ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2005

 

 

archief

 

januari     februari     maart     april     mei     juni     juli

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Ad Vanderveen “Fields Of Plenty”The Spongetones “Number 9”David McCormack & The Polaroids “The Truth About Love” - Bobby Flores “Too Many Rivers”Alanis Morissette “Jagged Little Pill Acoustic” - Slick Fifty Seven “Love Lost Exhaust”John Reischman & The Jaybirds “The Road West”Michael Ubaldini “Avenue Of Ten Cent Hearts”Arno Adams & BJ Baartmans “Dans Met Mich” - Abigail Washburn “Song Of The Traveling Daughter”Foghorn Stringband “Weiser Sunrise”Hackensaw Boys “Love What You Do”Stephen Bruton “From The Five” - Delbert McClinton “Cost Of Living”Tom Wilson & Bob Lanois “The Shack Recordings Volume One”Cowboy Junkies “Early 21st Century Blues”Pieta Brown “In The Cool”Dale Watson & His Lone Stars “Heeah!!”Richard Thompson “Front Parlour Ballads”Carrie Newcomer “Regulars And Refugees”The Supahip “Seize The World”Cory Morrow “Nothing Left To Hide”Waco Brothers “Freedom And Wheep” - Kate Campbell “Blues And Lamentations”Eliza Gilkyson “Paradise Hotel”The South Austin Jug Band “Dark And Weary World”The Knitters “The Modern Sound Of… The Knitters”Open Road “Lucky Drive”Various Artists “Telluride Bluegrass Festival 30 Years”Uncle Earl “She Waits For Night”Lisa Redford “Lost Again”Alex Ryan “Bloom”Jimmie Dale Gilmore “Come On Back”Celilo “Ricochet” - Clumsy Lovers “Smart Kid”Ellen Gomez “The Company Of Angels” - Joe Fournier “Three Chord MacGyver”Big Blue Hearts “Here Come Those Dreams Again”Brian Setzer “Rockabilly Riot! Volume One – A Tribute To Sun Records”Tom Russell & Andrew Hardin “Hearts On The Line” (DVD)

 

AD VANDERVEEN

“Fields Of Plenty”

(Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Met Ad Vanderveen houdt Nederland een zingende songsmid achter de hand waar het met recht en rede trots kan op zijn. In het verleden sprong de man nog vrij luchtig om met het gegeven dat men hem tot in den treure toe op één en dezelfde lijn bleef plaatsen als Neil Young, maar met zijn nieuwe CD “Fields Of Plenty” lijkt hij zich nu nadrukkelijk van elke vergelijking met deze laatste te willen distantiëren. Met draagbare – maar daarom zeker niet minder gesofisticeerde – opnameapparatuur nam hij de dertien liedjes van die plaat op de meeste diverse locaties (kelders, tuinen, concertpodia) op. Het resultaat is een zeer relaxt aandoende (Americana) singer-songwriterplaat met hoog sixties/seventies-folk(pop)gehalte die probleemloos de concurrentie met haar overzeese collega’s aankan. Zonder echt frappante uitschieters, maar al evenmin zonder noemenswaardig mindere momenten. Opvallendste tracks – wellicht “for all the wrong reasons” – zijn het met enkele stukjes “This Land Is Your Land” opgeluisterde en ook tekstueel een weinig op dat Woody Guthrie-nummer geënte “Lowland Rider” en de Roger Whittaker-cover “New World In The Morning”. Speciale vermeldingen verdienen tenslotte zeker de mooie harmonieën van Kersten de Ligny en de liefdevolle liner notes van radioman Jan Donkers.

Ad Vanderveen

Sonic Rendezvous

 

 

THE SPONGETONES

“Number 9”

(Loaded Goat Records)

(4) J J J J

 

 

“Number 9” is het – tiens tiens tiens – zesde studioalbum van de inmiddels toch ook alweer zo’n vijfentwintig jaar aan de weg timmerende power pop-helden van The Spongetones. De uit gitaristen Jamie Hoover en Patrick Walters, bassist Steve Stoeckel en drummer Rob Thorne bestaande groep strooit daarop kwistig in het rond met ongegeneerd naar het geluid van tal van de Britse hit acts van de sixties lonkende liedjes. Heerlijk jengelende gitaartjes, bij momenten echt hemeltergend mooie samenzang en ongemeen knappe songs vormen als vanouds de voornaamste troeven van Hoover en co. Luister bij gelegenheid maar eens even naar het ogenschijnlijk ergens uit de Mersey opgeviste “The One That Gets You” of de elegante knipoog naar de Beach Boys die “Metal Mother World” is en je zal meteen begrijpen waarom we op deze bijzonder fraaie collectie power pop-deunen zonder dralen het etiket “Warm aanbevolen!” hebben aangebracht. Groots gewoon!

The Spongetones

CD Baby

 

 

DAVID MCCORMACK AND THE POLAROIDS

“The Truth About Love”

(Laughing Outlaw Records / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

David McCormack en zijn Polaroids onderstrepen met hun jongste CD “The Truth About Love” andermaal de kwaliteiten die hen in hun thuisland Australië inmiddels een stevige underground-reputatie hebben opgeleverd. Als geen ander verstaat die McCormack de kunst om songgewijs een brug te slaan tussen seventies-popiconen als een Ray Davies en een Jim Morrison en het heden. McCormack en de zijnen grossieren hier veertien nummers lang in Pop met een grote P. Titelnummer “The Truth About Love” koppelt zo bijvoorbeeld het melodieuze van Pulp aan weids georchestreerde pop met Spectoriaanse allures, “Who Can It Be?” moet het dan weer hebben van een licht psychedelisch randje waardoor beurtelings groepen als The Beatles, World Party en The Flaming Lips in beeld komen, “Woolloomooloo Sunset” en “Who Could You Love?” zijn radiovriendelijke gevalletjes met een hoog Kinks-gehalte en “I’m Going To Execute Yr Ex-Boyfriend” begint als iets van de Doors maar belandt uiteindelijk toch stevig met beide voeten in het hier en nu, iets waar de bezwerende orgelbijdrage van Cameron Bruce zeker niet vreemd aan is… Vanaf het alternatief gecroonde “Liquor Store” – ongeveer halverwege het af te leggen parcours – gaat het tempo aanzienlijk naar omlaag. Wat volgt zijn door de band genomen als eerder ingetogen te bestempelen liedjes. Het in een weldoend countrybad ondergedompelde “Lonely” en het als een liefdesbetuiging aan Marilyn Monroe opgevatte “Goodbye From Tomorrow” springen daarbij het meest in het oor. Tekstueel gezien komen op “The Truth About Love” de meest uiteenlopende aspecten van het met afstand meest universele aller ooit bezongen thema’s – i.e. de liefde – aan bod. Vaak wel met een behoorlijk scherp randje en misschien verklaart dat wel de enig ontzag inboezemende afbeelding van een duidelijk niet ongebruikt gebleven slagershakmes op de – overigens erg fraaie – hoes ervan.

David McCormack And The Polaroids

Laughing Outlaw Records

Bertus

 

 

BOBBY FLORES

“Too Many Rivers”

(Yellow Rose Records)

(3,5) J J J J

 

 

Bobby Flores is een man van veel metiers. De Texaan is een gewaardeerde producer, een kanjer op fiddle en gitaar en bovenal ook een mooizinger. Voeg daar nog aan toe, dat hij zijn diepgewortelde voorliefde voor traditionele country nooit echt onder stoelen of banken heeft gestoken en je weet dat je hier goed zit voor een stevige portie retro-vermaak.

Vanaf de eerste fiddle-haal van het openingsnummer, Justin Tubbs’ “Big Shoes”, is de toon gezet. “Too Many Rivers” is inderdaad één grote tip of the hat aan het adres van tal van illustere voorgangers. Het door Roger Miller gepende “When Your House Is Not A Home” kenden we zo bijvoorbeeld al in de uitvoeringen van George Jones, Don Gibson, Patsy Cline en Jean Shepard, “Brothers, Strangers And Friends” van Ronnie Milsap, “My Life’s Been A Pleasure” van Bob Wills en Willie Nelson & Merle Haggard, “Too Many Rivers” van Brenda Lee, “The Last Letter” van Waylon Jennings, “Too Late” van Jimmy Wakely, “Unloved, Unwanted” van Kitty Wells en Ray Price, “I Wonder Where You Are Tonight” van Johnny Bond en Keith Whitley, “I’ve Just Destroyed The World (I’m Living In)” van Willie Nelson & Ray Price en “How Long Is Forever (This Time)” van datzelfde tweetal maar dan elk afzonderlijk. En dan vergeten we er ongetwijfeld hier en daar nog wel een paar…

De steel huilt dus vrijwel voortdurend, de fiddle mag ook niet op het appel ontbreken, schuifeldrums, piano, bas en akoestische gitaar doen de rest. Vakmanschap troef hier! Maar dan wel van het type dat vooral de nostalgici onder ons zal kunnen behagen.

Bobby Flores

Yellow Rose Records

 

 

ALANIS MORISSETTE

“Jagged Little Pill Acoustic”

(Maverick / Warner)

(3,5) J J J J

 

 

Al leek het ons in eerste instantie een eerder bizarre carrièrezet, we zijn bij nader inzicht toch blij, dat Alanis Morissette haar willetje heeft doorgedreven. Heel wat van de nummers van haar formidabele doorbraakalbum “Jagged Little Pill” hadden we al meer dan één keer te vaak gehoord om er nog écht van te kunnen genieten. Het oude liedje van de binnen de weinig originele radio formats van tegenwoordig langzaam versmachte hits. Hoe goed een nummer ook is, “trop is teveel”. Alles krijgen ze kapot gedraaid, de vlotte radiojongens en –meisjes anno nu… Het was dan ook met de nodige argwaan dat we deze volledig herwerkte versie van Alanis’ debuut tegemoet zagen. Precies tien jaar na het verschijnen van die veelbesproken eersteling blaast de zangeres haar eigen nummers evenwel met veel brio nieuw leven in. In het gezelschap van topproducer Glen Ballard kiest ze voor een volledig akoestische benadering ervan. Dat verleent aan het materiaal door de band genomen een wat bezadigder karakter. Het klinkt plots allemaal een flink stuk rijper ook. Bekende liedjes als “All I Really Want”, “You Oughta Know”, “Hand In My Pocket”, “Forgiven”, “You Learn”, “Head Over Feet” en “Ironic” komen eigenlijk ontzettend fris uit de strijd. En al betekent akoestisch ten huize Morissette dan ook niet meteen hetzelfde dan dat woord gebruikt in verband met de één of andere obscure Americana singer-songwriter, wij hebben er alleszins wel opnieuw met volle teugen van genoten.

Alanis Morissette

Maverick

 

 

SLICK FIFTY SEVEN

“Love Lost Exhaust”

(Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Met hun in 2002 verschenen debuutplaat “The Ghost Of Bonnie Parker” verdienden die van Slick Fifty Seven zich in één klap een plaatsje tussen de Bottle Rockets, de Slobberbones en de Two Cow Garages van deze wereld. Hun muziek situeerde zich ergens tussen die van Jason & The Scorchers, Wilco en Hank Williams enerzijds en een stuk meer rockgeoriënteerde acts als The Pixies en Green Day anderzijds. En wat dat laatste betreft verandert er op hun nieuwe CD, het mede door Stuart Sikes geproduceerde “Love Lost Exhaust”, niet zo heel erg veel. Liedjes als de verschroeiende opener “The Parking Lot”, het met een gezonde dosis popgevoel opgewaardeerde “The Suffering” of het op gitaargehak en priemende drums rondstuiterende “The Bullets” sluiten eerder aan bij het repertoire van groepen als Green Day of Rancid dan bij de gemiddelde alt. country act van nu. En het zich op een dreigende baslijn voortslepende “The Beginning” vertoont nogal wat gelijkenissen met het vroegwerk van de Replacements. Pas in het weirde “The Ride” komen de country roots van de tandem Pedigo-Richmond en co een stuk nadrukkelijker aan bod. Da’s immers een even eigenzinnige als aantrekkelijke lap rood cowpunkvlees. Vervolgens gaat het tempo gevoelig naar omlaag in de roots rock ballad “The Warning”. Maar dat zijn maar intermezzi, want vanaf “The Ugly” is het weer volop hakken geblazen. Dan haalt het punkgevoel het duidelijk weer op punten. Dat geldt ondermeer ook nog voor “The Break” en “The Love”. Enkel in het afsluitende tweetal (“The Lost” en “The Exhaust”) komt men weer wat meer in het vaarwater van oer-cowpunks als Jason & The Scorchers. En dat had wat ons betreft eigenlijk best wat meer mogen gebeuren.

