons tot voor kort ook niet. Pearce is dan ook een vanuit New York werkachtige debutant, die op zijn eersteling “Brutish Little Ballet” in de voetsporen van zijn grote inspiratoren Bob Dylan, Mick Jagger en Keith Richards, en Paul Westerberg hoopt te kunnen treden. Hij citeert zelfs letterlijk “Let It Bleed” van de Stones en “Moondance” van Van Morrison als referentiepunten voor dit album. Nu is dat nog net iets te hoog gegrepen, maar bekoorlijk werkt het hier aangebodene alleszins. Pearce staat voornamelijk voor lekker in het gehoor liggende rootspop met singer-songwriter-neigingen. Het openingsnummer van de plaat, “Let Love Come Out Of Time”, is daarvan meteen een knap voorbeeld. “Almost A Valentine” lijkt het vervolgens wat rustiger aan te willen gaan doen, maar waaiert open in een refrein dat na enkele draaibeurten onwillekeurig uitnodigt tot meezingen. En “Bootleg Whiskey” komt uit de leerschool van de Stones (vroege zeventiger jaren uitvoering). In “Backseat” dan weer helt de weegschaal over in het voordeel van de singer-songwriter in Pearce. Aan dat nummer ontleende de plaat trouwens ook haar titel. Helemaal aan het einde verscholen zitten de twee hoogtepunten van “Brutish Little Ballet”. Onze persoonlijke favoriet is het ingetogen rootspoppareltje “Carolina Queen”, waarin de Dylan in Pearce even van de leiband mag. Maar ook de afsluitende ballad “You Make It Alright” is van een uitstekend jaar… Het enige minpuntje aan dit album is het wel erg gering uitvallend aantal tracks erop. Voor acht songs telt een mens niet graag de prijs van een hele cd neer, al zijn ze dan nog zo goed. Volgende keer dus iets meer graag…

www.doneverettpearce.com

http://www.cdbaby.com/cd/dep

 

 

YELLOWBELLY & THE RED & WHITE SANDWICHES

“Start All Over”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Het zal je naam maar wezen… Yellowbelly & The Red & White Sandwiches. Je vraagt je af, waar ze het in godsnaam vandaan blijven halen! Feit is, dat het werkt om je aandacht te trekken.

Yellowbelly blijkt een Texaans viertal te zijn, dat op zijn onlangs verschenen cd-debuut “Start All Over” voortdurend twijfelt tussen (roots) rock en country. Dat kan, omdat de stem van zanger Steve Hahn dat ook toelaat. Met lichthese halen blinkt hij uit in melodieuze roots rock songs als opener “Feeling Back” of het aansluitende “Down The Line”. Maar even goed in de knappe ode aan Rusty Wier (en Texas) “Carry The Flame”, de rond een wat vreemd ogende tegenstelling draaiende Texaanse country beauty “Dumb, But Slow” (over een uitbollende relatie) en de op fraai accordeonwerk drijvende story song “Counting The Days”.

Voeg daar nog een stel pittige rockertjes als het van een bitsig harmonicaatje voorziene titelnummer en het officieel de zaken afsluitende “Without A Fight” aan toe en de Tex-Mex van een niet nader genoemde bonus track en je mag met recht en rede spreken van een zeer geslaagde eersteling. Jong Texas heeft er weer een stel helden bij…

www.yellowbellytexas.com

 

 

FREDDY FENDER

”Baldemar Huerta: El Rey Del Tex-Mex”

(CoraZong Records)

(3,5) J J J J

 

FLACO JIMENEZ

“Como Amigos”

(CoraZong Records)

(3,5) J J J J

 

 

“Baldemar Huerta: El Rey Del Tex-Mex”, het staat er bijna een beetje pocherig. Maar staat het er ook wel echt terecht, da’s nog maar de vraag. Baldemar Huerta mag dan al de naam zijn waaronder niemand minder dan Freddy Fender het levenslicht zag, toch blijft het voor ons moeilijk om hem zomaar de titel van “Koning van de Tex-Mex” toe te kennen. De man heeft zondermeer zijn verdiensten, dat wel. Hij was het immers die met hits als “Wasted Days And Wasted Nights”, “Since I Met You Baby” of “Before The Next Teardrop Falls” het Tex-Mex-genre pas echt goed op de wereldkaart zette. En als één van de Texas Tornados zou hij dat later nog eens uitgebreid overdoen. Nummers als “Who Were You Thinkin’ Of”, “(Hey Baby) Que Paso” of “Una Mas Cerveza” groeiden mede dankzij zijn bijdrage aan die groep uit tot moderne klassiekers. Maar…

Met die Texas Tornados zijn we op het punt aanbeland, waar onze bezwaren concreet vorm beginnen te krijgen. Minstens zo belangrijk voor het geluid van de Texas Tornados was het accordeon van Flaco Jimenez. En als je even diens palmares overloopt, dan ga je aan het duizelen van de namen waar hij zo al mee samenspeelde. Als er dezer dagen ergens op een album een accordeon opduikt, dan is de kans groot dat je in de credits de naam Jimenez aantreft. Even in alle eerlijkheid. Zou u het gemakkelijk hebben om één van deze twee zondermeer tot “Koning van de Tex-Mex” te kronen? Wij in elk geval niet! Waarmee we trouwens geenszins de verdiensten van Freddy Fender willen ontkennen. Het is eigenlijk allemaal meer een princiepskwestie…

Als we even het album met de titel die aanleiding gaf tot dit korte betoog onder de loep nemen, dan stellen we vast dat het 20 Spaanstalige hits van Fender bevat, nog opgenomen voor het in Corpus Christi gevestigde Hacienda Records, één van de toonaangevende labels voor het genre gedurende de jaren ’80 en ’90. En –ere wie ere toekomt- de man klinkt daarop echt uitstekend. Wij werden oneindig veel meer gecharmeerd door deze minder bekende kant van Fender, dan door zijn hitverleden. Fraaie nummers als “Cartas Marcadas”, “Respeta Tu Amor” of “Adios Palomita Blanca” laten een Fender horen op de top van zijn kunnen. Een Fender die we louter op basis van zijn vocale prestatie hier weer wél zouden durven kronen…

Anderzijds is het zo, dat ook Flaco Jimenez een vergelijkbaar staalkaartje van zijn verleden mag voorleggen. Onder de titel “Como Amigos” grasduint het Nederlandse label CoraZong Records ook in het verzamelde vroegwerk van “The Skinny One” - daarvoor staat “El Flaco immers”. Net als in het geval van Fender krijgen we ook ditmaal 20 songs voorgeschoteld, die voor Hacienda Records werden ingeblikt. En ook voor het Spaanstalige erfgoed van deze kroonpretendent gaan wij gewillig door de knieën. Of ze nu “Soy Chicano”, “Prieta Casada”, “Deje Mis Padres” of “Desolacion” heten, het maakt allemaal niet zo heel erg veel uit. Ook Jimenez geeft ons hier twintig goede redenen om hem dat kroontje op het hoofd te zetten. Ook zijn Tex-Mex-landschap ligt er hier nog heerlijk ongerept bij. En zo horen wij ze nu eenmaal het liefst…

Al een geluk dus, dat wij niet echt een keuze hoeven te maken. Wel integendeel! Beide collecties zijn zoals hoger al aangegeven dankzij CoraZong gemakkelijk verkrijgbaar en bovendien nog prettig geprijsd ook. U kan zich zowel “Como Amigos” als “Baldemar Huerta: El Rey Del Tex-Mex” als zogeheten midprice release aanschaffen en u mag ons op ons woord geloven als wij zeggen, dat ze allebei meer dan de moeite van het bezitten waard zijn. Niet enkel als aanvulling voor de collectie, maar vooral ook als aangenaam wegluisterende Tex-Mex-gehelen.

www.corazong.com

 

 

GARY FJELLGAARD

“Grande Olde Ride”

(Slim Creek Music)

(3,5) J J J J

 

 

Echte cowboys vormen zo stilaan een uitstervend ras. En al zeker in de muziek. Slechts bitter weinigen voelen zich dezer dagen nog geroepen om het leven op de weidse prairies te bezingen. Wellicht ook omdat het vroeger florerende beeld van de heroïsche cowboy de jongste jaren een flinke knauw heeft gekregen. In de huidige Amerikaanse maatschappij is het al lang niet meer zo’n vanzelfsprekendheid om op te kijken tegen lone riders, die een avontuurlijk leven leiden temidden van de ongerepte natuur. Met alle gevolgen van dien voor de traditionele cowboy songs. Wylie & The Wild West bezondigen er zich nog volop aan, de Sons Of The San Joaquin ook wel, een Ian Tyson, de Riders In The Sky, maar dan wordt het toch echt al wel even nadenken. Ach ja, Gary Fjellgaard, die hoort ook nog in dat rijtje thuis, da’s juist. In de liedjes van deze Canadese troubadour is er nog volop plaats voor de romantiek van een cowboybestaan. Op “Grande Olde Ride”, zijn jongste, schildert hij weer meer dan dat hij zingt. Met zijn warme, invoelende stem zou hij je zo doen geloven dat je jezelf temidden van de prairie bevindt. Veertien songs lang laat hij op fraaie wijze een stukje countryverleden herleven. Zoals hij in “Reins Of Glory”, “Eyes Of A Cowboy” en vooral ook het titelnummer enkel begeleid door zijn eigen gitaarspel het cowboybestaan verheerlijkt, is ronduit impressionnant. “Grande Olde Ride” is zelfs een echte kippenvelsong. Heel mooi zijn verder ook het wat vlottere, van fraai dobro- en mandolinewerk van respectievelijk Nathan Tinkum en John Reischman voorziene “Buffalo Are Back”, het melancholische (een weinig aan Wylie & The Wild West herinnerende) “Hidden Valley” en het door het accordeon van John Forest mee naar een hoger niveau getilde “Buckskin Jacket”. Mooi, mooi, mooi.

www.fjellgaard.bc.ca

 

 

JILL KING

“Jillbilly”

(Blue Diamond Records / V-Tone Music / Compendia)

(4,5) J J J J J

 

 

Als u net als ons houdt van goudeerlijke, een weinig retro aandoende country dames als Danni Leigh of Heather Myles, dan hebben wij heel erg goed nieuws voor u! Met Jill King ontdekten we immers onlangs een derde naam om zonder ook maar de minste schroom aan dat lijstje toe te voegen. King heeft een stem die sterk aan de twee al vernoemde dames doet denken, maar bijvoorbeeld ook wel een beetje aan die van Tammy Wynette. Twang met hele emmers tegelijk dus… En dat is vanaf de eerste noten van opener “98.6°” ook meteen duidelijk. Dit is heerlijke, radiovriendelijke honky tonk anno nu van een bijzonder zelfverzekerde vocaliste! Elf nummers lang trouwens! Niet één keer bezondigt King zich op haar debuut aan een misstap. Van het bezadigd voortkabbelende “It’s Me Again” over de een weinig bluesy aandoende single “One Mississippi” tot de heerlijke eigen compositie “Three Months, Two Weeks, One Day” - King spreidt hier voortdurend een zelfverzekerdheid tentoon die je dezer dagen nog maar heel zelden op countryplaten aantreft en al zeker niet op die van debutanten. Songs als het olijk boogiënde “After All”, de twangy country van “Hand Me Down Heartache” of de lekkere honky tonk van “Down ‘n’ Out” zullen nog flink wat slachtoffers maken, er van uitgaand dat ze daartoe de kans zullen krijgen natuurlijk. U bent alvast gewaarschuwd! Superaanstekelijk!

www.bluediamondrecords.com

 

 

BARBARA CUE

“DitchLily”

(Man Of Steel Music)

(4) J J J J

 

 

Ooit begonnen als NRBQ-coverband for fun is Barbara Cue stilaan uitgegroeid tot (Athens, GA) supergroep tout court. Het nevenproject van Widespread Panic’s Todd Nance, 6 String Drag’s William Tonks, Bloodkin’s Crumpy Edwards, Star Room Boys’ John Neff en John Mills kwam vier jaar na zijn knappe debuut “Louisiana Truckstop” (1999) terug in zijn oorspronkelijke bezetting samen en blikte met “DitchLily”een zo mogelijk nog sterkere opvolger in.

Southern rock, singer-songwritermateriaal, country, jams – het zit er eigenlijk allemaal wel een weinig in verwerkt. “DitchLily” wordt op die manier een prima gitaaraangedreven countryrockplaat. Opvallendste momenten zijn het lijzige, door Vic Chesnutt geschreven en ook gezongen “Lagoon”, het lekker vet rockende “Mr. Lucky”, het ingetogen instrumentale juweeltje “Big John’s Lullaby” en de mooie rootsrock van “Pretty House”. Naast Chesnutt werkten verder ondermeer ook Eric Carter (Bloodkin), John Bell en John Hermann (Widespread Panic), Edward Hunter (Blueground Undergrass) en George Norman (Calliope Fair) aan deze warm aanbevolen alt. country- / rootsrockplaat mee.

www.barbaracue.com

 

 

BIG AL DOWNING

“One Of A Kind”

(Platinum Express Records)

(3) J J J

 

 

“One Of A Kind” moet zo ongeveer de perfecte omschrijving voor Big Al Downing zijn. Met meer dan 50 jaar ervaring in de muziekwereld achter de kiezen en met een wel heel eigenzinnige visie op zijn eigen artiestenbestaan neemt Downing inderdaad een aparte plaats in de muziekgeschiedenis van de States in. Zich als kleurling inlaten met country heeft daar immers nog steeds verstrekkende gevolgen. Dan mag je muziek nog de ideale brug slaan tussen genres als country, gospel en R & B, ze zal al snel té blank zijn voor je zwarte medemens en té zwart voor een blank publiek. Er toch mee doorgaan betekent dan ook zoveel als commerciële zelfmoord. Maar dat is Downing altijd worst geweest. En het heeft hem geen windeieren gelegd ook, want met “Mr. Jones” en “Touch Me” schreef de man merkwaardig genoeg twee heuse megahits achter zijn naam.

En nu is er dus “One Of A Kind”. En op die nieuwe cd springt Downing weer allerminst zuinig met stijlen om. Van patriottistische Americana in de opener “Hometown Americana” over onversneden honky tonk in het sublieme “A Cigarette, A Bottle And A Jukebox” tot soulvol spul als “Talkin’ The Talk” of “She’s A Miracle To Me”, van een heuse “Boogie-Woogie Roll” tot het calypso-getinte “Goodbye My Love” -eindigend ergens in de buurt van een Jimmy Buffett- of een knappe country shuffle als “Joe’s Truck Stop” – Downing stoort zich op geen enkel ogenblik aan de muzikale hokjesgeest die de muziekindustrie ons voortdurend blijft opdringen. Hij geeft dat zelf trouwens ook ruiterlijk toe in “I’m Too Green To Be Blue”. Cultureel racisme kan niet vindt de man en hij heeft zelfs besloten om zijn in 2004 te verschijnen biografie dezelfde titel mee te geven. Van een persoonlijkheid gesproken...

www.platinumexpressrecords.com

 

 

X-RATED COWBOYS

“Saddest Day Of The Year”

(FFN Records)

(3,5) J J J J

 

 

The X-Rated Cowboys kiezen op hun tweede full cd “Saddest Day Of The Year” wellicht mede onder invloed van producer Dan Baird (Georgia Satellites, Yayhoos) voor een wat meer (roots)rockgeoriënteerd geluid. Zonder daarbij zijn alt. country roots volledig uit het oog te verliezen gaat het vijftal van meet af aan voor een lekker gestroomlijnde rocksound. Geen wonder dan ook, dat het resultaat volop noopt tot meezingen. Nummers als de lekker rockende opener “Just Can’t Wait” en titelnummer “Saddest Day” (beide met vurig gitaarwerk van Dan Baird) of de fraaie ballad “Fallen” zijn slechts drie voorbeelden van songs die schreeuwen om tot bloedens toe gedraaid te worden. Het hele album bulkt eigenlijk van dit soort catchy stuff. Denk: de energie van een groep als de Jam gekoppeld aan de songs van een Costello of een Graham Parker, maar dan wel in een typisch Amerikaanse setting. Beluisteren is gegarandeerd ook kopen!

www.xratedcowboys.com

 

 

WAYNE HANCOCK

“Swing Time”

(Bloodshot / Bertus)

(4,5) J J J J J

 

 

Als Wayne “The Train” Hancock en zijn orkest ten dans spelen dan leunen Hank Williams en zijn copains in het hiernamaals geïnteresseerd over de ballustrade van hun hemelse loge heen. Sedert zijn fenomenale debuut met “Thunderstorms And Neon Signs” in ’95 beschouwt Hancock het immers als zijn missie het begrip real country nieuw leven in te blazen. Het erfgoed van de oude Williams wordt daartoe besprongen en bewerkt met Western swing, rockabilly en blues. Met als resultaat een geluid dat zo retro aanvoelt, dat je zelf onwillekeurig de behoefte gaat voelen om de pot brillantine weer eens boven te halen. Let wel, Hancock is géén copycat! Hij springt wel degelijk creatief om met het gedachtegoed van zijn mentale voorvaderen. Zijn muziek geurt naar die van Williams en zijn tijdgenoten, maar plagieert ze niet. Hij vindt ze als het ware opnieuw uit… Op “Swing Time”, zijn vijfde full cd ondertussen, gebeurt dat zelfs live. De plaat werd immers verspreid over twee avonden in maart van dit jaar ingeblikt in de vermaarde Continental Club in Austin. Daar kregen de aanwezigen een mooie dwarsdoorsnede van het werk van Hancock voorgeschoteld, waarbij de klemtoon op ’s mans twee eerste platen lag. Drie covers vormen voor de fans de spreekwoordelijke kers op de taart, vanwege nergens anders beschikbaar. Voor “Lose Your Mind” ging Hancock in de leen bij Ernest Tubb, voor “Route 66” kan zowat iedereen van Chuck Berry tot de Stones en terug model hebben gestaan en dat geldt in wezen eigenlijk ook voor een geïnspireerde cover van de traditional “Walkin’ The Dog”. Hancock doet hier zijn bijnaam voortdurend alle eer aan. Als een gestaag voortdenderende locomotief hikt hij zich een weg tussen de slappende bas en de jankende gitaren door. En ook als er serieus naar de (nood)rem gegrepen wordt, maakt hij zijn reputatie volop waar. Dan croont hij zich met die zo typische snik in zijn stem diep de harten van zijn volgelingen binnen.

Van het slepende “Thunderstorms & Neon Signs” of het lekker wegrockende “Johnny Law” over het door een heerlijk pompende bas gedragen “Juke Joint Jumpin’” tot een gracieuze, ruim zeven minuten durende versie van het als hidden track het album besluitende “Summertime” van Gershwin – veertien nummers lang geeft Hancock je weer het gevoel dat je minstens zo’n vijftig jaar te laat geboren bent. “Swing Time” dus inderdaad…

www.waynehancock.com

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

MICKY & THE MOTORCARS

“Which Way From Here?”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Micky & The Motorcars is de groep van de broertjes Braun. “Cody en Willy?”, horen we je denken. Neen, dan moet je bij Reckless Kelly zijn en nergens anders. Wél Micky en Gary Braun, broers van… precies! Samen maakten ze ooit nog deel uit van de Western swing band van hun vader, Muzzie Braun & The Little Braun Brothers. Maar later gingen de twee broederparen elk hun eigen weg. Het verhaal van Reckless Kelly is ondertussen genoegzaam bekend. Dat van Micky & The Motorcars daarentegen is net begonnen. Al zou je dat, afgaande op hun debuutalbum “Which Way From Here?”, nu niet meteen zeggen. Net als zijn broer Cody is immers ook Micky gezegend met zo’n lekkere hese rasp van een stem. En net als Reckless Kelly doen ook Micky & The Motorcars hun voordeel met goed in het gehoor liggende roots rock. Ze krijgen daarbij trouwens ook de nodige hulp van Cody en Willy, die als co-producers optreden. Toch is er één opvallend verschil tussen de muziek van Reckless Kelly en die van Micky & The Motorcars. Waar de eersten er in het verleden nogal eens stevig durfden in te vliegen, hebben Micky en de zijnen duidelijk meer voeling met country. De twaalf nummers van de hand van Micky Braun – enkel voor “Come Runnin’” en “Cold Northern Town” kreeg hij wat hulp van bassist Mark McCoy – doen ons dan ook minstens even vaak aan Jason Boland & The Stragglers, Kevin Fowler of Stoney LaRue denken als aan Reckless Kelly. “Which Way From Here?” is dan ook veel meer dan alleen maar “de plaat van het jongere broertje van”. Invloeden als Gram Parsons, Steve Earle, Pinto Bennett en vanzelfsprekend ook Muzzie Braun hebben een comfortabel onderkomen gevonden in de knappe songs van Micky Braun. Nummers als “Cold Northern Town” (over het vertrek van de band van Idaho naar Austin en de daarbij vrijgekomen gevoelens), titelsong “Which Way From Here?” (over een muzikant die het uitmaakt met zijn vriendin en zich vervolgens afvraagt hoe het nu eigenlijk verder moet) en “What Do You Have For Love” (over meisjes in het algemeen) laten een uitstekende songwriter aan het werk horen. En het zomerse “Mary Mary” (met lekker harmonicawerk van Gary en op de fiddle voorwaar ook even Cody) of de fraaie ballad “Be There For Me” maken ons alvast heel erg benieuwd naar de volgende platen van dit gezelschap, want wat Micky & The Motorcars daarin presteren is gewoon al grote klasse! Sympathiek debuut!

www.mickyandthemotorcars.com

http://lonestarmusic.com/artists.asp?id=798

 

 

JUSTIN LUTE

“Adventures Of Lori Lou”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Enkele weken geleden bombardeerden wij Justin Lute tot onze cd van de week op “I Love Americana”. Op die manier lieten we je al eens kennismaken met de nagenoeg onweerstaanbare muziek op het debuut van deze uit Columbus, Ohio afkomstige artiest. Lute vertoont een meer dan normale belangstelling voor de muziek van de fifties en de sixties. Met name voor country en rock & roll. Maakt dat van “Adventures Of Lori Lou” een retro-album? Héél zeker niet! Lute is immers allesbehalve een epigoon. Hij laat zich weliswaar inspireren door wat ooit was, maar creëert met wat hij in het verleden vindt geheel eigen songs. Klassieke countrydeunen als “No Need To Say It Again”, “Far And Wide” of “Lori Lou” groeien op die manier uit tot geweldige oorwurmen. En nummers als het duidelijk door Fats Domino(’s pianospel) beïnvloede “The Decline And Fall Of You And Me” of het licht cajuneske “I’d Rather Be Crying” doen daar nauwelijks voor onder. Het voormalige kopstuk van The Southern Diplomats leverde met zijn “Adventures Of Lori Lou” dus een prima zomerplaat af. En dat zou wel eens handig kunnen gaan blijken als de zon het straks laat afweten…

www.justinlute.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27821&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

BIG SMITH

“Gig”

(May Apple Records)

(4) J J J J

 

 

Big Smith is wat je noemt een pure familieaangelegenheid. De groep uit Springfield, Missouri bestaat uit vijf neven, waarvan twee broederparen: Mark en Jody Bilyeu en Jay en Mike Williamson, aangevuld met Rik Thomas. Sinds 1996 timmeren zij samen aan de weg. En dat doen ze met een bruisende muzikale cocktail, waarin ze ondermeer met behulp van een akoestische gitaar, een mandoline, een bass fiddle en een washboard de geest van de Ozarks trachten te vangen. De nadruk ligt daarbij vooral op traditionele bluegrass en hillbilly-muziek. Maar in de uitvoering van Big Smith wordt “traditioneel” al snel een vaag begrip.

