ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2007

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Tremoloco “Dulcinea”The Von Ehrics “The Whiskey Sessions” - Ian Siegal “Swagger”Lou Ford “Poor Man’s Soul”Mister Mann “December Looms” - Barney Bentall “Gift Horse”Stayton Bonner “Cadillac Road” - Tom Wilson “Dog Years”Jennifer Brantley “Break Down” - Graham Isaacson “Memories In Shadows”Blackie & The Rodeo Kings “Let’s Frolic Again”Tom T. Hall “Tom T. Hall Sings Miss Dixie & Tom T.”Lori McKenna “Unglamorous”Buck Owens “Live From Austin, TX” - Three Day Treshold “Against The Grain”Thea Hopkins “Chickasaw”Missing Numbers “More Salt?”Karyn Oliver “Hurricane” - John Allaire “Ghosts Of The Royal Motel”Antsy McClain & The Trailer Park Troubadours “Trailercana”Leaving, TX “Anywhere On Good Roads” - Kaz Murphy “Home For Misfits”TJ McFarland “Howlin’ Wild”Perry Keyes “The Last Ghost Train Home”Rench “Life In Mean Season”Doc Schneider “Songs In Other Voices” - Lisa O’Kane “It Don’t Hurt”Raul Malo “After Hours”David Waddell “Truck Broke Down” - Krista Detor “Cover Their Eyes”Last Train Home “Last Good Kiss”Porter Hall Tennessee “All Sinners Welcome Here!”Rose County Fair “The Overture” - Jim Armstrong “Mudtown”Nathaniel Mayer “Why Don’t You Give It To Me?” - Red Meat “We Never Close”Jon T. Howard “Time For Something New” - Kevin Deal “Roll”Jubal Lee Young “Jubal Lee Young”Remmelt, Muus & Femke “The Long Way Around” - Various Artists “Seven Dead Roses V*O*L 1”Filip “Crane-Grief”The Way-Goners “Kickin’ Up Dust”Edie Carey “Another Kind Of Fire” - Jeffrey Halford & The Healers “Broken Chord”Rani Arbo & Daisy Mayhem “Big Old Life”Jake Armerding “Walking On The World” - Ai Phoenix “The Light Shines Almost All The Way”Kristofer Åström “Rainaway Town”Th’Legendary Shack*Shakers “Swampblood”Peter Case “Let Us Now Praise Sleepy John”Devon Sproule “Keep Your Silver Shined” - Eilen Jewell “Letters From Sinners & Strangers”Ron Block “Doorway”Malcolm Holcombe “Not Forgotten”Loomer “Songs Of The Wild West Island” - Bill Morrissey “Come Running”Bob Lanois “Snake Road”Darcie Deaville “Livin’ On The Lucky Side” - Bill Kelly “Bread On The Waters”Rocky Burnette “Wampus Cat”Gwendolyn “Lower Mill Road”

 

TREMOLOCO

“Dulcinea”

(Casa Julia Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Wat ons betreft zondermeer dé nieuwe rootssensatie voor het najaar, dit uit L.A. afkomstige zevental onder aanvoering van de echt van het talent bulkende singer-songwriter Tony Zamora. “Dulcinea”, het door Cougar Estrada geproduceerde debuut van de band, doet door zijn opzet meteen denken aan de eerste platen van diens eigen groep Los Lobos. Daar waar “de wolven” het in hun vroege hoogdagen echter vooral moesten hebben van een geslaagd huwelijk tussen roots rock en traditionele Mexikaanse klanken, gaan Zamora en zijn maats op hun eersteling op zoek naar een vergelijkbare fusie tussen Americana, alt. country, folk en het erfgoed van hun voorvaderen. En dat levert hen meteen een plaat op, die zo langs “And A Time To Dance”, “How Will The Wolf Survive?”, “By The Light Of The Moon”, “La Pistola Y El Corazon” of de eerste van The Blazers mag. En da’s absoluut geen geringe verdienste!

“Dulcinea” is in de eerste plaats een enorm rijk gevarieerd album geworden. Polka’s, cumbia’s, two-steps, sfeervolle instrumentals, onder de noemer folk of alt. country vallende ballades, het kan hier allemaal! En hoe! Zelden een plaat gehoord, waar de spelvreugde zo welgemeend van af spatte! Nu bevinden Zamora en co zich natuurlijk ook vrijwel voortdurend in uitstekend gezelschap. Als je kleppers van het kaliber van een David Hidalgo, een Greg Leisz, een Johnny Lee Schell, een Red Volkaert, een Cindy Cashdollar, een Joel Guzman, een Max Baca, een Cody Bryant, een Ian MacLagan, een Stephen Bruton, een Brantley Kearns en anderen al gelijk voor je visitekaartje voor je kar mag spannen, dan zegt dat twee dingen. Eén, dat je wel heel goed móet zijn, en twee, dat er muzikaal gezien eigenlijk al niet zo heel erg veel meer mis kan gaan. En dus is het hier ook voortdurend zwaar genieten geblazen. Het ene moment in heuse feeststemming, het andere gewoon relaxt achterovergeleund genietend. Zo nodigen het opzwepend met de kont schuddende tweetal “Mi Novela” en “Doble Del Cuchillo”, het met een flinke scheut R&B overgoten “Mexicali”, de heerlijke Tex-Mexstamper “Abuela’s Lament”, de zijn titel alle eer aandoende korte instrumental “Koombia Loco” of “Cajun Waltz” bijvoorbeeld ogenblikkelijk uit tot het betere benenwerk, terwijl eerder als Americana te bestempelen dingen als “Drinking For Two”, “In A Georgia Rain” en ”La Casa Del Mexicano” dan weer net meer mikken op een welwillend oor.

Een echte moordplaat!

Tremoloco

CD Baby

 

 

THE VON EHRICS

“The Whiskey Sessions”

(Look Out Mabel!)

(3,5) J J J J

 

 

Met betrekking tot de term cowpunk denken wij nog altijd met veel plezier terug aan de mini-LP “Fervor”, waarmee Jason & The Scorchers zo circa 1984 zonder het zelf goed en wel te beseffen ons leven voorgoed zouden veranderen. En vooral dan aan de brisante uitvoering, die Bob Dylans “Absolutely Sweet Marie” daarop meekreeg. Dat waren nog eens tijden…

En het stoot ons dan ook een klein beetje voor de borst om die van het Amerikaanse Look Out Mabel Record Label doodleuk hun act The Von Ehrics als uitvinders van country punk naar voren te zien schuiven. Nu is wat zanger-gitarist Robert Jason Vandygriff, bassist Jeffrey Wayne Mosely en drummer Gabe Aguilar eerder al deden en ook nu op “The Whiskey Sessions” weer doen zonder ook maar de minste twijfel nog een stuk explosiever en krachtiger als het werk van Ringenberg en co jaren geleden, maar de eersten ermee waren ze dus zeker niet. Voor het overige echter geen kwaad woord over de drie Texanen. Met elf nummers (en een verborgen hidden bonus track) geklokt in net iets meer dan zesendertig minuten verkopen ze je op “The Whiskey Sessions” een draai om de oren, die je wellicht net zomin snel vergeten zal als wij onze eerste kennismaking met The Scorchers indertijd. Acht daarvan zijn eigen composities, de overige drie op snelheid gebrachte covers van Chris Knights “Highway Junkie”, Houston Marchmans “Desperate Man” en Billy Joe Shavers “Georgia On A Fast Train”. En vooral dat laatste zou op onze iPod wel eens snel een plaatsje kunnen gaan verwerven achter de hoger genoemde Dylan-cover door Jason & The Scorchers. “Think Steve Earle meets Motörhead,” aldus nog die van het platenlabel. En met die omschrijving zitten ze dan weer wél goed. (Al hadden het van ons in plaats van die losgeslagen Britten gerust ook de mannen van Hüsker Dü mogen zijn. Maar ja…)

MySpace

Look Out Mabel!

Amazon

 

 

IAN SIEGAL

“Swagger”

(Nugene Records / Bertus)

(5) J J J J J

 

 

Op 3 september mag je nu al met vette rode letters een bezoek aan je platenboer noteren in je agenda. Op die dag verschijnt immers “Swagger”, de nieuwe van Ian Siegal. Die opvolger van het in 2005 uitgebrachte “Meat & Potatoes” is zo mogelijk nog beter dan zijn al onder lofbetuigingen bedolven voorganger. In een productie van Matt Schofield onderlijnt de Brit daarop tot de absolute top van het actuele bluesgebeuren te behoren. Hij zingt als bezeten, beroert al even bezield de snaren en toont zich vooral ook als een uitzonderlijk getalenteerde songsmid. Zijn ruimschoots in de meerderheid verkerend eigen materiaal moet hoegenaamd in niets onderdoen voor het hier gebrachte werk van anderen. Zo is “Curses” bijvoorbeeld een sterk staaltje van aan Tom Waits herinnerende vertelkunst, doet het sfeervolle “Mortal Coil Shuffle” iets moois met het muzikale erfgoed van Muddy Waters en koppelt titelnummer “Swagger” een enigszins Jaggeriaans aandoende voordracht aan een geweldige inventieve bluessleper. Tussendoor rockt de beste man zich de ziel uit het lijf in het al van Little Richard bekende “I Can’t Believe You Wanna Leave”, toont hij zich een dijk van een soulzanger in Don Covays “I Don’t Know What You Got (But It’s Got Me)” en geeft hij John Lee Hooker het nakijken in een van een eigenzinnig nieuw arrangement voorziene lezing van diens “Groundhog Blues”. En dan zijn er ondermeer ook nog het bezwerend stompende “Catch 22”, het zich in een desolaat countrylandschap tot één van de hoogtepunten hier ontwikkelende “Horse Dream (Western)” en “God Don’t Like Ugly”, net als “Curses” iets waar Tom Waits onzes inziens met plezier zijn naam zou hebben onder gezet.

Neen, het moet al heel vreemd lopen, als we ons deze schijf straks niet als dé bluesplaat van 2007 zullen herinneren!

Ian Siegal

Nugene Records

Bertus

 

 

LOU FORD

“Poor Man’s Soul”

(Look Out Mabel!)

(4) J J J J

 

 

“Poor Man’s Soul” markeert de glorieuze terugkeer van de groep uit Charlotte, North Carolina die ons in de late jaren negentig en rond de eeuwwisseling, toen nog vanop het Duitse Glitterhouse Records, de prachtalbums “Sad, But Familiar” en “Alan Freed’s Radio” schonk. Precies zeven jaar is het geleden, dat de broers Chad en Alan Edwards, bassist Mark Lynch en de niet met deze laatste verwante drummer Shawn Lynch nog eens een plaat uitbrachten. Had natuurlijk alles te maken met het feit, dat de Edwards-broertjes er in 2003 met een kwade kop de brui aan gaven en de groep op, naar we toen begrijpelijkerwijze nog aannamen, permanent non-actief plaatsten. Veel verwachtten we vanuit die hoek dan ook niet echt meer. Maar tijd heelt zoals geweten alle wonden en dus is Lou Ford bij dezen weer back in business. En hoe! Alles waarvoor we ooit zo van de groep gingen houden is er nog! De beurtelings lekker relaxte of juist heerlijk boze (alt.)countryrockertjes, de van pijn doordrongen “liefdesleedliedjes”, het knappe harmonieerwerk van de Edwardsen, allemaal nog net zo onweerstaanbaar als weleer! Vooral niet te lang over nadenken dus, gewoon blind aanschaffen!

Lou Ford

Look Out Mabel!

CD Baby

 

 

MISTER MANN

“December Looms”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Het debuut van… Of toch niet? De vierentwintigjarige Canadees John Mann zet ons compleet op het verkeerde been door zijn tweede onder het pseudoniem Mister Mann uit te brengen. Mann, in het verleden ondermeer actief bij de folkpoppers van Spirit Of The West, klinkt op die opvolger van zijn eersteling “Acoustic Kitty” zo’n beetje als het weemoedige neefje van een Ryan Adams of een Josh Ritter. Alle liedjes op “December Looms” werden opgenomen met een zo spaarzaam mogelijk gehouden instrumentatie. Just a man and his guitar. Op die manier vormen Manns warme stem en zijn teksten voortdurend het stralende middelpunt van de belangstelling. En in tegenstelling tot wat je misschien verwachten zou, gaat die puristische aanpak echt op geen enkel moment vervelen. De elf folky singer-songwriterdeunen met een scherp randje, die Mann hier brengt staan wat ons betreft als een huis. We zouden het Ryan Adams bij nader inzicht eigenlijk best ook wel eens op die manier willen horen doen!

Mister Mann

CD Baby

 

 

BARNEY BENTALL

“Gift Horse”

(True North)

(3,5) J J J J

 

 

Hier zou op de radio zo weer eens het in ons collectieve geheugen gegrifte “Herinnert u zich deze nog?” vóór kunnen. Het betreft hier immers de man, die in de jaren tachtig en een groot stuk van de nineties met zijn groep The Legendary Hearts behoorlijk succesvol aan de weg timmerde. En dat zeker niet enkel in zijn thuisland Canada.

“Gift Horse” is, als we het allemaal een beetje goed gevolgd hebben, ’s mans eerste nieuwe release sinds het in 1994 verschenen “Gin Palace”. In de daaropvolgende jaren trok hij zich terug om samen met zijn broer een ranchersbestaan te leiden. Maar zoals dat wel vaker gebeurt, begonnen ook Bentalls vingers na verloop van tijd weer serieus te jeuken en dus rijpte al snel de idee voor een comeback. En een zeer geslaagde comeback ook! Zonder de fnuikende druk van een groot platenlabel op zijn schouders levert de Canadees met “Gift Horse” zijn wat ons betreft zondermeer beste plaat so far af. Daarbij bedient hij zich uitsluitend van eigen composities, die zich in grote lijnen in twee categorieën laten onderverdelen. Enerzijds zijn er een stel melodieuze rootsrockertjes, waarin zich beurtelings duidelijk een zekere hang naar country dan wel folk laat onderscheiden, anderzijds een trits ontegensprekelijk onder de noemer (roots)pop vallende ballades. Voor een aantal van die songs kreeg Bentall de hulp van Greg Keelor, Jim Cuddy en Glenn Milchem van Blue Rodeo. Dat was ondermeer het geval met de heerlijk melodieuze, van opzet een weinig aan de Jayhawks herinnerende opener “Dream Of A Day”, het mijmerend gebrachte “Dance For Me” en het als een pianoballade beginnende maar tot een fraaie midtempo rootsrocker uitgroeiende “Gypsy Boy”. Elders kon hij een beroep doen op andere lokale muzikanten als een John Borra (bas), een Rob Becker (eveneens bas), een John Ellis (gitaren, pedal steel, banjo, tamboerijn, zang), een Jeremy Fischer (slide, zang), een Rick Hopkins (piano, orgel, accordeon), een Gary Durban (tamboerijn), een Harvey K (drums), een Pat Steward (eveneens drums en percussie) en zoonlief Dustin (zang). Voor de werkelijk puntgave productie tekende John MacArthur Ellis.

Barney Bentall

True North Records

 

 

STAYTON BONNER

Cadillac Road

(Blue Trout Records)

(3,5) J J J J

 

 

Ere wie ere toekomt! Het was Hayes Carll, die ons met een uitspraak over de jonge Texaan Stayton Bonner erg nieuwsgierig maakte naar diens debuutwerk. “Stayton has an artist’s soul and a poet’s eye, he’s one of the most distinctive writers I’ve heard in a long time,” aldus Carll. En gelijk heeft ie. De door John Fogerty-gitarist Hunter Perrin en Paul Beebe geproduceerde eersteling van Bonner bevat immers bij momenten behoorlijk indrukwekkend werk voor een nieuwkomer. Bonner vertrekt voor heel wat van de nummers op “Cadillac Road” vanuit zijn eigen ervaringswereld. Zo is het sympathiek rockende titelnummer bijvoorbeeld een soort kroniek van een ooit door hem zelf gemaakte trip naar de vermaarde Cadillac Ranch in Amarillo, TX. Muzikaal gezien herinnert het allemaal een weinig aan James McMurtry, wat hij in dat nummer doet, maar dat kan de pret zeker niet drukken. Daarvoor is het tekstueel gezien gewoon te goed. “I want to leave something like Stanley Marsh did,” zingt hij en dat lukt ‘m best aardig ook, want net als diens uit in de grond geramde Cadillacs bestaande kunstwerk spreekt ook Bonners materiaal behoorlijk tot de verbeelding. En of hij het daarbij nu heeft over het verdienen van een lekker glas whisky in één of andere Ierse pub (“Black Bush Whiskey Straight”), in gedachten verzonken rondsloffen tussen tweedehandsboeken (“Cemeteries & Second Hand Bookshops”) of gewoon met zijn vrouw wat genieten van wat zeventiger jaren spul à Bread of America (“Seventies Easy Listening Song”), het doet eigenlijk allemaal maar bijzonder weinig terzake. Bonner slaagt er immers in, om zoals de hele groten uit het vak uit de banaalste voorvallen en situaties de prachtigste liedjes te puren. Schijnbaar achteloos geeft hij daarin aan het dagdagelijkse een zekere literaire draai mee. En precies daardoor onderscheidt hij zich in ruime mate van andere debutanten. Wat hij doet klinkt er immers een flink stuk rijper door.

