ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2008

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

BRENDON JAMES WRIGHT & THE WRONGS “Brendon James Wright & The Wrongs”HUNGRYTOWN “Hungrytown” - DAVE SUTHERLAND “On The Waiting List” - GURF MORLIX “Birth To Boneyard” - LOS FABULOCOS FEATURING KID RAMOS “Los Fabulocos” - ONGENODE GASTE “Raas” - LYNNE HANSON “Eleven Months” - ROUGH SHOP “Here Today” - JAMES INTVELD “Have Faith” - CLAUDE DIAMOND “On The Loose” - HACIENDA BROTHERS “Arizona Motel” - G. DAPONTE “Let It All Come Down” - TOM FREUND “Collapsible Plans” - SOUTHSIDE JOHNNY WITH LABAMBA’S BIG BAND “Grapefruit Moon – The Songs Of Tom Waits” - JIM HENRY “King Of Hearts” - STEPPIN’ IN IT “Simple Tunes For Troubled Times” - OTIS READ “Turn A Page” - HEATHER MYLES & THE CADILLAC COWBOYS “Live @ Newland.NL” - THE LOOSE ACOUSTIC TRIO “Sorrow Be Gone” - KELLY DALTON “Home” - DAVE MORRISON “A Little Farther Down The Line” - LAURIE JONES “Laurie Jones” - TIM GRIMM “Holding Up The World” - RACHAEL DAVIS “Antebellum Queens” - THAD COCKRELL “To Be Loved” - RICHARD MURRAY “Desert Wind” - JOHN VESTER “All The Way Out West” - WILL KIMBROUGH “(EP)” - TIM MANN “Distant Strangers” - BUZZ CASON “Hats Off To Hank” - SPANKING CHARLENE “Dismissed With A Kiss” - TOO SLIM & THE TAILDRAGGERS “The Fortune Teller” - GUY TORTORA “Living On Credit” - HEY NEGRITA “You Can Kick” - I SEE HAWKS IN L.A. “Hallowed Ground” - STEVE MEDNICK “Time For A Change…” - VARIOUS “Ribbon Of Highway, Endless Skyway – The Woody Guthrie Tribute Tour” - CHRISTENE LEDOUX “Dust ‘n’ Branches… Songs From A Wanderer” - MARYBETH D’AMICO “Heaven, Hell, Sin & Redemption” - JOEL RAFAEL “Thirteen Stories High” - THE ROSELINE “Lust For Luster” - ELEVEN HUNDRED SPRINGS “Country Jam” - ELIZA GILKYSON “Beautiful World” - THE BELIEVERS “Lucky You” - THE WILDERS “Someone’s Got To Pay” - DREW EMMITT “Long Road” - STEVEN ALVARADO “Let It Go” - MARTHA’S TROUBLE “EP”

 

BRENDON JAMES WRIGHT & THE WRONGS “Brendon James Wright & The Wrongs” (Barfight Records)

(3,5****)

Sterk debuut van een man die het bepaald niet onder stoelen of banken steekt flink beïnvloed te zijn geweest door collega-songwriters als Robert Earl Keen, Steve Earle en Darrell Scott. En dat hoor je eraan ook! Brendon James Wright is immers nadrukkelijk actief in door die heren al eerder uitgebreid verkend territorium. Met zijn band The Wrongs werkt hij zich op zijn titelloze eersteling doorheen dertien eigen songs, waaruit een duidelijke voorliefde voor Americana spreekt. Country(rock), blues en bluegrass vormen de voornaamste ingrediënten van een singer-songwritergumbo, die naast liefhebbers van het eerder al genoemde drietal ook de fans van groten als een Waylon Jennings en een Billy Joe Shaver en van jonger grut als Rodney Parker en Reckless Kelly zou moeten kunnen bekoren. ’s Mans sterkste troeven daarbij zijn een aangenaam hese schuurpapierstem en een bijzonder levendige schrijfstijl. Met een speciale vermelding bovendien ook voor zijn gitarist Daniel Kimbro, want da’s echt wel een serieuze crack in zijn vak!

Très sympa allemaal!

Brendon James Wright & The Wrongs

CD Baby

 

HUNGRYTOWN “Hungrytown” (Listen Here! Records)

(4****)

Voor regelmatige lezers van deze pagina’s is Rebecca Hall al een poosje geen onbekende meer. Met name voor haar tweede CD “Sunday Afternoon” hadden wij hier immers in het verleden al de nodige lofbetuigingen over. Van die Hall is er nu, goed en wel zes jaar later, eindelijk weer wat nieuw materiaal beschikbaar. Al zal je het ditmaal in de platenrekken wel bij de H of achter het bordje Hungrytown moeten gaan zoeken. Samen met haar muzikale wederhelft Ken Anderson stapt Hall in de toekomst immers onder die naam als duo door het leven. En afgaande op het eerste op CD vereeuwigde resultaat van die samenwerking kunnen we daar alleen maar heel blij om zijn. Dat samen met gasten als Michael (banjo) en Ruth Ungar (fiddle) Merenda van de veelbelovende Mammals en de Virginia Ramblers ingeblikte geheel valt in eerste instantie op door zijn ronduit tijdloze karakter. In tien eigen liedjes en covers van de traditional “Sylvie” en de Gene Clark-Jesse Davis-compositie “With Tomorrow” verwerken Hall en Anderson vrijwel voortdurend werkelijk weergaloos harmoniërend elementen uit genres als Americana, bluegrass, country, folk, pop en soul. Dat gebeurt op danig harmonische wijze, dat heden en verleden elkaar liefdevol in de armen vallen. Er wordt weliswaar uitbundig gestoeid met retro aandoend materiaal, maar het hier en nu wordt daarbij nooit helemaal uit het oog verloren. Het grotendeels akoestisch gehouden “Hungrytown” groeit mede daardoor uit tot een echt plaatje van een plaat. Maar dé absolute blikvangers hier zijn en blijven toch de stemmen van de twee protagonisten. En vooral die van Hall dan, die sierlijk als een nachtegaal bekoort van de eerste tot de laatste noot.

Samengevat: sterke, het grote American Songbook voortdurend indachtige én waardige songs, gedreven vertolkingen, prachtige zangpartijen. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!

(In de maanden oktober en november zakken Hall en Anderson voor wat optredens naar onze regio af. Wat ons betreft een absolute aanrader!)

Hungrytown

Listen Here! Records

CD Baby

 

DAVE SUTHERLAND “On The Waiting List” (Red Kite)

(4****)

Dave Sutherland wordt door zijn platenlabel, het kleine maar fijne, vanuit hartje Wales actieve Red Kite Records, naar voren geschoven als één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van het Verenigd Koninkrijk. En dat is een stelling, die we na enkele beluisteringen van “On The Waiting List” eigenlijk alleen maar volmondig kunnen beamen. Dat is immers niet enkel een fantastische (Americana)plaat, het blijkt bovendien ook al om Sutherlands vierde te gaan. En dan moet je je als insider inderdaad toch wel gaan afvragen, onder welke steen zich deze briljante songwriter zo lang voor je verborgen heeft weten te houden. Want, laat dat vooral héél duidelijk zijn, wij kenden hem dus absoluut niet, he…

Die Sutherland presteert het hier, om ons tien nummers lang onvoorwaardelijk in zijn ban te houden. Met liedjes opgehangen aan lang niet altijd even zonnige thema’s als huiselijk geweld, het leven na een gevangenisverblijf, drank- en druggebruik en de liefde in tal van haar vele aspecten slaat hij op bijzonder harmonische wijze een brug tussen Americana genre een John Prine en een John Hiatt en het materiaal van bekende Britse voorgangers als een Ralph McTell. In een productie van de in het verleden ondermeer ook al met John Martyn gewerkt hebbende Martin Levan slaat hij eigenlijk gewoon dé perfecte brug tussen pop, folk en Americana. Die mooie fluwelen stem! Die ronduit zalige liedjes! Die prachtige poëtische teksten! Alles klopt hier gewoon! Zelfs de cover van Townes Van Zandts “If I Needed You”, die Sutherland ons bij wijze van kers op de taart nog meent te moeten serveren, is echt bloedmooi. En wij kunnen dan ook niet anders dan hem ogenblikkelijk van onze “waiting list” schrappen. Méér nog: we gaan als de gesmeerde bliksem op zoek naar voorgangers van dit fraaie schijfje als “Comfortable Junction” uit 1999 en “American Refrigerator” uit 2002. Zou u eigenlijk gewoon óók moeten doen!