Als ideaal bewijs daarvan ligt nu hun vierde cd “Gig” voor ons. Dat is zoals de titel terecht doet vermoeden een live-album, in oktober 2001 verspreid over drie avonden opgenomen in The Outland, in de buurt van de studio van producer Lou Whitney (Skeletons, Morells). Daarop laat het vijftal horen een bijzonder hecht, goed op elkaar ingespeeld gezelschap te zijn, dat te allen tijde garant staat voor een spetterend feestje. Op de eerste van de twee cd’s worden we voornamelijk vergast op “bluegrass met weerhaakjes”. Een stuk scherper en strakker ingespeeld dan je dat van traditionele gezelschappen mag verwachten, maar net daardoor bruisend van de vitaliteit. Je zou bijna durven gewagen van bluegrass met een punk-attitude. Nummers als “Worried Man Blues”, “Hot Corn, Cold Corn”, “Rich Man’s Poor” en “Crawdad Hole” swingen als de spreekwoordelijke pest. Op de tweede cd belanden we via een bijzonder geïnspireerde versie van Mickey Newbury’s “Why You Been Gone So Long?” in enigszins andere wateren. Via het gospeleske “His Eye Is On The Baptist” en het soulvol rockende “Die, Dead, Die” belanden we bij een heel fraaie twangy uitvoering van “The L & N Don’t Stop Here Anymore” (zoals je die bijvoorbeeld ook van de Gourds zou mogen verwachten). “Drive Every Weekend” is dan weer honky tonk à la Big Smith, terwijl “Fickle-Hearted Man” je als een onvervalste pubrocker overvalt. En wat tenslotte te denken van een hillbilly-benadering van “Should I Stay Or Should I Go?” (de Clash-hit inderdaad…) – klinkt hoegenaamd onweerstaanbaar!

“Gig” is –maar dat had je ongetwijfeld al lang begrepen- een feest van een plaat en voor niet-ingewijden een ideale kennismaking met de muziek van Big Smith.

www.bigsmithband.com

http://www.mayapplerecords.com/

 

 

THE BROKEN FAMILY BAND

“Cold Water Songs”

(Snowstorm Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Met de mini “The King Will Build A Disco” had het vijftal uit Cambridge er ons al enigszins van weten te overtuigen dat de hype rond hen aan de overkant van het Kanaal voor één keer gerechtvaardigd was. The Broken Family Band mocht terecht rekenen op de nodige bijval (ondermeer vanwege instituut John Peel). Hun Americana / alt. country had effectief iets speciaals. En dat bewijzen ze op hun eerste full cd “Cold Water Songs” uitgebreid opnieuw. Dat blijkt immers een ronduit fantastisch album te zijn, dat opvalt door zijn grote variatie enerzijds en zijn bulk aan formidabele songs anderzijds. Hier mag je proberen ons één minder nummer op aan te wijzen – je zal van een kale kermis thuiskomen. Vooral ingetogen pareltjes als “Devil In The Details” (met Samantha Parton van de Be Good Tanyas als gastvocaliste), “Gone Dark” of “Hitting Women” lieten op ons een heel diepe indruk na. Maar ook het stampertje “Don’t Leave That Woman Unattended” en het rijk gevarieerde “The Mardi Gras Rescue Mission” zijn grote, grote klasse! Zowel tekstueel, als muzikaal gezien, bedoelen we dan!

Het blijft een rare gewaarwording, maar het is wel zo, dat veel goede Americana dezer dagen vanuit de U.K. blijkt te komen…

www.thebrokenfamilyband.com

www.snowstormrecords.com

 

 

LUCKY PIERRES

“Cloverleaf”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

“Cloverleaf” is na “Cocktail Country” en “My Temptation” ook alweer de derde cd van het rond de fantastische real country chanteuse Michele Pittenger opgetrokken gezelschap Lucky Pierres. Voor dit nieuwe album van het Texaanse vijftal nam bassist Bart Chaney het leeuwendeel van het songschrijfwerk voor zijn rekening. Liefst tien van de veertien nummers werden door hem aangedragen. Gitarist Kim Herriage schreef de rustige rootspopsong “Mountain Ballad” en het wervelende sluitstuk van de plaat “New Highway”. Fan Edie Brickell pende speciaal voor de groep het moderne hillbilly nummer “Mad Dog” en van fifties countrysterretje Helen Hall leende men het zalige “What Else Does She Do Like Me?”, meteen één van de mooiste nummers op deze in haar geheel puike plaat. Als een songbird als Pittenger fraaie nummers als “Blue Norther”, “My Temptation” of “All Because Of The Moon” met een dosis honky tonk injecteert, dan kan je samenvattend maar één ding hopen en dat is dat deze Lucky Pierres nog lang mogen mogen… Warm aanbevolen!

www.luckypierres.com

 

 

KIM CARSON

“Calle De Orleans”

(Banks Street Records)

(4) J J J J

 

 

De in Houston, TX woonachtige Kim Carson presenteert zich op haar derde cd “Calle De Orleans” als één van de interessantste vrouwelijke country singer-songwriters die we hier de voorbije maanden de revue zagen passeren. “I’m in love with a honky-tonk singer,” zingt ze in “Honky-Tonk Girl”, “when he opened his mouth it was love at first song.” Die paar lijntjes beschrijven perfect het gevoel waaraan wij ten prooi vielen toen we Carson zelf voor het eerst aan het werk hoorden. Van pure Texaanse honky-tonk pareltjes als “Going Back To Louisiana” of “Just Because You’re Gone” tot meer singer-songwriter of roots georiënteerd materiaal als “No One To Blame”, “Midnight Angel”, “Heart / Home” (met Vicki Peterson van de Continental Drifters of eerder ook de Bangles) of “Wondering” (met John Crooke van Jolene), Carson brengt het allemaal met hetzelfde sprekende gemak. En dan ga je al vlug spreken van een revelatie natuurlijk. Iemand die bijvoorbeeld ook bij de fans van Rosie Flores wel eens in goede aarde zou kunnen vallen.

www.kimcarson.com

http://www.cdbaby.com/cd/kimcarson

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Ain’t No Grave”

(Dren Records)

(4) J J J J

 

 

Tribute cd’s, het is een verschijnsel waar je dezer dagen nauwelijks nog omheen kan. En spijtig genoeg blijken al die eerbetuigingen lang niet allemaal even geslaagd. Wat al te vaak worden ze door platenlabels gebruikt om nieuwe artiesten te pushen of eenvoudigweg om de eigen zakken te vullen. Het was dan ook met de nodige argwaan dat we “Ain’t No Grave” aan een eerste beluistering onderwierpen. “A Tribute To Traditional & Public Domain Songs” kreeg de collectie immers als ondertitel mee. Al bij al een wat vreemde bedoening zo leek het. Maar de donkere lucht boven het project klaarde al gauw op, toen we als executive producer Niall Hood herkenden, de man die met “Chooglin’” en “Papa Nez” al twee voortreffelijke tributes voor respectievelijk John Fogerty en Michael Nesmith op zijn conto had.

Het uitgangspunt voor “Ain’t No Grave” is vergelijkbaar met Dave Alvins “Public Domain”-collectie, alleen zijn het hier een aantal bekende en minder bekende namen uit de actuele alt. country en roots scene die de overgeleverde songs voor hun rekening nemen. De Plaster Saints mogen zo de feestelijkheden openen met een spannende versie van “John The Revelator”. Mark Erelli blaast vervolgens “The Drinking Gourd” een flinke dosis soul in. En fiddler Tim Eriksen (voormalig Cordelia’s Dad) evoceert in “Southern Girl’s Reply” Shane MacGowan in één van zijn weinige nuchtere momenten. Kris Delmhorst bewijst in het rootsy titelnummer van de plaat wat voor een fantastische zangeres ze wel is. Met The Rebel Chickens groeit zij hier uit tot één van dé revelaties. Een andere heel erg mooie bijdrage vonden wij de versie van “Rose Connelly” die de Ware River Club hier neerzette. In regelrechte Buddy Miller-/Steve Earle-stijl wordt dat nummer snel een verdere goede reden om de aanschaf van dit album op zijn minst te overwegen. En ook wat die van Last Train Home doen met “Shenandoah” -een mooie Americana-uitvoering- kon ons wel bekoren. Al gebiedt de eerlijkheid ons wel te zeggen, dat we Dave Alvins recente versie van dat nummer beter vonden. En dan zijn er nog het rammelende “No More Booze” door de voor ons nobele onbekenden Karl Straub & The Graverobbers en vooral ook het bijzonder knappe “Midnight On The Stormy Deep”, dat door de Dixie Cannonballs een traditioneel bluegrassjasje aangemeten krijgt waar ook de Louvin Brothers zich goed in zouden gevoeld hebben. Héél goed gedaan!

Al bij al is “Ain’t No Grave” dus een voorbeeldig eerbetoon aan traditioneel songmateriaal. En als Niall Hood en Dren Records de ingeslagen weg verder blijven bewandelen, dan mogen zij wat ons betreft nog veel van dit soort compilaties op de wereld loslaten.

www.drenrecords.com

 

 

PAUL HYDE

“The Big Book Of Sad Songs. Vol. 1”

(Slophouse Records / Bongobeat Records)

(3) J J J

 

 

“The Big Book Of Sad Songs. Vol. 1” is het eerste akoestische solo-album van Paul Hyde, voormalig leadzanger van groepen als de Payolas en Rock & Hyde. Hyde doet op dit album wat iemand als Luka Bloom al jaren doet. Hij zoekt zijn toevlucht in een tot het strikt noodzakelijke herleide begeleiding van akoestische gitaar en mandola (bespeeld door zijn maat Robbie Steininger). Met die karakteristieke Yorkshire-tongval van ‘m schildert hij over deze muzikale achtergrond waarin Keltische en Britse folk elkaar moeiteloos vinden verhalen over dronkaards, verschoppelingen, opscheppers, kerkhoven en wel meer op het eerste gezicht vrij alledaagse onderwerpen met een licht tragische inslag. “File next to: Ray Davies / Richard Thompson / John Prine / John Hiatt / Stan Rogers,” wil het begeleidende schrijven en daar valt perfect mee te leven.

www.paulhydemusic.com

www.bongobeat.com

 

 

CARI LEE & THE SADDLE-ITES

“The Road Less Traveled”

(El Toro Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Op hun toepasselijk getitelde tweede cd “The Road Less Traveled” kiezen Cari Lee Merritt en haar vier kompanen van de Saddle-Ites inderdaad opnieuw voor een dezer dagen allesbehalve platgetreden weg. Authentieke hillbilly bop originals als “Mama Told Me”, “Hurry Up” en “Come Home To Me” worden afgewisseld met stomende covers van Hoyt Johnsons “Standing In Your Window” en Charline Arthurs “I’m Having A Party All By Myself” (pure honky tonk) of pakkende vertolkingen van respectievelijk van Etta James en Wynona Carr bekende songs als “Nobody Loves You Like Me” en “I’m A Pilgrim Traveler”. Met als bijkomende toetjes aan het einde van het album de onvervalste rock & roll stamper “Eeny Meeny Miney Mo” en het live door het Spaanse TVE ingeblikte “Tennessee Avenue”. Van beide nummers zijn bovendien ook videoclips voorzien. De laatste woorden van Cari Lee gericht aan haar Spaanse publiek zijn derhalve ook die van ons aan haar: “Gracias!”

www.saddle-ites.com

 

 

THE SCARECROWS

“Rattlesnake Law”

(Heartbreak Records / Hayden’s Ferry / Universal)

(4) J J J J

 

 

Steeds vaker bereiken ons dezer dagen ook alt. country- en Americana-cd’s van Europese acts. En regelmatig zelfs van een niveau dat in niets hoeft onder te doen voor dat van hun Amerikaanse voorbeelden. Zo ook “Rattlesnake Law” van de uit het Noorse Trondheim afkomstige Scarecrows. Die gaan met liefst drie gitaristen in hun rangen voor een gespierd Southern rock-geluid waaruit hun voorliefde voor bands als The Outlaws en Lynyrd Skynyrd duidelijk spreekt. In zanger Bjørn Grønvik hebben ze alvast een kanjer van een voorman in huis. Met een stem een weinig verwant aan die van Peter Garrett van Midnight Oil tilt hij songs als “Brake Your Love”, het grassy “The Mess I’m In”, de heerlijke gitaarrockers “So Far… So Long”, “Roadsounds And Cheating Songs” en “Statement Of Amelia” of het bezwerende titelnummer naar een niveau ergens ver boven de middelmaat. Straffe kost!

www.thescarecrows.com

 

 

JAMES LeBLANC

Muscle Shoals City Limits”

(Muscle Shoals Record Company)

(3,5) J J J J

 

 

James LeBlanc mag met het nodige vertrouwen zijn toekomst tegemoet blikken. De voorbije jaren bewees hij voor Fame Publishing reeds uitgebreid een aardige song in de vingers te hebben. Achttien van zijn nummers belandden zo de laatste drie jaar op platen van major label artiesten. Onlangs nog werd “Modern Day Bonnie And Clyde” bijvoorbeeld een stevige hit voor Travis Tritt.

Daarnaast blijkt de man hier ook over een lekker soulvolle stem te beschikken en bovendien een aardig potje gitaar te kunnen spelen. “Muscle Shoals City Limits” lijkt dan ook alles mee te hebben om uit te kunnen groeien tot een commercieel succes. Americana dj’s zullen zich vooral aangesproken voelen door knappe licht rootsy songs als “Where You Are”, “Fool For Lesser Things” of het rockertje “No Next Time”, terwijl hun country collega’s hun pret niet op zullen kunnen met de rest van het hier aangeboden materiaal. Dit is immers het soort album dat je al snel aanzet tot het wagenwijd openen van de autoraampjes, het groot opengooien van de wagenstereo en het –met één arm buiten bengelend- luidkeels meebrullen van zijn songs. Met een speciale vermelding voor LeBlancs bluesy eigen vertolking van “Modern Day Bonnie And Clyde” – in een rechtvaardige wereld wordt ook dat een knoeperd van een hit!

www.jamesleblanc.com

 

 

JIM PAUL BLAIR

“Fresh Off The Strings”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

“Fresh Off The Strings” van Jim Paul Blair is een aangenaam wegluisterende bluegrass-cd met een hoge herkenbaarheidsfactor. Het album bevat immers voornamelijk covers van bekende songs van anderen. Van het aan Merle Haggard ontleende “Lonesome Fugitive” of het door Tom T. Hall gepende “That’s How I Got To Memphis” tot het hier vooral in de uitvoering van Grand Funk Railroad nogal eens dronken mee gelalde “Some Kind Of Wonderful”, van Hugh Moffatts “Old Flames Can’t Hold A Candle To You” of Bob Wills’ “Faded Love” tot de George Gershwin-compositie “Lady Be Good” – eerlijk is eerlijk, het klinkt allemaal heel erg lekker. Blair speelt immers niet enkel een voortreffelijk stukje gitaar, banjo en mandoline, hij beschikt ook over een prima (country)stem.

Eigenlijk hebben we maar één bedenking bij “Fresh Off The Strings” en dat is dat Blair best wat meer vertrouwen in zijn eigen songschrijverstalent mag stellen. De enige eigen compositie, “Here She Comes”, is immers één van de allerbeste momenten op deze sowieso al prima cd.

http://www.cdbaby.com/cd/jpblair

 

 

IVAN BROWN

“Fortune Wheel”

(Tin Foil Records / Lucky Dice)

(4,5) J J J J J

 

 

Welgeteld vijf seconden duurde het alvorens Ivan Brown ons met “He’s Old He’s Six” helemaal bij de les had. De openingszet van zijn CD “Fortune Wheel” is namelijk bijzonder prettige rootsrockmuziek over een zogeheten “gevaarlijke leeftijd”. En het blijkt tevens het startschot voor een wervelend potje Americana in de waarste zin van dat woord. Bij Brown mag je je werkelijk aan alles verwachten – om het even waar op om het even welk moment dan ook nog! Van een lekker soulvolle sleper (“Fortune Wheel”) tot stomende rhythm & blues (“Dangerous Situation”), van dampende rock & roll (het door Webb Pierce en Mel Tillis aangedragen “Bop-A-Lena”) tot blues (“Prisoner Without A Plea”), van een trage cowboy song (“Max’s Lullaby (Song About Cowboys)”) tot een Blasters style rocker (het live in La Zona Rosa in Austin, Texas geregistreerde “Big Fat Woman” met turbo-pianowerk van Wiley Cousins). Voor dit soort van platen hebben wij dus een gigantisch zwak! Let trouwens terloops ook eens even op het gastenboek: met Gurf Morlix (in het verleden vooral bekendheid verworven als de man achter Lucinda Williams), Slaid Cleaves (voor wie Ivan in 2002 op het Blue Highways festival de bas hanteerde), Jeff Plankenhorn en Evan Johns mocht Brown rekenen op een stel begeleiders om u tegen te zeggen.

www.ivanbrown.com

www.luckydice.nl

 

 

JEFF FINLIN

“Somewhere South Of Wonder”

(Gravity / BMG)

(4) J J J J

 

 

Ooit zou Jeff Finlin ongetwijfeld onthaald zijn als de zoveelste nieuwe Bob Dylan. Gelukkig liggen die dagen waarin men koortsachtig op zoek was naar een opvolger voor Ol’ Bawb ogenschijnlijk definitief achter ons. Dylan maakt dezer dagen weer zelf platen die er volop toe doen en aanstormend talent mag dus ook weer gewoon lekker zichzelf zijn. Ook Jeff Finlin! Al kan je in zijn geval nauwelijks nog van een aankomend talent spreken. De man is met “Somewhere South Of Wonder” immers al aan zijn zesde cd toe en da’s net als zijn voorgangers “Live From Here” en “Original Fin” zo’n typische singer-songwriterplaat die je al na één beluistering innig in je armen sluit om ze vervolgens niet snel meer los te laten. Tracks als “Sugar Blue”, “Summertime”, “Goodtime” en “Delta Dawn” teren deels op de heerlijke laag gruis op de stem van hun schepper, deels op formidabel catchy songstructuren. Tekstueel gezien tilt Finlin zichzelf op “Somewhere South Of Wonder” tot op dezelfde eenzame hoogte waarop ook een Randy Newman of een Bob Dylan resideren, muzikaal gezien komt hij echter een stuk krachtiger uit de hoek. Dat maakt van dit album een aanrader van jewelste voor iedereen die wel eens een rootsy singer-songwriterplaat tot zich durft te nemen.

http://jefffinlinonline.co.uk/

www.luckydice.nl

 

 

LAUREN BRADDOCK

“Lauren Braddock”

(Lost Dawg Records / Love Child Records)

(3,5) J J J J

 

 

Als er al één ding is, dat we wel met zekerheid over haar mogen stellen, dan is het wel dat Lauren Braddock het van geen vreemden heeft. Ze is immers het enige kind van de vermaarde country songsmid Bobby Braddock, de man die ondermeer verantwoordelijk was voor zulke onsterfelijke hitsongs als “D-I-V-O-R-C-E” en “He Stopped Loving Her Today”. Van dat eerste nummer krijgen we trouwens ook een blitzcover van welgeteld 42 seconden aangeboden op het debuut van Braddock. Kwestie van even duidelijk te stellen waar ze vandaan komt natuurlijk. Alle beetjes helpen tenslotte om je beginnende carrière van de grond te krijgen. Dat is trouwens één van de weinige echt uitgesproken countrymomenten op deze plaat. Verder zoekt Braddock het vooral in Americana- en (roots)popwateren. Ze mocht daarbij flink wat bekend volk mee de studio intronen. Deborah Allen, Matraca Berg, Will Kimbrough, Bill Lloyd, Blake Shelton, Dan Dugmore, “Jellyroll” Johnson en haar vader zijn wellicht de meest in het oog springende namen. Geen van allen kunnen zij verhinderen dat wij met een wat tweeslachtig gevoel achterbleven naar aanleiding van dit album. Zelfgepende nummers als het old-timy “Lost Dawg”, het Iers getinte “Plows In Our Field” en het knappe Americanarockertje “Where The Wild Things Are” laten een fantastische nieuwkomer aan het werk horen. Maar spijtig genoeg kan Braddock dit (erg hoge) niveau geen hele plaat lang volhouden. Desalniettemin een zeer verdienstelijk debuut van een grote belofte voor de toekomst!

www.laurenbraddock.com

http://www.cdbaby.com/cd/lbraddock

 

 

TRAVEN TUCKER & THE NAMELESS FAITH

“Traven Tucker & The Nameless Faith”

(Raven-Tone Records)

(3) J J J

 

 

Traven Tucker & The Nameless Faith bestaan naast de voorman zelf uit Sam Swank (gitaar), Tim Alexander (Asleep At The Wheel / keyboards), Ken Smith (bas), Kent Kolman (drums en percussie) en Donny Ray Ford (backing vocals). Deze laatste stond ook in voor de productie van het geheel. En net als op zijn in ’99 verschenen debuut tekent Tucker ook op de opvolger ervan voor een soort rootsrockgeluid dat erg dicht aanleunt bij wat men je in het zogeheten AAA radio format aanbiedt. Tien eigen nummers lang vijlt hij naar ons gevoel een beetje te veel de scherpe randjes van zijn nummers weg. In rustigere tracks als “Pale Blue Moon”, “The Devil Himself” of “Baby Gets By” komt hij daarmee nog goed weg. Dat zijn gewoon heel lekkere Americana songs. Maar wanneer het moet rocken, kunnen wij het gevoel niet onderdrukken dat hier meer had ingezeten. En het mooie “Spirit Of Crazy Horse” bevestigt dat vermoeden alleen maar.

www.traventucker.com

http://cdbaby.com/cd/traven

 

 

LOS LONELY BOYS

“Los Lonely Boys”

(Pedernales Records / Or Music)

(4) J J J J

 

 

Hoe belangrijk een goede naamkeuze voor je band wel kan zijn werd nog maar eens goed duidelijk toen wij voor ‘t eerst op die van Los Lonely Boys stootten. Aangetrokken door die op het eerste gezicht wat vreemde combinatie van Spaans en Engels gingen we op zoek naar de lading achter deze vlag. Los Lobos als ze in de plaats van East L.A. Texas als thuishaven hadden gehad, lazen we ergens. En dat scherpte de nieuwsgierigheid alleen nog maar aan natuurlijk. Ondertussen is gebleken dat die omschrijving niet echt accuraat was -althans niet in onze ogen-, maar we zijn toch héél blij dat we met Los Lonely Boys kennisgemaakt hebben. Op zijn debuut-cd steekt dit drietal bestaande uit de broers Henry, JoJo en Ringo Garza nooit onder stoelen of banken waar het de mosterd vandaan heeft. In hun dankwoord passeren als “brotherhood” Vallejo, De Castillo en Carlos Santana en als “sainthood” Stevie Ray Vaughan en Richie Valens. Met Vaughan en vooral ook met Carlos Santana delen de heren een voorliefde voor warm, soulvol gitaarwerk. Met Vallejo, Valens en Los Lobos de bereidheid om hun roots te laten spreken via hun muziek. Daardoor wordt de eersteling van Los Lonely Boys een heerlijke zomerplaat. De single “Heaven” is zelfs zondermeer één van de aanstekelijkste deunen die we tijdens de voorbije (bloedhete) weken al mochten begroeten. Het nummer koppelt de gitaarvirtuositeit van Carlos Santana aan een rootsy Latino geluid à la Los Lobos. Elders krijgen de Santana-ambities nogal eens de bovenhand. In tegenstelling tot de muziek van hun grote voorbeeld blijft die van Los Lonely Boys echter vrijwel voortdurend gekenmerkt door een gezonde belangstelling voor blues (Luister bijvoorbeeld maar eens naar “Crazy Dream” of “Dime Mi Amor”!) en een neusje voor catchy songstructuren. Het zou ons dan ook in het geheel niet verbazen mocht deze in Austin in de Pedernales Studio van Willie Nelson opgenomen cd uitgroeien tot een echte nazomersensatie. In slotnummer “La Contestacion” komt Nelson zelf dat vermoeden trouwens nog wat kracht bijzetten met een subtiele akoestische gitaarbijdrage. Gaan we nog veel plezier aan beleven!