Overigens is het eerder vermelde titelnummer absoluut niet representatief voor wat er allemaal nog volgt op “Cadillac Road”. De meerderheid van de liedjes daarop laten zich immers eerder omschrijven als singer-songwriter Americana dan als roots rock. Enkel het vinnig twangende tweetal “Black Bush Whiskey Straight” en “Armadillo Boogie Woogie”, het jazzy “Perfect Kind Of Man”, het instrumentale “El Camino” en de bedaarde countryrockers “Going New Mexico” en “Gas Station Coffee” vormen welgekomen uitzonderingen op die vaststelling.

Is, als je ’t ons vraagt, een bijzonder veelbelovende start, dit!

Stayton Bonner

CD Baby

 

 

TOM WILSON

“Dog Years”

(True North)

(3,5) J J J J

 

 

Elders op deze pagina gingen we al uitgebreid in op “Let’s Frolic Again”, de ronduit verbluffende nieuwe van Blackie & The Rodeo Kings, de groep waarvan Tom Wilson samen met zijn toch net iets bekendere landgenoten Colin Linden en Stephen Fearing deel uitmaakt, maar ook in zijn eentje maakt de beste man prima platen. In 2001 leverde het ex-kopstuk van Junkhouse, indertijd door heel wat gezaghebbende bladen naar ons gevoel toch wat al té vaak meewarig als het kleinere broertje van het razend populaire Tragically Hip bestempeld, met “Planet Of Love” en de daarvan getrokken radiohit “Dig It!” al een indrukwekkend visitekaartje af en met “Dog Years” breit hij daaraan nu een al even geslaagd vervolg. Van ergens heel diep uit zijn keel haalt Wilson daarop tien lappen roots rock van het betere soort op. Twee daarvan, met name het bijzonder catchy openingsnummer “Super Sun Natural” en “Little Domino”, lijken zo te zijn weggelopen uit het grote songbook van de heren Jagger en Richards in betere tijden. “Talk Of The Town” is dan weer een droom van een ingetogen americanaliedje, met als onverwachte kers op de taart een bloedmooie vocale bijdrage van Rosanne Cash, “Tell It Like It Is” profiteert van een geweldige snarenbijdrage van producer Colin Linden om ons twangend en rockend alle hoeken van het canvas te laten zien en “Romeo’s Barbershop” en “Dreamland” zijn twee voorbeeldige ingehouden vingeroefeningen van een duidelijk door de tijd gerijpte singer-songwriter. Tussendoor krijgen we met “Keep On Grinning” ook nog een streep lekkere roots pop, met “I’m In Love With The System” zelfs gewoon pop tout court, met “Because Of You” een ouderwets bluesstampertje en met “3 AM” een op rinkelende sixtiesgitaren geënte brok superieur radiovoer.

Gasten waren tijdens de opnames van deze al bij al bijzonder lekker in het gehoor liggende plaat naast Colin Linden en Rosanne Cash ook nog Richard Bell (toetsen), Bryan Owings (drums en percussie), Tom Hambridge (drums), Dave Roe (akoestische bas), Bob Babbitt (bas) en Garry Tallent (eveneens bas).

Tom Wilson

True North Records

 

 

JENNIFER BRANTLEY

“Break Down”

(Mountainside Records)

(3) J J J

 

 

Jennifer Brantley was indertijd één van de allereersten, waar we hier bij Ctrl. Alt. Country een recensie aan besteedden. En zoiets schept natuurlijk ergens een band… In verband met haar nog in eigen beheer uitgebrachte debuut “On The Other Side” vonden wij toen al, dat Brantley zo ongeveer alles mee had: de stem, de songs en zelfs de looks. En eigenlijk is er in de vier jaren die sindsdien verstreken zijn niet zo heel erg veel veranderd. Brantley’s voornaamste troefkaart is wat ons betreft nog steeds haar kristalheldere stem. Daarbij op de voet gevolgd door haar liedjes, die ondertussen wél flink aan kwaliteit hebben gewonnen. En daar zal het feit dat Brantley is gaan schrijven samen met een stel anderen wellicht niet geheel vreemd aan zijn. Knapen als producer van dienst Bill VornDick, David Hand en Lucas Gravell hielpen haar aan repertoire, dat tracht een brug te slaan tussen Nashville en over het algemeen toch wat alternatiever ingestelde andere countrybastions. En dat lukt bij momenten nog aardig ook. We noemen als voorbeelden het over een ingehouden twangend sixtiesgitaartje neergelegde afscheidsliedje “Fast Train”, het atmosferische, ook al samen met VornDick gepende “Lost Soul Searching” en de ballade “Did It For You”. Die songs laten een zelfverzekerd talent aan het werk horen, dat het mits een dosis geluk op het juiste moment ongetwijfeld wel eens ver zou kunnen gaan schoppen. Iets wat overigens ook wel geldt voor volledig eigen liedjes zoals het ingetogen, bij momenten zwaar op steelklanken leunende “My Someone” en het opzichtig naar de gunsten van welwillende radiojongens dingende countryrockertje “God Knows I’ve Tried”.

Hét grote verschil met Brantley’s eerste worp vormt wellicht haar entourage. Met schoon volk als Johnny Hilland, Aubrey Haynie, David Hand, Cody Kirby, Michael Spriggs, Sonny Garrish, Gary Morris, Bill VornDick en anderen in de buurt wil naar we mogen aannemen iedereen wel eens aan de bak…

Jennifer Brantley

CD Baby

 

 

GRAHAM ISAACSON

“Memories In Shadows”

(Sinister Muse Records)

(4) J J J J

 

 

 

Eigenlijk betreft het hier gewoon een soort van veredelde heruitgave van “Nine Days”, de plaat waarvoor we de nog altijd maar drieëntwintig jaar oude Graham Isaacson al in maart van 2005 bedachten met vier sterren. De tien tracks van dat album, aangevuld met het bluesy stampertje “Room In My Chevy” en het atmosferische “Crush (Into The Fire)”, werden zopas door Sinister Muse Records met als nieuwe titel “Memories In Shadows” wat ons betreft terecht opnieuw onder de aandacht gebracht. Deze Isaacson verdient immers véél meer aandacht dan hij destijds in 2005 oogstte. Eén van die onverwachte krenten in de pap, die het allemaal zo de moeite waard maken, noemden we hem toen. Een blijvertje ook. En daarin lijken we ondertussen niet meer alleen te staan. Tijdens de International Songwriting Competition (ISC) editie 2006 vond een vakjury met daarin ondermeer Tom Waits, Norah Jones en Joss Stone het aanstormende talent uit Portland, Maine goed genoeg om hem uit ruim 50.000 entries te lichten voor de tweede plaats van die gerenommeerde liedjeswedstrijd.

Ergens op de grens tussen Americana, folk en pop vertelt die Isaacson op ingetogen wijze zijn verhalen. Dat hij een zwaar aan de jonge Tom Waits verwante stem heeft, is daarbij natuurlijk een enorm pluspunt. Met de nodige omzichtigheid behandelde akoestische gitaren, al even voorzichtig gestreelde drums, een occasioneel opduikende cello, een zacht zoemende stand-up bass, een sfeervolle Fender Rhodes en een bijna penseelgewijs de klankkleur bepalende lap steel doen de rest.

“Memories In Shadows” is gewoon een heerlijke plaat, balsem voor getormenteerde zielen, telkens die daar weer eens behoefte aan hebben…

Graham Isaacson

Sinister Muse Records

Amazon

 

 

BLACKIE & THE RODEO KINGS

“Let’s Frolic Again”

(True North)

(4,5) J J J J J

 

 

Kunnen we ons eigenlijk zeer gemakkelijk van af maken! Het betreft hier immers het aangekondigde tweede deel van de karrenvracht aan nieuw materiaal, dat Canadese rootsrocksupermachten Colin Linden, Stephen Fearing en Tom Wilson in september van 2006 in Toronto en Nashville inblikten en waarvan de eerste veertien songs ons vorig jaar onder de noemer “Let’s Frolic” al lichtjes in extase brachten. En daarbij gaat het absoluut niet om outtakes of zo. De drie heren kozen gewoon bewust voor een release van twee aparte CD’s, tot de nok toe gevuld met absoluut gelijkwaardig materiaal. En dat betekent, dat ook tussen de veertien tracks op “Let’s Frolic Again” weer niet één kneusje aan te treffen valt. En of het nu geslaagde covers van Chris Whitley’s “Poison Girl”, Willie P. Bennetts “Sometimes It Comes So Easy” en “Don’t Blame Your Blues On Me” (F-E-N-O-M-E-N-A-A-L!), Murray McLauchlans “Down By The Henry Moore”, Don Nix’ “Night’s Black Bridge” en andere dan wel eigen materiaal betreft, doet eigenlijk hoegenaamd niet terzake. Deze Canadese kruising tussen The Band en de Traveling Wilburys rootsrockt en rollt voortdurend dat het een ware lust is voor het oor! Gastrollen zijn er daarbij ondermeer weggelegd voor John Whynot, Richard Bell, Garth Hudson, Jimmy Weider en Malcolm Burn. Voor de productie tekende andermaal Colin Linden.

Sublieme plaat! Ze links laten liggen zou zonde zijn…

Blackie & The Rodeo Kings

True North Records

 

 

Tom T. Hall

“Sings Miss Dixie & Tom T.”

(Blue Circle Records)

(4) J J J J

 

 

Tom T. Hall wordt door heel wat countryliefhebbers gezien als één van de allerbeste singer-songwriters die het genre ooit heeft voortgebracht en daar sluiten wij ons van hier uit graag bij aan. Hall en zijn wederhelft Miss Dixie slagen er immers altijd weer in om met aansprekende liedjes uit te pakken. Liedjes, waarin het vaak zó lijkt, dat ze rechtstreeks aan jou als luisteraar gericht zijn. En als je daar dan ook nog eens aan toevoegt, dat Hall een echte meester-verteller is, dan komt dat zo ongeveer overeen met een onvoorwaardelijke kwaliteitsgarantie.

Dat Hall originaliteit hoog in het vaandel voert, blijkt ook uit de manier waarop hij zijn wederhelft bij dit project wist te betrekken. Bij wijze van kerstgeschenk overhandigde hij haar een kaartje. “Aan Miss Dixie,” stond erop. “Goed voor een CD. We nemen ze op in onze studio. Jij kiest de songs en de pickers, jij produceert en ik breng songs, die we samen hebben geschreven. Local en Pal zorgen voor de veiligheid. En we noemen het project gewoon “Tom T. Hall Sings Miss Dixie & Tom T.” Zalige Kerst! Love, Tom T.”

Waar Dixie aanvankelijk nog vermoedde, dat het om een handige manoeuvre van haar levensgezel ging om haar van haar jaarlijks rondje kerstshoppen af te houden, smolt haar wantrouwen al snel weg als sneeuw voor de zon, toen ze een hele stoet aan gerenommeerde gasten zag afzakken naar hun tot huisstudio omgebouwde voormalige hondenkennel.

Betrokken muzikanten waren naast Tom T. zelf (lead vocals, gitaar) verder ook nog Kristin Scott Benson (banjo), Wayne Benson (mandoline), Robert Bowlin (gitaar, dobro), Rebecca Isaacs Bowman (achtergrondzang), Mike Bub (bas), Glen Duncan (fiddle), Terry Eldredge (gitaar), Ben Isaacs (bas), Sonya Isaacs (achtergrondzang), Randy Kohrs (resonator), Jimmy Martin (jodel, G-run gitaar), Don Rigsby (achtergrondzang), Earl Scruggs (banjo), Josh Williams (achtergrondzang) en Tim White (banjo).

Opvallendste nummers op de plaat zijn zonder enige twijfel “Jimmy Martin’s Life Story” en “A Hero In Harlan”. Het eerste, zoals de titel al laat doorschemeren het muzikale levensverhaal van “The King of Bluegrass” Jimmy Martin, ingeblikt samen met de man zelf nog vóór hij op 14 mei 2005 kwam te overlijden, het tweede het tragische verhaal van een jongeling uit Harlan, Kentucky, wiens leven op één grote mislukking lijkt uit te draaien tot hij zich, nadat hij ook in de plaatselijke koolmijn niet aan de bak komt, laat inlijven in het leger. Als held keert hij terug van het slagveld, maar dan wel in een blinkende kist… Geen protestliedje, aldus Hall zelf, maar toch…

Andere erg sterke momenten zijn het zwaar nostalgische “Once Upon A Road”, ook al bekend in een uitvoering van Nothin’ Fancy, en “One Of Those Days (When I Miss Lester Flatt)”, waarin Hall vaststelt muzikaal gezien toch wel een beetje anders te zijn dan heel wat anderen. “I guess I come from a whole other school,” zingt hij en daarin heeft hij wellicht overschot van gelijk. Feit is alleszins, dat je dit soort van bluegrass storytelling dezer dagen niet al te vaak (meer) hoort. En dat lijkt ons alleen maar een reden te meer om deze man te koesteren!

Tom T. Hall

Blue Circle Records

CD Baby

 

 

LORI MCKENNA

“Unglamorous”

(Warner Bros)

(2,5) J J J

 

 

Wat te verwachten en te bevrezen viel na de succesvolle raid van popcountrydiva Faith Hill op enkele van haar songs en haar daaropvolgende inlijving door platengigant Warner Bros, wordt bij dezen jammer genoeg ook echt bewaarheid. We zijn haar kwijt aan “de concurrentie” uit Nashville. Waar haar nieuwe werkgever in eerste instantie nog braafjes genoegen nam met een heruitgave van het sublieme “Bittertown”, werden voor Lori McKenna’s eerste echt nieuwe plaat voor de mediareus gelijk ook alle grote kanonnen boven gehaald. Door haar onder de productionele leiding van Tim McGraw (Ai, ai, ai…!) en Byron Gallimore samen met ervaren studiorotten als een Bryan Sutton (gitaar), een Darrell Scott (eveneens gitaar en mandoline), een Glenn Worf (bas), een Dan Dugmore (akoestische en steelgitaar en dobro), een Stuart Duncan (mandoline) en een Sharon Forrest (drums) de studio in te sturen hoopte men namens Warner natuurlijk van harte om naderhand met “this year’s next big thing” te zullen kunnen uitpakken. Dat dit voor McKenna ongeveer overeenkwam met artistiek zelfmoord plegen, nam men er op de koop toe maar bij. Ook McKenna zelf trouwens, want die bedankt in de liner notes op bijna genante manier Faith Hill voor wat ze voor haar gedaan heeft.

Gladde commercie troef dus op “Unglamorous”, dat had je na het voorgaande allicht al wel begrepen. Met occasioneel ook nog eens een overdaad aan strijkers, synthetisch toetsenwerk, te luide gitaren en drums en ondersteunende zang van onder anderen producer McGraw en zijn glamoureuze wederhelft Hill om ons al helemaal somber te stemmen. Gelukkig zijn er nog de naar goede gewoonte weer erg knappe teksten van McKenna, die de pil enigszins vergulden. We noemen in dat verband ondermeer “Falter”, waarin ze ons op originele wijze oproept tot meer verdraagzaamheid, “Witness To Your Life”, waarin de protagoniste zich neerlegt bij een levenslange rol op de tweede plaats, louter als getuige van het bestaan van haar wederhelft, en “Drinkin’ Problem”, waarin een vrouw het drankprobleem van haar man vooral ook háár probleem noemt. Die tekstuele hoogstandjes en gezongen bijdragen van ondermeer Kelly Willis en Buddy Miller vormen lichtpuntjes op een plaat met naar de normen van een McKenna veel te weinig hoogtepunten. Als wij er al een paar zouden moeten noemen, dan zouden we ons beperken tot het eerder al even vermelde “Drinkin’ Problem”, een zeer mooie, een weinig aan het werk van de Dixie Chicks herinnerende trage, die ondanks z’n gladde oppervlak nog duidelijk onder de noemer Americana valt, het zoëven ook al aangestipte “Falter”, één van de weinige echte singer-songwritermomenten hier, het samen met Liz Rose gepende en door Buddy Miller van gruizige harmonieën voorziene “How To Survive” en het samen met Kelly Willis ook al op z’n Natalie Maines gebrachte “I’m Not Crazy”, als je ’t ons vraagt een gedroomde singlekandidaat.