Dave Sutherland

Red Kite Records

 

GURF MORLIX “Birth To Boneyard” (Gurf Morlix)

(3,5****)

“Birth To Boneyard” is de door Gurf Morlix zelf zorgvuldig van elk greintje zang ontdane versie van zijn erg lovend onthaalde laatste CD “Diamonds To Dust”. En wat je erop te horen krijgt klinkt dan ook meteen zeer vertrouwd in de oren. Dit is weer meer de Morlix, die in het verleden als producer zo nadrukkelijk zijn stempel drukte op platen van ondermeer Lucinda Williams, Mary Gauthier en Ray Wylie Hubbard. De man, die graag stoeit met geluiden en de daardoor opgewekte speciale sferen. En “Birth To Boneyard” moet het dan ook voornamelijk van deze laatste hebben. Het evocatieve vermogen van de tien songs erop is alvast enorm groot. Zalig gewoon, hoe Morlix je door het kiezen van het juiste instrument op de juiste plaats weet mee te tronen doorheen een geluidslandschap, waarin het heerlijk wegdromen is. Bevreemdende keyboards hier, mondharmonicaatje daar, wat akoestische, een slide, wat steelgitaar, veel was er an sich eigenlijk niet nodig, om van “Birth To Boneyard” net als zijn gezongen broertje “Diamonds To Dust” een album te maken, dat eigenlijk niet in je collectie zou mogen ontbreken.

Gurf Morlix

CD Baby

 

LOS FABULOCOS FEATURING KID RAMOS “Los Fabulocos” (Delta Groove / Munich)

(4,5*****)

Lang hadden ze niet nodig om ons over de streep te trekken, deze vier! Eén enkele draaibeurt van hun titelloze debuut volstond ruimschoots om ons van hun in aanzienlijke mate aanwezige kwaliteiten te overtuigen. Die eersteling van Los Fabulocos is dan ook wat je noemt een echt feest van een plaat. Cali-Mex noemen Jesus Cuevas (zang, accordeon), James Barrios (bas), Mike Molina (drums) en Kid Ramos (tal van gitaren, bajo sexto, zang) wat ze brengen zelf. Met andere woorden een soort van ver Californisch neefje van de ook in deze kontreien zeer gesmaakte Tex-Mex sound. Een neefje, dat zo nu en dan ook wel iets heeft met andere genres als blues, R&B, rock & roll en cajun. En precies daarin schuilt wat ons betreft voor een stuk ook de grote kracht van bluesgitaarbeul Kid Ramos en z’n chicano compadres. Al willen we zeker ook niet uit het oog verliezen, dat ze door voornamelijk voor remakes van materiaal van anderen te kiezen ook in de herkenbaarheidsschaal een serieuze bondgenoot vinden. Het komt hun zo al behoorlijk hoge aaibaarheidsfactor alleen maar ten goede… Zo zullen wij bijvoorbeeld heus wel niet de enigen zijn, die ogenblikkelijk spontaan uit de bol gaan bij dingen als de van Santiago Jimenez geleende ranchera “Un Mojado Sin Licencia”, het duidelijk na een ommetje langs Doug Sahm zaliger geadapteerde “Crazy Baby”, een superswingende lezing van het Rockin’ Dopsie-nummer “You Ain’t Nothing But Fine”, een op z’n Freddy Fenders gebrachte vertolking van de Lloyd Price-hit “Just Because” of een tot “chicano cajun” omgetoverd “All Night Long”, je wellicht bekend van good old Clifton Chenier.

“En “what about” de eigen nummers van de vier?”, horen we je luidop denken. Wel, die doen in kwaliteit absoluut niet onder voor de hier gebrachte covers. Jesus Cuevas’ “If You Know” is zo een echt juweeltje van een Tex-Mex (Of moeten we zeggen Cali-Mex?) rockertje, zijn “Day After Day” koppelt op bijzonder geslaagde wijze rootsrock aan blues en komt zo aardig in de buurt van het wat stevigere vroegwerk van Los Lobos en James Barrios’ “You Keep Drinkin’” is zondermeer één van de sympathiekste kroeghymnen die wij kennen.

(Warm aanbevolen als je houdt van: Los Lobos, The Blazers, Tremoloco, Flaco Jimenez.)

Los Fabulocos

Delta Groove Music

CD Baby

 

ONGENODE GASTE “Raas” (Inbetweens)

(3,5****)

Na het vorig jaar verschenen “Dit Is Legaal”, ’s mans eerste soloplaat, betekent “Raas” voor dialectrocker Peter Beeker een terugkeer naar de vertrouwde warme schoot van zijn groep Ongenode Gaste. Met bassist Marcel Mullenders en drummer Sander Hendrikx blikte hij dat derde groepsalbum op 16 november van vorig jaar live in in Perron 55 te Venlo. En die manier van werken had alvast als prettig gevolg dat “Raas” er lekker ongepolijst is door gaan klinken. Iets wat de liedjes van Beeker en co eigenlijk alleen maar ten goede komt. Ook zo al ijzersterke dingen als het al van solo-uitje “Dit Is Legaal” bekende “Fotomaedje”, titelnummer “Raas”, “God’s Junkies”, “Metroman”, “Beer En Nicotine” en “Baedel Neet” profiteren immers ten volle van een no nonsense-benadering als deze. Zó en niet anders hoort rock & roll te klinken! Lekker ruw! Lekker direct! Het resultaat is andermaal een ijzersterke plaat, zo ongeveer van het beste wat Nederlands Limburg momenteel op muzikaal vlak te bieden heeft!

Onze luistertips: de erg knappe trage “Stel”, het van de ingehouden spanning levende “Beer En Nicotine” (Een soort van anti love song aan het adres van de eigen stamkroeg?) en het al even gepassioneerd gebrachte “Raas”.

Ongenode Gaste

Inbetweens

 

LYNNE HANSON “Eleven Months” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4,5*****)

Naar aanleiding van haar twee jaar geleden verschenen debuutplaat “Things I Miss” vergeleken we hier de jonge, uit Ottawa afkomstige zingende liedjesschrijfster Lynne Hanson al met schoon vrouwvolk als Mary Chapin Carpenter, Gillian Welch, Lucinda Williams, Mary Gauthier, Caroline Herring en Lynn Miles. Met die ronduit sublieme eersteling creëerde ze meteen erg hooggespannen verwachtingen met betrekking tot alles wat nog volgen zou. Als ze het geweldig hoge niveau daarvan zou kunnen aanhouden, dan was het Americana-genre wat ons betreft immers meteen een échte topper rijker. En om je geduld niet langer onnodig op de proef te stellen: dat is dus wel degelijk het geval. Meer nog, opvolger “Eleven Months” is als geheel gewoon nóg beter dan zijn voorganger. Van het voortdurend tussen hoop en wanhoop balancerende countrywalsje “More Of The Same” tot de uit religieuze twijfel geboren Americana van “Nazareth Bound”, van het op bijzonder poëtische wijze het almaar schaarser wordende goed “eeuwige liefde” bezingende “Dance In The Evermore” tot het als een soort van antwoord op de bluegrass classic “Pretty Polly” opgevatte midtempo bluesje “Willow Tree”, van de zich behaaglijk in steelgitaarklanken wentelende ballade “Middle Of The Bed” tot de politiek geladen eigentijdse folkdeun “Tears In Your Rain”, van het hardop tussen Americana en authentieke bluegrass twijfelende “Cold Touch” tot het werkelijk schitterende titelnummer, anders dan heerlijk kunnen we liedjes als deze gewoonweg niet omschrijven. De revelatie van weleer bevestigt dus met andere woorden met brio. Geslaagd cum laude, menen wij!

Lynne Hanson

CD Baby

Plato

 

ROUGH SHOP “Here Today” (Perdition Records)

(3,5****)

Dit is er onmiskenbaar weer zo eentje voor liefhebbers van acts als The Band zaliger en The Gourds. Ook John Wendland en Andy Ploof, in een vorig leven nog actief binnen het vanuit St. Louis, Missouri actieve One Fell Swoop, en Anne Tkach, bekend van haar werk met zowel Nadine als Hazeldine, grossieren immers in op en top Amerikaanse rootsmuziek, waarin de grenzen tussen genres als pop, rock, folk, country, bluegrass, blues en soul zodanig vervagen, dat je bijna gemakshalve weer de ó zo handige term Americana laat opduiken om er hun creaties mee te omschrijven. Een term, die tegelijk alles zegt en niks…

Feit is echter, dat heel wat van de liedjes op “Here Today”, na het in 2006 verschenen “Far Past The Outskirts” al de tweede van Rough Shop, eenzelfde tijdloze sfeer uitademen als het merendeel van het materiaal van met name The Band of recenter de laatste van Levon Helm. In een setting van akoestische gitaren, dobro, mandoline, slide, harmonica, bas, fiddle en accordeon nemen Ploof, Wendland en Tkach daarin beurtelings de lead vocals voor hun rekening. Het resultaat is een bijzonder fris geheel, dat als je ’t ons vraagt een heel erg breed publiek van rootsmuziekliefhebbers moet kunnen aanspreken. Andy Ploof en in mindere mate John Wendland stelen daarop de show met hun de tand des tijds tartende liedjes, Anne Tkach imponeert vooral stemgewijs. Met name in de werkelijk oorstrelend mooie ballade “Dear Mama” is haar delicate glasheldere alt niets minder dan briljant. Nog enkele andere hoogtepuntjes: de alternatieve cheating song “Golden Slumber Inn”, de heerlijke Freddie Hart-cover “Drink Up And Go Home” en het op speelse wijze de draak met religies stekende “Dance All Night”, waaruit we je de volgende passage absoluut niet willen onthouden:

“Now I lay me down to sleep,

I pray the Lord my soul to keep.