Slick Fifty Seven

Sonic Rendezvous

 

 

JOHN REISCHMAN & THE JAYBIRDS

“The Round West”

(Corvus Records)

(3,5) J J J J

 

 

In een interview in de jongste uitgave van het onvolprezen No Depression laat mandolinevirtuoos John Reischman (ex-Tony Rice Unit) geen gelegenheid onbenut om te accentueren dat we ons bij een eerste kennismaking met zijn huidige band vooral niet mogen blind staren op zijn naam. De Jaybirds vormen immers wel degelijk een groep, zo zegt hij. Hij had weliswaar het voorrecht om te mogen bepalen met wie hij graag wou musiceren, maar vanaf dan was het één voor allen, allen voor één. Bijdragen van iedereen waren even welkom.

Laten we het vanaf nu dus ook maar gewoon over The Jaybirds hebben. Naast Reischman zelf (mandoline) bestaat dat traditionele bluegrass-gezelschap verder uit Nick Hornbuckle (banjo), Jim Nunally (gitaar), Trisha Gagnon (bas) en Greg Spatz (fiddle). “The Road West” is ondertussen al hun derde album samen. En dat hoor je eraan ook! The Jaybirds zijn zeer goed op elkaar ingespeelde muzikanten, die erin slagen om het bluegrass-idioom met de nodige eerbied voor het verleden te vertalen naar het hier en nu. Traditionals als “Roustabout”, “Hop High My Lulu Gal”, “Sandy Boys”, “Liza Jane”, “Troubles” en “As Time Draws Near” worden afgewisseld met door - met uitzondering van Greg Spatz – elk van de groepsleden aangedragen originals. En ook wat de zang betreft komt bijna iedereen aan de bak. De lead vocals worden immers beurtelings verzorgd door Reischman, Gagnon en Nunally. Een groot deel van het erg afwisselende repertoire is trouwens gewoon instrumentaal. Het naar de geboorteplaats van Reischmans vader vernoemde “Allens Creek” is daar een heel sterk voorbeeld van. Dat aangrijpende deuntje illustreert als geen ander de muzikale complementariteit van de Jaybirds en groeit zodoende uit tot één van de vele hoogtepunten hier.

“The Round West” durven we zowel aan te bevelen aan liefhebbers van traditionele bluegrass als aan fans van acts als Chris Stuart & Backcountry die het eerder zoeken in een kruisbestuiving van dat genre en Americana. Erg mooi is het alleszins.

John Reischman & The Jaybirds

 

 

MICHAEL UBALDINI

“Avenue Of Ten Cent Hearts”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Over het belang van het eerste nummer van een CD zal iedereen die rechtstreeks of onrechtstreeks met muziek te maken heeft je graag zo zijn eigen theorietje verkondigen. Feit is, dat marketing-strategen het er roerend over eens zijn, dat je voor die lijsttrekkersrol maar best één van de betere, zoniet hét beste nummer van je plaat kan kiezen. Het waarom achter deze ongeschreven wet is eerder voor de hand liggend: een eerste indruk raak je zo snel niet meer kwijt. Handig dus als je een potentiële koper vlak voor zijn cruciale beslissing nog snel even koptelefoongewijs wil inpakken. Of wanneer je een criticus meteen met een goed gevoel wil opzadelen…

Waarom de Californische rootsrocker Michael Ubaldini uitgerekend het minste – absoluut niet voor de rest van zijn werk representatieve – nummer heeft uitgekozen om zijn nieuwe CD “Avenue Of Ten Cent Hearts” mee af te trappen, is voor ons dan ook één groot raadsel. De jazzigheid van “I’m A Sucker 4 You” is alvast absoluut niet aan ons besteed. Een geluk dat het bij die ene uitschuiver blijft! Vanaf het tweede nummer van de plaat, titelnummer “Ave. Of 10 Cent Hearts”, toont Ubaldini zijn ware gelaat. Stemgewijs herinnert de beste man beurtelings aan Jason Ringenberg, Peter Case en een minder hese Steve Forbert, muzikaal gezien verenigt hij het beste uit roots rock, R&B en country. Naar een wat concretere context vertaald betekent dat, dat hij ons vijftien – Minus één! – nummers lang inpakt met extreem aanstekelijke melodieën, waarin naast zijn ijzersterke stem bij momenten vooral ook zijn op de Fogerty-leest geschoeide gitaarspel in het oog springt. Het ene moment rockt Ubaldini je gezwind van je sokken (“(Lifetime Of) Bar Band Dues”), het andere opteert hij voor een wat soulvollere (Memphis-gerichte )aanpak (het met blazers versierde duo “River Of Time” en “Old Time Radio”), of verkent onvervaard rootswateren (“Stone Cold Heart” en het door een stukje zalig mondharmonicawerk gedragen en aan Springsteens beste momenten herinnerende “One Thousand Roadblocks”). De eerste indruk was hier dus duidelijk niet de juiste… Ubaldini is als je het ons vraagt immers een hele grote in wording.

Michael Ubaldini

Miles Of Music

 

 

ARNO ADAMS / BJ BAARTMANS

“Dans Met Mich”

(Inbetweens Records)

(3,5) J J J J

 

 

Met “Ich Weit Desse D’r Bus”, zijn laatste CD, wist de Limburgse dialectzanger Arno Adams ons in één klap te bekeren. Wij werden daarop vooral getroffen door de allesbehalve terughoudende manier waarop de man zijn eigen leven als voedingsbodem voor zijn liedjes gebruikte. Persoonlijker kon het haast niet! En wij waren dan ook bijzonder aangenaam verrast toen we voor het eerst hoorden van het voornemen van zijn huidige werkgever Inbetweens Records om ’s mans vorige album “Dans Met Mich” terug uit te brengen. Die door tal van Limburgse radiozenders en bladen gekoesterde plaat nam Adams in september van 2001 op in het gezelschap van klasbak BJ Baartmans. Deze laatste nam in een geïmproviseerde studio in de keuken en de woonkamer van Hoeve De Knol, een boerderij op het Brabantse platteland – in Holthees meer bepaald, niet enkel de opname, de arrangementen en de productie ervan voor zijn rekening, maar was ook in ruime mate verantwoordelijk voor de muzikale invulling van het geheel. Met bijdragen op respectievelijk gitaar, slide, mandoline, mondharmonica en diverse percussie-instrumenten verleende hij een soort van Americana-randje aan Adams’ innemende liedjes. Ook daarin groef die trouwens al zeer diep. “Dans Met Mich” zag immers het daglicht in een periode toen hem werkelijk niks bespaard leek te blijven. Een met pril vaderschap gepaard gaand gevoel van euforie moest al snel weer wijken voor ontnuchtering door een stuklopende relatie, zijn moeder – “mijn beste vriendin” – kwam te overlijden en tot overmaat van ramp werd in zijn hersenen een ernstige afwijking vastgesteld. “Kortsluiting in mijn hoofd waardoor ik elk moment kan omvallen,” aldus Adams zelf daarover.

Zoals zo vaak blijkt het leven zelf ook hier weer de best denkbare inspiratiebron. Neem bij gelegenheid maar eens de tijd om je over te geven aan uit ’s mans ziel gesneden lappen schoonheid als “Woërum”, “Veurse Geis”, “Mien Mooder” of “Doëd” en je zal ons wat dat betreft wellicht overschot van gelijk geven. Blij dan ook om dit oorspronkelijk in eigen beheer uitgebrachte dialectschijfje eindelijk een wat ruimere verdeling te zien krijgen. Dat verdient het zeker.

Arno Adams

BJ Baartmans

 

 

ABIGAIL WASHBURN

“Song Of The Traveling Daughter”

(Nettwerk)

(4,5) J J J J J

 

 

Toen we hier onlangs de jongste CD van old-time meidengroep Uncle Earl bespraken, gaven we terloops al even aan, dat Abigail Washburn algemeen getipt wordt als één van dé nieuwe namen voor het najaar van 2005. En geloof ons vrij, dat is allesbehalve overdreven. Haar debuut “Song Of The Traveling Daughter” is één lang statement van ongekende schoonheid. Wat een plaat…

Washburn, van wie voordien enkel de dubbele EP “Here In This Room / Song Of The Traveling Daughter” verscheen, slaagt er op haar visitekaartje in om een hoogst persoonlijk eigentijds old-time geluid neer te zetten. Anders dan zoveel andere vergelijkbare acts pakt ze daarop voornamelijk uit met eigen songs. Enkel de traditionals “Backstep Cindy/Purple Bamboo”, “Who’s Gonna Shoe” – ondermeer bekend in de uitvoering van Woody Guthrie – en “Nobody’s Fault But Mine” – zie bijvoorbeeld ook Blind Willie Johnson en Nina Simone – vormen wat dat betreft uitzonderingen. Het stralende middelpunt van de belangstelling vormen voortdurend haar eigen buitengwoon lenige stem en haar werkelijk onberispelijke banjospel. Jordan McDowell (gitaren, guit-jo, diverse fluiten), Ben Sollee (cello), Casey Driessen (fiddle), Amanda Kowalski (staande bas), Ryan Hoyle (percussie), Tim Lauer (accordeon, Roland), Bela Fleck (National steel, banjo) en Megan Gregory (zang) nemen bij zoveel grandeur graag nederig de rol van begeleider op zich. Subtiel plaatsen zij met hun bijdragen Washburn alleen nog maar wat nadrukkelijker op een piëdestalletje.

Abigail Washburn noemt “Song Of The Traveling Daughter” zelf haar “journey to the subtle heart of the most American of all things… transformation”. Aan een verblijf in China – Wat meteen ook de aanwezigheid hier van het volledig in het Chinees gebrachte “The Lost Lamb” verklaart! – hield de in Illinois geboren Amerikaanse immers een heel andere kijk op haar vaderland over. En precies die komt op haar eersteling dus uitgebreid aan bod. In het door John Steinbecks “East Of Eden” en haar moeder beïnvloede “Momma” exploreert ze nog haar eigen ziel, maar in het intrigerende “Eve Stole The Apple” worden bijvoorbeeld al meer universele thema’s als religie en het doorbreken van door het establishment voorgeschreven rolpatronen aangekaart. Absoluut prijsnummer is wat ons betreft echter het melancholische, uit louter verlangen opgetrokken “Rockabye Dixie”. Meteen goed voor een spontane krop in de keel. Hemels gewoon!

