ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2006

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Robert Earl Keen “Live At The Ryman”Ray Wylie Hubbard “Snake Farm” - Raul Malo “You’re Only Lonely”Cyndi Boste “Foothill Dandy”Don Michael Sampson “Shadow Horses” - Various Artists “Music Row Democrats”Spencer Dickinson “The Man Who Lives For Love”Bobby Flores “Direct From Blanco County”Hellwood “Chainsaw Of Life”The Ginn Sisters “Blood Oranges”Randall Bramblett “Rich Someday” - The Sadies “In Concert Volume One”Halden Wofford & The Hi*Beams “Midnight Rodeo”Chris Thile “How To Grow A Woman From The Ground”Gov’t Mule “High & Mighty”The Duhks “Migrations”Michael Oneill “Who’s Bad Now” - Douglas Greer “Just A Man”Don Dixon “The Entire Combustible World In One Small Room”The John Doe Thing “For The Best Of Us”Jason Wilber “Lazy Afternoon” - The Long Winters “Putting The Days To Bed”Denvis “Comin’ Home”Tony Joe White “Uncovered”Hayseed Dixie “No Sleep ‘Til Liverpool” (DVD)Delbert McClinton “Live From Austin, TX” (DVD) - Pronghorn “Londis Calling”Fats Domino “Live From Austin, TX” (DVD) - Carrie Rodriguez “Seven Angels On A Bicycle”Willie Nile “ The Arista Columbia Recordings 1980-1991” - Linda Ronstadt With Ann Savoy (The Zozo Sisters) “Adieu False Heart”Tom Petty “Highway Companion”Valorie Miller “Folk Star” - George Byrne “Foreign Water”Mark Fosson “The Lost Takoma Sessions” - Eric Bachmann “To The Races”J.B. Beverley & The Wayward Drifters “Dark Bar And A Jukebox”Leeroy Stagger “Tales From The Back Porch” - Treva Blomquist “Plain Vanilla Me”Randy Rich & The Poor Boys “Bye Bye Mr. Blues”Steve Goodman “Live At The Earl Of Old Town”Rainer “The Rainer Collection”Kristin Mueller “Ports Of Call” - Jason Wilber “Live And Otherwise Volume 1”Yonder Mountain String Band “Yonder Mountain String Band” - PF Sloan “Sailover”Bruce Cockburn “Life Short Call Now” - Reckless Kelly “Reckless Kelly Was Here”The Drams “Jubilee Dive”John Gorka “Writing In The Margins”Big Sandy & His Fly-Rite Boys “Turntable Matinee”Rex Moroux “Royal Street Inn”Chris Knight “Enough Rope”Stephen Simmons “Drink Ring Jesus”Chip Taylor “Unglorious Hallelujah & Red, Red Rose & Other Songs Of Love, Pain & Destruction”Ruby Dee & The Snakehandlers “North Of Bakersfield”Jan Smith “29 Dances”The Del McCoury Band “The Promised Land”

 

ROBERT EARL KEEN

“Live At The Ryman”

(Koch)

(4) J J J J

 

 

Uitgenodigd worden om een optreden te verzorgen in het legendarische Ryman Auditorium in Nashville, het blijft iets heel bijzonders, zelfs voor veel artiesten waar je dat op basis van hun naambekendheid eigenlijk niet meteen meer van verwachten zou. We verwijzen in dat verband graag nog eens naar de eerder dit jaar op plaat verschenen grandioze live-opnames van Marty Stuart die daar werden gemaakt. En voortaan ook naar de nieuwe van Robert Earl Keen. Van de hele trits live-platen die ondertussen van de man in onze collectie staan te pronken is “Live At The Ryman” zondermeer de beste. Nooit eerder klonk Keen zó gedreven, zó gemotiveerd als hier. De spelvreugde spat er gewoon van af. Zelf noemt hij deze set op het hoesje ervan dan ook met enig gevoel voor overdrijving “The greatest show ever been gave”. Medeverantwoordelijk daarvoor waren gitarist Rich Brotherton, steelvirtuoos Marty Muse, voormalig Bad Livers-kopstuk Danny Barnes op banjo, bassist Bill Whitbeck, drummer Tom Van Schaik en de drie youngsters van The Greencards, die eerder op die bewuste zaterdag diep in november van 2004 vóór Todd Snider ook al een stuk van het voorprogramma voor hun rekening hadden genomen. Met z’n allen werken ze zich doorheen een ronduit hartverwarmende set met naast heel wat materiaal van Keens twee laatste studioplaten “Farm Fresh Onions” en “What I Really Mean” uiteraard ook klassiekers als “Gringo Honeymoon”, “Merry Christmas From The Family”, “Corpus Christi Bay”, “Amarillo Highway” en “The Road Goes On Forever”, dat hier een ruim elf minuten durende jambehandeling meekrijgt - bepaald lekker rockend, net als het afsluitende “Farm Fresh Onions” trouwens. Zó goed gedaan allemaal, dat je er voorwaar spijt van zou gaan krijgen, dat je er indertijd niet zelf bij hebt kunnen zijn. Als surrogaat kan dit echter al tellen!

Robert Earl Keen

Koch Records

 

 

RAY WYLIE HUBBARD

“Snake Farm”

(Sustain Records / Universal)

(3,5) J J J J

 

 

“We wanted this record to sound like the early Stones or Black Crowes or Guns ‘n Roses. With a minimum of guests,” stelt Ray Wylie Hubbard zelf over z’n jongste worp op z’n eigen website. En daarmee wekt hij natuurlijk bepaalde verwachtingen op. Een vlugge blik op de inlay van “Snake Farm” leert dat hij alvast voor wat betreft het aantal aanwezige betrokkenen effectief de daad bij het woord heeft gevoegd. De meeste songs erop werden immers ingeblikt in kwartetbezetting met naast de man zelf (zang, tamboerijn, akoestische en slidegitaar) en co-producer Gurf Morlix (zang, bas, akoestische en elektrische gitaren) verder enkel nog bassist George Reiff en drummer Rick Richards. Occasionele invalbeurten zijn er voor geestverwant Ray Bonneville (op harmonica in een drietal songs), Peter Rowan (mandoline in “Polecat”), Lucas Hubbard (elektrische gitaar in “Old Guitar”), de onvolprezen Ruthie Foster (zang in het machtige “Resurrection”) en Jack Saunders, Seth James en Jeff Plankenhorn (respectievelijk op bas, elektrische en akoestische gitaren in “Wild Gods Of Mexico”).

Wat het uiteindelijke resultaat betreft worden de vooropgestelde doelstellingen naar onze bescheiden mening echter slechts deels bereikt. Lekker vet klinkt het allemaal zeker wél, maar de nadruk ligt al bij al toch meer op een bluesgeoriënteerd geluid dan op rock & roll. Enkel in nummers als “Live And Die Rock And Roll”, waarin Hubbard terloops een fijn staaltje namedropping ten beste geeft, en het boeiende “Wild Gods Of Mexico” vallen nadrukkelijk onder de noemer roots rock. Elders regeert de blues in al haar facetten. Topmomenten zijn daarbij naast het al genoemde “Resurrection” vooral ook het titelnummer, een lijzige, op z’n Tony Joe Whites of J.J. Cales neergelegde story song over de wilde vrouw des huizes van een slangenboerderij, “Kilowatts”, een door een sigarettenrokende en om aandacht bedelende God bewoond verhaal, dat door z’n wat aparte slide-aankleding klinkt als iets van iemand die wel eens wat van Morphine beluistert, het messcherpe “The Way Of The Fallen”, waarin we bij monde van de duivel vernemen dat “the world at large is just an elaborate scam”, “Polecat”, bluesy Americana over een onverzadigbare (stoei)poes, en “Old Guitar”, een soort van eerbetoon aan zijn trouwe besnaarde metgezel, dat verder ook wijst op de dwingende noodzaak om de youngsters van nu groot te brengen op een dieet van oude meesters als “Muddy, Lightning, Hooker and Reed”.

Ray Wylie Hubbard

Sustain Records

 

 

RAUL MALO

“You’re Only Lonely”

(Sanctuary / Sony BMG USA)

(2,5) J J J

 

 

 

Raul Malo mag dan in het verleden als kopstuk van country-supergroep The Mavericks en als lid van het fabuleuze Los Super Seven al behoorlijk wat muzikaal terrein bestreken hebben, op zijn best is en blijft hij toch als crooner, als hij met zijn getormenteerde, zwaar aan Roy Orbison herinnerende tremolo zo menig een vrouwenhart sneller doet slaan. En op dat gegeven wordt op zijn door de gerenommeerde Peter Asher geproduceerde nieuwe soloplaat handig ingespeeld. Daarop mag Malo immers volop de romanticus uithangen. En vooral in andermans materiaal dan. Zelf levert hij met de wulpse Latino-deun “For You” maar één nieuw liedje aan. Covers van songs van ondermeer J.D. Souther (titelnummer “You’re Only Lonely”), Willie Nelson (“Angel Flying Too Close To The Ground”), Randy Newman (“Feels Like Home”, in liefst twee versies, waarvan eentje met countryhitmachine Martina McBride), de Everly Brothers (“So Sad”), Ron Sexsmith (“Secret Heart”), Harry Nilsson (“Remember”) en de Beegees (“Run To Me”) zijn indicatief voor de richting die het hier uitgaat. Die van de mierzoete, in een overdaad aan strijkers verzuipende ballades inderdaad. Schmalz! We zijn van Malo wel wat beters gewoon…

Raul Malo

Sanctuary Records Group

 

 

CYNDI BOSTE

“Foothill Dandy”

(Sound Vault Records)

(4) J J J J

 

 

Referenties, you can’t live with ‘em, can’t live without ‘em… De uit het Australische Melbourne afkomstige zingende liedjesschrijfster Cyndi Boste heeft er in elk geval schoon genoeg van om door muziekcritici tot in de treure toe over één en dezelfde kam te worden geschoren met de grote Lucinda Williams. Ze ziet zichzelf veel meer als ”your gutsy inner-city kid” dan als “your country diva”. En misschien heeft ze daarin wel gelijk ook, want afgezien van het feit dat ze een vrouw is, een singer-songwriter ook en actief in het Americanagenre zijn er verder nog maar bitter weinig elementen aan te wijzen die een zulke vergelijking daadwerkelijk voeden. Op haar vierde CD “Foothill Dandy”, een album dat zijn titel ontleende aan de buurt waar Boste opgroeide – “the foothills of Melbourne’s Dandenong”, is de Australische vooral bezig met zichzelf te zijn. Cyndi Boste is nu eenmaal Cyndi Boste en niemand anders.

Zowel wat betreft z’n muzikale invulling als wat betreft de erop aangekaarte thematiek is dat “Foothill Dandy” trouwens een lekker gevarieerd geheel geworden. Thema’s zoals de liefde in zo ongeveer al haar facetten, frustratie en het wel en wee in een muzikantenbestaan worden door Boste vertaald naar songs die al naargelang daar behoefte aan blijkt putten uit genres als country, folk, blues, gospel en pop. Al dient daarbij wel onmiddellijk te worden aangestipt, dat de klemtoon veel meer dan op eerdere platen van Boste op het eerste van dat vijftal gefocust wordt. “This is my most country album, so far,” meent ze dan ook zelf. Al moet je je door die uitspraak ook weer niet al té zeer van de feiten laten afleiden, zo blijkt al onmiddellijk bij een eerste beluistering van de schijf. Afgetrapt wordt er weliswaar met het nog onmiskenbaar onder de noemer country vallende “Maybe I Might”, maar het daaropvolgende “Swamp City” is al direct van een andere orde. Een lekker slidegitaartje troont dat nummer immers mee de blueshoek in. Vervolgens zijn er het bedrieglijk luchtige “All Falls Down”, dat op z’n Nick Lowes strandt tussen pop en country, het soulvol broeierige “Don’t Go There”, het vanuit zo ongeveer elk van z’n poriën de naam Bobbie Gentry uitzwetende “Asleep At The Wheel” en de fraaie ingetogen rootspopdeun “Best Kept Secret”. “I’ll Pay You Back” is dan weer wél twangy country, “I’m Alright” mede dankzij een ingetogen jammerende pedal steel sfeervolle Americana, net als “Don’t Come Cryin’” trouwens, al moet dat liedje het dan wel eerder hebben van de wisselwerking tussen de knappe stem van Boste en een stel rinkelende gitaren. Afsluiter “You Serve Me Well” tenslotte doet iets moois met R&B, folk en country.

Een conclusie formuleren valt hier simpel: “Foothill Dandy” is niet alleen de beste Boste-plaat tot op heden, het is gewoon uitstekende plaat tout court van een dijk van een artieste.

Cyndi Boste

Sound Vault Records

 

 

DON MICHAEL SAMPSON

“Shadow Horses”

(Red Horse Productions)

(3,5) J J J J

 

 

Vanuit Taos, New Mexico bereikte ons zopas “Shadow Horses”, de nieuwe CD van singer-songwriter Don Michael Sampson. En dat is net als z’n voorganger “Dashboard Angel” opnieuw een prima Americanaplaat geworden. In het gezelschap van toppers als Warren Haynes (elektrische en akoestische gitaren), Michael Rhodes (bas), Chad Cromwell (drums), Larry Knechtel (piano), Ben Keith (pedal steel) en anderen reigt Sampson immers ook op die nieuwe de knappe songs weer aan elkaar. Opener “Restless Train” is er al meteen zo eentje: heerlijke swampy roots & blues met een gegarandeerd lange houdbaarheid is dat. En vervolgens zijn er al even knappe country-, blues- en Americanadingen als het verstilde “Lonesome Blue Dove”, het qua feel een weinig bij het werk van J.J. Cale aanleunende “Alabama Blues” en het zacht swingende “Early Morning Silver”. “Wild Horses Run” rockt aansluitend lekker weg. En het meer gesproken dan gezongen gebrachte “Broken Empty Stars” is één en al sfeer. En dan zijn er nog de lekker rammelende countrystamper “Black Kentucky Coal”, het solo gebrachte “Drive On Johnny Cash”, een uitstekend eerbetoon aan The Man In Black, en de zalige afsluiter “Dreaming Wine”, opnieuw een dot van een Americanaliedje. Het optelsommetje is in zo’n geval dan ook snel gemaakt: “Shadow Horses” is wat ons betreft een flinke aanrader voor liefhebbers van het betere rootsy singer-songwriterwerk.