If I wake before I die,

I’ll sit up to wonder why.”

Je moet er maar op komen…

Rough Shop

CD Baby

 

JAMES INTVELD “Have Faith” (Molenaart)

(4,5*****)

Hij heeft een wat apart plaatsje in ons hart, deze James Intveld. Wij hadden ooit het genoegen de man live mee te mogen maken en “ever since” behoort hij eigenlijk tot onze absolute favorieten. In Eindhoven was dat, waar hij de affiche deelde met JW Roy, Billy Dee en Dale Watson. Veel meer nog dan met zijn prachtige stem en zijn knappe liedjes imponeerde hij ons daar met zijn innemende podiumprésence. Zelfs het ronduit schandalige, elk normbesef ontberende gedrag van een zich duidelijk van optreden vergist hebbende jonge toeschouwer weerhield er Intveld absoluut niet van een zeer gesmaakte set af te werken. Logisch, lijkt ons, dat je naar nieuw plaatwerk van zo’n kanjer net iets meer uitkijkt dan naar dat van veel van zijn (vaak een stuk bekendere) collega’s. En Intveld beschaamt met “Have Faith” (Toepasselijk!) ons vertrouwen ook absoluut niet. De tien songs op zijn derde verdienen wat ons betreft zondermeer het predicaat “All killer, no filler!” Zeven daarvan schreef hij zelf. Al kreeg hij daarbij wel geregeld hulp van hier ook gewaardeerde collega’s als John Coinman, Gary Nicholson en Kostas.

We overlopen ze hier even allemaal. “This Place Ain’t What It Used To Be” is op zalig rinkelende gitaren en een zacht zoemend B-3-orgel geënte Americana, je allicht ook al bekend in de uitvoering van John Coinman, “Let’s Get Started” een samen met de vooral als countryhitmachine bekendheid genietende Kostas gefabriceerd streepje lekker rammelende country rock, beduidend opgewaardeerd met knap twangy gitaarwerk van Intveld zelf en Michael Turner, “A Woman’s Touch” een hartverscheurend mooie, zwaar naar country soul neigende mijmerballade, “Have Faith” een verdere uit datzelfde hout gesneden sleper, “If Tears Could Talk” een vooral zanggewijs een weinig aan de heren Orbison en Isaak herinnerende trage Americana beauty, “Small Town Boy” eigenlijk gewoon nog wat meer van dattum en het afsluitende “Walk With Me” een met gospel, soul en R&B doorspekte droomdeun, mede gedragen door een vocale glansprestatie van de legendarische Jordanaires. En die zijn eveneens van de partij in de eerste van drie door Intveld hier gebrachte covers. Het betreft daarbij “Pretty World”, een lekker “tonkend” eerbetoon aan Bakersfield-legende Wynn Stewart. De overige twee van anderen geleende songs zijn Rick Nelsons hillbilly rockertje “Something You Can’t Buy” en Bobby Bare’s “Motel Time”, eerder vooral bekend in de versie van Johnny Paycheck.

James Intveld

Miles Of Music

 

CLAUDE DIAMOND “On The Loose” (Vettset Music)

(4****)

Het enigszins bizarre muzikale verhaal van Claude Diamond is naar we mogen aannemen ondertussen genoegzaam bekend. De man debuteerde pas op latere leeftijd, maar deed dat zodanig sterk, dat vergelijkingen met bekende collegae als ondermeer John Prine, Guy Clark, Billy Joe Shaver en Chip Taylor hem al spoedig aan een reputatie de kwaliteit van zijn songs waardig hielpen. Iets wat ze bij Rounder Europe nog het best begrepen, want daar werden zijn knappe eersteling “Diamond Dust” en de al even sterke opvolger daarvan “Highway Of Life” gebundeld tot één geheel ook op de Europese markt losgelaten.

Maar nu is er dus nummer drie. En ook dat is weer een erg sterk geheel geworden. Diamonds teksten en voordracht blijven ook hier een ware lust voor het oor. En dankzij de heerlijk gevarieerde muzikale invulling van zijn materiaal houdt hij het ook ditmaal weer elf nummers lang buitengewoon interessant. Zo is het bijvoorbeeld volop genieten geblazen van een de lotgevallen van een zijn weg in Nashville zoekende singer-songwriter beschrijvend streepje traditionele country (“River Of Songs”), van het over een lekker met de kont schuddende rockabilly beat heen gedrapeerde relaas van een onfortuinlijke autodief (“No Pink Cadillac”), van een countrybluesje gewijd aan een zijn ziel aan de duivel verkopende mijnwerker (“Second Hand Soul”), van een lijzig countryrockertje opgehangen aan het vanuit het standpunt van een bezorgde vader vertelde verhaal van een voor het verkopen van drugs opgepakte knaap (“Easier ’N Mine”), van een onvervalste ouderwetse tranentrekker (“Sweet Memory”) en van een smakelijke lap “outlaw Americana” (het de lotgevallen van een stel winkeldieven bezingende “Baby’s Last Word”).

Om een lang verhaal kort te houden: als u van Diamonds eerste twee platen hield, dan kan u zich zonder ook maar de minste aarzeling ook “On The Loose” in huis halen, want ook dat album zal u dan ongetwijfeld zo menig een aangenaam uurtje bezorgen. Deze Diamond is immers gewoon één van dé allerbeste verhalenvertellers die de huidige Americana scene bevolken.

Claude Diamond

CD Baby

 

HACIENDA BROTHERS “Arizona Motel” (Proper)

(4****)

Wat na hun titelloze debuutplaat uit 2005, “What’s Wrong With Right?”, de opvolger daarvan uit 2006, en het vorig jaar in een gelimiteerde oplage uitgebrachte live-album “Music For Ranch & Town” de vierde langspeler van de Hacienda Brothers moest gaan worden, zou uiteindelijk ook wel eens hun laatste kunnen blijken. Het is immers maar zeer de vraag, of de overgebleven groepsleden er na de dood van hun onomstreden leider Chris Gaffney eerder dit jaar nog wel zullen blijven mee doorgaan. De door Gaffney nagelaten gapende wonde zou er alleen nog maar wat dieper door worden… Dubbel jammer zou het zijn, vinden wij, want in hun nog relatief kortstondige bestaan hebben de Hacienda Brothers al zoveel mooie dingen op ons losgelaten, dat we ons een leven zonder hun muziek eigenlijk gewoon niet meer voorstellen willen.

Gelukkig is er alvast nog “Arizona Motel”, het laatste samen met Gaffney ingeblikte geheel, om de pijn een weinig mee te verzachten. Dat door Dave Gonzalez en kompanen begrijpelijkerwijze aan hun betreurde makker opgedragen album, sluit vrijwel naadloos aan bij de eerste twee Hacienda Brothers-schijven.

“Ordinary Fool”, “I Still Believe”, “Divorce Or Destroy” en het afsluitende, door Dave Gonzalez samen met de legendarische Dan Penn geschreven “Break Free” zijn zo bijvoorbeeld opnieuw vier heerlijke slepers, waarin er ook regelmatig een knipoog richting de countrypolitan sound van Charlie Rich en co af kan. “Soul Mountain”, de enige “Gaffney only”-compositie, speelt na een erg soulvolle intro een uitermate geraffineerd spelletje met R&B en country, “Big Town City” – Met een vocale hoofdrol voor Gonzalez! – is knappe country rock en “Light It Again, Charlie” een onvervalste midtempo blues instrumental, getekend door een even aparte als mooie wisselwerking tussen de gitaar van Gonzalez en het accordeon van Gaffney zaliger.

Resten dan nog: “A Lot Of Days Are Gone”, een zacht twangende melancholische blik over de schouder naar de dagen van weleer, de sprankelende honky-tonk van de Carl Smith-cover “I’ll Come Running”, het als vintage Hacienda Americana te omschrijven “Uncle Sam’s Jail”, de net als “Break Free” door Gonzalez met Dan Penn gepende countrysoultrage “Use To The Pain”, “Look Into The Future” en “Long Way To Town”, twee volbloed-country songs, en de eigenzinnige Hank Williams-adaptatie “When You’re Tired Of Breaking Other Hearts”. Allemaal samen veertien verdere redenen om de Hacienda Brothers voor eeuwig en altijd liefdevol in de armen te blijven sluiten. En bovenal ook een oorstrelend mooi aandenken aan een groot zanger en muzikant. We zullen je nooit vergeten, Chris!

