ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Tift Merritt “Tambourine”Drive-By Truckers “The Dirty South”Jeffrey Foucault “Stripping Cane”Austin Cunningham “Music In The Money Bizz”Gina Villalobos “Rock ‘n’ Roll Pony” - David Munyon “Seven Leaves In A Blue Bowl Of Water” en “More Songs For Planet Earth”Jon Dee Graham “The Great Battle” - Kate Campbell “Songs From The Levee”Otis Taylor “Double V”Dave Fox & Will Branch “Bootlegger’s Blues” en Will Branch “Press On” - Jason Harwell “Alive In The Fall”Dulcie Taylor “Mirrors And Windows”Tom Moran “Starting Over” - Loomer “Love Is A Dull Instrument”Various Artists “Another Country 2”Maurice Mattei “Ring Of Smoke” - Brandon Jenkins “Down In Flames”Nothin’ Fancy “Reflections”Ben Arnold “Calico” - Dave McCann & The Ten Toed Frogs “Country Medicine”Bob Frank “Pledge Of Allegiance”Andy Pratt “The Age Of Goodbye” - Matt Bauer “Nandina”Jason Wilber “King For A Day”Uncle Dave Macon “Classic Sides 1924 – 1938” - Old 97’s “Drag It Up”Catherine Feeny “Catherine Feeny”Ian Tamblyn “Angel’s Share” - Nels Andrews “Sunday Shoes”Pale Horse And Rider “Moody Pike”Cisco “7740 Valmont St.” - Carl Carlton And The Songdogs “Cahoots & Roots”Darin Aldridge “Call It A Day”Justin Rutledge “No Never Alone”Ove Støylen “Dusty Boots” - Jeff Talmadge “Blissville”The Strikes “Bathroom Acoustics”Concrete Blonde “Mojave”Broken Family Band “Jesus Songs”Dwight Yoakam “Dwight’s Used Records” - Ian Moore “Luminaria”Jim White “Drill A Hole In That Substrate And Tell Me What You See”The Good Sons “Cosmic Fireworks: The Best Of The Good Sons 1994 – 2001”Mic Harrison “Pallbearer’s Shoes” - The Notorious Cherry Bombs “The Notorious Cherry Bombs”The Sadies “Favourite Colours”Malibu Storm “Malibu Storm”The Innocence Mission “One For Sorrow, Two For Joy” - Steve Earle “The Revolution Starts… Now”Kieran Kane & Kevin Welch With Fats Kaplin “You Can’t Save Everybody”Various Artists “Another Country” - Charlie Waller And The Country Gentlemen “Songs Of The American Spirit”The Delmore Brothers “Classic Cuts 1933 – 41” - Arthur Dodge & The Horsefeathers “Room #4”Billy Joe Shaver “Billy And The Kid” - Nashville Bluegrass Band “Twenty Year Blues”Say Zuzu “Live In Germany”The Carter Family “The Carter Family Volume 2, 1935 – 1941”Various Artists “Por Vida: A Tribute To The Songs Of Alejandro Escovedo”I See Hawks In L.A. “Grapevine” - Various Artists “Touch My Heart: A Tribute To Johnny Paycheck”Griffin House “Lost + Found”Beaver Nelson “Motion”The Redlands Palomino Co. “By The Time You Hear This… We’ll Be Gone” - Driveway “Driveway”Tom Freund “Copper Moon” - Hètten Dès “Powercuntry”The Steve Tenpenny Band “Westbound Sun”John Train “The Sugar Ditch”Steve Earle “Transcendental Blues Live” (DVD) en “Just An American Boy” (DVD)High Strange Drifters “Ancient Tones & Death Knells”Steve Bice “Sixty Minutes Of Sin”

 

TIFT MERRITT

“Tambourine”

(Lost Highway)

(4.5) J J J J J

 

In de afdeling platen die ons dit jaar compleet van de sokken bliezen zal dit schijfje straks een vrij prominente plaats gaan bekleden, daar kan je nu al van op aan. Bijzonder hooggespannen waren de verwachtingen hier met betrekking tot deze tweede van de bekoorlijke Tift Merritt. En “Tambourine”, de opvolger van haar ook al voortreffelijke debuut “Bramble Rose”, lost die volledig in. Ook al is het dan een compleet ander album geworden dan die voorganger. Aan het handje van producer van dienst George Drakoulias bewandelt Merritt ditmaal immers paden waarop je denkt elk ogenblik een Shelby Lynne, een Maria McKee of een Dusty Springfield tegen het lijf te kunnen lopen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het stevig naar sixties-soul geurende “Good Hearted Man” of het een perfecte brug tussen datzelfde genre en rootspop slaande tweetal “Ain’t Looking Closely” en “Still Pretending” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. En ook elders zingt Merritt op de van haar bekende passionele manier gewoon de sterren van de hemel. Opener “Stray Paper” lijkt ze in de hoogdagen van die groep met de Traveling Wilburys te hebben ingeblikt, “Late Night Pilgrim” en “Wait It Out” rocken - daarbij aangezwengeld door respectievelijk twangy gitaar- en groovy orgelbijdragen - een aardig eindje weg, “Write My Ticket” is hartstochtelijke (alt.) country soul, “Your Love Made A U-Turn” dan weer funky rootspop en “Plainest Thing” en “Laid A Highway” zijn introverte liedjes van het type dat haar al eerder vergelijkingen met diva’s als Emmylou Harris en Lucinda Williams opleverde. Neen, als er al één ding is wat deze plaat duidelijk maakt, dan is het wel dat Merritt, als ze dit niveau kan blijven aanhouden, weldra ook zelf tot dat selecte kransje van hele groten in het genre zal worden gerekend. En meer dan terecht ook!

www.tiftmerritt.com

www.losthighwayrecords.com

 

 

DRIVE-BY TRUCKERS

“The Dirty South”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Na Patterson Hoods solo-album “Killers And Stars” enkele maanden geleden is het nu weer gewoon tijd voor onze jaarlijkse dosis Drive-By Truckers. Hun zesde ook alweer in evenveel jaar tijd. Naar goede gewoonte voorzien van fraai, dezelfde wat beklemmende sfeer als de plaat zelf uitademend artwork van de hand van Wes Freed. En al bijna even vanzelfsprekend in grote lijnen ook weer uiteenvallend in twee soorten nummers. Enerzijds zijn dat weer een hele reeks lekker greasy, zich op het hete lava van geweldige gitaarerupties voortslepende deunen als “Where The Devil Don’t Stay”, “The Day John Henry Died” en “The Buford Stick”, anderzijds gitzwarte, wat meer ingetogen momenten à la het op een bezwerend orgeltje dreigende “The Boys From Alabama” en “Cottonseed”. Het twangy “Carl Perkins’ Cadillac” is dé grote uitzondering. Dat is zo toegankelijk dat er zelfs een potentiële radiohit in lijkt te schuilen.

“The Dirty South” werd in een productie van David Barbe gedeeltelijk opgenomen in de legendarische Fame Recording Studio in Truckers’ thuishaven Muscle Shoals, Alabama. Dé Fame-studio’s, ja. Die waar soullegendes als Aretha Franklin, Wilson Pickett en Percy Sledge zich voor eeuwig jouw en onze herinneringen binnen zongen. Het album markeert ook de definitieve toetreding van bassiste Shonna Tucker tot de groep. En dat is een echte aanwinst!

Voor zover je het nog niet begrepen had uit het voorgaande: vette plaat!

www.drivebytruckers.com

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

JEFFREY FOUCAULT

“Stripping Cane”

(Signature Sounds)

(4) J J J J

 

Na zijn artistiek gezien fel bejubelde debuut uit 2001, “Miles From The Lightning”, en het samenwerkingsverband “Redbird” met Peter Mulvey en Kris Delmhorst pakt Jeffrey Foucault eindelijk uit met een uitermate goed te verteren opvolger voor die eersteling, “Stripping Cane”.

De spaarzame instrumentatie, zoals we die al kenden van zijn visitekaartje, wordt op deze CD gecontinueerd en zelfs nog verder geperfectioneerd. Enkel de titelsong kent een magere drum, maar de rest van de 12 nummers manifesteren zich louter door heldere snaartonen stammend van diverse gitaren, lap steel, slide, banjo en mandoline. Waarbij dient te worden aangestipt dat de multifunctionele hand van David “Goody” Goodrich een meer dan kundige taak heeft vervuld op productieniveau en als medemuzikant. Vocaal staat uiteraard Foucaults heldere stem centraal. Mulvey & Delmhorst staan her en der in voor gastvocalen. Mede vanwege deze oprechte spaarzaamheid voltrekt zich hier een zeer puur proces dat tot het einde van het album melodieus en intens blijft, met overwegend folky en bluesy getinte nummers. De verveling gaat daardoor allerminst toeslaan. De spanning komt hier immers vooral voort uit de knap geschreven songs en het gedreven samenspel van de musici. Met uitzondering van de John Fogerty-klassieker “Lodi” gaat het daarbij uitsluitend om songs van eigen hand.

Aangezien Foucault onlangs werd ingelijfd door het Signature Sounds-label verbaast het zeer verzorgde concept mij overigens in het geheel niet. Men heeft bijzonder goed nagedacht alvorens dit “product” te lanceren. Je vindt de toonzetting bijvoorbeeld eveneens terug in de lay-out van zowel de CD-hoes als die van de internetsite van Jeffrey Foucault, die in de vorm van enkele soundfiles overigens nog een aantal leuke verrassingen voor je in petto heeft, waaronder een versie van Townes Van Zandts “Rex’s Blues”. Kortom een smaakvol en tijdloos product, verkregen door noeste arbeid en doorzettingsvermogen, iets waarmee je beslist voor de dag kan komen. (Liske)

www.jeffreyfoucault.com

www.signaturesounds.com

 

 

AUSTIN CUNNINGHAM

“Music In The Money Biz”

(Senior Partner Records)

(3.5) J J J J

 

Wie net als ons de Texaanse muziekscene een warm hart toedraagt kan eigenlijk nauwelijks om de figuur Austin Cunningham heen. En al helemaal niet meer om zijn derde CD “Music In The Money Biz”. Cunningham leidt eigenlijk een enigszins schizofreen bestaan. Zijn liedjes halen met enige regelmaat de mainstream countryhitlijsten. The Judds, Dolly Parton, SheDaisy, Tracy Byrd, Wynonna, Martina McBride, Coley McCabe, Jennifer Paige, Jason Sellers, Kathy Matta, Reba McEntire, Tanya Tucker,… Zijn klantenlijst is schier eindeloos en leest zo’n beetje als een “Who’s who in modern country?” Maar anderzijds is er ook de voor ons veel interessantere Texaan in de man. En die lijkt artistiek gezien veel meer gemeen te hebben met geestesverwanten als pakweg een Guy Clark, een Jerry Jeff Walker, een Willie Nelson, een Tom T. Hall of een Robert Earl Keen. Texaanse rootsmuziek in al haar glorie zeg maar.

“Music In The Money Biz” eet dan ook een aardig mondje mee van de vele aldaar beschikbare walletjes. En dat levert een plaatje van een plaat op. Via de smeuïge blues van opener “Doin’ Pretty Good” gaat het aan een behoorlijke vaart over de typisch Texaanse rootsrock van “Texas Trip” voorbij een stel soulvolle akoestische countryliedjes (à la Jim Lauderdale en Nick Lowe) als “Always In My Heart”, “In Style Again” en “Drink Milwaukee Dry”. En terloops blijft er ook nog voldoende ruimte voor een moot twangy hard country (“Music In The Money Biz” – zijn insiderskijk op het huidige muziekgebeuren), een feestelijke meezinger (het superaanstekelijke, het verhaal van zijn vader, een Texaanse immigrant, vertellende “Yankee Farm In Texas”), een snuif Tex-Mex (“The Whole Enchilada”) en een akoestisch bluesje (de rootsy afsluiter “Lost And Weary Traveler”).

Trying to make a little music in the money biz? Met brio geslaagd in je opzet, compadre!

www.austincunningham.com

 

 

GINA VILLALOBOS

“Rock ‘n’ Roll Pony”

(Kick Music Recordings)

(3.5) J J J J

 

Als we op het op haar tweede CD “Rock ‘n’ Roll Pony” gebodene mogen afgaan is Gina Villalobos voorbestemd voor grot(er)e dingen. Daarop profileert ze zich immers zo’n beetje als een soort van vrouwelijk antwoord op Ryan Adams. In haar platenkast staan evenwel naast albums van Whiskeytown en de man zelf vrijwel met zekerheid ook wat spullen van de Stones en Lucinda. Zou ons alvast in het geheel niet verwonderen.

Eén beluistering van dit zelf geproduceerde en ook grotendeels zelf bij elkaar gepende geheel volstonden alvast om ons als fan aan haar te binden. Heel wat van de liedjes hier vallen dan ook onder de noemer (erg) radiovriendelijke alt. country. Dat geldt zeer zeker voor de door de gitaren van Villalobos zelf en Kevin Haaland en de pedal steel van Sean Caffey sonisch prachtig ingekleurde melancholische opener “California”. Maar ook het met (opvallend onopvallende) banjobijdragen van collega rijzende ster Anne McCue opgeluisterde tweetal (met hoge meezingbaarheidsfactor) “What I’d Give” en “I’m Alright”, een knappe Americana-versie van World Party’s “Put The Message In The Box”, het weemoedige “So Much For Dying” en het bedaard rockende “Can’t Come Down” – met van die heerlijk rinkelende gitaartjes erin – schreeuwen als het ware om wat erkenning.

Een stuk pittiger kan het echter allemaal ook. Dat bewijst Villalobos als ze lekker hees uithaalt in flink rockende tracks als “Why” en “Fooling Around”. “En hoe zit dat dan met die verwijzing naar Lucinda Williams?”, horen we je hardop denken. Daarvoor moet je in het met gevoelige Wurlitzer-accentjes van Ben Pringle versierde “We Got It Slow” of in het volledig akoestische – enkel stem plus gitaar – “Trying To Find You” zijn. Die liedjes completeren het hoogst fascinerende beeld dat Villalobos van zichzelf ophangt op deze opvolger van haar in 2002 verschenen debuut “Beg For Me”. In onze ogen een plaat die het ten volle verdient om ook in de Lage Landen snel een geïnteresseerde verdeler te vinden.

www.ginavillalobos.com

CD Baby

Miles Of Music

 

 

DAVID MUNYON

“Seven Leaves In A Blue Bowl Of Water”

“More Songs For Planet Earth”

(Stockfisch / In-Akustik)

(2 X 4) J J J J

 

Townes is al een poosje niet meer. Maar mocht je desondanks – iets wat we ons overigens maar al te goed kunnen voorstellen – nog op zoek zijn naar iemand die de door hem nagelaten leemte op een valabele manier kan invullen, dan is het misschien niet zo’n kwaad idee om David Munyon in de armen te sluiten, een man die net als Van Zandt indertijd al sinds jaren in relatieve anonimiteit de fraaiste dingen uit de mouw blijft schudden. Met vaste hand kerft hij de allermooiste liedjes uit de bomen van zijn eigen bestaan. En met zijn fluwelen stem beschikt hij bovendien over het ideale instrument om zijn luisteraars deelachtig te maken aan die uit het leven gegrepen verhaaltjes. Delicate kleinoden zijn het, net niet op fluistertoon gezongen, waarin de meest uiteenlopende onderwerpen aan bod komen. Zijn hang naar algehele wereldvrede (“Bahnhof Tanz”), zijn grootvader, een priester (“Amer Stocking”), daklozen en hoe ze dat zijn geworden (“Men With No Friends”), het alles opofferen voor het najagen van verre regenbogen (“Words Of Love”), heimwee en liefde (“Unknown Blues”), het Oude Westen en Wyatt Earp (“The O.K. Corral”), een vleesdiefstal (het grappige “Pork Chop Song”), heimwee naar Ierland (“I Wish I Was In Ireland”), het zoontje van een bevriend echtpaar (“Bastian” – “…the child from teenage dreams”), een eerbetoon aan blanke soulman Eddie Hinton zaliger (“Strawberries An’ Wild Honey”), een bankrover (“With Any Luck At All”), de Civil War (“Blue And Gray”), Vietnam-oorlogsveteranen (“Lookin’ At The Rain”), falen en opnieuw beginnen (“The Changes Always Win”), zijn liefde voor de New York Yankees en baseball in het algemeen (“Praying For The Yankees”), zijn schoonvader Comer Sheffield, die in 1998 ten prooi viel aan kanker (“I Couldn’t Stay”), het zijn slechts enkele willekeurig gekozen voorbeelden van door Munyon hier bezongen topics.

Het gaat hier overigens om reeds in 1996 en ‘97 tijdens de naar de thuisbasis van zijn platenlabel vernoemde  Northeimsessies ingeblikt materiaal dat op verzoek van Munyon zelf pas nu eindelijk aan een release toekomt. Zijn begeleiders tijdens die opnamen waren Mike Silver (achtergrondvocalen), Beo Brockhausen (accordeon, sitar, tinwhistle, mandola, sopraansaxofoon, percussie, enzovoort), Martin Huch (pedal steel), Hans-Jörg Maucksch (bas), Steve Baker (blues harmonica), Chris Jones (gitaren en dobro) en Thomas Klippel (Hammond B3). Voor de productie tekende Günter Pauler.

Tijdloos mooie muziek gewoon, van een man die zich net als Townes Van Zandt indertijd al lang een veel prominenter plaatsje onder de zon verdiend heeft.

www.stockfisch-records.de

 

(p.s.: Als bonus treffen we op de binnenzijde van het artwork bovendien ook nog enkele van Munyons eigen pop art olieverfschilderijen aan.)

 

 

JON DEE GRAHAM

“The Great Battle

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 “The Great Battle” is nummer vier van de grofgevooisde Texaanse zanger-liedjesschrijver Jon Dee Graham. En daarop etaleert de man een werkelijk meer dan uitstekende vorm. Zelf hanteert hij naar goede gewoonte de akoestische en elektrische gitaren. Daarbij bijgestaan door Michael Hardwick (Gene Clark, Jerry Jeff Walker, Michael Fracasso) die daar van zijn kant bovendien ook nog eens wat resonator- en pedal-steelwerk aan toevoegt. En Andrew DuPlantis (Bob Mould, Meat Puppets, Alejandro Escovedo / bas en zang), Jason White (drums en percussie) en Charlie Sexton (Lucinda Williams, Alejandro Escovedo, James McMurtry / al de rest) completeren instrumentaal gezien het plaatje. Die laatste verleende het album als producer trouwens ook z’n lekker ongepolijst overkomend kantje. Patty Griffin (“The Great Battle” en “Something To Look Forward To”) en Resentments-collega Bruce Hughes (“Majesty Of Love” en “The Change”) tenslotte steken hier en daar vocaal een handje toe.

“The Great Battle” klinkt door hun gemeenschappelijke inspanningen in z’n totaliteit als de plaat die Tom Waits ongetwijfeld ook in zich heeft als hij vroeg of laat zou besluiten om ook de Americana-/rootsrocktoer op te gaan. Tekstueel gezien verkent Graham er vooral de schaduwzijde van de almaar complexer wordende intermenselijke relaties op. En dat doet hij op zo’n passionele manier dat het moeilijk wordt om hier niet meteen onvoorwaardelijk van te gaan houden. Rauw, hees, teder… Zelden kwamen de bekende woorden van Thé Lau ergens beter tot hun recht dan in deze context. Dit mag je dan ook gerust rootsrock van een heel goed jaar noemen.

www.jondeegraham.com

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

KATE CAMPBELL

“Songs From The Levee”

(Compadre / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Met het fabelachtig mooie “Songs From The Levee” stak Kate Campbell in april ’94 voor het eerst de neus aan het venster. En dat album boordevol soulvol zuidelijk country(folk) singer-songwritermateriaal leverde haar op basis van haar speciale stem vrijwel meteen vergelijkingen met de grote Emmylou Harris op. Wat echter veel belangrijker was, was het feit dat deze plaat, ingespeeld met topmuzikanten als een Joey Miskulin (accordeon), een Dan Dugmore (akoestische slidegitaar en dobro), een Al Perkins (dobro), een Johnny Pierce (o.m. gitaren, bas en mandoline), een Dennis Burnside (piano), een Kris Wilkinson (viool) en een Howard Laravea (keyboards, accordeon en Hammond B-3), haar meteen op de kaart plaatste als een uitzonderlijk begaafde zingende liedjesschrijfster.

Met plezier stellen we dan ook vast dat het Texaanse label Compadre Records het al een poosje niet meer in de handel verkrijgbare “Songs From The Levee” zopas opnieuw commercieel beschikbaar maakte. Met als leuke bonus bovendien vijf extra tracks. Het betreft een alternate take van “Like A Buffalo” en akoestische mixen van “Lanterns On The Levee”, “A Cotton Field Away”, “Trains Don’t Run From Nashville” en het bekroonde “Bury Me In The Bluegrass”.

“A thing of beauty is a joy forever” wil een bekend Engels gezegde en ruim tien jaar na zijn oorspronkelijke release onderschrijft deze eersteling van de ondertussen tot een gevestigde waarde in het Americanagenre uitgegroeide Campbell de kern van waarheid die in deze woorden schuilt.

www.katecampbell.com

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

OTIS TAYLOR

“Double V”

(Telarc)

(4) J J J J

 

Bij het openen van Otis’ homepage zuigen ogenschijnlijk ongecoördineerde klanken je meteen onweerstaanbaar naar binnen. Het gaat om het nummer “Please Come Home Before The Rain”, waarin een zeemansvrouw het gemis van haar man uit. “Double V” opent met deze song om vervolgens 12 miniatuurtjes ten gehore te brengen, waarin serieuze thema’s op een wat wrange, soms zwarte, maar ook humoristische wijze de revue passeren. Ik vraag me hierbij wel af of de artiest ook zelf mee lacht. Wat te denken bijvoorbeeld van het bejaarde echtpaar in ”Plastic Spoon” dat zich slechts medicijnen kan veroorloven, als het zijn maaltijden terugschroeft tot hondenvoer, of “Mama’s Selling Heroin”, gebaseerd op het levensverhaal van Otis’ moeder die naar verluidt in de vijftiger jaren effectief veroordeeld werd en gezeten heeft voor bovengenoemde activiteit.