Don Michael Sampson

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Music Row Democrats”

(Music Row Democrats)

(3,5) J J J J

 

 

 

Heel wat Americana-en countryartiesten hebben het onderhand wel zo ongeveer gehad met George Bush en zijn republikeinse partijgenoten en de door hen gevoerde politiek. Hun krachten bundelend onder de vlag van de Music Row Democrats willen ze er de gemiddelde Amerikaan ondermeer via twee speciaal daartoe ontworpen websites van overtuigen, dat er wel degelijk een meer dan valabel alternatief bestaat. Betrokkenen zijn onder anderen Darrell Scott, Shawn Camp, de Mavericks, Beth Nielsen Chapman, James McMurtry, Nanci Griffith, Tim O’Brien, Todd Snider en Matt King. Van elk van hen en van tal van minder bekende namen als Dan Tyler, Sean Locke, Monkey Bowl, Derek Webb, Scott B. Bomar en de Honky Tonkers For Truth laat zich nu songmateriaal terugvinden op een als fundraiser bedoelde verzamelaar, die je tegen betaling van de webstek van de Democrats kan downloaden. Veelal betreft het daarbij nummers die al op albums van de betrokken artiesten zijn terug te vinden. Uitzonderingen op die regel zijn ondermeer het door Shawn Camp aangedragen “You Let The Fox Run The Henhouse”, “Yes Sir, No Sir” van Beth Nielsen Chapman en Tim O’Briens “Republican Blues”, songs die speciaal voor dit project werden ingeblikt.

James McMurtry vertolkte onlangs in een interview met het gerenommeerde Billboard heel mooi het gevoel dat achter het hele project schuilgaat: “Sadly, most of us so-called artists are afraid to use our voices, afraid to take a stand for fear of committing career suicide. We have to get over that fear, because in succumbing to it we become invisible, and invisibility, for an artist, is true career death. We cannot please everybody, and we should not bother trying. It is not our job to be loved. It is our job to be remembered.” De Dixie Chicks zullen het graag horen…

Music Row Democrats

MRD Blog

 

 

SPENCER DICKINSON

“The Man Who Lives For Love”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Net als bij “For The Best Of Us” van The John Doe Thing, een andere Yep Roc Records release die we hier enkele dagen geleden onder de loep namen, gaat het ook bij “The Man Who Lives For Love” van Spencer Dickinson eigenlijk om een soort van flink opgewaardeerde heruitgave van ouder materiaal. De eerste twaalf van dat tot negentien eenheden uitgebreide songgeheel verschenen immers al in 2001 voor het eerst, zij het dan ook enkel in Japan. Vreemd eigenlijk voor een album waarop Blues Explosion-kopstuk Jon Spencer en North Mississippi Allstars-broertjes Luther en Cody Dickinson ‘m in een productie van de gerenommeerde Jim Dickinson flink van jetje geven. Je mag toch aannemen dat er wereldwijd nogal wat mensen op zo’n plaat zitten te wachten. Zal dus wellicht ook wel het motief van die van Yep Roc geweest zijn om met deze re-release uit te pakken.

Her en der lijken Spencer en de Dickinsons op “The Man Who Lives For Love” bewust aan te sturen op vergelijkingen met andere zootjes ongeregeld als de Stooges en de Cramps. Dat is ondermeer het geval in het klaarblijkelijk in de één of andere gore garage ingeblikte en regelmatig flink uit de bocht gaande rockduo “That’s A Drag” en “Book Of Sorrow” en in de gemuteerde rockabilly van “(Chug Chug) It’s Not OK” en dito R&B van “The Man Who Lives For Love”. Elders loert herhaaldelijk totale muzikale gekte om de hoek. Zo lijkt het in het totaal geflipte “Primitive” wel alsof Bo Diddley zwaar aan de pillen heeft gezeten, is “Why!?” een moddervette lap voodoo blues, laat “Flood (The Awful Truth, The Living End)” zich nauwelijks anders omschrijven dan tot song gebalde krankzinnigheid, doet “Away Baby” vieze dingen met de soul van Sam Cooke, koppelt de weirde instrumental “Appalachia” folk aan een Oosters motiefje en daalt het met zijn ruim tien minuten speelduur epische proporties aannemende “I’m So Alone” af tot in de diepste krochten van het bluesgenre.

Uitermate intrigerende freaky bedoening!

Yep Roc Records

Sonic Rendezvous

 

 

BOBBY FLORES

“Direct From Blanco County

(Yellow Rose Records)

(3) J J J

 

 

Heb je één plaat gehoord van de Texaanse alleskunner Bobby Flores, dan heb je ze eigenlijk allemaal al wel zo’n beetje gehoord… De man heeft zich immers gespecialiseerd in het brengen van een soort van gestroomlijnde update van wat in de hoogdagen van het countrygenre zoal allemaal in was. Dat hij een prima zanger is, helpt ‘m daarbij natuurlijk al een aardig eindje vooruit. Dat hij bovendien ook nog eens over een goede neus blijkt te beschikken voor het kiezen van zijn begeleiders (Tommy Detamore, Rick Price, Jake Hooker, Dicky Overbey, Dave Biller, etc.) en het te brengen materiaal, doet de rest. En dus kan je eigenlijk ook nu weer niet zo heel erg veel inbrengen tegen wat hij doet op z’n nieuwste, “Direct From Blanco County”, buiten misschien dat het bij momenten allemaal net iets te braafjes en gelikt overkomt. Het is op de keper beschouwd zelfs vrij aangenaam toeven in het gezelschap van zijn opgeblonken versies van songs als “I Didn’t Realize” (Bob Wills), “Darkness On The Face Of The Earth” (Willie Nelson), “Four In The Morning” (Faron Young), “Rose-Colored Glasses” (John Conlee), “He’ll Let You Live A Little” (Skeets McDonald), “A Maiden’s Prayer” (Bob Wills), “Meanest Jukebox In Town” (Johnny Paycheck), “Burning A Hole In My Mind” (Connie Smith) en andere. Niks nieuws onder de zon natuurlijk, maar wel prima gebracht.

Bobby Flores

Yellow Rose Records

 

 

HELLWOOD

“Chainsaw Of Life”

(Munich Records)

(4) J J J J

 

 

De groepsnaam Hellwood zegt je volstrekt niets? Geen reden tot paniek, het betreft hier immers ook een totaal nieuw project van het illustere trio Johnny Dowd, Jim White en Willie B. Dat een samenwerking tussen de twee eerstgenoemden welhaast móest resulteren in een behoorlijk geschifte trip langsheen de donkerste krochten van een aan een rotvaart haar eigen verval in de hand werkende maatschappij, zal allicht wel niemand echt verbazen. Dat hetzelfde tweetal zowel de zangpartijen als het schrijfwerk – Zij het dan ook onevenredig! – verdeelt, al evenmin. Dat ze daarbij behoorlijk complementair blijken te zijn, is echter al een totaal ander paar mouwen. Meesterzet trouwens ook, om die Willie B aan boord te halen. Dat dit project ook op muzikaal vlak een echte voltreffer is geworden, is immers in niet geringe mate ook zijn verdienste. Samen met Jim White weeft hij een klanktapijt dat als soundtrack onder de een voortdurend gevoel van beklemming in de hand werkende uitlatingen van zijn medestanders maar bitter weinig aan de verbeelding overlaat. Met bijdragen op ondermeer drums, gitaren, marimba, keyboards, orgel en bas en wat percussiewerk steekt hij qua betrokkenheid Jim White zelfs volop naar de kroon. Al laat die zich dan ook al evenmin onbetuigd op keyboards, gitaar, bas, banjo, trombone, bamboefluit, mandoline, melodica, recorder en tal van percussie-instrumenten. Dowd van zijn kant houdt het simpel, hij houdt het naar goede gewoonte bij zang- en gitaarwerk. Op de gastenrol staan vaste klant uit zijn entourage Kim Sherwood-Caso, die met haar wat aparte stem wat meer kleur helpt geven aan “A Man Loves His Wife”, “Chicken Shack”, “Thomas Dorsey” en “Ten Commandments”, Chris Riser met een basbijdrage aan “Dream On” en Robin Pratt, die zingt in datzelfde nummer.

Als enkele van de sterkste momenten van deze bevreemdende plaat onthielden wij vooral de op een Zuid-Amerikaanse beat geënte Waitsiaanse sneer aan het adres van De Schepper, die hardhandig met zijn neus op een aantal aan zijn werk bestede bladzijden in “Het Grote Blunderboek” wordt gedrukt in “Thank You, Lord”, de gitzwarte bluesy Americana van “Fireworks Factory”, het met vette gitaaropstoten doorspekte “Ten Commandments”, “Alien Tongue”, een lap psychotische funk genre de Talking Heads in hun hoogdagen, en de dromerige old-timey afsluiter “Dream On”, zondermeer dé vreemde eend in de bijt hier.

“Chainsaw Of Life” zal door allerhande contractuele valkuilen in de arbeidsovereenkomsten van de betrokkenen overigens enkel in Europa worden verdeeld. Doe er dus ook vooral je voordeel mee!

Johnny Dowd

Jim White

Willie B

Munich Records

 

 

THE GINN SISTERS

“Blood Oranges”

(Sweetbird Records)

(3,5) J J J J

 

 

The Ginn Sisters, naar eigen zeggen niet enkel met de “G” van girls maar ook die van gutsy, is een op en top Texaans duo bestaande uit de zussen Tiffani en Brit Ginn, dat zich op zijn tweede CD “Blood Oranges” andermaal presenteert als een valabel alternatief voor de alsmaar verder richting pop afdrijvende Dixie Chicks. Al met hun in 2003 verschenen debuut “Generally Happy” deden de dames serieus van zich spreken. Die bijzonder goed onthaalde eersteling zorgde er bijvoorbeeld al voor dat de twee optredens mochten delen met gevestigde waarden uit de Americanahoek als een Robert Earl Keen, een Delbert McClinton en een Fred Eaglesmith. En dat zegt toch wel iets.

Wat de zussen op “Blood Oranges” brengen laat zich misschien nog het best om schrijven als in country gedrenkte Americana. Het merendeel van de dertien door Bradley Kopp in diens Red Boot Studio in Buda in Texas geproduceerde songs zijn pennenvruchten van Tiffani. Voor enkele daarvan riep ze de hulp in van de hier ook op handen gedragen Bill Passalacqua. Enkel het ingetogen “Get It And Go” blijkt een vreemde eend in de bijt, daarvoor tekende immers Abi Tapia.

De voornaamste troefkaart van The Ginn Sisters vormt ontegensprekelijk hun zang. De manier waarop ze met elkaar harmoniëren laat maar bitter weinig te wensen over. Het lijkt verdorie wel alsof Natalie Maines en Joy Lynn White elkaar in een onbewaakt moment in de armen hebben gesloten. Luister bijvoorbeeld maar eens naar liedjes als de bijna in hartzeer verzuipende slepers “Broken Spirit”, “Hard Fall” en “Leave Me Standing”, het twangy “Down The Drain”, het speelse, met een streepje melodica versierde swingertje “2 Cool 2 Cry” of het met een shot witte soul opgewaardeerde “Let It Burn” en stel zodoende zelf vast, dat het bijzonder moeilijk is om niet meteen verliefd te worden op de muziek van The Ginn Sisters. Ons verbaast het alvast absoluut niet meer, dat ze het momenteel zo goed doen in de AMA Chart.

The Ginn Sisters

CD Baby

 

 

RANDALL BRAMBLETT

“Rich Someday”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Goed zijn in iets werkt niet altijd zondermeer in je voordeel. Neem nu maar het geval Randall Bramblett. De man is naast een uitstekende zanger en een zeer begaafde songsmid ook een veelgevraagde sessiemuzikant. Zo vermeldt zijn c.v. ondermeer samenwerkingen met Gregg Allman, Gov’t Mule, Widespread Panic, John Hammond, Francine Reed, Johnny Jenkins, Vigilantes Of Love, Traffic, Steve Winwood en Levon Helm. Waarom hij door z’n label New West Records met enige zin voor overdrijving liefdevol “the ultimate team player in American rock, blues & soul music” wordt genoemd moge dan ook duidelijk zijn. Jammer genoeg bleef er daardoor in het verleden amper tijd over om echt werk te maken van zijn eigen carrière. En dat is iets, waarin nu met “Rich Someday” eindelijk verandering wordt gebracht. Bramblett werd door z’n werkgever alvast absoluut niet beknot op het vlak van de voor dat album in zijn ogen vereiste studiotijd en kreeg ook carte blanche met betrekking tot de keuze van de betrokkenen. Nooit kwam ’s mans soulvolle rasp dan ook beter tot haar recht dan hier. Muzikaal gezien situeert Bramblett zich op “Rich Someday” vrijwel voortdurend op de breuklijn tussen genres als Southern rock, R&B, soul, blues en pop. Vergelijkingen met schoon volk als een Delbert McClinton, een Steve Winwood, een Eric Clapton, een Bonnie Raitt en een John Hiatt dringen zich her en der spontaan op. En bijzonder lekker is het allemaal zeker. Titelnummer “Rich Someday”, een op een qua ritmische intensiteit aan de legendarische Bo Diddley herinnerende gitaarpartij neergelegde droom van een rock song, het bluesy “Beautiful Blur” ook, de radiovriendelijke opener “Where Are You Tonight”, ballads als “It’s Alright”, “Fading” en “Hate To See You Go”, het zijn slechts enkele van de vele nummers hier die vet onderlijnen, dat deze Bramblett eigenlijk al lang in de premier league van de vandaag de dag binnen het Americanagenre actieve singer-songwriters had moeten meedraaien.

Randall Bramblett

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE SADIES

“In Concert Volume One”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4,5) J J J J J

 

 

Sommige dingen moet je vooral in hun context zien om ze goed en wel te kunnen begrijpen. Zo ook “In Concert Volume One”, de nieuwe live-dubbelaar van de Canadese Sadies. “We really made a career out of playing as much as we can on the road and working with as many different people as we can in doing so, which pretty much means we’re a live band. We pride ourselves on our live performances; we do long shows, and often what we perform live isn’t all that indicative of what our most recent release is. So doing a live album is a good way to document what we’ve been working on up until now and a good way to work with all of our friends in an atmosphere that we’re comfortable with,” liet kopstuk Dallas Good zich onlangs in een interview ontvallen en zodoende gaf hij meteen een kant-en-klare verklaring voor de omvang van dit toch wel behoorlijk prestigieuze project. Het doet van opzet een beetje denken aan het legendarische “The Last Waltz” van The Band. Ook hier lopen de bekende namen de deur hoegenaamd plat. Op de gastenlijst treffen we zo ondermeer Neko Case, Waco Brothers-baas Jon Langford, Kelly Hogan, Gary Louris van de Jayhawks, Greg Keelor van Blue Rodeo, Jon Spencer en Matt Verta-Ray van Heavy Trash, de Good Brothers – met pa Good en enkele ooms van Dallas en Travis - en Garth Hudson van The Band aan.