Hacienda Brothers

Miles Of Music

 

G. DAPONTE “Let It All Come Down” (Three Moves Equals A Fire)

(3,5****)

 

Never judge a book by the cover! Je hoort en leest het zo vaak, en toch… Het is en blijft een val waar je regelmatig met je ogen wagenwijd open blijft intrappen. Zo betrappen wij er ons bijvoorbeeld wel eens op, dat albums gehuld in minder aantrekkelijk artwork net dat ietsje langer blijven liggen dan hun van fraaie hoesjes voorziene collega’s. Het zou eigenlijk niet mogen, maar ja…

Onlangs ontvingen we zo nog een recensie-exemplaar van “Let It All Come Down” van de ons volstrekt onbekende Amerikaan G. DaPonte. Dat in een low low budget jasje gehulde schijfje belandde mede door z’n weinig aansprekende “uiterlijk” al vrij snel op het stapeltje “Nog te behandelen!”. En daar sleet het heel wat meer dagen dan het louter op basis van het op muzikaal vlak erop gebodene verdiende. Dat “Let It All Come Down” bleek bij nader inzicht immers een zeer goede tot bij momenten zelfs uitstekende rootsrockplaat. En die G. DaPonte? Wel, da’s niet alleen een uitstekende zanger en songsmid, maar bovendien ook nog eens een erg goede gitarist. Wat hij op “Let It All Come Down” brengt zijn puntige rootsrockliedjes, die ons in al hun aantrekkelijke melodieuze eenvoud herinnerden aan het werk van knapen als een Tom Petty, een Freedy Johnston, een Peter Case en een Paul Westerberg. Slechts voor een drietal daarvan ging hij in de leen bij anderen. Voor “Late Night, Early Town” meer bepaald bij Lloyd Cole, voor “Wearing Black bij ene G. Eaton en voor “Tiny Pieces” bij Tommy Stinsons Bash & Pop. De overige negen stammen uit de eigen koker en etaleren een bijzonder vaardig schrijfhandje. En dat wij lang niet de enigen zijn die daar zo over denken moge blijken uit DaPonte’s gastenlijst hier. Daarop noteerden we ondermeer de namen van Taras Prodaniuk, Danny McGough, David Raven, Charlie Peterson en Ron Corbett en vooral ook die van Duane Jarvis en Doug Pettibone. Mede dankzij hun vaak virtuoze inbreng kon DaPonte “Let It All Come Down” laten uitgroeien tot één lang, harmonieus en bijzonder warmbloedig geheel. Het soort van plaat, waar je ook op termijn zonder twijfel zal blijven naar teruggrijpen. Het soort van plaat, dat bekoort met een ongelooflijk warm geluid, waarin naast tal van gitaren ook instrumenten als een Hammond, een Wurlitzer, een lap steel, een pedal steel, een harmonica, een bouzouki en een dobro hun deel van de aandacht durven op te eisen. Maar bovenal toch gewoon het soort van plaat, dat bol staat van de enorm lekkere liedjes.

(Jammer van dat wat goedkoop ogende booklet dus!)

G. DaPonte

 

TOM FREUND “Collapsible Plans” (Surf Road)

(5*****)

Tom Freund lijkt finaal klaar voor een doorbraak op grote schaal! Op zijn nieuwe CD “Collapsible Plans” vallen hij en zijn ondertussen veel bekendere maatje Ben Harper elkaar na jaren weer eens in de armen. En als dusdanig is het album eigenlijk een logisch vervolg op “Pleasure & Pain”, de al in 1992 verschenen en ondertussen jammer genoeg niet meer verkrijgbare eerste samenwerking tussen de twee. Harper is erg nadrukkelijk aanwezig op “Collapsible Plans”. Hij tekent zo niet alleen voor de productie ervan en wat backing vocals her en der, maar levert ook bijdragen op Weissenborn, National, Asher en Rickenbacher lap steel, harmonium, tamboerijn, Wurlitzer, mandocello, drums en tal van percussie-instrumenten. Een andere bekende gast hier is Jackson Browne. Die voorziet een erg mooie nieuwe versie van “Copper Moon” en het daar perfect bij aansluitende “Why Wyoming” van bijzonder fijne ondersteunende zang en wat gesmaakt pianowerk. Zijn verder ook nog van de partij: gitarist Michael Ward, drummer Michael Jerome, toetsenmannen Jason Yates - Je wellicht bekend van Harpers Innocent Criminals! - en Fil Krohnengold, cellist Timothy Loo en violiste Alyssa Park. Zij zorgen met z’n allen voor de juiste muzikale voedingsbodem voor Freunds als vanouds weer erg sfeervolle “melancho-liedjes”. Ergens tussen pop, roots rock, country, jazz en folk kerft de beste man met vaste hand en fluwelen stem tien keer zijn naam in je ziel. Tien songs, de ene al mooier dan de andere, laten je beluistering na beluistering ervan met een uitermate warm gevoel vanbinnen achter. Echt kapot zijn wij ervan! En een maximum van vijf sterren op vijf is dan ook het logische resultaat…

(En wat het allemaal nog wat mooier maakt: voor een beperkte periode biedt Freund je deze geweldige schijf voor maar één dollar als download aan. ’t Is wel erg vroeg Sinterklaas dit jaar…)

Tom Freund

$1

CD Baby

 

SOUTHSIDE JOHNNY WITH LABAMBA’S BIG BAND “Grapefruit Moon – The Songs Of Tom Waits” (Evangeline – Bertus)

(4****)

“Grapefruit Moon” is de titel van de verbazingwekkend goede nieuwe CD van Southside Johnny. Die doet het daarop voor de gelegenheid eens niet met zijn maats van de Ashbury Jukes maar met Richie “LaBamba” Rosenbergs Big Band. Het betreft dan ook allesbehalve een reguliere Southside Johnny-CD. “Grapefruit Moon” bevat immers twaalf songs geplukt van het repertoire van Tom Waits. Nu is dat an sich natuurlijk niets wereldschokkends. Heel wat anderen deden het onze protagonist van dienst immers al voor. Zo uit het blote hoofd kunnen we bijvoorbeeld al de namen van Holly Cole, John Hammond en Scarlett Johansson noemen, die zich in een recent verleden aan een vergelijkbaar project waagden. Wat echter wél uniek is, is John Lyons benadering van het materiaal van zijn streekgenoot. Zo lijkt hij bij zijn songkeuze alvast bewust grotendeels wat bekendere Waits-liedjes te hebben willen vermijden. En wat uiteindelijk wél aan zijn wensen voldeed, werd resoluut omgetoverd tot lekker ranzige late night big band swing. Ranzig, schrijven we, omdat ’s mans gruizige voordracht, een scheurende mondharmonica en lekker vet achter elke straathoek loerende elektrische gitaren nu niet meteen ingrediënten zijn, die je in dat genre verwacht. En Waits zelf, vroeg je? Wel, die lijkt het allemaal wel best te hebben gevonden. De man maakt immers ook zelf zijn opwachting in een met Southside Johnny gedeelde uitvoering van “Walk Away”. Dát nummer en dingen als het bijzonder geil swingende “Down, Down, Down”, sublieme lezingen van “Shiver Me Timbers” en “Tango Till They’re Sore”, het ingetogen “Johnsburg, Illinois”, het van een exotisch-erotische Latin-toets bediende “Temptation” en de titeltrack zijn enkele van de vele kersen op een onverwacht lekkere taart, die vanaf begin september verkrijgbaar zal zijn.

Southside Johnny

Evangeline

Bertus

 

JIM HENRY “King Of Hearts” (Money Sink Music)

(3,5****)

Singer-songwriter Jim Henry mag het recentelijk graag met mini-CD’s doen. En daar kunnen wij gezien de daardoor steeds weer gewaarborgde kwaliteit nu eens absoluut niets op tegen hebben. Ook ditmaal weer riep Henry de zeer gewaardeerde hulp in van Tracy Grammer. Zij zorgt voor wat ondersteunende zang en staat in voor bijdragen op viool en gitaar en wat percussie. Henry zelf neemt uiteraard de lead vocals voor zijn rekening en doet het verder op mandoline en akoestische, elektrische, bariton- en basgitaren.

Zeven songs bevat “King Of Hearts”. Vier daarvan zijn nieuwe liedjes van Henry zelf. Nummers vijf, zes en zeven zijn covers van respectievelijk Richard Thompsons “1952 Vincent Black Lightning” en de traditionals “28th Of January” en “Home On The Range”. Dat laatste is een loutere familieaangelegenheid met special guests Ruby (zang) en Jackson (fiddle) Henry in de buurt. “28th Of January” is dan weer een door Henry en zijn muzikale partner in crime Grammer van een werkelijk spetterend nieuw arrangement voorziene versie van dat Ierse folkdeuntje en “1952 Vincent Black Lightning” een bijzonder knappe countryfolklezing van wat misschien wel Richard Thompsons meest bekende liedje is. Van Henry’s eigen nieuwe songs beviel het melancholische “Broken Man” ons al bij al nog het meest. Erg mooi, hoe hij daarin tegen een achtergrond van viool- en akoestische gitaarklanken verlatingsangst en de daarmee gepaard gaande wanhoop weet te verwoorden.