Abigail Washburn

Nettwerk

 

 

FOGHORN STRINGBAND

“Weiser Sunrise”

(Nettwerk)

(4) J J J J

 

 

“Weiser Sunrise” is na “Rattlesnake Tidal Wave” en “Reap What You Sow” het derde album van het uit Portland, Oregon afkomstige old-time rootscollectief de Foghorn Stringband. En net als die twee voorgangers illustreert die nieuwe plaat dat dit vijftal gewoon tot het allerbeste behoort wat dat genre op dit ogenblik te bieden heeft. Zonder ook maar één ogenblik lang de indruk te wekken het door hen gebrachte traditionele repertoire een facelift te willen geven, is het toch precies dat wat deze knapen doen. Hun okselfrisse aanpak verleent aan de hier vertolkte liedjes een soort nieuw elan waardoor ze ook in de eenentwintigste eeuw volop bestaansrecht krijgen. Voor de opnames ervan schaarde men zich in het voorjaar van dit jaar ten huize van fiddler Stephen “Sammy” Lind of mandolinespeler Caleb Klauder rond één enkele microfoon en liet men zijn inspiratie gewoon ongebreideld de vrije loop. De taak van Mike Coykendall bestond er daarbij enkel in de deuntjes zo keurig mogelijk in te blikken. Gewoon live, in één take, zonder al teveel bijkomende poespas. En die aanpak levert hier – zoals al zo vaak – één onweerstaanbaar geheel op. Een echt feest van een plaat eigenlijk. Van traditionals als “Mississippi Sawyer”, “Stagger Lee”, “Lost Girl”, “Be Nobody’s Darlin’ But Mine”, “Sleepy Eyed Joe” en “Shortening Bread” - om er zomaar willekeurig zes te noemen – straalt hier zoveel levenslust af, dat het moeilijk blijkt om stil te blijven zitten. Mooi is daarbij vooral om te horen, hoe Stephen “Sammy” Lind (fiddle, zang), Caleb Klauder (mandoline, zang), The Reverend P.T. Grover, Jr. (banjo), Kevin Sandri (gitaar, zang) en Brian Bagdonas (bas) elkaar - ondanks de zeer levendige bedoening die “Weiser Sunrise” is – nooit echt voor de voeten lopen. Elk van de betrokkenen excelleert voortdurend op zijn instrument zonder dat daarbij aan de inbreng der anderen of nog belangrijker het groepsgeluid wordt geraakt.

De titel “Weiser Sunrise” tenslotte, is wellicht een verwijzing naar het plaatsje waar de vijf elkaar ooit muzikaal vonden. De Foghorn Stringband ontstond immers als resultaat van een bijzonder inspirerende spontane jamsessie tijdens de National Fiddle Championships in het gelijknamige plaatsje Weiser in Idaho. Dat laatste mag je wat ons betreft gewoon snel weer vergeten, dat “Weiser Sunrise” een aanrader van jewelste is evenwel niet.

Foghorn Stringband

Nettwerk

 

 

HACKENSAW BOYS

“Love What You Do”

(Nettwerk)

(3,5) J J J J

 

 

Bij momenten konden wij ons niet van de indruk ontdoen, dat de hak-en-zaag-jongens voor hun nieuwe CD “Love What You Do”, hun eerste voor het Nettwerk-label, geopteerd hebben voor een wat bezadigder aanpak. Tegenover de gebruikelijke wilde old-time-anno-nu-stampers van het genre “Cannonball”, “We Are Many” en “Mecklenburg County” staan immers opvallend veel ingetogen momenten. We noemen bijvoorbeeld de met veel gevoel en gebroken stem gebrachte opener “Sun’s Work Undone”, de rootsy ballade “Bordertown”, het al bijna even bedaarde “High Faller” en de een weinig mistroostig aanvoelende tweeling “Buildings Are The Cages” en “All Good Dogs”. Tussen die twee vuurlinies bevinden zich bovendien ook nog gezapige niemendalletjes als het dubbelzinnige gipsy-jazzy “Kiss You Down There” en de ontspannen Americanadeunen “Parking Lot Song” en “Fiddle My Blues Away”. Maakt dat van “Love What You Do” een mindere plaat? Abso-zeker-weten-luut niet! Noem het maar gewoon een wat volwassener benadering van een inmiddels beproefd recept. Zonder daardoor hun jeugdige onschuld te verliezen overigens. Net zoals The Pogues dat indertijd deden met het folkgenre lijken de Hackensaw Boys old-time string music nog steeds aan een wat blitzer imago te willen helpen. En net als de hier elders besproken Foghorn Stringband, de Old Crow Medicine Show, The Wilders en aanverwanten blijven ze zodoende dan ook gewoon verplichte kost voor iedereen met een zwak voor akoestische (snaar)instrumenten en voor muziek met een oud hart en een jonge geest.

Hackensaw Boys

Nettwerk

 

 

STEPHEN BRUTON

“From The Five”

(New West / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Allround is een term die met betrekking tot Stephen Bruton zeer zeker op zijn plaats is. De man verdiende in het verleden ondermeer zijn sporen als producer van platen van Alejandro Escovedo, Marcia Ball, Jimmie Dale Gilmore, Chris Smither en Hal Ketchum, hij droeg als songwriter materiaal aan voor Kris Kristofferson, Bonnie Raitt, The Highwaymen, Willie Nelson, Waylon Jennings, Johnny Cash, Little Feat, Jimmy Buffett, Patty Loveless en Lee Roy Parnell, speelde gitaar voor Bob Dylan, Delbert McClinton, T-Bone Burnett, Elvis Costello, Sonny Landreth, Peter Case, Ray Wylie Hubbard en een schier eindeloze lijst anderen, acteerde in films als “A Star Is Born”, “Convoy”, “Miss Congeniality”, “The Alamo”, “Sweet Thing” en recent nog “Man Of The House” en - Last but not least! – blikt sinds 1993 ook regelmatig zelf zijn plaatje in.

“From The Five” is zijn vijfde so far. Negen van de twaalf liedjes daarop schreef hij zelf. Gewoon in zijn eentje of met wat hulp van muzikale vrienden als Al Anderson, Randy Jacobs, John Kilzer, Yoggie Musgrove, Dillon O’Brian, Stephen Barber en Bill Payne. Ook wat betreft de uitvoering ervan kon Bruton trouwens terugvallen op aardig wat schoon volk. Gitarist Randy Jacobs, bassist Yoggie Musgrove en drummer Steve Ferrone (Tom Petty & The Heartbreakers) verzorgden de fundamenten. De van Little Feat bekende Bill Payne en Stephen Barber tekenden voor het toetsenwerk, Glen Clark zorgde voor wat harmonicaversiersels en deed hier en daar ook vocaal een duit in het zakje, iets waar Dillon O’Brian en de jonge bluesdiva Theresa James hem graag in volgden.

Het resultaat is een bijzonder aangenaam weghappende mix van pop, rock, soul, R&B, blues en country van het type zoals die alleen in Texas lijkt te kunnen worden gemaakt. Lekker groovy spul dus. Met tal van zeer mooie momenten. We denken in dat verband bijvoorbeeld aan de vinnige bluesy rocker “Bigger Wheel”, de bijzonder soulvolle rootsy pop van “This Old World”, “That Moment When” en “Treasured Wounds”, de mijmer-pianoballade “Fading Man”, het al even ingetogen “The Halo Effect”, het funky “The Clock” – met zo’n typisch Robbie Robertson-parlando – en het met een snuif Memphis gekruide “Put Me Out Of Your Misery”. Houd het maar gewoon op ouderwets lekker spul allemaal, daarmee zullen we er heus niet ver naast zitten…

Stephen Bruton

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

DELBERT MCCLINTON

“Cost Of Living”

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Delbert McClinton heeft zich door de jaren heen weten te verzekeren van een plaatsje in het selecte legertje bestaande uit artiesten waarvan de fans niet meteen meer wereldschokkende dingen verwachten. Zo lang ze maar blijven doen waar ze goed in zijn zal het hun devote volgelingen worst wezen wat de dames en heren critici denken en schrijven over de voortbrengselen van hun idolen. Een gegeven dat je rol van recensent op losse schroeven plaatst natuurlijk… Toch willen we je hier onze mening over “Cost Of Living”, de nieuwe CD van de Texaan, niet onthouden. Daarop presenteert McClinton met uitzondering van een doorleefde versie van Jimmy Reed’s “I’ll Change My Style” uitsluitend nieuwe nummers uit de eigen koker. Met zijn door de jaren heen alleen maar beter geworden stem voelt hij zich ook ditmaal weer meteen thuis in een veelheid aan stijlen. Of het nu country is, R&B, blues of roots rock, het lijkt de man allemaal niet zo heel veel uit te maken. Nu eens sleept hij zich soulvol doorheen een hartverscheurend mooie ballade (het Mink Deville-iaanse “Kiss Her Once For Me” / de klassieke soulsleper “I’ll Change My Style”), dan weer presenteert hij zich als volbloed songwriter (de knappe, onder een flinke portie Zuidelijk grensstof bedolven story song “Down Into Mexico”), als jazzy crooner (het ogenschijnlijk op de leest van de jonge Tom Waits geschoeide “Alright By Me”) of als cowboy op jaren (“Midnight Communion”) om een ogenblik later alweer gewoon lekker rockend door te scheuren (“Dead Wrong” / “One Of The Fortunate Few” / “Right To Be Wrong”). Prominentste gasten zijn daarbij Kevin McKendree, Stuart Duncan, James Pennebaker, Al Anderson en Gary Nicholson, die met hun bijdragen op respectievelijk de (honky-tonk)piano, de fiddle, de steel en diverse andere – veelal akoestische - gitaren het geheel aan zijn typisch Texaans nasmaakje helpen. Vocaal droegen ook nog Russell Smith, Jeffrey Steele, Bekka Bramlett, Crystal Talifaro en Tom Hambridge een steentje bij. Voor de productie tekenden McClinton zelf en zijn schrijfmaatje Gary Nicholson.

Zijn fans kunnen op beide oren slapen: de krasse zestiger McClinton zit dezer dagen bijzonder goed in zijn vel en zowat elke noot op “Cost Of Living” straalt dat ook af. Lekker schijfje!

Delbert McClinton

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

TOM WILSON & BOB LANOIS

“The Shack Recordings Volume One”

(Shack Recordings)

(4) J J J J

 

 

De namen van Tom Wilson en Bob Lanois zouden je eigenlijk elk voor zich al niet meer echt vreemd mogen zijn, maar toch... Wilson geniet vooral bekendheid als de vocale krachtpatser die in het kielzog van de Tragically Hip met zijn Junkhouse de Canadese roots rock scene wereldwijd mee op de kaart hielp plaatsen en als één derde van de Canadese roots-supergroep Blackie & The Rodeo Kings, Lanois is dan weer “de broer van” en net als deze laatste een gerespecteerd producer-muzikant. Voor hun eerste gezamenlijke inspanning sloten de twee zich samen op in Lanois’ huisje op de buiten in de buurt van Hamilton, Ontario. Daar ontstond compleet vrij van elke tijdsdruk één van de puurste rootsrockplaten die wij de jongste jaren onder de neus geschoven kregen. Wellicht speelde het gebruik van – de ook vaak door Bobs broer Daniel gebruikte – oude opnameapparatuur geen geringe rol in de totstandkoming van zoveel schoonheid. In al haar naaktheid klinkt deze plaat echt ontzettend warm, héél erg organisch ook. Sfeer blijkt hier voortdurend het sleutelwoord. Bijna gestreelde akoestische en elektrische gitaren, een met veel liefde behandelde bas, schoorvoetende drums, een al even bedeesd op het voorplan tredende harmonica, maar vooral de machtige (fluister)stem van Wilson – Denk bij wijze van referentie bijvoorbeeld aan de soloplaten van Robbie Robertson! - gidsen je op “The Shack Recordings Volume One” doorheen een bijzonder grillig intimistisch – en bij momenten eigenlijk ook best wel een beetje somber en duister – muzikaal landschap. Sfeervolle, voornamelijk akoestisch gebrachte singer-songwriter Americana van het allerpuurste soort lijkt ons daarvoor de gepaste omschrijving. Met als meest in het oog springende liedjes een kippenvelversie van Dylans “Girl From The North Country”, het samen met Stephen Fearing gepende “That’s How I Walk”, het door Lanois met een fraai stukje harmonica opgeluisterde “Fennell Street” en het op een voorzichtig countrytempo gebaseerde “Going By”. Dat soort van deunen doet dit zo’n typisch kampvuurgevoel uitademend geheel uitgroeien tot een vette tip voor zowat elk zichzelf respecterend eindejaarslijstje. En al zeker dat van ons!