De eenenveertig tracks op “In Concert Volume One” werden op 3 en 4 februari van dit jaar door de gerenommeerde Steve Albini vereeuwigd in Lee’s Palace in het Canadese Toronto, de thuishaven van de Sadies. Voor de productie tekenden de Sadies zelf en ze gaan er prat op dat daaraan geen overdubs en dergelijke te pas kwamen. Wat je hoort is met andere woorden precies wat er zich die bewuste twee avonden daar in Toronto afspeelde.

Wat de muziek betreft is “In Concert Volume One” precies dát gekkenhuis dat te verwachten viel. Punk, roots rock, surf, Western swing, bluegrass, spaghetti Western instrumentals, cosmic country rock, je kan het zo gek niet bedenken of het duikt hier wel ergens op. En het ongelooflijke aan de hele zaak is, dat je nooit het gevoel hebt dat die van nature toch behoorlijk diverse genres elkaar hier voor de voeten lopen. Voorwaar geen kleine prestatie.

De hoogtepunten? Een wervelende vertolking van Bob Wills’ “Stay A Little Longer” met de Good Brothers, een al even knap “Evangeline” met Garth Hudson en Neko Case, het van “Rainy Day Music” van de Jayhawks bekende “Tailspin” met gastvocalen van Gary Louris en de verrassende Pink Floyd-cover “Lucifer Sam” met diezelfde Louris. Het zijn er maar een paar, ze allemaal opsommen zou ons hier véél en véél te ver voeren. Gewoon zelf even gaan beluisteren bij je platenboer lijkt ons nog de beste raad die we je kunnen meegeven. Wedden, dat je vervolgens ook zelf met deze fantastische schijf onder de arm weer naar buiten wandelt?

(Ook verkrijgbaar in een drie LP’s omvattende uitvoering!)

The Sadies

Yep Roc

Sonic Rendezvous

 

 

HALDEN WOFFORD & THE HI*BEAMS

Midnight Rodeo”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

De uit Fort Collins, Colorado afkomstige Halden Wofford en zijn Hi*Beams beheersen het country-idioom als weinig anderen, dat schreven we hier al naar aanleiding van hun in 2003 verschenen titelloze debuutplaat en daarover laten de heren ook maar weinig twijfel bestaan op hun zopas uitgebrachte tweede, “Midnight Rodeo”. Mensen met een zwak voor opwindende traditionele country op doeltreffende wijze vertaald naar het hier en nu vinden hier zo ongeveer alles wat hun hartje maar verlangen kan: van geslaagde Cash-Owens-Everlys-hybrides als “Don’t Care If I Do” en “Jealousy” over een stukje excellente achterbuurtenswing als “Betty Boop” tot wervelend, in rockabilly gedrenkt spul à la “Cajun Fair”, van het zijn titel alle eer aandoend “Blues Fallin’ Down” over echte C&W als “Road To Old Mexico” tot een rootsy honky-tonkertje als “My Baby Hates Honky Tonks”, van jazzy swingnummers als “Love Police” en “Flatfooted” over iets grappigs als “Hippie In My House” tot een weemoedige trage als het titelnummer of stomende twangy countryrock als “Floyd Hill Whiteout”. Zo mogen wij onze country alvast graag!

Halden Wofford & The Hi*Beams

CD Baby

 

 

CHRIS THILE

“How To Grow A Woman From The Ground”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik het niet echt meer van ‘m verwacht had, maar “How To Grow A Woman From The Ground”, de nieuwe van de vooral omwille van zijn betrokkenheid bij het in de States erg populaire Nickel Creek bekende mandolinevirtuoos Chris Thile, is wel degelijk opnieuw een bluegrassplaat die naam nog eens echt waardig geworden. En dat vind ik persoonlijk na zijn toch wel een beetje uit de hand lopende experimenteerdrift in de rangen van hoger genoemde groep, als lid van de Mutual Admiration Society, on stage met Mike Marshall en op zijn jongste CD’s een echte verademing. Thile’s terugkeer naar zijn roots kwam tot stand in samenwerking met fiddler Gabe Witcher, banjofenomeen Noam Pikelny, gitarist Chris “Critter” Eldridge en bassist Greg Garrison. Met zijn vijven werkten zij zich onder het toeziende oog van Ronnie McCoury in de Sear Sound Studios in New York doorheen een zeer gevarieerde set met naast een aantal nieuwe Thile-originals ondermeer ook songs van Gillian Welch & David Rawlings (“Wayside (Back In Time)”), The White Stripes (“Dead Leaves And The Dirty Ground”), Tom Brosseau (“How To Grow A Woman From The Ground”), Jimmie Rodgers (“Brakeman’s Blues”) en The Strokes (“Heart In A Cage”). Ondanks hun diverse afkomst passen die liedjes allemaal mooi in een geheel waarin het met het nodige hartzeer gepaard gaande verlies van een geliefde – Thile scheidde niet zo heel erg lang geleden van zijn vrouw! – en de hoop op beterschap de rode draad vormen. En het feit dat het daarbij ook nog eens om volledig live als groep ingeblikte deunen blijkt te gaan nemen we er op de koop toe natuurlijk graag bij. Het heeft er allicht alleen maar toe bijgedragen om van “How To Grow A Woman From The Ground” de warme plaat te maken die het is.

Chris Thile

Sugar Hill Records

 

 

GOV’T MULE

“High & Mighty”

(ATO / BLUE ROSE / SONIC RENDEZVOUS)

(3,5) J J J J

 

 

Na de onverwachte dood van bassist Allen Woody in 2000 was het geruime tijd niet echt duidelijk welke kant het nu eigenlijk met Gov’t Mule op moest. Ruim vier jaar lieten de overblijvende groepsleden Warren Haynes en Matt Abts zich dan ook de tijd om voor zichzelf uit te maken hoe het nu precies verder moest. Pas toen ze in 2004 met nieuwkomers Danny Louris (keyboards) en Andy Hess (ex-Black Crowes / bas) de gelederen eindelijk weer wisten te sluiten en het voortreffelijke “Deja Voodoo” inblikten ging er terug een lichtje aan het einde van de tunnel schijnen. En met hun door Gordie Johnson (Big Sugar) geproduceerde nieuwe CD “High & Mighty” zou het nu zelfs zeer goed alweer serieus bingo kunnen zijn. Commercieel succes wenkt volop! Southern rock, boogie, blues, hard en jam rock blijken hier immers meer dan ooit goede buren van elkaar. En tal van de door Haynes aangedragen nieuwe songs nestelen zich prompt knusjes tussen je oren. Met de bezetenheid van veel jongere honden zingt-schreeuwt hij ze een aardig eindje in de richting van spul uit het oeuvre van klassieke seventies acts als Free en Humble Pie. Voeg daar nog aan toe zijn eigen vetter-dan-vette gitaarspel, het voortdurende sloopwerk van ritmesectie Hess-Abts en het bijzonder groovy toetsenspel van Louris en je weet dat je hier goed zit voor ruim 72 minuten puntgave classic rock. Onze luistertips: de aan een messcherpe gitaarriff opgehangen stamper “Mr. High & Mighty”, het zwaar naar Led Zeppelin geurende “Brighter Days” met z’n geweldige slide intro en de sublieme ballade “Child Of The earth”.

Gov’t Mule

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE DUHKS

“Migrations”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

“Migrations”, na “Your Daughters And Your Sons” en hun door Bela Fleck geproduceerde titelloze Amerikaanse doorbraakplaat van vorig jaar de derde van de bonte verzameling youngsters van de uit Winnipeg, Manitoba afkomstige Duhks (Spreek uit als “Ducks”!), is een album dat uitpuilt van de door een veelheid van erin verwerkte stijlen bijna uit hun voegen barstende akoestische rootsdeunen. Soms willen de vijf binnen één en hetzelfde liedje gewoon een beetje teveel. En dat draait niet altijd zondermeer in hun voordeel uit. Voorbeelden daarvan zijn onder andere hun versie van Tracy Chapmans “Mountain O’Things”, een frontale botsing tussen elementen uit folk en pop en Zuid-Amerikaanse ritmes, en de instrumental “Domino Party!”. Op andere momenten vallen de puzzlestukjes wel keurig op hun plaats. “Old Cook Pot” is zo een catchy ontmoeting tussen swing en bluegrass, “Down To The River” een al even aantrekkelijke kruisbestuiving tussen Americana en cajun en in “The Fox And The Bee” wordt andermaal duidelijk dat folk en bluegrass heel wat met elkaar gemeen hebben. Ook mooi: de melodieuze roots pop van “Heaven’s My Home”, eerste single “Out Of The Rain”, “Turtle Dove” en “Who Will Take My Place?”, de onverwachte gospelbijdrage “Moses Don’t Get Lost” en de gelukkig gewoon eenvoudig gehouden folkdeun “Three Fishers”.

The Duhks

Sugar Hill Records

 

 

MICHAEL ONEILL

“Who’s Bad Now”

(Sleeping Trout Music)

(3) J J J

 

 

Op zijn nieuwe CD “Who’s Bad Now” onderlijnt singer-songwriter Michael Oneill andermaal dat hij nogal graag van meerdere walletjes tegelijk eet. Country mag dan al het voornaamste ingrediënt vormen in het merendeel van de gebrachte nummers, binnen de nochtans keurig afgelijnde grenzen van dat genre blijkt voor de beste man toch nog heel wat mogelijk. Opener “Who’s Bad Now” krijgt zo op z’n Ray Wylie Hubbards een flinke shot blues in de aderen geramd, “Austin” rockt ongemeen lekker weg en is een onverholen liefdesverklaring aan dat stukje Lone Star State, “I Don’t Rememeber” met z’n nadrukkelijke fiddle- en pedal steel-inbreng in wezen gewoon onversneden honky-tonk, “Better” aan Chip Taylors werk verwante pure singer-songwriter country met een boodschap en Little Feats “Dixie Chicken”, de enige cover in het mandje, mooie rootsy Americana. Goeie zet wel van Oneill om een aantal van zijn knapste songs tot helemaal op het einde van het album te bewaren, zo blijf je na het beluisteren ervan met een behoorlijk prettig gevoel achter. We hebben het dan naast het al genoemde “Better” over een doorleefde akoestische versie van het ook al als openingsnummer fungerende “Who’s Bad Now” en vooral ook over “Run To The Sea”. Dat laatste is zondermeer het mooiste nummer van het geheel, een knap liefdesliedje dat volop profiteert van een fijne mandolinebijdrage van Gary Ballard en backing vocals van de onvolprezen Nancy Apple.

Michael Oneill

CD Baby

 

 

DOUGLAS GREER

“Just A Man”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

 

In onze mailbox vinden wij om nogal voor de hand liggende redenen regelmatig verzoekjes van jonge artiesten om ons over hun muziek te buigen. Ondermeer uit tijdsoverwegingen kunnen we daarop echter lang niet altijd ingaan. Maar als wat ze te bieden hebben zó goed is als wat de vanuit Austin, TX debuterende Douglas Greer op zijn eersteling “Just A Man” presteert, dan maken we er gewoon wat tijd voor. Dát in een productie van Michael Ramos opgenomen album is immers een schoolvoorbeeld van hoe Americana volgens ons hoort te klinken. De via zijn muziek een carrière in de rechten ontvluchtende Greer is niet alleen een meester in het vertellen van verhalen en het uittekenen van karakterschetsen, hij was bovendien ook zo verstandig om zijn roots zeer nadrukkelijk in zijn muziek te laten doorklinken. Greer groeide op in Port Arthur, een stadje van drankstokers in het hartje van het cajun-deel van Texas. En dat vertaalde hij naar zijn werk toe door af te zien van te verwachten traditionele instrumenten als fiddle en pedal steel en wat nadrukkelijker aan de slag te gaan met accordeon, piano en keyboards. En precies dat maakt wat hij doet op “Just A Man” interessant voor een behoorlijk breed publiek. Liedjes als het over een haar werkeloze echtgenoot onderhoudende danseres in een nachtclub verhalende “People Person” en de ingetogen “road song” “Road To New Orleans” zullen ondermeer door de accordeonbijdragen van Michael Ramos vooral de liefhebbers van “rootsmuziek pur” aanspreken. Het aan het album zijn titel verlenende “Damn Sure Gone” (“I’m just a man – I can damn sure bring a good woman down… Herkenbaar, niet?), het over de blues en een leven daarna filosoferende “Black Train”, het bij monde van zijn protagonist de deuren van heel wat heilige huisjes intrappende “Heaven Into Hell” en het een breuk met het verleden inleidende “Capitol Hall” lijken daarentegen voorbestemd om het goed te doen bij fans van alternatieve country rock. En dan zijn er nog een stel ingetogen pareltjes als het het werk van Ryan Adams in herinnering roepende “Nineteen Ninety-Nine”, de hartverscheurend mooie uiteenzetting met een vervlogen liefde “Kill Me Again” en de vertederende terugblik op de hoogdagen van het “Dry Creek Café”, waar “innocence never got lost in the crowd”. Hier valt al bij al maar bitter weinig op af te dingen. Als elke debutant met zo’n verdomd sterk materiaal zou uitpakken, het zou er ons leven als recensent absoluut niet gemakkelijker op maken. Warm aanbevolen dan ook, dit schijfje!!!

(Referenties: Ryan Adams, Steve Earle, James McMurtry, Joe Ely, Robert Earl Keen)

Douglas Greer

CD Baby

 

 

DON DIXON

“The Entire Combustible World In One Small Room”

(125 Records)

(3,5) J J J J

 

 

Lang niks van gehoord, van deze knaap! Jarenlang stond hij dan ook droog, de grote Don Dixon. U herinnert ‘m zich nog wel als het manusje-van-alles dat in de jaren tachtig als producer mee verantwoordelijk was voor een aantal van de interessantste producten op het actief van acts als R.E.M., Marshall Crenshaw en The Smithereens en dat terloops met singles als het volstrekt onweerstaanbare duo “Praying Mantis” en “Southside Girl” en het album “Most Of The Girls Like To Dance But Only Some Of The Boys Like To” ook zichzelf als roots singer-songwriter op de kaart wist te plaatsen. Dat laatste zou ‘m trouwens geen windeieren leggen, want ondermeer Joe Cocker, Ronnie Spector en Hootie & The Blowfish zouden zich later van zijn materiaal bedienen. En dat betekende makkelijk geld in het laatje.