www.loslonelyboys.org

www.ormusic.com

 

 

SOUTH AUSTIN JUG BAND

South Austin Jug Band”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Bluegrass? Newgrass? Neo-Jug? Akoestische countryfolk? ‘t Is niet echt makkelijk om een toepasselijk label te vinden voor de muziek van de South Austin Jug Band. Maar moet dat ook wel echt? Feit is dat de volledig akoestische muziek van het vijftal (in een productie van Lloyd Maines) betovert door zijn eenvoud en het spelplezier dat er echt van af spat. Met nummers als de heerlijke ballad “Hill Country Nights” of het behoorlijk traditioneel klinkende “My Baby In The Sunshine” eisen zanger James Hyland en de zijnen alvast hun plaatsje op in de schaduw van tal van illustere Texaanse voorgangers. En als je dan weet dat dat eerste liedje ook het allereerste was dat Hyland ooit schreef, dan kan je welhaast niet anders dan concluderen dat er voor de South Austin Jug Band nog mooie tijden op komst zijn. Heel mooi zijn ook de covers van Jimi Hendrix’ “Little Wing” (dat hier open bloeit tot een droom van een rootssong) en van het Walter Hyatt-nummer “Motor City Man”. Of ook de naar eigen zeggen aan het repertoire van de Kentucky Colonels ontleende traditional “Long Journey Home”. En dan is er nog de outlaw song “The Ballad Of Eddie Mullett”, waarmee Hyland dicht in de buurt van het vroegwerk van Steve Earle komt. En da’s een serieus compliment toch…

The South Austin Jug Band mag dan z’n naam al niet waarmaken (Géén jugs immers hier!), zijn doelstellingen realiseert het jeugdige vijftal zeker wél: “It’s people playing good music, having a good time, and giving it 100 percent.” Een beetje zoals hun grote voorbeelden, Uncle Walt’s Band (met Walter Hyatt, David Ball en Champ Hood), het hen voordeden.

www.southaustinjugband.com

 

 

JOE MANNIX

“White Flag”

(Bongo Beat / Pinnacle)

(3,5) J J J J

 

 

Joe Mannix -echte naam!- geldt momenteel als een sleutelfiguur binnen de underground scene van songschrijvend New York City. En dat dankt hij enerzijds aan het feit dat hij maandelijks showcases organiseert, anderzijds aan het toenemende aantal lovende recensies dat zijn eigen muziek te beurt valt. Zijn eerste solo-cd “White Flag” luistert dan ook bijzonder aangenaam weg. De plaat werd opgenomen in een oude kerk in Hamilton, Ontario, Canada met het kruim van de in die stad actieve muzikanten. Voor de productie tekenden Glenn Marshall (uit de entourage van Daniel Lanois) en het Canadese rootspopicoon Dave Rave (Teenage Head, The Shakers). Het resultaat van hun verenigde inspanningen is een album waarop The Band, Lanois, Dylan, David Gray en Jim Croce gelijkmatig verdeeld aanwezig lijken te zijn. Mannix’ muzikale escapades laten zich derhalve misschien nog het best omschrijven als melodieuze folk pop/rock. In elk geval muziek die een wat grotere doelgroep zou moeten kunnen aanspreken. Het titelnummer is wat dat betreft de ideale woordvoerder. Daarin koppelt Mannix immers het perfecte popgevoel van Crowded House aan de verbetenheid van een Graham Parker. En ook aan mooie ballads als “Dream”, “Port Aransas” (met z’n typische southern touch) of “House Is Not A Home” zal zich niet vlug iemand een buil vallen. Het allermooiste nummer van de plaat is echter het Iers gekleurde “Last Gang In Town” – daarin schuilt naar onze bescheiden mening zelfs een geheide radiohit – ook hier ja!

www.mannixrock.com

www.bongobeat.com

 

 

STONEY LARUE & THE ORGANIC BOOGIE BAND

“Downtown”

(Aardvark 13 Records)

(4) J J J J

 

 

Stoney LaRue en de Organic Boogie Band hebben met “Downtown” een kanjer van een debuutplaat afgeleverd. Net als The Great Divide, Jason Boland & The Stragglers en Cross Canadian Ragweed moeten we het vijftal onderbrengen bij de zogeheten Red Dirt Music die vanuit Stillwater, OK stormenderhand de Texaanse muziekwereld aan het veroveren is. En in het geval van LaRue is dat volstrekt begrijpelijk. De man heeft namelijk een stem om u tegen te zeggen (Denk aan Reckless Kelly, Mike McClure, Cross Canadian Ragweed, Jack Ingram en Steve Earle – maar dan wél een stuk krachtiger!) en hij schrijft songs die dat orgaan alle eer aandoen. Dat maakt van “Downtown” een album dat een onweerstaanbare aantrekkingskracht op je blijft uitoefenen als je ’t eenmaal een kans gegeven hebt. Nummers als het samen met Jason Boland aan papier toevertrouwde tweetal “Dirty Fightin’ Love” en “Shot Full Of Holes” (over Stoney’s jongere broer) zijn schoolvoorbeelden van moderne singer-songwriter stuff, ook uitermate geschikt voor jonge oren. En “Feet Don’t Touch The Ground” dat LaRue uit het songbook van Brandon Jenkins scheurde, is zelfs nog knapper. In die song zag LaRue de perfecte verwoording van de liefde die hij koestert voor zijn vrouw en zijn kind. Echt een héél mooi moment! Net als het losjes in de blues zittende “Goin’ To Austin” trouwens (dat hij schreef met Cody Canada van Cross Canadian Ragweed) en de lekker ingetogen recente single “Downtown” (over zijn ouders).

Als LaRue en de zijnen op dit elan kunnen blijven verder doen, dan hebben we zeker nog niet het laatste van hen gehoord! A star in the making…

www.stoneylarue.com

www.organicboogieband.com

http://lonestarmusic.com/artists.asp?id=781

 

 

DAVID ZOLLO

“The Big Night”

(Trailer Records / Rubric Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Dit is nu eens wat je noemt een lekker vette schijf! Zollo’s derde soloplaat dompelt je onder in het soort van sfeertje dat ooit ook de albums van de Stones (toen nog met Mick Taylor), de Faces en later de Black Crowes (op hun eerste twee platen vooral) kenmerkte. De voormalige High & Lonesome-voorman en huidige baas van het Trailer Records-label beschikt over een stem die qua intensiteit in niets hoeft onder te doen voor die van Chris Robinson van de Crowes. En bovendien is de man een voortreffelijke pianist. En dat illustreert hij op “The Big Night” uitgebreid! De stomende opener “While You Undress” komt zo dichter bij de Stones in optima forma dan de Stones zelf wellicht ooit nog zullen geraken. En “Eye Of The Needle” versmelt op aangename wijze gospelgedachtengoed met een countryrockbegeleiding. “Why Don’t You Stop Me Now” dan weer heeft een bijzonder hoog Faces- of Black Crowes-gehalte. Dit is rootsrock van het soort waarmee je ons elke dag van de week mag komen lastigvallen – op zondag zelfs twee keer… In het aandoenlijke titelnummer “The Big Night” wordt even flink wat gas teruggenomen. Maar niet voor lang! In het volgende tweetal is het immers weer goed party time: dynamische rockers als “Get Away” en het bijzonder catchy “You’re Gonna Get What You Wanted” lijken wel het handelsmerk van Zollo. Al moeten we daar meteen aan toevoegen, dat naar het slot van “The Big Night” toe ook ’s mans andere, meer bezadigde kant volop aan bod komt. “Lonesome Childhood”, “Respect (Ain’t A One Way Street)”, “Take Me Away” en “Drift From Kerry” tonen Zollo daar vooral als een begenadigde zanger, gezegend met tonnen “witte soul”.

www.trailer-records.com

www.rubricrecords.com

www.sonic.nl

 

 

THE LUSHROLLERS

“The Lushrollers”

(Watercolour Music / Independent Distribution / Universal Music)

(3) J J J

 

 

Met “The Lushrollers” is de gelijknamige Schotse band toe aan zijn tweede album. Voor de opnames ervan trok men naar Nashville. Afgewerkt werd het geheel in het Schotse Ardgour. Ouderwets verdeeld over een A side en een B side telt de plaat 10 tacks. En daarin klinken de heren een weinig als de Beautiful South op het alt. country-pad. Wellicht vooral door de stemgelijkenis dan. Dit is dus Americana light zou je kunnen zeggen. Aangenaam voortkabbelende songs laten een band aan het werk horen die zeker niet kansloos is als het gaat om chart-succes. Nummers als het zomers rockende “Oh My My”, de prima ballade “Improving My Pool”, het soulvolle “Time Of Year” en vooral ook het verstilde “Feels Like Rain” zouden alvast niet misstaan op de radio.

www.lushrollers.co.uk

www.watercolourmusic.com

 

 

LOUDON WAINWRIGHT III

“So Damn Happy”

(Sanctuary)

(3,5) J J J J

 

 

De voorbije jaren heeft Loudon Wainwright III er allesbehalve een moordend tempo op nagehouden wat betreft het uitbrengen van nieuw materiaal. En daarin zal ook “So Damn Happy” slechts ten dele verandering kunnen brengen. Het betreft hier immers een concertregistratie waarop Wainwright zich doorheen een beknopt overzicht van hoogtepunten uit zijn rijk gevulde carrière werkt. Slechts vijf nieuwe songs werden aan de setlist toegevoegd en da’s al bij al toch wel een klein minpuntje van dit verder aangenaam wegluisterende album, waarop Wainwright zijn gebruikelijke zelf is: wrange humor alom dus en dat tot groot jolijt van allen die het meemaakten. Hoe de man in “Heaven” zijn kijk op het hiernamaals schildert of zich in “Something For Nothing” uitspreekt over het downloaden van muziek (“It’s O.K. to steal, ‘cause it’s so nice to share!”) nodigt dan ook volop tot een gezonde glimlach uit.

Anderzijds zijn er melancholische overpeinzingen van zijn eigen verleden als “The Picture” en “Westchester County”, die een mens prompt een lekker warm gevoel van binnen bezorgen. Ook dat is namelijk Loudon Wainwright III – een poëet met (een weliswaar grote mond maar met) een klein hartje.

Muzikaal gezien klinkt het allemaal voortreffelijk. Met gasten als Richard Thompson op gitaar, Van Dyke Parks aan de piano, David Mansfield op de mandoline en de fiddle en dochter Martha voor duetzang in het supergeinige “You Never Phone” kon er dan ook eigenlijk hoegenaamd weinig fout lopen. In afwachting van nieuw studiowerk van de man geven we ons dan ook graag een poosje over aan “So Damn Happy”.

http://www.lwiii.com/

http://www.sanctuaryrecords.com/

 

 

SLOAN WAINWRIGHT

“Cool Morning”

(Derby Disc Music)

(4) J J J J

 

 

Singer-songwriter Sloan Wainwright is muzikaal gezien van goeden huize. Ze is de zus van de hier een weinig hoger aan de bak komende Loudon en de -logisch gevolg daarvan- tante van Rufus en Martha. En zelf laat ze zich ook niet helemaal onbetuigd. Met “Cool Morning” is ze ondertussen al aan haar vierde cd toe. Daarop laat ze eens te meer horen, wat voor een fantastische zangeres en schrijfster ze eigenlijk wel is. Haar wat diepe stem roept sterke vocalisten als een Joni Mitchell, een Toni Childs of een Rickie Lee Jones in herinnering en ook het aangeboden songmateriaal lijkt enigszins in die richting te wijzen.

“Cool Morning” heeft alvast één sterke troef meer dan zijn voorgangers. Met een ijzersterke, werkelijk hypnotiserende uitvoering van de U2-hit “Where The Streets Have No Name” telt het album immers een kant-en-klare hit in z’n rangen. Mooi meegenomen is bovendien dat de rest van het aangeboden materiaal daar kwalitatief gezien nauwelijks dient voor onder te doen. Wat zweverig aandoende, soulvolle songs als opener “Cool Morning”, “Good Day To Live” en “Ready Or Not” zijn gewoon grote klasse. En Sloan Wainwright verdient het op basis daarvan om binnen afzienbare tijd op grote schaal door te breken. Dit is immers muziek waarvoor het hokje Americana al snel veel te klein gaat blijken…

www.sloanwainwright.com

 

 

BUDDY JEWELL

“Buddy Jewell”

(Columbia / Sony)

(3,5) J J J J

 

 

Als winnaar van de Nashville Star 2003-competitie wist Buddy Jewell onlangs na jaren van hard labeur in de schaduw van de grote jongens eindelijk zijn eigen stekje in de spotlights op te eisen. En al betreft het hier een al bij al behoorlijk gladde Music Row-productie, toch kunnen ook wij daar mee leven. Jewell beschikt immers over een aangename, warme stem (ergens tussen Alan Jackson, George Strait, Tracy Byrd en Ed Bruce in) en zijn songkeuze ademt een gezonde hang naar echte country uit. Wat ons betreft mag hij dan ook tonnen platen gaan verkopen. Op die manier zal er dan misschien bij een aantal mensen in Nashville een lichtje gaan branden en mag country in de toekomst weer echt country zijn. Met zijn in duet met Miranda Lambert gebrachte cover van “Today I Started Loving You Again”, het aangenaam voortdravende “Abilene On Her Mind”, de prachtige ballades “One In A Row” en “You Know How Women Are” en het enigszins Iers getinte “O’Reilly Luck” heeft Jewell alvast een gesmaakte eerste aanzet daartoe gegeven.

http://www.buddyjewell.com/

 

 

CERYS MATTHEWS

“Cockahoop”

(Blanco Y Negro / Warner Music)

(4) J J J J

 

 

Van een verrassing van formaat gesproken! Voormalige Catatonia-zangeres Cerys Matthews gooit het roer op haar eerste solo-album “Cockahoop” dan ook serieus om. De prettige rootspop van de eerste single “Caught In The Middle” was al een voorzichtige waarschuwing geweest, maar toch…. Als Matthews de plaat aftrapt met “Chardonnay”, dan lijkt het er even op of Kasey Chambers zich op bluegrasspaden begeven heeft – een droom van een song (van Roger Cook). En tegen de tijd dat we via de al even aangekaarte single bij het rootsy (samen met Ketcham Secor van The Old Crow Medicine Show geschreven) “Louisiana” aanbelanden slaat de aanvankelijke verwondering stilaan om in terechte bewondering. In het gezelschap van topmuzikanten als Ken Coomer (Wilco), Richard Bennett, Ketch Secor (Old Crow Medicine Show, Gillian Welch), Dave Pomeroy, Byron House, Glenn Worf en producer Bucky Baxter (Bob Dylan, Ryan Adams) ontplooit Matthews zich tot een welgekomen aanwinst in Rootsrockland. Via prima deunen als “Only A Fool” –een geknipte singlekandidaat als je ’t ons vraagt-, het creoolse “La Bague”, het weer sterk naar Chambers neigende “Ocean”, covers van het van de Handsome Family stammende “Weightless Again” en van de oude Welshe hymne “Arglwydd Dyma Fi” en de swampy bluegrass van “The Good In Goodbye” werpt Matthews zich met haar in Nashville ingeblikte eersteling op tot het Americanasnoepje van de maand. Verbazingwekkend gewoon hoe ze zich in no time heeft aangepast aan een voor haar toch compleet nieuwe setting… Misschien moest ze ’t wel overwegen om definitief te verhuizen!

www.cerysmatthews.info

 

 

DUANE JARVIS

“Delicious”

(Blue Buffalo Records / Bertus)

(4,5) J J J J J

 

 

“Delicious” heet de nieuwe cd van Duane Jarvis en die vlag dekt perfect haar lading. De tot op heden vijfde cd van Jarvis blijkt immers opnieuw een rootsrockalbum om je vingers van gaan af te likken, zo lekker… En als je even het lijstje muzikanten overloopt die de man in de studio een handje kwamen toesteken, dan verbaast dat nog allerminst. Met absolute toppers als een Buddy Miller, een Chuck Prophet, een Dave Coleman en een Tammy Rogers in de buurt lijkt er immers niet echt veel meer te kunnen fout lopen. En al zeker niet als je voor de productie ook nog eens mag rekenen op de hulp van George Marinelli.

En dus is het hier logischerwijze volop smullen geblazen! Van bij het vooral in de uitvoering van Peter Case bekende bluesy openingsnummer “Coulda Shoulda Woulda” over het soulvolle “Can’t Build A Better Love” of het op een flink gecamoufleerd Tex-Mex-ritme rockende “Come Back Again” tot de lekker relaxte rootspop van “Mandolin Moon” – Jarvis laat zich in het openingsviertal van “Delicious” op niet één uitschuiver betrappen. En het goede nieuws is, dat hij dit niveau de volle elf nummers lang weet aan te houden. Ook het met knap vioolwerk van Tammy Rogers opgesmukte, intimistische “Spread My Soul Too Thin”, het met Tim Krekel gepende “Beyond Beautiful” (lekkere rootspop is dat), het aan de Stones schatplichtige titelnummer en vooral ook de door Buddy Miller van fraaie harmonieën voorziene, heel erg zuiders aandoende ballade “I Miss You Already” kunnen zo ook uitgroeien tot hoogtepunten op een album dat er eigenlijk één is in zijn geheel. Met deze elf in zijn team, mag Jarvis de competitie met vertrouwen tegemoet zien! Grote klasse!

www.duanejarvis.net

www.blue-buffalo.com

www.bertus.nl

 

 

TOM HOUSE

“Long Time Home From Here”

(Catamount / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Tom House behoort jammer genoeg nog altijd tot dat rijtje artiesten dat bij een potentieel publiek een alles-of-nietsgevoel losweekt. Alles voor degenen die het kunnen opbrengen om te blijven luisteren naar de verhalen van deze wat zonderlinge storyteller, niks voor degenen die zich laten afschrikken door zijn wat nasale manier van zingen. House maakt het zijn aanhangers bovendien bepaald niet gemakkelijk! De man vertelt vaak beklemmende stories die je volledige aandacht vergen en die zelfs dan slechts beetje bij beetje hun geheimen prijsgeven. “Georgia Queen” is daar wel een heel mooi voorbeeld van. Een leven vol zonde eindigt in die song aan AIDS. En House fungeert daarbij als de chroniqueur van een aangekondigde dood. God-weet-hoe-vaak hebben we dat nummer al gehoord en toch komen er nog bij elke beluistering nieuwe dingen aan het licht. Schitterende song gewoon! En daarvan bevat “Long Time Home From Here” er wel meer! De bluegrass-aanpak in “Easy Street” bijvoorbeeld werkt heel erg charmerend en het in onvervalste John Prine-stijl gebrachte “Something In Her Eyes” (over een langdurige relatie waarin plots de spreekwoordelijke haar in de boter haar opwachting lijkt te maken) is gewoon een heel mooi (pakkend) liedje. En dan zijn er nog het door Carole Edwards van fraaie harmonieën voorziene “Judas Song” én het titelnummer. Vooral dat laatste is ook een echte dot van een song. Tegen een bluesy achtergrond vat House daarin de eigen situatie heel accuraat samen:

“It’s a long time home from here, long time home you see

I’m a long way from anywhere now

Might be a long time before you hear from me.”

En dat lekker venijnige (vette) mondharmonicaatje – da’s van special guest David Olney.

www.mysongwriters.com

www.catamountco.com

www.sonic.nl

 

 

THE DOLLY RANCHERS

“Escape Artist”

(Chaos Kitchen Music)

(4) J J J J

 

 

Met Git, de Be Good Tanyas en Jolie Holland hebben we de voorbije maanden geregeld schoon vrouwvolk over de vloer gehad dat er wat betreft het bedrijven van alt. country zo ongeveer dezelfde opvattingen op nahoudt als de meiden van de Dolly Ranchers. Dit viertal afkomstig uit Santa Fe, New Mexico ontleent evenals de geciteerde artiesten elementen aan country, folk en dat o zo herkenbare geluid van de Appalachen en werkt de daaruit ontstane cocktail af met een geut punkattitude en een schijfje zwerversinstinct. Het resultaat? Da’s gewoonweg onweerstaanbaar! “Hard twang & roadside lullabies” noemen ze ’t zelf. En in het begin denk je daarbij nog even aan de Be Good Tanyas, want het verstilde “Drink Me” heeft zo ongeveer dezelfde hypnotiserende werking als de muziek van die Canadezen. Maar daarin komt al snel verandering met “Maddie Girl Slim”, een nummer met genoeg pit om een perzik spontaan uit haar vel te doen springen. Of met “WWJCD”, waarin de dames zich afvragen “What would Johnny Cash do? (When love becomes woe and ramblin’s all that’s left to do?)”, een heerlijk rammelende twangy country folk song. Verbluffend mooi is ook de aan de Carter Family schatplichtige country van “Don’t Put Her Down You Helped Put Her There”, waarin de hoge stem van Sarah-Jane Moody en de lage grom van Amy Bertucci elkaar perfect in evenwicht houden. En ook “The Trapeze Song” dat mede dankzij het puike gitaarwerk van Marisa Anderson de hoogdagen van de Cowboy Junkies even laat herleven schreven wij al snel bij op ons lijstje met te vermelden favorieten.