Tom Wilson & Bob Lanois

CD Baby

 

 

COWBOY JUNKIES

“Early 21st Century Blues”

(Latent / Cooking Vinyl / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Margo Timmins en haar kompanen van de Cowboy Junkies lijken er zich na ruim vijftien jaar in het vak maar al te goed van bewust, dat het door hen gecoverde materiaal van anderen door radiojongens steeds weer dankbaar wordt opgepikt. Het besef dat daarvan een niet te versmaden extra promotionele kracht uitgaat zou dan ook best wel eens aan de basis kunnen hebben gelegen van hun beslissing om een grotendeels met covers gevuld album in te blikken. “Early 21st Century Blues” bevat zo naast twee Michael Timmins originals uitsluitend liedjes van de hand van anderen. Van Bob Dylan is er “License To Kill”, van Bruce Springsteen koos men “Brothers Under The Bridge” en “You’re Missing”, van Richie Havens “Handouts In The Rain”, van George Harrison “Isn’t It A Pity”, van diens Beatles-maatje John Lennon “I Don’t Want To Be A Soldier” en van U2 het alom bekende “One”. En verder krijgen ook nog de traditionals “Two Soldiers” en “No More” het stilaan vertrouwde Cowboy Junkies-kleedje aangemeten. De liefhebbers van hun grootste hit tot op heden, een naakte versie van Lou Reed’s “Sweet Jane”, zouden daarmee genoeg moeten weten. De ijle vocalen van sirene Timmins hebben na al die jaren immers nog niets aan charme ingeboet. En ook de weer wat bezadigder aandoende aanpak van haar collega’s laat zich als bijzonder smaakvol omschrijven. Voeg daar nog de subtiele nuances aan toe waarmee gastmuzikanten als John Timmins (gitaar en banjo), Jeff Bird (elektrische mandoline), Jaro Czerwinec (accordeon), Bob Egan (pedal steel) en Anne Bourne (cello) het klassieke Junkies-palet gevoelig verruimen en je bekomt een bijzonder aangenaam wegluisterende plaat. Zo eentje van het genre waarmee we binnenkort graag menig een herfstige avond zullen slijten. Enkel die storende rap van Rebel in het ellenlang uitgesponnen “I Don’t Want To Be A Soldier” had wat ons betreft beter achterwege gebleven…

Cowboy Junkies

Cooking Vinyl

Bertus

 

 

PIETA BROWN

“In The Cool”

(Valley Entertainment)

(4) J J J J

 

 

Wat is het lot van een schoon mieke dat folk singer-songwriter Greg Brown met pa mag aanspreken en er met Iris DeMent sinds kort een al even sympathieke en gerenommeerde nieuwe ma bij heeft? Vroeg of laat ook zelf in de muziek belanden uiteraard. Wat dan ook geschiedde…

De eerste regels van het muzikale levensverhaal van Pieta Brown werden al geschreven in 2002 en 2003, toen ze respectievelijk met haar titelloze debuut-CD en de enkel via-via verkrijgbare EP “I Never Told” al bewees uit het goede singer-songwriterhout gesneden te zijn. En het moet al verschrikkelijk fout lopen, wil ze zich met haar binnenkort te verschijnen nieuwe CD “In The Cool” geen wat prominenter plaatsje kunnen bemachtigen in het almaar omvangrijker wordende peloton uitstekende zingende liedjesschrijfsters die in het kielzog van de grote Lucinda Williams op zoek zijn naar een wat ruimere vorm van erkenning, de Mary Gauthiers, Stacey Earles en Caroline Herrings van deze wereld zeg maar. Op het kruispunt van genres als blues, country, folk, pop en zelfs rock schildert Brown met haar lijzige, beurtelings een weinig aan Mary Gauthier, Rickie Lee Jones en Suzanne Vega herinnerende stem innemende tafereeltjes, waarin de liefde niet zelden een centrale rol blijkt te spelen. Daarbij mag ze rekenen op de nodige back-up van bepaald niet de minsten: Bo Ramsey (Greg Brown, Lucinda Williams) hielp haar de plaat te produceren en nam daarnaast ook de gitaarpartijen voor zijn rekening, Dave Jacques (John Prine) hanteerde de bas, Kevin McKendree (Delbert McClinton) nam plaats achter de keyboards, Bryan Owings (Buddy & Julie Miller, Shelby Lynne) tekende voor bijzonder bekoorlijk drumwerk en natuurlijk kwamen ook pa Greg en diens wederhelft Iris DeMent even langs. Sterkste momenten: het een beetje op zijn Dylans over een elegant orgeltje en subtiele gitaren neergelegde rootsrockertje “Fourth Of July”, het kwartet “#807”, “This Old Dress”, “Still Around” en “Far Away”, een stel (alt.) country story songs – genre Gauthier – met opvallend voorzichtig behandelde – Lees: geborstelde! - drumvellen en al even onopvallend voorbij schuifelende gitaren, het licht bluesy titelnummer “In The Cool” en het lekker strak (country)rockende “Precious Game”.

Al bij al gewoon een uitstekende plaat!

Pieta Brown

Valley Entertainment

 

 

DALE WATSON AND HIS LONE STARS

“Heeah!!”

(Continental Song City / Rounder Europe / Munich)

(4,5) J J J J J

 

 

Dale Watson verkeert op zijn nieuwe CD in wat onze Duitse oosterburen zo treffend als “bestechender Form” omschrijven. De Texaanse honky-tonker verzamelde op “Heeah!!” een aantal wat oudere liedjes van eigen hand die ondanks hun status van live-favorieten nooit eerder op plaat belandden. Van de eerste tot de laatste noot van het album verzekert hij de liefhebber van een stevig potje traditionele country op die manier van a hell of a good time. Van levenslustige honky-tonk meezingers als “38.21.34”, “I Ain’t Been Right, Since I’ve Been Left”, “Sit And Drink And Cry”, “Outta Luck”, “Whiskey Or God” of “No Help wanted” (waarin hij met veel verve de hoogdagen van The Hag, The Possum, Buck Owens, Faron Young en co laat herleven) over bedaarde ballads à la “My Heart Is Yours” en “I Wish I Was Crazy Again” (waarin zijn Conway Twitty-Ray Price-kant weer even de bovenhand krijgt) tot een truck song als “Truckin’ Queen”, het volop naar het Zuiden geurende “Tequila And Teardrops” of de wervelende swing van titelnummer “Yeeah!!”, dit is eindelijk weer de Dale Watson zoals we ‘m kennen van weleer. Om het in wielertermen uit te drukken: met meerdere wiellengtes voorsprong de beste countryplaat van het jaar so far! Heeah!

Dale Watson

Rounder Europe

 

 

RICHARD THOMPSON

“Front Parlour Ballads”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Laat je vooral niet misleiden door de titel van Richard Thompsons nieuwe CD. De grofgevooisde Brit is daarop immers lang niet alleen in de weer met ballades. Dat wordt meteen al in het behoorlijk opgewekte openingsnummer van het album, het poppy “Let It Blow”, duidelijk. En ook het voorzichtig rockende “My Soul, My Soul” behoort zeker tot dat deel van de lading dat niet door z’n vlag gedekt wordt. Wat Thompson dan wél doet? Uitpakken met een (bijna volledig) akoestisch ingespeeld album, waarop uitsluitend nummers van eigen hand terug te vinden zijn. En zich andermaal profileren als een groot singer-songwriter / gitarist uiteraard. Door minder nadrukkelijk terug te vallen op traditionele folk(invloeden) en in een als eerder naakt te omschrijven setting zijn voornamelijk zachte, reflectieve liedjes ten beste te geven presenteert de man zich wat dat laatste betreft zelfs op zijn best. Vocaal gezien is hij in bijzonder goeden doen. En dat hij een aardig eindje uit de voeten kan op de gitaar wisten we natuurlijk al langer dan vandaag. De combinatie van akoestisch snarenwerk met voor de gelegenheid behoorlijk bedaarde zang werkt werkelijk uitstekend in songs als “For Whose Sake?”, “Cressida”, “Miss Patsy”, “Old Thames Side” en “How Does Your Garden Grow?”. Bij elke beluistering nestelen die liedjes zich weer wat comfortabeler tussen je oren. Wij zijn dan ook geneigd om “Front Parlour Ballads” nu al tot Thompsons allerbeste plaatwerk te rekenen. En dat betekent inderdaad niks minder dan dat we hier met een bescheiden meesterwerkje te maken hebben. Doe er je voordeel mee!

Richard Thompson

Cooking Vinyl

Bertus

 

 

CARRIE NEWCOMER

“Regulars And Refugees”

(Philo / Rounder / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Een kleine twee jaar geleden schreef folkie Carrie Newcomer het kortverhaal “Betty’s Diner”, waaruit kort daarop het gelijknamige titelnummer van haar vorige CD – een in 2004 verschenen “Best Of” - zou ontstaan. Nadat ze dat liedje had afgewerkt, kwam de zangeres al vrij snel tot de vaststelling, dat de bezoekers van haar fictieve restaurantje in Indiana eigenlijk nog heel wat meer te vertellen hadden. Dat leidde vervolgens opnieuw tot een heleboel nieuwe liedjes, gedichten en kortverhalen en op termijn ook tot haar nieuwe CD, het toepasselijk getitelde conceptalbum “Regulars And Refugees”. Het daarop centraal staande Betty’s Diner wordt bevolkt door de meest uiteenlopende karakters. En het is vanuit hun perspectief dat Newcomer ons een bitterzoete glimp gunt in het leven zoals het is. Met haar aangename, bijzonder expressieve altstem schildert ze in veertien poppy folkliedjes evenveel uit het leven van alledag gegrepen tafereeltjes, waarin zowel de vaste klanten als de toevallig binnen gewaaide bezoekers van de genoemde eetgelegenheid figureren. Luistergrage liefhebbers van vrouwelijke singer-songwriters als een Kate Wolf, een Mary Chapin-Carpenter, een Nanci Griffith en een Shawn Colvin vinden hier dan ook een tafeltje welbereid. Onze luistertip: de gevoelige ballade “La Paloma”, waarin kokkin Ruthie het in heimwee verzuipende Mexicaanse hulpje Carlos tracht op te beuren.

Carrie Newcomer

Rounder Europe

 

 

THE SUPAHIP

“Seize The World”

(Big Radio Records)

(3,5) J J J J

 

 

The Supahip is een nieuwe band uit het Australische Sydney. Nu ja, een nieuwe band is misschien wel een té groot woord. Het gaat eigenlijk gewoon om een nevenproject van gerenommeerde singer-songwriter / producer Michael Carpenter en diens maatje Mark Moldre van Hitchcock’s Regret, die in hun drang om op spontane wijze muziek te kunnen maken gemakkelijkheidshalve maar een nieuwe groep uit de grond hebben gestampt. Verspreid over een periode van veertien maanden kwamen ze dertien keer samen om telkens op dezelfde manier aan het eind van de dag één song aan hun sessie over te houden. ’s Morgens kwam één van beiden met een ideetje de studio binnengewandeld, ’s avonds gingen ze samen met een nieuwe track onder de arm weer naar buiten.