Lori McKenna

Warner Bros Nashville

 

 

BUCK OWENS

“Live From Austin, TX

(New West / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Heel even lag Bakersfield op 23 oktober 1988 in Texas… Op die dag deed de peetvader van de in countrymiddens nog altijd immens populaire sound genoemd naar die stad immers “the live music capital of the world” Austin aan voor opnames van het populaire TV-programma “Austin City Limits”. Owens is zelf in tegenstelling tot wat velen aannemen afkomstig uit Sherman, Texas en speelde eigenlijk dus een soort van verkapte thuiswedstrijd. En die werd door zo ongeveer alle aanwezigen erg gesmaakt. Owens en zijn begeleiders Doyle Curtsinger (bas), Terry Christoffersen (gitaar, steel), Jim Shaw (keyboards) en James P. McCarty (drums) speelden dan ook behoorlijk op safe. Hits als “Act Naturally”, “Together Again”, “Love’s Gonna Live Here”, “Crying Time”, “Tiger By The Tail”, “A-11”, “Hot Dog”, “Put Another Quarter In The Jukebox” en “Under Your Spell Again” en covers van Chuck Berry’s “Memphis” en “Johnny B. Goode” passeerden vlotjes de revue en kregen gemakkelijk de handjes op elkaar. Vooral dan “Under Your Spell Again”, omdat daarin devote Owens-fan Dwight Yoakam even een surprise appearance maakte.

Essentieel? Absoluut niet! Maar wel een erg leuke aanvulling voor de collectie! Dat Owens zich die bewuste avond in de Lone Star State kostelijk vermaakte, straalt immers met zo ongeveer elke noot van deze CD op je af.

Buck Owens

New West Records

Live From Austin, TX

Sonic Rendezvous

 

 

THREE DAY TRESHOLD

“Against The Grain”

(Hi-N-Dry)

(4) J J J J

 

 

Wie erin slaagt om deze CD volledig te beluisteren zonder wild hipshakend en met een gelukzalige grijns zo breed als z’n gezicht achter te blijven, moet hoogdringend op doktersbezoek… Wat deze zes knapen uit Boston doen is immers zo aanstekelijk, dat elke vorm van weerstand er meteen door in de kiem gesmoord wordt. Met zestien rete-aanstekelijke rootsrockliedjes verkopen ze je een totaal onverwachte opdoffer van jewelste. Meezingen zal je, willen of niet… Laat maar wat van die ijskoude goudgele knapen aanrukken, schuif tafels en stoelen aan de kant en laat je vooral gaan op de songs van Kier Byrnes en kompanen! Snel naar hier halen, dit collectiefje! Wie op plaat al zo vitaal uit de hoek kan komen, móet live gewoon behoorlijk onweerstaanbaar zijn!

Nog niet overtuigd? Bezoek dan als de gesmeerde bliksem de webstek van de groep of hun CD Baby-pagina en beluister er om te beginnen de onstuimige, zo ongeveer als de Pogues op doortocht doorheen Amerika klinkende tweeling “Whiskey, You’re The Devil” en “Kelly, I’m Coming Over”, het heerlijk stuiterend twangende “Narrow It Down” en het ook al volstrekt onweerstaanbare “Ghost Of Jimmy Ryan”. Als je daarna nog niet in de ban zou zijn van dit sextet, tja, dan is er nog altijd die dokter, he…

Three Day Treshold

CD Baby

Miles Of Music

 

 

THEA HOPKINS

“Chickasaw”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

American Short Story Folk noemt de vanuit Boston actieve zingende liedjesschrijfster Thea Hopkins haar muziek zelf en daar valt op de keper beschouwd eigenlijk niet zo heel erg veel tegen in te brengen. De songs op haar tweede CD “Chickasaw” voldoen alvast aan de drie criteria, die Hopkins zich met die definitie zelf oplegt. Wat ze doet valt muzikaal gezien ontegensprekelijk onder de ruime noemer folk, haar teksten lezen en luisteren weg als intrigerende kortverhalen en ze zitten bovendien rotsvast geworteld in het Amerikaanse leven van alledag. Die late opvolger van het al in 2001 verschenen “Birds Of Mystery” is trouwens een heel erg mooie plaat geworden. In het uitstekende gezelschap van topmuzikanten als de ondermeer van zijn werk voor Lyle Lovett bekende pianist Tim Ray, gitarist David Goodrich, de uit de entourages van Suzanne Vega en Patty Larkin weggeplukte bassist Richard Gates, celliste Natalie Haas en bijkomende snarenvirtuozen Bob Metzger en Steve Sadler krijgt Hopkins uitgebreid de kans om te etaleren wat ze op vocaal vlak allemaal in haar mars heeft. En dat blijkt heel wat! Haar omfloerste stem is als je ’t ons vraagt van een welhaast onaardse schoonheid. Iets wat heel wat vaak veel bekendere collega’s haar alleen maar kunnen benijden.

We kunnen je dan ook enkel adviseren, deze plaat zo snel mogelijk in huis te halen en je net als ons te laten betoveren door waarachtige juweeltjes als het poëtische, door David Goodrich van ontstellend mooi snarenwerk voorziene “Rows and Rows of Stars”, het over een zich uit de relationele problemen van haar ouders wegdansend jong meisje handelende “Jenny Danced”, het sombere, tegen een door Natalie Haas op haar cello geschilderde achtergrond aan een vluchtige relatie bezingende “Once There Was A Lover” of het wat ons betreft duidelijk als Americana te bestempelen “Medicine Line”. Je zal het je absoluut niet beklagen!

Thea Hopkins

CD Baby

 

 

MISSING NUMBERS

“More Salt?”

(Automatic Recordings / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

“More Salt?” is na “Missing Numbers” en “No Anecdote” al de derde CD van het eigenzinnige collectief rond songwriter Jimmy Peterson. De groep uit Minneapolis pakt daarop andermaal uit met een resoluut elke categorisering uit de weg gaande hybride van genres als nu-jazz, folkblues en (punk)rock. Peterson en co klinken alsof de duivel hen voortdurend op de hielen zit. Alsof Ornette Coleman, Morphine, G. Love & Special Sauce en onze eigenste El Fish het op een jammen hebben gezet met de grote Howlin’ Wolf zelve. Het resultaat is bijzonder bevreemdend spul, waarin (bij momenten tot in het ridicule) vervormde zang, een modervette bluesharp en freaky gitaren vrijwel constant de dienst uitmaken. Is als dusdanig ook enkel geschikt voor muzikale durvers!

MySpace Missing Numbers

Automatic Recordings

Sonic Rendezvous

 

 

KARYN OLIVER

“Hurricane”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(2,5) J J J

 

 

Als je als recensent al dagenlang op “een dieet” van zeer goede tot ronduit uitstekende platen staat, dan valt wat net iets minder is ook ogenblikkelijk door de mand. En dat is precies wat hier en nu gebeurt met “Hurricane”, het debuut van de vanuit Baltimore actieve Karyn Oliver. Die jonge Amerikaanse met Nederlandse roots (Haar moeder werd geboren in het plaatsje Vogelenzang!) beschikt weliswaar over een ronduit fenomenale stem, maar dat kan niet beletten, dat ze ons toch niet helemaal over de streep getrokken krijgt. Daarvoor is het songmateriaal op haar eersteling naar onze smaak gewoon niet sterk genoeg. Het begint nog allemaal voortreffelijk met de soulvolle opener “America”, een aan een sensuele sax en de expressieve zang van Oliver zelf opgehangen sleper, die toont wat ze zo al allemaal in haar mars heeft. En ook de speelse roots rock van het meteen daarop volgende “Flutterby” is best nog wel o.k., evenals de ingetogen Americana van “Nothing To Remember”. Meer nummers van dat kaliber hadden ons wellicht een stuk milder gestemd. Teveel van het resterende materiaal haalt die kwaliteitsnorm echter niet. En als Oliver het dan ook nog eens op een shouten zet, dan verslapt onze aandacht al snel. Hier had als je ’t ons vraagt dan ook veel meer in gezeten!

Karyn Oliver

CD Baby

 

 

JOHN ALLAIRE

“Ghosts Of The Royal Motel”

(Flat And Black Records)

(4) J J J J

 

 

Een plaat, waar wij hier de voorbije dagen al meer dan het nodige plezier aan beleefd hebben, is “Ghosts Of The Royal Motel”, de nieuwe van Canadees John Allaire. Da’s immers typisch zo’n plaat, die met elke nieuwe draaibeurt weer een weinig aan slagkracht lijkt bij te winnen. En dat ondanks het feit dat (Of misschien wel net dóórdat!) Allaire ditmaal gekozen heeft voor een beduidend meer bezadigde aanpak. De beste man klinkt hier als een door de jaren getekende punk, die in Americana een nieuwe beste vriend heeft gevonden. ’n Beetje Strummer, ’n beetje Weller, ’n beetje Westerberg, zoiets. Feit is, dat hij net als op het in 2005 verschenen en nog met The Campistas ingeblikte “Thank You Waitress” andermaal uitpakt met een collectie ijzersterke liedjes. Songs die het door de band genomen moeten hebben van een behoorlijk hoog Americana-, folk(rock)- of (alt.)countrygehalte. En dat blijken stuk voor stuk genres, waarin de verweerde stem van Allaire uitstekend tot haar recht komt. Luister bijvoorbeeld maar eens naar juweeltjes als “Bourbon”, “Porch Light”, “Keep The Rhythm” (Die combinatie van piano en banjo!) of het gevoelige “Midnight Blue And Gray”! Veel meer zal er wellicht niet nodig zijn om ook van jou binnen de kortste keren een devote Allaire-volgeling te maken. Warm aanbevolen!

John Allaire

CD Baby

 

 

ANTSY MCCLAIN &

THE TRAILER PARK TROUBADOURS

“Trailercana”

(DPR Records)

(3,5) J J J J

 

 

O.k., o.k., o.k., met onze bespreking van deze plaat zijn we inderdaad wat aan de late kant. Het schijfje doet het immers al een aantal weken meer dan behoorlijk in de AMA Chart. Maar beter laat dan nooit zeker? Al was het alleen al maar omdat het bij momenten toch behoorlijk straf spul betreft. “Trailercana” werd door Buddy Holly-lookalike McClain grotendeels ingeblikt tijdens twee sessies in respectievelijk de Ear To The Ground Studios in Santa Cruz, California en The Sound Emporium in Nashville. Enkel voor zijn lijflied “Living In Aluminum” en “I Wanna Live In A Billboard” trok hij naar The Sound Kitchen in Franklin, TN. En bij elk van die gelegenheden passeerde telkens een heuse stoet aan gerespecteerde gastmuzikanten de revue. We noemen alleen al maar Lindsey Buckingham, Bonnie Bramlett, Dave Pomeroy, Bobby Cochran en Brian Owings. Dat zou zo ongeveer moeten volstaan om je een idee te geven…

“Trailercana” is een zeer gevarieerde collectie americanadeunen, waarin – Surprise, surprise! – het leven in een trailer vrijwel voortdurend centraal staat. Zo doet McClain in het tegen een swingende R&B-achtergrond geschilderde “Living In Aluminum” uit de doeken, waarom hij een “woonwagenleven” zo geweldig vindt, is het op een originele woordspeling geënte “Joan Of Arkansas” het meeslepende verhaal van een in de liefde gedesillusioneerde vrouw die het huis op wielen van haar klootzak van een wederhelft in de as legt om haar vrijheid te kunnen herwinnen en doet “I Was Just Flipped Off By A Silver Haired Old Lady With A ‘Honk If You Love Jesus’ Sticker On The Bumper Of Her Car” het met een gestrekte middenvinger, een flinke dosis humor en een ingetogen countryriedel. “I Wanna Live In A Billboard” zoekt het muzikaal gezien dan weer ergens in de buurt van de meestal erg zonnige vrolijkdoenerij van Jimmy Buffett en “Dora’s Dark Side”, met z’n “spooky” rootsrockinvulling, is op de hielen daarvan ook zowat de onmiddellijke tegenpool van dat liedje. Enfin, ’n beetje country, ’n beetje Americana, ’n beetje blues, ’n beetje R&B, ’n beetje folk, het zit in het werk van deze met even veel gemak erg humoristisch als zeer ernstig uit de hoek komende singer-songwriter allemaal verwerkt. Met als topmoment ditmaal wat ons betreft ontegensprekelijk het over soulvol blaas-, toetsen- en gitaarwerk heen lekker kritisch ritmisch met de kont schuddende “The Devil Gets More Credit Than He Deserves”.

Miles Of Music

 

 

LEAVING, TX

“Anywhere On Good Roads”

(Lucky Range Records)

(3,5) J J J J

 

 

En nog zo’n onterecht “liggenblijvertje”…

De grofgevooisde Chris Patterson en zijn kompanen van Leaving, TX laten er vanaf de eerste tonen van “State Of Mental Health”, het openingsnummer van hun nieuwe CD “Anywhere On Good Roads”, niet de minste twijfel over bestaan, welke richting het de eerstkomende drie kwartier in hun gezelschap uit zal gaan. Hun energieke twangbeladen alt. country is duidelijk niets voor mietjes. Ruige zang, heerlijk twangende gitaren, een lekker strak agerende ritmetandem en bij wijze van afwerking behoorlijk wat bitterzoete steelgitaarklanken vormen de ingrediënten van een twaalf songs omvattend menu voor fijnproevers, die in speciaalzaken hun oog op de kaart ook wel eens op iets van Reckless Kelly, de jonge Steve Earle of de Drive-By Truckers laten vallen. Teksten over ondermeer het leven in het algemeen en de liefde en drank meer in het bijzonder ronden het geheel af. Verre van kwaad voor een zichzelf als “a country band with a twang-rock problem” bestempelend groepje uit Washington, DC. Zo ongeveer het ideale festivalvoer zelfs, als je ’t ons vraagt!

Leaving, TX

MySpace

CD Baby

 

 

KAZ MURPHY

“Home For Misfits”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Echt een man naar ons hart, deze Kaz Murphy. En bovenal ook een singer-songwriter naar ons hart. Ook op zijn derde CD, het door hem zelf samen met Rich McCulley geproduceerde “Home For Misfits”, etaleert de vanuit L.A. actieve brillendrager weer een bijzonder fijne neus voor ijzersterke melodieën. De elf liedjes erop zijn net als die van de nog steeds warm aanbevolen voorgangers “One Happy Camper” uit 1997 en “Devil In The Barn” uit 2003 duidelijke knipogen naar ’s mans eigen muzikale helden uit de jaren zestig en zeventig, zonder daarom ook maar heel even echt retro hoeven te klinken. Met zijn aparte, als je ’t ons vraagt een weinig aan Edwyn “A Girl Like You” Collins van het Schotse 70’s-collectiefje Orange Juice en Lee Hazlewood herinnerende gromstem vertolkt hij die verhaaltjes over doodnormale mensen in vaak heel wat minder normale omstandigheden op een manier die gewoonweg schreeuwt om radioaandacht. En daarbij krijgt hij ditmaal niet alleen de hulp van “usual suspects” Jacqueline Grad (keyboards, viool, accordeon, zang), Jon Skibic (gitaren, zang), Michael Sullivan (bas) en Brian Young (drums, percussie), maar ook van de al eerder genoemde Rich McCulley op gitaren, mandoline en harmonica, Duane Jarvis op gitaren, mandoline en requinto, John McDuffie op pedal steel en Amy Farris op viool. Diezelfde Farris en Kip Boardman tekenen bovendien ook voor enkele gezongen bijdragen.

Knappe plaat!

Kaz Murphy

MySpace

CD Baby

 

 

TJ MCFARLAND

“Howlin’ Wild”

(Be Aware!)