“Escape Artist” is (na het in 2000 verschenen “Ten O’Clock Bird”) de tweede van de Dolly Ranchers en wat ons betreft mogen er daar nog een hele resem aan toegevoegd worden!

www.thedollyranchers.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27982&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

WOOLDRIDGE BROTHERS

“The Unreel Hits”

(Gulcher Records)

(3,5) J J J J

 

 

Al ruim 20 jaar timmert het broederpaar Scott en Brian Wooldridge aan de weg. En sinds het eind van de jaren ’80 doen ze dat ook al onder hun eigen naam: de Wooldridge Brothers dus. “Skeleton Keys”, “Star Of Desire” en “Uncovering The Sun” heetten hun 3 albums tot op heden, waarop de broers ergens tussen Wilco, Nick Lowe, Crowded House en de Rembrandts te situeren vielen. En da’s op “The Unreel Hits” niet anders. Deze CD is immers een verzameling van demo’s en outtakes stammend uit de periode tussen 1991 en 1997, door de heren in 2001 vrijgegeven op verzoek van hun fans. En nu is er de heruitgave daarvan door Gulcher Records, waaraan als bonus nog eens drie extra songs werden toegevoegd. Wie van de muziek van het hogervernoemde viertal of bijvoorbeeld ook van een Marshall Crenshaw houdt, doet er dan ook goed aan om dit eens even te checken. De alt-pop-alt-country (zoals ze ’t zelf noemen) van de Wooldridge Brothers oefent immers bij momenten best wel wat aantrekkingskracht uit. Nummers als het een weinig aan Graham Parker herinnerende “When You Can’t Let Yourself Hope”, het frivole “Everything Is Different” en het met Walter Salas-Humara (van de Silos) ingeblikte “Why I Love”, om er maar een paar te noemen, zijn gewoon puntgave popsongs. En daarvoor gaan we allemaal, nee toch?

www.wooldridgebrothers.com

http://www.cdbaby.com/cd/wooldridge2

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27487&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

BILLY & BRYN BRIGHT

“Billy & Bryn Bright”

(Blue Corn Music)

(3,5) J J J J

 

 

Billy (mandoline, mandola) en Bryn (staande bas) Bright zijn in de eerste plaats gerespecteerde sessiemuzikanten. En dat opent natuurlijk heel wat deuren als je ook zelf aan opnemen gaat denken. Voor z’n debuut mocht het tweetal dan ook een beroep doen op cracks als Danny Barnes (banjo), Vassar Clements (fiddle), Eamon McLoughlin (fiddle), Tony Rice (gitaar) en Peter Rowan (gitaar, mandola). Met als resultaat tien moten instrumentale bluegrass van het allerfijnste soort. Voornamelijk Billy Bright-originelen. Enkel voor “Vegan In The Woods” riep hij wat hulp van buitenaf van Steve Kerner in en “Coleraine” is een door hem van nieuwe arrangementen voorziene traditional. Bright absorbeert in zijn muziek een diversiteit aan invloeden, wat als prettig gevolg heeft dat deze eersteling uitgroeit tot een mooi uitgebalanceerd, lekker gevarieerd geheel waarop virtuositeit en spelplezier voortdurend hand in hand gaan. Met als absolute uitschieter het huiveringwekkend mooie “Veteran’s Day”, waarin de violen van Clements en McLoughlin een diepe kras op je ziel achterlaten.

http://www.billyandbrynbright.com/

http://www.luckydice.nl/cgi-bin/cart.cgi?command=listitems&type=search&pos=0

 

 

BRIAN WEBB

“Broken Folk”

(Lucky Dice Music)

(4) J J J J

 

 

Het muzikale verhaal van Brian Webb begon goed drie jaar geleden toen hij zijn toenmalige thuishaven Atlanta inwisselde voor singer-songwriter-hemel Boston. Daar begonnen de man en zijn onafscheidelijke levensgezel, zijn hond Derek, aan een muzikale “carrière” in het metrostation – halte “Davis Square”. En al lijkt dat nu niet meteen een ideale start, toch vond Webb er genoeg voldoening en waardering (Zelfs financieel!) om zijn droom te blijven najagen. En het resultaat daarvan ligt nu voor ons onder de vorm van “Broken Folk”, een album waarop tal van behoorlijk uiteenlopende muziekstijlen als pop, folk, country, blues en zelfs soul versmelten tot 18-karaats rootsmuziek. Onwillekeurig dwalen je gedachten hierbij af naar de aanpak van klasbakken als een Rod Picott, een Slaid Cleaves of –een stuk dichter bij huis- een JW Roy. Dit is inderdaad muziek die er werkelijk toe doet! Luister bijvoorbeeld maar eens naar het oorstrelend mooie “Leaving Atlanta”, door Webb samen met de hier regelmatig opduikende Rachel McCartney voor het nageslacht vastgelegd met niet meer dan een akoestische gitaar en een banjo binnen handbereik. Kippenvel gegarandeerd! En da’s dan nog maar één van de vele redenen die we kunnen aanhalen om je ertoe aan te zetten om je dit album onverwijld aan te schaffen! Het soulvolle “Long Way To Go”, ingetogen rootspopbriljantjes als “Walk Alone”, “Not A Confession” of “Talk To You”, het bescheiden rockende “Oh Lord” en nog een handvol anderen zouden even goed voor het bereiken van datzelfde doel kunnen worden gebruikt. Brian Webb is dan ook een Talent waarvoor wij graag nog eens de hoofdletter T bovenhalen. Hij schrijft fantastische songs, blinkt uit met een lekker soepele soulvolle voordracht en beschikt daarnaast over voldoende goede smaak om u en ons als liefhebbers van een potje lekkere rootsrock ook verder op onze wenken te bedienen. Zondermeer een aanrader!

www.brian-webb.com

http://www.luckydice.nl/

www.luckydicemusic.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“The Songs Of Fred Eaglesmith: A Tribute”

(Twang Off Records / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

 

Fred Eaglesmith is één van de meest gerespecteerde singer-songwriters die voor het ogenblik actief is binnen het rootsrockgebeuren. Sedert zijn debuut in 1980 stond de man dan ook vrijwel continu garant voor goede tot uitstekende platen. Daarnaast viel hij vooral op door het jaarlijks verzorgen van een duizelingwekkend aantal optredens. Dat hij kan rekenen op hele horden werkelijk hondstrouwe fans ( zeg maar Fredheads) is dus ook niet echt een verrassing te noemen. En dat daartoe ook nogal wat gerenommeerde collega’s behoren eigenlijk al evenmin.

Bij de voorbereiding van zijn muzikale eerbetoon aan Eaglesmith vond producer Michael Holm dan ook nogal wat “interessante namen” ertoe bereid om zich in te leven in één van Freds songs. Slaid Cleaves zet zo op heel fraaie wijze “White Rose” naar zijn hand tot een knap rootspopminiatuurtje. Terwijl Robbie Fulks “Flowers In The Dell” een Louvin Brothers-beurt geeft en het nummer laat uitgroeien tot een lekkere hap authentieke bluegrass. “Your Sister Cried” dan weer lijkt Mary Gauthier wel op het lijf geschreven en wat Rod Picott en de in deze contreien jammer genoeg nog relatief onbekende Hillbilly Winos met respectievelijk “Pontiac” en “Drive-In Movie” doen kan hier ook op wat goedkeurend gemonkel rekenen. De absolute hoogtepunten zijn wat ons betreft echter Audrey Aulds bloedmooie versie van “He’s A Good Dog” (over de stilaan een dagje ouder wordende hond van Eaglesmith) en de bijdrage die Rex Hobart en Lee Gutowski aan het geheel leveren. Zij toveren “Drinking Too Much” om tot een stukje pure honky tonk-magie.

Andere betrokkenen zijn verder nog vader en dochter Bill en Kasey Chambers, Jeff Plankenhorn, Teddy Morgan, Gurf Morlix, de Outlaw Family Band, Charlie Pierce, Jay Bennett en Old No. 8. En ook zij kwijten zich eigenlijk zonder uitzondering met het nodige respect en Fingerspitzengefühl van hun taak. Fred Eaglesmith kan dan ook terecht fier zijn op het resultaat!

www.twangoffrecords.com

www.luckydice.nl

 

 

DWIGHT YOAKAM

“Population: Me”

(Electrodisc / Audium / Koch)

(4) J J J J

 

 

Hij flikt ‘t hem weer, onze gladde compadre Dwight…

Na zeventien jaar trouw in het gareel van WB / Reprise te hebben gelopen vond hij het wel welletjes en stampte zijn eigen label (Electrodisc) uit de grond. En daarop pakt hij meteen uit met één van zijn allerbeste albums ooit. “Population: Me” is dan ook een bewonderenswaardige stap terug in de richting van zijn roots. Okselfrisse nummers –bij deze temperaturen!- als opener “The Late Great Golden State” of het daaropvolgende “No Such Thing” laten daarover van in het begin niet de minste twijfel ontstaan. En ook in de fraaie ballad “Fair To Midland” is een Yoakam aan het werk die duidelijk weer schik heeft in wat hij aan het doen is. Tal van nieuwe honky tonk snoepjes derhalve hier: we denken daarbij onder andere aan “An Exception To The Rule”, “Stayin’ Up Late (Thinkin’ About It)”, een prima vertolking van de Bacharach & David-hit “Trains And Boats And Planes” en het desolaat aandoende titelnummer “Population: Me”. Eervolle vermeldingen tenslotte ook nog voor “If Teardrops Were Diamonds”, een duet met de dezer dagen schijnbaar alomtegenwoordige Willie Nelson -zou wel eens een knoeperd van een hit kunnen opleveren voor Yoakam- en het afsluitende tweetal “I’d Avoid Me Too” en de huidige single “The Back Of Your Hand”. Daarmee hebben we ze echt allemaal gehad – alle tien de nummers. Een goede cd dan? Of wat dacht je… Population: Me Too!

www.dwightyoakam.com

www.audiumrecords.com

 

 

JOHN EVANS BAND

“Out Of Control”

(Underdog Records)

(3,5) J J J J

 

 

In 2000 werden wij bij verrassing compleet overrompeld door de John Evans Band. Hun “Biggest Fool In Town” heeft toen echt wekenlang in onze cd-wisselaar doorgebracht. Met hun Texaanse rootsrock-mélange wisten ze op elk moment van de dag een grijns zo breed als een flink uit de kluiten gewassen peper op ons gelaat te toveren. En dat is met opvolger “Out Of Control” weer niet anders. Evans en zijn maten lijken zich nog steeds geen bal te willen aantrekken van wat er op dit eigenste ogenblik bon ton is in Texas en doen gewoon lekker eigenwijs verder hun ding. Nu eens blijkt dat vinnige rootsrock te zijn, dan weer gespierde outlaw country, vette rockabilly of zelfs Western swing. En steeds weer klinkt het resultaat even uitnodigend! Van het rustig swingende “Love Don’t Know My Name” of de perfecte twangy rootspop (met hoog zomergehalte!) van “So Long” tot spetterende gitaarfiesta’s als opener “Whoa Hoo Yeah” of titelnummer en sluitstuk “Out Of Control”, van de Johnny Cash meets Marshall Crenshaw twang van “Wrong Way Joe” tot de klassieke outlaw country van “Cross That Line” of de beheerste rockabilly van “Hank And A Harley” – dit is een echt feest van een plaat…

www.johnevansband.net

 

 

THE DRY SPELLS

“Soundtrack To Your Bender”

(Blind Pigeon Records)

(3) J J J

 

 

The Dry Spells zijn Greg Lowe (bas, gitaar, zang), Bob Oetl (gitaar, drums, zang), Jerry Smith (gitaar, bas, zang) en Bill Whalen (drums, gitaar, zang), een viertal dat een reden voor zijn ontstaan vond in een kleine bar ergens in Pottsville, PA. Daar kwamen de heren namelijk regelmatig samen voor de spontane jamsessies die later de aanleiding zouden blijken tot The Dry Spells.

Muzikaal gezien dienen we dit gezelschap eerder onder te brengen in de gitaarrockhoek. Zelf citeren ze zo uiteenlopende artiesten als de Beach Boys, Urge Overkill, de Lemonheads, de Meat Puppets, Velvet Underground, Neil Young en de Rolling Stones als hun inspiratiebronnen. Alt. country? Valt over te discussiëren… Soms komt het alvast wel gevaarlijk dicht in de buurt, zoals met een weinig countryesk aandoende deunen als “Silver Cord Amnesia”, “Walking To The Moon” “Albo” en “Here Comes A Stranger”. En dan zit het meteen ook heel goed! Misschien ligt in die richting dan ook wel de échte toekomst van de Dry Spells!

www.blindpigeonrecords.com

http://www.cdbaby.com/cd/dryspells

 

 

MOONSHINE HANGOVER

“Mulberry Squeezins”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Moonshine Hangover (Prachtige naam!) is een viertal afkomstig uit Portland, Oregon dat op zijn in eigen beheer uitgebrachte debuutalbum “Mulberry Squeezins” kwistig rondstrooit met hardcore Americana songs met een vrij hoog jaren-’70-gehalte. Southern rock, honky tonk, Appalachian, Bakersfield, bluegrass,… het zit er eigenlijk allemaal wel een beetje in verwerkt. En dat levert flink wat interessante momenten op ook! Het zwaar naar Bakersfield lonkende “Sorry Buck”, de in bluegrass en bier gedrenkte rootsrocktweeling “Swamp Song” en “Woe Is Me” en het door Star Room Boys-voorman Dave Marr gepende melancholische sluitstuk “Cocaine Parties” mogen daartoe zeker worden gerekend. Maar dat zijn eigenlijk alleen maar een stel voorbeelden, want er valt nogal wat te beleven op dit album! En precies dat maakt van “Mulberry Squeezins” een meer dan geslaagde eersteling, waarop country(rock) eindelijk weer eens dat scherpe randje meekrijgt dat dezer dagen zo vaak node gemist wordt.

www.moonshinehangover.com

http://www.cdbaby.com/cd/moonshinehangover

 

 

CHATHAM COUNTY LINE

Chatham County Line

(Bonfire Records / Sonic Rendezvous)

(4,5) J J J J J

 

 

“Guerilla bluegrass” noemen ze het zelf. En “ze” zijn in dit geval die van Chatham County Line, de groep rond singer-songwriter-gitarist Dave Wilson, al in mindere mate bekend van zijn werk in de rug van Tift Merritt bij de verrukkelijke Carbines. Bij het op die manier benoemen van hun muziek verwijzen de heren vooral naar de enorme flexibiliteit ervan dankzij hun volledig akoestische instrumentarium. Optreden kan in principe op om ’t even welk moment op om ’t even welke plaats. Meer dan hun instrumenten hebben deze knapen daartoe heus niet nodig. Behalve in vochtige omstandigheden dan… Dan is een dak boven hun hoofd inderdaad een wel prettige bijkomende vereiste…

Voor zijn debuut deed het viertal flink wat inspiratie op in de klassieke bluegrass-school bij leermeesters als een Bill Monroe. Maar ondanks het feit dat men z’n bewondering voor de traditie nooit onder stoelen of banken steekt en gebruik maakt van oertraditionele bluegrass-instrumenten als de mandoline, de fiddle, de banjo, de akoestische gitaar (en een “doghouse” bass), is hier nooit sprake van louter plagiëren. Chatham County Line creëert als het ware een “nieuwe traditionele” stijl van bluegrass-muziek. En dat vindt zijn oorzaak allicht voor een groot stuk in de stem van Wilson – niet echt wat je noemt bluegrass, veeleer typisch alt. country. Vooral in het afsluitende tweetal van de plaat is dat wel heel frappant. Eerst is er een tip of the hat aan het adres van Dylan en de Band in “I Shall Be Released” (met mooie harmonieën van Tift Merritt). En vervolgens de beheerste bluegrass country van “There’s A Light”. Het zijn slechts twee van de vele memorable momenten hier. De “natuurlijke aanpak” –met de hele groep op hetzelfde moment in de opnameruimte- staat vrijwel voortdurend garant voor spektakel. Dat is in de spetterende klassieke bluegrass van opener “Closing Town” zo, maar bijvoorbeeld ook in de mooie ballade “WSM (650)” (opnieuw met steun van Merritt) of in het vlotte “Brings My Tears”, dat zelfs een traditioneel bluegrass-verhaal stijl Louvin Brothers over een tragisch eindigende liefde vertelt. Veel plezier beleefd ook al aan de knallende instrumental “Butterwheel”, aan “Song For John Hartford”, een ode aan één van de grote idolen van alle bandleden, en aan “The Legend Of Old 99” (over een treinongeluk waarbij 99 mensen om het leven kwamen). Net als de samenwerking tussen de Del McCoury Band en Steve Earle eerder heeft het er de aanschijn van dat ook deze plaat zou kunnen uitgroeien tot een goede vertegenwoordiger voor bluegrass in het algemeen – in die zin dat ook hier wel eens heel wat nieuwe zieltjes mee gewonnen zouden kunnen worden voor het genre. Echt wel knap hoe traditie en jeugdig elan hier schijnbaar moeiteloos aan elkaar gekoppeld worden.

www.chathamcountyline.com

www.sonic.nl

 

 

BEN WEAVER

“Hollerin’ At A Woodpecker”

(30/30-003 / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

De checklist met daarop de namen van kandidaten voor ons eindejaarslijstje werd zoëven weer met één naam aangevuld. En dat zou wel eens één van dé kandidaten kunnen gaan blijken voor onze plaat van het jaar! Ben Weaver is een nauwelijks vierentwintig jaar oude singer-songwriter afkomstig uit Oregon die met “El Camino Blues” en “Living In The Ground” tot onze grote verbazing al twee albums op zijn actief bleek te hebben voor het hier besproken “Hollerin’ At A Woodpecker”. Ongelooflijk gewoon dat we nooit eerder iets over deze man vernomen hadden. Compleet onder onze radar door gevlogen… En dat wekt des te meer verwondering als je weet, dat “Hollerin’ At A Woodpecker” hier echt als een bom ingeslagen is. Weaver zingt op die derde plaat uitsluitend eigen songs. En hij doet dat met een stem die klinkt alsof ze al een rijkelijk gevuld leven achter de rug heeft. Een beetje Steve Earle, een beetje Tom Waits ook wel… Kortom flink wat gruis… Géén wonder dat zo’n orgaan en de eigen akoestische gitaar of banjo voortdurend in het middelpunt van de belangstelling staan. Andere instrumenten als een occasionele fiddle, een mandoline, een staande bas, een accordeon of een mondharmonica worden slechts met mondjesmaat in het plaatje geduld om hier of daar een subtiel accentje te plaatsen. Ben Weaver mag op die manier schitteren als storyteller in werkelijk bloedmooie country (folk) songs. En wij lijken daar maar niet genoeg van te kunnen krijgen. Moordplaat!

(p.s.: iedereen die valt voor de rustigere nummers van Steve Earle moet deze plaat beslist gehoord hebben!)

www.benweaver.net

www.sonic.nl

 

 

KIMMIE RHODES & WILLIE NELSON

“Picture In A Frame”

(Sunbird Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Voor deze plaat is er echt maar één enkele omschrijving mogelijk: absolute perfectie! Kimmie en Willie deden in het verleden wel eens meer een duetje samen en de resultaten waren steeds weer van een adembenemende schoonheid. Vanuit dat perspectief bekeken kon dit album dan ook gewoon niet uitblijven. Rhodes en Nelson komen met “Picture In A Frame” gewoon tegemoet aan de alsmaar luider wordende vraag van hun fans naar een dergelijke duettenplaat. De CD bevat heropnamen van hun duetten uit het verleden, evenals een track van Kimmie’s tot op heden onuitgegeven theaterproductiesoundtrack “Small Town Girl” (het fraaie “Rhinestone Highway”). Het geheel werd ingeblikt in Willie’s World Headquarters in Luck, Texas en klinkt mede dankzij de begeleiding van een klein akoestisch groepje topmuzikanten ongelooflijk intimistisch. Daardoor hangt er vrijwel voortdurend een soort van magie in de lucht. Zoals de stemmen van Gram en Emmylou ooit wel voor elkaar voorbestemd leken, zo staan ook die van Kimmie en Willie voor een “perfect match”. Het zou dan ook een volstrekt zinloos manoeuvre zijn om hier hoogtepunten te willen gaan op aanwijzen. Voor wie van akoestische singer-songwriter country houdt is dit er immers één in zijn geheel! Formidabel mooi…

www.kimmierhodes.com

www.sonic.nl

 

 

REEF RIDER

“Beyond The Reef”

(Reefrider / Sonic Rendezvous)

(4,5) J J J J J

 

 

“Reef Rider’s briljante mix van originals en klassiekers brengt ode aan een lange traditie van een in galm gedrenkte staccato twang surf sound,” lazen we in het begeleidende schrijfwerk van Seatsniffers-kopstuk Walter Broes. En eerlijk gezegd, veel zouden we daar als recensent niet kunnen hebben aan toevoegen, ware het niet, dat deze vier knapen uit het Waasland afkomstig blijken. En dan ga je zo’n plaat toch wel even een beetje anders bekijken natuurlijk… Géén parelwitte stranden, noch wuivende palmen als uitnodigende muze immers, in plaats daarvan de weinig aantrekkelijke Noordzee… Kon zoiets wel goed gaan? Het antwoord op die vraag? Een volmondig “Ja!” Fabian Franssens (gitaar), Dennis Coolman (bas), Bert Jacobs (gitaar) en Tom Van Hoey (drums) tekenen met “Beyond The Reef” niet alleen voor een heel goede Belgische plaat, ze hebben überhaupt gewoon één van de lekkerste surfplaten in tijden afgeleverd! Daarop coveren ze ondermeer “Body Surfin’” van de Centurions en “The Trembler” van Duane Eddy & Ravi Shankar. Maar het zijn toch vooral de eigen songs die de show hier stelen. Wij onthielden bijvoorbeeld vooral de vlijmscherpe démarrage van “Cumshot”, het Shadows-met-een-Spaanse-peper-in-de-reet-gevoel van het al even wervelende “El Camino”, de fraaie Latino surf van “Los Cobardes” en “El Dorado” en het zomers opgewekt voorbij huppelende “El Mazunte”. Dit is muziek waaraan je een blijvend goed gevoel overhoudt. En live moet het zo mogelijk allemaal nog onweerstaanbaarder zijn. Geen wonder dan ook, dat Reef Rider al een stevige reputatie geniet tot ver buiten de landsgrenzen.

www.reefrider.be

www.sonic.nl

 

 

RAY CASHMAN

“2000 Miles”

(Scorpion Ranch Records)

(3,5) J J J J

 

 

“2000 Miles” is het eerste soloproject van Ray Cashman, voorheen reeds zijn sporen verdienend als kopstuk van de vanuit Houston opererende Tequila Cowboys, die met “Broken Glass” tot op heden één goed onthaald album op hun actief hebben. En die eersteling van Cashman smaakt beslist naar meer. Bij momenten deed hij ons een beetje denken aan Rod Picott. En da’s wat ons betreft een referentie die kan tellen. Ze staat immers voor een oerdegelijke, wat gruizige stem en pakkende songs die voortdurend twijfelen tussen Americana en roots rock. Cashman schrijft over de beproevingen van een leven als troubadour on the road, over onderweg gemaakte fouten, over de eenzaamheid van z’n bestaan, de queeste naar de ware liefde en gebroken harten. In de openingstrack van het album, tegelijk ook het titelnummer, “2000 Miles”, vertelt hij over een weemoedig klinkend gitaartje heen, hoe het aanvoelt om in je eentje ver weg van je thuishaven Austin te zijn. En in “Hardway” rockt hij een beetje à la Jack Ingram over het leergeld dat je in je leven vaak lijkt te moeten betalen. Héél mooi zijn verder ook het wat meer ingetogen nummer “Sometimes” en de country ballad “Cryin’”, waarin respectievelijk eenzaamheid en hartzeer erg fraai worden verklankt.

“2000 Miles” klinkt al bij al niet echt als een typisch Texaanse plaat – toch niet één van het type waarvan we er dezer dagen wel meer mogen begroeten. Wat het dan wel is? Een heel knappe Americana singer-songwriterschijf, waar wij wel pap van lusten!

www.raycashman.com

http://www.texasmusicroundup.com/Merchant2/merchant.mv?Screen=PROD&Store_Code=TMR&Product_Code=RU1034

 

 

TIM O’BRIEN

“Traveler”

(Sugar Hill / Munich)

(5) J J J J J

 

 

Gedurende de jongste dertig jaar is Tim O’Brien uitgegroeid tot één van de meest gerespecteerde zangers en muzikanten binnen bluegrassmiddens. Via zijn werk met Hot Rize of met zijn zus Mollie, maar even goed met zijn solo-uitstapjes als singer-songwriter. O’Brien noemt zichzelf een reiziger, voortdurend onderweg om zijn muziek aan de man te brengen. En daarover handelt zijn nieuwe album. “Traveler” is een soort van eerbetoon aan dat rondreizend bestaan. Hoewel het album volgens O’Brien zelf evenzeer over de spirituele en emotionele reizen die we tijdens ons leven maken gaat. Hij noemt het zijn meest autobiografische plaat tot op heden. Wat hij maar logisch vindt ook, want hij wordt steeds beter in het vertellen van wat hij weet, vindt hij.