Maar de laatste jaren was er dus zoals gezegd niets meer. Dixon zag het schrijven van songs een hele poos absoluut niet meer zitten. Pas toen z’n dochter Sidney er hem niet zo heel erg lang geleden van wist te overtuigen om iets voor haar dansgroep op school te pennen zou hij zijn muze hervinden. Hij zat plots met drie goede nieuwe songs opgezadeld en die bleken eigenaardig genoeg allemaal iets met kamers te maken te hebben. Daaruit groeide vervolgens al snel het idee voor een nieuwe plaat, een conceptalbum over kamers en het daarin geleide leven. En “The Entire Combustible World In One Small Room” bevat derhalve ook elf songs rond dat thema. In het gezelschap van Jamie Hoover (elektrische gitaar, zang), Mandy Micucci (cello), drummers Rob Ladd, Jim Brock, Jupie Little en Denny Fongheiser, zijn wederhelft Marti Jones (zang) en een vier man sterk strijkkwartet toont Dixon zich daarop als vanouds een meester in het brengen van intelligente pop en rock songs met een rootsrandje. Hij neemt ons daarin ondermeer mee naar een hotelsuite ergens aan de kust van Mexico (“Sunlit Room”), naar een vrouwenslaapzaal aan een unief (“Man On The Hall”) en naar de afdeling intensieve zorgen van een hospitaal (“ICU”). Passende afsluiter is een aan zijn 80’s-verleden refererende cover van “Room With A View” van Let’s Active. Al bij al een best wel prettig weerzien met een man met een aardig stuk rockgeschiedenis achter zijn naam.

Don Dixon

125 Records

CD Baby

 

 

THE JOHN DOE THING

“For The Best Of Us”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Al lijkt het misschien op het eerste gezicht wél zo, “For The Best Of Us” is niet de nieuwe CD van John Doe. Het gaat bij nader inzicht gewoon om een “verbeterde versie” van het al in 1998 op Kill Rock Stars verschenen EP’tje “For The Rest Of Us”. Naast “A Step Outside”, “Let’s Get Lost”, “The Unhappy Song”, “Bad, Bad Feeling” en de knappe John Doe-Dave Grohl co-write “This Loving Thing” worden ons daarop nu ook een aantal andere van dezelfde opnamesessies stammende (en voorheen niet verkrijgbare) nummers voorgeschoteld. Het betreft de je met een beklemmend gevoel achterlatende slome rocker “Criminal”, het je van onder een openstaande garagepoort venijnig in de maag stompende “Broken Smile”, het nog volop naar punk stinkende “Come Home”, het naar Doe-normen behoorlijk relaxt overkomende “Zero” en “Vigilante Man”, een blues rock cover van dat van Woody Guthrie bekende nummer. In afwachting van écht nieuw werk van het voormalige X-kopstuk kunnen we hier wel weer even mee verder.

Yep Roc

Sonic Rendezvous

 

 

JASON WILBER

“Lazy Afternoon”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Zoals we hier naar aanleiding van onze bespreking van zijn CD “Live And Otherwise Volume 1” al aangaven zou John Prine-sidekick Jason Wilber het deze zomer naar eigen zeggen niet bij die ene plaat gaan laten. En de man heeft woord gehouden, want met “Lazy Afternoon” ligt er inderdaad alweer een nieuwe klaar. Dat album is zijn titel getrouw één lange aaneenschakeling van zomers lijzige luisterliedjes, waarin de als gitarist toch behoorlijk wat aanzien genietende Wilber geregeld een stapje achteruit zet om Kevin McKendree van achter zijn piano de klankkleur te laten bepalen. Eveneens van de partij zijn David Jacques en Paul Griffith, die op respectievelijk de akoestische bas en van achter de drums mee het ideale decorum helpen optrekken voor Wilbers gemijmer. Maar uiterst zelden gaat het tempo heel even een héél klein beetje naar omhoog. Dat is bijvoorbeeld het geval in het qua sfeer een weinig aan het werk van Jim Croce en Steve Goodman verwante “You Don’t Know What You’re Getting Into”, in het qua ritmiek aan “Rider In The Rain” van Randy Newman herinnerende “Your Destiny” en in het om dezelfde reden “Ode To Billie Joe” van Bobbie Gentry in gedachten roepende “The Last Of The Quakertown Optimist Club”. Voor het overige is het lekker lui achterover leunen en genieten geblazen van ’s mans erg mooie teksten. Wilber is immers een echte meester in zowel het schilderen van tafereeltjes als het vertellen van verhalen. En meer moet dat voor ons absoluut niet zijn. Al valt die Malcolm Holcombe-cover helemaal aan het einde van de plaat (“Who Carried You”) natuurlijk ook niet te versmaden!

Jason Wilber

 

 

THE LONG WINTERS

“Putting The Days To Bed”

(Munich)

(5) J J J J J

 

 

“Putting The Days To Bed” is de lang verwachte derde volwaardige langspeler van Seattle’s fijnsten, The Long Winters. De extreem catchy single “Ultimatum” deed vooraf al het allerbeste vermoeden voor die plaat en John Roderick en de zijnen beschamen ons vertrouwen ook andermaal niet. Wel integendeel! Vijftien nummers lang leggen ze de lat erg hoog voor zichzelf. “Good songs are hard to write, hard to find, and are unrelated to fashion,” liet Roderick zich onlangs nog ontvallen in een vraaggesprek, maar met name de eerste twee leden van die bewering worden hier vrijwel continu ontkracht. Opener “Rich Wife” klinkt zo bijvoorbeeld als XTC gone power pop. En in “Honest” lijkt datzelfde XTC te stoten op The Wings in betere tijden. Volop verwijzingen naar de late seventies en de vroege eighties hier trouwens. “Fire Island, AK” en “Sky Is Open” zijn springerige deunen waarmee men indertijd ongetwijfeld knoeperds van hits zou hebben gescoord. “Pushover” is dan weer een volmaakt popliedje met lekker veel gitaren van diverse pluimage, “Ultimatum” blijft ook na maanden een oorwurm van een song, “Clouds”, “Hindsight” en “Seven” zijn zalige tragen, “(It’s A) Departure” rockt “on the contrary” gitaargewijs een aardig eindje weg en “Teaspoon”, onze absolute favoriet hier, een kandidaat “song van het jaar” by the way, vindt de gouden middenweg tussen gitaarpop en soul, volslagen onweerstaanbaar gewoon! En dan zijn er ook nog eens vier bonus tracks, waaronder een akoestische versie van “Ultimatum”. Het kan gewoonweg niet op!

Gelooft u ons vrij, veel dichter dan dat hier het geval is kan popperfectie amper nog worden benaderd!

The Long Winters

Munich Records

 

 

DENVIS

“Comin’ Home”

(Rosa Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Van een verrassing van formaat gesproken! “Comin’ Home” is het soort van plaat dat je zo ongeveer van iedereen verwacht had behalve dan van iemand als Denvis. De koerswijziging die het voormalige kopstuk van het vuige Zuid-Hollandse rockzooitje The Spades erop doorvoert is dan ook ronduit spectaculair te noemen. Sinds kort weg van de drank en de drugs en met een wat normaler huisje-tuintje-kindje-bestaan in het vooruitzicht stort Denvis zich hier volop op Amerikaanse (roots)muziek. Country, folk, soul, pop, rock, “Comin’ Home” heeft het allemaal en wat meer is, nog bijzonder knap gebracht ook. Van de soulvolle opener “Comin’ Home” tot de in R&B gedrenkte barrocker “All Shot Down”, van de door Jaap van Beusekom van een fraai streepje pedal steel voorziene alt. country van “Prince Of Peace” tot de groovy Tom Waits-cover “Yesterday Is Here”, van de zowel Brel als Cohen evocerende trage “Lover” tot de sfeervolle roots rock van “Comes Another Day”, van de countrysleper “Past The Rainbow” tot z’n lezing van het bij The Nerds gehaalde “Beat Me”, van het funky, door blazers Bertus Borgers, Jorrit de Kort en Marcel Louwers en toetsenman Arno Landsbergen mee aangejaagde “Gotta Get Some” tot de uit twee delen bestaande afsluiter “Deluded Soul”, all killer, no filler! Formidabele plaat gewoon!

Denvis

Rosa Records

Sonic Rendezvous

 

 

TONY JOE WHITE

“Uncovered”

(Munich Records)

(4) J J J J

 

 

Swamp blues maestro Tony Joe White is na wat omzwervingen opnieuw op het vertrouwde Munich Records-nest neergestreken. En zijn eerste nieuwe worp voor dat label is meteen één van zijn allerbeste ooit. Naast zeven nieuwe composities bevat “Uncovered” ook knappe remakes van enkele van ‘s mans eigen klassiekers als “Rainy Night In Georgia”,”Taking The Midnight Train” en “Did Somebody Make A Fool Out Of You”, hier met guest vocals en een gitaarbijdrage van Eric Clapton. Andere opgemerkte gastrollen zijn er voor wijlen Waylon Jennings in het lomer-dan-lome “Shakin’ The Blues”, Michael McDonald in het voorzichtig funkende “Baby Don’t Look Down”, Mark Knopfler in het al even behoedzaam (swamp)rockende “Not One Bad Thought” en J.J. Cale in het broeierige “Louvelda”. Dat laatste behoort naar onze bescheiden mening samen met de werkelijk ongemeen mooie nieuwe versie van “Rainy Night In Georgia” tot de absolute hoogtepunten van een album dat er eigenlijk gewoon in z’n totaliteit één is.

Tony Joe White

Munich Records

 

 

HAYSEED DIXIE

“No Sleep ‘Til Liverpool

(DVD)

(Cooking Vinyl / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

In de States is de aanvankelijke hype rond Barley Scotch, Reverend Don Wayne Reno, Deacon Dale Reno en Jason D. Smith alias Hayseed Dixie ondertussen stilaan overgewaaid, maar in Engeland blijven ze er wel volop pap van lusten, getuige daarvan de op 16 september van vorig jaar opgenomen DVD “No Sleep Til Liverpool”. Aardig feestje daar die bewuste avond in The Academy. De vier Amerikaanse grapjurken scheurden er op de hen geheel eigen manier door werk van ondermeer AC/DC, Led Zeppelin, Aerosmith, Motörhead, Black Sabbath en Queen. Bluegrass meets rock AKA rockgrass op zijn best dus. Terloops passeerden ook nog wat eigen nummers als het ongemeen grappige “I’m Keeping Your Poop In A Jar”, “Blind Beggar Breakdown” en “Corn Liquor” en hun versies van classics als “Duelling Banjos” en “Will The Circle Be Unbroken” de revue.

Als extraatjes biedt deze DVD bovendien ook nog wat videoclips (met name van “Roses”, “Ace Of Spades” en “Walk This Way”), de korte docu “Rockgrass – The Story Of Hayseed Dixie”, beelden vanop het Cambridge Folk Festival, wat interviewmateriaal en een kloeke fanfotogalerij. Fanatieke volgelingen van het viermanschap worden hiermee dus echt wel op hun wenken bediend. Met wat biertjes binnen handbereik zijn zij hier al snel een avondje zoet mee. Very entertaining indeed!

Hayseed Dixie

Cooking Vinyl

Bertus

 

 

DELBERT MCCLINTON

“Live From Austin, TX

(DVD)

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

CD’s als “Nothing Personal”, “Room To Breathe”, de fantastische dubbelaar “Live” en het recente “Cost Of Living” wisten de carrière van Delbert McClinton een serieuze boost mee te geven. Kreeg de man eindelijk waar hij eigenlijk al jaren volop recht op had! Ere wie ere toekomt…

Het aan hem gewijde deel in de ondertussen naar we mogen aannemen genoegzaam bekende “Live From Austin, TX”-reeks van New West Records grijpt terug naar een in de tweede helft van december van ’82 door de man in “de muziekhoofdstad van de wereld” afgewerkt optreden. Zich geruggensteund wetend door een negen man sterke begeleidingsgroep werkt hij zich daarop doorheen een set met vroege klassiekers op het eigen repertoire als “A Fool In Love”, “Lipstick, Powder And Paint”, “The Jealous Kind” en “Givin’ It Up For Your Love” gekruid met gedegen covers van ondermeer Al Greens “Take Me To The River” en “I’ve Got Dreams To Remember” van Otis Redding. Texas roadhouse blues, soul en R&B à volonté dus voor de vele indertijd aanwezigen. En DVD-gewijs nu ook uitermate geschikt voor huis- en tuingebruik. Voor in de wagen kan je dan weer beter terugvallen op de eveneens verkrijgbare CD-uitvoering. Is zeker zo handig…

Delbert McClinton

Austin City Limits

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

PRONGHORN

“Londis Calling”

(U-Sonic / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Zowel de titel als het hoesje van de zevende CD van het uit de buurt van het Engelse Dorset afkomstige zevental Pronghorn bevatten duidelijk verwijzingen naar het klassieke Clash-album “London Calling”. Punk vormt dan ook één van de hoofdingrediënten van hun muziek. “Something like Flogging Molly meets The Hackensaw Boys” vertelt de begeleidende promotionele one sheet daarover en daarmee slaat men eigenlijk spijkers met koppen. De zeven brengen immers een aanstekelijke mix van elementen uit genres als folk, bluegrass, rock, punk en andere. Hoofdrollen zijn er daarbij weggelegd voor instrumenten als de banjo, de mandoline, de fiddle en het accordeon. “Londis Calling” is eigenlijk een klassiek voorbeeld van voortdurend balanceren tussen dronkemanshumor en muzikale krankzinnigheid. Titels als “Gypsy Liver”, “Swanky Tankard”, “Ladyboy Of The Night” en “Chav-Chenko” spreken wat dat betreft boekdelen. Of ook “Smells Like White Spirit”, een persiflage op de welbekende Nirvana-wereldhit. Andere meteen in het oog springende songs zijn een te gekke versie van de Tex Williams-hit “Smoke, Smoke, Smoke That Cigarette” en de ska-afsluiter “Big G’s Mum, Don’t Argue!”, twee gegarandeerde feesthits in wording. Overtuig je daarvan zelf maar, als ze binnenkort ergens bij jou in de buurt opduiken. Zou immers best wel eens gezellig kunnen worden…

Pronghorn

Sonic Rendezvous

 

 

FATS DOMINO

“Live From Austin, TX

(DVD)

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Precies twintig jaar geleden gaf de legendarische Fats Domino acte de présence in het Amerikaanse muziekprogramma “Austin City Limits”. Dat leverde voor de vaste kijkers van dat programma naar goede gewoonte een half uur uitstekende TV op. En naar al even goede gewoonte beperkt de door New West Records onder de hoofding “Live From Austin, TX” uitgebrachte DVD zich niet tot die dertig voor uitzending geprepareerde minuten. Daarop krijg je immers weer de volledige door The Fat Man verzorgde show. Ruim drieënvijftig minuten lang strooit die daarop met hits in het rond: van “I’m Walkin’” tot “My Blue Heaven”, van “Blue Monday” tot “I’m Ready”, van “My Girl Josephine” tot “I Want To Walk You Home”, van “I’m In Love Again” tot “Let The Four Winds Blow”, van “Walking To New Orleans” tot “Shake Rattle And Roll”, van “Ain’t That A Shame” tot “I Hear You Knocking” of het obligate “Blueberry Hill” en dan vergeten we er nog een paar. Topamusement van een man die als performer al lang niets meer te bewijzen had. Ook verkrijgbaar als CD.