Jim Henry

CD Baby

 

STEPPIN’ IN IT “Simple Tunes For Troubled Times” (Fox On A Hill / Earth Work)

(4****)

Al zo’n tien jaar lang timmeren deze vier jongelingen uit Lansing, Michigan aan de weg en dat hoor je eraan ook. “Simple Tunes For Troubled Times” van Steppin’ In It is immers een werkelijk voorbeeldige rootsplaat, waarop uitbundig gestoeid wordt met zo uiteenlopende traditionele invloeden als Americana, country, bluegrass, blues, folk, cajun, swing en jug band music. Het resultaat van dat alles is een her en der een weinig aan het erfgoed van The Band zaliger herinnerend geheel, dat er verder vooral nadrukkelijk om lijkt te vragen om niet in het één of andere muzikale hokje te worden ondergebracht. Speciaal in het oog springende tracks erop zijn voor ons vooral het z’n titel bijzonder swingend alle eer aandoende “Charles Hatfield’s Blues”, de met nachtegaaltje Rachael Davis gebrachte late night swing-sleper “Wren’s Lullaby”, de heftig met alle ook maar enigszins los zittende lichaamsdelen schuddende harmonica-instrumental “Gary’s Romp”, de bijzonder fraaie Randy Newman-cover “Mr. President (Have Pity On The Working Man)”, een al even geslaagde interpretatie van Daniel Kahns “Washtenaw County” en de cajuneske parel “The Ghost Of Richard Manuel” (Eén van de allermooiste liedjes die wij dit jaar al te horen kregen!). En met dat laatste deuntje is wat ons betreft de cirkel meteen ook volledig rond.

Sterk, héél erg sterk!

Steppin’ In It

Fox On A Hill

Earthwork Music

CD Baby

 

OTIS READ “Turn A Page” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

De Amerikaan Otis Read staat al bijna veertig jaar in het vak. Als zijn naam je desondanks niet erg veel zou zeggen, dan vindt dat wellicht een oorzaak in het feit dat hij met “Turn A Page” pas aan zijn tweede album onder eigen vlag toe is. Eerder verscheen van de beste man enkel nog het samen met de Ierse fluitist Phil Edmondson opgenomen “Under The Arch”. Maar dat is lang niet de enige vingerafdruk die hij in zijn lange carrière al op het muziekgeschäft achterliet. Zo maakte hij begin jaren zeventig bijvoorbeeld al deel uit van het door de legendarische Dave Van Ronk geprezen Big Lost Rainbow, was in de jaren tachtig de man achter het veertigkoppige Cambridge Harmonica Orchestra, schreef de muziek voor theaterproducties als “The Thirteen Clocks” en “Sisters”, produceerde de vijf CD’s tellende “New England Music Collection”, schreef een boek, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Een bepaald bezig baasje dus, dat wellicht precies daardoor z’n eigen carrière veel te lang uitgesteld zag. Veel te lang, menen wij, omdat de man écht wel een uitstekende songsmid is. Dat blijkt uit zo ongeveer elk van de dertien liedjes op zijn door Alex Krepkikh geproduceerde tweede CD. Moderne folksongs zijn daarop duidelijk in de meerderheid, maar hier en daar schuwt Read een uitstapje naar roots pop en Americana zeker ook niet. En hij vond daartoe in een reeks uitsluitend van Rhode Island afkomstige muzikanten als het eerder al genoemde duo Krepkikh (dobro, akoestische en percussie) en Edmonds (Thin whistle en accordeon), Aubrey Atwater (harmony vocals), Devon McShane (harmony vocals), Peter Breen (bas), Chris Brooks (pedal steel), Cathy Clasper-Torch (fiddle), Jim Corwin (akoestische, elektrische en lap steel), Mike D’Albergaria (drums), Liam Dailey (banjo), John “Juxo” DiTomasso (accordeon en elektrische piano) de ideale begeleiders. Te allen tijde agerend met het nodige respect voor het hen aangereikte songgoed zorgen zij voor een wollig-warm aandoend klanktapijt, waarover Read zelf met een al even aangenaam warme stem zijn verhalen mag komen vertellen. Mooie teksten trouwens, waarmee hij dat doet. Heerlijk transparant, zonder daarvoor in oppervlakkigheid hoeven te verzanden! Lees er bijvoorbeeld de volgende passage uit openingsnummer “Turn A Page” maar eens op na en je zal wellicht meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen.

“It’s funny how history gets twisted and arranged

Yet the truth has a mystery that even time won’t change

Somewhere in the middle between fact and fantasy

Is the answer to a riddle and the answer says to change”

Prachtig toch, niet?

Mocht je ‘m nog niet kennen, dan dringt een kennismaking met deze uitstekende singer-songwriter zich wat ons betreft dan ook dringend op!

Otis Read

 

HEATHER MYLES & THE CADILLAC COWBOYS “Live @ Newland.NL” (Me & My Americana / Continental / Munich)

(3,5****)

Nog niet zo heel erg lang geleden verscheen onder de vlag “Live @ Newland.NL” al een van Dale Watson in het een tot ver buiten de eigen landsgrenzen een uitstekende reputatie genietende Newland Steakhouse & Saloon in het Nederlandse Klaaswaal opgenomen live-album. En dat is klaarblijkelijk in goede aarde gevallen, want ook die andere graag geziene gaste aldaar, Heather Myles, mag zich sinds kort op haar beurt verheugen in zo’n schijfje. Daarop weet ze zich geruggensteund door The Cadillac Cowboys, een (gelegenheids)collectief bestaande uit Bob Ryan (gitaar), Brantley Kearns (fiddle & zang), Davie Holland (pedal steel), Kathy Rhodes (bas) en Roy Whyke (drums). Samen met dat vijftal werkt Myles zich doorheen een flinke bloemlezing uit haar laatste twee studioplaten, “Highways & Honky Tonks” uit ’98 en “Sweet Talk & Good Lies” uit 2002. Dertien songs van die beide platen vult ze aan met “No One Will Ever Know”, een duet met Brantley Kearns, en covers van ondermeer de Kris Kristofferson-klassieker “Help Me Make It Through The Night” en Buck Owens’ “Together Again”. En daarmee zijn we meteen waar we moeten zijn. Want zoals al wel vaker in het verleden dient Myles zich ook ditmaal weer aan als het bijzonder begaafde jongere zusje van die laatste grootheid. En zo mag het publiek het duidelijk graag hebben ook! Dat geniet immers hoorbaar met volle teugen van de overduidelijk naar het Bakersfield van weleer lonkende honky tonk van de knappe blondine. En we gaan er hier dan ook van uit, dat alle die avond aanwezigen zich graag een exemplaar van dit album zullen aanschaffen. Of beter nog van de DVD-versie ervan, want die bevat immers nog eens drie songs extra. Maar je hoeft er toen heus niet bij geweest te zijn, om hier met volle teugen van te kunnen genieten. Dit door geluidsman Henk Kuiper en opnametechnicus Gert de Bruijn voorbeeldig voorbereide document is immers gewoon een heel erg lekker live-album van één van de allerbeste countryzangeressen van de voorbije jaren.

Heather Myles

Continental

 

THE LOOSE ACOUSTIC TRIO “Sorrow Be Gone” (Big Book Records)

(4****)

Zelden een meer toepasselijke groepsnaam tegengekomen dan deze deze! Bij The Loose Acoustic Trio klinkt immers alles inderdaad zó alsof het spontaan losjes uit de pols werd vereeuwigd. Een accordeon, een staande bas, een trompet, een gitjo, een mandoline, een “bedpandoline” (Een kruising inderdaad tussen een ouderwetse pispot en een mandoline…) en een resonator zijn de attracties, waarop Richie Lawrence, Ken Cooper en Steve O’Neill in hun eigen akoestische speeltuin graag mogen rondhossen. Aangevuld met wat “gastinstrumenten” als een tuba, een fiddle, een trombone, een washboard, een zingende zaag, een jews harp, een snare drum en ander fraais volstaat dat ruimschoots om ook ditmaal weer vaardig heen en weer te laveren tussen alledaagse en al wat minder courante genres als cajun, folk, country, blues, ragtime en jug band music en zodoende met de soundtrack voor een te allen tijde blijgeestig leven op de proppen te komen. Sorrow be gone, inderdaad…

Mede dankzij de werkelijk aandoenlijke samenzang van de drie en de bij wijze van spreken uit elke groef spattende spelvreugde van alle betrokkenen moet je je hier wel ogenblikkelijk goed bij gaan voelen. En alsof dat alleen al niet ruimschoots zou volstaan, is er als bijkomende speciale attractiepool bovendien ook nog eens een tot puur traditioneel countrygoud omgetoverde cover van de Who-hit “Pinball Wizard”. Dat nummer alleen al is wat ons betreft de prijs van een hele CD waard! Tel uit je voordeel…

The Loose Acoustic Trio

CD Baby

 

KELLY DALTON “Home” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

 

De CD “The Love In Every Bar” betekende voor ons een poosje geleden een bijzonder gesmaakte kennismaking met het wel wat aan Ryan Adams en Damien Rice verwante werk van de jonge Amerikaanse singer-songwriter Kelly Dalton. En we waren dan ook zeer benieuwd naar ’s mans nieuwste, de EP “Home”. Dat door Thom Flowers geproduceerde kleinood blijkt bij nader inzicht een grotendeels akoestisch gehouden geheel, waarop naast vijf nieuwe songs van eigen hand ook een cover van Bruce Springsteens “I’m On Fire” terug te vinden is. En een héél erg mooie ook! Een dobro, een akoestische en de immer weemoedige stem van Dalton zelf volstaan wat ons betreft ruimschoots om de versie van The Boss zelve voorzichtig naar de kroon te steken. En ook de andere liedjes mogen er meer dan wezen! Ook daarin regeert Koning Melancholie met zachte hand en dat levert een stel erg fraaie, uitermate voor zwoele zomeravonden als die van de voorbije dagen geschikte folkpop-luisterliedjes op. Met name de samen met Holly Brook ingezongen pianoballade “Home”, de gevoelig getokkelde smeekbede “Let Me In” en het sfeergewijs daarmee verwante “Like A River” zijn echte blijvertjes en doen nu alweer uitkijken naar de volgende van Dalton.