Met uitzondering van het door David Arthur en Ola Belle Reed gepende subtiele bluegrasspareltje “I’ve Endured” treffen we hier dan ook uitsluitend originelen aan. Het ene al mooier dan het andere. “Traveler” wordt afgetrapt met de vrolijk voorthuppelende cajun stomp, “Kelly Joe’s Shoes”, waarin O’Brien vertelt over een paar van een vriend van ‘m gekregen zwarte Converse sneakers, die zijn onafscheidelijke reisgezellen worden. (“These are shoes that like to travel,” noemt hij ze liefdevol.) Muzikaal gezien staat het nummer mede dankzij heel mooi harmonicawerk van Ray Bonneville en dito accordeonspel van Dirk Powell ook als een huis. Nog zo’n meesterwerkje is “Restless Spirit Wandering”, Americana met een bluegrass-smaakje en een schoolvoorbeeld van O’Briens fascinatie voor geschiedenis in de vorm van een ghost story. Hij baseerde het verhaal op wat hij te weten kwam over zijn eigen huis, dat volgens de overlevering bewoond zou worden door de geest van een jeugdig overleden geconfedereerde soldaat. “Another Day” is vervolgens weer gewoon een puur bluegrassnummer over hard werken, een ander stokpaardje van O’Brien. En het introspectieve “Travelers” ontstond in Toscana in de weken volgend op die verschrikkelijke 11 september 2001. Heel mooi vinden wij tenslotte ook nog de op een rustige zydeco beat gebaseerde tweeling “Forty-Nine Keep On Talkin’” en “Fell Into Her deep Blue Eyes”. Het eerste over een onvoorzien avontuur in de Mississippi Delta, het tweede over zijn liefde voor zijn vrouw.

Een pracht van een plaat! Americana in de waarste zin van het woord…

http://www.sugarhillrecords.com/catalog/pagemaker.cgi?3978

 

 

GREAT LAKE SWIMMERS

“Great Lake Swimmers

(Weewerk)

(4) J J J J

 

 

Great Lake Swimmers zijn het geesteskind van de vanuit Toronto opererende singer-songwriter Tony Dekker. De man grossiert in zweverige akoestische liedjes die even veel met Neil Young als met pakweg een Nick Drake of een Will Oldham lijken gemeen te hebben. Een treurwilg dus. Maar dan wel één die zijn droefenis muzikaal op zo’n manier weet te kanaliseren dat het allemaal vergelijkbaar wordt met de breekbare lo-fi van Palace. Daarbij veelal slechts terugvallend op de begeleiding van de eigen akoestische gitaar en van een gedempt koor van krekels op de achtergrond. De opnamen voor deze plaat werden immers gemaakt in een silo in de buurt van een verlaten boerderij in het zuiden van Ontario (Port Colborne). Dekkers muziek klinkt in deze setting tegelijk ongemeen ijl, intriest en hartverwarmend mooi. Een echte openbaring! (En zeker aanbevolen als je houdt van het werk van artiesten als Will Oldham, de Tindersticks, Nick Drake en Clem Snide.)

www.greatlakeswimmers.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27830

 

 

UNCLE LIGHTNIN’

“Urban Legend”

(Homegrown Records / Realbilly Records)

(4) J J J J

 

 

Sedert 1995 al streeft het zestal van Uncle Lightnin’ met goudeerlijke, lekker ouderwets aandoende Americana een carrière na. Zonder al teveel succes overigens. En da’s best wel jammer. In hun uitstekende songs gaan elementen ontleend aan klassiek Nashville-materiaal, de eigentijdse bluegrass- en alt. country-scène en de Britse sixties mooi hand in hand. In het door Millard Ramsey en Richard Tate geschreven “Brown-Eyed Beauty” bijvoorbeeld lijkt de jonge Van Morrison ten tijde van Them wel rond te hangen. Betekent het voorgaande dat we hier met zo’n typisch geval van retro te maken hebben? In geen geval! Niks is minder waar… Het met doedelzakken en mandolines opgezweepte alt. country-pareltje “Cross Mountain Mine” en het vinnige “Dallas Blues” geven beide bijvoorbeeld al blijk van een zeer eigentijdse kijk op de zaak. Gelijke delen Uncle Tupelo, Creedence en Hank Williams in de blender en dit zou zo ongeveer het resultaat moeten zijn. Ronduit schitterend te noemen zijn voorts de fantastische trage countryrock van “Your Memory Won’t Leave Me Alone” en het afsluitende drinklied “Drink It away”. “Urban Legend” blijkt dus al bij al een ijzersterke opvolger voor het ook alweer uit ’98 stammende “Sunday Breakfast” (dat we je ook van harte kunnen aanbevelen). Echt zo’n album waar we nog héél veel plezier aan zullen beleven!

http://www.unclelightnin.com/

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27764

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=20235&variation=&aitem=1&mitem=2

 

 

HITCHCOCK’S REGRET

“Her Life In Reverse”

(Laughing Outlaw Records / Bertus)

(3) J J J

 

 

Een geslaagd en goed onthaald debuut opvolgen is niet altijd de gemakkelijkste zaak. Heel wat jonge en veelbelovende bandjes hebben er reeds de tanden op stuk gebeten. En da’s eigenlijk niet echt abnormaal te noemen. Vaak neemt men immers niet de tijd om met evenwaardig songmateriaal op de proppen te komen. Waar men voor de gevierde eersteling kon terugvallen op de creatieve uitbarstingen van jaren, moet de tweede het vaak stellen met de oogst van een paar schamele maanden. En met dat gevoel worstelen wij een beetje als we het over de nieuwe van het Australische viertal Hitchcock’s Regret moeten hebben. Hun debuut “Regretfulness” mocht terecht rekenen op flink wat bijval, maar nummer twee, “Her Life In Reverse”, blijft ondanks enkele zeer mooie momenten toch wat onder de hooggespannen verwachtingen. De heren laten in nummers als het bijzonder fraaie “She’s All That I Think About” (Beach Boys versus Beatles), het lijzige “Don’t Wait” en vooral het perfecte popliedje “Bitter” horen tot heel mooie dingen in staat te zijn. En producer Michael Carpenter levert als naar goede gewoonte weer voortreffelijk werk. Maar toch kunnen wij ons niet van de indruk ontdoen dat hier tegenover elk geslaagd nummer ook iets van mindere makelij staat. Nochtans kennen deze knapen hun klassiekers! Je hoort Crowded House, de Beatles, Simon & Garfunkel, de Beach Boys, Ben Folds en nog een stuk of wat andere voor hun loepzuivere harmonieën bekend staande bands de revue passeren zonder dat het echt plagiëren wordt… Laten we het er dus maar op houden, dat wij Hitchcock’s Regret graag iets meer tijd voor hun volgende zouden zien nemen. Dan zit er immers wel een uitstekende plaat in.

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl

 

 

TRACTOR KINGS

“Gone To Heaven”

(Mud Records / Parasol Label Group)

(3,5) J J J J

 

 

De boomlange singer-songwriter-gitarist Jacob Fleischli en zijn band de Tractor Kings leveren met hun tweede cd “Gone To Heaven” een wat duistere alt. country-hybride af, die echter wel van begin tot einde weet te boeien. Fleischli’s obsessie voor de dood en de geesten uit zijn familieverleden zullen aan het wat aparte geluid van de groep wellicht niet helemaal vreemd zijn. Uit dergelijke wat weirde trekjes worden nu eenmaal niet echt veel opgewekte platen geboren. Weemoed troef dan ook op “Gone To Heaven”. Meteen al in het openingsnummer, de titelsong, zwaar leunend op de huilende pedal steel van R.M. Racky en de mee treurende harmonica van Fleischli. Knap is vervolgens het korte, maar hevige alt. country-rockertje “Side By Side”, waar het twanggevoel gewoon vanaf druipt. Het merendeel van de nummers zijn evenwel van het tragere soort: het ingetogen “Take Me Back” bijvoorbeeld of het verkillend mooie, echt volledig aan zijn titel beantwoordende “Beautiful Night” of de verklanking van pure eenzaamheid, het desolaat uitwaaiende “Never Lonely”. En dan mogen we zeker het afsluitende tweetal ook niet vergeten, de dronken van weemoed voortwaggelende schoonheid van “Goodnight” en “My Old Ways Are Gone” kruipt immers echt onder de huid. En dan is er nog het enige nummer waaronder Fleischli’s naam niet prijkt, het door de Carter Family groot gemaakte “Little Moses” groeit hier uit tot een eigentijds akoestisch folkpareltje.

www.parasol.com

 

 

GINGERSOL

“The Train Wreck Is Behind You”

(Rubric Records)

(4) J J J J

 

 

We zien het steeds vaker gebeuren, albums die om de één of andere duistere reden één tot twee jaar na hun oorspronkelijke release worden “heruitgebracht”, met hernieuwde aandacht in de media… Een vreemd fenomeen is het, dat zeker, maar in het geval van deze “The Train Wreck Is Behind You”, de derde van Gingersol, tillen we daar niet zo zwaar aan. Met hun aantrekkelijke roots pop zullen Steve Tagliere, Seth Rothschild, John Florance en Chuck Bramlet hier namelijk altijd welkom zijn. En wij kunnen ons nauwelijks voorstellen, dat ze jou met moordsongs als de opener van hun laatste, “Who Cares”, het delicate “Sleep Alright” en het ingetogen “King Sized Doubt” onberoerd zouden laten. Of met het Beatle-esk twangende “Face Up Again”, of met de slepende titelsong “The Train Wreck Is Behind You”, of met… Vul zelf maar in! Vijftien fantastische rootsliedjes staan er op dit album. En dat wrak uit de titel, daar is hier alvast helemaal geen sprake van!

www.gingersol.com

www.rubricrecords.com

 

 

MARK HEARD

“Hammers & Nails”

(Paste Records)

(4) J J J J

 

 

Met Mark Heard overleed in 1992 vroegtijdig één van de meest markante singer-songwritertalenten die deze wereld ooit gekend heeft. Toen hij op 41-jarige leeftijd ten prooi viel aan een hartaanval leken zijn beste jaren bovendien nog te moeten komen. Heard was wat je noemt een typische musician’s musician. Hij mocht dan al verschoond gebleven zijn van commercieel succes, op tal van befaamde bewonderaars kon hij wél rekenen. We denken bijvoorbeeld aan een Bruce Cockburn, een Pierce Pettis, een Victoria Williams, een Colin Linden, een Buddy en een Julie Miller of een Bill Mallonee (van de Vigilantes Of Love). Allemaal droegen die dan ook hun steentje bij tot de in ’96 verschenen tribute cd “Orphans Of God”. En allemaal zullen ze wellicht ook erg in hun nopjes zijn met het zopas door Paste Records uitgebrachte “Hammers & Nails”, een collectie demo’s daterend uit de periode tussen 1987 en 1989. Met andere woorden uit de overgangsfase tussen Heards vroegwerk en de meesterwerkjes die aan zijn plotse dood voorafgingen – “Dry Bones”, “Second Hand” en “Satellite Sky”. Naast deze elf “nieuwe songs” bevat “Hammers & Nails” bovendien als bonus tracks ook nog eens zes nummers van ondertussen uit de handel verdwenen compilaties. Op die manier groeit het album uit tot een ideale introductie tot het werk van deze briljante songwriter, die klinkt als een ver neefje van Marshall Crenshaw, maar als schrijver thuishoort tussen de allergrootsten (en dan denken we bijvoorbeeld aan een Dylan, een Buckley en een Drake…)

http://www.pastemusic.com/product/590

www.pasterecords.com

 

 

CATHY RIVERS

“Bleached”

(Horsethief Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Met de in een bad van heerlijke pedal steel gedrenkte ballade “Arms Of Mexico” van haar solodebuut “Bleached” heeft Cathy Rivers zich heel erg diep ons hart binnen gezongen. Wij zien haar als één van de meest in het oog springende talenten die recent met nieuw plaatwerk uitpakten. Met “Bleached” heeft ze dan ook een echte dot van een rootsrockalbum afgeleverd. Ze verkeerde daarvoor in het uitgelezen gezelschap van Teddy Morgan, die naast de productie van het geheel ook de leadgitaarpartijen erop voor zijn rekening nam. Verder mochten ook Eric Heywood (Son Volt) op de steelgitaar, Danny McGough (Tom Waits) aan de keyboards, Richard Medek achter het drumstel en bassisten Jon Penner (Junior Brown) en Steve Grams hun duit in het zakje komen doen. Het resultaat is bij momenten ronduit verbluffend. De uit Tucson afkomstige Rivers neemt je mee op een trip van alt. country naar akoestische Americana tot van die typische desert rock (à la Morgan) of punk in het vaarwater van Exene Cervenka (X) of de jonge Chrissie Hynde (Pretenders). Opvallend gegeven daarbij is dat ze het merendeel van de songs zelf schreef. Slechts enkele uitzonderingen op die regel. “You Break My Heart Every Time”, een uit het repertoire van Teddy Morgan geplukte two-step die ze in duet met Bakersfield boy Troy Olsen een scherper randje meegeeft, en het van Glenn Danzig geleende “Thirteen”, dat in een volledig akoestische setting uitgroeit tot één van de absolute hoogtepunten hier – qua sfeer heel erg verwant aan de “American Recordings” van Johnny Cash. Héél mooi zijn verder ook het met een lekker twangy gitaartje van Morgan versierde “Fate Walks In The Room” (met een vette knipoog aan het adres van Lucinda Williams), het ingehouden punky gootrockertje “Shotgun Romance” en de bijzonder catchy openingstrack “Fast Girl”. Rivers hoort eigenlijk gewoon nu al in het rijtje De Lisle, Mandell, Richey, Edwards, Williams, etc. thuis!

www.cathyrivers.com

http://cdbaby.com/cd/cathyrivers

 

 

KINGS COUNTY QUEENS

“Big Ideas”

(Rubric Records)

(4) J J J J

 

 

We hebben het hier al wel eens vaker gezegd de jongste maanden: de interessantste countryplaten moet je al lang niet meer gaan zoeken in klassieke countrybastions als Nashville of Bakersfield. En toch voelt het telkens weer even vreemd aan om vanuit een niet-countrystad, zoals Brooklyn er bijvoorbeeld één is, een loepzuiver countryalbum voorgeschoteld te krijgen. Op de één of andere manier lijkt er iets niet te kloppen… Maar dat soort van gevoelens smelt al snel weg als sneeuw voor de zon als je je overgeeft aan “Big Ideas” van Kings County Queens. Hierop wordt immers met zoveel liefde omgesprongen met het klassieke countryerfgoed dat het feit dat de groep uit Brooklyn (aka Kings County) afkomstig is nauwelijks nog terzake doet. Je laat je meteen willoos gaan bij de lekkere opener “Strangers”, waarin vocalisten Daria Klotz en Chris Bowers heerlijk harmoniërend op een zacht wiegende cajun beat laten horen tot wat deze Queens in staat zijn. Vervolgens is er “Honky Tonk Merry Go Round” een nummer van Moe Bandy dat zijn titel alle eer aandoet en derhalve een prima staaltje van lekker ouderwetse honky tonk is. In “Virginia” dolt een lekker vet harmonicaatje vervolgens rond over een aan Johnny Cash ontleend ritme, terwijl Bowers klinkt alsof hij het nummer heeft ingezongen aan de telefoon. En dan is er “Magnolia Waltz”, een heel mooi, melancholisch langzaam walsje, waarin het accordeon van Suzanne Price en de viool van Meredith Yayanios en de stemmen van Klotz en Bowers elkaar perfect aanvullen. Eén van onze favorieten op deze plaat! Net als “14 Ton Crush”, “My First Day Without You” en “Nothin’” trouwens, waarin traditionele country plots heel eigentijds vlot gaat klinken.

Als je dan weet, dat Chris Bowers liefst zeven van de twaalf hierop aanwezige songs zelf pende, dan groeit het respect voor dit vijftal alleen nog maar! Kings County Queens - moet je als countryliefhebber beslist eens gaan beluisteren, je zal het je gegarandeerd niet beklagen!

www.kingscountyqueens.com

http://www.rubricrecords.com/bands/kings_county_queens.html

 

 

PEGGY WHITE

“Fair Is Fair”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4,5) J J J J J

 

 

Er zijn zo van die platen die je werkelijk overvallen. Die vanuit het niets lijken te komen en toch geweldig goed blijken… Dit is er zo eentje! De eersteling van de Canadese singer-songwriter Peggy White klinkt echt allesbehalve als een debuut. Hier zit werkelijk alles meteen goed! Er is om te beginnen haar warme soulvolle stem, die ons een weinig deed denken aan die van Mary Chapin Carpenter. Er zijn de werkelijk heerlijke Americana (folk)songs, zonder uitzondering gecomponeerd door White zelf en van knappe teksten voorzien door Gene Bruce. En er is de klasse muzikale invulling door cracks als Kelli Trottier, Miche Pouliot, Terry Tufts, Tod Gorr en Dave Clarke (Steel Rail).

Tussen de prachtige opener, het ingetogen titelnummer “Fair Is Fair”, en sluitstuk “All Said And Done” zal je hier vergeefs zoeken naar ook maar één enkel moment van zwakte. Pure, pure klasse allemaal en derhalve van harte aanbevolen ook. Als er zoiets als gerechtigheid bestaat dan wordt deze plaat snel opgepikt door een grote platenmaatschappij en zal je de naam Peggy White binnenkort in één adem horen noemen met die van Kim Richey, Shawn Colvin, Mary Chapin Carpenter, Kelly Willis en Rosanne Cash.

www.peggywhite.com

 

 

COLIN McCAFFREY

“Make Your Way Home”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Colin McCaffrey is een mid-30’er uit Vermont die met “Make Your Way Home” een bijzonder aangenaam wegluisterende plaat heeft gemaakt. Het is een collectie originele bluegrass- en folkliedjes, die hier en daar worden gekruid met een snuif zydeco, country of Americana.

“Got The Most Of You” is daar een heel mooi voorbeeld van. In deze speelse, tot meezingen uitnodigende deun krijg je heel even het vermoeden in Louisiana rond te hangen. Veel representatiever voor McCaffrey’s werk is evenwel de openingstrack, titelnummer “Make Your Way Home”, waarin de man zich met zijn mooie, een weinig aan James Taylor herinnerende stem aan een zacht bluegrass-nummer waagt. Al kan het hier echt wel alle kanten uit, hoor. “Moonshiner’s Love” is een werkelijk subliem rootsy country-nummer, waarin multi-instrumentalist McCaffrey en zijn lokale begeleiders zich echt de ziel uit het lijf lijken te willen spelen. En “Need A Little Love” is dan weer een speelse bluegrass-oefening, waarvan het enthousiasme zo valt af te horen. Heel spontaan allemaal! “Make Your Way Home” is dus een plaat die heel wat liefhebbers van zowel country als zachte Americana- of rootsmuziek zou moeten kunnen bekoren. Een tip!

www.colinmccaffrey.com

http://cdbaby.com/cd/colinmcc

 

 

THE WOODYS

“Teardrops & Diamonds”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(Heruitgave voorzien voor augustus!)

(5) J J J J J

 

 

Een album dat godzijdank een tweede kans krijgt! Het zou immers doodzonde zijn mocht deze tweede van Dyann en Michael Woody geheel en al in de anonimiteit verdwijnen zoals zoveel in eigen beheer uitgebrachte platen. Dat verdient “Teardrops & Diamonds” namelijk absoluut niet! De twee zijn immers formidabel goede songwriters en hun samenzang is ronduit goddelijk te noemen. Ook ditmaal klinken ze weer als een gemengde uitvoering van de Everly Brothers. En elf van de twaalf hier vertolkte nummers zijn eigen originelen. Enkel Steve Earle’s “Hearts Don’t Break” is geleend, maar het past wonderwel in het geheel.

Van openingssong en titelnummer “Teardrops & Diamonds” over songs als “Don’t Blame Me” en “Sweeter Than Wine” tot de door Dyann gepende afsluiter “Sweet Destiny” – hier hebben wij maar één woord voor: kippenvelcountry! De songs die de Woodys hier serveren zijn immers van een zodanig hoge kwaliteit, dat het welhaast onmogelijk wordt om er niet van te houden. Onbegrijpelijk eigenlijk dat een dergelijk meesterwerkje niet in de schoot van de één of andere platengigant belandde, die het had kunnen geven waar het volop recht op heeft: wereldwijde erkenning! Veel beter worden ze namelijk niet gemaakt…

http://www.thewoodysmusic.com/

http://cdbaby.com/cd/woodys2

 

 

JOYCE ANDERSEN

“Right Where I Should Be”

(Joyscream Music)

(4,5) J J J J J

 

 

Na de EP “Joyce Andersen”, de full cd “The Girl I Left Behind” en de samenwerking met Harvey Reid “The Great Sad River” is “Right Where I Should Be” de vierde cd van singer-songwriter-violiste-gitariste Joyce Andersen. En da’s een titel die hier volkomen op z’n plaats is. Met haar jongste cd lukt Joyce Andersen inderdaad een homerun. De jonge muzikante put inspiratie uit zo uiteenlopende genres als bluegrass, country, rock, jazz en folk en smeedt wat ze daarin vindt samen tot iets volstrekt unieks. Dit ruikt naar traditie en lonkt naar de toekomst! In het erg mooie openingsnummer van de cd, “Strange Elation”, wordt meteen duidelijk wat we daarmee precies bedoelen. Traditionele Ierse folk en bluegrass komen weliswaar om het hoekje gluren, maar vooral dankzij de voordracht van Andersen en haar heerlijke vioolspel blijft dit toch lekker eigentijds. Het wulpse “Saddle Up The Storm” doet daar zelfs nog een schepje bovenop. Dat nummer zou met de nodige radiosteun gemakkelijk kunnen uitgroeien tot een hit. En dan is er “Eve”, het sleutelnummer hier, waaraan de plaat haar titel ontleende:

“Oh if I could rise up, rooted like a tree,

I’d stand there in all my splendor

knowing right where I should be,”

klinkt het wereldwijs uit de mond van het jonge talent. Hier toont ze nog eens duidelijk hoe flexibel haar stem wel is – een soort Edie Brickell met twang te koop zeg maar. Elf van de dertien hier aanwezige nummers schreef Andersen trouwens ook zelf. Enkel de country traditional “Who’s Gonna Shoe Your Pretty Little Foot?” en de onversneden bluegrass-overlevering van “Pretty Sylvia” vormen uitzonderingen. We lichten er verder ook nog even het volgende tweetal uit. Vooreerst het ronduit briljante “Molina Erickson”, waarin Andersen heel even opklimt tot het niveau van een Iris DeMent of een Kelly Willis – country op zijn fraaist! En ook één van de commercieelste nummers van het geheel, “I Just Wanna Dance” behoort tot de absolute toppers hier: het is een verbluffend mooie ballad licht reminiscent aan Mary Chapin Carpenter.