Het valt eigenlijk best wel moeilijk om deze muziek precies te plaatsen binnen het bluesgenre. Ze biedt eigenlijk veel meer dan dat. Afrikaanse folkinvloeden zijn bijvoorbeeld duidelijk aanwezig. En daarnaast is er natuurlijk ook nog die o zo karakteristieke rauwheid, die deze muziek iets eigens, iets puurs, iets bijna onaards meegeeft. Daarbij domineert het samenspel tussen gitaar en bas, terwijl ook mandoline, banjo en cello elk op hun beurt de aandacht vragen.

Van Frank Zappa zei men ooit dat hij “het venijn terugbracht in de muziek”, van Otis kun je zondermeer stellen dat hij de blues een vernieuwende en ongepolijste dimensie verleent. Dit album, zijn zesde inmiddels, is - ondanks z’n donkere, stampende en hypnotiserende ritmes en z’n directe aanpak - zeer veelzijdig en groeit verder. Deze muziek verdient dan ook beslist niet de typering achtergrondmuziek. Wees vooral niet te bescheiden bij het hanteren van de volumeknop van je installatie.

Taylor valt al bij al moeilijk te beoordelen per album. Er is eerder sprake van een duidelijk concept en een zekere continuïteit doorheen heel zijn werk. Zijn dochter Carrie (bas) mag deze CD vocaal afsluiten met een wat jazzy getint nummer. De overige songs kleurt Otis zelf met zijn intense, warm fluisterende gromstem.

Op het internet is zijn biografie beschikbaar. Na het lezen daarvan blijf je je afvragen waarom het zo lang geduurd heeft alvorens deze duivelskunstenaar zijn retour naar het podium gemaakt heeft.

http://otistaylor.com

Telarc

 

 

DAVE FOX & WILL BRANCH

“Bootlegger’s Blues”

(Doodleywag)

(3.5) J J J J

WILL BRANCH

“Press On”

(On The Midway Music)

(3.5) J J J J

 

Het mooist is rootsmuziek in wezen als er een zekere mate van vrijblijvendheid van afstraalt. En precies daarin blijken de twee ons onlangs door Will Branch (zang, gitaar) aangereikte platen uit te blinken. Op het met Dave Fox (gitaar, fiddle, washboard) ingespeelde “Bootlegger’s Blues” steekt de man zijn liefde voor de muziek van Mississippi John Hurt en andere fingerpickers nergens onder stoelen of banken. Bluesy spul, traditionele fiddle-deunen en liedjes gekruid met een flinke snuif New Orleans als “Grand Texas”, “Little Liza Jane”, “Cowboy Waltz” en “Jolie Blonde” vormen daarop een echte lust voor het oor. Het voor eigen rekening opgenomen “Press On” focust daarentegen iets meer op de liedjesschrijver Branch. Ongeveer de helft van het daarop aangeboden materiaal blijkt immers van eigen hand. Het resterende gedeelte bestaat uit traditionals als “Baltimore Fire”, “The Train That Carried My Girl From Town”, “Angeline”, “Milwaukee Blues”, “Press On”, “Don’t Leave Me Here” en “Western Country”. Met zijn warme stem en zijn speelse gitaarwerk en in het gezelschap van een stel prima muzikanten als Ken Haferman (banjo), Dave Fox (fiddle, washboard), John Nicholson (Frogwater / slidegitaar), Susan Jeske-Dermody (eveneens Frogwater / fiddle) en Lil’ Rev (mandoline) zet Branch die liedjes probleemloos naar zijn hand. Gecombineerd met het kwalitatief hoogstaande eigen materiaal resulteert dat in een erg aantrekkelijke, volop naar meer smakende melange van old-timey blues en roots.

www.willbranch.com

CD Baby Dave Fox & Will Branch

CD Baby Will Branch

 

 

JASON HARWELL

“Alive In The Fall”

(Rebuilt Records)

(3.5) J J J J

 

Zachtjes jammerende gitaren en de donzig warme stem van de amper vijfentwintigjarige protagonist van dit stukje grijpen je al meteen van bij de eerste noten van “California”, het openingsnummer van Jason Harwells derde CD – na het al in 2001 in eigen beheer uitgebrachte EP’tje “Photo / Album” en het een jaar later verschenen “Building A Better Me” -, liefdevol stevig bij je nekvel om je pas goed drie kwartier later en twaalf tracks verder voldaan weer te laten gaan. “Alive In The Fall” is er dan ook een schoolvoorbeeld van hoe een fijn Americana-album kan klinken als je toch maar vooral goed genoeg je best doet. Elementen uit dat genre, folk, pop, rock en alt. country versmelten hier in alle eenvoud tot één onweerstaanbaar muzikaal geheel. “How Can You Hear?”, het nerveuze “All The Right Places” en “Color Outside The Lines” zijn zo catchy zomerse rockliedjes, het als een soort ode aan altijd op de één of andere manier wel te rechtvaardigen hoop opgevatte “Somewhere The Sun” is sprankelende folkpop en in het (letterlijk) flierefluitend voorbijschuifeledne rootsdeuntje “Declaration Song” schuilt zelfs een heuse hit als je het ons vraagt. Heeft een prachtige tekst ook, dat nummer. Er zijn zo van die momenten dat je moet durven in het leven houdt Harwell er ons allemaal in voor, want

“… to fear it all is the worst regret

the gift of life is a promised death

but it’s a life that’s not over yet

this life is not over yet.”

Zonder de rotsvaste wil om te ondernemen laat je je bestaan gewoon zinloos aan je voorbij glijden, vindt de vroegrijpe younster. En dit album, het reisverhaal van een jongeling op zoek naar zijn geloof, zijn leven, kortom gewoon zichzelf, is alvast zijn hoogsteigen statement om aan te tonen dat de wereld inderdaad aan de durvers is. Hij blikte het immers in voor zijn ondertussen uit de grond gestampte eigen label Rebuilt Records.

Wat we onthouden? Een knappe stem, diepzinnige teksten, puntgave melodieën, al even fraaie arrangementen. Wat kan een mens eigenlijk nog meer willen? De conclusie ligt dan ook eerder voor de hand: sterke plaat!

www.jasonharwell.com

www.rebuiltrecords.com

 

 

DULCIE TAYLOR

“Mirrors And Windows”

(Black Iris Records)

(4) J J J J

 

 “Mirrors And Windows” is na haar al in 2002 verschenen en toen vrij lovend onthaalde debuut “Diamond & Glass” het tweede album van Dulcie Taylor. Die plaat leverde haar indertijd meteen een Wammie (Washington Area Music Award) op. En bovendien mag ze sedertdien ook al een beetje zelfvoldaan terugblikken op een finaleplaats in de gerenommeerde Chris Austin-liedjeswedstrijd op het jaarlijkse Merlefest in Wilkesboro, NC en op het feit dat ze de bühne al mocht delen met zulke kleppers als Steve Forbert, Guy Clark, John Gorka en Richard Shindell. Genoeg gunstige voortekenen dus alleszins om deze opvolger met meer dan zomaar gemiddelde belangstelling tegemoet te zien.

En Taylor ontgoochelt ook bepaald niet. In het gezelschap van een select kransje topmuzikanten als John Landau (akoestische gitaar), Duke Levine (Mary Chapin Carpenter Band / gitaren en lap steel), Richard Gates (Suzanne Vega, Richard Thompson, Patty Larkin / bas), Lorne Entress (Susan Tedeschi / drums en percussie) en Michael Bellar (Art Garfunkel / Hammond B3) tekent ze met haar aangenaam soepele stem en haar aan het leven van alledag ontleende liedjes als voornaamste troeven voor een behoorlijk imposant rootsalbum, waarop variatie bepaald geen loos begrip is. Zo blijkt het openende “Blackberry Winter” een aantrekkelijk, op de klassieke Byrds-gitaarleest geschoeid rootspopliedje, is “Maybe” een bijzonder soulvol zowel een weinig aan Tracy Chapman als aan het introvertere werk van pakweg Cyndi Lauper herinnerend folky stukje, hebben “Seaboard Train” en “Woman I Used To Be” respectievelijk rock & roll en blues in de genen, is “Ice Melts” hemelse Emmylou-stijl country en zijn “Out Of My Blood”, “Miracle” en “Other Side Of The Bed” (licht countryeske) popliedjes van het kaliber waarin Mary Chapin Carpenter de laatste jaren ook wel lijkt te grossieren. Hét absolute prijsbeest hier is evenwel de akoestische afsluiter “Love Like Yours & Mine”. Daarin bezingt Dulcie Taylor op aangrijpende en bijzonder dankbare wijze de liefde van haar leven. Een mooier slotakkoord had dit prima album zich nauwelijks kunnen wensen.

www.dulcietaylor.com

CD Baby

 

 

TOM MORAN

“Starting Over”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

Jong rootsrocktalent uit Brooklyn, NY. Tom Moran blijkt een prille dertiger die in zijn nog relatief korte bestaan al het één en ander heeft meegemaakt. Een zwangere vrouw tijdens zijn studies. Een zwaar drankprobleem. Grote geldzorgen. En een muzikale levensdroom die zich derhalve niet al té makkelijk liet realiseren. Nu het met zijn toepasselijk getitelde debuutalbum “Starting Over” uiteindelijk toch zo ver is gekomen, blijken heel wat van de teksten van de liedjes daarop zijn succesvolle “drooglegging” en zijn zich als een gevolg daarvan aandienende tweede kans als thema te hebben. Moran wil er op die manier iedereen toe aanzetten om vooral toch maar te geloven in de kracht van dromen. Muzikaal gezien gebeurt dat op roots rock à la de jonge John Mellencamp. Met een berookte stem die een weinig herinnert aan die van Stone Keith Richards en bij momenten lekker snedige gitaren als voornaamste pluspunten. Moran weet ook duidelijk een catchy song op papier te krijgen. De mooiste voorbeelden daarvan zijn wel het vinnige openingsduo “Small Record Deal” – da’s wat hij nodig heeft, zingt ie – en “Into The Sun”, twee lekker pittige rootsrocksongs, het ingetogen de overwonnen drankdemon bezingende “I Would Drink” en het poppy “Sobriety”. Enkel de productie van het geheel is naar ons gevoel wat dunnetjes uitgevallen.

(Pittig detail: Moran is de schoonzoon van de legendarische Dr. John.)

Tom Moran

 

 

LOOMER

“Love Is A Dull Instrument”

(Newtone Records)

(4) J J J J

 

Loomer ontstond op eerder toevallige wijze toen in 1999 voormalig Saddletramps-kopstuk Andrew Lyndsay en diens boezemvriend ex-Heimlich Manoeuver-drummer Iain Thomson op de jaarlijks door het toonaangevende muziektijdschrift CMJ gehouden conferentie singer-songwriter Scott Loomer tegen het lijf liepen. Drie dagen tussen pot en pint en vol van rook en goede muziek brachten de drie dicht genoeg bij elkaar om tot het besef te komen dat hun toekomst eigenlijk in elkaars gezelschap lag. En aangevuld met twee andere ex-Saddletramps-leden, met name Jon DeHaas op bas en Brian Duguay op gitaar, en ex-Quasi Hands Mike Taylor voor de keyboardpartijen resulteerde dat al snel in de geboorte van Loomer. In 2000 zouden ze hun eerste gezamenlijke show spelen. En na een ruim tweeënhalf jaar aanslepend creatief proces zag zopas ook eindelijk hun debuut-CD “Love Is A Dull Instrument” het daglicht.

En dat is een plaat geworden die mensen, die hun geloof in groten van het alt. countrygenre als een Ryan Adams of Wilco na hun wat verwarrende recentere albums een beetje waren kwijtgeraakt, met een heel warm gevoel zal achterlaten. Vergelijkingen met acts als Whiskeytown, de jonge Jayhawks en – door Scott Loomers nasale, wat aan Jay Farrar herinnerende stem – vooral ook Uncle Tupelo en Son Volt dringen zich vrijwel onmiddellijk op. Niet dat we hier met een stelletje epigonen te maken zouden hebben, abso-zeker-weten-luut niet! Maar Loomer staat nu eenmaal ook voor met een flinke dosis country geïnjecteerde rock. Hemelse melodieën, knappe teksten, “oorvriendelijke” zang, rinkelende gitaren, een occasioneel opduikende banjo, mandoline of pedal steel, werkelijk alle ingrediënten om van een geslaagde alt. countryplaat te mogen spreken zijn hier voorhanden. En pareltjes van liedjes als het melancholische “Buddy”, het no-nonsense rockertje “Psychotic Killer”, het radiogenieke “Company Store” en het ogenschijnlijk in wanhoop badende “St. Christopher” maken van “Love Is A Dull Instrument” in onze ogen dan ook een bijzonder warm aan te bevelen geheel.

www.loomeronline.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Another Country 2”

(Agenda)

(4) J J J J

 

Deel 2 van de reeks waarvan we hier enkele weken geleden ook reeds het eerste volume bespraken. “Songs Of Dignity And Redemption From The Other Side Of The Tracks” is nog steeds het motto. Met andere woorden country, maar dan wel anders, of gewoon alles wat het No Depression-hartje zich maar wensen kan. Het voordeel van dat soort compilaties is dat je er altijd wel weer de één of andere voor jou nieuwe artiest op leert kennen. Een nadeel dan weer dat ze meestal ook wel materiaal bevatten dat je al in je collectie hebt. Het zou dan ook een flink pluspunt geweest zijn mocht men tenminste van enkele van de artiesten op deze verzamelaar onuitgegeven materiaal hebben opgenomen. Een tekort waar we ook al naar aanleiding van nummer één even op wezen.

Voor het overige evenwel weer niets dan lof voor de samensteller van dienst. Die wist met Cub Country (“Your Old Street”), Eileen Rose (“Wheels Going By”), Damien Jurado (“Abilene”), Chris Mills (“Lullaby”), Iron & Wine (“The Rooster Moans”), Gregs dochters Pieta, Zoe & Constie Brown (“Ella Mae”), The Black Heart Procession (“A Sign On The Road”), Ryan Adams (“My Winding Wheel” van zijn klassieker “Heartbreaker”), Okkervil River (“Westfall”), Azure Ray (“November”), Songs: Ohia (“Steve Albini’s Blues”), Giant Sand (“Shiver”), The Boggs (“How Long?”), Richard Buckner (“A Goodbye Rye” van het fantastische “Devotion And Doubt” uit ‘96), Mark Kozelek (“What’s Next To The Moon”) en Hope Sandoval & The Warm Inventions (met het hypnotische “Clear Day” van de uitstekende, maar collectief een beetje over het hoofd geziene CD “Bavarian Fruit Bread” uit 2001) het soort van rammelend (lees: sympathiek) intimistisch geheel uit zijn mouw te schudden waarvoor je anders stiekem een flink aantal keren naar de plaatselijke bib zou moeten lopen om het zelf te kunnen branden. Tenzij ze het schijfje daar toevallig ook zouden hebben zitten natuurlijk…

Lovenswaardig initiatief alleszins! Dat er dan ook nog veel volumes mogen volgen…

www.agendamusic.com

 

 

MAURICE MATTEI

“Ring Of Smoke”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 “Ring Of Smoke”, het jongste album van Italo-Amerikaan Maurice Mattei, lijkt in eerste instantie typisch zo’n geval waarvoor de Dylan-vergelijkingen weer eens even uit de kast mogen. Maar enkele beluisteringen en een poosje grasduinen op ’s mans webstek verder weten we wel beter. Er is en blijft natuurlijk wel de onmiskenbare gelijkenis in stem en aanpak met Ol’ Bawb. Maar Mattei blijkt allesbehalve een one trick pony. Het feit dat de man als multimedia-artiest bijvoorbeeld ook nog het ontwerpen van posters en fotografie tot zijn vakgebieden mag rekenen nodigt eerder uit tot een vergelijking met een andere geestesverwante. Met name met Flatlander Butch Hancock, eveneens een fotograaf (en architect) en in zijn manier van schrijven duidelijk op dezelfde golflengte als Mattei functionerend.

Zelf omschrijft Maurice Mattei wat hij doet als “roots-oriented urban Americana singer-songwriter stuff”. En dat blijkt bij nader inzicht een heel adequate omschrijving. Het in twee amper vier uur in beslag nemende opnamesessies ingeblikte “Ring Of Smoke” staat immers vol met akoestische (folky) Americanadeuntjes die genoegen nemen met een stem-plus-gitaar-benadering. Mattei’s verhaaltjes over “the average Joes and plain Janes” die zijn paden in het verleden doorkruisten zijn hier immers de echte blikvangers. Vaak geschreven vanuit een enigszins desperaat, wat verbitterd overkomend standpunt. “You kept Me Here Waiting For This” is zo een pakkend liedje gewijd aan een ontgoocheling in de liefde. Terwijl het titelnummer van de plaat het gevangen zitten in een relatie als thema uitdiept. (Er het onmogelijke proberen uit te halen, met andere woorden “chasin’ a ring of smoke”. Een onderwerp dat in onze huidige maatschappij helaas steeds vaker realiteit blijkt te worden…)

Best wel knap vonden wij verder ook nog het een onstuimige romance bezingende “Slim & Peg” en het speels-cynische “Don’t Be That Way”. Een kort citaat daaruit zegt wellicht veel meer over de artiest-woordkunstenaar Mattei dan deze hele recensie:

“I had a whole lotta things on my mind.

And one of them, sweetheart, was you.

Why would you want to treat me unkind?”

 

p.s.: Op de website van Mattei vind je een hele karrenvracht aan MP3’s die ‘s mans carrière tussen 1995 en nu op erg aanschouwelijke wijze belichten.

www.mmattei.com

CD Baby

 

 

BRANDON JENKINS

“Down In Flames”

(Western Soul Records)

(3.5) J J J J

 

Never judge a book by the cover. Brandon Jenkins is wat je noemt een levend voorbeeld van die stelling. Als je de imposante, kaalhoofdige en zwaar getatoeëerde Okie voor het eerst ziet is de verleiding immers meteen erg groot om hem in de één of andere metal act te situeren. Niets is echter minder waar. De uit Tulsa afkomstige, maar tegenwoordig vanuit Austin – een verhuis hem ingegeven door een druk bijgewoonde akoestische set aldaar samen met Cory Morrow – actieve Jenkins is immers één van de interessantste singer-songwriters die dezer dagen deel uitmaken van de zogeheten progressive country-beweging. Toen de man halverwege de jaren negentig door zijn toenmalige platenmaatschappij als hat act werd voorgesteld hield hij het al snel voor bekeken. En toen men hem omwille van zijn weelderige haardos op de koop toe de nieuwe Toby Keith durfde te noemen was dat de spreekwoordelijke druppel die de emmer helemaal deed overlopen. Jenkins ontdeed zich van het overtollige haar en zocht en vond tijd om te herbronnen. Vanaf dat ogenblik ging hij steeds nadrukkelijker op zoek naar volledige artistieke vrijheid, naar een kans om zijn uit het leven gegrepen teksten op een muzikale hybride van rock, folk, blues en country te mogen afleveren. En die vrijheid lijkt hij met zijn zesde album, het voor zijn eigen Western Soul Records verschenen “Down In Flames” eindelijk te hebben gevonden. Die plaat, de opvolger van het knappe “Unmended”, zou ook voor een bevestiging van zijn eerste voorzichtige commerciële succesje moeten zorgen. Met het aan de voorganger ervan en aan de Pete Anderson-compilatie “A Country West Of Nashville” ontleende “My Feet Don’t Touch The Ground” haalde Jenkins immers voor het eerst de Texas Music Chart. En het zou al heel erg tegen moeten zitten wil hij met “Down In Flames” niet op wat grotere schaal gaan doorbreken. Op de van hem bekende soulvolle manier tekent de man immers voor een erg knappe plaat. Met als uitgangspunt de titeltrack en tevens de eerste single van het album, “Down In Flames”, een nummer dat ontstond toen hij na een gedeelde affiche met Stoney LaRue in Bruceville-Eddy, TX met deze laatste aan de praat raakte over de enorme risico’s die hij had moeten nemen om deze plaat te kunnen maken. Sterk verhaal vond LaRue. En “If I’m going down, I’m going down in flames” was bovendien een ideale titel voor de lekkere rootsrocker die enkele glazen whiskey verder beklonken was. Het met zo’n typisch Byrds-gitaartje ingeklede “The Whole World’s Gone Crazy” is vervolgens Jenkins’ persoonlijke kijk op de turbulente weken onmiddellijk na 9-11. En het ingetogen “Red Dirt Town” – geschreven met John Cooper en Brad Piccolo van de Red Dirt Rangers – bezingt de geleidelijke overgang van aanvankelijke opwinding naar flinke ontgoocheling en heimwee na zijn eerste stappen weg van thuis. Eén van de absolute stand-outs van de plaat is vervolgens het zeer soulvolle “After All This Time”, waarin Jenkins even stil staat bij de gedachte dat je je eerste grote liefde eigenlijk nooit echt achter je kan laten. Ze zal altijd de maatstaf blijven waar je anderen tegen afweegt. Dat liedje, het naar de dagen van zijn drugsverslaving teruggrijpende “Again”, het lekker wegtwangende “Out Of Control”, het behoorlijk optimistische “Gypsy Angel” en het atmosferische “The Maker” vormen de feitelijke hoogtepunten van een plaat die eigenlijk gewoon in haar geheel een dikke pluim verdient.

www.brandonjenkins.com

www.westernsoul.com

 

 

NOTHIN’ FANCY

“Reflections”

(Pinecastle Records)

(3.5) J J J J

 

Samen met Sugar Hill, Rounder, Rebel en Doobie Shea staat het Pinecastle-label zowat voor de absolute top inzake hedendaagse bluegrass. Hier recent nog besproken albums van - ondertussen wijlen - Charlie Waller & The Country Gentlemen, Josh Williams, Darin Aldridge, Daryl Mosley & Tim Graves, Jesse McReynolds & The Virginia Boys en de Larry Stephenson Band zouden wat dat betreft moeten volstaan als bewijs. En tot dat kransje van voortreffelijke Pinecastle-acts mag ook Nothin’ Fancy worden gerekend. Dat kwintet bestaande uit Mike Andes (leadzang, mandoline, gitaar), Gary Farris (gitaar, tenorstem), Mitchell Davis (banjo, basstem), Tony Shorter (bas, baritonstem) en Chris Sexton (fiddle, viola, cello) tekent op “Reflections”, de opvolger van z’n door Don Rigsby geproduceerde “Once Upon A Road” uit 2002, eens te meer voor een aardige partij onversneden kwaliteitsbluegrass. Sterke punten van de groep zijn als vanouds de vlekkeloze en bezielde samenzang, een hoge mate van instrumentbeheersing en vooral ook de knappe eigen liedjes van Andes. Liefst tien van de dertien hier vertolkte deunen droeg de man zelf aan. De overige drie zijn een zomerse vertolking van de traditional “Seeing Nellie Home (Aunt Dinah’s Quilting Party)”, een vinnige kijk op “When The Roll Is Called Up Yonder” en een doorleefde versie van de hit “Last Letter Home”. De meest in het oog springende momenten op het ditmaal door Dale Perry geproduceerde “Reflections” zijn wat ons betreft “Little Wooden Crosses”, een bluegrass ballad / story song die gevoelsmatig erg dicht aanleunt bij het hier o zo gesmaakte recente werk van Chris Stuart & Backcountry, de sprankelende opener “I Wonder” en het zijn aantrekkelijkheid voor een groot deel aan een zeer levendige follow-up van banjo-, fiddle- en mandolinebijdragen verdankende “Reach Up And Touch The Sun”. Verder ook erg mooi: de door een banjo aangejaagde ouderwetse meezinger “I Met My Baby In The Porta Jon Line”, het tot een uitgelaten dansje uitnodigende “Headin’ Back To Ole Tennessee” en de zwierige instrumental “Bushroe”.

www.nothinfancybluegrass.com

www.pinecastle.com

 

 

BEN ARNOLD

“Calico”

(Sci Fidelity Records)

(3.5) J J J J

 

In 1995 leerde ik op eerder toevallige wijze via een gratis bij een lokale krant gevoegd verzamel-CD’tje de uit Philadelphia afkomstige rootsrocker Ben Arnold kennen. En dat was zo’n typisch geval van “liefde op het eerste gehoor”. Zijn album “Almost Speechless” bleef dan ook maandenlang in de buurt van mijn CD-speler rondslingeren. De man combineerde een onvoorstelbaar gevoel voor melodieën met knappe teksten en net voldoende rockflair om het snel te gaan maken, zo leek het. Maar dat gebeurde dus niet. En de echt grote doorbraak bleef ook in het volgende decennium ondanks een stel fraaie platen onbegrijpelijkerwijze gewoon uit. Zelfs het opstarten van het nevenproject 4 Way Street – met gerenommeerde collega-singer-songwriters Jim Boggia, Scott Bricklin en de hier vooral van Hardpan bekende Joseph Parsons – bracht niet echt veel zoden aan de dijk.