Kelly Dalton

 

DAVE MORRISON “A Little Farther Down The Line” (Trough Records)

(4,5*****)

Onder het motto “Beter laat dan nooit!” willen we hier graag even wat aandacht besteden aan “A Little Farther Down The Line” van Dave Morrison, een Amerikaanse singer-songwriter, die in kennerskringen geldt als één van de allerbest bewaard gebleven geheimen van het genre. Het debuut van de beste man verscheen al medio 2007, maar ging eigenlijk een beetje geruisloos aan velen – Inclusief ons! - voorbij. En dat is jammer, écht jammer! Morrison is immers een echte kanjer! De man schrijft heerlijke country folk en Americana songs, die beurtelings herinneren aan John Prine, Guy Clark en Jackson Browne. En al na één enkele beluistering van “A Little Farther Down The Line” begrepen wij de bijna eindeloze behoefte van velen die ooit een optreden van Morrison bezochten om eindelijk ook eens iets van hem op een geluidsdrager mee naar huis te kunnen nemen. Morrison schudt immers het ene na het andere prachtige verhaal uit de mouw en beschikt bovendien over het soort van aangenaam warme baritonstem, waar je je ogenblikkelijk thuis bij gaat voelen. Ruim veertien nummers lang waan je je bij deze knaap echt in de hemel! En we willen hier dan ook absoluut niet gaan zoeken naar de krenten in de pap, want wat ons betreft stoot je hier gewoon uitsluitend op krenten. Werkelijk wonderschoon is deze door Mark Humphreys met veel gevoel voor detail geproduceerde en met gastbijdragen van ondermeer Bob Malone (piano, orgel en accordeon), Mark Switzer (banjo en dobro) en Tom Corbett (mandoline) opgewaardeerde eersteling.

Dave Morrison

Trough Records

CD Baby

 

LAURIE JONES “Laurie Jones” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3***)

“The missing link between Dusty Springfield and the Rolling Stones,” lazen we ergens met betrekking tot deze Laurie Jones. En zo’n boude uitspraak scherpte bijna als vanzelfsprekend onze nieuwsgierigheid gevoelig aan. Zo goed? Dat wilden we zo snel mogelijk óók wel eens horen…

En héél even, héél even maar, leek Jones met haar derde CD onze toch behoorlijk hooggespannen verwachtingen ook écht te kunnen gaan inlossen. Met het a capella gebrachte openingsnummer “It Is Well With My Soul”, de knappe countryrockers “Overrated” en “Hey My DJ” en de fraaie ingehouden folkpop van “Give Me A Moment” wist ze ons in elk geval ogenblikkelijk van haar aanzienlijke capaciteiten als zangeres te overtuigen. Maar om daarom nu meteen de naam Dusty Springfield te gaan “droppen”? Neen, dat nu precies ook weer niet. En al zeker niet, omdat lang niet alle nog volgende songs even sterk blijken. Dingen als “Goat Dance”, “Torin’s Revolution” en “Another Road Trip” etaleren nog altijd bijzonder lenige “pipes”, maar weten ons verder eigenlijk maar eerder matig te bekoren. Middelmaatjes, zeg maar. Wel weer leuk: het nerveus rockende “Paradise” en het iets met zowel soul, country als rock gemeen hebbende “I Only Wanted You”. Maar wij hadden al bij al toch net ietsje meer verwacht…

Laurie Jones

CD Baby

 

TIM GRIMM “Holding Up The World” (CoraZong Records)

(4,5*****)

Toen wij hier zo’n vijf jaar geleden Tim Grimms derde album “Coyote’s Dream” bespraken, hadden we daar een maximum van vijf sterren voor over en noemden we dat “één van dé sterkste folk-Americana platen, die we ooit hadden gehoord”. Een standpunt, dat wij ook nu nog, enkele jaren later en vele honderden albums verder, volmondig durven te beamen! Het is immers écht wel opvallend, hoe vaak we in de daaropvolgende jaren naar die schijf en naar de opvolgers ervan, de coverplaat “Names” uit 2004 en het ook al onwaarschijnlijk mooie “The Back Fields” uit 2005, zijn blijven teruggrijpen. En het stemt ons dan ook erg tevreden, dat meester-verteller Grimm voor zijn zesde onderdak heeft gevonden bij het dezer dagen ook internationaal erg actieve, Nederlandse huis van vertrouwen CoraZong Records. Daar, tussen andere kleppers van songsmeden als een Alastair Moock, een Jeff Talmadge, een John Coinman, een Krista Detor en we vergeten er ongetwijfeld nog wel een paar, hoort hij op de keper beschouwd immers thuis. Daar en nergens anders ligt voor deze veelzijdige wonderknaap de kans om het tenminste al aan deze kant van de Atlantische Oceaan te maken.

En “Holding Up The World”, zijn debuut voor zijn nieuwe werkgever, heeft wat ons betreft alvast alles om ook effectief een eerste stap in die richting te zetten. Dat album bevat immers niet enkel negen uitstekende nieuwe eigen originelen, waarvan een tweetal gepend met Jan Lucas, maar ook twee in het oog springende covers. Dat geldt althans zeker voor een samen met labelgenote Krista Detor en Jennie Devoe gebrachte Americana-adaptatie van het Dylan-anthem “Blowin’ In The Wind”. Maar ook de versie die Grimm hier aflevert van de Beth Cahill-compositie “Krista” is erg mooi. Prachtig, verstild snarenwerk van de hier nagenoeg alomtegenwoordige Jason Wilber, je wellicht beter bekend al de huisgitarist van John Prine, en al even zalige ondersteunende zang van Jan Lucas tillen die folkballade naar een zeldzaam hoog niveau.

Maar laat ons vooral niet vergeten te focussen op datgene, waar het hier eigenlijk gewoon allemaal om draait, te weten de songs van Grimm zelf. Ook die zijn immers zonder uitzondering weer van uitstekende makelij. Neem nu bijvoorbeeld “Rebecca Versailles”. Dat aan een subtiel banjolijntje van Wilber opgehangen liedje is eigenlijk niets minder dan een in verhaalvorm gegoten stille aanklacht tegen elke vorm van racisme, waar ter wereld ook. Of “Or Bust” ook. Dat op het eerste gezicht behoorlijk opgewekte stampertje ontfermt zich tekstgewijs over het in het verleden lang niet altijd even fraaie lot van boeren in Grimms thuisland. En ook in het melancholische “So It Goes” staat datzelfde landbouwersbestaan nog even centraal. Het hoofdpersonage uit de tekst daarvan, ene Charlie Meyer, een boer op jaren, moet met lede ogen toezien, hoe zijn stiel steeds meer dreigt te verdwijnen. De youngsters willen er niet meer aan. En fabrieken palmen steeds meer landbouwgrond in. En het als een kruising tussen iets van Steve Earle en Bruce Springsteen overkomende “This Hole” stelt iets verderop tegelijkertijd de door de jaren heen op de aan grondstoffen rijke Amerikaanse natuur gepleegde roofbouw en de recente oorlogspolitiek van dat land openlijk in vraag.

Wat luchtigere thema’s komen óók aan bod, zij het dan veel minder. Het samen met Krista Detor gebrachte “Long Way Around” is één zo’n uitzondering, het celebreert immers échte liefde, zo stilaan ook een échte zeldzaamheid…

Nummers als deze en andere maken ook van deze nieuwste van Tim Grimm weer een echt groeibriljantje! Deze man is gewoon één van dé allerbeste storytellers van het moment en het wordt verdorie hoog tijd dat eens wat meer mensen daarvan akte gaan nemen!