De is al bij al een album om te koesteren van een jong talent dat nog een zeer mooie toekomst voor zich heeft.

www.joyscream.com

http://cdbaby.com/cd/joyce

 

 

BILLY RAWLETT

“Time Stood Still”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

De uit Maryville, Tennessee afkomstige, maar in Dallas verblijvende bluesman Billy Rawlett liet zich voor zijn vierde solowerkje inspireren door waargebeurde feiten. De eigenaar van een lijkhuisje had zich op een schandalige manier van een aantal dode lichamen ontdaan in plaats van deze te cremeren. Dat zette Rawlett ertoe aan te denken dat de geesten van deze ongelukkigen nog steeds door de omliggende bossen moesten zwerven op zoek naar een waardig einde om zo hun zielen te bevrijden. En het resultaat van dat inleven in deze toch wel bevreemdende situatie treffen we dus aan op “Time Stood Still”. Deze volledig akoestisch ingespeelde cd groeit zo uit tot een unieke collectie van spiernaakte blues- en folkliedjes, waarin de heerlijke donkerbruine grom van Rawlett zeer goed tot zijn recht komt. Acht eigen songs schotelt de man ons voor en drie covers. Voor “Prodigal Son” en “No Expectations” ging hij in de leen bij de Rolling Stones. “Death Is Not The End” ken je wellicht al van Bob Dylan. Opmerkelijk is, dat het eigen materiaal geenszins moet onderdoen voor het materiaal van deze groten der aarde. Knappe songs als het verstilde “Nourish The Spirit” of het van een fraaie mondharmonica-intro voorziene titelnummer zullen niet alleen bluesfanaten, maar vooral ook liefhebbers van singer-songwriterexploten aanspreken. Dit is bij momenten echt huiveringwekkend goed!

www.billyrawlett.com

 

 

LISA AND HER KIN

“Two Weeks In Texas”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Toen “Two Weeks In Texas” hier voor ’t eerst de cd-speler ingleed, hadden we vrijwel onmiddellijk het gevoel in de één of andere zwaar berookte honky tonk te zijn beland. Zo klinkt deze eersteling van Lisa And Her Kin immers. Als een plaat die nergens anders dan in zo’n Texaanse bar kon worden gemaakt… Dat verklaart meteen ook waarom Lisa Miller nadat ze in 2002 haar Trailer Park Honeys voor haar nieuwe band had ingeruild voor twee weken richting de Lone Star State trok om daar met enkele van de fijnste muzikanten uit de buurt deze plaat in te blikken.

Dat ze over een markante stem beschikt, dat wisten we al. Dat country bij haar staat voor passie, dat ook. De vraag was alleen, hoe zou haar nieuwe band het er van afbrengen. En u mag gerust zijn, ze doen het meer dan voortreffelijk. Van bij de onweerstaanbare uptempo opener “River Of Regret” is meteen duidelijk, dat we hier voor ruim veertig minuten goed zitten. “River Of Regret” is trouwens meteen één van de twee enige nummers die Miller niet zelf schreef. Het andere is haar bruisende versie van “Only Mama That’ll Walk The Line”, een antwoord vanuit vrouwelijk perspectief op de overbekende Waylon Jennings-hit, waarin rock & roll, surf en country verre neefjes van elkaar blijken. Voor de overige negen songs was Miller zelf verantwoordelijk. Met voorop de heerlijke honky tonk sleper “Fools Gold”. “Fool me once – shame on you,” zingt ze, “Fool me twice, shame on me.” Een originele manier om een oeroud verhaal te vertellen… Ook héél knap: de honky tonk in overdrive van “Preachin’ To The Choir” waarin de steel van Chris Miller en de fiddle van Eamon McLoughlin voor fraaie accenten zorgen. Of “Rodeo Jewel” waarin de huilende pedal steel van Ricky Davis (Dale Watson / Merle Haggard) even de show mag stelen. Zoals zij dat trouwens nog eens doet in “Ladies Nite”, een kanjer van een trage honky tonk song, waarin Miller als bedrogen vrouw uit de hoek komt.

Wat ons betreft mag Miller voortaan rustig al haar platen in Texas gaan opnemen. En we doen er zelfs nog een spontaan “Hee-haw!” bovenop om dat nog eens extra te beklemtonen…

www.lisaandherkin.com

 

 

MIRANDA LAMBERT

“Miranda Lambert”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Wie het reilen en zeilen in Countryland de voorbije weken een beetje gevolgd heeft weet ongetwijfeld, dat de bekoorlijke jonge Texaanse luisterend naar de naam Miranda Lambert wist door te stoten naar de finale van de Nashville Star 2003-competitie. Ze verwierf uiteindelijk zelfs een plaatsje bij de laatste drie. En als gevolg daarvan wist ze ondertussen ook een platencontract bij major Sony in de wacht te slepen. Of dat een referentie is? Niet noodzakelijk! Maar afgaande op hetgeen we van de winnaar van die competitie, Buddy Jewell, en op het debuut van Lambert reeds hoorden, staan het countrygenre weer betere dagen te wachten. Een traditioneler geluid lijkt stilaan weer bon ton te worden, ook in Nashville…

Maar laten we het vooral ook even hebben over de songs op de eersteling van Miranda Lambert. Die schreef ze zonder uitzondering zelf – in haar eentje of met wat hulp van buitenaf. En het resultaat mag er, zoals reeds eerder gesteld, best wel wezen. Vooral dan haar ode aan het veelbesproken Texaanse eergevoel, “Texas Pride”, en “Texas As Hell” zullen bij velen in goede aarde vallen. Het clubcircuit in de Lone Star State moet op die manier gemakkelijk plat te krijgen zijn. Al houdt Lambert daartoe wel meer troeven achter de hand. Opener “Somebody Else” bijvoorbeeld is beheerste Texaanse country anno nu. En in de rond mooi fiddle-werk van Milo Deering opgebouwde semi-klassieke countrydeunen”Another Heartache” en “What In The World” roept Lambert een heel levendig beeld van Dixie Chick Natalie Maines op. De stemgelijkenissen zijn hier vrij frappant te noemen. Tel daar nog een stel aansprekende ballades als “Lyin’ Here” en “Last Goodbye” bij op en de slotsom is gauw gemaakt. Miranda Lambert heeft met haar debuut een cd afgeleverd, die haar snel zal doen uitgroeien tot een publiekslieveling van jong Texas. En ook bij ons zullen flink wat countryliefhebbers hier wellicht niet snel genoeg van kunnen krijgen.

www.mirandalambert.com

 

 

JACKSTRAW

“Jackstraw”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Jackstraw is een 4 man sterk bluegrasscollectief uit Portland, OR dat op zijn titelloze derde cd tekent voor een frisse, jeugdige benadering van dit traditionele genre. Met Darrin Craig (gitaar), David Pugh (mandoline) en Jon Neufeld (gitaar) telt de groep daartoe alvast drie uitstekende songwriters in haar rangen. Pugh valt daarbij vooral op met razendsnelle instrumentale stukken als “Reggie The Rambler” en “The Ambassador”, waarin hij op zijn mandoline kan excelleren. Craig en Neufeld opteren eerder voor wat meer ingetogen Americana-songs met zo’n typisch bluegrass-nasmaakje, waarbij je regelmatig aan mensen als een Steve Earle of een Bruce Springsteen moet gaan denken. “2000 Miles” en “Train 24” zijn daarvan twee uitstekende voorbeelden.

Naast het genoemde drietal maakt ook bassist Jesse Withers deel uit van deze bijzonder vitaal overkomende bende. En Danny Barnes (dé Danny Barnes, vooral bekend van zijn werk bij de Bad Livers) vervolledigt het geluid van de groep met enkele gesmaakte banjobijdragen.

Hier gaan we ongetwijfeld nog veel meer van horen!

www.jackstraw.net

http://www.cdbaby.com/cd/jackstraw1

 

 

THE INMATES

“Meet The Beatles”

(Riverside Records / APEX / BMG)

(3,5) J J J J

 

 

Voor ons ligt de heruitgave van een al uit 1987 stammend live-album van de lichtjes fantastische Londense garage rock-trots The Inmates. Deze groep onder aanvoering van Bill Hurley wist eind jaren ’70, begin jaren ‘80 een flinke schare fans aan zich te binden met haar bijzonder aanstekelijke mix van klassieke R & B en rock & roll. Met als meest in het oog springende wapenfeit een onwaarschijnlijk coole versie van de Standells-hit “Dirty Water”. In 1987 besloot het toonaangevende Franse blad Libération in Parijs een speciaal concert te organiseren naar aanleiding van de twintigste verjaardag van de klassieke Beatles-plaat “Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band” en daartoe vroeg het de Inmates als Fab 4 van dienst. Later zouden de van dat concert gemaakte opnamen als “Meet The Beatles” in albumvorm op de wereld losgelaten worden. Hurley en de zijnen razen hier doorheen 14 Beatles-nummers (Drie meer dan op de oorspronkelijke versie!) alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Zelfs verstokte Beatles-fans zullen er niet onderuit kunnen: dit klinkt gewoon héél erg lekker vet. Songs als “Day Tripper”, “Back In The USSR”, “We Can Work It Out”, “I Saw Her Standing There” en “Get Back” lijken wel gemaakt voor dit soort behandeling! En bovendien krijgen we als encore ook nog prima vertolkingen van “Dirty Water”, Cochrans “Jeannie Jeannie Jeannie” en “Tell Me What’s Wrong” voorgeschoteld. (Ook niet op de eerdere uitvoering!) Een feest van een plaat!

www.riversiderecords.com

http://cdbaby.com/cd/inmates1

 

 

KEVIN RUSSELL

“You Don’t Know Me”

(Jackalope Records)

(3,5) J J J J

 

 

De naam kwam ons al enigszins bekend voor, alleen wisten we hem niet zo direct te plaatsen. Bleek dat we de man kenden in zijn hoedanigheid als recensent voor het e-zine Freight Train Boogie en dat hij bovendien ook deel uitmaakt van de Modern Hicks. Daarmee is het “You Don’t Know Me” uit de titel van zijn cd-debuut alvast even weerlegd.

Russell loodst ons op die plaat doorheen 3 eigen composities en 9 met zorg gekozen covers. Daarbij worden country, bluegrass en swing (jazz) voortdurend met even veel liefde omarmd. Russells muziek getuigt van een enorm respect voor de muzikale overlevering. Voor zijn relaxt swingende uitvoering van “Get The Hell Out Of Dodge” van Walter Hyatt en Alice Randall haalde hij daarom niemand minder dan Laurie Lewis en haar muzikale partner Tom Rozum in huis. En ook dat andere paar, Jim Hurst en Missie Raines, is van de partij op dit erg mooie nummer. Datzelfde viertal helpt vervolgens ook Kieran Kane’s “Green Pastures” openbloeien tot heerlijke bluegrassgetinte Americana. Een gesmaakt gastoptreden is er verder ook van Joe Goldmark die met zijn huilende pedal steel ondermeer mee verantwoordelijk is voor een bloedmooie vertolking van het klassieke “Hot Burrito #1”. Verdere hoogtepunten zijn de eigen compositie “Just A Matter Of Time” (prima country), het twangy, licht bluesy aandoende “Rails Of Love”, een gevoelvolle cover van Jesse Winchesters “Lay Down Your Burden” (met fraaie vocale bijstand van de ons totaal onbekende Gina Blaber) en vooral ook de zondermeer schitterend gecroonde versie van de Eddy Arnold-hit, “You Don’t Know Me”. Onopvallend goede plaat!

http://www.modernhicks.com/hicksyoudontknow.htm#

http://www.jackaloperecords.com/jackaloperecords.html

 

 

ALATHEA

“What Light Is All About”

(Rocketown Records)

(3,5) J J J J

 

 

Popalachian! Je moet er maar op komen… Da’s namelijk de omschrijving die de drie meiden van Alathea voor hun eigen muzikale creaties verzonnen. Hun muziek ontleent immers behoorlijk wat elementen aan zowel pop als akoestische genres als bluegrass. En bovendien is er hun persoonlijke verbondenheid met de Appalachen uiteraard. Ze klinken een beetje als een kruising tussen pakweg Wilson Phillips en de Dixie Chicks. En eerlijk gezegd, het mag dan allemaal nogal glad geproduceerd overkomen, het klinkt best wel aangenaam. Eén addertje onder het gras evenwel: de teksten. Die staan immers allemaal in het teken van de christelijke overtuiging van de dames. Als dat geen bezwaar voor je vormt, dan houd je een heel leuk commercieel Americana-album aan “What Light Is All About” over. Er bestaan voorwaar veel ergere manieren om je te laten bekeren…

www.alathea.com

www.rocketownrecords.com

 

 

LESLIE WOODS

“Velvet Sky”

(County Line Music)

(3,5) J J J J

 

 

“Velvet Sky” heet het cd-debuut van de uit Knoxville afkomstige Leslie Woods. Daarop vertolkt ze acht eigen songs, waarin ze zichzelf profileert als een hoogst eigenzinnige artieste. Een beetje zoals een Neko Case of een Kelly Hogan, maar dan wel met een flinke laag bluegrass eroverheen. Door het gebruik van instrumenten als de viool, de dobro en de mandoline wordt dat gevoel natuurlijk alleen maar versterkt. Tekstueel graaft Woods heel erg diep. Relationele problemen veroorzaken de nodige pijn hier. En dat brengt een vaak heel erg sombere kijk op de dingen met zich mee. Zoals bijvoorbeeld in het gitzwarte “Crush Me”, waarin ze zingt:

“I am lying here

Hope you will not breathe

And I cannot stay here

Yet I cannot leave.”

Van een desperate schoonheid, zoals we die bijvoorbeeld ook wel eens door Gillian Welch voorgeschoteld kregen.

Meer graag!

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=25593&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

BORDER RADIO

“Americana Brand”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Zowat anderhalf jaar geleden verscheen van het toen nog duo Border Radio het sympathieke E.P.’tje “Lil’ Song Book”, waarop Kelly McCune en Mike Stromberg een sfeervolle mix van mountain music, bluegrass, jazz, Western swing en klassieke cowboy songs afleverden. Met een lekker vlotte update van het al zo vaak gecoverde Patsy Montana-hitje “I Want To Be A Cowboy’s Sweetheart”, de mooie ballade “Moon Over You” (met heerlijk accordeonwerk van McCune) en hun indrukwekkende harmonieën in het walsje “Oklahoma Waltz” trokken ze toen al volop onze aandacht.

En nu zijn ze er dus terug in een wat uitgebreidere bezetting met Luke Halpin (ondermeer op mandoline en fiddle) en Robert Staron (achter de staande bas) als respectievelijk derde en vierde wiel aan de wagen. En er is zelfs een reservewiel voorzien in de persoon van gastmuzikant John McEuen (bekend van de Nitty Gritty Dirt Band) op de banjo. Wat de opgesomde instrumenten al een beetje doen vermoeden wordt ook al snel bevestigd. Het geluid van Border Radio is inderdaad een heel eind in de richting van bluegrass geëvolueerd. Zonder dat je ’t evenwel ook meteen zo moet gaan noemen. De titel van deze tweede poging is wat dat betreft veelzeggend: “Americana Brand”. Heel wat van de songs op dit nieuwe album laten zich inderdaad het best omschrijven als Americana, zij het dan wel met een uitgesproken bluegrass flavor. We denken dan bijvoorbeeld aan nummers als “Wedding Day”, “Is This The One” of slotstuk “The Other Side Of The Door”. Het mooist zijn evenwel de songs waar je zondermeer het label bluegrass kan opkleven. Opener “This Old Pen” bijvoorbeeld, waarin Kelly McCune klinkt als de vocale evenknie van Katy Moffatt. Of de uitstekende vertolking van het door Paul Kennerley geschreven “When I Get My Rewards” ook wel. Prachtig is ook de Border Radio-versie van het Iris DeMent-nummer “These Hills”. ’t Is natuurlijk DeMent niet die ’t zingt, maar het is wel verbluffend mooi gedaan… Een laatste cover op deze plaat is een vrij jazzy benadering van de klassieker “Long Black Veil”. Voor het overige enkel door de band zelf aangebracht materiaal op “Americana Brand”. En dat an sich vinden wij bij deze kwaliteit al een pluim waard.

www.border-radio.com

http://www.cdbaby.com/cd/borderradio2

http://www.cdbaby.com/cd/borderradio

 

 

C. GIBBS AND THE CARDIA BROS.

“The Pinkermen Set”

(Rubric Records)

(4) J J J J

 

 

Zanger-gitarist Christian Gibbs heeft in de loop der jaren een aardig muzikaal c.v. bij elkaar gespeeld. Zo beroerde hij ondermeer een tijdje de snaren voor Modern English. Hij was de grote man binnen de Morning Glories. En hij speelde leadgitaar voor Foetus. Bovendien omvat zijn solo-carrière werk als de C. Gibbs Review en de C. Gibbs Group – in deze laatste gedaante blikte hij trouwens voor Atlantic de LP “29 Over Me” in.

“The Pinkerton Set”, zijn derde tot op heden, nam hij recentelijk op met een groepje muziekveteranen uit New York City onder de naam C. Gibbs And The Cardia Bros. En da’s een bevreemdende muzikale trip geworden. Gibbs dient zich beurtelings aan als een vertolker van inktzwarte countrydeunen, rocksongs en orkestrale popnummers. Daarbij roept zijn muziek herinneringen op aan Morphine, World Party, de Triffids, Grant Lee Buffalo, de Go-Betweens, Tom Waits en Gavin Friday. En zeg nu zelf, da’s verre van misselijk gezelschap om tussen gesitueerd te worden. Gibbs blijkt dan ook een fantastische songwriter te zijn. Vooral de country noir van nummers als “Straps & Chains”, “Winchester Chimes” en “Scarcity” kon ons heel erg bekoren. Dit lijkt ons echt wel iets voor fans van hier al eerder vernoemde groepen als de Go-Betweens en de Triffids.

www.cgibbsreview.com

www.rubricrecords.com

 

 

THE BLAZERS

“17 Jewels”

(Little Dog Records)

(4) J J J J

 

 

Op hun vijfde cd ook alweer blijken de Blazers herleid te zijn tot een duo. “The other band from East L.A.”, zoals ze zichzelf wel eens plegen te noemen als plaagstootje terug voor de constante stroom van vergelijkingen met hun zielsverwanten van Los Lobos, bestaan tot nader order uit Manuel “Manny” Gonzales en Ruben Guaderrama. En da’s in vergelijking met hun eerdere werk niet de enige verandering. Platenstal Rounder werd immers ingeruild voor het Little Dog Records-label van producer Pete Anderson (hier vooral bekend omwille van zijn werk met Dwight Yoakam). Voor het overige bleef gelukkig wel alles bij het oude. Zij het dan dat de Blazers op “17 Jewels” werkelijk in topvorm lijken te verkeren. Hun Latino roots rock klonk nooit beter dan hier. Opener “And I Feel It” bijvoorbeeld groeit in een veld van zacht wiegende gitaren uit tot een zomerse meezinger van jewelste. En in het aansluitende “I’ll Never Trust” zetten Gonzales en Guaderrama hun beste rhythm & blues-beentje voor en overdonderen ons gelijk opnieuw. “Next To Me” blijkt vervolgens een heel erg mooie sleper. En “Excuse Me” is het soort botsing tussen Britse sixties pop en Bakersfield twang zoals we dat bijvoorbeeld ook van de Derailers kennen, maar dan wel net dat tikkeltje ruiger gebracht. Héél goed gedaan!

En dan moeten de beste momenten zelfs nog komen! Zoals “Come On Baby”, waarvan we later met “Ven Mi Vida” afsluitend ook de Spaanse versie voorgeschoteld krijgen. Een fraai Latino rockertje waarin de geesten van Doug Sahm en een vroege uitvoering van Los Lobos rondwaren. Lekker feestelijk zijn daarnaast ook de fantastische Tex-Mex-uitvoeringen van de Dale & Grace- (of Donny & Marie Osmond-) hit “I’m Leaving It All Up To You” en de Lennon & McCartney-compositie “I Don’t Want To Spoil The Party”. Iets waarvan op “17 Jewels” hoegenaamd geen sprake is – wel integendeel! Fiesta time, baby!

http://www.littledogrecords.com/artists/artists_blazers.htm

 

 

TONY GILLIAM

“Tony Gilliam And Some Of His Favorite Catches”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

Bescheidenheid siert, zo wil het spreekwoord. En dat gaat in het geval van Tony Gilliam zeer zeker op. Omdat de man zijn eigen songs nog niet echt erg hoog inschat, beperkt hij zich op “Tony Gilliam And Some Of His Favorite Catches” tot het vertolken van songs van enkele van zijn eigen favoriete schrijvers. Townes Van Zandt spant daarbij de kroon met liefst zeven bijdragen. Guy Clark is tweemaal vertegenwoordigd. En van Blaze Foley, Tom Russell, Ray Wylie Hubbard, Steve Earle, Ken Burnett, Jagger & Richards en Greg Brown worden we vergast op telkens één nummer. Allemaal heel erg lo-fi ingespeeld, maar zeker niet zonder enige charme. Gilliam beschikt namelijk over een geschikte “vertellersstem” en speelt uitstekend gitaar. Hij lijkt er ons dan ook de man naar om vroeg of laat toch met eigen materiaal uit te pakken, dat ons dan wel eens aangenaam zou kunnen verrassen. Ondertussen genieten wij alvast van zijn smaakvolle vertolkingen van klassieke singer-songwriter stuff als “Clay Pigeons” (van Blaze Foley), “The Messenger” (van Ray Wylie Hubbard) en “Pancho & Lefty” (van Townes Van Zandt).

(Deze cd is enkel verkrijgbaar via de man zelf!)

 

 

THE HONKY TONK HANGOVERS

“Every Little Honky Tonk”

(Big Bender Records / Hapi Skratch Records)

(4) J J J J

 

 

Honky Tonk in de groepsnaam. Honky Tonk in de albumtitel. Honky Tonk in de titels van drie van de vier eerste stukken van de plaat. Het ligt er dus zo ongeveer wel vingerdik bovenop wat je hier te wachten staat. En echt te verwonderen hoeft dat niet als je weet dat de Honky Tonk Hangovers net als de door ons zo fel gesmaakte Dalhart Imperials, de Railbenders, de fantastische Halden Wofford & The Hi-Beams en nog zo’n huisfavoriet, Marty Jones & The Pork Boilin’ Poor Boys, deel uitmaken van de fameuze countryscène rond Denver. “Intoxicating Twang” kondigt de inlay van het cd’tje veelbelovend aan en da’s geen woord teveel…

Vanaf de lekkere, op aanstekelijke wijze tussen rockabilly en traditionele country twijfelende openingstrack “Every Little Honky Tonk” is het gelijk goed raak! Twaalf nummers lang puur countrygenot zijn zodoende ingezet. “Honky Tonk Hangover” heeft zo naast een geweldige titel ook een sublieme baslijn die er zich uitstekend toe leent om de naweeën van de avond voordien bij te overlopen. En “Highway 285” is een schoolvoorbeeld van een klassiek gestructureerde hillbilly road song. Heel knap is vervolgens ook de spetterende cover van Mel Tillis’ “The Honky Tonk Song”, dat net zoals het verderop aangepakte “Gonna Make It Alone” van Dion DiMucci uitstekend gedijt in de uitvoering van de Honky Tonk Hangovers. En of ze nu “Long Gone, Long Forgotten”, “Sugar Bear”, “If Baby Ever Left” of “Dang Fool” heten, één ding hebben alle tracks gemeen: dit smaakt volop naar meer… Da’s de enig mogelijke conclusie na de turbo twang van de superswingende uitsmijter “That’s Right”.

www.honkytonkhangovers.com

www.hapiskratch.com

 

 

ONE BAR TOWN

“Say Me A Rosary”

(TWAH!)