En dus kan een mens eigenlijk nauwelijks wat anders doen dan zijn vingers stevig gekruist houden voor ’s mans nieuwste worp, “Calico”. Want da’s opnieuw een heel puike plaat geworden. Met die lichthese stem van ‘m – ergens tussen Graham Parker, Elvis Costello en Randy Newman in – steelt Arnold als vanouds vrijwel voortdurend de show. En tal van verborgen muzikale verleiders doen de rest. Zoals het jingle-jangle gitaarwerk van maatje Bricklin in het kwikzilveren rootspopdeuntje “House Of Cards”. Of de ukelele van John Hughes bijvoorbeeld ook in “Gotta Get ‘N’ Go”.- da’s de ideale voedingsbodem, zo blijkt, voor dat volop tot meezingen uitnodigende, pure popliedje. Of de cello-bijdrage van Alissa Tallman in het bijna klassiek aandoende, licht Costello-eske (roots)poppareltje “John”. Dat drietal en het ingetogen (bijna-)titelnummer “Calico Kid”, het gezien z’n titel passenderwijze met banjo-, mandoline- en lap steel-interventies opgesmukte “Bluegrass” en het atmosferische “Sky Was Falling” lijken de voornaamste troeven van deze prima singer-songwriter-rootspopplaat.

www.benarnold.com

 

 

DAVE MCCANN & THE TEN TOED FROGS

“Country Medicine”

(Old Man River Folk Music)

(4) J J J J

 

Op “Country Medicine”, de wel bijzonder adequaat getitelde opvolger van zijn in de herfst van 2000 verschenen debuut “Woodland Tea”, laat de Canadese zanger-liedjesschrijver Dave McCann er niet de minste twijfel over ontstaan dat hij opnieuw in heel goede doen is. Met zijn groep The Ten Toed Frogs baant hij zich een weg doorheen elf eigen rootsy country-folk-deuntjes – plus één verborgen bonus track – en neemt terloops ook nog even de tijd om Jethro Tulls klassieker “Locomotive Breath” een lekker strak zittend bluegrass-jasje aan te meten.

McCann presenteert zich op “Country Medicine” als een moderne outlaw die in een wat rechtvaardigere wereld een ruim publiek aan zich zou moeten kunnen binden. De man heeft een stem die menig een seventies countryrocker hem grondig benijd zou hebben en zijn volop van country soul doordrongen liedjes hoeven daar allerminst voor onder te doen. Rebelse rockertjes als “Cocaine Stole Her Brain” worden op Mccains tweede met sprekend gemak afgewisseld met sfeervolle alt. country-overpeinzingen als “Sleeping With Gold”, volop naar de zeventiger jaren lonkende countryrock-melancholie als “Leaving This Town” en “Timber Road”, roots rock pur à la het titelnummer en “Brokewing Bird” en zelfs eerder klassiek aandoend singer-songwritermateriaal in “Lookayonder Blue” of “Joe’s Bones”. Daarbij worden met name de pedal steel, de elektrische, de akoestische en de slidegitaar, de dobro, de fiddle en de mandoline bepaald niet gespaard. Het naadloos samengaan van al die elementen maakt van “Country Medicine” een plaat die in Alt. Countryland op heel wat sympathie zal mogen rekenen. Toch al zeker op die van ons…

www.davemccann.com

Miles Of Music

 

 

BOB FRANK

“Pledge Of Allegiance”

(Bowstring Records)

(3) J J J

 

Bob Frank draait al aardig wat jaartjes mee. Al in de jaren zeventig deed de man voor het eerst van zich spreken met een naar zichzelf vernoemde debuutplaat. Dat album uit ’72 – omschreven als Americana avant-la-lettre en met ondermeer schoon volk als Eric Weisberg, Charlie McCoy, Buddy Spicher en Russell George erop - leverde hem ondermeer vergelijkingen op met Bob Dylan. Maar dat was in die dagen natuurlijk niet echt iets nieuws… Dan is het een stuk leerzamer om te vernemen dat critici indertijd vooral zijn immense talent als verteller van verhalen en zijn manier van zingen naar waarde wisten te schatten. En die twee deugden blijkt hij door de jaren heen in relatieve obscuriteit volkomen intact te hebben gehouden. Zijn nieuwe CD “Pledge Of Allegiance” blijkt immers een fraaie muzikale lappendeken van verhalen over en portretten van landgenoten van ‘m – bouwvakkers, cowboys, Indianen, zwervers, dealers, moordenaars, verdoemden en dies meer – met een sociaal, politiek en spiritueel randje als meerwaarde. Het feit dat het album in twee grote delen plus een finale uiteen valt spreekt wat dat betreft boekdelen. Het eerste deel kreeg als titel “Times Of Prosperity” mee, het tweede “Nobody’s Got A Job”, de finale “Love Pours In”… Duidelijker kan het haast niet.

Muzikaal gezien brengt de hier gebezigde formule man-alleen-met-gitaar wel de nodige beperkingen met zich mee. Zelfs een warme diepe stem als die van Bob Frank blijkt immers na enkele liedjes niet te volstaan om je voortdurend voor de volle honderd procent bij de zaak te houden. En da’s eigenlijk best wel jammer, aangezien de man wel degelijk iets te vertellen heeft. In kleinere hoeveelheden nuttigen lijkt ons in dit geval dan ook de meest aangewezen oplossing…

www.bobfranksongs.com

CD Baby

 

 

ANDY PRATT

“The Age Of Goodbye”

(CoraZong Records)

(3) J J J

 

Het muzikale levensverhaal van Andy Pratt is er één dat ondertussen al zo’n vier decennia overspant. De man – een kind van de invloedrijke Cambridge folk scene, die ons bijvoorbeeld ook Bonnie Raitt opleverde - debuteerde plaatgewijs al in 1968 en kende zijn grote doorbraak enkele jaren later (in ’73) met de single “Avenging Annie”, een liedje dat naderhand ook door Roger Daltrey en Bruce Springsteen zou worden opgenomen. Met twee albums voor het gereputeerde Atlantic Records bevestigde Pratt in de daaropvolgende jaren al het goede wat men in hem dacht te moeten zien. Rolling Stone schreef in 1976 dan ook de volgende gevleugelde woorden over hem: “By reviving the dream of rock as an art and then re-inventing it, Pratt has forever changed the face of rock.” De kaken behoorlijk bol geblazen aan de loftrompet dus… Maar van dan af aan ging het eigenlijk alleen maar bergafwaarts met de sympathieke songsmid, die zelfs een poosje in de Lage Landen verbleef. Hij bleef weliswaar met de nodige tussenpozen nieuwe albums afleveren, maar het echt grote succes bleef hem al die tijd ontzegd. En heel wat van zijn platen laten zich als een logisch gevolg daarvan nog maar moeilijk op de kop tikken. In die optiek moet “The Age Of Goodbye” dan ook worden gezien. Dat onlangs door het Nederlandse CoraZong-label op de markt gebrachte album is immers een compilatie van twee eerdere Pratt-platen, aangevuld met enkele voordien niet verkrijgbare opnamen. Het gaat daarbij meer bepaald om het in 1982 verschenen mini-album “Fun In The First World” en het uit 1985 stammende “Not Just For Dancing”. De extraatjes zijn Walter Turbitt- en Bob Clearmountain-mixen van het nummer “Face I Wear”. Het synth-georiënteerde geluid dat grote delen van dit geheel overheerst klinkt ondertussen al bij al een weinig gedateerd. Maar zelfs die vaststelling kan niet verhelen, dat Pratt verdraaid goed wist hoe je een goede song schrijft.

www.andypratt.com

www.corazong.com

 

 

MATT BAUER

“Nandina”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4.5) J J J J J

 

In der Beschränkung zeigt sich der Meister. Minder blijkt vaak net meer. Een mooiere illustratie van die stelling als Matt Bauers “Nandina” is nauwelijks denkbaar. Een vrij onopvallende, maar bijzondere trefzekere en goed gedoseerde begeleiding van banjo, akoestische of elektrische gitaar, mandoline en occasioneel ook wat strijkers volstaan daarop om Bauers een weinig aan de jonge Richard Buckner herinnerende gruizig-breekbare stem een tapijt van werkelijk wonderschone alt. country- / Americanaliedjes te laten uitrollen. Tussen de ingetogen opener van de plaat “Window Hill” en de door wonderwel bij ’s mans stem kleurende strijkers herfstig getinte afsluiter “Jordan In A Plastic Bag” is het één en al genieten geblazen van elf delicate miniatuurtjes. Banjo based Americana noemt Bauer het zelf, maar die vlag dekt ons inziens niet de gehele lading, aangezien dat instrument slechts in enkele van zijn liedjes echt de boventoon voert. In nummers als “Western States”, “Nothing That You Like” en “Cold Valley Rain” zijn het bijvoorbeeld een akoestische of elektrische gitaar die in hun eentje bijdragen tot het bijzonder intimistische karakter van die liedjes. Maar ach, waar maken we ons hier eigenlijk druk om? Prachtige muziek als deze heeft eigenlijk helemaal geen behoefte aan een pasklaar hokje. Onthouden we toch gewoon, dat Matt Bauer met “Nandina” aan het begin van een heel mooie carrière lijkt te staan. En dat dat schijfje één van de mooiste albums is die (het ondertussen toch alweer behoorlijk rijke) 2004 tot op heden voor ons in petto had. Bijzonder warm aanbevolen derhalve dan ook!

www.mattbauermusic.com

CD Baby

 

 

JASON WILBER

“King For A Day”

(WilberTone Records)

(3.5) J J J J

 

Jason Wilber geniet hier te lande vooral bekendheid in zijn hoedanigheid als gitarist voor levende legende John Prine. Wat echter wat al te vaak uit het oog wordt verloren, is dat de man ook zelf een meer dan begenadigd singer-songwriter is. Met “King For A Day” is hij inmiddels na “Lost In Your Hometown” uit 1998 en het 2 jaar later verschenen “Behind The Midway” ook alweer aan zijn derde CD toe. En dat is – om een lang verhaal kort te maken – een erg sympathiek schijfje geworden.

Wilber schreef zes van de tien liedjes erop, produceerde het geheel ook zelf en nam naast de zang ook de ritmegitaar, de dobro, de harmonica en de Wurlitzer voor zijn rekening. David Steele stond in voor de leadgitaarpartijen, de mandoline, de slide ukelele en de lap steel, Todd Smith hanteerde de bas en Dan Deckard nam plaats achter het drumstel.

Afgetrapt wordt er met het live opgenomen titelnummer, een hilarische, akoestische twang-folk-kijk op 24 uur Elvis zijn. Een logisch vervolgstuk daarop is een ingetogen versie van één van de vele grote hits van The King zelf, “Don’t Be Cruel”. En ook een andere grote rock & roll-held wordt hier even geëerd in het van Gary Nicholson geleende “Pay Bo Diddley”. Samen met het eerder introverte rootspopliedje “Killing The Blues” van Rowland Salley – ondermeer bekend in eerdere uitvoeringen van Shawn Colvin en John Prine – en het gevoelige “Sabu Visits The Twin Cities Alone” van diezelfde Prine vormen die twee het cover-aandeel van “King For A Day”. De rest van het album beslaat louter Wilber-originals.

Daarvan springen vooral het cynische “Talk About 69”, een akoestisch folkdeuntje over de aanleg van een snelweg en de daarrond gevoerde polemiek, de rootsy popkleinoden “Silver Linings” en “Tin Angels” en het naar blues overhellende “Satellite” in het oog. Al mag ook het de onvoorwaardelijke overgave in de liefde bezingende poëtische “In Her Veins” er beslist wezen. Voor een paar regels van het kaliber van “There’s a fire in her veins / And it burns with my name / So I go like a moth into the flame” mag je ons alvast te allen tijde komen lastig vallen.

Wij hopen er dan ook op Prine snel nog eens in onze kontreien te mogen begroeten. Al was het maar omdat hij dan in zijn voorprogramma Jason Wilber misschien eens dezelfde kans zou kunnen gunnen als verwante geest Todd Snider eerder. Het zou op basis van het hier gebodene alvast een veelbelovende dubbelaffiche opleveren.

www.jasonwilber.com

CD Baby

 

 

UNCLE DAVE MACON

“Classic Sides 1924 – 1938”

(JSP Records / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

Eerder deze maand bespraken we hier al JSP-box sets gewijd aan respectievelijk The Delmore Brothers en The Carter Family. Ditmaal is het de beurt aan de man die bekendheid genoot als “The Dixie Dewdrop” en “The Squire of Readyville”, maar vooral toch ook als “The First Star of the Grand Ol’ Opry”. En dan hebben we het natuurlijk over de onnavolgbare Uncle Dave Macon, wiens voortrekkersrol in de ontwikkeling van het countrygenre nauwelijks kan worden overschat. Uitgesmeerd over vier CD’s en ruim 100 liedjes wordt ons een blik gegund in het door de man tussen 1924 en 1938 bij elkaar gespeelde oeuvre. Een repertoire bestaande uit Amerikaanse ballads, string band songs, gospeldeuntjes en folkliedjes met hun oorsprong naar alle waarschijnlijkheid op de Britse eilanden. Enkel gewapend met één van zijn drie banjo’s horen we Macon op de vroegste ons aangeboden opnamen al regelmatig scherp van leer trekken tegen in zijn ogen maatschappelijke wantoestanden. (Vooral illegaal gestookte drank zat hem bijvoorbeeld erg hoog.)

Later – zo omstreeks 1927 – koos hij met de inbreng van de McGhee-broers op gitaar en fiddle en Mazy Todd eveneens op fiddle – onder de naam Uncle Dave Macon And His Fruit Jar Drinkers, later de Dixie Sacred Singers – voor een “voller” geluid. Uit die periode stammen enkele van zijn bekendste hits als “Rock About My Saro Jane”, “Hold That Woodpile Down”, “Carve That Possum”, “Sail Away Ladies” en “Jordan Is A Hard Road To Travel”. Prachtige staaltjes van old time string band music.

Nog later zou Macon – wellicht mede onder invloed van de gestaag verslechterende economische omstandigheden – opnieuw kiezen voor zijn vroegere aanpak met slechts één begeleider. En steeds meer zouden aan die werkwijze opnames ontspruiten die het harde lot van de boeren ten tijde van de Great Depression bezongen. Geen wonder als je weet dat de man van huize uit zelf een “farmer” was.

Op het laatste van de vier schijfjes springen vooral enkele uit 1935 stammende nummers in het oog. Het betreft met name “When The Harvest Days Are Over”, “I’ll Tickle Nancy” en “I’ll Keep My Skillet Good And Greasy”, waarop Macon voor de gelegenheid wordt bijgestaan door de Delmore Brothers.

Al bij al opnieuw een bijzonder waardevol tijdsdocument dus voor wie de spirit van het “O Brother”-tijdperk wat nader wil ervaren. Voor een zacht prijsje krijg je niet enkel een schat aan muziek aangereikt, maar daar bovenop ook nog eens flink wat relevante info in de liner notes van de hand van Pat Harrison.

www.jsprecords.com

www.musicwords.nl

 

 

OLD 97’S

“Drag It Up”

(New West Records)

(4) J J J J

 

Na vijf albums – een split EP met Funland en de mini “Early Tracks” niet meegerekend - en ruim een decennium lang met elkaar te zijn opgetrokken besloten die van de Old 97’s een korte adempauze in te lassen. Er werd getrouwd, er kwamen kinderen van, nevenprojecten ook, zelfs een eigen thuisstudio. Maar eerder dit jaar gingen de vingers weer aan het jeuken en zochten Rhett Miller en co elkaars gezelschap opnieuw op. En het resultaat van dat weerzien ligt nu voor ons in de vorm van “Drag It Up”.

Die zesde CD van de heren Miller, Hammond, Bethea en Peeples werd in het gezelschap van producer Mark Neill ingeblikt in de Dreamland Studios, een 19de eeuwse kerk in Woodstock, NY. Daar koos men voor een back-to-basics-aanpak in de hoop het nieuwe materiaal een meer intimistische feel te kunnen meegeven. Een opzet waarin men met brio geslaagd is. En “Drag It Up” is dan ook één van de sterkere Old 97’s-platen so far.

Opener “Won’t Be Home” en “Friends Forever” koppelen de punk attitude van weleer aan een flinke portie twang. “Moonlight” en “Blinding Sheets Of Rain” - beide met een sfeervolle pedal steel-bijdrage van gastmuzikant Chris Lawrence - en “Valium Waltz” zijn weemoedige lappen alt. country. Het aan pianowerk van Archie Thompson opgehangen “Borrowed Bride” twijfelt tussen Brit- en power pop. En het door Murry Hammond gezongen “Smokers” is opgetrokken uit gelijke delen twang, rockabilly en Britse sixties pop. Ken Bethea steelt tussendoor ook even de show met het exotische lichtgewichtje “Coahuila” – een soort surf-meets-border-songs-bedoening. En het door Miller deels in falsetto gebrachte “The New Kid” is een bitterzoete power rocker. Wat rest zijn het dromerige country-niemendalletje “In The Satellite Rides A Star”, de ingetogen Americana pop van “Adelaide”, het perfecte, op de Ray Davies/Jonathan Richman-leest geschoeide popliedje “Bloomington” en het emotionele slotakkoord “No Mother”.

De goede verstaander had het wellicht al lang begrepen… “Drag It Up” is een retour de force.

www.old97s.com

www.newwestrecords.com

 

 

CATHERINE FEENY

“Catherine Feeny”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Catherine Feeny is een knappe, in L.A. woonachtige, schrijvende chanteuse die zich met haar onlangs in eigen beheer uitgebrachte titelloze debuutalbum alvast een plaatsje verdiend heeft op de affiche van het op zaterdag 18 september in Lessines plaatsvindende Highway To Hills-festival. En daar zal ze gegarandeerd hoge ogen gaan gooien. Laat daar vooral niet de minste twijfel over bestaan. Met haar eigenzinnige mélange van folk, country, pop en blues herinnert ze immers aan gerenommeerde collega’s als Suzanne Vega, Joni Mitchell, Rickie Lee Jones en Cat Power. En de elf veelal intimistische stukjes op haar eersteling hebben als aangenaam surplus bovendien iets bepaald sensueels over zich. Is het die honingzoete stem die het ‘m doet? Zijn het de prachtige akoestische arrangementen? Is het het samenspel met producer Joe Purdy (die met uitzondering van de ritmegitaar ook alle andere gebezigde instrumenten voor zijn rekening neemt)? Zijn het de sprankelend frisse melodieën? Of toch maar de aansprekende teksten van Feeny zelf…? We zouden het eigenlijk niet echt goed weten… Een beetje van dat alles maar zeker? Feit is echter wel dat Feeny’s visitekaartje in de categorie folk (pop / rock) beslist niet onopgemerkt voorbij zal gaan. En da’s maar goed ook…

www.catherinefeeny.com

CD Baby

Miles Of Music

 

 

IAN TAMBLYN

“Angel’s Share”

(North Track Records)

(4) J J J J

 

Van Ian Tamblyn verscheen onlangs via zijn eigen onafhankelijke label North Track Records een 25ste album luisterend naar de titel “Angel’s Share”. Tamblyns oeuvre spreidt zich uit van folk-, singer-songwriter- en rockgeorienteerde albums tot instrumentaal & soundtrackwerk. Doordat deze creatieve duizendpoot regelmatig deelneemt aan expedities naar onontgonnen stukjes wereld als Groenland en Antarctica heeft zijn muzikale talent zich op vrij onopvallende wijze kunnen vermengen met zijn passie voor de natuur. In zijn teksten stoot je vrijwel voortdurend op ijsbergen, albatrossen, wijdsheid, kortom ongerepte schoonheid, maar ook diepere verlangens worden er metaforisch in beschreven. Deze liefde voor een nog pure wereld vind je steevast op de één of andere manier terug in Tamblyns muziek. In zijn soundtracks, maar zeker ook op dit album vol akoestische miniatuurtjes in een puntgave productie en op die manier een prachtige getuigenis van Ians oorspronkelijkheid.