(3,5) J J J J

 

 

TJ McFarland bekent op “Howlin’ Wild” veel meer nog dan op voorganger “Rosenbum’s Gin” uit 2005 kleur. De liedjes op zijn tweede CD verraden ontegensprekelijk een gezonde belangstelling voor het werk van groten der aarde als wijlen Woody Guthrie en Bob Dylan. Vooral met wat die laatste deed voor hij besloot de elektrische gitaar om te gorden heeft McFarland muzikaal gezien nogal wat gemeen. Een enigszins vergelijkbare, meer snerende dan zingende stem, een regelmatig op het voorplan tredende snerpende harmonica, akoestische gitaren en de mandoline en de fiddle van Rick Morton, daarmee moeten we het maar zien te doen. Enkel wat harmonieerwerk van Stoney LaRue, Amanda Williams en Colleen McFarland vormen wat dat betreft uitzonderingen. McFarland presenteert zich met andere woorden als een eerder klassieke troubadour-verhalenverteller. Onze luistertips met betrekking tot “Howlin’ Wild”: het bevreemdend aandoende “Tennessee”, het met Stoney LaRue gebrachte “Kurt Cobain” en het net als dat tweetal ijzersterke titelnummer, niet toevalig allicht ook alle drie te beluisteren via MySpace.com.

TJ McFarland

Miles Of Music

 

 

PERRY KEYES

“The Last Ghost Train Home”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(5) J J J J J

(Releasedatum: 8 oktober 2007)

 

 

Een beetje vergelijkbaar met het elders op deze pagina’s besproken “Cover Their Eyes” van Krista Detor, dit schijfje. Net als Detor debuteerde immers ook Perry Keyes ijzersterk met het in 2005 verschenen “Meter”. En net als bij z’n Amerikaanse collega rustte er dus ook op de schouders van de sympathieke Aussie derhalve een enorme last met betrekking tot die “immer moeilijke tweede”. En de vergelijking gaat zelfs nog iets verder, want net als Detor slaagt de Australische taxichauffeur erin om met z’n van fraai artwork van de hand van Jon Langford voorziene nieuwe “The Last Ghost Train Home” zelfs onze stoutste verwachtingen nog ruimschoots te overtreffen. Keyes profileert zich daarop met brio als één van dé allerbeste nieuwe singer-songwriters, die zich de voorbije jaren aandienden. Zowel tekstueel als muzikaal gezien steekt hij met kop en schouders boven het gros van de concurrentie uit. Goede referenties voor wat dat laatste betreft lijken ons ondermeer Neal Casal, Kenny Roby, Kevin Gordon en Fred Eaglesmith. Ook Keyes grossiert immers in intelligente melodieuze rootsrockliedjes, die keer op keer opnieuw om je aandacht blijven bedelen. En dat geldt dan zowel voor zijn hartverscheurend mooie ballads als voor de vele behoorlijk gruizige rockers die zijn nieuwe album sieren. Wat zijn teksten betreft kan je de man misschien nog het best vergelijken met knapen als een Elvis Costello of een Bruce Springsteen. Met veel gevoel voor detail evoceert Keyes daarin immers “zijn” Australië aan de hand van plekjes en voorvallen, die om de één of andere reden een speciale betekenis voor hem lijken te hebben. En dat maakt het voor ons als Europeanen natuurlijk niet altijd even gemakkelijk om zijn gedachtegangen te volgen. Neem nu zo’n nummer als het over rinkelende, een weinig aan de Byrds herinnerende gitaren gedrapeerde “The Day John Sattler Broke His Jaw”. Briljant liedje, maar wie weet er hier in godsnaam, dat de protagonist uit de titel ervan ooit rugby speelde bij de South Sydney Rabbitohs, het team waarvan acteur Russell Crowe zich dezer dagen de eigenaar mag noemen, of dat hij een cultheld werd door in de Grand Final van 1970 met een bebloed gezicht en een op verschillende plaatsen gebroken kaak als kapitein van die ploeg de wedstrijd uit te spelen en te helpen winnen? Om van dat soort van dingen op de hoogte te zijn moet je zelf al bijna van “down under” komen… Maar dat neemt niet weg, dat hier bijzonder veel te beleven valt! Keyes’ teksten zijn immers van een bijna literaire kwaliteit en zijn liedjes kunnen stuk voor stuk terugvallen op melodieën om u tegen te zeggen. En dan is er nog de invulling ervan, die ook al dik in orde is. Daarvoor zorgden die van zijn band Give My Love To Rose, te weten gitarist Edmond Kairouz, bassist Earl Pinkerton, toetsenman John Gauci en drumster Bek-Jean Stewart. Die laatste, van wie we hier niets lang geleden nog het album “Junior Years” bespraken, zorgt ook regelmatig voor wat vocale bijstand. En dat levert meteen enkele van de meest beklijvende momenten hier op, als daar zijn bijvoorbeeld het duetje “At The Speedway” en het melancholische “Matthew Talbot’s Blanket”. Songs van dat kaliber horen gewoon thuis in jaarlijstjes…

 

(Download hier in afwachting van de release van “The Last Ghost Train Home” op 8 oktober aanstaande alvast de akoestische versie van één van de mooiste liedjes erop, “Dale Buggins Dream”!)

 

Perry Keyes

Laughing Outlaw Records

 

 

RENCH

“Life In Mean Season”

(Rench Audio)

(4) J J J J

 

 

Hoe onwaarschijnlijk een dergelijke combinatie vooraf op papier ook moge ogen, de realiteit gezien door de ogen van de jonge Amerikaan Rench leert, dat een samengaan van hip hop beats en Americana wel degelijk levensvatbaar is. En dat wij heus niet de enigen zijn die daar zo over denken, bewijst het gegeven dat de beste man op basis van het op zijn nieuwe CD “Life In Mean Season” gebodene ondertussen reeds werd vastgelegd voor het op 6 oktober aanstaande in De Oosterpoort in het Nederlandse Groningen plaatsvindende TakeRoot Festival. Vraag is maar, hoe het publiek daar op het toch wel aparte materiaal van Rench reageren zal. Die eist met zijn speciale hybride van twee op het eerste gezicht onverenigbare muziekstijlen immers een open geest van zijn luisteraar. En of hij die bij de vaak toch als eerder conservatief te bestempelen liefhebbers van Americana in onze kontreien zal aantreffen? We zijn eens benieuwd!

Feit is, dat wij alvast wel behoorlijk ondersteboven zijn van Rench en wat hij doet. De man heeft een aangenaam lijzige stem en koppelt die aan gedurfd draaitafelwerk, samples, fiddles, pedal steel, banjo en andere snaarinstrumenten. Dat gebeurt veelal in eigen composities. Covers zijn er enkel van classics en minder bekende songs als “Till I Gain Control Again”, “Cash On The Barrelhead”, “All I Have To Offer You Is Me”, “Fancy” en “Dying Day”. En ook die werken! Mede dankzij de voortreffelijke zangpartijen van gastvocalistes als Linda May Wacker, Lil’ Jess Williams en Jessica Basta.

Zelden klonk Americana zó sexy!

Rench

CD Baby

 

 

DOC SCHNEIDER

“Songs In Other Voices”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

Hoe een dubbeltje soms al rollen kan… Als we Doc Schneider, zich in het dagelijkse leven om den brode in gerechtelijke kringen ophoudend, geloven mogen, dan werd hij zich pas goed bewust van de kwaliteit van z’n in zijn vrije tijd gepende liedjes, nadat hij de eerste resultaten te horen kreeg van door de voornamelijk van zijn werk voor Foreigner bekende Jeff Jacobs gemaakte “demo’s” ervan met de stemmen van anderen. Schneider had gereageerd op een door Jacobs in het tijdschrift Performing Songwriter Magazine geplaatste advertentie, waarin die zijn diensten aanbood. En hij was uiteindelijk zo gecharmeerd door de resultaten van hun samenwerking, dat hij nog louter kon denken in functie van een toch wel opvallend concept. “Songs In Other Voices”, oftewel zijn liedjes gebracht door anderen, was meteen geboren. Naast Jeff Jacobs werd vervolgens ook de gerenommeerde Ben Wisch ingehuurd als producer. En tal van mooie stemmen deden uiteindelijk de rest. Met name Eugene Ruffolo, Lucy Kaplansky, Jon Allmett, Jeff Jacobs, Cheryl Wilson, Greg Ferguson, Josie Aiello en Peaches lieten zich voor Schneiders kar spannen. Enkel het afsluitende “Who Took Our Eyes Away?” belandde uiteindelijk eerder toevallig in ‘s mans eigen schoot, omdat één van de opgetrommelde vocalisten het in laatste instantie liet afweten.

Het resultaat van de gezamenlijk geleverde inspanningen van het hoger genoemde artiestenkransje en een stel doorgewinterde studioratten zijn achttien mooie, doorgaans eerder naar het introverte neigende popliedjes, die hier en daar voorzichtig richting folk en soms ook wel eens Americana durven te neigen. Voor de mooiste bijdragen tekenen wat ons betreft de in Nederland al een poosje behoorlijk succesvolle Eugene Ruffolo en Josie Aiello.

Aan te bevelen lijkt ons dit werkelijk tot in de puntjes verzorgde singer-songwriterwerk vooral aan liefhebbers van mooie stemmen. Maar die moeten er dan wel rekening mee houden, dat alles hier echt wel mierzoet is. Een echte aanslag op het glazuur van hun tanden…

Doc Schneider

CD Baby

 

 

LISA O’KANE

“It Don’t Hurt”

(New Light Entertainment)

(4) J J J J

 

 

Het verhaal van thirty-something en ondertussen ook alleenstaande moeder Lisa O’Kane is dat van zoveel uitstekende Amerikaanse rootsartiesten: eerst opgepikt worden in Europa, om vervolgens eindelijk een brug te kunnen slaan naar vaderlandse erkenning. En die zal ze met deze derde worp oogsten, wees daar maar zeker van! Ten opzichte van haar uitstekende debuut “Am I Too Blue” uit 2002 en het twee jaar later verschenen en al even knappe “Peace Of Mind” is O’Kane er immers weer enorm op vooruitgegaan. Ze lijkt momenteel gewoon te barsten van het vertrouwen! De door haar zelf aangebrachte songs (Helaas slechts drie in aantal!) zijn stuk voor stuk van ronduit uitstekende makelij. En de manier waarop ze zich materiaal van anderen eigen maakt, spreekt ook al tot de verbeelding. Zo tekent ze bijvoorbeeld voor een oorstrelend mooie versie van de John Prine-klassieker “Speed Of The Sound Of Loneliness”, waarin ze ondermeer wat vocale bijstand van de hier ook op handen gedragen Mark Fosson krijgt. En daarmee houdt de bijdrage van die laatste niet op. Hij schreef samen met O’Kane zelf de knappe countryrocker “I’m Done” en leverde met de ballade “Remember This” ook nog een eigen liedje. En die Fosson is lang niet de enige bekende naam die we hier tegenkomen. Ten bewijze daarvan overlopen we even de impressionante gastenlijst met je. Helpende handjes waren er ditmaal voor O’Kane ondermeer ook nog van Kenny Edwards, Albert Lee, Jay Dee Maness, Ernest Troost, Edward Tree (Die de plaat ook weer produceerde!), Skip Edwards, Gary Ferguson, James Cruce, Gabe Witcher, Taras Prodaniuk, Rick Solem, Debra Dobkin, Marty Axelrod, Jorgen Ingmar, Jonathan Clark, Teresa James en Ken Stacey. En het hoeft dan ook absoluut niet te verwonderen, dat alles hier werkelijk tot in de puntjes verzorgd klinkt. Af gewoon! Met als stralend middelpunt van de belangstelling O’Kane zelf, die met haar fenomenaal mooie stem hoogtepunt na hoogtepunt uit de mouw blijft schudden. We noemen ondermeer nog Ernest Troosts misbruikliedje “It Don’t Hurt”, de energiek rockende opener “Ain’t Done Nothin’”, waarin Albert Lee ‘m gitaargewijs serieus van jetje geeft, het heerlijke, door Kenny Edwards en Keith Sewell aangedragen  americanaliedje “Misery And Happiness”, het verstilde “Paper Thin” en het bluesy “Pay For My Sins”, misschien wel haar beste eigen liedje tot op heden.

Indrukwekkend!

Lisa O’Kane

MySpace

New Light Entertainment

 

 

RAUL MALO

“After Hours”

(New Door Records / UME)

(3) J J J

 

 

Voormalig Mavericks-kopstuk Raul Malo lijkt zijn draai weer een beetje te hebben gevonden. Op zijn nieuwe CD “After Hours” croont hij zich met veel flair een weg doorheen oude countryhits als “Welcome To My World”, “(Now And Then There’s) A Fool Such As I”, “For The Good Times”, “Pocket Of A Clown”, “Crying Time”, “Cold, Cold Heart”, “You Can Depend On Me”, “Husbands And Wives”, “It Only Hurts Me When I Cry” en “Take These Chains From My Heart”. In de liner notes ervan verklaart hij openhartig, dat hij altijd al een plaat als deze had willen maken. Hij was er immers al lang ten stelligste van overtuigd, dat een goed nummer op tal van verschillende manieren kon worden gebracht. En dus vertaalt hij de genoemde countryklassiekers hier naar een wereld waarin normalerwijze mooizingers als een Frank Sinatra, een Tony Bennett of recenter een Michael Bublé de dienst uitmaken. De titel van de plaat is dan ook goed gekozen. Het geheel baadt immers in zo’n typisch jazzy late night-sfeertje. Wel mooi gedaan allemaal, maar het mist als je ’t ons vraagt tegelijk toch ook wat “edge”.

Raul Malo

Amazon

 

 

DAVID WADDELL

“Truck Broke Down”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

Drie jaar na het verschijnen van zijn debuutplaat “Last One To Know” pakt David Waddell vanuit of all places Duitsland uit met een nieuwe CD. Na de release van die eigen eersteling hielp de Texaan samen met zijn broer Leland vanuit zijn toenmalige thuishaven in de Lone Star State en via zijn eigen label Waddell Hollow Records nog wel Blaze Foley’s “Wanted More Dead Than Alive” de wereld in, maar daarna vertrok hij om ons niet meteen duidelijke redenen onverwijld richting Reichenau. En vanuit dat Zuid-Duitse plaatsje doet hij dezer dagen samen met z’n nieuwe band Hellbound Train zijn ding. Ten getuige daarvan “Truck Broke Down”. Op die plaat grossiert de man, die tijdens zijn ondertussen ruim vijfendertig jaar overspannende carrière als producer en sessiemuzikant ondermeer samenwerkte met groten als wijlen Townes Van Zandt, Billy Joe Shaver, Willie Nelson, Richard Dobson, J.J. Cale, Lonny Mack en Dan Penn & Spooner Oldham, in typisch Texaans singer-songwritermateriaal. Dat betekent concreet dat hij ons een muzikale mélange voorschotelt, waarin elementen van zowel traditionele country, rock, blues, bluegrass, folk, R&B, cajun als Tex-Mex aan te wijzen zijn. Met twaalf eigen liedjes over onderwerpen als de liefde in al haar facetten, het huwelijk en het spaak lopen daarvan, het leven “on the road”, stevig drinken, de zinloosheid van oorlogen, het corrupte karakter van de Amerikaanse regering en dies meer probeert hij ons hier in te pakken. En dat lukt ‘m eigenlijk slechts ten dele. Nummers als de snedig countryrockende titeltrack, het bedrieglijk vrolijk aandoende “Hard Times For The Working Man”, het lentefris over een vrolijke banjoriedel rond dartelende “Land Of The Dixie”, het swampy “Lovin’ On The Bayou”, het tegelijk met Waylon Jennings en Tony Joe White flirtende “Lady And The Outlaw” en het politiek geladen “Wake Up America” mogen wat ons betreft zondermeer positief worden onthaald. Elders klinkt wat Waddell doet soms echter nogal braafjes. En op die momenten kan zelfs zijn nochtans erg mooie diepe stem hem niet altijd redden. Dat is ondermeer het geval in zeemzoete countrydeuntjes als “Smokey Mountain Rain”, “I Can’t Win” en de pianoballade “Greatest Love Of All”. Desalniettemin heeft de Euro Americana scene er met deze knaap een leuke aanwinst bij.

David Waddell

MySpace

 

 

KRISTA DETOR

“Cover Their Eyes”

(CoraZong Records)

(5) J J J J J

(Releasedatum: 14 september 2007)

 

 

Mag je van iemand die zo sterk debuteert als de jonge Amerikaanse Krista Detor dat met het vorig jaar verschenen “Mudshow” deed gelijk een nog sterkere tweede verwachten? Het leek ons vooraf eerlijk gezegd ijdele hoop, maar ondertussen weten we wel beter… “Cover Their Eyes” is immers gewoon een regelrechte moordplaat geworden. De plaat die Detor, als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, een zelfde mate van erkenning zal opleveren als veel bekendere collega’s als een Mary Chapin Carpenter, een K.D. Lang, een Patty Griffin en een Eliza Gilkyson.