(3) J J J

 

 

“Say Me A Rosary” is de tweede cd van het vanuit Lübeck aan de weg timmerende Deens-Duitse gezelschap rond zanger Kent Nielsen, One Bar Town. De opvolger van het in 2001 verschenen “Power Of Principles” laat een groep horen die elementen van Americana en punk met elkaar tracht te verzoenen. “Line Dance Punk Rock Lesbian” is daarvan misschien wel het beste voorbeeld. Op haar best klinkt de groep echter als ze gewoon resoluut verder het vroeger bewandelde Americana- of alt. country-pad blijft inslaan. Op de titelsong van de cd komt dat wellicht nog het best tot uiting. Da’s echt een heel fraai liedje met een kop en een staart en een lekker opvallend akoestisch gitaartje dat volop de show steelt. Andere interessante momenten zijn het recht-toe-recht-aan-rockertje “Hotel New Hampshire (Part 1)”, zijn soortgenoot “Last Round” (voorzien van sfeervol twangy gitaarwerk) en vooral ook de meer ingetogen nummers als “Susanne’s Eyes” en “Reclaim”waarmee het album wordt besloten.

www.onebartown.de

www.twah.com

 

 

CRIS PLATA

“Life Is Hard”

(Ponytrax)

(4) J J J J

 

 

Texas blijft tot nader order een soort van muzikaal aards paradijs. Het grenst echt wel aan het ongelooflijke, hoeveel goede muziek ons de jongste maanden vanuit de Lone Star State bereikte. De ene verrassing daarbij al groter blijkend als de andere…

Ditmaal mogen we ons zo buigen over “Life Is Hard” van de in het zuiden van Texas als zoon van migranten geboren en getogen Cris Plata. En tot onze grote verbazing blijkt het daarbij al om het vierde album van de man te gaan. Eerder verschenen al de LP “Spreading The Rumor” en de CD’s “Fresh Horses” (1993) en “Ziggy Dreams In Color” (1998). Vreemd dan ook, dat we nooit eerder van Plata gehoord hadden, want wat hij op “Life Is Hard” presteert is echt wel heel goed. Als zijn grote voorbeelden citeert hij zo uiteenlopende lokale helden als Bob Wills, Townes Van zandt, Lyle Lovett en Steve Earle. En uiteraard zit er ook een flink stuk Mexicaans muzikaal erfgoed in zijn werk verscholen. “Life Is Hard” groeit mede dankzij die achtergrond uit tot een lekkere pot rootsmuziek. Tex-Mex. Maar dan wel met de Tex van Texaanse singer-songwriters en de Mex van Mexicaanse roots. Nummers als “Long Hard Ride”, “Everything You Got” en “Big Lonesome” zijn bijzonder aanstekelijke lappen singer-songwritermateriaal met een hoog twang-gehalte. Ergens tussen pakweg het betere werk van Nick Lowe en Jim Lauderdale. En “El Tejano” en “Tenga Una Herida” zijn loepzuivere Tejano border songs – in het Spaans gebracht door Plata en door de man zelf ook van een alleraardigst streepje accordeon voorzien. Een wat vreemde eend in de bijt is “I Wanna Be A Lesbian”, geschreven en ook uitgevoerd door Ann Plata. (Waarvan we gemakshalve aannemen dat het ’s mans vrouw is.) Dat nummer breekt qua sfeer een weinig met de rest van het album. Maar een in de gegeven context gebruikt ongemeen komisch lijntje als “No more cock-a-doodle-doo!” maakt wel veel goed natuurlijk…

http://www.powerweb.net/plata/

http://www.cdbaby.com/cd/crisplata2

 

 

THE TOMMY WOMACK BAND

Washington, DC

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Tommy Womack heeft ons de voorbije jaren regelmatig gelukkig weten te maken. Met drie prima albums (“Positively Na-Na”, “Stubborn” en “Circus”) is hij dan ook stilaan uitgegroeid tot een vaste waarde binnen het Americana-peloton. En dat ondanks het feit, dat hij niet echt veel toert. Hij heeft immers bewust gekozen voor de rol van “goede huisvader”.

Als de man toch al eens de hort op gaat, dan mogen de op zijn optredens aanwezige fans echter op beide oren slapen, hij rockt (nog steeds) als de besten. Ten getuige daarvan is er nu “Washington, DC”, een op 18 oktober 2002 in de XM Satellite Radio studio’s in Washington opgenomen live cd. Terwijl buiten ergens een sluipschutter rondzwierf die ondertussen al negen slachtoffers op z’n actief had, gaven Womack en kompanen hem binnen serieus van jetje. Toen nog niet wetende, dat deze live radio show uiteindelijk ook op cd zou belanden. Het resultaat is zijn beste plaat tot op heden. Zijn mélange van Replacements-achtige rock, singer-songwriter stuff en country klonk nooit beter dan hier. Lekker ruw. Zonder overdubs of andere kunstgrepen. Het pure spul dus, onversneden…

Een mooi carrière-overzicht is het en passant trouwens ook. De beste nummers van zijn drie studio-albums tot op heden staan er immers allemaal op, inclusief het in de gegeven omstandigheden wel erg wrang aandoende “I Don’t Have A Gun”. En als toetje is er ook nog een cover van de bis-quits-song “Betty Was Black (And Willie Was White)”.

www.tommywomack.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Seka (“Sister”) Vol. 3”

(TWAH!)

(4) J J J J

 

 

Met zijn “Seka”-compilatiereeks tracht het Duitse platenlabel TWAH! mee geld in het laatje te brengen om het leven van door de Balkanoorlog getraumatiseerde vrouwen en kinderen weer enigszins te helpen regulariseren. SEKA staat immers voor “seminarna kuca” oftewel seminariehuis – een plaats met andere woorden waar de oorlogsslachtoffers ongeacht hun etnische of religieuze achtergrond steeds voor hulp terecht kunnen.

En gelukkig voor ons zoekt TWAH! zijn bijdragen voor de bewuste albums vooral in het schemergebied tussen roots rock, pop en folk. Wat het bovendien allemaal nog een stuk interessanter maakt, is het feit dat het in 10 van de 19 gevallen zelfs om zeldzaam of geheel en al exclusief materiaal gaat. Voor de fans van Amy Rigby, Naked Raven, Michael Weston King, Kevin Salem, Tom Freund, Andy White, One Bar Town, Jerry Joseph & The Jackmormons (Wie?), The Popes en Equation wordt dit daardoor sowieso al een min of meer verplichte aanschaf. Voor de liefhebbers van een gevarieerd rootsalbum eigenlijk ook. Daarvoor zorgen verdere bijdragen van Lonesome Bob, Caitlin Cary, Shawn Sahm, Maria Solheim, The Men They Couldn’t Hang, The Brooklyn Cowboys, Danny Barnes & Thee Old Codgers, Two Dollar Pistols en Mick Thomas & The Sure Thing.

Leuk als kennismaking met een aantal nog relatief nieuwe artiesten en bovendien voor een goed doel – waar wacht u eigenlijk nog op?

www.twah.com

 

 

BILL KIRCHEN

Dieselbilly Road Trip”

(Cracker Barrel Music)

(4) J J J J

 

 

Wat moet deze man in godsnaam nog bewijzen? Bill Kirchen was als leadgitarist en zanger van Commander Cody & His Lost Planet Airmen al voor de bekering van heel wat rockfans tot country-, boogie- en rockabilly-adepten verantwoordelijk. Met hun superaanstekelijk brouwsel stonden ze bekend als een droom van een feestband, zonder zich daarvoor op te gladde paden te moeten bewegen. Met om en bij de dertig jaar ervaring is Kirchen dus echt één van de oer-Americana-artiesten.

En nu is er dus “Dieselbilly Road Trip”, Kirchens ode aan het leven langs de Amerikaanse wegen. “A road trip through America,” zoals hij het zelf noemt, of nog “pure dieselbilly”. Heel wat oude bekenden komen we langs zijn paden tegen. De twangy rock & roll van het openingsnummer “Hollywood City” bijvoorbeeld ontleende Kirchen aan de catalogus van Carl Perkins. Terwijl de in duet met Linda Lay gebrachte klassieke honky tonk ballad “Pittsburgh Stealers” de al wat oudere jongeren onder jullie wellicht bekend zal zijn in de versie van de Kendalls. Het Zuiders zonnige “Is Anybody Goin’ To San Antone” draagt Kirchen dan weer terecht op aan wijlen Doug Sahm. En zo gaat het maar door: van een western story song als “California Cotton Fields” (van Dallas Frazier) over de klassieke country-deun “Streets Of Baltimore” (van Tompall Glaser & Harlan Howard) of de lekkere Chuck Berry-rocker “The Promised Land” tot het instrumentale “Buckaroo” (van Buck Owens & The Buckaroos), van het soulvolle “Midnight In Memphis” (van Tony Johnson) over reprises van de Santo & Johnny-instrumental “Sleepwalk” of het van Grandpa Jones bekende “Eight More Miles To Louisville” tot de turbo-uitvoering van de Arthur Smith-klassieker “Guitar Boogie Shuffle” – dit is Americana in de waarste zin van het woord. Het beeldige hoesje had het ons trouwens ook al die tijd al voorgehouden: “Bill sings of American cities, byways and highways with heartfelt passion,”staat er. En zo is het maar net!

www.billkirchen.com

www.crackerbarrel.com

 

 

RUSSELL SMITH

“The End Is Not In Sight”

(Muscle Shoals Records)

(4) J J J J

 

 

“The End Is Not In Sight” is het alweer vierde solo-album van de vooral als zanger van The Amazing Rhythm Aces enige bekendheid genietende Russell Smith. En wat voor één! De man klinkt hier werkelijk beter dan ooit! De klemtoon ligt dan ook voornamelijk op zijn sterkste kant en da’s zondermeer blanke Memphis soul. Ingeblikt werd deze plaat in de legendarische Fame Studios met een legertje sessiemuzikanten om u tegen te zeggen: van Spooner Oldham tot James Hooker, van Danny Flowers tot Walt Aldridge, van James LeBlanc tot Mac McAnally, u zegt het maar… Bovendien werd het geheel op de wereld losgelaten door het al even vermaarde Muscle Shoals Records label. Er moest dus wel iets speciaals aan de hand zijn…

Smith legt hier met de regelmaat van een Zwitsers precisie-uurwerk zijn hele ziel en zaligheid bloot in bloedmooie, werkelijk van soul overlopende ballades als “Old School”, “Walk These Hills” of “What I Learned From Loving You”. Anderzijds is “Jesse” een spitante lap bluesy outlaw rock en trakteert de man ons op slepende Americana van de bovenste plank in “The King Is In His Castle”. Terwijl “We’re Gettin’ Outta Here” er driftig op los spettert in dezelfde rootsy poel die ook John Hiatt wel eens pleegt aan te doen. Voeg daar nog bijzonder lekkere remakes van nummers als “Heartbeat In The Darkness”, “Third Rate Romance” en “The End Is Not In Sight” aan toe en voor ons ligt een kanjer van een roots- / R&B-plaat. Het soort album zoals we dat we de jongste jaren ook van Delbert McClinton gewoon zijn geworden…

www.muscleshoalsrecords.com

 

 

NEIL YOUNG

 

“On The Beach”

(4) J J J J

“American Stars ’n Bars”

(4,5) J J J J J

“Hawks & Doves”

(3,5) J J J J

“Re.Ac.Tor”

(4) J J J J

(Warner Music)

 

 

Voor devote Neil Young-fans zal de zomer van 2003 er één worden die ze niet zo heel snel zullen vergeten. Enerzijds is er de op stapel staande release van Neils jongste album “Greendale”, anderzijds –en minstens zo opzienbarend- verschijnen met “On The Beach”, “American Stars ’n Bars”, “Hawks & Doves” en “Re.ac.tor” vier albums van de eeuwige treurwilg voor het eerst op cd. Het vakantiegeld zal dus flink mogen aangesproken worden…

 

Allereerst is er het in ’74 verschenen “On The Beach”, een album dat achteraf bekeken een beetje een sleutelrol vervult in het oeuvre van Young. Met “After The Goldrush” had de man begin jaren ’70 een regelrechte klassieker ingeblikt, die nog moeilijk te toppen bleek. En ondanks zeer verdienstelijke pogingen op “Harvest” en “Time Fades Away” lagen sommigen al met het mes tussen de tanden klaar om hem af te maken. Met “On The Beach” vocht Young echter onverwacht fel terug. In zijn privé-leven was alles weer rozengeur en maneschijn (met een nieuwe vriendin en een eerste kind) en dat vertaalde zich in een naar Youngiaanse normen vrij opgewekt album, waarop behoorlijk wat te beleven viel. Opener “Walk On” is niet veel meer dan een soulvol niemendalletje. Maar vanaf dan is het wel goed raak. “See The Sky About To Rain” is vintage Young, met andere woorden melancholie troef onder de treurwilg. En “Revolution Blue” lost de belofte van zijn titel volkomen in. Een beetje blues en een beetje revolutie inderdaad… Op “For The Turnstiles” gaat Young vervolgens old-time. Banjo en dobro mogen van stal en dat resulteert in een heel knap rustpuntje. “Vampire Blues” is dan weer eerder een showcase voor Youngs wat donkerdere kant. En het slotdrietal is ronduit indrukwekkend. Titelnummer “On The Beach” is een schoolvoorbeeld van klassiek Young-materiaal: met die typische getormenteerde hoge stem van hem en dat bezwerende gitaarwerk. “Motion Pictures” droeg hij destijds op aan zijn nieuwe vriendin Carrie Snodgrass, die net de moeder van zijn eerste kind was geworden. Het nummer lijkt dan ook van liefde over te lopen, wat extra geaccentueerd wordt door de mooie slide gitaar-accentjes van Rusty Kershaw en Youngs eigen hartverscheurend mooie harmonicaspel. “Ambulance Blues” tenslotte, is goede semi-akoestische Young. Met bijna negen minuten lang opvallend paargedrag van Youngs harmonica en Kershaws fiddle. Knap! Het terughoren van dit album in geremasterde versie blijkt een echt Aha-Erlebnis. “On The Beach” heeft de nochtans machtige aanvallen van de tand des tijds met brio afgeslagen – klassiek materiaal!

 

Na “Tonight’s The Night” en “Zuma” (met Crazy Horse) uit ’75 en “Long May You Run” (met de Stills–Young Band) uit ’76 volgde in ’77 Youngs tiende lp “American Stars ’n Bars”. En laten we het hier maar meteen toegeven: dat is één van onze favoriete Young-albums aller tijden gebleven. Het geheel bestond nochtans slechts ten dele uit nieuw materiaal. Young raapte verder nogal wat songs die in de drie eraan voorafgaande jaren waren blijven liggen weer op. Wat opvalt op “American Stars ’n Bars” is het positivisme wat er van afstraalt. Young lijkt bijna voortdurend met een grijns van oor tot oor rond te lopen. De plaat opent met het schitterende “Old Country Waltz”, alt. country avant-la-lettre met een prominente vocale gastrol voor de (toen nog) bloedmooie Linda Ronstadt. En ook “Saddle Up The Palomino” baadt vervolgens nog volop in dat karakteristieke countryrock-sfeertje. Alle ingrediënten voor het echte saloonwerk zijn dan ook volop voorhanden hier: mooie vrouwen, sloten drank en overspel, of wat dacht u? “Hey Babe” herinnert vervolgens iets te veel aan Crosby, Stills, Nash & Young-dagen om goed te zijn, maar da’s één van de weinige minpuntjes. Het aansluitende “Hold Back The Years” maakt dat onmiddellijk volop goed. Tristesse met een Mexicaans ondertoontje, de gedroomde speeltuin voor de met zuiderse roots gezegende Linda Ronstadt en ruim vijfentwintig jaar later nog steeds niks aan zeggingskracht ingeboet. Dan spreek je van een klassieker, lijkt ons… Bijzonder fors komt Young uit de hoek in “Bite The Bullet”. Vurig en soulvol tegelijk – met dank vooral aan gitarist van dienst Frank Sampedro. Dan is er de vreemde eend in de bijt hier, “Star Of Betlehem”, weliswaar een heel mooi nummer, maar er staat een beetje al te duidelijk Kerstmis op het label en dat stoort een beetje, daaraan kan zelfs een gastrol van de goddelijke Emmylou Harris niets verhelpen. En ook ditmaal propt Young nogal wat moois in de staart van het album. Eerst is er nog het rustige -met zijn ruim zeven minuten epische proporties aannemende- “Will To Love”, maar dan gaat het hek helemaal van de dam. “Like A Hurricane” behoeft al lang geen commentaar meer. Youngs tweede jeugd kon beginnen en het zaad voor zijn status als peetvader van het latere gitaarrockgebeuren was geplant. En het was alsof hij dat ook zelf leek te beseffen, want met het lekker wegrockende “Homegrown” breide hij er al maar meteen een verlengstuk aan.

Het doet echt plezier om “American Stars ’n Bars” nu weer in volle glorie te kunnen beleven. Dit is immers het soort van plaat waarmee Young in de seventies fans met bosjes aan zich wist te binden.

 

Tegen 1980, het jaar van de komst van “Hawks & Doves” was het al lang niet meer hip om hoog op te lopen met Ome Neil. Andere, spannendere dingen hadden ondertussen immers hun opwachting gemaakt. Heel even leek het er dan ook op, dat de punkgolf ook voor de carrière van Young de definitieve doodsteek zou gaan betekenen. Gelukkig liep het allemaal niet zo’n vaart… En nu, goed 23 jaar later en zonder de hete adem van de punkgoegemeente over de schouder mee te voelen, zullen velen die zich indertijd geroepen voelden om Youngs “Hawks & Doves” met de grond gelijk te maken wellicht een milder oordeel vellen over deze plaat. Toegegeven, het is niet één van ’s mans beste platen, dat zeker niet. Daarvoor is het allemaal wat te gewoontjes. Maar vooral de ingetogen spulletjes als “Little Wing” (Niet het Hendrix-nummer!), “The Old Homestead”, “Lost In Space” en “Captain Kennedy” klinken al bij al verre van kwaad. Zoals de hoofdmoot van dit album trouwens. Enkel het patriottische onding “Hawks & Doves” roept nog steeds de nodige vraagtekens op. Ook zoveel jaren later klinkt het nog altijd raar om de toch als een rebel bekend staande  Young de woorden “Proud to be livin’ in the USA” in de mond te horen nemen.

 

En dan is er tenslotte ook nog “Re.ac.tor”, in 1981 Youngs (voorlopig) laatste plaat voor Reprise, het label waarvoor hij sinds 1969 al zijn soloplaten had opgenomen. (Na een 7 jaar durende flirt met Geffen Records zou hij later evenwel op het vertrouwde nest terugkeren.)

“Re.ac.tor” leek voor Young nochtans weer betere tijden te zullen inluiden. De verzamelde rockpers had immers vrij lovend gereageerd op de plaat. Het werd Young in dank afgenomen, dat hij met een dergelijke eerlijke brok rock & roll weer aansluiting bij de bruisende actualiteit leek te zoeken. Allemaal volgens de no nonsense-aanpak: acht songs lang lekker uit de bocht gaan… Scheurende gitaren zat dus. Zoals al meteen in opener “Opera Star”, waarin Young stelt: “Some things never change. They stay the way they are.” Alsof hij terloops alvast even wil meegeven dat de rocker Young niet zo vlug uit te tellen is. En in “Surfer Joe And Moe The Sleaze” kan er zelfs nog een schepje bovenop: “Come on down for a pleasure cruise. (…) We’re all goin’. Come on down. Women Booze,” luidt het daar. De levenslust spat er gewoon vanaf. “T-Bone” is dan een ruim negen minuten aanslepende gitaarexercitie waarin de enige tekst “Got mashed potatoes. Ain’t got no T-bone.” Tot in den treure toe herhaald wordt. Met het afsluitende “Shots” laat Young hier al eens serieus in zijn kaarten kijken. Dit zijn voorbodes van de Young die we later nog veel zullen gaan horen… Tussen deze twee tracks bevinden zich vier songs die zich met het thema verkeer inlaten. “Get Back On It” is één van de obligatoire rustpuntjes hier, lekker losjes in de blues zittend on the highway. Het lekker voortjakkerende “Southern Pacific” is een droom van een train song met Young in de rol van het wat weird ogende achterneefje van Man In Black Johnny Cash. “Motor City” blijkt een voortdurend tussen sirtaki en Tex-Mex twijfelende rockhybride waarin de teloorgang van traditionele Amerikaanse automobielindustriebastions als Detroit wordt aangekaart. “Rapid Transit” tenslotte gaat over het openbaar vervoer in de States.

En over vervoer gesproken – Young had zijn ticket voor de TGV richting betere tijden op zak, zo leek het. De toekomst zou in eerste instantie echter een ander (minder rooskleurig) verhaal voor hem in petto hebben… Maar ook dat behoort ondertussen tot het verleden en Neil Young geniet nu van een status die het toelaat om volop in zijn verleden te gaan duiken naar vergeten parels.

http://www.neilyoung.com/ (Neil on line)

http://www.bosco.net/human-highway/ (een knappe fan-site)

 

 

PATRICK PARK

“Loneliness Knows My Name”

(Downward Road Recordings / Hollywood Records)

(4,5) J J J J J

 

 

In een tijdperk waarin figuren als een Ryan Adams, een Pete Yorn of een Tim Easton steeds meer in de kijker gaan lopen moet er voor de uit Colorado afkomstige, maar vanuit Los Angeles werkzame Patrick Park zeker ook plaats zijn. Met de fijne EP “Under The Unminding Skies” had de man al aangegeven een naam te zijn om in de gaten te houden. En met zijn eerste full cd “Loneliness Knows My Name” bevestigt hij al het goede wat er de jongste maanden over hem geschreven werd. Park is een uitstekende singer-songwriter, speelt een aardig potje akoestische gitaar en zijn voordracht is bijzonder soulvol (ergens halverwege tussen Ryan Adams en Ron Sexsmith, zeg maar). Onder de productionele leiding van Dave Trumfio (nog niet zo heel erg lang geleden ondermeer ook verantwoordelijk voor Wilco’s “Summerteeth”) levert Park hier elf eigen songs af. En die mogen zonder blikken of blozen naast het recente werk van Ryan Adams en Tim Easton postvatten. (Die laatste is hier trouwens ook zelf van de partij, evenals voormalig Son Volt-lid Eric Heywood en ex-Creeper Lagoon-drummer Dave Kostiner.) Luister maar eens naar het melancholische hoogstandje “Nothing’s Wrong” (waaraan de plaat haar titel ontleende), de van fraai harmonicawerk voorziene opener “Thunderbolt” en het tekstueel briljante “Your Smile’s A Drug” en voor je ’t goed en wel weet zal je bij je cd-boer staan. Alvast even een voorsmaakje:

“I should lay around and curse the day,

that I fell upon your sword.

‘Cause I’m a poor boy,

and your smile is a drug,

that I can’t afford, any more.”