Een album bij uitstek geschikt dus voor hen die vertrouwd zijn met Schotse en Ierse volksmuziek. Gelardeerd met een ruwe Canadese “touch” bovendien. Even weg uit een wereld van snelheid en weer eens stilstaand bij de nietigheid van ons bestaan: “As west winds shape the future of white pines, I only know this moment, I do not know the future”.

Alt. country? Niet echt, nee. Maar wel een gedroomd excuus om de hier plat getreden paden eens even te verlaten

en een zijsprongetje te wagen in de wondere wereld van de Canadese folk. Dit album is daartoe een ideale introductie.

www.tamblyn.com

 

 

NELS ANDREWS

“Sunday Shoes”

(Little Kiss Records)

(4.5) J J J J J

 

 “Sunday Shoes” is het werkelijk adembenemend mooie CD-debuut van de uit Albuquerque, NM afkomstige singer-songwriter Nels Andrews. In 2002 won die op het prestigieuze Kerrville Folk Festival tot zijn eigen grote verbazing de “Newfolk Award”. Iets wat hem in het verleden al werd voorgedaan door zulke illustere grootheden als een Lucinda Williams, een Lyle Lovett, een Slaid Cleaves en een Steve Earle. Om maar te zeggen dat Andrews wel degelijk uit het goede hout gesneden is. Maar dat zal je zelf maar al te graag beamen als je even de tijd neemt om zijn eersteling een kans te gunnen.

In het gezelschap van Jeffrey Richards (Hazeldine, Vic Chesnutt) op gitaar en elektrische banjo, Chris Kitchen op de bas, Heather Dauberman achter het drumstel en harmony-zangeres Michelle Collins (ShineCherries) - samen ook wel “The El Paso Eyepatch” – en met gastbijdragen van schoon volk als ondermeer Brett Sparks (The Handsome Family) op accordeon, Jason Daniello op mandoline en lap steel, David Gutierrez op pedal steel en Sarah Kramer op trompet balt Andrews op zijn eersteling zijn door de jaren heen tijdens zwerftochten doorheen zijn immense thuisland vergaarde verhaaltjes over eerder marginale inwoners daarvan. Muzikaal gezien herinnert hij daarbij aan gerespecteerde jonge collega’s als Ben Weaver, Slaid Cleaves, Rod Picott en Eric Westbury – die van het magistrale “Burnt Tongues And Blue Truths” inderdaad. Met dat viertal heeft hij alvast een aangenaam gruizige stem gemeen. En net als hen verstaat hij de kunst om binnen het toch wel korte tijdsbestek van een liedje de beklijvendste verhaaltjes te vertellen. Luister zo bijvoorbeeld maar eens naar het op subtiel banjowerk van Richards geplakte “Jesse’s Mom” (over de onweerstaanbare lokroep van een zwerversbestaan voor iemand die gypsy blood in de aderen heeft), het de naweeën van een stukgelopen relatie bezingende “Broken Conversation” of het juweeltje gewijd aan de “La Llorona” zingende “Lilli Marlene” van Martineztown.

I-N-D-R-U-K-W-E-K-K-E-N-D gewoon! Een ander woord hebben we hier niet voor.

(En wat die titel “Debuut van het jaar” betreft - misschien moet Justin Rutledge toch nog maar niet al te zeker zijn van zijn zaak…)

www.nelsandrews.com

CD Baby

Miles Of Music

 

 

PALE HORSE AND RIDER

“Moody Pike”

(Agenda Music)

(4) J J J J

 

Na een split EP met de Rivulets en Remora in 2002 en “These Are The New Good Times” in 2003 is “Moody Pike” de derde release van Pale Horse And Rider. Waar de vorige twee zich echter nog lieten bestempelen als een eenmansproject met (tal van) gastbijdragen is “Moody Pike” duidelijk veel meer een groepsplaat geworden. Meesterbrein Jon DeRosa (zang, gitaar, bas) droeg zo bijvoorbeeld zelf nog slechts vijf van de liedjes aan. Marc Gartman (Low / zang, gitaar, bas, piano, banjo) tekende voor de overige vier originals. En voor “Route 224” ging men in de leen bij Molly Sheridan. Samen met Gerald Menke (ex-Mercury Rev / pedal steel, dobro, Ford F-150), Mike Pride (drums, Glockenspiel, orgel, backings) en gast Paul Oldham – de broer van inderdaad – schilderen die twee tien tegen het pijnlijke aan mooie Americana- en alt. country-tafereeltjes. Vooral de warme pedal steel-inbreng van Menke en de zacht klaaglijke melancholische zang van beurtelings DeRosa en Gartman verlenen aan “Moody Pike” een heel apart karakter. Zo eentje van het type waarvoor omschrijvingen als introvert, melodieus, hartstochtelijk, mistroostig en behoorlijk straf eigenlijk allemaal op hun plaats lijken. Liefhebbers van Will Oldham, Lambchop en andere treurwilgen zijn bij dezen dus alvast gewaarschuwd…

www.palehorseandrider.com

www.agendamusic.com

 

 

CISCO

7740 Valmont St.”

(Little Dog Records)

(3.5) J J J J

 

Een wat apart geval… Anders laat het artistieke levensverhaal van Cisco zich nauwelijks omschrijven. Maakt de man in 1998 met “Wishing You Well From The Pink Motel” een kanjer van een plaat, gaat die in eerste instantie toch wel zo goed als onopgemerkt aan iedereen voorbij zeker… Pas toen het onvolprezen tijdschrift No Depression hem enkele jaren later onverwachterwijze toch nog oppikte was het hek plots wel van de dam. In de vakpers regende het eensklaps vergelijkingen met die andere twangy Bakersfield-adept, Dwight Yoakam. Je zou je dan ook terecht kunnen afvragen waarom Cisco er uiteindelijk zes jaar over gedaan heeft om met een opvolger voor dat straffe visitekaartje op de proppen te komen. Zo lijkt het voor hem immers allemaal weer een beetje terug naar af…

Maar schijn bedriegt! De kaarten die hij ditmaal in handen houdt lijken op het eerste gezicht alvast een stuk beter dan die ten tijde van die sterke voorganger. Zo tekende Yoakams rechterhand en labelbaas Pete Anderson bijvoorbeeld al voor de productie van “7740 Valmont St.” en nam hij ook het gros van het gebezigde instrumentarium voor zijn rekening. Daarnaast blijkt Cisco zelf al die tijd ook niet stil te hebben gezeten. Hij lijkt zich gewoon ruim de tijd te hebben genomen om zijn eigen stijl wat verder uit te diepen. De ogen zijn op deze nieuwe worp dan ook niet langer (uitsluitend) op Bakersfield gericht. Americana, pop, rock, blues, folk, alt. country, je zegt het maar… Het kan plots allemaal. En met zijn lichthese stem als voornaamste bondgenoot weet Cisco daarbij weer geregeld flink indruk te maken ook. Het ingetogen “Say A Prayer” lijkt zo bijvoorbeeld wel een buitenechtelijk verwekt Americana-broertje van Rod Stewart z’n “Maggie May” te zijn. En titelnummer “7740 Valmont St.” en “Something’s Going Wrong” zijn erg fraaie - ook al een zekere hang naar de seventies vertonende - lappen roots pop. “Miss America” en “The Other Side” vertonen dan weer wel nog sporen van de country-Cisco die we kenden van zijn eerder werk. En “One Day” is soulvol spul dat bepaald niet zou hebben misstaan op één van Nick Lowe’s laatste platen. Kortom een lekker gevarieerde aangelegenheid, die hopelijk weer geen zes jaar op een verlengstuk zal moeten wachten.

Cisco

Miles Of Music

 

 

CARL CARLTON AND THE SONGDOGS

“Cahoots & Roots”

(SPV / Zomba)

(3.5) J J J J

 

Zijn naam doet het misschien niet meteen vermoeden, maar Carl Carlton is wel degelijk van Duitse afkomst. Zijn wieg stond met name in het Hoge Germaanse Noorden. Van daaruit vocht hij zich een weg naar muzikale erkenning. Zo verdiende hij in het verleden zijn sporen ondermeer in de entourage van acts als Vitesse, Herman Brood, Manfred Mann’s Earth Band, Mink DeVille, Nina Hagen, Peter Maffay, Udo Lindenberg en wijlen Robert Palmer. Niet meteen referenties waardoor je als rootsmuziekliefhebber warm gaat lopen voor zijn eigen platen – met uitzondering van DeVille dan. Maar op twee eerdere studioalbums bewees de man al dat hij wel degelijk zijn plaatsje in deze kolommen verdient. Speciale gasten als Levon Helm (The Band, Ronnie Wood, Ian McLagan (Small Faces), Bobby Keys (Rolling Stones) en Robert Palmer droegen er daarop toe bij, dat we Carlton met meer dan speciale aandacht gingen volgen. Hij beschikt immers over zo’n lekkere schuurpapieren rasp van een stem die voorbestemd is om – vooral live -slachtoffers aan de lopende band te maken. En zijn muziek, waarin hij op vrijblijvende wijze elementen uit rock, blues, soul en tal van andere genres sprokkelt om ze vervolgens vakkundig te laten fuseren, is er van het type waarvan je in no time opgewekt wordt. Je denkt meteen in de richting van de jonge Rod Stewart of van de Black Crowes ook wel. Al dient daar dan wel meteen te worden aan toegevoegd, dat vooral Carltons stem en het gevoel dat van zijn muzikaal brouwsel afstraalt – een soort bar room rock variante, iets wat ook blijkt uit de coverillustratie trouwens – daartoe uitnodigen.

“Cahoots & Roots”, zijn derde, is een dubbel livealbum geworden, met daarop uiteraard het beste van zijn twee studio releases met zijn groep The Songdogs naast enkele nieuwe songs. Eén daarvan is een gedreven rootspopuitvoering van de John Lennon-klassieker “Instant Karma” – in liefst twee versies. Andere opvallende songs zijn de swampy cajun rock van “Mama Talk To Your Daughter” en het ook al van de Fabulous Thunderbirds bekende “Why Get Up”, al was het maar omdat Carlton daarop bijstand krijgt van zijn voormalige baas Robert Palmer tijdens – wat later zou blijken – één van diens laatste performances überhaupt.

Om een lang verhaal kort te maken: “Cahoots & Roots” is zo’n ouderwets lekker live-album met bij tijd en wijle een vrij hoog blues-, soul- en R&B-gehalte, zo eentje dat er staat als een huis. En wij zullen de eerste de beste gelegenheid die zich aandient om deze heren ook eens echt live aan het werk te zien dan ook beslist niet laten liggen.

www.carl-carlton.de

www.spv.de

 

 

DARIN ALDRIDGE

“Call It A Day”

(Pinecastle)

(3.5) J J J J

 

In het bluegrasswereldje is Darin Aldridge ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd al lang geen onbekende meer. Vooral zijn werk bij Acoustic Syndicate en Charlie Waller z’n Country Gentlemen bezorgden de uit Cherryville, North Carolina afkomstige youngster al snel een – overigens nog steeds groeiende – reputatie als één van de beste mandolinespelers binnen het circuit. Maar ook vocaal kan Aldridge best wel aardig uit de voeten. Iets wat hij als tenor van de Country Gentlemen al uitgebreid bewees en hier nog eens in royale mate etaleert. Zelf geeft hij aan erg door het vroege werk van Vince Gill beïnvloed te zijn geweest en dat hoor je ook wel. Vooral dan in de wat rustigere liedjes op “Call It A Day”. Maar vooreerst wordt er nog een vliegende start genomen met de wervelende Vince Gill–Don Schlitz–compositie “Pretty Words” en het al even brisante eigen “How Could You Go”. Op z’n best is Aldridge echter wanneer het tempo flink wordt teruggeschroefd. Zo werden wij vooral heel aangenaam verrast door de samen met Amanda Smith gebrachte liedjes “Coast Of Colorado”, “Call It A Day”, “Where I Am Bound” en “Stain Glass Tears”, waarin de jonge virtuoos zich zo’n beetje opwerpt als het mannelijke antwoord op Alison Krauss.

Een erg charmant plaatje dus in elk geval!

www.darinaldridge.com

www.pinecastle.com

 

 

JUSTIN RUTLEDGE

“No Never Alone”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4.5) J J J J J

 

Het lijstje met Canadese Americana acts – Een contradictio in terminis? - die in de voetsporen van alom gewaardeerde landgenoten als de Cowboy Junkies, Fred Eaglesmith en Bruce Cockburn eveneens een gooi naar eeuwige muzikale roem doen neemt alsmaar indrukwekkendere vormen aan. Ga maar na: de Be Good Tantyas, Jim Bryson, Sarah Harmer, Lynn Miles, onlangs nog Ruth en Gabriel Minnikin en nu weer de uit Toronto afkomstige Justin Rutledge. Wat deze laatste op zijn debuut presteert grenst aan het ongelooflijke. Zelden een impressionanter visitekaartje aangeboden gekregen.

Badend in een sfeertje van droefgeestigheid en nagenoeg ondraaglijk “luduvuduh” gaat die eersteling van Rutledge en zijn groep de Junction Forty de confrontatie aan met thema’s als religie en onschuld in de liefde. Daarbij zijn het instrumenten als de piano, de dobro, de banjo, de mondharmonica, de fiddle, de mandoline en een wel heel erg dominant aanwezige pedal steel die zorgen voor een wat aparte herfstige inkleuring van het geheel. Rutledge tekende overigens met Glen Salley ook zelf voor de werkelijk vlekkeloze productie ervan.

Hoogtepunten aanwijzen? Da’s moeilijk… Gewoon teveel om op te sommen! Maar omdat je aandringt… Het werkelijk bijna in weemoed verzuipende, rond het spitsvondige lijntje “Too sober to sleep, but I’m too drunk to cry” opgetrokken openingsnummer, de old-timey gospel van “Lay Me Down Sweet Jesus” en het dromerige “Sleeveless In Seattle” behoren zondermeer tot het allermooiste wat we hier dit jaar op alt. country- en Americanagebied al voorgeschoteld kregen. Hier zou binnen enkele maanden dan ook best wel eens het label “debuut van het jaar” blijken op te kunnen…

www.justinrutledge.com

Miles Of Music

 

 

OVE STOYLEN

“Dusty Boots”

(Kultur & Spetakkel)

(3.5) J J J J

 

Als het met countryplaten ook maar enigszins de commerciële kant opgaat, dan haken wij door de band genomen al vrij snel af. Toegegeven, er zijn natuurlijk altijd wel uitzonderingen. Iets wat recent hier nog besproken albums van Dwight Yoakam en The Notorious Cherry Bombs trouwens ook bewijzen. Maar over het algemeen toch: neen, dank u. Groot was dan ook de verbazing toen we “Dusty Boots” van de Noor Ove Støylen in handen kregen en die ons al van bij een eerste beluistering vrijwel moeiteloos wist in te pakken. Een leuke stem, puntgave liedjes, een solide instrumentale invulling… Echt alles erop en eraan. En dat voor een Noor!

Wat de man hier vooral in gunstige zin deed opvallen in vergelijking met de rotzooi die zijn vanuit Nashville opererende collegae steeds meer deze kant laten opwaaien, is zijn vermogen om op naadloze wijze eerder traditionele elementen in zijn liedjes te integreren. Dat gaat van een simpel – maar o zo catchy – banjoriedeltje in “Man Of Complications” tot een vleugje cajuntemperament in het wulpse “Tonight’s The Night” of wat bluegrass- en C&W-sentiment in het sfeervolle titelnummer van de plaat. Een gegeven dat maakt dat fans van groten uit het genre als een George Strait, een Alan Jackson – met wie een zekere stemgelijkenis trouwens niet te ontkennen valt – of een Randy Travis die wel eens met weemoed terugdenken aan de creatieve hoogdagen van hun helden ergens aan het eind van de jaren tachtig, begin jaren negentig deze plaat wellicht met veel plezier in de armen zullen sluiten. Ove Støylen kan wat ons betreft dan ook doorgaan voor een serieuze tip voor de organisatoren van countryfestivals in de Lage Landen.

www.ovestoylen.com

www.musikkoperatorene.no

CD Baby

 

 

JEFF TALMADGE

“Blissville”

(CoraZong Records)

(4) J J J J

 

Met zijn vorig jaar verschenen vierde CD “Gravity, Grace And The Moon” stootte de Texaan Jeff Talmadge wat ons betreft definitief door tot de eredivisie der (Amerikaanse) singer-songwriters. Je las her en der dan ook terecht vergelijkingen met de allergrootsten uit het genre als een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Eric Taylor of een John Prine. En als iemand zich ooit nog eens geroepen zou voelen om een compilatie aan het kruim der schrijvende en zingende medemensen te wijden, dan mag die zeker niet nalaten om de droomsingle “Photograph” aan de track listing daarvan toe te voegen.

Zo’n plaat vraagt natuurlijk wel om bevestiging. En die zal vanaf 3 september met ’s mans nieuwe album “Blissville” ook verkrijgbaar zijn. Op zijn nieuwe worp presenteert Talmadge zes nieuwe liedjes, herwerkt hij 3 eerder verschenen nummers en grijpt hij ook terug naar vier hoogtepuntjes van zijn eerder in eigen beheer uitgebrachte albums. Van “Secret Anniversaries” uit 1999 krijgen we zo het titelnummer en “Midnight Flight” in een nieuwe uitvoering opnieuw voorgeschoteld, van “Spinning Of The World” uit 2000 “The Hard Part’s Letting Go” en een herwerkt “Message In A Bottle”, en van “Bad Tattoo” uit 2001 “Lie To Me”, “Take A Drive With Me” en “Ophelia”. De rest is nieuw. En uiteraard genieten vooral deze nummers hier onze aandacht. Om te beginnen al “Driving To Blissville”, het liedje waaraan deze collectie haar titel ontleende, een aan sierlijk accordeon- en dobrowerk van respectievelijk Chip Dolan en Tim Thompson opgehangen nachtelijke “ride home”. Of het licht bluesy “40 Days Of Rain”, waarin Talmadge het verhaal van Alton Evans vertelt, een tegen beter weten in aan tradities vasthoudende landbouwer, die twijfelend tussen berusting en wanhoop blijft rekenen op het openen van de hemelsluizen om zijn lot een wat gunstiger draai te geven. Prachtig is ook het ingetogen “Wild And Precious Thing”, waarin de uitzonderlijk warme bariton van onze protagonist op poëtische wijze een afscheid omarmt. Nieuw is voorts ook nog het voorzichtig voortschuifelende “Crazy Little Town”, waarin goede en slechte herinneringen aan een stukgelopen relatie tijdens eenzame nachtelijke ritjes elkaar steeds weer bekampen om de overhand te krijgen. En dan is er nog het door de man zelf geproduceerde “A Soldier’s Christmas”, dat hij in 2003 al als een internet only-release aanbood, maar dat gezien zijn nog immer actuele karakter uiteindelijk toch ook op “Blissville” belandde.

Wonderschone teksten, dito melodieën, een hemelse stem, werkelijk alle elementen zijn weer voorhanden om je de goede raad mee te geven Jeff Talmadge toch maar snel in je hart te sluiten. Je zal het je geen moment lang beklagen, zeker weten! Veel mooier kom je ze immers niet al te vaak meer tegen…

www.jefftalmadge.com

www.corazong.com

 

 

THE STRIKES

“Bathroom Acoustics”

(Cool Buzz / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Wij waren het de laatste jaren – wellicht in een vlaag van chauvinistische vooringenomenheid – zo’n beetje vanzelfsprekend gaan vinden om de beste bluesplaten “made in the Lowlands” uitsluitend nog in eigen kontreien te gaan zoeken. Maar die opvatting is met het debuut van het uit Leerdam afkomstige viertal The Strikes duidelijk aan bijsturen toe. Al het goede wat er de jongste tijd over Pieter “Big Pete” Van Der Pluym en zijn kornuiten verteld werd vindt bevestiging op hun eersteling “Bathroom Acoustics”. Een beetje een misleidende titel overigens. Verwacht hier vooral niks van akoestische strekking. The Strikes staan integendeel juist voor een knallende rauwe pot blues zoals we die sinds het verscheiden van Lester Butlers (Wiens “Devil Woman” hier wellicht niet geheel toevallig ook gecoverd wordt!) onvolprezen Red Devils niet al te vaak meer hebben mogen beleven. Lekker gemeen. Met ballen. Gebracht met een flinke injectie rock & roll in de aderen. En voor één keer nu eens niet uitsluitend terugvallend op het nieuw leven inblazen van klassiek materiaal. Markant gegeven is wat ons betreft zelfs juist het feit dat nochtans best wel gedreven versies van Buddy Guys “Watch Yourself Pretty Baby”, Arthur Crudups “Mean Old Frisco” en Big Joe Turners “TV Mama” hier niet eens als uitschieters dienen te worden gezien. Dat zijn als je ’t ons vraagt eerder het op z’n T-Birds om zich heen slaande “All Messed Up” (Met lekker vet gitaarwerk van Jimmy – What’s in a name? – Stringbreaker!), de spectaculaire instrumental “Bill Vs. Eddie”, waarin Van Der Pluym zich als een bezetene vergrijpt aan zijn harp, en het soulvolle “Crack Smokin’ Woman”. Drie eigen composities dus. En wij durven derhalve dan ook zonder schroom te stellen, dat hier sprake is van een behoorlijk indrukwekkend debuut.

www.thestrikes.com

www.sonic.nl

 

 

CONCRETE BLONDE

“Mojave”

(Happy Hermit / 11-30 / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

Altijd wel een beetje een buitenbeentje geweest, dit gezelschap rond de excentrieke, maar altijd weer bijzonder passioneel tekeer gaande zangeres-bassiste Johnette Napolitano. Nooit echt gezocht naar de gemakkelijkste oplossingen, dat al zeker niet. En toch goed geweest voor een aantal bescheiden hits als het van het in 1989 verschenen “Free” afkomstige “God Is A Bullet”, “Joey” en “Caroline” van hun meest toegankelijke worp, het ook alweer uit 1990 stammende – en nog altijd van harte aanbevolen – “Bloodletting”, en “Ghost Of A Texas Ladies’ Man” van de opvolger daarvan uit ’92, “Walking In London”.