Austin City Limits

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

CARRIE RODRIGUEZ

“Seven Angels On A Bicycle”

(Train Wreck / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Ze begon haar carrière op een blauwe maandag als fiddler in de band van singer-songwriter Chip Taylor en de rest van haar verhaal is ondertussen allicht genoegzaam bekend. Eerder toevallig kwam Taylor erachter, dat in de dochter van z’n collega David Rodriguez ook een uitstekende zangeres schuilging. Wat fel gesmaakte duetten on stage zouden uiteindelijke leiden tot drie zeer goed onthaalde platen als duo. Sla ze er nog maar eens op na, “Let’s Leave This Town” uit 2002, “The Trouble With Humans” uit 2003 en “Red Dog Tracks” uit 2005, het waren ook stuk voor stuk echt wel beauties.

Wat er al een tijdje leek aan te komen, gebeurt nu echter ook effectief. Je kon er inderdaad donder op zeggen, dat Rodriguez vroeg of laat zou proberen om op eigen vleugels uit te vliegen. En nu is het dus daadwerkelijk zo ver: met “Seven Angels On A Bicycle” gaat Carrie Rodriguez solo. En ze weet zich op die eersteling alvast in uitstekend muzikaal gezelschap. Jazzgrootheid Bill Frisell tekende voor de elektrische gitaarinbreng, Greg Leisz deed ’t op pedal en lap steel en dobro, Viktor Krauss hanteerde de bas, Kenny Wollesen drumde, Chip Taylor verzorgde wat akoestisch gitaarwerk, Richie Stearns betokkelde voor enkele nummers z’n banjo en echtgenoot Javier Vercher zorgde voor een occasionele saxnoot. Voor de productie tekende Rodriguez zelf samen met haar mentor Taylor. Die blijkt met zeven tracks trouwens ook nog steeds de voornaamste songleverancier te zijn gebleven. En al zeker als je weet, dat hij van de resterende vijf nummers er nog eens vier samen met Rodriguez zelf pende. Enkel “Waterbound” van Dirk Powell is een volslagen vreemde eend in de bijt.

Rodriguez bevestigt op “Seven Angels On A Bicycle” alvast het vermoeden dat ze wel degelijk in staat is het gewicht van een hele plaat in haar eentje te dragen. Met haar wat aparte stem haalt ze het beste uit fraaie liedjes als het qua klankkleur een weinig aan iets van Daniel Lanois herinnerende titelnummer, het speelse “Never Gonna Be Your Bride”, waarin elementen uit old-time folk en rock het buitengewoon goed met elkaar blijken te kunnen vinden, het bezwerende “Dirty Leather”, het uit pure country opgetrokken “I Don’t Want To Play House Anymore” en het ingetogen, licht jazzy folkhoogstandje “He’s Already Gone”. Toegegeven, het is aanvankelijk allemaal wel even wennen, maar al snel mis je de vocale inbreng van Taylor absoluut niet meer. En ’t is uiterlijk dan dat je gaat beseffen, dat dit misschien niet meteen de plaat is die je van Rodriguez verwacht had, maar wel een heel erg mooie.

Train Wreck Records

Rounder Europe

 

 

WILLIE NILE

“The Arista Columbia Recordings 1980-1991”

(Acadia / Evangeline / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Diegenen onder jullie, die pas naar aanleiding van zijn eerder dit jaar verschenen CD “The Streets Of New York” met Willie Nile kennismaakten, worden bij dezen door het Engelse Acadia-label onverbiddelijk met de neus op de feiten gedrukt. Uitgesmeerd over twee schijfjes trakteren de Britten ons immers op de drie albums die de New Yorker tussen 1980 en 1991 voor respectievelijk Arista en Columbia inblikte. Het betreft de langspelers “Willie Nile” uit 1980, “Golden Down” uit 1981 en “Places I Have Never Been” uit 1991, stuk voor stuk items die zich via de reguliere detailhandel al lang niet meer lieten aanschaffen. Op die schijven manifesteerde Nile zich als één van de interessantere nieuwe songschrijvers van zijn generatie. En dat resulteerde ondermeer in goedbedoelde knuffels van groten der aarde als een Bono, een Lucinda Williams, een Roger McGuinn en een Richard Thompson. Die laatste twee lieten zich trouwens net als ondermeer ook Terre Roche en Jay Dee Dougherty en Fred Smith uit de band van Patti Smith graag overhalen om Nile een handje toe te komen steken.

’n Beetje pop, ’n beetje rock, ’n beetje punk (Attitudegewijs dan toch!), een beetje roots, het zit hier eigenlijk allemaal in, waardoor zowel fans van lieden als een Bruce Springsteen, een Little Steven, een Graham Parker en een Lou Reed als heel wat liefhebbers van één of meer van de genoemde genres hier een hele kluif aan zullen hebben. Wat ons betreft mag men zich bij Acadia trouwens ook snel gaan buigen over een heruitgave van “Beautiful Wreck Of The World”. Dat in 1999 verschenen en ook al zeer moeilijk te bemachtigen album blijft tot nader order immers Nile’s absolute meesterwerk.

Willie Nile

Evangeline Records

 

 

LINDA RONSTADT WITH ANN SAVOY

(THE ZOZO SISTERS)

“Adieu False Heart”

(Vanguard / Munich)

(4) J J J J

 

 

Lang niet alle projecten waar Linda Ronstadt in het verleden bij betrokken was, konden op onze onvoorwaardelijke goedkeuring rekenen. Wat al té vaak liet ze zich immers leiden door commerciële motieven. Maar áls ze dan al eens in het juiste gezelschap verkeerde, dan was het wél altijd goed raak. Denk in dat verband bijvoorbeeld maar een aan haar “Canciones De Mi Padre”, aan “Western Wall: The Tucson Sessions”, haar samenwerking met Emmylou Harris, of aan haar “Trio”-platen met diezelfde Harris en Dolly Parton. Als je die schijven goed vond, dan zal je allicht ook helemaal wegsmelten voor “Adieu False Heart”, haar nieuwste. Voor dat album ging La Ronstadt in zee met de voor haar betrokkenheid bij tal van aan het cajun-genre gewijde compilaties en haar werk bij ondermeer The Magnolia Sisters en The Savoy-Doucet Cajun Band geprezen traditionaliste Ann Savoy. Met z’n tweetjes tekenen die Savoy en Ronstadt hier voor een hemeltergend mooie mélange van rootsmuziekstijlen. Centraal staan daarbij uiteraard vooral cajun en folk. En het dient vooraf gezegd, hun samenzang is vrijwel nergens minder dan goddelijk. Wie onbewogen blijft bij door deze twee nachtegaaltjes gebrachte kleine muzikale wonderen als “Burns’ Supper”, hun bluesy benadering van “The One I Love Is Gone” van Bill Monroe, het delicate titelnummer, hun doorleefde cover van de Four Tops-hit “Walk Away Renee” of het in patois gebrachte “Tournes, Tournes Bébé Créole” is óf totaal gevoelloos óf hoogdringend aan een doktersbezoek toe. Wonderschoon gewoon allemaal! Om helemaal stil van te worden.

Linda Ronstadt

Vanguard Records

 

 

TOM PETTY

“Highway Companion”

(American Recordings / Warner Bros)

(3,5) J J J J

 

 

De tijd dat we hier nog echt zaten uit te kijken naar nieuw werk van Tom Petty ligt alweer een poosje achter ons, maar dat neemt absoluut niet weg, dat de man het wel degelijk nog kan. Als er al één ding is, dat zijn in een wat futuristisch ogend hoesje gestoken en door zijn buddy Jeff Lynne geproduceerde nieuwe CD “Highway Companion” illustreert, dan is het dát wel. In grote lijnen valt wat Petty op dat album doet in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de melodieuze, met een flinke snuif country gekruide rootsrockertjes à la “Flirting With Time” en “Down South” die duidelijk aansluiting zoeken bij zijn werk voor de Traveling Wilburys en het eigen verleden, anderzijds uiteraard ook weer een stel deunen die we graag als “vintage” trage Petty zouden willen bestempelen. De knapste songs van het geheel zijn wat ons betreft duidelijk “Saving Grace”, een nerveus rockertje genre “On The Road Again” van Canned Heat, het bijzonder radiovriendelijke “Big Weekend” en de wat zweverige afsluiter “The Golden Rose”. “Highway Companion” is op de keper beschouwd eigenlijk best wel een toepasselijke titel voor deze plaat, want de twaalf aangenaam voorbij kabbelende songs erop lijken inderdaad wel voorbestemd om hun deugdelijkheid vooral tijdens wat langere ritten met de wagen te gaan bewijzen.

Tom Petty

American Recordings

 

 

VALORIE MILLER

“Folk Star”

(Grandmother Alice Music)

(3,5) J J J J

 

 

De uit Asheville, North Carolina afkomstige Valorie Miller viert met haar nieuwe CD “Folk Star” – haar vierde sinds haar debuut “Analog” uit ’96 – haar tienjarig artiestenjubileum. Alle negen songs daarop schreef ze weer zelf. En dat is iets, wat gezien de kwaliteit van haar materiaal ook absoluut niet hoeft te verwonderen. Miller blinkt immers uit in het pennen van liedjes die je al na één enkele beluistering niet meer loslaten. Haar teksten zijn bij tijd en wijle uitermate intrigerend en haar muziek weet ook al meteen aan te spreken. Folk vormt van deze laatste duidelijk het belangrijkste bestanddeel, maar ook elementen uit country en jazz glippen regelmatig door de mazen van het net.

Nummers als het beklijvende “El Espanto (The Scarecrow)” en het countryeske “Wishful Drinking” laten er alvast geen twijfel over bestaan, waarom schoon volk als Malcolm Holcombe – Haar mentor! – en Lucinda Williams hoog oploopt met het songmateriaal van Miller. Die bovendien ook nog eens met een prachtige, erg expressieve stem gezegende “madam” is nog eens wat wij graag een “’nen original” plegen te noemen. Warm aanbevolen dan ook, deze “Folk Star”.

Valorie Miller

CD Baby

 

 

GEORGE BYRNE

“Foreign Water”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(4) J J J J

 

 

George Byrne is een jonge, uit Balmain, een voorstadje van Sydney, afkomstige singer-songwriter multi-instrumentalist. Toen de beste man in het voorjaar van 2004 door Spanje trok, realiseerde hij zich nogal plots, dat hij eigenlijk niets liever wilde dan van zijn hobby zijn broodwinning maken. En zo geschiedde ook. Hij kocht er van een plaatselijke busker een gitaar en besloot om zijn bestaan als fotograaf in te ruilen voor één als zingende liedjesschrijver. Het eerste resultaat van die beslissing was de nog datzelfde jaar verschenen EP “Iron Skies”, ingeblikt onder de hoede van Church-drummer Tim Powles.

En het is ook diezelfde Powles die hem nu samen met Jonathan Burnside van The Sleepy Jackson doorheen z’n eerste volwaardige langspeler gidst. Een echte prachtplaat! Als songwriter laat Byrne je daarop werkelijk zo goed als alle hoeken van het canvas zien. Titelnummer “Foreign Water” is zo lijzige, een weinig aan Jack Johnson verwante roots pop, zij het dan ook iets rijker van invulling, “Goldmine” een perfecte popdeun vóór en óver een goede vriend van ‘m die in de clinch lag met z’n leven, “Paralysed” een ingetogen, door een gedicht van Charles Bukowski geïnspireerde, licht Stonesy rootsrocker, “Already There” een verhelderende “after love song”, “Everybody Hides” een eenvoudige alt. country-ballade compleet inclusief zacht huilende pedal steel, “Light Years” sfeer- en soulvolle soft rock, “Tongue Tied” een kort-maar-krachtige power-popstamper gedragen door pittige gitaren, “We’ll Come Around” een melancholische rootsy uiteenzetting met “l’amour”, “High & Wide” een bijna in de rijkelijk aanwezige strijkers verzuipend groots popgebaar, “On My Mind” “Americana the Australian way”, “Up In Ova” sfeervolle late night roots pop en “Paint It Grey” een akoestische break-up song van het allerpuurste soort.

Net eentje te weinig voor “Alle dertien goed!” dachten we daarna spontaan heel even, maar met een al even fantastische verborgen bonus track verdiende Byrne dat predikaat vooralsnog. Al waren wij eerlijk gezegd met twaalf stuks van dat kaliber ook al lang tevreden geweest. Wat een talent, deze jonge Aussie!

George Byrne

Laughing Outlaw Records

 

 

MARK FOSSON

“The Lost Takoma Sessions”

(Drag City / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Dankzij het ronduit voortreffelijke “Jesus On A Greyhound” van een klein jaar geleden geniet Mark Fosson hier te lande in bepaalde kringen terecht een uitstekende reputatie als singer-songwriter. Wat velen echter niet weten, is dat de man in de tweede helft van de jaren zeventig in eerste instantie een carrière als gitarist najoeg. Zo nam hij in 1977 ondermeer een LP op voor het Takoma-label van collega John Fahey. Die ook door Fahey geproduceerde plaat zou door allerhande labelproblemen evenwel nooit het daglicht zien. Tot nu dan toch. Onder de toepasselijke titel “The Lost Takoma Sessions” wordt ze ons door Drag City immers vooralsnog aangeboden.

We leren er Fosson op kennen als een flink door knapen als John Fahey en Leo Kottke beïnvloede fingerpicker, die als solist in twaalf voornamelijk rustige eigen nummers een ongelooflijke muzikaliteit etaleert. Hoe hij hier snarengewijs de meest uiteenlopende gemoedstoestanden weet te verklanken dwingt een diep respect af. Het toont aan dat schoonheid en virtuositeit wel degelijk perfect hand in hand kunnen gaan.