Het op die manier ontstane debuutalbum van de groep bestaat uit twee grote delen. Enerzijds is er het eigenlijke, twaalf liedjes tellende stereo album, anderzijds bij wijze van bonus tien van de nummers nog eens herhaald in mono. Let wel, die versies verschillen soms aanzienlijk van de originelen. Op die manier wil men de luisteraar de kans geven om op twee totaal verschillende manieren van de gebrachte songs te genieten.

Pop is daarbij vrijwel voortdurend het sleutelwoord. Ballades van het type waarop ex-Beatle Paul McCartney een patent heeft worden afgewisseld met power pop, country rock, epische popescapades en meer indiegericht spul. Eén van de opvallendste tracks van het geheel is een lekker ruwe cover van “Wouldn’t It Be Good”, het liedje waarmee Nik Kershaw in de jaren tachtig een echte monsterhit scoorde. Een ander moordnummer is “Falling Backwards”: de Fab Four go country, zoiets.

Wie groepen als World Party en The Posies een warm hart toedraagt, doet er goed ook even een duik in dit zwembad te wagen. Zou wel eens zeer verkoelend kunnen blijken…

Michael Carpenter

Big Radio Records

 

 

CORY MORROW

“Nothing Left To Hide”

(Write On Records)

(3,5) J J J J

 

 

Cory Morrow heeft het bij heel wat liefhebbers van “het betere singer-songwriterwerk” serieus verkorven door zich wat al te vaak in het gezelschap van de razend populaire Pat Green te vertonen en wat al te nadrukkelijk te mikken op de Texaanse college scene. Vreemd genoeg wordt dat van hem en Green niet gepikt en van een Robert Earl Keen bijvoorbeeld wel. Nu kan Keen natuurlijk bogen op een heel wat royaler gevuld c.v. dan Morrow en Green, maar toch, het blijft een eigenaardig gegeven. Wij hebben ons alvast nooit willen laten leiden door dat vooroordeel. Op de keper beschouwd is Morrow immers wel degelijk een goeie. Hij beschikt over een aangenaam gruizige stem, schrijft melodieuze, bij momenten bijzonder smakelijk weghappende country(rock)liedjes en is bovendien een sympathieke peer. Wat wil je nog meer?

Morrow geeft met zijn nieuwe CD “Nothing Left To Hide” zelf het antwoord op die vraag. Zo trok hij voor de productie ervan bijvoorbeeld Keith Gattis aan. Die tekent daarnaast net als op het eveneens door hem geproduceerde jongste album van Dwight Yoakam ook voor het leeuwendeel van het gitaarwerk. Andere behoorlijk prominente muzikale invités zijn Taras Prodaniuk (bas), Glenn Shankle (steel), Rami Jaffee (piano, orgel, keyboards) en Waylon Payne, Andy Tubman en Walt Wilkins (zang). Zij fietsen samen met Morrow en een flink stel bekwame sessiehulpjes doorheen elf van ’s mans nieuwste composities. Bij het schrijven daarvan kon hij trouwens ook al terugvallen op flink wat hulp van buitenaf. Zo bleek achter zijn schrijftafel ondermeer ook plaats voor Walt Wilkins, Ray Wylie Hubbard, Radney Foster, Patrick Davis, Frank Jackson en alweer Gattis. Goed gezelschap als je het ons vraagt! Het hoeft dan ook helemaal niet te verbazen, dat “Nothing Left To Hide” Morrows meest voldragen werk tot op heden is. Noem het een geslaagde poging om West Coast country - en rock - voor het altaar te krijgen samen met storytelling the Texas way. De beste man varieert met veel brio voortdurend tussen Texaanse country anno nu, fraaie ballades, verhalende liedjes en lekker rockende meezingers met een flink rootsgehalte. Wij raakten bij het beluisteren van dit zondermeer aardige schijfje behoorlijk opgewonden van deunen als het zomers lijzige, met de tong diep in de wang geplant gebrachte “Good Intentions” (dat hij schreef samen met Ray Wylie Hubbard, Radney Foster en Patrick Davis), het heerlijke rootsrockertje “Heart Of Fire” - Wat ons betreft een gedroomde singlekandidaat! – en de al even zalige ballade “My Way Home”. Dat soort van liedjes maken van Cory Morrow één van de weinigen die er wel eens zou kunnen in slagen om met succes een brug te slaan tussen Texas en Nashville. En daarmee zou hij dan inderdaad weer op hetzelfde voetstuk komen te staan als… Pat Green. En zo is de cirkel weer rond!

Cory Morrow

 

 

WACO BROTHERS

“Freedom And Wheep”

(Bloodshot Records / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Ook op hun zevende CD rocken Jon Langford, Dean Schlabowske en de overige Waco Brothers je weer gewoon van de sokken. Als er al iemand aanspraak kan op maken de missing link tussen de Clash, de Stones, Cash en Hank Williams te zijn, dan zijn zij het wel. Met z’n opzwepende mix van razende cowpunk (“Nothing At All”), met een flinke shot Americana geactualiseerde pub rock (“Chosen One”, “It’s Amazing” en “How Fast The Time”), geflipte honky-tonk (het absolute prijsbeest hier, “Secrets”), country pur met een scherp randje (de ballad “Come A Long Long Way” en “Lincoln Town Car”) en countryrock van het allerbeste soort (het een weinig aan het werk van Jason Ringenberg herinnerende “On The Sly”) kiest het achttal uit Chicago ook ditmaal weer voor een no nonsense-aanpak. En eraan weerstaan is dan ook zo goed als onmogelijk. Horen is kopen!

(Als toemaatje is er bovendien opnieuw zo’n fantastische hoestekening van Langford himself. Het oog wil tenslotte ook wel wat…)

Waco Brothers

Bloodshot Records

Bertus

 

 

KATE CAMPBELL

“Blues And Lamentations”

(Large River Music)

(4) J J J J

 

 

Alvorens zich definitief om den brode met muziek te gaan inlaten bekwaamde Kate Campbell zich aan diverse universiteiten tot historicus. En als je haar muzikale c.v. er eens rustig op naslaat, dan heeft het er alle aanschijn van dat die studies ook op de muzikant Campbell hun sporen hebben nagelaten. Vooral op haar recentere platen ging ze steeds dieper in haar eigen muzikale achtertuin spitten. Met het gospelgetinte, in 2000 verschenen “Wandering Strange” focuste ze zo bijvoorbeeld op haar eigen muzikale roots, het uit 2003 stammende “Monuments” was één lange trip doorheen Zuiders Folkland, “Twang On A Wire” van datzelfde jaar een hommage aan de vrouwelijke country singer-songwriters van de vroege jaren zeventig en nu is er “Blues And Lamentations”, een album dat - zoals zijn titel dat al doet vermoeden – iets heeft met de blues. De blues vooral als universeel gevoel dan. Campbell meent immers, dat de magie van dat muziekgenre vooral daarin schuilt, dat het z’n beoefenaars de kans geeft hun zorgen van zich af te zingen.

“Blues And Lamentations” werd door Campbell in goed gezelschap volledig akoestisch ingeblikt. Walt Aldridge (productie, gitaren, bouzouki, harmonieën), Carl Jones (mandoline, banjo, akoestische gitaar), Dave Jacques (doghouse bass), Jim Hoke (klarinet, accordeon, autoharp, harmonica), Larry Franklin (fiddle), Randy Kohrs (dobro), Doug Stokes (percussie), Neil Rosengarden (trompet), Bill Huber (trombone), Ron De La Vega (cello), Mark Narmore (piano), Maura O’Connell, Guy Clark, Verlon Thompson, Cindy Walker en Mac McAnally (harmonieën) stonden haar terzijde bij het verklanken van haar geestesspinsels. En al valt dat aan het geluid absoluut niet te merken, één take volstond daarbij voor elk nummer.

En Campbells teksten, die zijn naar goede gewoonte ook weer om van te smullen. In opener “Miles Of Blues” (bloedmooie Americana!) stelt ze dat de blues zich geen geografische beperkingen laat opleggen, “Wheels Within Wheels” vertelt het waargebeurde verhaal van de Texaanse priester Burrell Cannon die er bijna in slaagde om de Wright Brothers voor te zijn in hun race om een vliegtuig te ontwerpen en het ingetogen “Shallow Grave” – met een instrumentale glansrol voor Kohrs op zijn dobro - bijt zich vast in de gelofte van een vrouw om de geest van haar voormalige minnaar die haar een langzame emotionele dood liet sterven te blijven teisteren. Het zijn slechts enkele van de vele hoogtepunten hier. Andere highlights zijn zeker ook nog de met Guy Clark gebrachte traditional “Pans Of Biscuits” – Prachtig hoe de stemmen van de twee elkaar complementeren! – en de ten dele door een gedicht van William Butler Yeats geïnspireerde en door Maura O’Connell van heerlijke harmonieën voorziene afsluiter “Peace Comes Stealing Slow”.

Om een lang verhaal kort te maken, “Blues And Lamentations” bevestigt wat we eigenlijk al veel langer wisten: Kate Campbell behoort gewoon tot de allerbeste (Americana) singer-songwriter van het ogenblik.

Kate Campbell

Large River Music

 

 

ELIZA GILKYSON

“Paradise Hotel”

(Red House / Music & Words)

(4,5) J J J J J

 

 

Persoonlijk schatten wij deze Eliza Gilkyson ontzettend hoog in. Binnen het huidige legertje singer-songwriters neemt zij dan ook een wat aparte plaats in. Met haar weelderige, in passie badende stem weet ze zowat elk gevoel optimaal te verklanken. Bovendien is La Gilkyson een dijk van een songsmid en een wellicht nog betere tekstdichteres. Eentje die hete hangijzers in haar teksten bovendien maar zelden uit de weg gaat. Op “Paradise Hotel” - Haar inmiddels ook alweer twaalfde CD! - staat alles weer volop in het teken van muzikale perfectie. Tien nummers lang grossiert Gilkyson in Americana de luxe. Mark Hallman tekende voor de productie – in samenwerking met Gilkyson zelf – en zag wellicht tot zijn grote genoegdoening een hele stoet muzikale klasbakken voorbijtrekken. Eliza’s broer Tony steelt zo bijvoorbeeld de show met een opvallende gitaarpartij in “Man Of God”, een enigszins dreigend aanvoelende, ironische gospeldeun waarin verder ook het “Cracker Choir” van zich doet spreken, een bont gezelschap bestaande uit Shawn Colvin, Marcia Ball, Ana Egge, Slaid Cleaves, Jeff Plankenhorn, Cisco Ryder, Christine Albert, Chris Gage, Ray Wylie Hubbard en Darcie Deaville. Jeff Plankenhorn draagt verderop ook nog een steentje – stemmetje! – bij tot haar geslaagde cover van World Party’s “Is It Like Today”. En Shawn Colvin passeert nogmaals de revue in het country-eske “Calm Before The Storm”. En met muzikanten als een Mike Hardwick, een Glenn Fukunaga, een Michael Ramos, een Ray Bonneville en een Rich Brotherton – om er maar enkelen te noemen – zit je natuurlijk ook wel goed.

Onze voorkeurstracks op een als geheel bijzonder sterke plaat: het volledig in het Spaans gebrachte en mede daardoor in zo’n typisch border song-sfeertje badende “Bellarosa”, de eerder al vermelde World Party-cover, het met een flard van Procol Harum’s “A Whiter Shade Of Pale” opgeluisterde titelnummer en de mooie Americana-afsluiter “When You Walk On”.

Horen is kopen!