Op “Mojave”, het aan hun in 2002 verschenen comebackplaat “Group Therapy” gebreide verlengstuk, exploreren Napolitano en haar kompanen Jim Mankey (gitaren) en Gabriel Ramirez-Quezada (drums) nu het geluidslandschap dat de gelijknamige woestijn – sinds kort ook hun vaste verblijfplaats – zich inspiratiegewijs mondjesmaat aan hen blijft opdringen. De algemene teneur van het album is er dan ook beurtelings één van desolaatheid en voortdurende dreiging. Het geheel heeft vrijwel voortdurend iets beklemmends over zich. Zelfs een wat aparte (slome) versie die hier van de klassieke C&W-hit “Ghost Riders In The Sky” ten beste wordt gegeven ontkomt niet aan dat lot. Pompende baslijnen, bezwerende gitaar- en keyboardpartijen en uiteraard ook de door merg en been gaande stem van Napolitano zelf kleuren dit op hypnotiserende grooves geënte materiaal, dat qua sfeer dicht aanleunt bij tal van platen die ons in de voor de gitaarunderground o zo vriendelijke jaren halverwege de eighties vanuit de States regelmatig bereikten.

www.concreteblondeofficialwebsite.com

www.sonic.nl

 

 

BROKEN FAMILY BAND

“Jesus Songs”

(The Track & Field Organisation)

(3.5) J J J J

 

Met de mini “The King Will Build A Disco” en z’n full length debuut “Cold Water Songs” wist het uit Cambridge afkomstige viertal rond zanger-liedjesschrijver Steven Adams luisterend naar de wat bizarre naam de Broken Family Band zich in no time op te werken in de gunst van instituten als de legendarische John Peel, Uncut en Mojo en… Ctrl. Alt. Country. En na het recent verschenen “Jesus Songs” zal daar voorlopig ook wel niet al te snel iets aan veranderen. Op die grotendeels akoestisch ingespeelde, maar desondanks bij momenten erg krachtig overkomende  zeven tracks tellende nieuwe mini bezingen de vier Britten (hun eigen persoonlijke) Jezus. “Gospel dan?”, horen we je denken. Conceptueel gezien natuurlijk wel, maar muzikaal laat zich dit toch eerder bij folk, alt. country of Americana / Anglicana onderverdelen. Met als absolute stand-outs het bijzonder melodieuze, rond een gesmaakte gastbijdrage op de banjo van Timothy Victor cirkelende “Walking Back To Jesus Part Two” en het mijmerende rootsliedje “Poor Little Thing”. Maar dan wel met in het achterhoofd de wetenschap dat de rest op heel korte afstand volgt. Goeie boel is dit!

www.thebrokenfamilyband.com

www.trackandfield.org.uk

 

 

DWIGHT YOAKAM

“Dwight’s Used Records”

(Audium / Koch Records)

(3.5) J J J J

 

Sluwe vos Dwight Yoakam hield het na welgeteld één nieuwe plaat alweer voor bekeken bij Audium / Koch. En hij vond onlangs in New West ook al snel een nieuwe werkgever. Daar wordt ondertussen al volop gepraat over een binnenkort te verschijnen nieuw album. Wat ’s mans fans meteen voor een soort van luxeprobleem plaatst. Net nu pakt zijn voormalige werkgever Reprise / Warner Brothers via Rhino immers uit met de ultieme verzamelaar “The Very Best Of Dwight Yoakam” en pikt ook Audium / Koch nog snel even een graantje mee met het rariteitenkabinet “Dwight’s Used Records”. Op die laatste verzamelaar wordt net als op het eerder verschenen “In Others’ Words” een handvol liedjes verzamelt die Yoakam bijdroeg aan thematische compilaties of waarin hij op zijn minst een flinke hand had op andermans platen. Van het Waylon Jennings-eerbetoon “I’ve Always Been Crazy” krijgen we zo het een flink eind naar Bakersfield twangende “Stop The World (And Let Me Off)”, van “Saturday Night And Sunday Morning” zijn bluegrass-samenwerkingen met Ralph Stanley “Down Where The River Bends” en “Miner’s Prayer”, van de vierdelige box set “Reprise Please Baby” het stampertje “Mercury Blues”, van “I’m Just A Girl”, de laatste van Deanna Carter, het ingetogen popcountryduetje “Waiting”, van “Will The Circle Be Unbroken Vol. 3” van The Nitty Gritty Dirt Band het rootsy kleinood “Some Dark Holler” en van “Caught In The Webb”, de muzikale tip of the hat aan het adres van Webb Pierce, de onvervalste honky-tonk sleper “If You Were Me (And I Were You)”. Van de jongste Heather Myles-CD “Sweet Talk & Good Lies” werd het sfeervolle “Little Chapel” geplukt, van het Cash-tribute “Kindred Spirits” het de man echt op het lijf geschreven “Understand Your Man” en van de aan ZZ Top gewijde collectie “Sharp Dressed Men” het op een lekker vette baslijn rondhuppelende “I’m Bad, I’m Nationwide”. Blijven nog het rootsy zomerse niemendalletje “Wheels” en ook nog drie samen met Keith Gattis geproduceerde nieuwe songs die aan het geheel werden toegevoegd: een volop aan Elvis refererende versie van Little Eve’s party hit “Loco-Motion” en liefst twee verschillende benaderingen van John Prine z’n “Paradise”, waarvan de twangzwangere tweede om ons onduidelijke redenen herdoopt werd tot “I Said”.

Yoakam-fans zullen met deze collectie hun pret niet op kunnen. Tenzij ze natuurlijk al die andere platen al in huis hadden gehaald om hun collectie compleet te houden. Dan doet zoiets wel even pijn natuurlijk… Maar het blijft in zijn geheel natuurlijk in elk geval wel een lekkere countryplaat!

www.dwightyoakam.com

www.kochint.com

 

 

IAN MOORE

“Luminaria”

(Yep Roc /Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

 “Modernday Folklore”, de titel van zijn in 1995 verschenen tweede CD, vat in onze ogen mooi samen waar Ian Moore muzikaal gezien eigenlijk voor staat. Al heeft de man het zelf in dat verband dan ook liever over Southern Gothic – of al lachend ook wel eens – Goth-spel. Zijn muziek is dan ook een echt amalgaam van stijlen. Soul, gospel, pop, rock, roots, bluegrass, country, Keltische folk, Indiaanse muziek, je kan het zo gek niet bedenken of het duikt in zijn songcatalogus in al dan niet verdekte vorm vroeg of laat wel ergens op. En dat geldt in grote lijnen ook wel voor zijn nieuwe CD – zijn eerste voor het stilaan flink uit de kluiten wassende Yep Roc-label – “Luminaria”. Daarop beweegt hij zich in vergelijkbare wateren als pakweg een Grant Lee Phillips. En de plaat die grotendeels “on the road” ontstond moet het dan ook net als zoveel van diens materiaal vooral hebben van de erdoor opgeroepen sfeer. “What I’ve Done” is zo atmosferische (wat dromerige) alt. country met een prominent aanwezige steel, “Caroline” knappe, deels in falsetto gebrachte pop met “just a touch of country”, “New Day” een majestueuze rocker en “April” voltrekt op geslaagde wijze een verstandshuwelijk tussen opnieuw pop en country. “Kangaroo Lake”, één van de absolute highlights hier, is dan weer beeldschone Americana met beurtelings een pop- en een bluegrassondertoon en bovendien ook nog eens gekruid met een snuifje Iers volksvermaak ter afronding, terwijl het met Jeff Saltzman opgenomen “Abilene” leeft bij de gratie van bijzonder twangy gitaarwerk en een nadrukkelijk aanwezige mystieke feeling. “Cinnamon” klinkt als Gavin Friday aan de Americana en het afsluitende “Susan” is een druilerig (maar wel heel erg sfeervol en hemeltergend mooi) folky niemendalletje.

Kortom Ian Moore bewijst op “Luminaria” nog maar eens dat Gods wegen inderdaad ondoorgrondelijk zijn. Zijn even onverwachte als geslaagde – en stilaan in haar eindfase belande - transformatie van Texaanse gitaargeweldenaar tot volbloed-singer-songwriter is immers bijna té onwaarschijnlijk voor woorden. En het zodoende tot stand gekomen album is dat eigenlijk ook. Om het maar eens met een cliché te zeggen: een dijk van een plaat! En wij zijn begrijpelijkerwijze dan ook zwaar onder de indruk…

www.ianmoore.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

JIM WHITE

“Drill A Hole In That Substrate

And Tell Me What You See”

(Luaka Bop / V2)

(4) J J J J

 

Sedert hij in 1997 opvallend debuteerde met het lichtjes geniale – en vooral ook moeilijk te plaatsen – “Wrong-Eyed Jesus!” geldt Jim White als één van de weinige muzikale outsiders die je zonder daarvoor terstond op de vingers te worden getikt in één adem mag noemen met andere buitenbeentjes als Will Oldham, Joe Henry en Tom Waits. En ondanks het feit dat dat album en de drie jaar geleden verschenen opvolger ervan “No Such Place” commercieel gezien niet meteen hoogvliegers waren geniet de man onder collega’s sindsdien ook een enorm respect. Dat leert ook een vlugge blik op de gastenlijst van zijn reikhalzend tegemoet geziene derde met die onmogelijk lange titel “Drill A Hole In That Substrate And Tell Me What You See”. Aimee Mann, Joe Henry, Mary Gauthier, Terri Binion, Bill Frisell, M. Ward, Barenaked Ladies, The Sadies, Oh Susanna… Het blikje gasten dat hier wordt opengetrokken doet even serieus naar adem happen. En het resultaat liegt er dan ook niet om! Pop? Lo-Fi? Alt. country? Wie zal het zeggen… White is van veel markten thuis. En het liefst nog tegelijk… Feit is, dat hij met “Drill A Hole In That Substrate…” weer ruim een uur lang op bijzonder intrigerende wijze muzikale grenzen aftast en zo en passant ook wel eens verlegt. En wij kwamen daarbij vooral onder de indruk van de rammelende neo-folk van “Borrowed Wings”, waarin de stem van Susie Ungerleider (Oh Susanna) als een lieflijk spinnende kat behaaglijk tegen die van White aanschurkt, en het behoorlijk sombere “Phone Booth In Heaven”, waarin Ctrl. Alt. Country-huisfavorietjes Gauthier en Binion voor één keer genoegen nemen met een rol wat meer in de schaduw.

www.jimwhite.net

www.luakabop.com

www.v2music.com

 

 

THE GOOD SONS

“Cosmic Fireworks”

(The Best Of The Good Sons 1994 – 2001)

(Phantasmagoria)

(4) J J J J

 

De Brit Michael Weston King, leadzanger en songsmid van de ondertussen ter ziele gegane Good Sons, moet zowat één van de meest onderschatte artiesten zijn die Americanaland rijk is. Tussen 1994 en 2001 bracht hij met die groep vier CD’s uit die stuk voor stuk bulkten van de uitstekende songs. Daarin putte Weston King steeds weer uit zijn eigen ervaringswereld en wist op die manier zijn luisteraars op vrij eenvoudige wijze zeer nauw te betrekken bij hetgeen hij bracht.

“Cosmic Fireworks” is een royale – 2 CD’s beslaande – bloemlezing uit ’s mans werk als speerpunt van The Good Sons. Van het in 1995 verschenen “Singing The Glory Down” krijgen we zo ondermeer “The Leaving Time”, het Townes Van Zandt-duetje “Riding The Range” en “Gods Other Son”, tussen de vijf van het uit 1996 stammende “The Kings Highway” geselecteerde tracks zitten ondermeer zijn in al haar naaktheid bloedstollend mooie versie van Nick Cave’s “Straight To You” en het al even briljante “The Girl That Got Away”, van “Wines, Lines & Valentines” uit ’97 krijgen we hier onder andere het nummer waaraan deze verzamelaar zijn titel verdankt en het fraaie tweetal “Mathilda” / “The Sun Won’t Shine Today”, en van “Happiness”, de een beetje verloren gegane zwanenzang van The Good Sons, maar liefst zeven tracks, waaronder “Tim Hardin ‘65” en “Reason To Live”. Extraatjes zijn demo’s van “Sad Sad Truth” en “Shake This Town” en het voorheen in Europa niet verkrijgbare “Someday Never Comes”.

Een mooier muzikaal testament hadden Weston King en The Good Sons zich ons inziens nauwelijks kunnen wensen. Doe er je voordeel mee!

www.michaelwestonking.com

www.sireena.de

 

 

MIC HARRISON

“Pallbearer’s Shoes”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

De naam Mic Harrison zal in de geschiedenisboeken wellicht voor altijd wel een beetje verbonden blijven met die van de V-Roys, de groep waarin hij samen met Scott Miller verantwoordelijk was voor de leadzangpartijen en het overgrote deel van het gebrachte songmateriaal. Toen die band er in ’99 het bijltje bij neerlegde werd hij voltijds lid van rockgroep The Faults. En nadat ook daar de levenskaars al na één album vroegtijdig werd uitgeblazen zou hij ook met Superdrag weer van zich doen spreken. Maar in 2003 kwam ook aan het bestaan van die groep een einde en dus ging Harrison zich bijna noodgedwongen maar concentreren op iets wat hij wellicht al veel langer had moeten najagen: solosucces. Hij schreef een karrenvracht aan liedjes bij elkaar en begon met Superdrag-drummer Don Coffey Jr. als producer te werken aan het album dat zopas als “Pallbearer’s Shoes” het daglicht zag. En op die plaat krioelt het werkelijk van de “familiar faces”. Ex-V-Roys-collega’s Scott Miller en Paxton Sellers, Don Coffey Jr. en John Davis van Superdrag, Doug Gillard van Guided By Voices, Peggy Hambright van de JudyBats, Todd Steed en Stewart Pack dragen elk op hun eigen manier bij tot het welslagen van Harrisons eersteling voor eigen rekening. Al moet het gezegd, dat het toch vooral ’s mans ijzersterke liedjes zijn die hier de aandacht trekken. Van ingetogen Americanajuweeltjes als “Hazel’s Walking” en “Back To Knoxville” tot catchy power pop van het type “Something To Let You Down”-“Hole In My Heart” of gewoon recht-toe-recht-aan rockende stukken als “Shake Your Faith” of “Still Waiting”, het gaat Harrison schijnbaar allemaal even gemakkelijk af. En vooral de manier waarop hij het merendeel van zijn deuntjes weet te zegenen met een bijzonder melodieus karakter dwingt daarbij zondermeer het nodige respect af.

www.superdrag.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

THE NOTORIOUS CHERRY BOMBS

“The Notorious Cherry Bombs”

(Universal South)

(4) J J J J

 

Het countrygenre lijkt in The Notorious Cherry Bombs zoiets als z’n hoogsteigen Traveling Wilburys te hebben gevonden. Sfeergewijs zal het alleszins niet veel schelen. Net als bij dat supersterren-gelegenheidscollectief draait immers ook bij de opnieuw samengeroepen Cherry Bombs alles louter en alleen om de fun. Niks moet, alles kan…

De Bombs vormden in de jaren zeventig een tijd lang Rodney Crowells begeleidingsgroep. En die Crowell eet hier nu weer met een brede glimlach om de lippen van dezelfde tafel mee als collega singer-songwriter Vince Gill, pianist Tony Brown, stergitarist Richard Bennett en steelgitaartovenaar Hank DeVito. Stuk voor stuk op hun eigen manier uitgegroeid tot zeer gerespecteerde namen binnen de huidige country scene, die vier. De hitmachine Vince Gill behoeft zo al lang geen voorstelling meer. Brown groeide uit tot één van de meest gewaardeerde labelverantwoordelijken uit de business, Bennett maakte het als producer en DeVito tenslotte schreef zich een oerdegelijke reputatie bijeen met zijn liedjes.

Samen tekenen ze hier voor een album waar de spelvreugde in zeer royale mate van afdruipt. Liedjes als het kostelijke “It’s Hard To Kiss The Lips At Night That Chew Your Ass Out All Day Long”, een lap klassieke honky-tonk met de tong stevig in de wang geplant, de pittige countryrocker “Let It Roll, Let It Ride”, de sprankelende meezinger “Wait A Minute”, het ingetogen “Making Memories Of Us” – met een vocale hoofdrol voor Crowell – en de gedoodverfde hit in wording “Dangerous Curves” zijn werkelijk onweerstaanbaar van aard. En het is dan ook nagenoeg onmogelijk om deze plaat niet met de nodige sympathiebetuigingen te overladen. Vakkundig balancerend op het slappe koord tussen commerciële country en Americana houden Crowell en co immers voor de liefhebbers van elk van die beide genres de kerk vrijwel voortdurend mooi in het midden. Wij durven dit dan ook een zeer terechte nummer één-hit in de AMA-chart te noemen. En alleszins voor herhaling vatbaar…

www.thenotoriouscherrybombs.com

www.universal-south.com

 

 

THE SADIES

“Favourite Colours”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

De uit het Canadese Toronto afkomstige muzikale zonderlingen van The Sadies verkeren dezer dagen in bloedvorm. Zo leveren ze voor het ogenblik ondermeer een bijdrage aan de soundtrack bij de door hun filmmakende stadsgenoot Ron Mann gedraaide documentaire over Ed ‘Big Daddy’ Roth met de veelzeggende titel “Confessions Of A Hotroddin’, Pinstripin’, Kustomizin’ Teenage Icon”, vinden ze van langsom beter hun draai in hun nevenproject The Unintended (met verder ook Rick White (Elevator) en Greg Keelor), waarmee ze het zelfs al tot op de eerste stek in de Canadese college chart schopten, en droegen ze – zoals hier al eerder vermeld – ook hun steentje bij tot een aantal Neko Case-shows, waarvan de weerslag binnenkort ook op een live-album te bewonderen zal zijn. En toch zal er niets zijn wat de fans van Travis Good (zang, gitaren), Sean Dean (bas), Mike Belitsky (zang, drums) en Dallas Good (zang, gitaren, keyboards) off the road meer zal plezieren dan hun eigen nieuwe album. “Favourite Colours” is het ondertussen vijfde in het rijtje. En wat we daarop terugvinden sluit in grote lijnen aan bij wat we van The Sadies ondertussen gewoon zijn geraakt. Hun eigenzinnige Canadiana herbergt als vanouds elementen uit zowel country rock en sixties psychedelica, als uit Country & Western, bluegrass, surf en punk. In vergelijking met hun eerder materiaal is er evenwel een voorzichtige accentverschuiving naar het vocale. Broers vertonen nu eenmaal bijna altijd wel een zekere harmonieerdrang. Geopend wordt er wel nog met een instrumental. Maar het springerige “Northumberland West”, een eerbetoon aan het adres van wijlen Byrds-gitarist Clarence White - blijkt al snel niet echt representatief te zijn voor wat volgt. Het meteen daaropvolgende, licht psychedelische countryrockuitstapje “Translucent Sparrow” is wat dat betreft een eerste serieuze indicatie. En de klassieke C&W van “1000 Cities Falling (Part 1)” vertelt eenzelfde verhaal. “The Curdled Journey” is dan weer sombere Gothfolk met een surf touch. En “Why Be So Curious? (Part 3)” is gewoon prachtige meerstemmige sixtiespop. Hier is eclecticisme dus duidelijk geen loos begrip… Andere hoogtepuntjes zijn het statig voortschuifelende “The Iceberg”, dat op warme dagen als deze even verfrissend werkt als zijn titel doet vermoeden, en de samen met Robyn Hitchcock gebrachte en met een sfeervol twangend gitaartje versierde afsluiter “Why Would Anybody Live Here?”.

www.thesadies.net

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

MALIBU STORM

Malibu Storm”

(Rounder Europe)

(3) J J J

 

Continental Record Services, lekker kort ook wel CRS, werd onlangs omgedoopt tot het meteen een stuk prestigieuzer overkomende Rounder Europe. En om die gebeurtenis de nodige luister bij te zetten wordt er nu uitgepakt met een plaat waar men zelf heel erg veel van verwacht. Het betreft meer bepaald het in Nashville ingeblikte CD-debuut van de identieke tweelingszusjes Lauren Mills (fiddle) en Dana Burke (banjo) en hun broer Michael Alden (akoestische bas) oftewel Malibu Storm. In een productie van Mark Bright (Rascal Flatts, Jo Dee Messina) versmelten de drie op die titelloze eersteling in het gezelschap van studiocracks als Bryan Sutton (gitaar), Rob Ickes (dobro), Adam Steffey (mandoline), Steve Brewster (drums), Troy Lancaster (elektrische gitaar) en Glenn Worf (elektrische bas) elementen uit respectievelijk bluegrass, country en pop tot een buitengewoon radiovriendelijk nieuw geheel, dat in vergelijking met de meerderheid der dezer dagen in Nashville van de lopende band rollende platen een zekere speelsheid, iets bepaald fris als welgekomen surplus heeft. Helaas is het echter ook wel zo, dat de balans in vergelijking met ander bluegrassmateriaal ook onmiddellijk weer in de andere richting overhelt. Ondanks het feit dat het trio best wel een aardig eindje uit de voeten kan op de gebezigde instrumenten en er ook kwistig wordt gegrossierd in zeer mooie harmonieën heb je immers vrijwel voortdurend de indruk met een soort van popgrassversie van SheDaisy of de Dixie Chicks te maken te hebben. (Luister bijvoorbeeld maar eens naar hun benaderingen van Def Leppards “Photograph” en hun cover van “Some People’s Lives” van Janis Ian om je van ons gelijk te laten overtuigen…) Nu is daar an sich natuurlijk niks mis mee. Heel wat niet al té puristisch ingestelde country- en bluegrassliefhebbers zullen hier ongetwijfeld wel het nodige plezier aan beleven. En in navolging van de Faith Hills en de Shania Twains van deze wereld zit er misschien zelfs in Europa wel iets in voor de drie. Maar – in alle eerlijkheid - ons is het toch allemaal net iets té zoet. En da’s niet goed voor de tanden, hebben we ooit geleerd…

www.malibustorm.com

www.roundereurope.com

 

 

THE INNOCENCE MISSION

“One For Sorrow, Two For Joy”

(Agenda Music)

(3.5) J J J J

 

 “One For Sorrow, Two For Joy” is de erg fraaie nieuwe single onttrokken aan “Befriended”, het jongste album van het vanuit Lancaster, Pennsylvania al aardig wat jaren aan de weg timmerende folkpopgezelschap The Innocence Mission. Een liedje dat het binnenkort, wanneer de bladeren naar jaarlijkse gewoonte weer volop aan het vallen zullen slaan, radiogewijs best wel eens aardig zou kunnen gaan doen. Het stralende middelpunt van de belangstelling is Karen Peris. Met haar breekbare kindstemmetje – een weinig verwant aan dat van Harriet Wheeler van The Sundays of dat van Mindy Smith (“Jolene”) – tilt ze het deuntje spelenderwijs naar een hoger niveau. Iets wat trouwens ook geldt voor de twee andere liedjes hier, “Today”, geplukt van de CD “Small Planes”, en het eerder niet commercieel verkrijgbare “Peace Be With You”. Delicate folkpop voor dromers lijkt ons in dit geval geen kwade omschrijving.

www.theinnocencemission.com

www.agendamusic.com

 

 

STEVE EARLE

“The Revolution Starts… Now”

(Artemis / Ryko / Zomba)

(4) J J J J

 

Opvallend scherp loopt hij er dezer dagen bij. Weg die ruige baard van ‘m. Een blits T-shirt ter ondersteuning van zijn nieuwe CD om de bast. Het lijkt wel een soort statement, waarmee Steve Earle duidelijk wil laten blijken aan iedereen die het zien wil dat hij klaar is voor een volgende episode in zijn schijnbaar eeuwig voort durende strijd. In de voetsporen van Woody Guthrie werpt de man zich immers steeds meer op als een volbloed-protestzanger. Wie hem recent nog live aan het werk zag weet perfect wat we hiermee bedoelen…

Dat hoeft overigens niet te betekenen dat zijn nieuwe CD als geheel een topzware bedoening zou zijn. Wel integendeel! Met de snedige opener “The Revolution Starts…”, het reggae-eske “Condi, Condi” en het bitsig om zich heen schoppende “F The CC” zijn weliswaar weer de nodige strijdvaardige liedjes voorhanden, maar daar staan minstens even veel hapklare brokken tegenover. “Home To Houston” bijvoorbeeld is een door wel bijzonder twangy gitaarwerk van Eric “Roscoe” Ambel aangezwengeld countryrockertje dat het wel eens heel goed zou kunnen gaan doen tijdens Earle’s live-optredens. En “The Gringo’s Tale” en “Rich Man’s War” zijn gewoon standaard singer-songwriter stuff – dat laatste zelfs met een licht exotisch ondertoontje. “Warrior” staat dan weer wel voor de snoeiharde Earle die de laatste jaren steeds meer de overhand ging nemen. En het ingetogen “Comin’ Around”, een duetje met de omnipresente Emmylou Harris, is gewoon heel erg fraaie Americana. Eén van de leukste liedjes die Earle de jongste tijd heeft afgeleverd tout court. En dat geldt eigenlijk ook wel voor de meteen daaropvolgende soulvolle sleper “I Thought You Should Know” – met doorleefd harmonicawerk van de Hardcore Troubadour himself. En dan is er nog “The Seeker”, dat qua sfeer wel weggelopen lijkt van Springsteens “Born In The U.S.A.”. Een zomers rockdeuntje dat het niet kwaad zal gaan doen op de radio als je ’t ons vraagt. Het slotaccent wordt geplaatst met “The Revolution Starts Now”, een reprise van het openingsnummer en Earle’s oproep om mee te helpen met het verbeteren van de wereld, iets waar je in zijn ogen het best mee kan starten “in your own backyard, in your own hometown”. Een waarheid als een koe.