Tim Grimm

CoraZong Records

CD Baby

 

RACHAEL DAVIS “Antebellum Queens” (Fox On A Hill / Earthwork)

(3,5****)

Rachael Davis is woonachtig te Bath, Michigan. En de jonge liedjesschrijfster lijkt, afgaande op het materiaal van haar nieuwe CD “Antebellum Queens”, aan die locatie een ideale voedingsbodem te hebben voor haar pennenvruchten. Dat door multi-instrumentalist Eric Merritt bijzonder sfeervol geproduceerde album moet onzes inziens zowel in de categorieën folk als Americana het nodige opzien kunnen baren. Zich geruggensteund wetend door een schare aan uitermate getalenteerde collegae als haar voormalige roommate Jake Armerding, haar vaste gitarist Brett Hartenbach, de van haar werk bij Crooked Still bekende Aoife O’Donovan, fiddler Brittany Haas en enkele leden van Josh Ritters band stijgt Davis daarop vooral op het vocale vlak geregeld boven zichzelf uit. Met een haar nog relatief jonge leeftijd totaal negerende stem zingt ze met enige regelmaat de sterren van de hemel naar beneden. (Think Patty Griffin, Mary Couglan, Rickie Lee Jones, Eddi Reader!) Dat is bijvoorbeeld meteen al het geval in het openingstrio “Sweetwater Sea”, “Atlanta’s Burning” (Geschreven samen met Kreg Viesselman!) en “Mark Of Cain”. Drie staaltjes aan Americana van het allerbeste soort. En wat te denken van het jazzy, quasi gecroonde “While The World Is Sleeping”, een bijzonder fraaie lezing van dat liedje van David Mead, van het met veel gevoel gebrachte “Prayer For Home”, van het Norah en andere Jonessen krols naar de kroon stekende “Please Please Papa” en van de fraaie old-timey cover van “Ain’t Gonna Work Tomorrow” van The Carter Family? Of van het verstild-verhalende “Lela May”, van de weergaloze rootspopsleper “Music Sunday”, van het volop van heerlijk akoestisch gitaarwerk van rechterhand Brett Hartenbach profiterende “Southern Cross”, opnieuw zo’n droom van een Americana-deun, of van wiegeliedje “Moneghan Lullabye”? Je krijgt er gewoonweg maar geen genoeg van, van die fraaie stem… Je zou er voorwaar zelfs even bij uit het oog gaan verliezen, dat Davis ook een uistekende songsmid is… Voor ons alvast een echte openbaring!

Rachael Davis

Fox On A Hill

Earthwork Music

CD Baby

 

THAD COCKRELL “To Be Loved” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

Met “To Be Loved” is de ondertussen van Raleigh, North Carolina naar Nashville verkaste Thad Cockrell inmiddels ook alweer aan zijn vierde CD toe. Volgend op zijn ijzersterke debuutplaat “Stack Of Dreams”, de opvolger daarvan uit 2003 “Warmth & Beauty” en de drie jaar geleden verschenen duettenplaat met Caitlin Cary “Begonias” lijkt dat EP’tje met z’n nauwelijks meer dan twintig minuten speeltijd en amper zes songs voor de sympathieke singer-songwriter in eerste instantie een stapje terug. Maar dat is een mening, die je al na een eerste beluistering ervan snel zal herzien. De zes breekbare schoonheden van liedjes op het door Jason Lehning met de nodige omzichtigheid geproduceerde kleinood zullen je immers keer op keer weer achterlaten met het nodige kippenvel. Met zijn angelieke stem als het geknipte werktuig daartoe zorgt Cockrell hier immers voor een bijzonder geslaagde osmose tussen elementen uit country, Americana, folk en gospel, waarbij de nadruk op geheel natuurlijke wijze meer dan eens vrij nadrukkelijk op dat laatste genre komt te liggen. En in Julie Lee vond hij daartoe dé geknipte zangpartner. In liedjes als het werkelijk huiveringwekkend mooie “O To Be Loved By Jesus” zingt zij haar voorgangster Caitlin Cary met sprekend gemak naar de vergetelheid. Die bijna a capella gebrachte beauty in Gram & Emmylou-stijl  is overigens lang niet het enige prijsnummer hier. Van het voorzichtig aan de wat meer bezadigde momenten van Ryan Adams herinnerende “Pride (Won’t Get Us Where We’re Going)” tot het atmosferisch rootsrockende “Great Rejoicing” of de bezadigde Americana van “A Country Of My Own”, van het van opzet aan een kruising tussen materiaal van Ron Sexsmith en Daniel Lanois refererende “The Master’s Calling” tot het op een schuifelbeat à la Chris Isaak gebrachte “He Set Me Free”, alles is hier eigenlijk gewoon even mooi. En waarom Cockrell “To Be Loved” in tegenstelling tot zijn beide laatste platen weer in eigen beheer diende uit te brengen, is voor ons dan ook één groot raadsel.

Thad Cockrell

Miles Of Music

 

RICHARD MURRAY “Desert Wind” (E-Shark Records)

(4****)

De pas als prille dertiger debuterende Noord-Ierse singer-songwriter Richard Murray heeft met zijn eersteling “Desert Wind” echt een dijk van een visitekaartje afgeleverd. Zowel ’s mans zang, zijn songs als de muzikale invulling daarvan zijn ronduit impressionant te noemen. Eerst en vooral is er die gewoonweg zalige rauw-hees-tedere voordracht van ‘m, die ons al vanaf de eerste minuut een weinig herinnerde aan die van Justin Currie van Del Amitri. Een buitengewoon machtig wapen is dat! En al zeker als ze dan ook nog eens wordt aangevuld met hemelse backing vocals zoals die van Mandie Barnett.

En dan zijn er nog Murrays liedjes! De man blijkt immers niet enkel gezegend met een formidabel stel stembanden, maar heeft bovendien ook nog eens een ongelooflijk gevoel voor melodie en een boeiende tekst in de vingers. Zowel ballades als “Enlighten Me”, “Blueberry Wine” en “Down In This Town” als het bijna zeven minuten durende epos “Burning Silver”, de zomerse, tekstueel met een snuif border romance gekruide Americana van “Forgive Me Sera” en bevlogen countryrockertjes als “I'll Never Learn”, “Valley Of The Unforgiven”, “DT's Roadhouse Shake” of het in al z’n enthousiasme nogal opzichtig met bluegrass stoeiende “Thinking Of Cristina” groeien daardoor in no time uit tot echte blijvertjes, tot songs, waarvoor je maar wat graag wat plaats maakt op de iPod. Songs, die je wil blijven beluisteren!

Kortom “Desert Wind” is een heerlijk gevarieerd geheel en Richard Murray een songsmid, waar we ongetwijfeld nog het één en ander gaan van horen. Had hij een plaat als deze in de States afgeleverd, dan stond hij nu waarschijnlijk al lang te pronken in de AMA Chart en in alle echt terzake doende “boekjes”…

Richard Murray

CD Baby

 

JOHN VESTER “All The Way Out West” (Venetian Records)

(3,5****)

John Vester is een vanuit Venice Beach, Californië actieve singer-songwriter, die met “All The Way Out West” al aan zijn vierde CD toe is. En dan tellen we gemakshalve een live-album, dat hij afleverde samen met de hier al een weinig bekendere Mark Lennon, niet eens mee. Samen met Michael, de broer van die van het in Nederland behoorlijk populaire collectief Venice bekende zielsverwant, produceerde Vester overigens ook deze nieuwe CD weer. Het resultaat van die samenwerking is een naar onze normen soms net iets te braaf overkomende collectie veelal rustige liedjes, waarin zich vooral in de tweede helft regelmatig ook rootsy elementen aandienen. Dat is bijvoorbeeld het geval in het met zo ongeveer de voltallige Lennon-familie ingeblikte titelnummer, waarin mede dankzij de pedal steel van Greg Leisz aan de horizon een stralend countryzonnetje prijkt, en in het een aardig eindje richting blues evoluerende rootspopdeuntje “Beeswax Is My Beeswax”. Andere van die mooie momenten: het zijn titel alle eer aandoende en ook al flink op een bijdrage van Leisz terende “Warm & Tender Lullabye”, het met wat goede wil zelfs als volbloed-Americana te categoriseren “I Wish I Was Back Home In Cincinnati”, de Zuiders getinte ballade “Please Don’t Be So Sad”, de met wat banjo, harmonica en dobro gelardeerde singer-songwriter country van “No Bone To Pick With Jesus”, het naar een Brits folkmodel geconcipieerde “Sometimes Absence Makes The Heart Grow”, het door Leisz van een lekkere shot dobro bediende “The Devil’s Playground”  en het afsluitende, mede door bijdragen van Eric Rigler en Sid Page op respectievelijk uillean pipes en viool, opnieuw flink naar Keltische folk lonkende “I Don’t Want To Say Good-Bye”.