Eliza Gilkyson

Red House Records

Music & Words

 

 

THE SOUTH AUSTIN JUG BAND

“Dark And Weary World”

(Blue Corn Music / Lucky Dice)

(3,5) J J J J

 

 

The South Austin Jug Band toert momenteel doorheen Nederland. Een prettig gevolg daarvan is, dat hun nieuwe album hier eerder op de markt wordt gegooid dan in hun thuisland de States. Op “Dark And Weary World”, de opvolger van hun door Lloyd Maines geproduceerde, titelloze debuutplaat uit 2003, blijven de vijf Texanen in grote lijnen hun eerdere sound trouw. James Hyland (zang, gitaren), Will Dupuy (doghouse bass, zang), Brian Beken (fiddle, mandoline, zang), Dennis Ludiker (mandoline, fiddle, gitaren, zang) en Willie Pipkin (leadgitaar, zang) springen ook op hun tweede weer behoorlijk creatief om met bluegrass. Op de producersstoel zat daarbij ditmaal Marvin Dykhuis. En die zag zodoende van op de eerste rij hoe elementen uit ondermeer Americana (“Dark And Weary World”), blues (“Ghost”), Western swing (“Karma” en “No Baby Swings Like Mine”), folk en pop (de nerveuze instrumental “Overdrivin The Mic”) hun weg vonden naar het als vanouds weer bijzonder aanstekelijke muzikale brouwsel van het kwintet. Het mooie van die aanpak is natuurlijk dat er op die manier een erg gevarieerd geheel uit de bus komt. Wilde high-speed-bluegrass van het genre van de traditional “Raleigh And Spencer”, de instrumental “Bluegrass In The Backwoods” of het door Dupuy aangedragen tweetal “Coon Ass” en “Delirium”, maar ook bedaarder, eerder singer-songwriter-georiënteerd spul als het titelnummer, “She Don’t Care About Me” – van de hand van Bruce Robison, vandaar allicht - of “Weather On The Wood”. Een speciale vermelding tenslotte ook nog even voor het aan het oeuvre van George en Ira Gershwin ontleende swingertje “Lady Be Good”, waarin maatjes Warren Hood (zang) en Noah “Nug” Jeffries (banjo, gitaar) hun opwachting maken. Andere graag geziene muzikale gasten zijn overigens ook nog Kim DesChamps (pedal steel) en Charlie Rose (banjo).

Samenvattend zou je kunnen stellen, dat “Dark And Weary World” een plaat is geworden, die wellicht zowel in bluegrass- als in Americana-middens op heel wat bijval zal mogen rekenen.

South Austin Jug Band

Blue Corn Music

Lucky Dice

 

 

THE KNITTERS

“The Modern Sounds Of… The Knitters”

(Zoë / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Zoals het een echt gelegenheidsproject betaamt weten The Knitters hun gelegenheden uit te kiezen. De groep ontstond in 1985 eerder toevallig toen die van X, één van de toonaangevende Amerikaanse punk acts van de tachtiger jaren, op een onbewaakt moment besloten om hun voorliefde voor country wat nadrukkelijker te ventileren. Billy Zoom, de vaste leadgitarist van de groep, werd daartoe even aan de kant geschoven en vervangen door Blaster Dave Alvin. Slechts één album leverden ze af (“Poor Little Critter On The Road” uit ’85), maar dat volstond ruimschoots om hen aan een allerminst aan de tand des tijds onderhevige cultstatus te helpen. En wij sprongen dan ook een klein gat in de lucht, toen we een poosje geleden vernamen dat Alvin (diverse gitaren), John Doe (zang, akoestische en slidegitaren), Exene Cervenka (zang), DJ Bonebrake (snare drum, percussie) en Jonny Ray Bartel (bas) terug de studio waren ingedoken om een vervolg aan dat fameuze debuut te breien. Die plaat is er nu en ze kreeg de wat ironisch aandoende titel “The Modern Sounds Of… The Knitters” mee. Ironisch, want de Knitters zoeken eigenlijk gewoon aansluiting bij het alt. country-geluid dat hen indertijd aan zo’n stevige reputatie hielp. Doe en de als vanouds weinig toonvaste Cervenka verdelen opnieuw de zangpartijen en zetten ondermeer de tanden in “Rank Stranger” van The Stanley Brothers en Steppenwolf’s “Born To Be Wild”, evenals in de X-klassiekers “Burning House Of Love” en “In This House That I Call Home”. Daarnaast springt zo op het eerste gezicht vooral “The New Call Of The Wrecking Ball” in het oog. Dat nummer werd immers geconcipieerd als een soort sequel op “Call Of The Wrecking Ball” van de klassieke eersteling van de bende. Benieuwd of “The Modern Sounds Of…” een even lang leven beschoren zal zijn als die plaat. Charmant is het allemaal alleszins wel. Eerder bedaarde klassieke country met een alt. touch en lekker wild uit de bocht vliegende stampertjes van het hier aangeboden kaliber gaan er bij ons immers altijd wel in. En wij hebben zo’n vreemd voorgevoel, dat we daarin lang niet alleen zullen staan…

The Knitters

Rounder Europe

 

 

OPEN ROAD

“Lucky Drive”

(Rounder / Munich)

(4,5) J J J J J

 

 

Van alle bluegrass acts die de voorbije jaren zo goed als uit het niets zijn komen opduiken is Open Road ons zondermeer het liefst. En daarin staan we duidelijk niet alleen. Sinds de groep in 2002 debuteerde met “Cold Wind” verdringen zowel de critici, de radiojongens als de fans van “bluegrass pur” zich met hun lofbetuigingen aan het adres van Brad(ford Lee) Folk en de zijnen. En dat hoeft eigenlijk ook helemaal niet te verwonderen. Zowel de liedjes op die fameuze eersteling als die van opvolger “… In This Life” uit 2004 en het zopas verschenen “Lucky Drive” maken immers duidelijk, dat Open Road en niemand anders de échte toekomst van het bluegrassgenre is. Zeker, je hebt natuurlijk uitstekende nieuwe groepen als de Hackensaw Boys, de Old Crow Medicine Show en Chatham County Line, maar als het over het échte, het onversneden spul gaat, dan moet je toch bij deze knapen zijn. Dat bewijzen ze ook op hun derde, door Sally Van Meter geproduceerde schijf weer. Folk levert daarop opnieuw enkele nieuwe songs aan die zo konden weggelopen zijn uit het oeuvre van pakweg de Del McCoury Band. En verder stoten we op een hele trits bloedmooie versies van bekende deunen als “After Dark”, “Little Rabbit”, “Take My Hand And Tell Me” en “Roustabout”. Allemaal etaleren zij eigenlijk maar één ding: Open Road is een ongelooflijk hecht samenspelend collectief. Brad Folk op de gitaar, Caleb Roberts op de mandoline, Keith Reed op de banjo, Eric Thorin op de bas en Paul Lee op de fiddle slagen er zodoende vrijwel voortdurend in om het klassieke bluegrass-gevoel te vertalen naar het hier en nu. Komt daar nog bij dat de (samen)zang ook al van een verbluffende kwaliteit is. Voorwaar geen klein bier! Als het hier nog om zo’n lekkere ouderwetse lap vinyl zou gaan, dan zou je zeggen dat de spelvreugde werkelijk uit elke groef lijkt te spatten. Doe er vooral je voordeel mee!

Open Road

Rounder Europe

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Telluride Bluegrass Festival 30 Years”

(Rounder / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Het Telluride Bluegrass Festival is zowat de Rock Werchter of de Pinkpop van de bluegrass. Jaar na jaar zakken duizenden fans van het genre af naar de San Juan Mountains in Colorado om er getuige te zijn van het beste wat het genre te bieden heeft. Met de release van de hier besproken CD viert het evenement zijn dertigste verjaardag. Performances van gevestigde namen als Hot Rize (“Nellie Kane”), de Nitty Gritty Dirt Band (“Fishin’ In The Dark”), Sam Bush & Friends (Béla Fleck, Gabe Witcher, Bryan Sutton, Jerry Douglas, Mark Schatz) (een bevlogen uitvoering van de classic “Molly And Tenbrooks”) of The Tim O’Brien Band (“Another Day”) worden erop afgewisseld met materiaal van de hotste nieuwkomers als Nickel Creek (“Taxman”) of The Hackensaw Boys (“Sweet Petunia”) en van Americana acts als Kasey Chambers (“Not Pretty Enough”) en The Waifs (“When I Die”). En dan zijn er ook nog bijdragen van vocaal fenomeen – En een beetje de vreemde eend in de bijt hier! - Keller Williams (“Celebrate Your Youth”), The Horse Flies (de traditional “Cluck Old Hen”), gelegenheidsproject The Boomchicks (met onder andere Mary Chapin Carpenter, Alison Brown, Andrea Zonn en Sally Van Meter) & John Cowan (een knappe vertolking van de Righteous Brothers-hit “Unchained Melody”), de Yonder Mountain String Band (“Too Late Now”) en The String Cheese Incident (voor de gelegenheid aangevuld met Martin Sexton) (een jam doorheen Stevie Wonders “I Wish”). We hebben hier met andere woorden niet alleen te maken met een met kennis van zaken samengesteld geheel, maar tevens met eentje dat getuigt van een ruimdenkende visie op het bluegrass-genre. En dat kunnen wij uiteraard alleen maar appreciëren!

(Naast deze CD is er overigens ook nog een DVD verkrijgbaar met een volledig andere – Nog betere! - tracklist.)

Telluride Bluegrass Festival

Rounder Europe

 

 

UNCLE EARL

“She Waits For Night”

(Rounder / Munich)

(4) J J J J

 

 

Van toevalligheden gesproken… Terwijl Abigail Washburn op basis van haar CD “Song Of The Traveling Daughter” a priori zowat alom wordt getipt als één van dé najaarsontdekkingen van 2005, pakte Uncle Earl, de vierkoppige meidengroep waarvan ze eveneens deel uitmaakt, in afwachting daarvan zopas alvast uit met één van dé zomerplaten van het jaar. Het naast Washburn (banjo, zang) verder nog uit Kristin Andreassen (gitaar, zang), Rayna Gellert (fiddle, gitaar, zang) en KC Groves (mandoline, gitaar, zang) bestaande kwartet doet het met “old-time for our times”. In een productie van Dirk “Cold Mountain” Powell springen de dames – een drietal originelen gemakshalve even buiten beschouwing gelaten – bijzonder creatief om met traditioneel old-time stringband-repertoire. Nu eens leunt het gebodene wat meer aan bij bluegrass (“Walkin’ In My Sleep”, “Sugar Babe”), dan weer overheerst het universele bluesgevoel (“There Is A Time”) of belandt men in het straatje waarvan ook de Be Good Tanyas zowat elke kassei moeten kennen (“Warfare”, “Willie Taylor”), maar het gebeurt allemaal met zoveel vuur, zoveel passie, zoveel verve, dat je niet anders kan dan ervoor vallen. Hier wordt niet gewoon geprobeerd om het verleden slaafs te reproduceren. Het wordt weliswaar zeer nadrukkelijk gebruikt, maar enkel en alleen in functie van de invulling van een geheel eigen muzikale visie. Eentje waarin prominente gasten als de hoger al vermelde Dirk Powell (banjo, accordeon), Dan Rose (bas) en Christine Balfa (triangel) zich klaarblijkelijk ook wel wisten te vinden.