Wat we hiervan op voorhand verwachtten? Een zwaar politiek geladen plaat. Wat we kregen? Een opvallend toegankelijk en goed album. Earle lijkt stilaan te zijn gaan beseffen, dat de verpakking waarin je je boodschap aan de man brengt ook wel eens afschrikkend kan werken. En dat is wellicht het allerlaatste wat hij op dit moment kan gebruiken. En dus heeft hij zich zonder al té grote toegevingen te doen een weinig op die wetenschap ingesteld. De oude Woody zou trots op ‘m geweest zijn…

www.steveearle.com

www.rykodisc.com

 

 

KIERAN KANE & KEVIN WELCH

WITH FATS KAPLIN

“You Can’t Save Everybody”

(Dead Reckoning / Compass)

(4) J J J J

 

Het moest en zou er na het eerder toevallig tot stand gekomen “11 / 12 / 13: Live In Melbourne” vroeg of laat eens van gaan komen, een hernieuwde samenwerking tussen twee van de beste songwriters die Nashville momenteel rijk is, Kieran Kane en Kevin Welch. En “You Can’t Save Everybody” lost de hooggespannen verwachtingen met betrekking tot een zulk gemeenschappelijk project ook probleemloos in. De dezer dagen hyperactieve Fats Kaplin springt hier en daar bij op fiddle, tenor banjo en accordeon, en Claudia Scott mag met haar zachte, quasi gefluisterde bijdragen vocaal wat resterende gaatjes opvullen. De echte trekpleisters hier zijn echter de rootsy eigen liedjes van Kane en Welch en hun warme stemmen natuurlijk. We hebben het in deze kontreien wel eens vaker over dat typische relaxte – en o zo moeilijk onder woorden te brengen – back porch-gevoel gehad, welnu, dit album baadt er echt in. Alles klinkt hier even vrijblijvend, even losjes uit de pols gemusiceerd en toch o zo solide. Klassieke countrythema’s worden allesbehalve geschuwd. Maar terloops spuwen Kane en Welch geheel in lijn met de huidige geest des tijds toch ook even hun gal op het Amerika anno nu. Meer bepaald in Welch z’n “Everybody’s Working For The Man Again…”, waarin megaondernemingen de zwarte Piet krijgen toegeschoven voor de teloorgang van zowat alles waaraan het land ooit op veel kleinere schaal zijn charme ontleende.

Een speciale vermelding hebben we tenslotte ook nog over voor de werkelijk wonderschone afsluiter “A Prayer Like Any Other”, een ballade waarin Welch in een aan God gerichte monoloog deze laatste vraagt om een oogje in het zeil te houden met betrekking tot hem en allen die hem dierbaar zijn. Word je even heel erg stil van…

Kieran Kane & Kevin Welch

www.deadreckoningrecords.com

www.compassrecords.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Another Country”

(Agenda)

(4) J J J J

 

Je hebt het wellicht zelf ook al wel eens meegemaakt, dat je, wanneer je onder vrienden de term alt. country liet vallen, je terstond op een antwoord van de strekking “Ah, country!” getrakteerd werd. En alvorens je met andere termen als Americana kon gaan schermen had het gesprek allicht al weer lang een andere wending genomen. Frustrerend, telkens weer…

Welnu, de voorliggende verzamelaar biedt dé oplossing. Wie na het beluisteren van “Another Country” – ondertitel “Songs Of Dignity & Redemption From The Other Side Of The Tracks” – nog spontaan aan country gaat denken, is immers rijp voor opname in de één of andere gespecialiseerde instelling. Het album biedt een fraaie staalkaart van waar de alt. country-Americana-scene dezer dagen zoal voor staat. Focussend vooral op de introvertere zijde ervan. Van Jim White tot Kelly Joe Phelps, van de Scud Mountain Boys en Lambchop tot Wilco en Low, van de Be Good Tanyas tot Calexico, enzovoort. En het moet gezegd dat samensteller van dienst Mark Kirby zijn vak kent. Met fraaie dingen als “River Rat Jimmy” (Kelly Joe Phelps), “The Littlest Birds” (The Be Good Tanyas), “Service And Repair” (Calexico) of “Dynamite Walls” (Hayden) laten zich vast wel weer wat nieuwe zieltjes voor het genre winnen.

Het enige minpuntje dat zich met betrekking tot deze bijzonder sfeervolle verzamelaar laat optekenen is het ontbreken van echt nieuwe liedjes. Maar da’s wellicht iets waar alleen de echte connoisseurs zich zullen aan storen. Al zullen ook die wel vallen voor de nagenoeg onweerstaanbare charmes van deze collectie, die ondanks een zeer divers muzikaal palet een opvallende eenheid vormt.

www.agendamusic.com

 

 

CHARLIE WALLER AND THE COUNTRY GENTLEMEN

“Songs Of The American Spirit”

(Pinecastle Records)

(3.5) J J J J

 

Al sinds 1957 fungeert Charlie Waller met succes als de muzikale speerpunt van de Country Gentlemen. Dat gaat dus stilaan naar een gouden jubileum ruiken. Hoewel… Van de klassieke Country Gentlemen line-up met Eddie Adcock, John Duffey, Tom Gray en Waller zelf is enkel deze laatste overgebleven. De anderen werden vervangen door respectievelijk Greg Corbett (banjo, zang), Darin Aldridge (mandoline, gitaren, zang) en Charlie’s zoon Randy (gitaren, slide, zang). Maar het stralende middelpunt van de belangstelling is natuurlijk nog altijd Charlie Waller zelf. De man is gezegend met een ongelooflijk warme, gebronsde stem. Je zou hem een “mooizinger” kunnen noemen. Zelfs al zou je hem iets als ons nationaal volkslied voorschotelen, hij zou er wellicht nog in slagen om er een goed in het gehoor liggend countryliedje uit te persen. Zo iemand is Waller. Op en top country. En in het grensgebied tussen country en bluegrass kent hij eigenlijk nauwelijks zijn gelijke.

Voor zijn nieuwe CD deed Waller een beroep op de productionele talenten van zijn oud-collega Eddy Adcock. Samen gingen ze op zoek naar een aantal liedjes waarin hij onder het motto “Songs Of The American Spirit” weer volop zou kunnen stralen. Van Merle Haggard werd zo bijvoorbeeld “Fighting Side Of Me” geleend, van Tom T. en Dixie Hall “Joe” en “Let Me Fly Low” en van Grandpa Jones “Stay In The Wagon Yard”. Eén van de absolute highlights vonden wij persoonlijk het spitante “A Miner’s Life”, waarin Waller en de zijnen heel mooi de gouden middenweg bewandelen tussen bluegrass en klassieke country & western. En een andere echte beauty is Wallers uitvoering van “Crying In The Chapel”. Nooit geweten dat daar zoveel van een countryliedje in zat… Het is trouwens niet al Waller wat de klok slaat hier. In de levendige instrumental “Blackberry Blossom” mogen Aldridge en Corbett hem op respectievelijk de mandoline en de banjo even flink van jetje geven. En elders kleuren ook hun stemmen mooi bij die van the man in charge himself.

www.charliewaller.net

www.pinecastle.com

 

 

THE DELMORE BROTHERS

“Classic Cuts 1933 – 41”

(4 CD Box Set)

(JSP records/ Music & Words)

(4) J J J J

 

Net als de Blue Sky Boys, de Louvin Brothers, de Monroe Brothers en de Everlys maken de Delmore Brothers deel uit van het selecte kransje waarnaar meestal liefdevol verwezen wordt als “de klassieke broederparen”. Landbouwerszonen Alton (gitaar, zang) en Rabon (tenorgitaar, zang) Delmore gelden daarbij misschien wel als het meest invloedrijke van allemaal. En waarom dat zo is bewijst deze lijvige 4 CD’s, 87 nummers en ruim vier uur prachtmuziek beslaande retrospectieve met het vooroorlogse materiaal van de twee in uitgebreide mate. Met hun werkelijk vlekkeloze harmonieën en hun delicaat gitaarspel hebben de Delmores hun stempel gedrukt op het werk van zowat elk van de andere hier eerder genoemde broederparen en onrechtstreeks dus ook op hele generaties van daaropvolgende muzikanten. Ergens halverwege tussen bluegrass, gospel, blues en country vonden zij voor zichzelf de ideale niche. Ze ontwikkelden een geheel eigen stijl, die hen in de late jaren veertig en de vroege fifties via hun werk voor het gerespecteerde King-label ook een hele resem hits zou gaan opleveren.

De voorliggende collectie concentreert zich evenwel op de periode vervat tussen 1933 en 1941. En zoals we dat van het JSP-label inmiddels gewoon zijn geraakt bulkt ze van de van het nodige stof ontdane juweeltjes, voorbeeldig aangevuld met een schat aan waardevolle achtergrondinformatie – al zou men dienaangaande wat ons betreft best nog wel een beetje royaler mogen zijn. Daardoor wordt ook “Classic Cuts 1933 – 41” voor country- en bluegrassliefhebbers weer een niet te missen document met tal van prille klassiekers van de twee als “Lonesome Yodel Blues”, “Brown’s Ferry Blues”, “Lonesome Jailhouse Blues”, “Southern Moon”, “Wabash Blues”, "Gonna Lay Down My Old Guitar", "Blue Railroad Train", "False Hearted Girl”, "Rainin' on the Mountain" en “Old Mountain Dew”, om zomaar voor de vuist weg enkele van de vettere krenten uit dit bijzonder lekkere papje te vissen.

http://jsprecords.com/

www.musicwords.nl

 

 

ARTHUR DODGE & THE HORSEFEATHERS

“Room #4”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Op hun nieuwe CD “Room #4” – hun vierde ook - strooien de uit Lawrence, Kansas afkomstige Arthur Dodge en zijn Horsefeathers weer kwistig in het rond met inhoudelijk gezien behoorlijk intimistische liedjes over de liefde, het verlies daarvan en het daarmee onvermijdelijk gepaard gaande hartzeer. En daarbij doen ze meer dan eens denken aan die goeie ouwe Band. Maar ook de Byrds, Tom Petty, Bruce Springsteen, Little Steven, Bob Dylan en Neil Young zullen in huize Dodge wel in de platenkast staan. Het absorberen van al deze en andere invloeden heeft op “Room #4” geleid tot twaalf songs die zich ontegensprekelijk als Americana laten omschrijven, maar dan wel van het type overgoten met een behoorlijk soulvol sausje. De wat breekbaar aandoende, licht nasale stem van Dodge zelf en de herfstige piano- en orgelbijdragen van David Swenson zijn daaraan allicht niet vreemd. Het zijn wat ons betreft alvast de meest in het oog springende elementen van een plaat die qua sfeer met één voet in de jaren zeventig is blijven steken, maar met de andere resoluut haar weg zoekt doorheen Americanaland anno nu. Goed bezig, heren!

www.arthurdodge.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

BILLY JOE SHAVER

“Billy And The Kid”

(Compadre / Sonic Rendezvous)

(2.5) J J J

 

Op Nieuwjaarsavond 2000 verloor countrylegende Billy Joe Shaver vrij kort na zijn moeder Victory en zijn vrouw Brenda, die beiden overleden aan de gevolgen van kanker, ook nog zijn zoon Eddy. De jonge Shaver werd die avond immers dood aangetroffen in een motelkamer in Waco. Doodsoorzaak: een overdosis heroïne. Hij bleek de dood van zijn moeder nooit echt te boven te zijn gekomen.

De op de plank liggende onafgewerkte opnamen voor Eddy’s nieuwe album inspireerden Billy Joe tot een soort van laatste eerbetoon aan zijn zoon en langjarige muzikale medewerker. Hij besloot die plaat immers verder af te maken en liet zich daarbij bijstaan door producer Tony Colton, die eerder ook al met The Kid gewerkt had. “Tony Colton and I have had visits and instructions from Eddy to create this album. This album is full of love, talent and dedication with five tracks that Eddy Left Tony and me to finish,” zegt de man daarover zelf in de liner notes.

Maar al die ongetwijfeld goede bedoelingen ten spijt kan je hier nauwelijks van een voor de volle honderd procent geslaagd album spreken. Zeker, Eddy Shaver was een kanjer van een (blues)gitarist en dat mag hij hier nog een laatste keer ten voeten uit komen bewijzen. En ja, dat de oude Shaver over een machtige strot beschikt, da’s ook al oud nieuws. Maar waar het ‘m allemaal een beetje aan schort, dat is aan de songs. Afgezien van het sentimentele “Fame”, een speciaal voor deze gelegenheid door Billy Joe geschreven terugblik op het samen najagen van een muzikale droom, het sfeermatig aan iets van Chris Isaak herinnerende “Window Rock” en de knappe, met – voor één keer - beheerst gitaarwerk van Eddy ingelijste countryrocker “Drown In Love” vallen die vrijwel zonder uitzondering aan de wat magere kant uit. De combinatie jong gitaargeweld - oude countryglorie werkt hier niet altijd even overtuigend zoals ze dat in het verleden elders wel deed. Wij vragen ons trouwens nog altijd af, waarom men dit album heeft toegeschreven aan Billy Joe Shaver. Inhoudelijk gezien is het immers wel degelijk een Eddy-plaat. Bij momenten – zoals bijvoorbeeld in “If It Don’t Kill You” of “King Of Fools” – heb je veeleer het gevoel naar iets van de Jeff Healey Band te luisteren, dan naar iets van de oude Shaver. En dat zegt toch wel heel veel…

(Leuk detail: de plaat verschijnt op 24 augustus, precies op Billy Joe’s vijfenzestigste verjaardag dus.)

www.billyjoeshaver.com

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

NASHVILLE BLUEGRASS BAND

“Twenty Year Blues”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

 

Met “Twenty Year Blues”, hun eerste nieuwe plaat in goed zes jaar tijd, vieren die van de Nashville Bluegrass Band tegelijk ook hun twintigste verjaardag in het vak. Een feestje dat evenwel niet kon doorgaan zonder enkele ingrijpende personeelswijzigingen. Van de Grammy Award-winnende configuratie van de groep bleven enkel Pat Enright (gitaar, zang), Alan O’Bryant (banjo, zang) en Stuart Duncan (fiddle) over. Roland White verliet de band al in 2000 om zich meer op het lesgeven te kunnen concentreren. En ook Gene Libbea hield het voor bekeken, daartoe aangezet door een verhuis naar Colorado. Zij werden op de mandoline en de bas vervangen door respectievelijk oudgediende Mike Compton en “youngster” Dennis Crouch.

Op het gewoon bij O’Bryant thuis en in eigen productie opgenomen “Twenty Year Blues” draait alles om de “feel”, aldus de heren zelf. En die heeft – zoals de titel van het album al liet vermoeden – naast een heleboel met bluegrass ook flink wat met blues te maken. Op zich geen wonder, als je weet dat fiddler Stuart Duncan een flinke boon heeft voor het werk van Vassar Clements, van wie we hier onlangs nog “Livin’ With The Blues” bespraken.

Sprankelende instrumentals als het openingsnummer “Garfield’s Blackberry Blossom”, het door Mike Compton aangedragen “Pretty Red Lips” en het van Bill Monroe geleende “Crossing The Cumberlands” staan hier zij aan zij met knappe updates van old-time pareltjes als “Sitting On Top Of The World”, Jimmie Rodgers z’n “Gambling Barroom Blues” en de door Pat Enright nieuw leven ingezongen traditional “Travelin’ Railroad Man Blues”. Daarnaast natuurlijk ook weer flink wat vocale hoogstandjes hier. Zo noteerden wij bijvoorbeeld een erg mooie uitvoering van “That’s All Right” met lead vocals van Compton en tenorpartijen van Enright, een bijzonder sfeervolle benadering van de John Hartford-Bill Monroe-klassieker “Old Riverman” met een in z’n eentje excellerende Alan O’Bryant en werkelijk verbluffend mooi a capella harmonieerwerk van de vijf in het overgeleverde “Hush (Somebody’s Callin’ My Name)”.

Op basis van dit jubileumstuk kan je dus eigenlijk alleen maar hopen, dat de heren er minstens nog eens twintig jaar bij zullen doen, want “Twenty Year Blues” is echt weer een crême van een plaat. Warm aanbevolen dan ook.

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

SAY ZUZU

“Live In Germany

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Ik mag ze wel die scherp geprijsde live-setjes van het Duitse Blue Rose Records. Altijd weer lekker veel prima waar voor lekker weinig geld. Neem nu het aan het enige tijd geleden voor het eerst in Duitsland toerende en ondertussen ter ziele gegane, gitaargerichte rootsrockgezelschap Say Zuzu gewijde drieluik. “Live In Germany” van de vier uit Boston en New Hampshire bevat net als het enkele maanden geleden nog verschenen “Live” van Hardpan twee goed gevulde muziek-CD’s en als extraatje een vijf live-clips tellende DVD. De opnames ervoor werden gemaakt in het oergezellige Bürgerhaus in Heilbronn-Böckingen. En die laten een bijzonder goed op elkaar ingespeelde band horen (en zien). Met in Jon Nolan en Cliff Murphy liefst twee prima zangers en liedjesschrijvers in de rangen bovendien. En Nolan toont zich daarnaast ook nog eens een knap gitarist. Een cover van Neil Youngs “Like A Hurricane” illustreert dat bijvoorbeeld uitstekend. Eén van de weinige geleende nummers hier trouwens. Want naast Tom Petty’s “The Apartment Song” en twee door de band nieuw gearrangeerde traditionals (“Gallant Forty-Twa” en “Goin’ Down The Road Feelin’ Bad”) serveerden die van Say Zuzu verder enkel eigen materiaal. En dat hapt bijzonder smakelijk weg ook. Iets wat overigens geldt voor zowel de wat bedaardere bijdragen als het fraaie “Independence Day” en “Don’t Leave”, voor countrygetinte stukken als “Maylee” en “Wasting Time”, als voor onstuimige rockers van het type “The Boxing Song” of “I’m Your Man” – compleet inclusief een stukje van Neil Diamonds “Sweet Caroline”. Een leuk muzikaal testament dus.

www.sayzuzu.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

THE CARTER FAMILY

“The Carter Family Volume 2, 1935 – 1941”

(5 CD Box Set)

(JSP Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

Met de op stapel staande release van “The Unbroken Circle”, het all-star eerbetoon aan het adres van The Carter Family, hadden de verdelers van deze box set gewijd aan de tweede fase in de carrière van dat ontzettend invloedrijke rurale roots trio nauwelijks een beter moment kunnen uitkiezen om hun product opnieuw onder de aandacht te brengen. Uitgesmeerd over vijf CD’s krijgen we hier 129 liedjes – samen goed voor zo’n 6 uur en 20 minuten luisterplezier – uit de periode tussen 1935 en 1941 voorgeschoteld.