Als ie dergelijke fraaie woorden uit de hoge hoed tevoorschijn kan blijven toveren, dan staat het voor ons alvast als een paal boven water: Patrick Park is een blijvertje!

www.patrickpark.net

 

 

CINDY BULLENS

“Neverland”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4,5) J J J J J

 

 

In 2001 verscheen op het Artemis label van Steve Earle en Ray Kennedy het Americana-pareltje “Neverland” van Cindy Bullens. Jammer genoeg bleef het album een beetje buiten het bereik van de radars van de gespecialiseerde pers en radiomakers en dus dreigde dit kleinood voor het nageslacht verloren te zullen gaan. Maar dat was buiten de als vanouds bij de pinken zijnde Duitse Blue Rose platenstal gerekend. Dankzij dit onvolprezen label kan nu ook de Europese rootsmuziekliefhebber zonder al te veel problemen beslag leggen op een exemplaar van “Neverland”. Op dat album klinkt Bullens een stuk forser en vooral ook zelfverzekerder dan op haar vrij onverwachte comebackplaat uit ’99, “Somewhere Between Heaven And Hell”. De vergelijking met hartrockers als Bruce Springsteen, Tom Petty en John Mellencamp dringt zich dan ook voortdurend op. En ook een flinke scheut Lucinda Williams ontbreekt in deze cocktail niet. In sneltreinvaart worden de hoogstandjes hier aaneengeregen. En nogal wat schoon volk werd bereid gevonden om Bullens een helpende hand te reiken. In het rootsy titelnummer “Neverland” bijvoorbeeld komt Steve Earle even voorbij om mee het mooie weer helpen te maken. Terwijl John Hiatt ‘m mee van jetje geeft op het rockende “Hammer & Nails”. En de dezer dagen zowat alomtegenwoordige Emmylou Harris harmonieert zoals gebruikelijk werkelijk adembenemend mooi op het ingetogen rootspareltje “Send Me An Angel”.

En al helemaal ondersteboven zijn wij van “The Right Kind Of Goodbye”, nog zo’n rustpuntje waarop Bullens laat horen ook een aardig mondje harmonica aan te kunnen, en van “Gravity & Grace”, waarin de mandoline van co-producer Ray Kennedy zich gezellig tegen het orgel van Benmont Tench aanvlijt.

“Neverland” van Cindy Bullens is dus met andere woorden een echte must – zowel voor de liefhebbers van een goede singer-songwriterplaat op zijn tijd, als voor die van het betere rootsrockwerk.

www.cindybullens.com

www.sonic.nl

 

 

THE MICKEYS

“Finding Your Way”

(RiverBeat Music)

(4) J J J J

 

 

Dit is nu eens wat je noemt een aangename verrassing! Identieke tweeling Amy en Julie Mickey slagen er op hun debuut “Finding Our Way” in om Americana, country, Ierse folk en bluegrass keurig in één en hetzelfde keurslijf te wringen. Zodoende ontstaat heerlijke akoestische muziek waar de bij momenten echt hartverwarmend mooie harmonieën van de twee meiden als een frisse zomerbries doorheen blazen. Want, laat dat meteen duidelijk wezen, de Mickeys zijn echte nachtegaaltjes! En bovendien schrijven ze songs die gehoord mogen worden ook. De hitgevoelige openingstrack “All I Ever Wanted Was You”, het met een zigeunerbiesje afgezoomde “Still Haunts Me” en het wat poppy aandoende “Smoke & Mirrors” zijn daar drie goede voorbeelden van. Héél mooi zijn verder ook het door Tony Colton gepende liefdesliedje “Dixie Wire” en het op een wolk van akoestische snarenpracht drijvende “Old Kentucky Wind”. Ons verbaast het dan ook hoegenaamd niet, dat The Mickeys ondertussen in de States zowel in country- als in Americanamiddens met open armen worden onthaald. Het doet allemaal een weinig denken aan het succesverhaal van de Corrs hier. Of aan dat van Alison Krauss (met wie de Mickeys trouwens wel hier en daar wat raakpunten vertonen) in de US. En dat succes zij ook hen van harte gegund!

www.themickeys.net

 

 

GREY DE LISLE

“Bootlegger Vol. 1”

(Hummin’ Bird Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Op basis van twee uitstekende in eigen beheer uitgebrachte platen (“The Small Time” en “Homewrecker” met name) heeft Grey De Lisle zich terecht in de gunst van heel wat alt. country-liefhebbers weten te manoeuvreren. Vooral in Nederland. (Daar neemt het buitengewoon grote proporties aan, aldus Grey zelf.) Met haar wat aparte stemgeluid –gelijke delen Maria McKee, Melanie en Janis Joplin en dan vooral goed schudden- trok ze nu zelfs ook de aandacht van het gereputeerde Sugar Hill-label, dat haar volgende album zal uitbrengen. In afwachting daarvan trakteert Grey ons zelf nog vlug op een live-tussendoortje – de ideale smaakmaker voor een hele trits optredens in Nederland in het najaar, zeg maar. “Bootlegger Vol. 1” is de registratie van een optreden op 2 mei van dit jaar in The Scene in Glendale, CA. In het gezelschap van haar Homewreckers (echtgenoot Murry Hammond van de Old 97’s op de bas, ex-Lone Justice Marvin Etzioni ondermeer op de telecaster en de piano, Willie Aaron op de gitaar en Perry Ostrin achter de drums) verdeelt ze tien nummers lang haar aandacht over eigen materiaal en covers. Het album opent met een gedreven versie van de Arthur Crudup-/Elvis Presley-hit “That’s Alright Mama” om zo via één van haar sterkste eigen songs, het vette countryrockertje “Homewrecker”, en het door Sam Lorber en Marvin Etzioni aangebrachte “Frozen In Time” bij de wat ons betreft kersen op de taart aan te belanden: mooie vertolkingen van respectievelijk de Carter Family-klassieker “My Dixie Darling”, de al van “Homewrecker” bekende Latin-uitspatting “Usted”, het in duet met wederhelft Murry gebrachte “Showgirl” en een mooie wat onderkoeld gezongen versie van het Beach Boys-nummer “Don’t Worry Baby”. Verder brengt ze ook nog het alt. folky aandoende “’Twas Her Hunger” van dat andere aanstormende talent Anny Celsi en de eigen songs “The Hole” en “Ferris Wheels And Freakshows”. En zelfs al klinkt het lang niet allemaal even vlekkeloos, toch doet “Bootlegger Vol. 1” nu al reikhalzend uitkijken naar de nakende doortocht van De Lisle door de Lage Landen.

www.greydelisle.com

www.sonic.nl

 

 

THE LONG WEEKEND

“Feel The Way”

(Laughing Outlaw Records / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Het begint zo stilaan iets van een kwaliteitslabel te hebben – de naam van het Australische platenhuis Laughing Outlaw Records op een cd aantreffen staat dezer dagen bijna steeds garant voor puik plaatwerk van Down Under. De voorbije maanden waren het bijvoorbeeld Karl Broadie, Michael Carpenter, The Hazlewoods en Adam Power die ons door dit OZ huis van vertrouwen werden geserveerd en ditmaal is het de beurt aan The Long Weekend. Dit tweetal bestaande uit singer-songwriters Jackie Moffatt en Andrew Tragardh doet op zijn cd-debuut exact datgene wat ze in de openingstrack ervan aankondigen: “Heading For The Sun” met name. Tussen dat sprankelende staaltje van zonnige gitaarpop en het al even fraaie sluitstuk “Everything’s Changed” zitten acht verdere deunen die in de verte regelmatig herinneringen oproepen aan de toegankelijkere momenten van de Go-Betweens van Grant McLennan en Robert Forster. Diezelfde beklijvende melodieën, diezelfde frisheid van ideeën ook…

Hier rinkelen de gitaartjes lekker weg en smaken ook de harmonieën telkens weer naar meer. Een nummer als “Love To You” zou dan ook zo op Studio Brussel kunnen! Perfecte zomerpop gewoon! Maar dan wel met voldoende rootsinvloeden om ook in deze contreien aan bod te mogen komen. The Long Weekend staat immers voor een vrijwel perfect samengaan van power pop, rock, folk en country. Met uitzondering van het een klein beetje logger werkende “Gunnamatta” is op “Feel The Way” niet één nummer aan te treffen, dat niet ogenblikkelijk op onze goedkeuring kon rekenen. Volgende zomer weer?

www.longweekend.com.au

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl

 

 

THE GOURDS

“Growin’ A Beard – The Soundtrack”

(Beef & Pie Productions)

(4) J J J J

 

 

“Growin’ A Beard” is een dertig minuten durende documentaire waarin Mike Woolf de mannelijke inwoners van Shamrock, TX volgt tijdens de jaarlijkse Beard Growing Contest in het stadje. Sedert 1938 is het er immers een traditie om tussen nieuwjaarsdag en St. Patrick’s Day in competitieverband een baard te laten groeien. Niet zomaar een baard trouwens – een Donegal. Wat deze baard onderscheidt van andere is dat enkel de kaken en de kin bedekt zijn en een snor volledig ontbreekt. Denk bijvoorbeeld aan de Amish of aan een Abraham Lincoln en je hebt het plaatje. Op St. Patrick’s Day, vlak voor de grote parade, wordt de wedstrijd op Route 66 afgesloten. Daar worden de deelnemers beoordeeld om uit te maken wie de beste Donegal van het jaar heeft.

Voor de soundtrack bij zijn documentaire wist Woolf The Gourds te strikken. En die tekenen voor een aantal onvervalste baardsongs. In het heerlijke stukje Ierse volksvermaak “Lion’s Mane” wordt ons onmiddellijk uitgelegd waar het allemaal om draait:

“Don – Don – Donegal beard.

Don – Don – Donegal beard.

There’s a beard like no other.

And here’s the reason so,

we dismiss the whiskers that grow beneath the nose.

The mustache is unwelcome, and what’s that all about.

Why who would sweep the kitchen to put the

broom under his snout.”

Echt iets voor Pogues-adepten! En van datzelfde nummer krijgen we trouwens ook nog een instrumentale versie. Net zoals er van “Chief Of The Fuzzers” en “Shamrock Bound” vervolgens een korte en een lange versie volgen - wat overigens in het geheel niet storend werkt. “Chief Of The Fuzzers” is standaard Gourds. Zeer goed dus! En “Shamrock Bound” combineert vervolgens het beste uit bluegrass en Ierse volksmuziek tot stralende Americana. Met de onsterfelijke zinsnede:

“I’m not stinking but I look like Lincoln.

I got me the Donegal beard.”

Via het instrumentale “Claude’s Lament” belanden we vervolgens bij het tweetal “Hangman Drums” en “Hangman” (waarin de drums een man naar de galg begeleiden) als muzikale setting voor de climax van de documentaire: het keuren van de baarden. De instrumentaaltjes “Max’s Hoe-Down” en “Max’s Plucky Hoe-Down” en een korte Gourds-benadering van het klassieke “Get Your Kicks On Route 66” completeren een al bij al zeer geslaagd album.

www.thegourds.com

www.growinabeard.com

 

 

THE SEATSNIFFERS

“Flavor Saver”

(Sonic Rendezvous)

(4,5) J J J J J

 

 

Als iedereen die ooit uit de bol ging bij het aanschouwen van een bruisende live performance van België’s roots rock band nummer één op zoek zou gaan naar een aandenken aan die memorabele gebeurtenis, dan zou de verkoop van “Flavor Saver” zonder enige twijfel moeten leiden tot eremetaal. Of het voor de Seatsniffers ook echt allemaal zo’n vaart zal lopen, dat valt nog maar te bezien, maar aan hun eerste live cd houden Walter Broes en de zijnen alvast wel een kanjer van een album over. Tegelijk fungerend als een leuk carrièreoverzicht en als het onomstotelijke bewijs voor de stelling dat je deze band gewoon eens live moet meegemaakt hebben. Zoals voor zovelen geldt immers ook voor de Seatsniffers, dat je de rauwe live energie van een gig in een studio nauwelijks kan evenaren. En hoe fantastisch en af hun vier reguliere studioplaten ook klonken, “Flavor Saver” laat pas écht horen hoe goed de Seatsniffers wel zijn. Hun spitante cocktail van rockabilly, r&b, country en punk gedijt het best on stage in gelegenheden waar bier en zweet in evenredig verdeelde hoeveelheden vloeien – waar de rauwe Tex-Mex van “Make My Dream Come True” en groepsklassiekers als het bluesy “UFO” of het gedreven roots rock pareltje “Assembly Line” (met lekker vet saxwerk van Roel Jacobs) kunnen uitgroeien tot het allerbeste wat België op roots rock vlak ooit te bieden had. De Seatsniffers hebben hiermee wat ons betreft hun plaatsje verdiend in het rijtje Paladins – Fabulous Thunderbirds – Blasters. Zo goed zijn ze, ja!

www.sonicrendezvous.com

 

 

BIG SANDY & HIS FLY-RITE BOYS

“It’s Time!”

(Yep Roc Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Toen wij ergens midden de jaren ’90 voor ‘t eerst het nummer “Jumpin’ From 6 To 6” op de radio hoorden waren wij meteen voorgoed verkocht. Big Sandy & His Fly-Rite Boys hebben sedertdien steeds op onze onvoorwaardelijke sympathie mogen rekenen. In de jaren die volgden hebben ze voor het Hightone label een serieuze reeks werkelijk uitstekende albums aaneengeregen. Daarop bleken rockabilly, klassieke old-time country en hillbilly boogie steeds weer hun geliefkoosde speelterreinen.

En dat is op “It’s Time!”, hun achtste cd, maar de eerste voor hun nieuwe werkgever Yep Roc Records, niet anders. Robert “Big Sandy” Williams en de zijnen swingen hier als vanouds de pannen van het dak. En zij doen dat met zoveel overtuiging, dat je je zo weer in de jaren ’50 waant. Nu hebben de heren wat dat betreft ook weinig aan het toeval overgelaten. Zowel met betrekking tot de keuze van het te bespelen instrumentarium als de plaats van opname was authenticiteit het voornaamste criterium. Zo belandde men uiteindelijk bij producer Joey Altruda in Joey’s Place, beter bekend onder zijn oude naam als (Hollywoods klassieke) Electro Vox Studio. Daar werden veertien nieuwe swingende moten aan hun ondertussen stilaan indrukwekkende repertoire toegevoegd. Stuk voor stuk originelen bovendien, waardoor het allemaal nog wat opvallender wordt. Slechts enkele van de vele hoogtepunten zijn de prachtige opener, het heerlijk wegrockende “Chalk It Up To The Blues” (met hemelse harmonieën van de familiegroep The Lonely Blue Boys), de Cajun stamper “Bayou Blue” (met een hoofdrol voor Chris Gaffney en zijn accordeon), het qua ritme sterk aan de jonge Johnny Cash herinnerende “I Hate Loving You” en de energieke hillbilly van “Love Debut”.

Veel beter worden ze vandaag de dag niet meer gemaakt!

www.bigsandy.net

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

Texas Outlaws”

(Compadre Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

We maakten er je hier enkele maanden geleden al eens attent op, dat de releases van het stevig aan de weg timmerende Texaanse Compadre Records voortaan ook voor Belgische en Nederlandse country- en rootsmuziekliefhebbers een stuk makkelijker verkrijgbaar zouden zijn dankzij Sonic Rendezvous, dat het label nu ook hier verdeelt. Mede daardoor zullen heel wat van de uitstekende Texaanse young guns binnenkort ook hier op een flinke schare fans kunnen rekenen, daar kan je van op aan. Bij Compadre verschijnen immers geregeld uitstekende thematische verzamelaars die een mooi overzicht bieden van wat er in Texas leeft voor het ogenblik. “Texas Outlaws” is de derde in het nog jonge rijtje, na het al eerder verschenen (en aanbevelenswaardige) tweetal “Texas Road Trip” en “Brewed In Texas”. Heel wat van de artiesten die in de lauwe jaren ’70 als outlaw deining in Countryland veroorzaakten delen hier een plaatsje in de spots met de youngsters die verantwoordelijk zijn voor de huidige hoge vlucht van de Texaanse muzieksien. Dat betekent dat we enerzijds flink wat bekende gezichten als Willie Nelson (met Lil’ Black doorheen “Back On The Road” rappend), Billy Joe Shaver, Chris Wall, Ray Wylie Hubbard en Townes Van Zandt tegen het lijf lopen (Spreekwoordelijk dan toch!), maar terloops ook kennismaken met een pak interessante nieuwkomers. Max Stalling is er daar één van. Hij levert met een mooie, licht onderkoeld gezongen versie van Marty Robbins’ “El Paso” één van de liefst negen exclusieve tracks die dit album rijk is. Niet eerder verkrijgbaar materiaal is er verder ook van Jack Ingram (“Only Daddy That’ll Walk The Line”), Roger Creager (een zeer geslaagde cover van Steve Earle’s “Guitar Town”), Kevin Fowler (“I’m The Only Hell (Momma Ever Raised)”), Cooder Graw (“Ain’t Livin’ Long Like This”), Owen Temple (“Lost Highway”), John Evans (raast door de Johnny Cash-hit “Folsom Prison Blues”), Billy Joe Shaver (met een live-uitvoering van “Georgia On A Fast Train”) en Mike McClure (“Outlaw’s Prayer”). Pat Green, Cory Morrow, Robert Earl Keen, Reckless Kelly en Dale Watson vervolledigen het plaatje met bekend materiaal.

Een veel betere ambassadeur kan het Texaanse muziekgebeuren zich nauwelijks wensen! Dat er nog héél véél mogen volgen…

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

JAY FARRAR “Terroir Blues”

(Act / Resist Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Wat moet je over deze man nog vertellen? Als lid van het legendarische Uncle Tupelo lag hij mee aan de basis van het hele huidige alt. country gebeuren. En met Son Volt schreef hij ook later nog een aantal kloeke hoofdstukken mee aan de geschiedenis van dat genre. Platen als “Trace”, “Straightaways” en “Wide Swing Tremolo” worden vrijwel algemeen aanvaard als essentieel luistervoer. En ook zijn meer recente eerste solo-uitspattingen “Sebastopol” en de EP “Thirdshiftgrottoslack” waren goed voor bewonderend gefluit alom.

En nu is er dus zijn tweede volwaardige cd – zijn eerste meteen ook op zijn eigen Act / Resist Records label – “Terroir Blues”. En dat is, om maar gelijk met de deur in huis te vallen, een formidabel album geworden. Bevrijd van het juk van de platenindustrie kan Farrar op “Terroir Blues” ongestoord zijn gangetje gaan en op die manier één van zijn allerbeste albums ooit afleveren. Niet zijn gemakkelijkste, dat zeker niet! Maar wél één van zijn meest intrigerende. “Terroir Blues” teert op een sterk akoestisch getint en over het algemeen vrij somber aandoend geluid en doet op die manier meer dan eens denken aan de rustigere momenten van zowel Uncle Tupelo als Son Volt. Gaat het dan om een retrotrip? Bepaald niet! Daarvoor is bijvoorbeeld de invloed van Farrars huidige thuishaven, de smeltkroes van culturen en stijlen St-Louis, te opvallend aanwezig. En bij momenten worden ook duidelijk aan zijn recenter solowerk refererende elementen in de mix aangetroffen. Over het algemeen kan je stellen, dat Farrar heel erg relaxt klinkt, heel erg in zijn sas ook. En bij songs als “Hanging On To You”, “California”, “Heart On The Ground” of “Out On The Road” is de gedachte aan een hergroeperend Son Volt plots even heel ver weg. Als Farrar bij tijd en wijle vergelijkbare briljantjes wil blijven afleveren, hoeft de groep wat ons betreft niet zo nodig meer terug samen. Respect! (Zegt de rappende medemens ergens diep in ons binnenste dan…)

www.jayfarrar.net

www.sonic.nl

 

 

CHRIS SMITHER “Train Home”

(HighTone / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Met “Train Home” is Chris Smither al aan zijn elfde cd toe. Maar ondanks het constant hoge niveau van de tien voorgangers geniet de man in de Lage Landen eigenlijk maar in beperkte kring enige naambekendheid. En dat vinden wij dood- en doodjammer. Met zijn donkerbruine stem ergens in de buurt van die van pakweg een J.J. Cale of een Greg Brown produceert Smither immers al jarenlang Americana van het allerfraaiste type. Nu eens ligt de klemtoon daarbij op akoestische bluesminiatuurtjes, dan weer haalt ’s mans folkkant de bovenhand of mag de singer-songwriter in hem van de leiband. Het resultaat is in het geval van “Train Home” een droom van een album – de ideale soundtrack eigenlijk bij de zwoele zomeravonden van de voorbije weken. In een productie van David Goodrich klinkt Smither ondanks (Of juist dankzij?) een veelal schaarse begeleiding zelfzekerder dan ooit. Zeven van de elf hier aanwezige tracks schreef hij zelf. Voor “Crocodile Man” speelde hij leentjebuur bij wijlen Dave Carter. En “Candy Man” ken je wellicht ook in de uitvoering van Mississippi John Hurt. In dat nummer valt overigens eens te meer op, wat voor een briljante fingerpicker Smither wel is. “Kind Woman” dan werd ooit nog voor Buffalo Springfield gepend door Richie Furay. Maar dé meest in het oog springende cover hier is toch wel een werkelijk adembenemend mooie uitvoering van Bob Dylans “Desolation Row”, waarin de troubadour mag rekenen op bijstand van de grote Bonnie Raitt.

Werkelijk tijdloos van karakter is deze fraaie akoestische rootsmuziek. Echt het soort van album waar je binnen twintig jaar, om maar iets te zeggen, nog net even veel plezier aan zal beleven als dat nu het geval is. Ver weg van alle trends, maar van een zodanig bedwelmende schoonheid, dat je voorwaar zelfs het woord kunst ervoor in de mond zou gaan nemen.

www.chrissmither.com

www.sonic.nl

 

 

CORY MORROW “Full Exposure”

(Write On Records / Universal Music Distribution)

(4) J J J J

 

 

Het live-album “Full Exposure” betekent allicht water op de molens van zowel de voor- als de tegenstanders van Cory Morrow. Net als z’n maatje Pat Green is Morrow de jongste jaren uitgegroeid tot één van de grote publiekslievelingen van het Texaanse studentencircuit. En net als Green heeft hij daardoor flink wat aan geloofwaardigheid moeten inboeten bij de zogeheten serieuzere muziekliefhebbers. Deze laatsten zullen met “Full Exposure” als bewijsmateriaal hun gelijk proberen te halen. Ze zullen je breed gebarend attent maken op de uitgelaten concertsfeer die het album kenmerkt en er hun neuzen voor ophalen: “Is dit hoe een singer-songwriter dient te worden genoten?”

Anderzijds zullen zijn aanhangers er je met even veel enthousiasme op wijzen dat een concert van Morrow een echte belevenis is. Dat het écht leeft! En daar valt heel weinig tegen in te brengen… Dit is daadwerkelijk een bruisend gebeuren, waarbij Morrow een uitzinnige meute (jonge) Texanen uit zijn hand laat eten. Klassieke Morrow-songs als “Texas Time Travelin’”, “Love Me Like You Used To Do” en “Drinkin’ Alone” worden daarbij zwierig afgewisseld met covers van ondermeer “Live Forever” van Billy Joe Shaver en “Are You Sure Hank Done It This Way?” van Waylon Jennings (en met zijn buddy Pat Green voor de gelegenheid mee op het podium).

Naast die stomende verzameling live-opnames biedt het album ook nog drie prima nieuwe studiosongs. “Nothing Better”, “GTMO Blues” (een nummer dat Morrow samen met Glenn Shankle schreef nadat hij in september 2002 optrad voor de in Guantamo Bay (Cuba) gestationeerde Amerikaanse troepen) en “21 Days” werden met producer Ray Kennedy (bekend om zijn werk met ondermeer Steve Earle en Lucinda Williams) in Nashville ingeblikt. En alsof dat nog niet volstaan zou hebben, bevat het geheel ook nog een bonus DVD waarop naast de integrale registratie van het concert in het Waterloo Park te Austin in juli 2002 ook heel wat shots van het gebeuren achter de schermen, interviews, e.d. werden opgenomen. Héél veel waar voor weinig geld dus!

www.corymorrow.com

 

 

 

Opgelet!!!!! Voortaan recycleren we onze eerdere besprekingen in een archief!!!!!

Klik hier voor de recensies van de maand juli.