Gelijk van bij de kamerbreed uitwaaierende opener “Pretty Horses Run” weet je, dat je hier iets heel speciaals te wachten staat. Met die machtige stem van ‘r grijpt Detor je ogenblikkelijk bij je nekvel om je pas dik negenenveertig minuten en twaalf nummers verder weer los te laten. Als geen ander weet ze in dat dozijn liedjes de dunne lijn tussen pop, folk en Americana uit te vlakken. En dat zou op termijn wel eens serieus in haar voordeel kunnen gaan werken. Dit is immers duidelijk materiaal, waar je niet alleen in kringen van liefhebbers van Americana en aanverwante genres mee kan uitpakken. Fans van groten der aarde als een Joni Mitchell of Detors grote voorbeeld Leonard Cohen zullen hier gegarandeerd ook voor smelten als sneeuw voor de zon. En songs als het catchy “Go Ahead And Wait”, “Marlene In A Movie”, “Lay Him Down”, een duetje met Carrie Newcomer, of het al genoemde openingsnummer zullen bij onze vaderlandse baken van goede smaak Radio 1 allicht binnen de kortste keren worden doodgeknuffeld. En dat zijn dan nog maar vier van de vele highlights hier! Van achter haar piano jaagt Detor met haar werkelijk hemelse zang en haar tijdloze liedjes de ene koude rilling na de andere over je rug. We worden er gewoon niet goed van, zó mooi is dit!

Krista Detor

CoraZong Records

 

 

LAST TRAIN HOME

“Last Good Kiss”

(CoraZong Records)

(4) J J J J

 

 

In de States was dit vijfde album van het uit Washington D.C. afkomstige gezelschap rond klasbak Eric Brace al een poosje verkrijgbaar, maar dankzij het Nederlandse CoraZong Records hoef je voortaan niet langer importkanalen te gebruiken om eraan te geraken. En wat meer is, je krijgt bovendien naar goede huisgewoonte ook weer meer waar voor je geld. In vergelijking met de Amerikaanse versie ervan telt deze Europese release van “Last Good Kiss” liefst drie nummers meer. En niet van de minste ook! Naast de radio edit van de eerste single getrokken van het album, de onstuimige, z’n titel aan een roman van James Crumley ontlenende rootsrockstamper “Last Good Kiss”, krijgen we ook nog fraaie covers aangeboden van “Lovers Farewell” van The Carter Family en “This Wheels On Fire” van Bob Dylan en Rick Danko. En als er al iets is, wat die twee vreemde eenden in de bijt ontegensprekelijk aantonen, dan is het wel, dat Brace een ongelooflijk goede zanger is. Een warmere stem als die van hem zouden we in de huidige Amerikaanse roots rock scene niet meteen durven aanwijzen. Prachtig trouwens ook, hoe die gloedvolle vocalen van ‘m een match vinden in het gezongen weerwerk van Alice Despard in “This Wheel’s On Fire”. The stuff that dreams are made of!

Ook voor het vereeuwigen van “Last Good Kiss” omringde Brace zich, zoals we dat zo stilaan van ‘m gewoon geraakt zijn, weer met een stel nieuwe muzikale bondgenoten. En die vond hij ditmaal in de hier vooral van z’n uitstekende, door Jon Dee Graham geproduceerde CD “Disclose” van 2003 bekende Texaanse gitarist Steve Wedemeyer en in toetsenvrouw Jen Gunderman, geen onbekende voor Jayhawks-fans. Voorts bestaat Last Train Home anno 2007 uit Brace zelve (zang en akoestische gitaar) en andere oudgedienden Jim Gray (elektrische bas), Martin Lynds (drums, percussie, backing vocals) en Kevin Cordt (trompet). Samen met gasten als Tom Mason (banjo), Alan Brace (mandoline, zang), Bill Williams (gitaar) en Claire Small en Alice Despard (beiden zang) waden zij doorheen een riviertje rijk aan klaterende country en roots rock, Americana en alt. country. Her en der zijn er echter ook verrassende uitstapjes naar niet meteen voor de hand liggende genres. Zo slaagt “Kissing Booth” in het hier onmogelijk gewaande door roots rock en reggae op bijzonder geslaagde wijze in de echt te verbinden en waait door “The Color Blue” voorwaar zelfs een licht jazzy aandoend exotisch windje. En precies dat soort van toch wel gewaagde escapades maakt dat we deze “Last Good Kiss” toch weer net iets beter vinden dan z’n voorgangers. (En ook dat waren stuk voor stuk uitmuntende platen!)

Last Train Home

CoraZong Records

 

 

PORTER HALL TENNESSEE

“All Sinners Welcome Here!”

(Big Bender Records / Hapi Skratch / P& D)

(3) J J J

 

 

Noem dit maar een blij weerzien. Eigenlijk niet echt meer verwacht om ooit nog eens iets van dit gezelschap uit East Nashville, Tennessee te mogen vernemen. Tenslotte gingen er na hun nog voor het ondertussen alweer lang ter ziele gegane Slewfoot-label verschenen “Welcome To Porter Hall Tennessee” toch ook al ruim vijf jaar voorbij. Maar goed, dat gedacht en geschreven zijnde, Molly Conley (zang, gitaar) en Gary Roadarmel (zang, gitaar) slaan dus met “All Sinners Welcome Here!” opnieuw toe. En ze doen dat niet langer als duo maar wel als een heuse groep. Met bassist Travis Collinsworth, extra-gitarist Zach Setchfield en drummer Mark “Padlock” Pavlack erbij is er nu zelfs sprake van een heus kwartet.

Muzikaal gezien zoeken Conley en Roadarmel en trawanten het op die nieuwe plaat in de hoek waar cow punk, Southern rock en traditionele en alt. country elkaars gezelschap nog amper of zelfs helemaal niet meer kunnen ontlopen. Dat resulteert in wat ze zelf omschrijven als “a little bit country and a lot of rock & roll”. En eigenlijk hadden wij die verhouding liever net andersom geweten. De beste stukken op “All Sinners Welcome Here!” zijn naar ons gevoel immers net die waarin country nog volop regeert. We noemen bijvoorbeeld de aanstekelijke alt. old-time van “Miracle Woman”, de verstilde, op lekker ouderwetse wijze ingeblikte en door Conley gezongen ballade “Any Way We Want It”, het eerder traditioneel opgevatte en ook al door haar gebrachte “Easier Said Than Done” en de met Roadarmel gedeelde sleper “All Messed Up”. Ook knap, ondanks een al wat groter rockaandeel, zijn een met veel gevoel gebrachte cover van de Uncle Tupelo classic “Whiskey Bottle” (Met prima pedal steel-werk van gast Jeff Servais!) en het messcherp rockende, aan het repertoire van Tim Carroll ontleende “People Who Died”.

Porter Hall Tennessee

MySpace Porter Hall Tennessee

Big Bender Records

Hapi Skratch Entertainment

 

 

ROSE COUNTY FAIR

“The Overture”

(Tornado Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Met graag experimenteren is an sich niks mis mee. Als wat je doet er echter dreigt door te verzanden in “art for art’s sake”, dan hebben wij het er wél moeilijk mee. Een gevoel dat hier bijvoorbeeld overheerste naar aanleiding van “Yankee Hotel Foxtrot” en “A Ghost Is Born” van Wilco. En nu ook weer een weinig met betrekking tot “The Overture” van het jonge, vanuit Dallas actieve collectief Rose County Fair. Maar goed, da’s een kwestie van smaak natuurlijk. De twee hoger genoemde schijven groeiden immers niet voor niets uit tot de twee meest succesrijke op het repertoire van Jeff Tweedy en co. En misschien wacht er Rose County Fair dus ook wel een mooie toekomst.

Die in 2006 rond zanger-songsmid John Pedigo gevormde groep zoekt haar heil in een gewaagde hybride van elementen uit alt. country en indie rock. En dat resulteert nogal eens in een overdosis aan ideeën binnen één en hetzelfde liedje. De uit groepen als Boys Named Sue, Slick Fifty Seven en OloSpo gerecruteerde bende verliest zo naar ons gevoel bijvoorbeeld duidelijk de pedalen in het aan creatieve invallen eivolle titelnummer. Een stuk beter gaat het haar af, als het liedje niet geheel en al uit het oog verloren wordt. Dat is bijvoorbeeld het geval in de lekker strakke rocker “Falcones”, in het behoorlijk melodieuze en met een groot sixtiesgevoel ingevulde “Gettin’ By”, in de power pop van “Slide Show” en in het fraai op de mondharmonica ingeleide en als countryeske ballade startende, maar regelmatig in heftige gitaren woelende “Hours Pass”, om zomaar voor de vuist weg enkele van de sterkere momenten hier te noemen. Daarin hoor je, dat hier wel degelijk een stevig potentieel voorhanden is. Groot genoeg alvast om er de podia van tal van gerespecteerde festivals in onze kontreien mee te halen. De tijd zal echter moeten uitwijzen of dat ook effectief gebeuren zal.

Rose County Fair

Sonic Rendezvous

 

 

JIM ARMSTRONG

“Mudtown”

(Sonic Deli)

(3,5) J J J J

 

 

“A veteran rookie” noemt ie zichzelf, op die manier treffend onder de aandacht brengend, dat “Mudtown” eigenlijk het debuut is van een rootsrocker op jaren. Niet dat de vanuit Toronto actieve en al sinds zijn zesde aan epilepsie lijdende singer-songwriter Jim Armstrong nu meteen een groentje is, dat zeker niet. Jarenlang verdiende de beste man al zijn sporen in dienst van anderen. Als producer, songwriter, multi-instrumentalist en componist van muziek voor soundtracks had hij geruime tijd meer dan zijn handen vol. Maar met “Mudtown” treedt hij nu voor het eerst ook zelf echt op het voorplan. En dat doet hij bijzonder overtuigend. Dat album bevat immers dertien knappe lappen roots rock, die je onwillekeurig doen denken aan het werk van grootmeesters als een Bruce Springsteen, een Bob Seger, een Tom Petty en zijn landgenoot Fred Eaglesmith. In die liedjes neemt Armstrong het geregeld op voor de underdogs van de maatschappij, waarin wij leven. Hij richt als dusdanig zijn pijlen voornamelijk op een working class-publiek. Zijn voornaamste bondgenoten daarbij zijn z’n enigszins aan Tom Petty herinnerende rasperige stem, zijn knappe, altijd in functie van het liedje agerende gitaarspel en precies die liedjes zelf. Zonder daarom meteen hoeven uit te pakken met potentieel hitmateriaal slaagt Armstrong er steeds weer in om songs af te leveren, die je als oude bekenden voorkomen. En dat maakt van “Mudtown” te allen tijde bijzonder aangenaam luistervoer. Onze luistertips: het werkelijk uitstekende titelnummer “Mudtown” en het al even fraaie, heel erg melodieuze “Gypsy”.

Sonic Deli Records

CD Baby

 

 

NATHANIEL MAYER

“Why Don’t You Give It To Me?”

(Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Wellicht ook zelf verrast door het succes van zijn op het gerenommeerde Fat Possum Records verschenen comebackplaat “I Just Want To Be Held” ging Detroit soullegende Nathaniel Mayer maar wat graag in op een voorstel om als voorprogramma voor de hippe Black Keys te gaan toeren. Hij deed dat geruggensteund door een groep bestaande uit gitarist Matthew Smith van Outrageous Cherry, bassist Troy Gregory van de Dirtbombs en drummer Dave Shettler van The Sights en SSM. Eén van de meest memorabele momenten, die dat opleverde, was een performance als headliner in de Knitting Factory in New York. Dat was op een vrije dag van de Black Keys en dus vond Dan Auerbach, de zanger-gitarist van die groep, zich geroepen om gitaargewijs mee een duit in het zakje te komen doen. Dat beviel alle betrokkenen zo goed, dat al snel werd besloten om Mayers volgende plaat in die line-up aan te vatten. Iets wat maanden later in Detroit ook effectief gebeurde. “Why Don’t You Give It To Me?” groeide zodoende uit tot een echte groepsprestatie. De nummers ervoor ontstonden al jammend en werden pas later productioneel onder handen genomen door Smith, Auerbach en Shettler. Het resultaat is een plaat die de rauwe directheid van garagerockers als de Stooges en MC5 koppelt aan de emotionele diepgang van soulgroten als een Marvin Gaye, een Jackie Wilson of een James Brown. Met zijn hese strot als zijn enige steun en toeverlaat baant Mayer zich, gedrevener dan ooit, een weg doorheen een bos van vuige bluesrockgitaren. Noem het maar “The Sound of Detroit” anno nu!

Nathaniel Mayer MySpace

Sonic Rendezvous

 

 

RED MEAT

“We Never Close”

(Ranchero Records)

(3,5) J J J J

 

 

Een nieuwe schijf vanuit een hoek waaruit we ze eerlijk gezegd niet echt meer verwacht hadden. “Alameda County Line”, de door Dave Alvin geproduceerde laatste van het vanuit Oakland, CA actieve honky-tonkgezelschap Red Meat dateerde immers ook alweer uit 2001. Maar goed, de verrassing is des te groter!

Ten opzichte van de genoemde derde van de groep laat zich een licht gewijzigde line-up optekenen. De pedal steel, de akoestische of de mandoline van Max Butler zal je op “We Never Close” niet langer aantreffen. Voor het overige veranderde er in al die jaren eigenlijk niet zo heel erg veel. Alvin tekent ook ditmaal weer voor de productie, Smelley Kelley en bassiste Jill Olson nemen nog steeds het leeuwendeel van de vocals voor hun rekening en traditionele country in al z’n facetten blijft het ding van Red Meat. Openingsnummer “Honky Tonk Habit” is zo een swingend, z’n titel alle eer aandoend groepscredo, “Pretty Little Lights Of Town” profiteert volop van twangy baritongitaarwerk van Dave Alvin om meer rockgetinte countryoorden aan te doen, het door Jill Olson gezongen “I’m Not The Girl For You” is een typische “tear in your beer”-sleper, “Go On Home, Mr. Johnson” ontleende z’n beat overduidelijk aan iets van de Sir Douglas Quintet, het instrumentale “Moonrock” en “City Slicker” zijn geslaagde knipogen richting Bakersfield, “Queen Of King City” flirt opzichtig met Tex-Mex en “High Maintenance Baby” doet hetzelfde met jazz. Al bij al een lekker gevarieerd geheel, opgewaardeerd met gastbijdragen van Dave Alvin op diverse gitaren, Rick Shea op gitaar en mandoline, Amy Farriss op fiddle en Doug Livingston op pedal steel en piano.

Red Meat

MySpace

Miles Of Music

 

 

JON T. HOWARD

“Time For Something New”

(Metta / Four Records)

(3,5) J J J J

 

 

Op “Time For Something New”, zijn nieuwe CD, zoekt de Amerikaanse singer-songwriter Jon T. Howard naar het perfecte evenwicht tussen elementen uit genres als Americana, roots rock, folk en blues. En het moet gezegd, dat hij daarbij aardig in zijn opzet slaagt ook. In een productie van Ben Wisch levert hij naast een behoorlijk Waitsiaans aandoende cover van de wereldhit “What A Wonderful World” elf nieuwe eigen liedjes af, die getuigen van een zeer vaardige hand als songwriter. Niet zelden vertrekt hij daarin vanuit zijn eigen leefwereld. Zoals in het ingetogen, volop van broeierig toetsenwerk van Ben Wisch profiterende “Throw Another Penny” bijvoorbeeld, waarin hij ons een kijkje gunt achter de schermen van het in zijn ogen hopeloze huwelijk van zijn eigen moeder. Of in het behoorlijk bittere “Potterville” ook, waarin hij met gemengde gevoelens terugblikt op wat ooit zijn thuis was, maar er nu amper nog op lijkt.

Howards voornaamste troeven zijn een heerlijk gruizige stem, een sterk door de Amerikaanse rock scene van de seventies beïnvloed gevoel voor melodie en werkelijk glasheldere teksten. Daarnaast kan hij ook aardig uit de voeten op de akoestische, de mondharmonica en de melodica. En meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!