Het eerste schijfje bevat uitsluitend in mei van 1935 geregistreerde songs. Het betreft materiaal dat AP (zang), Sara (zang, autoharp, gitaar) en Maybelle Carter (gitaar) vlak na hun vertrek bij Victor inblikten tijdens hun eerste door hun mentor Ralph Peer geregelde opnamesessie voor ARC. Veertig liedjes werden in nauwelijks een week tijd ingeblikt en daarvan treffen we er hier al zesentwintig aan. Markant gegeven: deze sessie vond plaats vlak nadat Sara had bekendgemaakt dat ze AP en ook de groep zou gaan verlaten. Dat laatste kon door Peer op de valreep nog worden afgewend. De scheiding zou een weinig later effectief worden voltrokken. Gelukkig valt van dat alles niet al teveel te merken in de liedjes. In de studio werden alle privé-problemen ogenschijnlijk tijdelijk opgeborgen. Tussen de toen opgenomen liedjes treffen we nogal wat heropnames van ouder Victor-materiaal aan. Zoals bijvoorbeeld ook het ondertussen quasi onsterfelijke “Can The Circle Be Unbroken”, dat door Victor om werkelijk onbegrijpelijke redenen nooit werd uitgebracht. ARC had er alvast een vette kluif aan. Andere remakes die we hier tegenkomen zijn ondermeer “Single Girl, Married Girl” – recent nog gecoverd door Sixteen Horsepower op hun laatste CD “Folklore” -, “Keep On The Sunny Side”, “River Of Jordan”, “Lonesome Valley” en “Wildwood Flower”. Daarnaast uiteraard ook heel wat nieuwe stuff - steeds toegeschreven aan AP, maar enkele van de liedjes lijken toch verder terug te gaan in de tijd en hun roots te hebben in de Engelse folktraditie. Eén van de opvallendste nieuwe liedjes was “The Fate Of Dewey Lee”, een uit het leven gegrepen verhaal over een moord en de aansluitende veroordeling hiervoor van de dader, dat voor nogal wat opschudding zorgde bij de familieleden van Lee die indertijd vruchteloos aandrongen om het nummer niet uit te brengen.

CD 2 begint met de resterende veertien tracks van die bewuste eerste sessie voor ARC met onder andere bekende liedjes als “Will You Miss Me When I’m Gone”, “I’m Thinking Tonight Of My Blue Eyes”, “Sea Of Galilee” en “My Clinch Mountain Home”. Niet veel later zouden de Carters opnieuw van platenlabel wisselen. Hun nieuwe werkgever werd het gerenommeerde Decca, dat ondertussen reeds een indrukwekkend aantal countryartiesten had ingelijfd. Daar drong men onmiddellijk aan op nieuw materiaal. En nauwelijks een maand na hun laatste ARC-sessiedag togen de drie op 8 juni 1935 dan ook alweer de studio in voor hun eerste voor Decca. Die leverde “schone liedjes” op als “Dixie Darling”, “Give Me Your Love And I’ll Give You Mine”, “The Wayworn Traveller” en het later door ene Elvis Presley de onsterfelijkheid ingezongen “Are You Lonesome Tonight?”.

En ook de derde CD houdt ons nog even in 1935. Met tracks als “No Depression”, “In The Shadow Of Clinch Mountain”, “Hello Stranger” en “Answer To The Weeping Willow” wordt op afdoende wijze aangetoond dat The Carter Family tussen al het toendertijd opkomende Western swing- en cowboygeweld haar eigen sound – misschien wel een beetje tegen beter weten in - altijd onvoorwaardelijk trouw is gebleven.

CD 4 bevat opnames uit respectievelijk 1935, 1938 en 1940. Gezien de tijden van depressie op verkoopsvlak nu niet meteen de succesvolste van de familie, maar hun muziek die bleef wel steeds zondermeer goed. De meest in het oog springende stukken zijn hier wellicht “My Home’s Across The Blue Ridge Mountains”, “You Are My Flower” en “The Dying Mother”. En uiteraard ook “Buddies In The Saddle”, het eerste door de familie gebrachte liedje waaronder we niet de naam van AP aantreffen, maar die van Maybelle. Dat nummer en het eerder al vernoemde “The Dying Mother” en “Little Popular Log House On The Hill” zijn trouwens afkomstig van de eerste sessie die de Carters na hun terugkeer bij dat label opnieuw voor ARC afwerkten.

CD 5 tenslotte laat ons aan de hand van liedjes als “Heaven’s Radio”, “There’ll Be No Distinction There”, “Black Jack David”, “Bear Creek Blues” en “The Rambling Boy” de laatste dagen van The Carter Family van dichtbij mee beleven. In 1941 besloot men er immers definitief het bijltje bij neer te leggen. AP en Sara gingen op hun lauweren rusten. Maybelle zou met haar dochters als Mother Maybelle & The Carter Sisters blijven optreden. Zij zouden zelfs regelmatige klanten worden in de Opry.

Al bij al dus een prachtig document. Geremasterde opnamen en gedetailleerde achtergrondinformatie zorgen ervoor dat we de tweede fase in het bestaan van The Carter Family optimaal kunnen herbeleven. En gezien het belang dat ze voor de huidige roots scene hebben gehad is dat ook van harte aan te bevelen.

http://jsprecords.com/

www.musicwords.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Por Vida: A Tribute To The Songs Of Alejandro Escovedo”

(Or Music / Cooking Vinyl / Bertus)

(4) J J J J

 

Het onfortuinlijke verhaal van Alejandro Escovedo is ondertussen naar we toch wel mogen aannemen genoegzaam bekend. De in San Antonio, Texas als zoon van een Mexicaanse immigrant geboren Escovedo groeide dankzij zijn bijdragen aan groepen als The Nuns, Rank & File, The True Believers, The Setters en Buick Mackane én acht onder lofbetuigingen bedolven soloalbums uit tot één van de markantste en invloedrijkste figuren binnen het americana-marktsegment. Aanleiding genoeg voor het toonaangevende Amerikaanse tijdschrift No Depression om hem tot artiest van het decennium uit te roepen aan het eind van de vorige eeuw – en dat terwijl de concurrentie voor een dergelijke titel toch bepaald niet voor de poes was… Een weinig later – in april 2003 meer bepaald – zou het noodlot evenwel ongenadig toeslaan. Escovedo werd plots zwaar ziek. En het eerder harteloze Hepatitis C had natuurlijk geen oog voor het feit dat ’s mans muziek hem ondanks een gestaag aanzwellende reputatie door de jaren heen eigenlijk “more miles than money” – om zijn eigen woorden in “Last To Know” even te citeren – had opgeleverd. Ziekenhuisrekeningen bleven zich aan een razend snel tempo opstapelen en hulp van buitenaf bleek al snel geen overbodige luxe. Meer nog, was gewoon broodnodig. Gelukkig leert men in tijden van nood zijn vrienden kennen. En wat dat betreft mag Escovedo niet klagen. Hij blijkt er immers nogal wat gemaakt te hebben onderweg. Vrijwel allemaal werden ze onmiddellijk bereid gevonden om hun steentje bij te dragen tot “Por Vida: A Tribute To The Songs Of Alejandro Escovedo”, een dubbele benefiet-CD voor hun onfortuinlijke collega. En dat resulteerde in een zelden geziene bundeling van talent. Jon Langford zorgde in de van hem gekende stijl voor een fraaie coverillustratie. Lucinda Williams tekende voor een slepende versie van “Pyramid Of Tears”. Steve Earle van zijn kant ging aan de vooravond van “zijn eigen revolutie” een gelegenheidsverband aan met de jonge honden van Reckless Kelly voor een lekker crunchy wegrockende versie van “Paradise”. Die van Calexico trokken “Wave” dan weer volledig naar zich toe. En John Cale was verantwoordelijk voor een werkelijk huiveringwekkend mooie, intrieste benadering van “She Doesn’t Live Here Anymore”. Ex-True Believers-maatje Jon Dee Graham ging lekker loos in een stevige uitvoering van “Helpless”. Bob Neuwirth deed “Rosalie” op ingetogen wijze – bijna op zijn Willie Nelsons – uitgroeien tot één van de absolute hoogtepunten op dit lijvige labour of love. The Jayhawks drukten zoals te verwachten viel hun stempel op “Last To Know” door er een lap sfeervolle atmosferische alt. country van te maken. En de leden van het legendarische Son Volt kropen voor dit project zelfs speciaal nog één keer heel dicht bij elkaar. Hun gedreven aanpak in “Sometimes” is wat ons betreft één van de andere absolute stand-outs op deze set. Ook mooi: een exotisch verleidelijk “Inside This Dance” met Rosie Flores, een enigszins bevreemdend “Way It Goes” met een gedeelde hoofdrol voor M Ward, Vic Chesnutt en Howe Gelb, een ingetogen rockend “By Eleven” met Caitlin Cary en vooral ook Ruben Ramos’ (Los Super Seven) subtiele, op een grondlaagje van strijkers geschilderde versie van “Thirteen Years”. En wie aan al dat fraais nog niet genoeg zou hebben om zich dit album onverwijld aan te schaffen, die krijgt met het lekker heftig rockende “Break This Time” - één van de laatste liedjes waaraan Escovedo werkte voor zijn ziekte toesloeg - door de maestro zelve nog een mooi slotakkoord voor deze bijzonder fraaie verzamelaar aangeboden. Hieronder vind je naar goede gewoonte ook weer de complete tracklisting:

 

CD 1:
1. Lucinda Williams "Pyramid Of Tears"
2. Lenny Kaye "Sacramento & Polk"
3. Steve Earle & Reckless Kelly "Paradise"
4. Jon Langford & Sally Timms "Broken Bottle"
5. Calexico "Wave"
6. Jennifer Warnes "Pissed Off 2am"
7. John Cale "She Doesn't Live Here Anymore"
8. Los Lonely Boys "Castanets"
9. Cowboy Junkies "Don't Need You"
10. Charlie Sexton "Dear Head On The Wall"
11. Jon Dee Graham "Helpless"
12. Howe Gelb "She Towers Above"
13. Ian McLagan & The Bump Band "Wedding Day"
14. Tres Chicas "Rhapsody"
15. Peter Case "The End"
16. Bob Neuwirth "Rosalie"
17. The Section String Quartet "Crooked Frame"

CD 2:
1. Ian Hunter "One More Time"
2. Jayhawks "Last To Know"
3. Nicholas Tremulis Orchestra "Velvet Guitar"
4. Pete Escovedo & Sheila E. "The Ballad Of The Sun And Moon"
5. The Chris Stamey Experience Featuring Roman Candle "One True Love"
6. Son Volt "Sometimes"
7. Rosie Flores "Inside This Dance"
8. Charlie Musselwhite & Charlie Sexton  "Everybody Loves Me"
9. M. Ward With Vic Chesnutt & Howe Gelb "Way It Goes"
10. Javier Escovedo "The Rain Won't Help You When It's Over"
11. Caitlin Cary "By Eleven"
12. The Minus 5 "I Was Drunk"
13. The Dragons "Gravity"
14. Ruben Ramos "Thirteen Years"
15. Alejandro Escovedo "Break This Time"

 

www.alejandroescovedo.com

www.bertus.nl

 

 

I SEE HAWKS IN L.A.

“Grapevine”

(Western Seeds Record Company)

(4) J J J J

 

Ik heb het er met vrienden en collega’s wel eens vaker over gehad, dat ik de maandelijkse Freeform American Roots Chart – of de FAR - eigenlijk hoger inschat dan de wekelijkse AMA-lijst. De reden hiervoor is eerder voor de hand liggend. De FAR wordt immers samengesteld door DJ’s, mensen dus die zichzelf geen enkele beperking hoeven op te leggen. En de aan de AMA rapporterende radiostations zijn daaraan natuurlijk wel een weinig onderhevig. Hun daginvulling wordt immers mee gekleurd door wat de grotere namen uit het genre voor het ogenblik te bieden hebben. En dat gaat hoe dan ook altijd een beetje ten koste van “de kleintjes”. Dat blijkt nu nog maar eens. De verrassende nummer 1 in de FAR-lijst van de voorbije maand is “Grapevine”, de zogeheten moeilijke tweede van één van de grootste aanstormende talenten van de Californische country(rock) scene I See Hawks In L.A. In de AMA-chart (Voorlopig?) geen spoor van die nochtans verbluffend goede plaat.

De band herbergt met Rob Waller (The Magic Of Television – uitstekende zang, gitaar), Brantley Kearns (Dwight Yoakam, Dave Alvin, Hazel Dickens – zang, fiddle), Paul Marshall (Hank Thompson, Rose Maddox – zang, bas), Paul Lacques (Double Naught Spy Car, Bonedaddys – zang, gitaar, steel, dobro), Shawn Nourse (Dwight Yoakam, James Intveld – drums) en John McDuffie dan ook enkele echte muzikale kleppers in zijn rangen. En de liedjes, die met uitzondering van Clarence Carters “I Stayed Away” allemaal van de hand van Waller en Lacques zijn, zijn van een constant erg hoge kwaliteit. Met I See Hawks In L.A. beleven de mooiere momenten van het countryrockgenre weer even een korte heropleving. De jaren zeventig lijken terug dichter bij dan ooit. En prachtige countrydeunen als het met een vleugje dobro en steel besprenkelde “Hitchhiker”, de bluegrass-spring-in-‘t-veld “The Salesman”, het pittig rockende “Texarkanada”, de zalig zweverige opener “Hope Against Hope” en het twangvolle, afsluitende titelnummer “Grapevine” zullen dan ook geheid snel veel zieltjes voor zich gaan winnen. En wat ons betreft is dit bijzonder sfeervolle album dan ook een aanrader van jewelste.

www.iseehawks.com

CD Baby

Miles Of Music

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Touch My Heart: A Tribute To Johnny Paycheck”

(Sugar Hill / Munich)

(3.5) J J J J

 

De tijd dat het samenbrengen van een stel ronkende namen alleen al volstond om van een eerbetoon bij voorbaat een goed verkopende en jubelend onthaalde aangelegenheid te maken ligt alweer een tijdje achter ons. Nu zijn we op dat vlak dan ook behoorlijk verwend geworden de laatste jaren. Cash, Jennings, Springsteen, de Carter Family, Parton, Haggard, Wynn,… Het leek echt niet op te kunnen. En dan leert een mens vanzelf wel wat kritischer te worden natuurlijk. Het blijven uiteraard altijd wel leuke hebbedingetjes, dat zeker. En vaak staan er ook wel heel fraaie dingen op. Maar als geheel vallen dergelijke tributes ook wel eens een beetje tegen. En dat brengt ons bij “Touch My Heart: A Tribute To Johnny Paycheck”, de door Robbie Fulks productioneel in goede banen geleide tip of the hat aan het adres van deze laatste. Met een huisband bestaande uit Dennis Crouch (bas), Gerald Dowd (drums), Lloyd Green (pedal steel), Hank Singer (fiddle en mandoline), Joe Terry (piano) en Redd Volkaert (elektrische en akoestische gitaar) had Fulks zo op het eerste gezicht alvast de juiste mensen om zich heen om dit project tot iets moois te laten uitgroeien. En het pleit ook in zijn voordeel, dat hij zich niet heeft blind gestaard op Paychecks commerciële successen alleen. Diens veel obscuurdere Little Darling-periode wordt in kennerskringen immers algemeen beschouwd al zijn meest creatieve. En toch overheerst hier een licht gevoel van ontgoocheling. “Touch My Heart: A Tribute To Johnny Paycheck” is aangenaam luistervoer, dat valt niet te ontkennen. Maar dat je regelmatig het gevoel hebt dat hier (nog) veel meer uit te halen viel evenmin.

Tot de betere momenten rekenen we zonder ook maar de minste twijfel de bijdrage van Hank Williams III. “I’m The Only Hell My Daddy Ever Raised” klinkt in zijn weer sterk aan zijn grootvader herinnerende uitvoering zeer geloofwaardig. Dat en Bobby Bare, Jr.’s met zijn karakteristieke gebroken stem gezongen erg eigenzinnige benadering van “Motel Time Again” zijn wellicht de absolute hoogtepunten hier. Maar ook Jim Lauderdale bewijst op het zwierige “I Want You To Know” momenteel in de vorm van zijn leven te verkeren. (Die man is gewoon één van de beste countryzangers van het moment, punt uit.) Verder mogen we zeker ook Neko Case niet vergeten. Wat zij op bijzonder frivole wijze met “If I’m Gonna Sink (I Might As Well Go To The Bottom)” doet, laat zich categoriseren als country met net dat tikkeltje meer. En Robbie Fulks zelf laat zich ook niet onbetuigd. Met Gail Davies tekent hij voor honky-tonk van het puurste soort in “Shakin’ The Blues”. Dave Alvin-verzamelaars mogen ook weer in de beurs tasten. De ex-Blaster levert met “11 Months And 29 Days” een lekker bluesy contributie. En dan is er natuurlijk ook nog het opvallende samenwerkingsverband tussen de oude Bare, Radney Foster, Buck Owens en Jeff Tweedy voor een pittige versie van Paychecks zogeheten signature song “Take This Job And Shove It”.

Verder vooral veel eerder gewone country. Met bijvoorbeeld nog George Jones (“She’s All I Got”), Dallas Wayne (“I Did The Right Thing”), Johnny Bush (“Apartment #9”), Billy Yates (“The Lovin’ Machine”), Larry Cordle (“Old Violin”) en Mike Ireland (“A Man That’s Satisfied”). Stuk voor stuk meer dan behoorlijke tot uitstekende zangers die zich op vakkundige wijze van hun taak hebben gekweten, maar de echte meerwaarde ontbreekt hier toch wel een beetje. Wij zouden dit album dan ook eerder aanraden aan een countryliefhebber, dan aan iemand zich liever in het alt.-circuit beweegt. Voor de volledigheid vind je hieronder de complete tracklisting:

 

1. “If I'm Going To Sink, I Might As Well Go To The Bottom” Neko Case
2. “Someone To Give My Love To” Al Anderson
3. “Barely Hanging On To Me” Marshall Crenshaw
4. “Shakin' The Blues” Gail Davies & Robbie Fulks
5. “I Did The Right Thing”
Dallas Wayne
6. “She's All I Got” George Jones
7. “Touch My Heart” Mavis Staples
8. “I'm The Only Hell My Mamma Ever Raised” Hank Williams III
9. “I Want You To Know” Jim Lauderdale
10. “11 Months And 29 Days” Dave Alvin
11. “
Apt. #9” Johnny Bush
12. “Lovin' Machine” Billy Yates
13. “Motel Time Again” Bobby Bare Jr.
14. “A Man That's Satisfied” Mike Ireland
15. “Take This Job And Shove It” Radney Foster, Bobby Bare, Jeff Tweedy & Buck Owens
16. “Old Violin” Larry Cordle

 

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

GRIFFIN HOUSE

“Lost + Found”

(Nettwerk)

(4.5) J J J J J

 

Ik moet eerlijk bekennen, dat de naam Griffin House me tot voor kort maar bitter weinig zei. En dat betekent dus dat zijn eerder verschenen debuut “Upland” me op de één op andere manier compleet ontgaan is. Maar dat is een euvel dat snel verholpen zal worden, want wat deze uit Ohio afkomstige maar dezer dagen vanuit Nashville opererende singer-songwriter op zijn tweede CD “Lost + Found” klaarmaakt heeft me echt compleet overdonderd. Stemgewijs herinnert de man me een beetje aan Jeff Tweedy en aan Ryan Adams ook wel. Maar het zijn vooral zijn teksten en zijn melodieën die het hem doen. Verwijzingen naar het rustigere werk van Wilco, opnieuw Adams, Josh Ritter en vooral ook Matthew Ryan dringen zich onwillekeurig op. En die teksten, tja, daar leun je dus best eens even rustig voor achterover. Zelf zegt House, dat ze eigenlijk allemaal over relaties gaan. Met meisjes en vrouwen, met drugs en alcohol, met familie, met God, met “the road”, met zichzelf. Waarom? Omdat precies die relaties uitmaken wie je ooit was, wie je momenteel bent en wie je nog zal worden. Je vindt er een betekenis, een identiteit en een doel voor jezelf in terug, aldus nog de man. Behoorlijk diepgaande stuff dus, door House – een werkelijk verbluffend goede verteller – op even treffende als poëtische wijze in vaak vanuit akoestisch perspectief vertrekkende liedjes gegoten. Door de inbreng van zijn band is er echter hoegenaamd geen sprake meer van een uitsluitend akoestische aangelegenheid – zoals “Upland” er naar verluidt wel één was. Hoogtepunten vroeg je? Moeilijke vraag, want – eerlijk is eerlijk – eigenlijk heeft het gewoon geen zin om hier te gaan zoeken naar stand-outs, “Lost + Found” is er gewoon één in zijn totaliteit. Ik heb persoonlijk heel erg genoten van liedjes als de het verkennen van nieuwe horizonten na een stukgelopen relatie bezingende ballade “Liberty Line”, van het levendige “The Way I Was Made”, waarin hij op pittige wijze zijn afkomst bezingt, van de bijzonder sfeervolle Americana-opener “Amsterdam” en van het van hartzeer overlopende en in meer dan één opzicht aan Ryan Adams herinnerende “Why Won’t You Believe”. Maar ik kan me best voorstellen, dat wanneer je iemand anders naar favorieten zou vragen er wel eens een heel ander antwoord uit de bus zou kunnen komen. Dat zou mij trouwens in mijn opvatting dat dit een echte jaarlijstjesplaat is alleen maar sterken.

www.griffinhousemusic.com

www.nettwerk.com

 

 

BEAVER NELSON

“Motion”

(Freedom Records)

(3.5) J J J J

 

Al sinds zijn debuut in 1998 met het voortreffelijke “The Last Hurrah” geldt Beaver Nelson als één van de origineelste talenten die de huidige Texaanse singer-songwriter scene rijk is. Een status die hij in de daaropvolgende jaren – ook in de ogen van zulke instanties als Rolling Stone en No Depression – volop waardig bleek met drie verdere knappe albums, met name “Little Brother” (een persoonlijk favorietje), “Undisturbed” en “Legends Of The Super Heroes”. En aan die sterke reeks voegt hij er nu met veel bravoure nog eentje toe. Op “Motion”, zijn in een gedeelde productie met Scrappy Jud Newcomb opgenomen vijfde, weet Nelson zich in uitgelezen gezelschap ook verder te profileren als een al bij al toch wat aparte figuur binnen het wereldje der jonge Texaanse liedjesschrijvers. Anders dan heel wat van zijn generatiegenoten houdt hij zich immers ver van de voornamelijk op het lokale college (party) circuit afgestemde meezingtoestanden. Voor de opnames van de dertien eigen liedjes op “Motion” deed hij naast op Newcomb (gitaren, orgel, bas, lap steel, zang) verder ook nog een beroep op Stephen Belans (drums, percussie, vibrafoon), Josh Gravelin (bas, Farfisa, zang), Matt Hubbard (keyboards, harmonica, melotron), Kevin Russell van The Gourds (mandoline) en Jeff Johnston (zingende zaag, zang). En op het poëtische “Tell Me” – met prachtig akoestisch gitaarwerk van Newcomb overigens – steekt ook de hier erg hoog ingeschatte Eliza Gilkyson vocaal even een handje toe.