Uncle Earl

Rounder Europe

 

 

LISA REDFORD

“Lost Again”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Wat betreft “Lost Again”, het debuut van de jonge Britse Lisa Redford, moeten we eerlijk bekennen, dat onze aandacht in eerste instantie werd getrokken door de naam van de producer ervan, te weten Gabriel “Gabe” Minnikin. Het ex-kopstuk van The Guthries neemt ook het leeuwendeel van het erop gebezigde instrumentarium voor zijn rekening. Hij is er op die manier wellicht in ruime mate mee verantwoordelijk voor, dat de mooie Redford aan de voor ons juiste kant van de grens tussen commerciële (pop) country en Americana blijft. Door het veelvuldig gebruik van instrumenten als de banjo, de mandoline, het accordeon en de lap en pedal steel komt de bijzonder warme klankkleur van de stem van Redford overigens ook alleen maar beter tot haar recht. Breekbare balladeske singer-songwriter pop (“Dragonfly”) wordt hier afgewisseld met rustige Americana-deunen (“Lost Again” / “Love You Anyway” / “You Will Know”) en wat meer naar het commerciële overhellende country pop (met een rootsy ondertoon) (“Wildfire” / “The Way It Goes” / “Why”). En daarbij kunnen met name de wat meer Americana-gerichte spulletjes hier op meer dan alleen maar wat goedkeurend gegrom rekenen.

Lisa Redford

 

 

ALEX RYAN

“Bloom”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

OZ Alex Ryan toert momenteel samen met zijn geïmmigreerde landgenoot Karl Broadie doorheen diens bakermat de UK. En de organisator van dat tourneetje mag zich wat ons betreft best wel eens stevig op de borst kloppen. Met Ryan en Broadie wist hij immers twee artiesten te paren, die zowel wat betreft hun wat aparte stemmen, als wat betreft hun muziek een weinig in elkaars vaarwater opereren. Beiden praktizeren ze voornamelijk rustige roots pop en beiden hebben ze een uit de duizenden herkenbare stem, die hen daarbij onderscheidt van het gros van hun collega’s. Meteen al van bij het openingsnummer van het zeven liedjes tellende EP’tje “Bloom” vielen wij een beetje voor die van Ryan. Licht ruig - een beetje huilerig ook wel - ploegt hij zich in het als rustige singer-songwriter pop te omschrijven “Alice” onder de vakbekwame leiding van producer-multi-instrumentalist Michael Roberts een weg doorheen een veld bezaaid met mandoline-, pedal steel- en pianovruchten. Titelnummer “Bloom” en “Serpentine” zijn dan weer eerder herfstige rootspopliedjes, met “Mannequin” komt hij even in de buurt van het materiaal dat lui als Josh Ritter en Josh Rouse met enige regelmaat afleveren, “Powder Blue” is rustig voorbij schuifelende melancholische pop, “For A Reason” een over een zacht rinkelend gitaartje uitgesmeerde mid tempo roots beauty en “Goodnight” een bluesy Americana-liedje (Australiana?) met puntig mondharmonicawerk van Brett Hunt. Bij wijze van kennismaking kan het alvast allemaal tellen. Wij kijken dan ook nu al met plezier uit naar de eerste volwaardige langspeler van deze belofte. (Dan zitten er wellicht ook wat meer smileys voor ‘m in…)

Alex Ryan

 

 

JIMMIE DALE GILMORE

“Come On Back”

(Rounder Europe)

(3,5) J J J J

 

 

 

Jimmie Dale Gilmore’s eerste plaat voor eigen rekening sedert het in 2000 verschenen en werkelijk magistrale “One Endless Night” is er één, die je niet echt representatief voor ‘m kan noemen. Op “Come On Back” beperkt hij zich immers uitsluitend tot het vertolken van materiaal van anderen. Het album is dan ook bedoeld als een soort van eerbetoon aan het adres van zijn vader, Brian Gilmore. Het bevat liedjes die de toen nog jonge Gilmore tijdens zijn kinderjaren in Lubbock, Texas dankzij zijn ouweheer - Die ging zelfs zo ver om zijn zoon naar Jimmie “The Singing Brakeman” Rodgers te vernoemen! - leerde kennen. Met zijn excentrieke nasale aanpak eigent de Flatlander zich met veel flair liedjes als “Pick Me Up On Your Way Down” (Charlie Walker), “Saginaw, Michigan” (Lefty Frizzell), “Standin’ On The Corner (Blue Yodel No. 9)” (Jimmie Rodgers), “”Don’t Let The Stars Get In Your Eyes” (Slim Willett), “Four Walls” (Jim Reeves), “I’ll Never Get Out Of This World Alive” (Hank Williams), “I’m Walking The Floor Over You” (Ernest Tubb), “I’m Movin’ On” (Hank Snow), “Don’t Worry ‘Bout Me” (Marty Robbins), “Train Of Love” (Johnny Cash), “Jimmie Brown The Newsboy” (Lester Flatt & Earl Scruggs), “Gotta Travel On” (Billy Grammer, Woody Guthrie, Bill Monroe) en “Peace In The Valley” (ondermeer Elvis) toe. In een productie van Joe Ely (ook zang, akoestische gitaar, percussie en bas) en in het uitgelezen gezelschap van Robbie Gjersoe (zie ook The Flatlanders / gitaren en lap steel), Gary Herman (bas), Eamon McLoughlin (van The Greencards / fiddle) en Chris Searles (drums en percussie) levert hij zodoende gewoon een aangenaam wegluisterende Texaanse countryplaat af. Niks meer, maar zeker ook niks minder…

Jimmie Dale Gilmore

Rounder Europe

 

 

CELILO

“Ricochet”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

 

Hun naam ontleenden de vier van Celilo aan de oudste stad van hun thuisstaat. En wat betreft de ontwikkeling van hun muziek lijken naast Whiskeytown en Neil Young vooral groepen als The Band en The Gourds geen onbelangrijke rol te hebben gespeeld voor het kwartet uit Portland, Oregon. Op “Ricochet”, hun debuut, springen al van bij de eerste beluistering meteen een aantal factoren in het oog. Naast gitarist-drummer Sloan Martins weemoedige – bij momenten op z’n Neil Youngs huilende – stem zijn dat vooral de prachtige harmonieën van violiste Annalisa Woodlee en de sfeervolle pedal steel-bijdragen van gastmuzikant Paul Brainard, die we natuurlijk vooral kennen van zijn werk bij Richmond Fontaine. Dat zijn wat ons betreft dan ook de hoekstenen van dit fraaie alt. country-geheel. Net als bij The Gourds laten zich hier en daar wel wat bluegrass-invloeden aanwijzen, maar over het algemeen neigt het geluid van de groep toch eerder naar de folk-rock-kant. Enkele van de sterkste momenten zijn het volop op het sfeervolle gitaarwerk van kopstuk Martin terende “Lookin’ For Me”, het in bluegrass gedrenkte en door Woodlee’s vocalen mee naar eenzame hoogten getilde “Molasses / Dust Devil” – Waarom zingt zij eigenlijk niet meer? Zou het album zeker ten goede zijn gekomen! – en het ouderwets countryrockende “Sweet Motherfucker”. Interessant schijfje!

Celilo

Miles Of Music

 

 

THE CLUMSY LOVERS

“Smart Kid”

(Nettwerk)

(3,5) J J J J

 

 

Het begin van het muzikale levensverhaal van de vijfkoppige Canadese “Bluegrass & Celtic” rootspopformatie The Clumsy Lovers werd al geschreven in 1998 toen de groep met het album “Picture This” haar debuut afleverde. Met die CD en het daaropvolgende sextet “Barnburner” (1999), “The Clumsy Lovers Live!” (2000), de dubbelaar “Still Clumsy After All These Years” (2001), “Under The Covers” (2002), de kerst-EP “A Very Clumsy Christmas” (2002) en het goed twee jaar geleden verschenen “After The Flood” (2003) wisten Jason Homey, Chris Jonat, Andrea Lewis, Gordon Robert en Trevor Rogers zich in eigen land al van een aardige reputatie te verzekeren. Wij moeten echter eerlijk bekennen, dat we de groep pas leerden kennen met het verschijnen van de laatste van die platen. Voor ons betekende “After The Flood” een echte openbaring. Met hun aanstekelijke mix van elementen uit pop, rock, folk, ska, reggae, Americana, bluegrass en dergelijke vloerden ze ons vrijwel ogenblikkelijk. En diezelfde ervaring viel ons naar aanleiding van hun gloednieuwe plaat opnieuw te beurt. Titelnummer “Smart Kid” koppelt een uitgesproken country feel aan een stevige portie pop, “People I’ve Been Meaning To Thank” is onvervalste high speed bluegrass, het lome, reggae-eske“Bobby Banjo” heeft ook al iets met tal van Amerikaanse rootsmuziekvormen, “Save For You”, “Okay Alright”, “Better Days” – met z’n rinkelende gitaartjes -  en “London Bridge” zijn sprankelende rootspopdeunen, “Coming Home” combineert de vitaliteit van The Pogues aan een streepje square dance, “Stand Up” is zomerse meefluitpop, “Cock Of The North” is een vinnige upgrade van enkele instrumentale traditionals, “Don’t Worry” een fraaie, bijzonder radiogenieke ballade, het tweetal “Clumsy Love Intro / This Is Clumsy Love” al even aanstekelijke folk pop, “Rockefeller” flirt banjogewijs beurtelings met rock en country en in het afsluitende “Not Long For This World” wordt opnieuw flink gas teruggenomen om de volgende wijze woorden vooral goed tot hun recht te laten komen:

“You are not long for this world

So do not long for this world

Have a good look around,

Take joy where it’s found

But you are not long for this world”

Neem het er dus maar eens goed van! Enne… misschien is “Smart Kid” van The Clumsy Lovers daarbij wel de ideale begeleider. Levenslustiger worden ze immers nog maar hoogst zelden gemaakt!

The Clumsy Lovers

Miles Of Music

 

 

ELLEN GOMEZ

“The Company Of Angels”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

“The Company Of Angels” is het aardige debuut van natuurmens / folk singer-songwriter Ellen Gomez, een dertien eenheden tellende collectie akoestische deuntjes, waarin naast folk ook elementen uit andere genres als bluegrass en diverse , gewoonlijk met de term world music aangeduide muziekstromingen een bescheiden rol spelen. Opener “Parallel Trains” zou je zo met enige overdrijving een folk train song kunnen noemen. Door de leuke dobro- en vioolbijdragen van respectievelijk Michael Bauermeister en Marc Rennard is de term folky Americana hier echter evenzeer op zijn plaats. “Two Feet Deep” is vervolgens een lieflijk popliedje waaruit een diep verlangen naar vrijheid spreekt. De pianoballade “Song Of The Wind” laat zich dan weer situeren tussen de rootsy folk van een Nanci Griffith enerzijds en de meer popgerichte aanpak van een Carole King anderzijds. Dat geldt ook voor titelnummer “The Company Of Angels”, waarin Gomez de volgende doordachte woorden over zo kostbaar goed als vriendschap en liefde laat optekenen: “It’s a trick to take what comes with patience / and treasure a gift so it will last.” – een waarheid als de spreekwoordelijke koe. Het mid-tempo “O’ Sweet Water” wordt aansluitend door een mandoline en conga’s opgejaagd richting een wat meer Zuiderse feel, uit “Missouri Home” spreekt tegen een rootsy achtergrond haar liefde voor haar thuishaven en de viool-gitaar-bas-piano-instrumental “Basho’s Waltz” is gewoon een sfeervol niemendalletje. “Sing Any Song” valt onder de noemer jazzy folk, in “Turning Circles Around” kan je nauwelijks om de invloeden uit zowel de Britse als de Indiaanse folktraditie heen, “Song From A Childhood Dream” is met strijkers beladen klassieke pop, “Walking On The Stones” opnieuw een knipoog richting het oeuvre van Carole King, “Three Thousand Voices” een eigentijds vredesliedje en het afsluitende “Danza For Isabel” een verdere instrumental.