Mark Fosson

Drag City

 

 

ERIC BACHMANN

“To The Races”

(Saddle Creek / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

 

Op “To The Races” toont Crooked Fingers-kopstuk Eric Bachmann zich van een geheel andere kant. Was het vorig jaar onder de vlag van die groep verschenen “Dignity & Shame” nog behoorlijk poppy en dientengevolge ook behoorlijk toegankelijk, die onder z’n eigen naam uitgebrachte nieuwe blinkt uit in minimalisme. Bachmann schreef de tien liedjes ervoor op de akoestische gitaar toen hij in de maanden juni en juli van 2005 in een camper van stad tot stad trok om er zijn kunstjes te gaan opvoeren. En in wezen heeft hij er naderhand amper nog aan gesleuteld. Wat hij opdist zijn immers eenvoudige, uiterst spaarzaam geïnstrumenteerde deuntjes, die het vooral moeten hebben van zijn wollig-warme voordracht en zijn elegante akoestische gitaarspel. Enkel een sporadisch ingezette mondharmonica of piano, een streepje viool signé Tom Hagerman en wat hemels harmonieerwerk van Miranda Brown doorbreken dat patroon zo nu en dan. Het resultaat is een uitmuntende singer-songwriterplaat vol met intimistische pareltjes, die hier als straks de dagen weer flink aan lengte gaan inboeten en het buiten wat frisser wordt nog regelmatig in de CD-wisselaar zal belanden.

Eric Bachmann

Saddle Creek

 

 

J.B. BEVERLEY & THE WAYWARD DRIFTERS

“Dark Bar And A Jukebox”

(Helltrain Records)

(4) J J J J

 

 

De beste countryplaten blijken dezer dagen steeds weer opnieuw deze die worden gemaakt door lui die niet erg hoog oplopen met het huidige Nashville-establishment. “Dark Bar And A Jukebox”, de derde van J.B. Beverley & The Wayward Drifters, is daar andermaal een uitstekend voorbeeld van. In het titelnummer van dat album neemt Beverley bepaald geen blad voor de mond. “Give me a dark bar and a jukebox,” zingt hij, “I’m tired of watching Nashville and its washed up fashion show, because you won’t find no country on country radio.” Of nog: “What happened to our roots, man? Where did we go wrong?” Geen wonder dan ook, dat knapen als een Dale Watson en een Wayne Hancock erg hoog met ‘m oplopen. “J.B. is what scares the hell out of Nashville and thrills the hell out of those who dig balls to the wall attitude in their music, hard twang with roots galore,” liet eerstgenoemde zich onlangs nog over ‘m ontvallen en dat kan al tellen als liefdesbekentenis, niet?

Nu is de muziek van Beverley (zang, akloestische gitaar) en zijn companen Dan Mazer (banjo, dobro, mandoline) en Johnny Ray Carroll Jr. A.K.A. Johnny Lawless (doghouse bass) ook wel ronduit onweerstaanbaar. De basis vormt ervoor onmiskenbaar traditionele honky-tonk, maar de aandachtigere luisteraar zal eveneens stoten op elementen uit zowel bluegrass, rockabilly als jump blues. Zowel wat betreft zijn attitude, de voor zijn songs gekozen onderwerpen als de passionele manier waarop hij deze brengt herinnert J.B. Beverley meermaals volop aan Hank III. Deunen als “Lonesome, Loaded & Cold”, “Highway Blue”, “Drinkin’ Bourbon”, “Train Song” en het al eerder aangehaalde titelnummer zijn derhalve dan ook een echte weldaad voor elke liefhebber van old school country.

Net als de laatste van Hank III nu al een serieuze kanshebber voor de bovenste stek in ons country-eindejaarslijstje, deze “Dark Bar And A Jukebox”!

J.B. Beverley & The Wayward Drifters

Helltrain Records

CD Baby

 

 

LEEROY STAGGER

“Tales From The Back Porch”

(Boompa)

(3,5) J J J J

 

 

“Tales From The Back Porch” is een bijzonder lekker tussendoortje in afwachting van de nieuwe full length van Leeroy Stagger. De uit Vancouver afkomstige singer-songwriter pakt op dat gelimiteerde EP’tje uit met nieuwe versies van vijf songs die we al kenden van zijn machtige tweede plaat “Beautiful House”. Het gaat daarbij om live in de studio ingespeelde herinterpretaties van “I Break Hearts”, “Beautiful House”, “Let Her Down”, “Stupid Love Song” en “Just In Case”. Al bij al wat soberder benaderd dan de eerder verschenen originelen en dat komt de songs eigenlijk alleen maar ten goede. Leeroy Stagger illustreert hier samen met Tolan McNeill en een stel andere muzikanten die we voornamelijk kennen van de platen van Carolyn Mark andermaal, dat we hem als één van dé coming men moeten zien in de voetsporen van Ryan Adams. In een stel lekker rockende songs en wat als tegengewicht daarvoor functionerend rustiger spul presenteert hij zich als een echt snoepje voor zowel de liefhebbers van laatstgenoemde als voor de fans van het vroegwerk van Wilco. Ondanks z’n geringe omvang echt wel een aanradertje dus, deze “Tales From The Back Porch”.

Leeroy Stagger

 

 

TREVA BLOMQUIST

“Plain Vanilla Me”

(A Confused Comet Record)

(3,5) J J J J

 

 

 

Laat je door haar naam vooral niet misleiden! Voor Treva Blomquist - Spreek uit: Tree-va Bloom-kwist. - hoeven we de blikken niet voor de zoveelste keer op het Hoge Europese Noorden te richten maar wél op Nashville. Van daaruit werkt deze bekoorlijke youngster samen met haar band The Suits aan een repertoire dat haar in het verleden terecht al vergelijkingen met artiesten als een Mindy Smith en een Patty Griffin heeft opgeleverd. Net als die twee dames neemt Blomquist het niet zo nauw met de grenzen tussen genres als folk, Americana, pop, rock en zelfs soul. Op haar bewust volledig akoestisch gehouden debuut-CD “Plain Vanilla Me” betovert ze met tien eigen liedjes. Met prachtige ingetogen miniatuurtjes als “I Wish”, “Life Goes On”, “I Could Get Used To This” en “Who I Am” streelt ze ruim zesendertig minuten lang je zinnen. Zelf neemt ze daarbij naast de zang ook wat akoestisch gitaarwerk voor haar rekening. Haar Suits-maatje Ben Gortmaker tekent met bijdragen op de mandoline en de bouzouki en op akoestische en elektrische gitaren echter voor het leeuwendeel van de muzikale omlijsting. Dat doet hij op zo’n onopvallende manier, dat Blomquist zelf voortdurend het stralende middelpunt van de belangstelling blijft. En met zo’n mooie stem is dat eigenlijk maar niet meer dan normaal ook. “Can you and I just sit here?” vraagt ze in het titelnummer van de plaat, “We’ll just talk awhile, and you can be just you and I can just be plain vanilla me.” Graag, Treva, graag…

Treva Blomquist

CD Baby

 

 

RANDY RICH & THE POOR BOYS

“Bye Bye Mr. Blues”

(Rhythm Bomb Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

Ruim drie jaar hebben de Duitser Randy “Rich” Richter en de zijnen zich de tijd gelaten om het materiaal voor hun nieuwe CD “Bye Bye Mr. Blues” op punt te krijgen en het resultaat is er dan ook naar. Een heerlijk gevarieerd schijfje is het geworden, dat andermaal onderlijnt dat rockabilly echt wel van alle tijden is. Met op de klassieke leest geschoeide originals als “You Can” en het extreem catchy “Tonight Little Darling” geven Richter en co aan wel eens naar iets van Carl Perkins of Narvel Felts te luisteren. “Rockin’ The Town” en “Finders Keepers” illustreren op hun beurt dan weer de invloed van Johnny Burnette op het kwintet. Vooral hun door een pompende pianobijdrage, wat saxstoten en messcherp gitaarwerk gedragen cover van dat eerste nummer van Burnette is ronduit schitterend. Onmogelijk gewoon om bij zo’n energieopstoot stil te blijven zitten. Andere highlights zijn het lichtjes aan Buddy Holly herinnerende “I Wanna Be Loved”, “Mr. All Night Rock”, hun stomend eerbetoon aan een vriend, de dit jaar 71 wordende Sun-legende Glenn Honeycutt, het gezellig rammelende “Drivin’ Home Boogie” en het over zo’n typisch Cash-gitaarlijntje heen gedrapeerde “Your Picture Tells Me”.

Voor de liefhebbers van instrumentals vermelden we ook nog even de aanwezigheid van “Cincinnatti Flow Rag” en “Somewhere Over The Rainbow”.

Randy Rich & The Poor Boys

Rhythm Bomb Records

 

 

STEVE GOODMAN

“Live At The Earl Of Old Town

(Red Pajamas Records)

(4) J J J J

 

 

Als ons op een onbewaakt moment gevraagd zou worden om een lijstje met onze all-time favourites binnen het singer-songwritergenre op te hoesten, dan zouden we het bepaald niet gemakkelijk hebben om dat wat betreft omvang ook maar enigszins binnen de perken van het aanvaardbare te houden. Enkel de eerste twee namen zouden vrij snel op papier belanden. En dat zijn die van good old John Prine en die van wijlen Steve Goodman. Niet toevallig allicht twee artiesten die in dezelfde côté hun eerste gloriemomenten kenden. We hebben het dan over Chicago en over The Earl Of Old Town, een kleine nachtclub aldaar. En precies daar werd op 14 augustus 1978 het optreden ingeblikt dat weldra als de nieuwe CD van Steve Goodman het daglicht zal zien. Het betreft zeldzame opnames die eerder toevallig van onder het stof vandaan werden gevist bij de Chicago Recording Company. En gelukkig maar ook! Goodman steekt hier immers echt wel in de vorm van zijn leven! De man presenteert zich niet enkel als een fenomenaal goede singer-songwriter annex verhalenverteller, maar ook als een zo mogelijk nóg betere gitarist en bovenal een kei van een performer. Naast een obligate vertolking van zijn grootste succes “City Of New Orleans” brengt hij ondermeer ook covers van “Let’s Give A Party” van één van zijn mentoren, Carl Martin, de Bobby Day-hit “Rockin’ Robin” en “Three Legged Man” van de legendarische Shel Silverstein. Terloops pompt hij samen met harmonicavirtuoos Corkie Siegel een flinke dosis Delta blues in de gospel standard “I’ll Fly Away”, tovert hij een brede glimlach om je mondhoeken met het heerlijk ironische “Men Who Love Women Who Love Men”, eert met “Old Smoothies” de die dag overleden jazz-violist Joe Venuti, schudt met “The Family Tree” een potentiële zomerhit à la Jimmy Buffett uit de mouw en transformeert als Cubs-fan in hart en nieren zonder gêne “When The Saints Go Marching In” tot “When The Cubs Go Marching In”. Hartverwarmend spul gewoon!

Steve Goodman

Red Pajamas Records

 

 

RAINER

“The Rainer Collection”

(Acadia / Evangeline / Bertus)

(5) J J J J J

 

 

Enkele weken geleden al bedachten we hier de door het Duitse Glitterhouse-label aan wijlen Rainer Ptacek gewijde verzamelaar “17 Miracles” met vijf in onze ogen meer dan verdiende sterren. (Raadpleeg daarvoor onze archiefpagina van de maand juni van dit jaar!) Wisten wij toen veel, dat het allemaal nog net ietsje beter kon. Via Acadia / Evangeline is er nu evenwel de dubbelaar “The Rainer Collection”. Daarop vind je naast de zeventien tracks van “17 Miracles” – In exact dezelfde volgorde! – nog eens veertien nummers extra van het betreurde gitaargenie, waaronder weer enkele nooit eerder verkrijgbare. Het nerveuze bluesrockertje “Drive, Drive, Drive” en het ronduit intrigerende “Mush Mind Blues” stammen net als “Love Buys Love” en “Miss The Mississippi” van sessies in de Westwood Studios in januari van ’87. In afwachting van een nog te verschijnen album met het materiaal daarvan is het alvast goed toeven in het gezelschap van dat viertal. Voorts op deze collectie nog wat extra songs van Rainer-albums als “Alpaca Lips”, “Barefoot Rock”, “Live At The Performance Center”, “Worried Spirits”, “The Farm”, “Nocturnes” en “The Texas Tapes”.

Als we hier al zo vrij mogen zijn om deze compilatie te vergelijken met die van Glitterhouse Records eerder, dan komt “The Rainer Collection” daar zondermeer beter uit. Het hoesje ervan mag dan al wat minder mooi ogen dan dat van “17 Miracles”, muzikaal gezien valt hier voor een vergelijkbare prijs gewoon nog een pak meer te rapen.

Rainer

Evangeline Records

Bertus

 

 

KRISTIN MUELLER

“Ports Of Call”

(Dren Records)

(3,5) J J J J

 

 

Voor wie net als ons bij het beluisteren van nieuwe albums steevast ook even het begeleidende boekje ter hand neemt zal de naam Kristin Mueller wellicht hier of daar wel ergens een belletje doen rinkelen. De uit New Jersey afkomstige, maar dezer dagen in New York residerende zingende liedjesschrijfster is immers in de eerste plaats een veel gevraagde multi-instrumentaliste. Wij herinneren ons haar zo bijvoorbeeld als drumster voor Clare Burson.

Met “Ports Of Call” treedt die Mueller nu zelf wat meer op het voorplan. Haar debuut is een acht tracks tellende collectie rootsy Americanaliedjes, veelal intimistisch van karakter, waarin ze een eigen stekje weet te vinden ergens op het kruispunt tussen de muziek van acts als Beth Orton, de Cowboy Junkies en Calexico. Het creëren van de juiste sfeer is dus inderdaad wel heel erg belangrijk voor het welslagen van haar werk. Over een weelderig bedje van ondermeer akoestische gitaar-, banjo-, viool- en pedal steel-klanken drapeert Mueller met een ijle, wat dromerig aandoende stem haar bij momenten erg persoonlijke teksten. En op die manier creëert ze een muzikale leefwereld waarin fans van de hoger genoemde acts – En dan vooral die van de Cowboy Junkies! – zich meteen thuis zullen voelen. Mooie plaat!