Jon T. Howard

MySpace

Amazon

 

 

KEVIN DEAL

“Roll”

(Blind Nello Records)

(4) J J J J

 

 

Om het maar eens met een flauwe woordspeling te verwoorden, deze man is “the real deal”. Tussen 1998 en 2005 liet hij met “Lovin’ Shootin’ Cryin’ And Dyin’”, “Honky Tonks –N- Churches”, “Kiss On The Breeze”, “The Lawless” en het live ingeblikte “Raw Deal” al vijf platen op ons los. En daar zat er eigenlijk niet één mindere tussen. Vooral met “Kiss On The Breeze” en het werkelijk fenomenaal goede “The Lawless” hees Deal zich wat ons betreft gemakkelijk tot op het niveau van een Steve Earle ten tijde van “Guitar Town” of wat recenter een Chris Knight. En met “Roll”, z’n nieuwste, bevestigt hij die goede vorm alleen maar. Ook dat album staat immers veertien nummers lang garant voor uitstekend, op een Texaanse leest geschoeid singer-songwritermateriaal. Wat betekent, dat we zowel mogen rekenen op sterke melodieën en verhalen als op een occasionele meezinger. Deals biotoop zijn nu eenmaal honky-tonks en bars. En ook het publiek daar wordt natuurlijk graag op z’n wenken bediend. Dat resulteert hier in amusante drinkliedjes als “Texas & Beer” en “Another Drinkin’ Song”, maar evengoed in aanstekelijke countryrockertjes als “Road Trip”, “By The Side Of The Road” en “What’s Your Problem Man?”. En die vormen als het ware het ideale tegenwicht voor Deals eigenlijke specialisme, met name z’n een stuk rustiger uitvallende story songs en ballades. En daarvan staan er hier weer een aantal werkelijk grootse op. We denken dan in de eerste plaats aan het fraaie, door collega Terri Hendrix van hemelse harmonieën voorziene en duidelijk naar Brits folksonggoed lonkende “Luck Of The Irish”. Een echt moordliedje is dat! Andere voorbeelden van werkelijk uitstekende songs zijn de fraaie Americana van “We Belong In Love”, met glansrollen voor opnieuw Hendrix, producer Lloyd Maines op z’n pedal steel en Freddie Lee Spears op de mandoline, het behoorlijk politiek geladen “What I’m Fighting For”, het beschouwelijke “I’ve Got To Believe” en het melancholische trio “Someday”, “Hard Times” en “In The Wind”. Materiaal van dat kaliber verdient het gewoon om ook hier massaal gehoord te worden!

Kevin Deal

CD Baby

 

 

JUBAL LEE YOUNG

“Jubal Lee Young”

(Reconstruction Records)

(4) J J J J

 

 

Zo vader, zo zoon! Texaanse singer-songwriters blijken bijzonder sterk in het wijzen van de weg aan hun nageslacht. Zo mochten we de voorbije jaren ondermeer al platen begroeten van de zoons van Jerry Jeff Walker, Jimmie Dale Gilmore en Billy Joe Shaver en is het nu weer de beurt aan die van Steve “Lonesome On’ry & Mean” Young. Wéér, omdat het al de tweede schijf van Jubal Lee Young betreft, na zijn nog bij Western Beat ondergebrachte debuut “Not Another Beautiful Day”. Laat je dus vooral niet misleiden door de titel ervan…

Bijzonder interessant schijfje trouwens, die nieuwe van Young Jr. Al heel wat plezier aan beleefd sinds de ontvangst ervan. Anders dan heel wat van z’n vaak wel veel succesvollere Lone Star-leeftijdsgenoten toont Jubal Lee Young zich immers een echte meester in het variëren. Zou je openingsnummer “I Don’t Know What I Want” nog kunnen omschrijven als dertien-in-een-dozijn roots rock Texas style, dan heeft het daarop volgende en sympathiek rammelende “Greed is The Creed” al iets bepaald Dylanesks over zich, zijn “She Don’t Like Clowns” en “Things You Only Wonder When It’s Raining” superieure lappen melancholieke Americana en doet “More Than Anything” iets moois met countryrock. “Deep South Blues”, de enige vreemde eend in de bijt hier, een al uit ’74 stammend nummer van z’n moeder Terrye Newkirk, is vervolgens een alleraardigst countrybluesje inclusief aantrekkelijk blaaswerk van Brent Moyer, “Greedy Old Men With Fountain Pens” strandt ergens in de buurt van wat Robert Earl Keen met enige regelmaat brengt en “As I Lay Dying” is een wolk van een historische ballade. En dan zijn er nog het aparte, door een bluesy mondharmonica ingeleide “Peanut Butter & Daisy Cutters”, de niet van enige commerciële potentie verstoken gebleven countrydeun “Just Passing Through Your World”, het al even radiovriendelijke countryrockertje “Streets Of Caen” en z’n afsluitende rootsvariant “The Window Song”, ook stuk voor stuk leuke liedjes. De conclusie is dan ook simpel. Deze Jubal Lee Young zou het wel eens ver kunnen gaan schoppen. Misschien zelfs wel verder dan z’n alom gerespecteerde pa…

Jubal Lee Young

CD Baby

 

 

REMMELT, MUUS & FEMKE

“The Long Way Round”

(Remmelt Records / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Rootsminnend Nederland heeft dit drietal al een poosje diep in het hart gesloten en het wordt verdorie hoog tijd dat dat ook in Vlaanderen gebeuren gaat. Hugo Remmelt, Thijs Muus en Femke Japing tekenen samen immers al zo’n goede acht jaar lang voor prachtige, volop op de Amerikaanse leest geschoeide melodieuze popliedjes, die meer dan eens zeer levendig herinneren aan het onvolprezen vakwerk van de vroege Crosby, Stills, Nash & Young. “Gepassioneerd akoestisch” noemen ze het zelf, wij gaan eerder voor stijlvolle folky Americana, waarbij naast het bijzonder professionele geluid van de groep vooral de ijzersterke liedjes en de bij momenten echt hemelse samenzang de voornaamste pluspunten vormen. Het nieuwe album van de drie, “The Long Way Round”, is van de eerste tot de laatste noot bijzonder genietbaar. Van door Thijs Muus van een wel zeer nadrukkelijk Neil Young-tintje voorziene stukken als “Love Me” en “Wishing” over door Hugo Remmelt en Femke Japing voorzichtig over akoestische gitaren en een intimistisch streepje mondharmonica gedrapeerde prachtliedjes als “Sacred Arms” of “Move On”, je voelt je hier als luisteraar ogenblikkelijk thuis. Vergelijkingspunten die zich aandienen naast CSN&Y variëren van James Taylor en de Eagles tot meer recentelijk en een stuk dichterbij huis Powderblue. En “The Long Way Round” doorstaat dan ook moeiteloos elke vergelijking met het werk van heel wat van de betere Americana acts van het ogenblik.

Wie haalt ze snel eens naar ons land?

Remmelt, Muus & Femke

Bertus

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Seven Dead Roses V*O*L 1”

(Big Bender / Hapi Skratch)

(3,5) J J J J

 

 

Leuke sampler van het label dat ons in het verleden onder het motto “180 proof American made music” ondermeer ook al veblijdde met werk van The Dalhart Imperials, Buckskin Stallion, The Railbenders, Marty Jones & The Pork Boilin' Poor Boys en The Hideaways. En als er al één ding is, wat deze “Seven Dead Roses V*O*L 1” bewijst, dan is het wel dat platenbaas Flat Toe Mo’ zich vooralsnog geen zorgen hoeft te maken over de toekomst van z’n stal. De zeven nieuwkomers van dienst hier pakken immers zonder uitzondering uit met uitstekend werk. Brendan McKinney & The 99 Brown Dogs doen het in “Just Like Z’s Blues” met een aanstekelijke mix van blues, country en roots rock, “Arkansas River” van Oakhurst is een nerveuze kruisbestuiving van Americana en bluegrass, het door een wervelvind van een banjo aangevuurde “Burn It Down” van de Shitkickers strandt ergens in Hackensaw Country, “Not Worth Repeatin’” van SPIV is pure jonge Cash, “Believe” van The Munks zalige melodieuze countryrock, “Elysian Fields” van Ash Ganley & The Lyons Rock Council een streep mooi uitgewerkte atmosferische roots rock en “It’s All About The Ride” van Clint Grymer outlaw stuff schatplichtig aan wijlen Waylon en co.

Slechts één minpuntje! Met zeven nummers valt dit schijfje eerder kort uit. Anderzijds: elk van de zeven liedjes hier vormt als het ware een open invitatie om snel naar meer van hun makers op zoek te gaan, zó goed zijn ze. En dat zullen we, hongerend naar meer van dit lekkers, dan ook maar snel gaan doen zeker?

Seven Dead Roses

Big Bender Records

Hapi Skratch Entertainment

 

 

FILIP

“Crane-Grief”

(Filipsongs)

(4) J J J J

 

 

Ondanks het feit dat het zijn eerste voldragen worp met eigen materiaal betreft, is “Crane-Grief” eigenlijk al de tweede langspeler van de Zweedse popdichter Filip. Eerder verspreidde de beste man immers eigenhandig al zelf gebrande CD’tjes met door hem op muziek gezette gedichten van Charles Bukowki en was er ook al een goed onthaalde instrumentale single (“Tobacco / Sad Autumn Roses”). Maar “Crane-Grief” is dus geheel andere koek! Dat door Henrik Af Ugglas en Tom Halava met behulp van uitsluitend analoge apparatuur ingeblikte visitekaartje van de singer-songwriter Filip is ongemeen goed. Vergelijkingen met kleppers als een Will Oldham, een Tom Waits en vooral ook een Daniel Johnston of Antony & The Johnsons dringen zich gelijk al van bij een eerste beluistering onwillekeurig aan je op. Met een tot het absolute minimum beperkt gehouden instrumentarium bestaande uit gitaar, piano, orgel en autoharp schildert Andreas Filipsson aka Filip twaalf melancholische tafereeltjes, die je eensklaps weer doen verlangen naar herfstige najaarsdagen en de daarmee vaak gepaard gaande grote gevoelens. In al hun breekbaarheid hebben echt wel volstrekt tijdloze nummers als “Whistling In A Shell”, “Ohh Iceland ” en het voorzichtig countryeske “Blurred Afternoon” zo ongeveer hetzelfde effect op een mens als veel van het werk van wijlen Nick Drake en al even wijlen de Buckleys (Tim en Jeff). En dat is een serieus compliment, als je ’t ons vraagt…

MySpace

Midheaven

 

 

THE WAY-GONERS

“Kickin’ Up Dust”

(Big Bender / Hapi Skratch)

(3,5) J J J J

 

 

Als de titel van deze plaat bij sommigen onder jullie meteen een belletje doet rinkelen, dan is dat niet echt abnormaal. Het betreft hier immers een heruitgave van de tweede CD van “the band formerly known as The Honky Tonk Disciples”. De groep uit Louisiana werd onlangs getekend door Big Bender Records en stapt voortaan door het leven als The Way-Goners. En hun eerste release voor dat label is, zoals al eerder gesteld, het door de van de Georgia Satellites bekende Dan Baird geproduceerde “Kickin’ Up The Dust”. Daarop doen zanger Michael Howes, gitarist Danny Bond, fiddler Buz Sibley en drummer Randy Colona het in navolging van eigen helden als Waylon, Merle, Hank en Buck zo puur mogelijk. Vooral de outlaws van weleer lijken van grote invloed te zijn geweest op de muziek van de vier. Hun handelsmerk zijn bij momenten behoorlijk snedige countryrockers genre “Big City Lights”, “Shake It Off” (Met een zalige streep bluesharp er doorheen gedraaid!) en “Dry County Blues”, recht-toe-recht-aan-honky-tonk type “When I Drink I Cheat”, “Lonely Town” en “Pill Poppin’ Pistol Packin’ Woman” en outlaw style ballads à la “Someday” en “Truckstop Girl” (Een echt moordliedje!). Kortom zo ongeveer alles wat een nog voor “real country” kloppend hart maar verlangen kan.

Lekkere plaat! Aanbevolen vooral aan liefhebbers van acts als Dwight Yoakam, de Bastard Sons Of Johnny Cash, de Jackson Taylor Band, de jonge Steve Earle, de Derailers en aanverwanten.

The Way-Goners

Big Bender Records

Hapi Skratch Entertainment

CD Baby

 

 

EDIE CAREY

“Another Kind Of Fire”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

 

U houdt van de muziekjes van dames als een Shawn Colvin, een Lori McKenna en een Patty Griffin? Dan moet u beslist ook eens even een oor te luister leggen bij deze Edie Carey. Net als dat drietal beschikt ook Carey over een ongelooflijk mooie stem en schrijft ze aan de lopende band erg fraaie liedjes. En als je daar nog aan toevoegt, dat de ondermeer voor zijn werk met Martin Sexton en de al genoemde McKenna Crit Harmony op “Another Kind Of Fire”, haar ondertussen toch ook alweer vierde studioplaat, tekent voor een bijzonder rijke productie, herinnerend aan het werk van ondermeer een John Leventhal voor Colvin of een John Jennings voor Mary Chapin Carpenter, dan weet ‘n beetje liefhebber van zingende liedjesschrijfsters als de in deze bespreking her en der opduikende eigenlijk al meer dan genoeg. Ergens tussen pop, folk en Americana betovert Carey vrijwel voortdurend.

Edie Carey

CD Baby

 

 

JEFFREY HALFORD & THE HEALERS

“Broken Chord”

(Shoeless Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Tot wat hij zo al allemaal in staat is, bewees de in Dallas,Texas geboren, maar nu toch al zo’n vijftien jaar in San Francisco residerende Jeffrey Whitmore Halford al op zijn vijf vorige platen, waarvan met name het in 1999 verschenen “Hunkpapa” en de opvolger daarvan, het uit 2005 stammende “Railbirds”, bedolven werden onder de superlatieven. No Depression sprak in verband met zijn werk al van “great rootsy music”, de L.A. Weekly situeerde de man zelf “among the outstanding and essential voices in Americana today” en Dirty Linen ging zelfs nog verder en noemde hem “Hemingway armed with a bluesy guitar”. En vooral die laatste omschrijving doet Halford wat ons betreft enigszins recht. Ze somt immers op een originele manier zijn voornaamste eigenschappen op. De man is naast een dijk van een zanger immers in de eerste plaats een fantastische verhalenverteller en een uitstekende gitarist. En bluesy zijn inderdaad nogal wat van zijn songs, hoewel zeker niet uitsluitend. Zo is “In A Dream” van z’n nieuwste “Broken Chord” een deuntje dat zo lijkt te zijn weggelopen van de één of andere Sir Douglas Quintet-plaat, niet in de laatste plaats wellicht omdat toetsenkei Augie Meyers daarin acte de présence geeft. En “Rockabilly Bride”, over een huwelijk in Las Vegas, doet het op zijn beurt inderdaad met een eigenzinnige benadering van het genre uit zijn titel. “Louisiana Man” leunt dan weer op een broeierige swamp groove en “Chicken Bone Jones” en “Running Crazy” flirten opzichtig met roots pop.

Voor de productie van “Broken Chord” riep Halford de hulp in van de voornamelijk als gitarist van de American Music Club bekende Bruce Kaphan. En dat die zelf snarengewijs ook regelmatig een handje toesteekt zal dan ook wel niemand echt verwonderen. Dat is ondermeer het geval in het bluesje “Ninth Ward” en in het dromerige “10 Minutes”, waarin hij zowel op de akoestische als de elektrische slide figureert, en in “Rock ‘n’ Fire”. Andere bekende gasten zijn Jellyroll Johnson, die een harmonicabijdrage levert aan “Louisiana Man”, Skip Edwards, die z’n orgel martelt in “10 Minutes” en “Running Crazy”, en John R. Burr op de piano in dat laatste liedje.

Jeffrey Halford & The Healers

Sonic Rendezvous

 

 

RANI ARBO & DAISY MAYHEM

“Big Old Life”

(Signature Sounds / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

“Big Old Life” is na het in 2001 verschenen “Cocktail Swing” en het van twee jaar later daterende “Gambling Eden” de derde CD die de van borstkanker herstelde Rani Arbo en haar kompanen van Daisy Mayhem afleveren in de goed zeven jaren die ze nu samen zijn. En wij vinden het alvast met afstand de beste van die drie. Arbo (zang, fiddle, gitaar) en haar maats Scott Kessel (zang, “drumship enterprise”), Andrew Kinsey (zang, staande bas, banjo, gitaar) en Anand Nayak (zang, gitaar, mandoline, piano) klinken hier beter dan ooit. Er wordt zó ontspannen, zó rijp gemusiceerd, dat het je als luisteraar absoluut niet moeilijk valt om je door het materiaal van deze “alleskunners” te laten inpalmen. Uitgangspunt voor het gros van de liedjes vormen old-time string music, folk en jazz. Maar de vier en hun gasten beperken zich hier zeker niet uitsluitend tot die genres. Zo start openingsnummer “Joy Comes Back” bijvoorbeeld als volbloed a capella gospel om vervolgens via een ommetje langs country ook nog cajun aan te doen. En titelnummer “Big Old Life”, met wel héél erg mooi gitaarwerk van Anand Nayak, bedrijft country op z’n Fairground Attractions. Heerlijk ingehouden, bijna bedeesd, zou je het kunnen noemen. Hun lichtvoetige benadering van de traditional “Red Haired Boy” stoeit vervolgens openlijk met folk en bluegrass, “Roses” is subtiel Americana singer-songwriterwerk à la een Caroline Herring, een Eliza Gilkyson, een Chip Taylor of een John Prine, “What’s That” hinkt tegen een krolse bas aan richting akoestische jazz, het van Jim McGuiness geleende “Thief” is kant-en-klaar rootspopgenot voor in de late uurtjes en Leonard Cohens “Heart With No Companion” bloeit hier onverwachterwijze open tot een heus old-time-juweeltje. Geslaagde covers zijn er verder ondermeer ook nog van de traditional “Oil In My Vessel” en van Bob Dylans “Farewell, Angelina”.