Ellen Gomez

CD Baby

 

 

JOE FOURNIER

“Three Chord MacGyver”

(Junkyard Dog Music)

(4) J J J J

 

 

Mocht Joe Fournier een voetballer geweest zijn, dan zouden we nu staan jubelen om een loepzuivere hattrick. Na “Raw Sugar Shed” uit 2002 en “Whiskey Stars” uit 2003 is “Three Chord MacGyver” – Leuke titel overigens! – de derde ronduit uitstekende CD van de Canadese singer-songwriter/rootsrocker met de ruige stem in evenveel jaren tijd. Met twaalf nieuwe eigen liedjes tackelt hij je – om nog even in het voetbaljargon te blijven – wederom genadeloos. En opnieuw zijn het daarbij vooral een gezonde dosis humor en relativeringsvermogen en een zekere hang naar de lang vervlogen dagen van country(rock) acts als Creedence Clearwater Revival die het ‘m doen. Het al een poosje als download op ’s mans website verkrijgbare openingsnummer “Weapons Of Love Destruction” is zo lekker rammelende roots pop over alles wat een relatie zoal om zeep kan helpen. In “Joe’s #1 Hit Record Plan”, een in country en rock & roll gedrenkte lap roots pop/Americana, ontvouwt hij vervolgens met een brede grijns op het gelaat zijn eigen strategie om ze daar ginder in Nashville eens een flink poepje te laten ruiken. “Regular Guy” – Niet die van Steve Earle! – is dan weer een knappe ballad, “Puddle Of Love” een midtempo rockertje en “Why Am I Sittin’ Here Sober” een werkelijk onweerstaanbare, op lekker vet twangy gitaarwerk en een overdosis tongue in cheek-humor geënte instant-meezinger van het allerbeste soort. Met “Words I Should’ve Said” toont Fournier zich ook even van zijn kwetsbaarste kant. Dat van verlangen vervulde nummer is een prachtballade van het type van Costello’s “I Want You”. “Lone Dark Rider” countryrockt vervolgens weer een aardig eindje weg, “Too Much Fun” is bluesy Americana – “Since we broke up, she’s having too much fun…” – en met het ingetogen “Mean Bastard With A Red Guitar” komt Fournier zelfs even in de buurt van Graham Parker, al was het alleen al maar omwille van die karakteristieke passionele vocale uithalen. In de aanstekelijke (country)rocker “Hogwild” heeft hij het aansluitend daarop over het gek makende gevoel gepaard gaand met een prille liefde, “Big Moon Pie” is nog een bluesy Americana liefdesbekentenis en het afsluitende “Cheticamp Girl” hoort eerder thuis in het vakje klassieke singer-songwriter stuff. In dat laatste, met wat Creools taalgebruik en een stel gevatte woordspelingen opgesmukte liedje heeft Fournier het over de ontmoeting met de vrouw van zijn dromen.

Mocht het bovenstaande wat dat betreft nog niet duidelijk genoeg geweest zijn, dan formuleren we het hier graag nog even anders: “Three Chord MacGyver” is gewoon verplichte kost!

(Opgelet! Joe Fournier maakte onlangs zelf bekend, dat “Three Chord MacGyver” pas vanaf 1 oktober officieel zal worden uitgebracht. De ervaring leert echter, dat je het album via ’s mans eigen webstek wel eens vroeger op de kop zou kunnen tikken.)

Joe Fournier

 

 

BIG BLUE HEARTS

“Here Come Those Dreams Again”

(Adrenaline Music)

(4) J J J J

 

 

Toen de Big Blue Hearts in 1997 met hun titelloze debuutplaat uitpakten, waren de in de vakpers daarover verkondigde meningen vrijwel unaniem lovend. Het regende als het ware vergelijkingen met knapen als Chris Isaak en Mavericks-kopstuk Raul Malo. En vooral de eerste van die twee hield wel degelijk steek. De gelijkenissen tussen de stemmen van Isaak en David Fisher sprongen immers onmiddellijk in het oog – Oor? – en ook het totale groepsgeluid sloot heel erg aan bij wat Isaak op zijn eersteling “Silvertone” had gedaan. De toekomst leek de Hearts dan ook volop toe te lachen. Het lot besliste er echter op eerder brutale wijze anders over. Toen hun platenlabel Geffen Records door een major werd opgeslorpt bleek er plots geen plaats meer voor Fisher en co. En in plaats van een top seller werd hun uitstekende visitekaartje een graag geziene gast in afprijsbakken van tweedehandsplatenzaken. Fisher hield er een kanjer van een depressie aan over. En het zou een hele poos duren voor hij daar effectief over heen was. Eenmaal aan het eind van de tunnel aanbeland ging hij op zoek naar nieuwe muzikale partners om de Big Blue Hearts nieuw leven in te blazen. Die vond hij in eerste instantie in (executive) producer / co-writer Douglas Soref en in een ritmetandem bestaande uit bassist JB Burton en drummer Greg Sobol. Samen met Fisher zelf en de later tot de groep toegetreden klassegitarist Scott Minchk vormen die laatste twee sedertdien de Big Blue Hearts, Versie 2.0. En dat leidde nu goed twee jaar geleden tot de voorzichtige eerste aanzetten voor de eerdaags te verschijnen nieuwe CD “Here Come Those Dreams Again”. Daarop lijkt het alsof de tijd al die jaren gewoon stil heeft gestaan. Fisher en de zijnen koppelen het beste van Elvis, Roy Orbison en de Everly Brothers op z’n Chris Isaaks aan een eigentijds, bijzonder radiovriendelijk geluid. De voornaamste troefkaarten van de Hearts zijn naast de herkenbare stem van voorman Fisher vooral de heerlijk twangende en nagalmende gitaar van Minchk en hun puntgave songs. In een rechtvaardigere wereld zouden nummers als het lentefrisse “Lovin’ You”, het melancholische tweetal “Love Or Something Like It” en “You Can’t Lose What You Never Had”, het sombere, qua sfeer een beetje aan Isaaks “Wicked Game” refererende “Dreamin’ Of A Woman” en het op rinkelende gitaren drijvende 60’s rockertje “Here Come Those Dreams Again” op elk ogenblik van de dag wel ergens uit de één of andere radio weerklinken. Laat deze kans op een kennismaking met de Big Blue Hearts dus zeker geen tweede keer voorbijgaan, je zal het je geen moment beklagen!

Big Blue Hearts

Miles Of Music

 

 

BRIAN SETZER

“Rockabilly Riot! Volume One”

(A Tribute To Sun Records)

(Surfdog Records)

(3,5) J J J J

 

 

Voormalig Stray Cats-kopstuk Brian Setzer eert op zijn nieuwe CD “Rockabilly Riot! Volume One” tal van zijn grote voorbeelden. Op dat in een co-productie met Dave Darling ingeblikte album, dat als ondertitel “A Tribute To Sun Records” meekreeg, graait hij enthousiast als een even in een snoepwinkel alleen gelaten kind rond in de muzikale catalogus van het legendarische label waarop groten als ondermeer Elvis, Johnny Cash en Jerry Lee Lewis tal van hun fijnste momenten kenden. Bekende en minder bekende nummers als “Red Hot” (Billy Lee Riley), “Real Wild Child” (Jerry Lee Lewis), “Rockhouse” (Roy Orbison), “Flatfoot Sam” (Tommy Blake), “Mona Lisa” (Carl Mann), “Get Rhythm” (Johnny Cash), “Blue Suede Shoes” (Carl Perkins), “Red Cadillac And A Black Moustache” (Warren Smith) en “Flyin’ Saucer Rock And Roll” (Billy Lee Riley) krijgen de typische Setzer-behandeling mee: beetje schreeuwerige zang, bijzonder viriele Gretsch-rockabilly-gitaar, energiek geslapte bas, vrijwel voortdurend prominent aanwezige drums en hier en daar een lekker rollend pianootje als toetje. 23 nummers lang springt Setzer hier zo bijzonder bezield om met andermans materiaal. Maar toch… Als je weet, dat je voor niet eens de helft van de prijs van deze CD makkelijk één van de vele compilaties met daarop de originele Sun classics kan scoren, dan lijkt ons het idee om daarvoor te gaan een zeker zo aantrekkelijke optie…

Brian Setzer

Surfdog Records

 

 

TOM RUSSELL & ANDREW HARDIN

“Hearts On The Line” (DVD)

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

“A Rolling Concert” kreeg de onlangs verschenen Tom Russell-DVD “Hearts On The Line” als ondertitel mee. Heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat het document zich voornamelijk concentreert op een soort van per trein doorheen Canada rondtrekkend folkfestival dat Russell in het voorjaar van 2004 organiseerde met naast hemzelf en zijn vaste gitarist Andrew Hardin als betrokkenen verder ook nog zijn labelgenoten van de Hot Club Of Cowtown en Fats Kaplin & Kristi Rose. Beelden van een innemend akoestisch optreden in Vancouver vormen daarop de hoofdmoot en worden aan elkaar gemonteerd met zeer verhelderende interviewfragmenten van gesprekken met de man zelf, Andrew Hardin, de leden van de Hot Club, Blaster Dave Alvin en collega singer-songwriter Eliza Gilkyson. Russell-klassiekers als het met Steve Young gepende “Angel Of Lyon”, de Ian Tyson-co-write “Navajo Rug”, “Blue Wing”, “Isaac Lewis”, “Tonight We Ride” en natuurlijk ook “Gallo Del Cielo” worden afgewisseld met een zestal nieuwere liedjes (“All The Fine Young Ladies”, “Hearts On The Line”, “Ash Wednesday”, “Where The Dream Begins”, “Stealing Electricity” en “It Goes Away”). Verder wordt ons aan de hand van een fotoretrospectieve een kijkje gegund in het carrièreverloop van de man.

Hoe mooi ook allemaal, door het documentaire karakter van het gebodene lijkt het ons toch vooral een hebbedingetje voor de echte fan en voor verzamelaars.

Tom Russell

Hightone Records

Sonic Rendezvous

 

 

Opgelet!!!!! Voortaan recycleren we onze eerdere besprekingen in een archief!!!!!

 

Klik hier voor de recensies van de maand juli.

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums van:

 

Joe Kile “Kings Avenue”Billy Yates “Harmony Man” - Stace England “Greetings From Cairo, Illinois”The Outlaw Family Band “The Outlaw Family Band” - The Road Hammers (met Jason McCoy) “The Road Hammers”Halfway “Farewell To The Fainthearted”The Bel Airs “Got Love” - Terence Martin “Lost Hills”Tara Angell “Down And Out: The Come Down EP”The Kennedys “Half A Million Miles” - Davin James “Live!”The Morells “Think About It”Val Esway + El Mirage “Lovers Losers Liars” - Brian Capps “Walk Through Walls”Todd Thibaud “The Best Of” (CD/DVD)The Domino Kings “Some Kind Of Sign”Ruby Dee & The Snakehandlers “Five For The Road” - The Bills “Let Em Run”Hayseed Dixie “A Hot Piece Of Grass”Adam Carroll “Far Away Blues”Sixty Acres “Banjos And Sunshine”Various Artists “Classic Bluegrass Vol. 2” en “Classic Southern Gospel” - Stacey Earle & Mark Stuart “S & M Communion Bread”Joel Rafael Band “Woodyboye”Shane Alexander “The Middle Way” - Adrienne Young & Little Sadie “The Art Of Virtue”Patty Griffin “Impossible Dream” - Jeff Black “Tin Lily”Precious Bryant “The Truth”Ellis Paul “American Jukebox Fables”Ian Parker “… Whilst The Wind – Live”Terry Allen “The Silent Majority – Terry Allen’s Greatest Missed Hits”Will Dupuy “Doghouse”Jackson Taylor Band “Easy Lovin’ Stranger”