Kristin Mueller

Dren Records

 

 

JASON WILBER

“Live And Otherwise Volume 1”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

 

Heel wat Belgische liefhebbers van Americana kennen Jason Wilber, al beseffen ze dat zelf eigenlijk niet echt goed. Wilber was immers die fantastische gitarist in z’n keurige maatpak achter John Prine tijdens één van diens laatste bezoeken aan de Brusselse AB. Diezelfde Jason Wilber is echter ook zelf een uitstekende singer-songwriter en dat gegeven is wellicht nog een pak minder bekend. En daar wil de beste man dit jaar eindelijk eens verandering in gaan brengen. “Live And Otherwise Volume 1” is zo een eerste van twee voor de zomer aangekondigde nieuwe platen van ‘m. Dat album bestaat zoals z’n titel dat al laat doorschemeren voor een groot deel uit – op diverse locaties ingeblikte - live-opnames. Daarnaast stoten we ook nog op een aantal thuis opgenomen demo’s en wat studio outtakes. Voornamelijk eigen songs natuurlijk! Enkel het ongemeen mooie “Black Eye” van Jeff Tweedy en Tom T. Halls “Tulsa Telephone Book” zijn vreemde eenden in de bijt. Veelal betreft het eerder ingetogen materiaal, “just a man and his guitar”. Maar ook de kans op een streepje countryrock (“Pick Up Your Heart”), (roots)pop (“Silver Linings”), of zelfs blues (“Goin’ Fishin’”, “A Lot On My Mind”) laat Wilber zeker niet liggen.

Wat ons daarbij vooral aantrekt in de man zijn z’n heldere teksten en z’n gezonde gevoel voor humor. Luister in dat verband bijvoorbeeld maar eens naar het geestige “The Wooden Statuette”, waarin hij zich richt tot allen die een scheiding achter de rug hebben. Het door zijn wederhelft verlaten hoofdpersonage van dat nummer vergelijkt zijn eigen lot met dat van het Christus-figuurtje aan een houten kruisje, dat als één van de weinige dingen is mogen blijven na de scheiding… Een behoorlijk brede grijns is dan wel op z’n plaats, niet?

Jason Wilber

 

 

YONDER MOUNTAIN STRING BAND

“Yonder Mountain String Band”

(Frog Pad / Vanguard / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

We hebben hier wel eens eerder een lans gebroken voor de Yonder Mountain String Band en dat doen we naar aanleiding van het verschijnen van hun titelloze nieuwe CD graag opnieuw. Nochtans varen de heren daarop onder de hoede van de ondermeer van zijn werk voor Beck, Elliott Smith en James Blunt bekende producer Tom Rothrock bij momenten resoluut een andere koers dan we van hen gewoon waren. Bluegrass, of beter nog jamgrass, vormt nog steeds de hoofdmoot van het aangebodene, maar pop en rock rukken toch zeer nadrukkelijk op. Het vaste voornemen om meer in die richting te evolueren wordt door de vier trouwens ook niet lang geheim gehouden. Meteen van bij de eerste tonen van openingsnummer “Sidewalk Stars” worden we met de neus op de feiten gedrukt. In dat door een veelheid aan sfeervol rinkelende snaarinstrumenten gedragen liedje waart sporadisch voorwaar de geest van U2 rond. “How ‘Bout You” klinkt dan weer eerder als R.E.M. gone bluegrass, “Angel” moet het hebben van een donker, bepaald grungy sfeertje, en zo laten zich nog wel meer voorbeelden aanwijzen. Door het inzetten van elektrische gitaren en piano’s, drums en in kleine doses zelfs wat aan moderne apparatuur ontlokte effecten krijgen dergelijke songs een veel eigentijdser karakter dan veel van het vroegere werk van de YMSB. En als tegengewicht voor een stuk traditioneler opgevatte deunen als de vingervlugge instrumental “Fastball” of “I Ain’t Been Myself In Years” werkt die aanpak voortreffelijk. In navolging van een in de States razend succesvolle act als Nickel Creek zou dit kwartet in eigen land dan ook wel eens hoge ogen kunnen gaan gooien. Maar of dat ook hier kan is nog een geheel andere vraag. Wat overigens absoluut niets afdoet aan de kwaliteit van dit geslaagd crossover-spul!

Yonder Mountain String Band

Vanguard Records

 

 

PF SLOAN

“Sailover”

(HighTone Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Je bent geneigd om in verband met “Sailover” van PF Sloan te denken in termen van een behoorlijk indrukwekkende comebackplaat, maar is het dat eigenlijk ook wel? Zijn eigen carrière kwam om uiteenlopende redenen immers nooit echt goed van de grond. Succes bleef hem zo goed als volledig ontzegd. Des te indrukwekkender is echter de rol die hij achter de schermen van zo menig een hit speelde. Zo schreef hij ondermeer knoeperds van songs als “Eve Of Destruction” (Barry McGuire), “A Must To Avoid” (Herman’s Hermits), “Let Me Be” (The Turtles) en “Secret Agent Man” (Johnny Rivers), was hij verantwoordelijk voor de falsettostem in “Little Old Lady From Pasadena” en speelde gitaar op “Monday, Monday” en “California Dreamin’”, twee van de grootste successen van de legendarische Mamas & Papas.

Maar nu is er dus “Sailover”, die eerste nieuwe plaat van ‘m in meer dan dertig jaar. En dat zou wel eens “de juiste zet op het juiste moment” kunnen blijken. Americana is momenteel immers in en als je er dan in slaagt om grootheden uit dat genre als een Lucinda Williams, een Buddy Miller en een Frank Black voor je kar te spannen, dan is op z’n minst de aandacht al getrokken. En ook het feit dat enkele van de eerder al genoemde klassiekers van zijn hand hier een nieuw jasje krijgen aangemeten zal Sloan beslist geen windeieren gaan leggen. Neen, aan de visie van producer Jon Tiven zal het zeker niet hebben gelegen als het ook ditmaal niet lukken zou voor Sloan. Hij trommelde verder ook klasbakken als een Tom Petersson (bas), een Gary Tallent (eveneens bas), een Billy Block (drums, percussie), een Felix Cavaliere (orgel, tabla), een Bruce Bouton (pedal steel) en een Becky Hobbs (piano, zang) op om de man in de best mogelijke omstandigheden te laten werken. En dat bleef niet zonder gevolg. Sloan groeit hier regelmatig boven zichzelf uit en strooit kwistig met muzikale pareltjes in het rond. Het Dylaneske countryrockertje “Sins Of A Family”, een duet met de grote Lucinda Williams, is er al meteen zo eentje. Het grimmige, wat meer naar pop en rock overhellende “Violence” zeker ook. Of de soulvolle, mede door Jon Tivens sfeervolle orgelwerk gedragen sleper “If You Knew”. Of de met gezongen en instrumentale bijdragen van Buddy Miller en Frank Black opgewaardeerde interpretatie van “Eve Of Destruction”. Of de stuiterende R&B van “Hollywood Moon”. Of, of, of… Eigenlijk is dit album gewoon één lang uitgesponnen genot voor het oor. En we kunnen dus maar hopen, dat Sloan ditmaal wel krijgt waar hij al zo lang recht op heeft.

PF Sloan

HighTone Records

Sonic Rendezvous

 

 

BRUCE COCKBURN

“Life Short Call Now”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Met “Life Short Call Now” maakt de Canadese singer-songwriter-activist Bruce Cockburn een einde aan het lange wachten op een nieuwe studioplaat van ‘m. En om maar meteen met de deur in huis te vallen, die nieuwe worp van de man is ronduit voortreffelijk! Op zijn ondertussen toch ook alweer negenentwintigste CD illustreert Cockburn dat stilstand niet echt aan hem besteed is. Wat hij brengt is en blijft natuurlijk in de eerste plaats op de klassieke leest geschoeid singer-songwritermateriaal, maar de meerwaarde ervan schuilt ‘m in de met zorg aangebrachte nuances. In het als duet met Ani DiFranco gebrachte “See You Tomorrow” bijvoorbeeld in een voorzichtige zydeco touch, in songs als “Beautiful Creatures” en “This Is Baghdad” in breed uitgesmeerde strijkersbijdragen, in “To Fit In My Heart” in een intrigerend samengaan van elementen uit folk, jazz en wereldmuziek.

Uiteraard zijn er ook een aantal liedjes, die gewoon als standaard-Cockburn kunnen worden bestempeld. Het ingetogen, met zijn landslui Ron Sexsmith, Hawksley Worksman en Damhnait Doyle gebrachte “Mystery” bijvoorbeeld, het bijzonder melodieuze titelnummer “Life Short Call Now”, de gitaarinstrumental “Peace March” en het geladen “Tell The Universe”. Dat laatste vooral omdat het erg ver gaat in z’n anti-Bush-commentaren. Zo kennen we hem tenslotte het best, onze Bruce…

Bruce Cockburn

Cooking Vinyl

Bertus

 

 

RECKLESS KELLY

“Reckless Kelly Was Here”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Die van Reckless Kelly vieren dit jaar hun tienjarig bestaan en dat doen ze in stijl. Op 31 maart laatstleden blikten ze in La Zona Rosa in hun thuishaven Austin één van hun veelbesproken stomende live shows in en die wordt ons nu aangeboden, uitgesmeerd over drie schijfjes, twee CD’s en één DVD. Die laatste bevat met vijftien tracks zo goed als het volledige optreden. De CD’s doen daar nog eens de Beatles-cover “Revolution” en twee nieuwe studio-opnames (“Break My Heart Tonight” en “Wiggles & Ritalin”) bovenop.

Het album als geheel biedt een goed overzicht over zo ongeveer alles waar de broers Willy en Cody Braun en co voor staan. En dat is een bijzonder potente mix van momenteel in Texas bij een brede laag van de bevolking populaire stijlen. Soms ligt de nadruk daarbij wat meer op country (“Motel Cowboy Show” en “Wild Western Windblown Band”), elders op rock (het spetterende “Sixgun” en de Alejandro Escovedo-cover “Castanets”), folk (het van Richard Thompson geleende “1952 Vincent Black Lightning” en het rond een Iers motiefje opgetrokken “Seven Nights In Eire”) en Americana (“Break My Heart Tonight” en de medley met “Hey Say May” en “Guacamole” van de Texas Tornados). Het aanwezige publiek lustte er in elk geval wel pap van. Dat blijkt ondermeer uit z’n nadrukkelijke vocale aanwezigheid in tal van songs, die letterlijk woord voor woord worden meegebruld. En wie zijn wij dan nog om hier veel tegen in te brengen, he? Als zoethoudertje in afwachting van echt nieuw werk van het vijftal zal dit album alvast zeker nog goede diensten gaan bewijzen.

Reckless Kelly

Sugar Hill Records

 

 

THE DRAMS

“Jubilee Dive”

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Of er nog leven is na Slobberbone, vroeg je je af? You bet there is! Met zijn nieuwe band The Drams knoopt Brent Best wat ons betreft op ijzersterke wijze aan met het verleden. Samen met Jess Barr (leadgitaar), Tony Harper (drums), Chad Stockschlager (keyboards, zang) en Keith Killoren (bas, zang) trakteert hij ons op “Jubilee Dive” opnieuw op veertien zinderende lappen roots rock. En daarin blijkt een bijzonder opvallende rol weggelegd voor laatstgenoemd tweetal. Killoren en Stockschlager, die in het verleden beiden hun boterham verdienden bij het uit Dallas afkomstige Budapest One, zorgen er met hun knap harmonieer- en toetsenwerk immers mee voor dat het merendeel van de hier gebrachte songs zich meteen met vlijmscherpe kleine weerhaakjes tussen je oren vasthechten. Voorbeelden zat om die stelling te onderbouwen! Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar dingen als de fulminant rockende opener “Truth Lies Low”, het al even snedig uit de hoek komende “Hummalong”, de een weinig aan acts als de Jayhawks en de Band herinnerende trage “Holy Moses”, de ongegeneerd op de benen mikkende “meebruller” “Unhinged”, de omfloerste sleper “Des Moines” of het in al zijn melodieuze pracht voorwaar zelfs even de Beatles in gedachten roepende “September’s High” en je zal ons overschot van gelijk geven.

Voor de productie van deze prima plaat tekende de ondermeer al voor zijn werk voor groepen als Centro-Matic en South San Gabriel gelauwerde Matt Pence.

The Drams

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

JOHN GORKA

“Writing In The Margins”

(Red House Records / Music & Words)

(3,5) J J J J

 

 

De Amerikaanse singer-songwriter John Gorka maakt op de keper beschouwd al jarenlang telkens min of meer dezelfde plaat. Dat hij dat desalniettemin ongestraft kan blijven doen zonder ons tegen zich in het harnas te jagen pleit ontegensprekelijk voor de kwaliteit van zijn materiaal. En dan is er uiteraard ook nog die fluwelen stem van ‘m. Zelfs als Gorka zich ooit geroepen zou voelen om gewoon een stukje uit de telefoongids voor te dragen zou dat wellicht nog fantastisch klinken…

Op “Writing In The Margins”, zijn tiende CD tot op heden, weet de man zich bovendien ook nog eens in uitstekend gezelschap: in het soulvolle “Broken Place”, de lentefrisse countrydeun “I Miss Everyone”, de Stan Rogers-cover “The Lockkeeper” en “Satellites” zingt stalgenoot Lucy Kaplansky een mondje mee, in “Snow Don’t Fall” en “Road Of Good Intentions” doet de grote Nanci Griffith hetzelfde en Alice Peacock en Kathleen Johnson duiken op in respectievelijk “Arm’s Length” en “Chance Of Rain” en “When You Sing”.

Met uitzondering van “Snow Don’t Fall”, dat hij ontleende aan het indrukwekkende songbook van wijlen Townes Van Zandt, en de al genoemde Stan Rogers-cover vertrouwt Gorka op “Writing In The Margins” naar goede gewoonte uitsluitend op eigen kunnen. Al gebiedt de volledigheid ons wel er daarbij toch even op te wijzen, dat hij voor een viertal liedjes wel wat hulp kreeg van Laurie Allman. De topmomenten op deze als geheel zeer geslaagd te noemen plaat? Dat zijn voor ons zondermeer het op romantische wijze de zin van het recente Amerikaanse oorlogsgedrag in twijfel trekkende titelnummer en het springerige “I Miss Everyone”. Het eerste omwille van zijn werkelijk beklijvende tekst, het laatste gewoon omdat het een onweerstaanbaar liedje is.

Op dus maar weer naar die volgende, mister Gorka!