Zoals het gebruikte instrumentarium al een beetje deed vermoeden blijkt “Motion” muzikaal gezien een behoorlijk speels en gevarieerd geheel. Er is de gevoelsmatig een weinig met Crowded House verwante (roots)pop van “The Unfortunately Entitled Hey Little Mockingbird” – gekleurd door een sfeervolle interventie van Jeff Johnstons zingende zaag -, de reggae touch van “It Is There”, waarin Nelson even klinkt als Graham Parker, het bij momenten licht Diddley-esk rockende “Too Many Words”, het door Josh Gravelins Farfisa-bijdrage tegelijk naar de Sir Douglas Quintet en een hele generatie Britse pubrockers verwijzende “It Really Shouldn’t Be So Hard”, de via een a capella intro gestaag mooi open bloeiende rootspop van openingsnummer “Let’s Build A Moment”, de lekker ruwe en soulvolle gospel van “Loving Arms Of God”, enzovoort… De nadruk ligt daarbij beurtelings op eerder pop- dan wel rockgericht rootswerk. En Nelsons teksten – ditmaal rond het thema doen, in beweging blijven – zijn gewoontegetrouw echte snoepjes. Vooral niet nalaten dus om hem in het najaar ook even live te gaan bewonderen. Dat kan ondermeer op het Roots Of Heaven 3-festival in Het Patronaat in Haarlem op zondag 10 oktober.

www.beavernelson.com

www.texasmusicroundup.com

 

 

THE REDLANDS PALOMINO CO.

“By The Time You Hear This… We’ll Be Gone”

(Laughing Outlaw Records / Bertus)

(3.5) J J J J

 

We hebben ons hier wel eens eerder iets van die strekking laten ontvallen, maar je kan er dan ook steeds minder omheen, dat oorspronkelijk wél voor dat continent typische genres als alt. country en americana al lang geen exclusief Amerikaanse aangelegenheid meer zijn. Canadezen, Australiërs, Nederlanders, Belgen, Duitsers, Zweden, Noren,… We hebben ze de jongste weken zowat van overal zien komen aanwaaien. En met The Redlands Palomino Co. is dat ook nu weer het geval. Plaats van herkomst blijkt immers Londen. En ook daar wordt dezer dagen – als we tenminste mogen afgaan op het debuut van dat vijftal – uitstekende alt. country (rock) geproduceerd. Op “By The Time You Hear This… We’ll Be Gone” maken singer-songwriters Alex en Hannah Elton-Wall er nergens een geheim van dat ze een stevige boon hebben voor diverse coryfeeën uit de hoogdagen van het countryrockgenre. Schijnbaar moeiteloos wisselen ze op de eersteling van hun groep lekker stampend roots/countryrockmateriaal als “Temptation” en “This One’s For The Heartache” af met eerder traditioneel aandoende country- en folkmomenten als “Goodbye My Love”, “Make Tonight Last” en “The Same Sky”. Daarbij vallen vooral de loepzuivere stem van Hannah Elton-Wall, de puike harmonieën en het vrijwel alomtegenwoordige pedal steel-werk van David Rothon in aangename zin op. Die elementen - én de prima songs van het duo Elton-Wall uiteraard - maken van dit door Brian O’Shaughnessy (Beth Orton, Primal Scream) en Alan Tyler (Rockingbirds) geproduceerde album een erg genietbare aangelegenheid..

The Redlands Palomino Co.

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl

 

 

DRIVEWAY

“Driveway”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Zanger-liedjesschrijver Jason Taylor van het debuterende Canadese bandje Driveway zit er een beetje mee verveeld dat men zijn groep gemakshalve wat al té vaak bij alt. country onderverdeelt. En dat enkel en alleen omdat er geregeld een pedal steel opduikt op hun eersteling. Zo’n labels zijn nergens goed voor, vindt hij. Je raakt er alleen maar heel moeilijk weer van af en bovendien zijn buzz-woorden als alt. country gedoemd om ooit ook weer uit de mode te raken. Als het van hem afhangt is er in het geval van Driveway dan ook eerder sprake van een rock band. En daarin zullen we de man dan ook maar volgen zeker? Zelfs al worden als invloeden naast de Stones, de Pixies, Sonic Youth en Coldplay dan ook acts als Whiskeytown, de Jayhawks en Lucinda Williams opgegeven. Wat verwarring alleen maar in de hand werkt natuurlijk. En zelfs al IS zo’n liedje als de rootsy afsluiter “Unlucky Man” dan ook gewoon onmiskenbaar alt. country – met in de achtergrond met Stella Panacci zelfs een zangeres die zeer duidelijk aan La Williams herinnert.

Taylor heeft echter wel degelijk gelijk als hij stelt dat Driveway eerder (roots)rock is. En met gedreven liedjes als het openingsnummer “Winter”, het venijnig om zich heen trappende “Revolving”, het door een lekker strakke baslijn aangejaagde “Butterfly” en het weidse “Tomorrow”, waarin de gitaren er regelmatig stevig van langs krijgen, laat hij daarover ook niet de minste twijfel bestaan. Heeft best wel een lekkere stem trouwens, die Taylor, en ook zijn liedjes mogen er wezen, want die worden vrijwel zonder uitzondering gekenmerkt door een bijzonder catchy karakter. Knappe plaat!

www.thebanddriveway.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

TOM FREUND

“Copper Moon”

(Surf Road Records / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Nu ook gewoon lekker bij ons verkrijgbaar via Sonic Rendezvous, vandaar even een herhaling van deze hier reeds in april verschenen recensie.

 

Met zijn in 1998 afgeleverde debuut “North American Long Weekend” en de drie jaar later verschenen opvolger daarvan, het toepasselijk getitelde “Sympatico”, stal voormalig Silos-begeleider Tom Freund al stormenderhand het hart van menig een criticus. Maar wat de man, die in een ver verleden nog even een duo vormde met Ben Harper, op zijn derde CD presteert, is pas echt meesterlijk. “Copper Moon” is ontegensprekelijk zijn meest gevarieerde album tot op heden. Op deze late night trip doorheen de wonderlijkste rootsbuurten groeit Freund uit tot een regelrechte revelatie. Heerlijke lappen atmosferische Americana als titelnummer “Copper Moon” en “C’est La Vie” worden daarop immers afgewisseld met een weinig aan Joe Henry herinnerende jazzy opdondertjes als “Leavin’ Town” of “Comfortable In Your Arms” en fonkelende rock & roll zoals het met een funky snuif Jagger gekruide “Mercury” of het brisante “October Girl”. En terloops laat Freund het ook niet na om je geregeld genadeloos in te pakken met zijn werkelijk adembenemend mooie ballades à la “Babysitter (I’ll Watch Them)” of “New Moon Of The Seventh Sun”.

Tom Freund, die onlangs ook nog door grote bewonderaar Graham Parker aangezocht werd om op diens voortreffelijke nieuwe CD “Your Country” de bas te hanteren, heeft met “Copper Moon” wellicht de plaat van zijn leven gemaakt. En het zou echt doodjammer zijn, als jij die onopgemerkt aan je voorbij zou laten gaan. Want geloof ons, veel beter worden ze niet al te vaak gemaakt.

www.tomfreund.com

Sonic Rendezvous

 

 

HETTEN DES

“Powercuntry”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Een groepje dat zichzelf introduceert met de gevleugelde woorden “We’re here to put the dick in Dixie and the cunt back in c(o)untry!” kan meteen op onze onvoorwaardelijke sympathie rekenen. Zeker als het dan ook nog eens om landgenoten blijkt te gaan. Hètten Dès is immers een lekker wild combo uit het Leuvense, bestaande uit Koen “Kowboy Konrad” Verbeek (zang, gitaar), Sam Malec (leadgitaar, mandoline, bariton), Ron Wouters (double bass) en Peter Claessens (drums). Met een verleden bij acts als Sin Alley, Runnin’ Wild, Los Fabulous Frankies, Lovesteaks, Guido Belcanto, The Gearjammers, Big Bill, The Ratmen, Los Putas, Speedball Jr. en The Evil Things kunnen die vier gezamenlijk al aardig wat geloofsbrieven voorleggen. En dat “Powercuntry”, de debuutrelease van de groep - een demo eigenlijk -, al staat als een huis hoeft dan ook nauwelijks verbazing te wekken. In de zeven liedjes die het schijfje rijk is komt het tot een frontale botsing tussen behoorlijk uiteenlopende invloeden uit zowel de country- als de rock- en rockabillyhoek. Motörheads “Ace Of Spades” – de soon to be single – krijgt zo bijvoorbeeld een fikse injectie twang à la Cash toegediend. En Bruce Springsteens “Nebraska” groeit in no time uit tot een lading niets ontziend countryrockdynamiet. En wat te denken van de facelift die het openingsnummer van Social Distortion-kopstuk Mike Ness’ in ’99 verschenen solo-CD “Cheating At Solitaire”, “The Devil In Miss Jones”, hier meekrijgt. Onderkoelde twang heet zoiets, geloven we. Country met een duister kantje… En bij Warren (“Ubangi Stomp”, “Red Cadillac And A Black Mustache”) Smith z’n “Tonight Will Be The Last Night” twijfelen we weliswaar even tussen termen als het ons door de groep zelf aangereikte powercuntry en speedbilly, maar bijzonder lekker is het allemaal wel. En eigen composities als “Love Song” – met zo’n lekker ouderwetse snik in de stem van Verbeek – en “Highstreet Confidential”, een gezondheidswandeling doorheen bluesy Deltaland aan de hand van The Man In Black, hoeven daar geenszins voor onder te doen. Evenmin als de superswingende verborgen bonus track (“Dick In Dixie”, vrij naar Hank Williams III) waaraan we het hoger aangehaalde motto van de groep ontleenden.

Behoorlijk straffe kost is dit dus. En als dit door Marc “Tee” Thijs voorbeeldig geproduceerde schijfje enkel een voorbode is van wat we in de toekomst van deze vier kerels nog allemaal mogen verwachten, dan heeft Vlaanderen er naast groepen als El Fish en de Seatsniffers eindelijk weer eens een rootsgezelschap met internationale allure bij.

(p.s.: Voor wie zich die vraag al zou stellen, het aan het plaatselijke dialect van de heren ontleende Hètten Dès staat al naargelang de context voor “hard labeur” of “harde muziek”.)

 

 

THE STEVE TENPENNY BAND

“Westbound Sun”

(No Cents Music)

(3.5) J J J J

 

The Steve Tenpenny Band is een nog relatief jonge twijg aan de nog steeds in volle expansie verkerende Texaanse country(rock)boom. Dat hoor je evenwel niet aan het materiaal op hun debuut-CD “Westbound Sun”. Dat klinkt immers al zeer rijp en luistert bij momenten wel bijzonder aangenaam weg. Tenpenny beschikt over het soort van sympathieke enigszins gruizige stem dat in de Lone Star State de jongste jaren behoorlijk wat furore gemaakt heeft. En muzikaal gezien bewegen hij en zijn band zich vrijwel voortdurend in de overgangszone tussen singer-songwriters uit de Pat Green-Jack Ingram-Cory Morrow-school en wat stevigere, iets meer rockgerichte acts als Reckless Kelly en Cross Canadian Ragweed. Op zijn best is Tenpenny ons inziens in de wat rustigere nummers. Zo raakten we bijvoorbeeld bijzonder gecharmeerd door mooie liedjes als het grensverhaaltje “Mexico”, het met de bekoorlijke Fallon Franklin gebrachte ingetogen tweetal “Annie’s Song” en “Sylvia Plath”, het door Bobby Snell met een zalige bijdrage op de steelgitaar afgezoomde “Angel” en de levensbeschouwelijke meezinger “Good Beer & Good Buddies”. Maar ook opgewekte rootsy deunen als “Dixieland High” en “San Antone” konden al snel op onze goedkeuring rekenen. En dus ligt wat ons betreft de conclusie voor de hand, dat deze Steve Tenpenny een man is voor de toekomst. Een naam waar we ongetwijfeld nog het een en ander van zullen gaan horen…

www.stevetenpenny.com

 

 

JOHN TRAIN

“The Sugar Ditch”

(Record Cellar)

(3.5) J J J J

 

 “The Sugar Ditch”, de opvolger van het nogal lovend onthaalde “Looks Like Up”, is de derde CD van John Train, het uit Philadelphia afkomstige groepje met de wat excentrieke naam rond singer-songwriter Jon Houlon. Wat Houlon (zang, akoestische en elektrische gitaren) en zijn maats Steve Demarest (bas), Mike Brenner (pedal steel, slidebas, dobro), Bill Ferguson (mandoline), Mack Tucker (elektrische en steelgitaar) en Mark Schreiber (drums) ditmaal uit de hoge hoed toveren laat zich nog het best omschrijven als een lekker ouderwets conceptalbum. Geïnspireerd door een trip naar Memphis onder de verzengende hitte van een loodzware zomerzon in een gehuurde ’55 Cadillac verzon Houlon immers een verhaal rond een meisje (Randy) dat dood werd aangetroffen in een “sugar ditch” in een klein stadje in de Mississippi Delta. Dat resulteerde uiteindelijk in een muzikaal gezien eerder bevreemdend en mysterieus werkend geheel, dat in de schemerzone tussen americana en country folk elementen uit zo diverse invloedssferen als pop, blues, rock en gospel absorbeerde en zo uitgroeide tot iets volstrekt unieks. Sterkste troeven van de groep blijken daarbij Houlons bitterzoete (wat hese) stem en zijn een weinig aan John Prine reminiscente, pakkende teksten.

www.trainarmy.com

www.record-cellar.com

Miles Of Music

 

 

STEVE EARLE

“Just An American Boy” (DVD)

“Transcendental Blues Live” (DVD)

(Artemis / Rykodisc / Zomba)

(2 X 4) J J J J

 

In afwachting van zijn weldra – op 24 augustus meer bepaald - te verschijnen nieuwe CD “The Revolution Starts Now” bogen wij ons over twee DVD-releases van Steve Earle. Noem het maar een soort van mentale voorbereiding.

“Transcendental Blues Live” is een vrij natuurgetrouwe weergave van een optreden van Steve Earle & The Dukes ten tijde van zijn gelijknamige CD - uiteraard met vooral aandacht voor de nummers van die plaat dan ook. Zelf mochten we Earle live meemaken bij zijn jongste twee doortochten door Brussel (AB). En we kunnen je verzekeren dat het hier door Amos Poe opgehangen beeld van de Hardcore Troubadour perfect strookt met hetgeen de man ons voorschotelde bij zijn voorlaatste bezoek aan onze nationale hoofdstad. Met zijn Dukes Kelley Looney (bas, achtergrondzang), de lichtjes fantastische Eric “Roscoe” Ambel (gitaar, achtergrondzang) en Will Rigby (drums, achtergrondzang) brengt hij gedreven versies van ondermeer “Transcendental Blues”, “Everyone’s In Love With You”, “Steve’s Last Ramble” en “The Galway Girl”. En uiteraard ontbreken ook een aantal crowd pleasers als “Fearless Heart” en “Copperhead Road” niet. Wij misten eigenlijk alleen “My Old Friend The Blues” een beetje.

Heel andere koek is de dit jaar van de hand van dezelfde Amos Poe verschenen documentaire over Earle, “Just An American Boy”. Daarin wordt getracht om op subtiele wijze een antwoord te geven op de vraag waarom Steve Earle na zijn succesvol verlopen afkickproces steeds meer is gaan evolueren van getalenteerd singer-songwriter en gedreven rootsrocker tot man met een missie. Aan de hand van elkaar afwisselende concert- en interviewfragmenten wordt tekst en uitleg verschaft bij een aantal hete hangijzers op Earle’s programma. Zo komen we het een en ander te weten over zijn grote helden (Woody Guthrie bijvoorbeeld), over zijn afkeer jegens het Amerikaanse Irak-beleid, over zijn kruistocht voor de vrijwaring van het recht op vrije meningsuiting, over zijn diepgeworteld respect voor de essentiële mensenrechten en vooral ook over zijn strijd tegen de in zijn land nog altijd uitgevoerde doodstraf. We zien hem met The Bluegrass Dukes (met ondermeer ook Tim O’Brien) aan het werk op een festival, horen hem praten over zijn drugproblemen en zijn voorliefde voor het bluegrassgenre, mogen hem meemaken tijdens een in-jail performance, pikken een stukje mee van zijn toneelstuk “Karla”, zien hem in duet gaan met “chanteuse extraordinaire” Garrison Starr, horen hem uitgebreid ingaan op de “John Walker’s Blues”-rel en krijgen zelfs even een stukje akoestische live performance van zijn zoon Justin mee. Al bij al een buitengewoon interessant document dus voor wie de mens achter de artiest Steve Earle wat beter wil leren kennen. Al is het natuurlijk wel zo, dat er ook muzikaal weer bijzonder veel te rapen valt. Hele happen van zijn omstreden “Jerusalem”-CD natuurlijk en verder ondermeer ook het beklemmend mooie “Christmas In Washington”, de klassiekers “Guitar Town” en “Copperhead Road” en de covers “Rex’s Blues” (van één van zijn grote voorbeelden, Townes Van Zandt) en “What’s So Funny About Peace, Love And Understanding” (van Nick Lowe en volgens Earle een pregnanter thema dan ooit). Een absolute aanrader.

www.steveearle.com

www.rykodisc.com

 

 

HIGH STRANGE DRIFTERS

“Ancient Tones & Death Knells”

(3rd Silo Records)

(3.5) J J J J

 

Gezien de plotse hoogconjuctuur die rootsmuziek met een meer traditioneel karakter dezer dagen beleeft hoeft het nauwelijks nog te verwonderen dat steeds meer akoestisch georiënteerde gezelschappen de kans krijgen of gewoon grijpen om zich te manifesteren. Zo ook de High Strange Drifters. Dat in essentie vijfkoppige gezelschap rond vocalist-bluegrasslegende Ed Cunningham en leden van de Ass Ponys grijpt op “Ancient Tones & Death Knells” terug naar twaalf zogeheten Broadside Ballads – als bladmuziek voor een prikje verkochte verhalende liedjes die hun oorsprong omstreeks de zestiende-zeventiende eeuw vonden op de Britse eilanden. Die traditionals worden door Cunningham (zang, gitaren, tenor banjo, fiddle), Lisa Shaffer (zang), Randy Cheek (bas), Harold Kennedy (5-string banjo, slide, gitaren), Dave Morrison (drums, percussie, melodica, harmonium, synthesizer, melotron, orgel), Paul Patterson (viool, cello, klassieke gitaar, luit), Steve Schmidt (elektrische piano) en Natalie McClellan (akoestische bas) met het nodige respect overgeheveld naar de eerste eeuw van het nieuwe millennium. En quasi terloops komen zo overduidelijke raakvlakken met veel actuelere genres als bluegrass, country, folk en zelfs pop en rock aan het licht. “Sailor Cut Down In His Primes” bijvoorbeeld is het liedje waarop de gigantische hit “Streets Of Laredo” gebaseerd werd. En “The Golden Vanity” zal de fans van Boudewijn de Groot dan weer zeer bekend in de oren klinken. En ook de bloederige moord uit “Pretty Polly” blijkt niet in Kentucky of in Tennessee te hebben plaatsgevonden zoals algemeen wordt aangenomen, maar wel omstreeks 1750 in Engeland. Allemaal leuke weetjes zoals die zich laten aflezen van het voorbeeldig geconcipieerde booklet bij deze CD. Traditioneel verhalend erfgoed wordt hier zo wel heel erg interessant aangeboden. En liedjes als “The Cuckoo”, “Gypsy Davey”, “Mattie Groves”, “Sam Hall”, “Barbara Allen” en “Buffalo Skinners” mogen wat ons betreft dan ook snel opvolging krijgen op een verder volume.

High Strange Drifters

CD Baby

 

 

STEVE BICE

“Sixty Minutes Of Sin”

(Sin Citizen Records)

(3) J J J

 

Het jaarlijkse zomerreces in Platenland lijkt alweer definitief tot het verleden te behoren. Dat laat zich tenminste afleiden uit de gestage stroom aan nieuw materiaal die de jongste dagen weer op gang kwam. En die bleek al een paar keer goed voor de een of andere aangename verrassing. Neem nu bijvoorbeeld zo’n Steve Bice. Een stadsjongen met een zwak voor traditionele country, wiens onder begeleiding van Al Perkins (Flying Burrito Brothers) opgenomen demo enkele jaren geleden een eigen leven ging leiden als CD en langzamerhand zowat overal ter wereld lovend onthaald werd. En dus was de nood aan een opvolger op korte termijn ineens groot. Die nam Bice dan ook op onder de productionele leiding van Tom Russell-begeleiders Andrew Hardin en Fats Kaplin. Op het origineel getitelde “Sixty Minutes” krijgt hij verder ook hulp van zijn maatjes Dave Roe (bas), Max Schauf (drums), Gern Blanston (keyboards), Erin Maloney, Lorrie Singer en Bradley Kopp (harmonieën) en vooral ook de Queen Of Pulp Country herself, Kristi Rose. Bice gaat op zijn tweede plaat klassieke countrythema’s als drank, overspel en tragische eindes bepaald niet uit de weg. En zijn aparte, wat gebroken aandoende stem blijkt daarbij het ideale vehikel om die eerder op de traditionele leest geschoeide stuff aan de man te brengen. Slechts één keer waagt hij zich aan een cover. Met name Cowboy Jack Clements “Miller’s Cave” wordt op die manier het ideale referentiepunt. En eigen liedjes als het speelse “Gone Away” (met oorstrelend mooie harmonieën van Lorrie Singer), het weemoedige “Blue Water”, het met Kristi Rose gebrachte tweetal “Til I Found You” en “Twenty Years From Now”, het bepaald niet van enige pathos gespeend gebleven “My Blue Dreams” en het up-tempo “I Broke The Bottle” halen moeiteloos diezelfde vrij hoge standaard. Hier mag – ondanks dat dwaze baseballpetje op ’s mans hoofd – de omschrijving Real Country dan ook weer eens voor uit de kast worden gehaald. Wat bij dezen meteen ook gebeurd is…

www.stevebice.com