Rani Arbo & Daisy Mayhem

Signature Sounds

Rounder Europe

 

 

JAKE ARMERDING

“Walking On The World”

(In eigen beheeruitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

"I think genres are for record stores, and unfortunately, record stores are dying out," stelt Jake Armerding, "but good music is good music, wherever it comes from." En het hoeft als dusdanig dan ook absoluut niet te verwonderen, dat de beste man zich op z’n nieuwe CD “Walking On The World” absoluut niet voor één gat laat vangen. Waar hij je met z’n werkelijk tot in de puntjes verzorgde zangpartijen in nummers als “The Fleece” en “Keep The River On Your Right” als het ware nog lijkt te willen uitnodigen om hem vooral toch maar te bestempelen als de Americana-uitvoering van James Taylor, bewandelt hij elders even resoluut andere paden. Ook liefhebbers van folk (“Falling In”), country (“Hole In The Sky (Mandolin Man)”), bluegrass (“Walking On The World”), pop (“Falling In”) en rock (“Assassination Blues” en het op een aan Morphine verwante baspartij geënte “Flirting”) komen hier op die manier aan hun trekken.

“Walking On The World” werd geproduceerd door Eric Merrill en op de indrukwekkende gastenlijst treffen we ondermeer de namen van Dan Dugmore (pedal en lap steel), John Doyle (akoestische gitaar), Mark Erelli en Aoife O’Donovan van Crooked Still (beiden zang) aan.

Jake Armerding

CD Baby

 

 

AI PHOENIX

“The Light Shines Almost All The Way”

(Glitterhouse / Munich)

(5) J J J J J

 

 

Die van het Duitse label Glitterhouse Records blijven dit jaar de Americana-topreleases echt wel aaneenrijgen. Na “There’s A Hole In Heaven Where Some Sin Slips Through”, het ronduit fenomenale eerbetoon aan wijlen Townes Van Zandt, “Homesick For Nowhere”, de ook al verbluffend knappe nieuwe van Hobotalk, “Paper Sky” van Ben Weaver en “Ghost On The Highway” van Michael J. Sheehy pakken ze ons dezer dagen wederom genadeloos in met “The Light That Shines All The Way”, de jongste van het sinds jaar en dag streng naar “Quiet Is The New Loud”-principes levende Noorse collectief Ai Phoenix. In het verleden leverde dat Patrick Lundberg en Mona Mørk en co reeds herhaaldelijk vergelijkingen op met genretoppers als Mazzy Star, de Cowboy Junkies, de Young Marble Giants en aanverwanten. En dat zal ook ditmaal wellicht niet anders zijn. De songs op “The Light That Shines All The Way” zijn immers andermaal van eenzelfde bedwelmende schoonheid als heel wat van het materiaal van de genoemde acts. Van de door de elfenzang van Mørk gedragen introvert tintelende slow-pop van “You And I” over het muzikaal gezien ergens tussen de Cowboy Junkies en de Velvet Underground strandende “Companion”, van het door een banjobijdrage van Odd Erik Fostervoll naar eigentijdse alt.-old-time geurende “Peter Pan” over de door Lundberg gezongen licht psychedelische sleper “Like We Know”, van de broeierige, mede door de samenzang van Mørk en Lundberg een weinig aan de vroege Triffids herinnerende ballade “Broken Bones” tot het uit hetzelfde vaatje tappende afsluiter “Where Only We Go”, elf nummers lang weet de groep uit Bergen je met haar zachte aanpak in haar ban te houden. Haar voornaamste troeven daarbij zijn de fraaie ingehouden zang van haar twee kopstukken en een smaakvolle, eerder minimalistische invulling van haar liedjes. Alles wat de Noren hier doen getuigt van een werkelijk ongelooflijke puurheid! Dit is muziek om jezelf heel langzaam aan te verliezen om er vervolgens wekenlang in te blijven zwelgen. Je reinste magie gewoon!

Ai Phoenix

Glitterhouse Records

 

 

KRISTOFER ÅSTRÖM

“Rainaway Town”

(Startracks / V2)

(4,5) J J J J J

 

 

Een weinig in de schaduw van andere, in onze kontreien wat bekendere Scandinaviërs als Christian Kjellvander, Thomas Dybdahl en Paal Flaata heeft de Zweed Kristofer Åström de voorbije jaren al een behoorlijk indrukwekkend parcours afgelegd. Wat ons betreft overtreft zijn werk dat van de genoemde collega’s zelfs regelmatig. Indien nog nodig kan je je daarvan zelf overtuigen door je onverwijld albums als “Loupita”, “So Much For Staying Alive”, “Go, Went, Gone”, “Leaving Songs” en “Northern Blues” aan te schaffen. Beter nog, haal ogenblikkelijk ‘s mans nieuwste, “Rainaway Town”, in huis! Dat is immers een echte moordplaat geworden! Åström grossiert daarop in grote lijnen in twee soorten Americana. Enerzijds toont hij zich een echte meester in het brengen van melodieuze Americana- en countryrockliedjes. Heerlijk, hoe zijn aangenaam gruizige stem daarin vaak ondersteund wordt door bijzonder warmbloedige elektrische gitaren. Luister bijvoorbeeld maar eens naar catchy dingen als de met rinkelend snarenwerk overgoten delicatesse “The Dark”, het al even beklijvende “Just A Little Insane” of “A Little Out Of Tune” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen! Anderzijds is Åström net als veel van zijn in het genre actieve streekgenoten niet vies van een zwaar weemoedige ballade op zijn tijd. Melancholie regeert ditmaal bijvoorbeeld in songs als “All In”, “Fallen” en “Not Cool Again”. Op die momenten komt Åström een beetje in het vaarwater van iemand als de hier al eerder genoemde Kjellvander. Vocaal krijgt hij daarin zo nu en dan ook een weinig steun van de ook zelf lichtjes fantastische Maria Taylor.

Zondermeer één van de allermooiste platen van het ogenblik!

Kristofer Åström

Startracks

 

 

TH’ LEGENDARY SHACK*SHAKERS

“Swampblood”

(Yep Roc / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Het derde en laatste deel in hun “Tent Show Trilogy” noemt Th’Legendary Shack*Shakers-kopstuk Col. J.D. Wilkes “Swampblood”, de nieuwe CD van z’n groep. De afronding van een eerder met “Pandelirium” en “Believe” ingezet drieluik dus. En die plaat klinkt naar Shack*Shakers-normen opvallend toegankelijk. Het door Wilkes’ nieuwe thuishaven in westelijk Kentucky geïnspireerde “Swampblood” bevat een trits songs die wat ons betreft zo in enkele van de betere Radio 1-programma’s terecht kunnen. En dat heeft dan hoegenaamd niets te maken met de inhoudelijke kant ervan, want de wereld die Wilkes en co in hun teksten schetsen is bij momenten als vanouds lekker wreed (“The Brothers Grimm meets Sigmund Freud”, dixit de kolonel zelve!), maar wél met de voor de gelegenheid wel heel erg vlotte muziekjes erop. Het titelnummer bijvoorbeeld al, waarin Wilkes z’n mondharmonica aanstekelijk vuil laat janken tegen een catchy gitaarlijn van David Lee. En “Hellwater” zeker ook, een nummer dat ontstond omdat Wilkes vond dat de wereld hoogdringend aan een nieuwe Creedence toe was. (Klinkt dan ook “very Suzy Q”!) En dan zijn er nog “Easter Flesh” (Johnny Cash aan de anabole steroïden!), het op een ladderzat pianootje flink met de kont schuddende “Born Again Again” en “Old Spur Line”, wellicht één van de meest melodieuze Shack*Shakers-deunen ooit.

Southern Gothic Americana op z’n best!

Th’Legendary Shack*Shakers

MySpace

Yep Roc

 

 

PETER CASE

“Let Us Now Praise Sleepy John”

(Yep Roc / Munich)

(4) J J J J

 

 

Ex-Plimsouls-baas Peter Case is op z’n eerste nieuwe plaat sinds het in 2002 verschenen “Beeline” uitstekend op dreef. “Let Us Now Praise Sleepy John” moet zo ongeveer zijn meest ongepolijste plaat zijn sinds het lichtjes fantastische “Peter Case Sings Like Hell” uit ’93. Losjes uit de pols fingerpickend betoont hij op eigenzinnige wijze eer aan wijlen Sleepy John Estes. De begeleiding wordt daarbij regelmatig tot het absolute minimum beperkt. Vaak draait alles gewoon om de singer, zijn gitaar en een song. Uitzonderingen op die regel zijn het met zijn maatje Carlos Guitarlos gebrachte “Underneath The Stars”, het door de grote Richard Thompson van zowel een gezongen als een gespeelde bijdrage voorziene “Every 24 Hours”, het door Duane Jarvis gitaargewijs opgewaardeerde “I’m Gonna Change My Ways”, het met Lysa Flores gedeelde “Somebrightmorningblues” en de door Norm Hamlet op z’n pedal steel onderbouwde afsluiter “That Soul Twist”. Onze luistertips: het prachtige, een met twee maten en twee gewichten werkend rechtssysteem bezingende “Million Dollars Bail”, het verstilde “Ain’t Gonna Worry No More” en het door Case voorbeeldig naar het hier en nu vertaalde “Get Away Blues”, een stokoud nummer ontleend aan het repertoire van Robert Wilkins. Het zijn slechts enkele van de vele momenten hier, waarop Case bewijst één van dé singer-songwriters van zijn generatie te zijn.

Peter Case

Yep Roc

 

 

DEVON SPROULE

“Keep Your Silver Shined”

(Tin Angel Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Typisch zo’n geval van liefde op het eerste gehoor, deze plaat. De 24 jaar geleden als kind van hippie-ouders in een commune in Kingston, Ontario geboren schone Devon Sproule klinkt op haar nieuwe CD “Keep Your Silver Shined” als een soort van kruising tussen Eddi Reader (Fairground Attraction), Gillian Welch en Jolie Holland. Dat onder de hoede van producer Jeff Romano opgenomen album is een fraaie muzikale lappendeken, waarin zich ondermeer stukjes old-time, bluegrass, folk, pop en jazz laten aanwijzen. En de tien liedjes erop, met uitzondering van Paul Curreri’s “Eloise & Alex” en een knappe, samen met streekgenote Mary Chapin Carpenter gebrachte lezing van de traditional “The Weeping Willow” allemaal eigen nummers, zijn eigenlijk zonder uitzondering beauties. Met haar fluwelen stem streelt Sproule zowat voortdurend je zinnen. Soms gaat het er daarbij behoorlijk opgewekt aan toe, zoals in het vlotte openingsnummer “Old Virginia Black”, een uit gelijke delen old-time Americana en jazz opgetrokken stampertje. Het merendeel van de liedjes hier moet het echter hebben van een melancholische feel. En dat leidt regelmatig tot hartverscheurend mooie resultaten. Om er maar enkele te noemen: het intimistische titelnummer, het door Matty Metcalfe van een fraai streepje accordeon voorziene en een weinig aan de lichtere momenten van Tom Waits herinnerende “1340 Chesapeake St.” en het poëtisch ingevulde “Does The Day Feel Long?”, een ideale bondgenoot voor in de late uurtjes.

Zalige plaat gewoon!

Devon Sproule

MySpace

Tin Angel Records

Sonic Rendezvous

 

 

EILEN JEWELL

“Letters From Sinners & Strangers”

(Signature Sounds / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Voor dit schijfje mag u in uw CD-rek met gezwinde spoed een plaatsje reserveren tussen Gillian Welch en de Be Good Tanyas. Op “Letters From Sinners & Strangers”, de opvolger van het spraakmakende “Boundary County” uit 2006, slaagt de zoetgevooisde jonge Amerikaanse Eilen Jewell er immers andermaal in om op een originele manier tijden te laten herleven van ver voor haar eigen geboorte. Die van de Grote Depressie met name. Dat doet ze aan de hand van negen eigen originals en covers van Charlie Rich (“Thanks A Lot”), Bob Dylan (“Walking Down The Line”), Eric Andersen (“Dusty Boxcar Wall”) en de traditional “If You Catch Me Stealing”.

Vooral door iets als de eigen compositie “Rich Man’s World”, een levendig streepje folk ‘n’ roll gekruid met een alleraardigst snuifje mondharmonica, wordt ons inziens een vergelijking met Gillian Welch gevoed. Elders zijn er door de band genomen meer raakpunten met acts als de Be Good Tanyas en hun offspring Po’ Girl. Zo vallen zowel “High Shelf Booze”, “Too Hot Too Sleep” als “Where They Never Say Your Name” onder de noemer jazzy Americana, heeft het ongewoon levenslustige afscheidsliedje “Heartache Boulevard” iets moois met Western swing en doet het door de woorden van Martin Luther King Jr. geïnspireerde het met blues. “Blue Highway” is op zijn beurt dan weer een kwaliteitslijntje high speed traditionele country. En de versie die Jewell van de traditional “If You Catch Me Stealing” aflevert, is zondermeer het charmantste potje rammelende countryblues dat wij dit jaar al te horen kregen.

Jewell profileert zich wat ons betreft met deze tweede als één van dé grote beloftes voor de nabije toekomst van het Americana-genre. Warm aanbevolen dan ook!

Eilen Jewell

Signature Sounds

Rounder Europe

CD Baby

 

 

RON BLOCK

“Doorway”

(Rounder / Munich)

(4) J J J J

 

 

Zoals zo ongeveer alles wat in de entourage van Alison Krauss z’n ontstaan vind van ronduit uitstekende makelij, deze tweede soloplaat van Ron Block. Net als z’n voorganger, het al in 2001 verschenen “Faraway Land”, is ‘t het soort van album waar je als bluegrassliefhebber met argusogen naar uitkijkt. Ook nu weer mag Block zijn ding immers doen in het uitgelezen gezelschap van enkele van de beste instrumentalisten die het genre rijk is. We noemen alleen al maar Dan Tyminski, Jerry Douglas, Adam Steffey, Barry Bales, Stuart Duncan en Viktor Krauss. En bovendien lieten ook Alison Krauss, Sidney en Suzanne Cox en Lori, Lisa en Homer Forbes zich voor de kar van de Union Station-gitarist spannen. Zij tekenen op hun beurt voor bij momenten echt oorstrelend mooi meerstemmig harmonieerwerk.

Block doet het hier overigens uitsluitend met eigen materiaal. Enkel voor het schrijven van het titelnummer liet hij zich bijstaan door aanstormend talent Julie Lee. Het resultaat zijn twaalf bijzonder melodieuze, religieus getinte rootsliedjes, door de band genomen gezegend met een erg persoonlijk karakter. Daarin excelleert Block als vanouds zowel vocaal als op de akoestische en elektrische gitaar en de banjo. Vervelen doet dit hoegenaamd geen moment. Daarvoor zorgen een aantal leuke verrassingen, die Block voor ons in petto heeft. Zoals “Above The Line” bijvoorbeeld, dat op ingenieuze wijze bluegrass koppelt aan rock en ons in de verte zelfs voorzichtig herinnerende aan iets van Eric Clapton.

Ron Block

Rounder Europe

 

 

Voor de volgende twee albums vallen we graag even in herhaling, vanwege nu ook hier gewoon officieel verkrijgbaar via respectievelijk Munich Records en Rounder Europe.