John Gorka

Red House Records

Music & Words

 

 

BIG SANDY & HIS FLY-RITE BOYS

“Turntable Matinee”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Al bijna twintig jaar lang staan Big Sandy en zijn Fly-Rite Boys garant voor retro roots van de bovenste plank. En ook op hun nieuwe CD “Turntable Matinee” is dat niet anders en geven de heren er weer een flinke lel op. Steelgitarist van het eerste uur Lee Jefferies vervoegt daarop opnieuw de troepen en zag net als ons, dat de basisingrediënten voor het aanstekelijke geluid van de band ook na al die jaren nog steeds rockabilly, Western swing en traditionele country zijn. “Haunted Heels” klinkt zo bijvoorbeeld als iets waarmee Buddy Holly bij leven en welzijn graag uitgepakt zou hebben, “Ruby Jane” is een energieke knipoog naar de “real country” scene van de jaren vijftig, “(Yes) I Feel Sorry For You” onversneden Western swing, “The Power Of The 45”, waarin Robert Williams het lijstje met zijn muzikale helden even met ons overloopt, een lillende lap rood rockabillyvlees en het door bassist Jeff West gezongen (en geschreven) “Mad” een mooie hybride van zo ongeveer elk van de hoger vermelde genres. Opvallende stijlbreuken zijn er in het met een flinke snuif bossa nova gekruide “Spanish Dagger” en de duidelijk naar de vooral van het grote Stax-label bekende soul verwijzende heupwieger “Slippin’ Away”.

Zoals zo ongeveer alles van Big Sandy & His Fly-Rite Boys verdient ook “Turntable Matinee” het om warm te worden aanbevolen. En dat is bij deze meteen ook gebeurd…

Big Sandy & His Fly-Rite Boys

Yep Roc Records

Sonic Rendezvous

 

 

REX MOROUX

“Royal Street Inn”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4,5) J J J J J

 

 

Invloeden, muzikale helden, er is wellicht niet één artiest actief, die er geen heeft, maar de in Lafayette, LA geboren en dezer dagen vanuit Austin opererende singer-songwriter Rex Moroux - Lees: Moore-oh! - somt er desgevraagd toch wel heel erg veel op: “Townes Van Zandt, Leonard Cohen, Jeff Tweedy, the Stones, the Faces, Hank Williams, Willie Nelson, Tammy Wynette, “the phenomenally underrated Phil Lynott and Thin Lizzy,” the Band (“Levon Helm and Richard Manuel specifically; Robbie can go fuck himself”), the Clash, Randy Newman, Van Morrison, the Beatles, Marvin Gaye, Springsteen, Coltrane “and of course Shane MacGowan, who has at least 10 songs that make me cry.” En dat laatste blijkt niet onbelangrijk voor ‘m. “People who write honest songs are criers. I don’t like to cry, normally; I have to control it, then it’s like an orgasm. That’s why I do this,” aldus immers nog Moroux. Hebben we meteen ook een pasklare verklaring voor het feit waarom de man op zijn nieuwe CD, het naar een jeugdherberg in Louisiana vernoemde “Royal Street Inn”, zo nadrukkelijk op zoek gaat naar melancholische deunen. Wat hij brengt valt nog duidelijk onder de noemer Americana, maar her en der laten zich toch ook elementen uit pop en folk aanwijzen. Moroux klinkt daarbij als een soort kruising van wijlen Gram Parsons, Thad Cockrell en Ryan Adams in diens wat rustiger momenten. De tien liedjes op zijn tweede album moeten het voornamelijk hebben van het element sfeer. Nummers als het door een op mismoedigheid uitdraaiend bezoek aan Memphis geïnspireerde “Cincinnati”, het wel erg voorzichtig countryrockende “Blow Away” of het ronduit schitterende “”Vino Maliero” teren vooral op de omfloerste voordracht van Moroux, die zich in een productie van Justin Tocket – Zie ook Radney Foster! – presenteert als één van dé aanstormende talenten van het ogenblik. Neem daarom gerust van ons aan, dat je dit album vooral niet wil missen!

Rex Moroux

CD Baby

 

 

CHRIS KNIGHT

“Enough Rope”

(Drifter’s Church Productions)

(4) J J J J

 

 

Waarom deze knaap niet al lang véél bekender is, is en blijft voor ons één groot raadsel. Met op zijn actief heerlijke albums als “Chris Knight” (1998), “A Pretty Good Guy” (2001) en “The Jealous Kind” (2003) had hij eigenlijk gewoon al binnen moeten zijn. Maar goed, uitgesteld is in dit geval absoluut niet verloren. Misschien lukt Knight met z’n zopas verschenen vierde CD “Enough Rope” wél die al lang verdiende doorbraak op grote schaal. Aan zijn entourage ervoor zal het alvast niet gelegen hebben mocht het toch nog mislopen. Voor de productie wist Knight immers de van zijn werk voor ondermeer Delbert McClinton bekende Gary Nicholson te strikken en voor de eindmix tekende Steve Earle’s Twangtrust-partner Ray Kennedy. Die twee hielpen Knight bij het vinden van een evenwicht tussen onder heftige elektrische gitaren kreunende rockers en meer naar het akoestische neigend materiaal. Daardoor sluit “Enough Rope” eerder aan bij het werk van grote namen als een John Mellencamp en een Bruce Springsteen dan bij dat van Steve Earle, in het verleden zo ongeveer het ideale referentiepunt volgens menig een recensent. “River Road” is zo potente roadhouse rock met een vrij hoog Creedence-gehalte, “Dirt” een door heftig aan hun kettingen snokkende gitaren gedragen woede-uitbarsting aan het adres van al hen die het land van zijn grootvader niet met het nodige respect behandelen, “Jack Blue” een straf verhaal over een maar moeilijk tot inkeer komende agressieve jongeling, “Cry Lonely” een liefdesliedje tegen beter weten in, “Saved By Love” prachtige ingetogen country rock over een nogal voor de hand liggend onderwerp en “William’s Son” een soort sequel op een nummer dat ’s mans fans al kennen van zijn eerste CD.

Om het met de woorden van de al eerder genoemde Ray Kennedy te zeggen: “Chris Knight is één van de beste singer-songwriters van zijn generatie en het is stilaan meer dan hoog tijd dat ook de rest van de wereld daar gaat achterkomen. Als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan zal dit schijfje ooit worden gewaardeerd als één van de besten in z’n genre.” Beter hadden we het hier zelf nauwelijks kunnen formuleren…

Chris Knight

 

 

STEPHEN SIMMONS

“Drink Ring Jesus”

(Me & My Americana / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Echt met hangende pootjes naar zitten uitkijken, naar dit schijfje! Na zijn fantastische CD “Last Call” uit 2004 rekenden we deze Stephen Simmons immers al onvoorwaardelijk tot het gezellige kransje van onze persoonlijke singer-songwriterfavorieten. En daarin zal met “Drink Ring Jesus” al zeker geen verandering komen. Daarop gaat Simmons immers met veel bravoure voor een beduidend intimistischer geheel. Enkel die fantastische rauw-hees-tedere stem van ‘m, wat gitaar en harmonica en that’s it. En dat werkt echt verschrikkelijk goed ook! Simmons trekt je songgewijs tien nummers lang aan de mouw en weet je ook moeiteloos bij zijn les te houden. Een echte aanrader derhalve dan ook, deze “Drink Ring Jesus”, voor iedereen die houdt van het werk van Steve Earle, de hier elders ook zelf besproken Chris Knight, ja zelfs Ryan Adams, maar dan wel in z’n rustigere momenten.

Stephen Simmons

Rounder Europe

 

 

CHIP TAYLOR

“Unglorious Hallelujah…”

(Train Wreck Records / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Na drie zeer goed onthaalde platen samen met de zoveel jongere Carrie Rodriguez achtte singer-songwriterlegende Chip Taylor de tijd rijp om ons weer eens te verblijden met een solo-CD. De voorbije jaren had hij immers nogal wat materiaal bij elkaar geschreven dat zich naar eigen zeggen niet echt leende tot duetten, vandaar. En dat eerste nieuwe album voor eigen rekening in zes jaar tijd, dat zijn er eigenlijk zelfs gewoon twee geworden. “Unglorious Hallelujah”, het eerste van de twee schijfjes, is al bij al een weinig donkerder van karakter dan z’n muzikale wederhelft “Red, Red Rose & Other Songs Of Love, Pain & Destruction”. In de merendeels zeer intimistische liedjes op “Unglorious Hallelujah” komt Taylor regelmatig uit de hoek als een soort van kruising tussen Guy Clark en Lou Reed. “Red, Red Rose & Other Songs Of Love, Pain & Destruction” is als geheel wat gevarieerder, maar blijft op thematisch vlak duidelijk achter bij z’n blinkende partner. Vooral iets als het platte “Bippity Boo” is een Taylor eigenlijk gewoon onwaardig.

Conclusie: de man had er misschien beter aan gedaan zich te beperken tot één enkele CD. Tussen de 24 hier gebrachte nummers staan er immers ruim voldoende voor één uitstekend album. Voorbeelden daarvan zijn ondermeer “What Would Townes Say About That”, “Unglorious Hallelujah”, “Christmas In Jail” en “I Don’t Know Why I Love You (I Just Do)”.

(O ja, en voor haar fans ook dit nog: Carrie Rodriguez is wel degelijk nog regelmatig van de partij hier, al beperkt haar bijdrage zich dan wel tot wat mooie gastvocalen.)

Chip Taylor

Train Wreck Records

Rounder Europe

 

 

RUBY DEE AND THE SNAKEHANDLERS

“North Of Bakersfield

(Dionysus Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Na de EP’tjes “Five For The Road” en “I Remember You” is het uit Seattle afkomstige en lichtjes fantastische kwintet Ruby Dee & The Snakehandlers met “North Of Bakersfield” nu eindelijk ook aan zijn eerste volwaardige langspeler toe. En wat voor één! Als een soort van eigentijdse uitvoering van Patsy Cline werkt Ruby Dee Philippa zich doorheen een repertoire dat met het ene oog nog volop lonkt naar de late jaren vijftig en de vroege sixties maar met het andere tezelfdertijd evengoed het muzikale hier en nu weet te fixeren. Daardoor ontstaat een aanstekelijk brouwsel waarop zowel klassieke (Bakersfield) country als rockabilly, alt. country en Americana als ingrediënten vermeld staan. Philippa trekt daarbij het grootste deel van het laken naar zich toe. Zij blijkt niet alleen verantwoordelijk voor alle lead vocals, ze tekent bovendien ook voor elf van de twaalf gebrachte nummers. Enkel het over een Cash-ritme voorthuppelende “Make It Last” van Joey Harris vormt wat dat betreft een uitzondering.

Enkele van de songs op “North Of Bakersfield” stonden trouwens ook al op de eerder al genoemde EP’tjes. We hebben het dan over “So Long”, “Just One Day”, “Now I Want You (Out Of My Head)”, “Walkin’ Lie” en “I Remember You”. Toch valt er hier nog ruim voldoende goed nieuw spul te rapen om van een verantwoorde aankoop te mogen gewagen. De spetterende opener “Who Is She?” bijvoorbeeld, een attractieve botsing tussen Bakersfield country en volbloed-rockabilly, “So Lonely” ook, een countrystampertje van het type waarmee ook de Derailers nogal eens durven uit te pakken, het door Jorge Harada van heerlijk gitaarwerk voorziene “Something Bad” of “After The Flood”, wederom een geslaagde stijloefening genre wijlen Buck Owens.

Wie zijn country graag puur en rootsy mag, zal hier alleszins een flinke kluif aan hebben!

Ruby Dee & The Snakehandlers

Dionysus Records

Sonic Rendezvous

 

 

JAN SMITH

“29 Dances”

(Landslide / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Ze werd geboren in Louisville, Kentucky, maar op nieuwjaarsavond 1999 verhuisde ze naar Virginia. En dat is een niet onbelangrijk gegeven, want voor haar nieuwe CD “29 Dances” – haar tweede na het in eigen beheer uitgebrachte (en hier elders besproken) “Tin Heart” uit 2002 – liet roots singer-songwriter Jan Smith zich uitgebreid inspireren door het landschap en het leven in haar nieuwe thuishaven. Daaruit resulteerde een collectie bijzonder aangenaam in het gehoor liggende liedjes die het midden houden tussen country, folk en bluegrass. Eenvoud is daarbij troef. De van zijn werk voor ondermeer Alison Krauss, James Taylor, Jerry Douglas en Ralph Stanley bekende Bil VornDick produceerde het geheel in zijn eigen Mountainside Audio-studio in Nashville en zag allicht tot zijn eigen grote tevredenheid hoe virtuozen als Mark Fain (Ricky Skaggs & Kentucky Thunder / bas), Johnny Hiland (gitaren), Jeff Vogelgesang (mandoline), Pat McInerney (Nanci Griffith’s Blue Moon Orchestra / drums), David Talbot (Dolly Parton, Grascals / banjo), Robert Bowlin (Bill Monroe’s Bluegrass Boys / fiddle), Randy Kohrs (dobro), Byron House (Sam Bush / elektrische en akoestische bas) en Patty Mitchell (zang) zich tien dagen lang mooi ten dienste van de liedjes van Smith stelden. Vier van de twaalf daarvan zijn herwerkte versies van haar vorige CD, die dra zal worden geschrapt. Het betreft “Your Mama Don’t Care”, “Gorham Mountain”, “Rum In My Morning Coffee” en “All Around This Town”, wellicht niet geheel toevallig enkele van de sterkste nummers van die voorganger.

“29 Dances” komt in z’n totaliteit behoorlijk sterk over en lijkt ons vooral aan te bevelen aan liefhebbers van het recente werk van Patty Loveless, Tim O’Brien en Chris Stuart en ander rootsy spul met een zekere affiniteit met bluegrass.

Jan Smith

Sonic Rendezvous

 

 

THE DEL MCCOURY BAND

“The Promised Land”

(McCoury Music / Welk Music Group)

(3) J J J

 

 

De na zijn samenwerking met Steve Earle voor “The Mountain” en de concerten ter ondersteuning daarvan ook door menig een liefhebber van alt. country in het hart gesloten Del McCoury en z’n band zoeken het op hun nieuwe CD “The Promised Land” in hogere sferen. McCoury en co serveren daarop veertien lappen veelal obscure bluegrass gospel. Louter muzikaal gezien wordt daarbij als vanouds de perfectie meer dan eens benaderd. En, laten we wel wezen, iets anders hadden we eigenlijk ook helemaal niet verwacht. Dat het desondanks toch een hele klus blijkt om de plaat volledig uit te zitten heeft vooral te maken met de erop verkondigde boodschap. Eén enkele uitzondering als de bluesy kijk op het verhaal van David en Goliath die “Five Flat Rocks” is daar gelaten staan er op “The Promised Land” wat ons betreft gewoon wat al té weinig échte hoogtepunten.

The Del McCoury Band