 

MALCOLM HOLCOMBE

“Not Forgotten”

(Munich Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Sinds we ergens rond 1999 via het veel later ook door John Prine de hemel in geprezen “A Hundred Lies” kennismaakten met de muziek van de man, lieten we ons niet één plaat meer ontgaan van deze Malcolm Holcombe. Dat album, “Another Wisdom” uit 2003, “I Never Heard You Knockin’” van vorig jaar en het nagelnieuwe “Not Forgotten”, stuk voor stuk zijn het fantastische CD’s, de ene al beter dan de andere. Holcombe illustreert keer op keer opnieuw één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van zijn land te zijn. Met zijn rauw-hees-tedere baritonstem kerft hij poëtische boodschappen in om het even welke muzikale boom die zich op zijn weg aandient. Of die nu zijn wortels heeft in country, folk, dan wel blues, lijkt hem allemaal niet zo heel erg veel uit te maken, met de vaste hand van een echte grootmeester schildert hij in elk van die genres meesterwerk na meesterwerk. Zich daarbij geruggensteund wetend door een bijzonder hecht spelend klein combo met ondermeer bassist Bill Reynolds, harmonicameester Kirk “Jelly Roll” Johnson en dobrospecialist Jared Tyler en in een met zijn toetsenman Aaron Price gedeelde productie tekent hij op “Not Forgotten” voor twaalf nieuwe stukken die elke zichzelf respecterende liefhebber van singer-songwritermateriaal op z’n minst gehoord moet hebben. Prachtige ingetogen lappen Americana (“Your Eyes Will Shine”, “Where Is My Garden”, “A Steady Heart”), bluesy stuff (“Room Eleven”, “Not Forgotten”), roots & roll (“Baby Doll”), al wat meer naar country en bluegrass overhellend materiaal (“Sparrows And Sparrows”), rauw, zelfs voorzichtig rockend singer-songwriterspul (“Cryin’ Dime”, “Yesterday’s Clothes”), folk (“Animated Sanctuary”), pop (de gevoelige ballade “This Ol’ House” en het machtige “Goin’ Home”), you name it, Holcombe’s got it! En “Not Forgotten” is wat ons betreft dan ook één van dé platen van het ogenblik.

Malcolm Holcombe

 Munich Records

 

 

LOOMER

“Songs Of The Wild West Island

(Me & My Americana / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

 

Net als z’n twee jaar geleden verschenen voorganger “Love Is A Dull Instrument” is “Songs Of The Wild West Island”, de nieuwe van singer-songwriter Scott Loomer en de zijnen een juweel van een alt.-countryplaat. Loomers liedjes zijn tegelijk zeer luistervriendelijk en zeer ingenieus van opvatting. Neem nu zoiets als opener “Bang The Nails”: een droom van een melodie, heerlijk gruizige zang, zalig rinkelende gitaartjes, piano, banjo, maar ook een heleboel “stoorzendertjes”. “Anastasia” is dan al een stuk makkelijker te “krijgen”. Opnieuw zo’n dijk van een song, waarin de gitaren op z’n Byrds lekker loos mogen gaan en een bijzonder functioneel ingezette pedal steel de rest doet. En “what about” ingetogen beauties als “Caramel Heart” en het samen met huisfavorietje Sarah Harmer gebrachte “Only Lovers”? Een hart van steen, dat bij zulke moordsongs onberoerd blijft. Harmer is overigens niet de enige bekende gaste hier. Ook John Dinsmore, Jackson Taylor, Miranda Mulholland en Bryden Baird gaven acte de présence tijdens de opnamen van deze nieuwe Loomer-schijf. Dinsmore en Mulholland geven ‘m respectievelijk banjo- en fiddlegewijs serieus van jetje in het zomers-vlotte “Sunday Driver Down”, Jackson Taylor komt voorbij in het hier al eerder genoemde “Bang The Nails” en Bryden Baird tekent voor de “Horns ‘O’Plenty” in de herfstige afsluiter “Endless Holiday”.

Laat die van Wilco en andere genrepioniers maar lekker moeilijk doen en hun platen aan een poppubliek proberen te slijten, denken wij dan, zolang we acts en platen als deze mogen blijven begroeten, is er voor ons vooralsnog geen vuiltje aan de lucht. Loomer rules!

Loomer

Rounder Europe

 

 

BILL MORRISSEY

“Come Running”

(Turn And Spin Media)

(4) J J J J

 

 

Noblesse oblige. En nergens meer wellicht dan in het selecte wereldje der gevestigde singer-songwriterwaarden. Iets wat ook Bill Morrissey moet beseft hebben, want voor zijn nieuwe CD werden ogenschijnlijk kosten noch moeite gespaard. Voor de opnames van “Come Running” nodigde hij in de Hi-N-Dry Studio in Cambridge, Massachusetts, ooit nog de vaste uitvalsbasis van Morphine, een elitegroepje van bevriende muzikanten uit. Stuk voor stuk mensen met wie hij in het verleden als eens samenwerkte, hetzij in de studio, hetzij on stage. Billy Conway en Dana Colley van Morphine op respectievelijk drums en baritonsax, Dave Alvin op gitaar, Kent Allyn op bas, Cormac McCarthy op mondharmonica, Jeremy Moses Curtis eveneens bas en Jennifer Kimball, zang, zorgen als het ware voor de ideale muzikale voedingsbodem voor Morrissey’s vaak behoorlijk poëtisch aandoende, doorgaans uit het leven gegrepen kortverhalen of er tenminste uit voortvloeiende overpeinzingen. Het speelse “Summer’s Jumped All Over Me” bijvoorbeeld, een over parelend snarenwerk van Alvin en een ingetogen saxbijdrage van Colley heen gelegde lofzang op het meest gewaardeerde aller seizoenen. Of “Canal Street” ook, een in gedachten verzonken gezondheidswandeling doorheen een buurt “waar het altijd wel een beetje winter is”, met glansrollen voor de nu ingehouden twangende elektrische van Alvin en de “smoelschuiver” van McCarthy. Of “I Was A Fool”, dat met z’n zachte R&B feel gelijk één van de meest radiovriendelijke Morrissey-nummers ooit is.

Zo nu en dan doet Morrissey het ook nog gewoon in z’n eentje, met dan als enige bondgenoten z’n aparte nasale stem en de eigen akoestische. Dat is ondermeer het geval in “By The Grave Of Baudelaire”, waarin hij op de hem geheel eigen wijze een eenzame nacht in “gai Paris” verklankt. Het is slechts één van de vele bescheiden hoogtepuntjes op wat als je ’t ons vraagt zondermeer één van de beste Morrissey-platen tot op heden is.

Bill Morrissey

CD Baby

 

 

BOB LANOIS

“Snake Road”

(Cordova Bay)

(3,5) J J J J

 

 

Het eerste wat je opvalt bij het beluisteren van “Snake Road”, de eerste soloplaat van Bob Lanois, zijn de veelal eerder dromerige geluidslandschappen, waarin hij met zijn mondharmonica in aanslag bij momenten zomaar een beetje lijkt rond te dwalen. Nu, echt te verwonderen hoeft dat niet echt, als je weet, dat de ook zelf vooral als geluidsingenieur en producer gevierde Canadees met dat album inging op een uitnodiging om met zijn hier veel bekendere broer Daniel samen te werken. En die zet hier, net zoals hij dat eerder ondermeer ook al deed bij U2 en Dylan, geluidsgewijs de boel flink naar zijn hand. De negen louter instrumentale nummers, die op “Snake Road” in alles samen net geen vierentwintig minuten worden afgehaspeld, dragen onmiskenbaar zijn signatuur. En toch werkten de broers Lanois wel degelijk samen naar deze plaat toe. De oudste van de twee was verantwoordelijk voor het aandragen van de eigenlijke melodieën, de jongste kleurde die op zijn beurt zoals het hoort met de hand van een echte meester in. Het resultaat is een plaat, die – Een beetje zoals “Belladonna”, de laatste van Daniel Lanois! – in eerste instantie vrij onopvallend aan je voorbij trekt. Maar vertrouw nooit louter en alleen op een eerste indruk! Pas na ettelijke draaibeurten geeft dit geheel immers finaal al z’n geheimen prijs. Pas dan hoor je als luisteraar, hoe zich achter het lichtvoetige spel van Bob Lanois diverse tradities probleemloos overlappen. Je hoort folk, blues, country, jazz, pop en wat nog allemaal… En dan die rust, die dit allemaal uitstraalt! Iets wat er hier alvast wreed snel toe geleid heeft, dat “Snake Road” vast onderdeel is gaan uitmaken van de “soundtrack of our everyday lives”. Een beetje apart is het zeker, maar wel héél mooi!

Bob Lanois

Cordova Bay

 

 

DARCIE DEAVILLE

“Livin’ On The Lucky Side”

(Taller Dog Music)

(3,5) J J J J

 

 

Darcie Deaville geniet in onze kontreien vooral bekendheid als één helft van Gillman Deaville, een muzikaal avontuur dat ze jaren geleden aanging met Jane Gillman. In haar thuisland liggen de kaarten evenwel anders. Daar teert de Texaanse vooral op haar reputatie een uitstekende violiste te zijn. Om het met die van The Meat Purveyors te zeggen: “Deaville provides the fiery fiddling and wild-eyed stares that fans fear to love and love to fear”.

“Livin’ On The Lucky Side” is voor die Deaville een soortement van comeback. In mei van vorig jaar viel ze immers van een ladder en liep daarbij ernstige averij op. Ze hield aan die tuimelpartij ondermeer ernstige hoofdblessures over, die later tot overmaat van ramp slechts het begin zouden blijken van een lange rij aan gezondheidsproblemen.

Eigenlijk moet je haar dan ook gewoon oprecht bewonderen. Het optimisme, dat ze ook na een zulke lange lijdensweg altijd is blijven uitstralen, is ronduit roerend te noemen. Met haar nieuwe plaat lijkt ze zelfs vooral haar dankbaarheid voor de gift van het leven te willen uitdrukken. Ze ziet het als een geluk, dat ze ondanks alle geleden leed nog leeft en nog altijd kan doen en laten wat ze wil. En daar mogen wij op onze beurt dan weer dankbaar voor zijn! Zo lang dat blijft resulteren in puike platen als “Livin’ On The Lucky Side” toch. Op die door haar zelf geproduceerde schijf werkt Deaville zich in het bijzijn van gitarist Marvin Dykhuis, bassisten Jack Saunders, Kyle Clayton, David Carroll en Mark Rubin, drummer-percussionist Rick Richards, lap-steeler Scott Martin en “tweede stemmen” Mary Reynolds en Rachel Ferguson doorheen elf nieuwe eigen nummers en een swampy cover van Jason Eklunds “She Do The Taboo”. Eén van die nieuwe liedjes schreef ze samen met Ray Wylie Hubbard. Het betreft het prachtige “The Carolina Rain”, een wolk van een Americana-luisterliedje, afgewerkt met knap akoestisch gitaarwerk van Deaville zelf en een subtiele mandolinetoets, gesigneerd Dykhuis. Op het resterende gedeelte van de plaat kan het muzikaal gezien, zoals op wel meer uitingen van zich ook als singer-songwriter profilerende Texaanse muzikanten, nagenoeg alle kanten uit. Het titelnummer en “Always Fly Away” zijn zo bijvoorbeeld aanstekelijke melodieuze rootsrockers, “Lost And Found” twijfelt bedachtzaam tussen folkrock en rootspop, “Poison Ivy” en “Mornin’ In The South” zijn energieke fiddle roots ‘n’ rollers, “Same Train” valt ontegensprekelijk onder de noemer country en “My Sister’s Shoes” doet het aanvankelijk met een Diddley-eske beathybride en een snuif cajun om gaandeweg uit te groeien tot een soort van showcase voor zo ongeveer alles wat Deaville in haar mars heeft. En dat is nogal wat, zo blijkt…

Darcie Deaville

Taller Dog Music

CD Baby

 

 

BILL KELLY

“Bread On The Waters”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

“A beautiful record of great songs that won’t let go,” noemde Buddy Miller onlangs “Bread On The Waters”, na het in 2000 verschenen “Jumbo” de tweede CD van de momenteel in Manhattan woonachtige singer-songwriter Bill Kelly. En daarmee sloeg de beste man spijkers met koppen. Dat door Lincoln Schleifer geproduceerde album is in onze ogen immers een schoolvoorbeeld van hoe Americana anno nu hoort te klinken. Daarbij bijgestaan door ondermeer Denny McDermott, Larry Campbell, Marc Shulman en John Ginty trakteert Kelly je op elf uit het leven gegrepen eigen liedjes. En die worden vrijwel zonder uitzondering gekenmerkt door een hoog “verandagevoel”. Je weet wel, dat typische sfeertje van een stel muzikanten, dat bij valavond op de één of andere back porch vrijblijvend wat samen musiceert. De fraaiste momenten die dat oplevert zijn zondermeer beklijvend te noemen. In eerste instantie is dat bijvoorbeeld “Seraphima”. Ongemeen mooi, hoe Kelly daarin het leed van een misbruikt meisje weet te verklanken. Een goede referentie lijkt ons daarbij het rustigere werk van huisfavoriet Rod Picott. Ook erg knap: het door Larry Campbell op de dobro ingeleide “Sleeping Lady”, een intimistisch-tedere terugblik op een eerder rusteloos jong leven, het louter muzikaal gezien een weinig aan de eerder geciteerde Miller herinnerende swingertje “Knock Knock Joke” en de afscheidsballade “Steady As She Goes”. Was hier ogenblikkelijk goed voor het nodige kippenvel, dat laatste liedje! Let wel, de vier genoemde songs zijn slechts enkele voorbeelden. Eigenlijk laat zich op deze prachtplaat gewoon niet één enkel minder moment aanwijzen. En “Bread On The Waters” lijkt ons dan ook nu al quasi een certitude voor onze eindejaarslijstjes. Doe er vooral je voordeel mee!

Bill Kelly

CD Baby

 

 

ROCKY BURNETTE

“Wampus Cat”

(El Toro Records / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Rocky Burnette kennen we vooralsnog vooral van de enige hit die hij hier begin de jaren tachtig had met “Tired Of Toein’ The Line”.  Dat was naar onze bescheiden mening eerder slappe hap, de zoon van wijlen rock & rollgrootheid Johnny Burnette absoluut niet waardig. En het lijkt alsof hij dat ook zelf beseft moet hebben, want met z’n zopas via het Spaanse El Toro Records verschenen nieuwe CD “Wampus Cat” zet hij die scheve situatie mooi recht. Dat album staat boordevol heerlijk authentieke rock & roll. We noemen bijvoorbeeld het met zo’n typisch Buddy Holly-ritme gezegende meezingertje “Streamliner”, de fraaie, door een bluesy mondharmonicabijdrage van Blas Picon enigszins in het vaarwater van The Paladins belandende Fats Domino-cover “Please Don’t Leave Me”, de door z’n dochter Chanti Teresa gebrachte rockabillyswinger “Rock Therapy”, het zowel piano- als melodiegewijs aan de hier al eerder genoemde Fats Domino refererende “Why Go Home?”, een zwierige adaptatie van Mickey Newbury’s “Why U Been Gone So Long”, de surf meets Latin semi-gitaarinstrumental “Que Lastima” en de zwaar aan de jonge Cash schatplichtige countryrocker “Next Train”. Dat zijn stuk voor stuk songs de naam Burnette wel waardig!

Rocky Burnette

El Toro Records

Bertus

CD Baby

 

 

GWENDOLYN

Lower Mill Road

(Whispersquish Records)

(3,5) J J J J

 

 

In 2002 troonde producer Ben Vaughn freak folkie Gwendolyn mee naar Schotland om er in het gezelschap van een schare lokale muzikanten een eerder traditioneel opgevatte E.P. in te blikken. Dat gebeurde ergens net buiten Glasgow. Gasten waren toen ondermeer John McCusker van de Battlefield Band en harpiste Catriona McKay.

Door onverwacht drukke agenda’s van zowel de Californische zelf als haar producer werd de eindmix van “Lower Mill Road” vervolgens op de lange baan geschoven. Vijf lange jaren gingen er voorbij, alvorens men de tijd vond om tot de uiteindelijke afwerking ervan over te gaan. Maar vanaf 7 augustus kan je je nu dit folk-kleinood ondermeer via CD Baby eindelijk afschaffen. En dat verdient aanbeveling ook. Met haar prachtige stem, een soort van kruising tussen die van Iris DeMent en die van Nick Drake zaliger, schildert Gwendolyn daarop immers negen prachtige miniatuurtjes, waarin ze tegen een achtergrond van ondermeer violen, akoestische gitaar, banjo, mandoline, contrabas, accordeon, fluit, clarsach (Schotse harp), manditar, piano, drums en diverse percussie-instrumenten reflecteert over onderwerpen als de relativiteit van het universum, een eerlijke minnaar en het hart van een dwaas. Van een werkelijk feeërieke schoonheid allemaal!

Gwendolyn

CD Baby