John Vester

 

WILL KIMBROUGH “(EP)” (Daphne Records / Proper)

(4****)

De artiest - Of moeten we zeggen de muzikant? – Will Kimbrough is niet voor één gat te vangen, dat bewijzen zijn bijdragen aan projecten als Bis-Quits, Will & The Bushmen en Daddy en aan platen van onder andere Todd Snider, Adrienne Young en Rodney Crowell uitgebreid. Maar als het van ons zou afhangen, dan zou hij uitsluitend nog albums maken als zijn jongste. Dat de toepasselijke titel “(EP)” dragende kleinood bevat acht grotendeels akoestisch gebrachte eigen liedjes, waarvan hij er twee samen met zijn buddy Todd Snider pende. En zó en niet anders mogen wij Kimbrough het liefst bezig horen: heerlijk relaxt, zich grotendeels concentrerend op de folkzijde van zijn normaliter zo bijzonder eclectisch ingesteld muzikaal ego, bijna alle instrumenten - En al zeker die met snaren! - voor eigen rekening nemend, op de keper beschouwd eigenlijk een weinig vergelijkbaar met het solowerk van Kieran Kane. Enkel David Henry (cello en akoestische bas), Paul Griffith (drums en percussie), Dave Jacques (bas) en Pat Sansone (orgel) mogen daarbij occasioneel welhaast onopvallend voor iets extra’s zorgen. Het levert écht het ene hoogtepunt na het andere op: van het old-timey, van een mooie wisselwerking tussen ’s mans eigen banjo en de cello van David Henry levende “Eden Prairie” tot de hemelse ballade “Interstate”, van het introspectieve “Horseshoe Lake”, één van de twee met Todd Snider geschreven liedjes, tot het - slechts gewapend met wat gitaren en een banjo - volledig solo gebrachte “Yellow Mama”, van het zich in melancholie wentelende “Godsend” tot het zich op een totaal onthaast Cash-ritme aandienende “Half A Man”, van de lieflijke Americana van “Hill Country Girl” tot het afsluitende, wat bitsiger uit de hoek komende “Love Is The Solution”. Veel overtuigender worden ze niet al te vaak gemaakt!

Will Kimbrough

 

TIM MANN “Distant Strangers” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3***)

“Distant Strangers”, de nieuwe CD van de jonge Amerikaanse singer-songwriter Tim Mann, kwam op de keper beschouwd op een allesbehalve orthodoxe manier tot stand. In feite is de plaat het resultaat van drie jaren van hard labeur en ’s mans betrokkenheid bij drie totaal verschillende projecten. Samen met Greg Hawkes (The Cars) en David Rizzuti (Springhill Rounders) richtte Mann in 2003 de groep The Diamond Hearts op, een bandje waarmee hij in en om Cambridge al even van wat locaal succes mocht proeven. In 2004 werd in Rizutti’s eigen studiootje in Arlington dan ook al wat materiaal ingeblikt. Vrijwel tegelijkertijd ging Mann echter ook al solo aan de slag. Thuis en volslagen in z’n eentje ging hij met de akoestische omgegord op zoek naar een wat “naakter” geluid. Kwam daar bovendien ook nog eens bij, dat Hawkes en Mann in diezelfde periode tot Ukulele Noir toetraden, een volledig uit ukelelespelers bestaand collectief uit Boston. En ook dat leidde in het voorjaar van 2006 weer tot wat opnamen van songmateriaal van Mann.

“Distant Strangers”, ‘s mans derde na “The Tim Mann Expedition” uit 1999 en de EP “Hillside Sessions” uit 2002, bevat songs van elk van de drie genoemde projecten. Het resultaat is een soort van bedaard akoestisch rootsrockgeheel, waarin Mann de akoestiche, de elektrische, een banjo en vooral ook tal van ukeleles gebruikt om invloeden als Nick Drake, Pink Floyd, de Byrds, Dylan en Elliott Smith te kanaliseren in iets totaal eigens. Hij krijgt daarbij ondermeer wat ruggensteun van zijn oude gabbers Hawkes en Rizzuti en van bassisten Tom Bianchi en Zack Hickman (Josh Ritter) en drummer Steve Chaggaris.

“Distant Strangers” is an sich een verre van kwade plaat. Ondanks de bij momenten wat zeurderig aandoende zang van Mann luistert ze als geheel aangenaam weg. Wellicht het gevolg van de toch wel wat eigenaardige kruisbestuiving tussen intimistische pop en folk enerzijds en roots anderzijds. Eerlijk is eerlijk: in het begin wisten we niet goed wat ervan te denken. Maar met elke volgende beluistering groeide hier stilaan de waardering voor het werk van Mann.

Tim Mann

CD Baby

 

BUZZ CASON “Hats Off To Hank” (Palo Duro Records)

(3***)

Afgaande op de titel alleen zou een mens al snel geneigd zijn te gaan denken, dat je hier nog eens een waar traditioneel countryfestijn verwachten mag. Maar niet dus! “Hats Off To Hank”, de nieuwe CD van ouwe getrouwe Buzz Cason, is op de keper beschouwd eigenlijk zo’n beetje allesbehalve dat. Enkel het zomerse stampertje “Barbecue”, bestaande uit min of meer gelijke delen country en blues, en het afsluitende titelnummer, een zoveelste eerbetoon aan de wellicht grootste aller countrygroten, vallen wél onder die noemer. Verder is dit eigenlijk gewoon een eerder doordeweekse singer-songwriterplaat. Eéntje van het slag meer bepaald, waarbij je spontaan namen als die van J.J. Cale, James McMurtry, Ray Wylie Hubbard en Bob Dylan voor de geest komen. Buzz Cason mag net als genoemde heren graag een potje (roots)rocken en gaat wat gestoei met blues, folk en Americana al evenmin vlug uit de weg. “Hey Now” is zó bijvoorbeeld een lichtvoetig rockende break-up song, “Ain’t Nobody” een streepje funky blues ‘n’ roll, “Get Out Of Town” Dylanesk aandoende Americana en “Somebody Told Me” een door een bijzonder lekker harmonicaatje bewoond soulvol rockertje. Het allermooiste nummer hier vonden wij echter zondermeer de ballade “Oddly Enough”. Daarin vallen een andermaal met veel gevoel bespeelde mondharmonica, een soulvol zoemend orgel en de aangename lichthese stem van Cason elkaar op werkelijk onnavolgbare wijze in de armen.

Buzz Cason

Palo Duro Records

 

SPANKING CHARLENE “Dismissed With A Kiss” (Slacker Music)

(3,5****)

De loutere vaststelling, dat de ondermeer om zijn werk als rechterhand van Steve Earle bekende Eric “Roscoe” Ambel tekende voor de productie van dit albumdebuut, zegt veel over de kwaliteit van de songs van Charlene McPherson en Mo Goldner. Die vallen grotendeels onder de ruime noemer gitaarrock, al mag zo nu en dan de term roots ook wel even als eerste lid van de samenstelling. Feit is, dat ze vrijwel zonder uitzondering zeer infectueus werken. En dat is allicht in grote mate een gevolg van de ruig-sensuele manier van zingen van McPherson en het bijzonder pittige “garagegitaarwerk” van Goldner en Ambel. Sterkste momenten zijn instant-meezingers als het lekker wild om zich heen schoppende “I Hate Girls” en het als statement ook al bijzonder veelzeggende “Pussy Is Pussy”, de erg fraaie trage “Easy To Be Sad”, het bepaald Stonesy aandoende “Groundhogs Day”, het door Goldner gezongen “When Things Were New” en de soulvolle afsluitende ballad “Behind”. Dat soort van liedjes bombarderen wij hier maar al te graag tot ideaal spul voor onderweg!

Spanking Charlene

 

TOO SLIM & THE TAILDRAGGERS “The Fortune Teller” (Underworld Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Lynyrd Skynyrd, ZZ Top, Little Feat, de Drive-By Truckers, Creedence Clearwater Revival,… De kans is erg groot dat, als je van één of meer van voornoemde acts albums op de plank hebt staan, je ook aan “Fortune Teller”, de nieuwste van Tim “Too Slim” Langford en z’n Taildraggers, het nodige plezier zal beleven. Langford en zijn kornuiten grossieren daarop immers in op lekker vettig gitaarwerk gestoelde verhalen, die hun wortels hebben in genres als Southern rock, swamp en Americana. Enkele van de vele topmomenten op “The Fortune Teller” zijn het gitaargewijs z’n titel hoegenaamd alle eer aandoende “Big Guns”, het met wat steel drums aan een apart exotisch tintje geholpen “Mexico”, zondermeer één van de meest radiogenieke bijdragen hier, en het over een uitermate catchy beat gedrapeerde “Spell On Me”. It’s only rock & roll, but we sure as hell like it!

Too Slim & The Taildraggers

Sonic Rendezvous

 

GUY TORTORA “Living On Credit” (Turtledove Records)

(4****)

Wat ons betreft zondermeer één van de best bewaarde bluesgeheimen van de jongste jaren, deze in Londen residerende Amerikaan met roots in Pasadena. Tortora is niet enkel een echte grootmeester op zowel de elektrische als de akoestische, hij beschikt bovendien ook nog eens over een bijzonder aangename en uitermate soepele vertelstem en schrijft songs, die met een aan het onwaarschijnlijke grenzend gemak een brug slaan tussen diverse decennia aan bluesgeschiedenis. Zeven stuks staan er daarvan in totaal op ’s mans jongste worp “Living On Credit”, aangevuld met puike covers van “Nobody’s Fault But Mine” van Blind Willie Johnson, “Super Blue” van J.J. Cale, “People Get Ready” van Curtis Mayfield, “Don’t Do It” van Rick Estrin en “Share Croppers” van Kreg Viesselman. Samen goed voor een echte zaligheid van een blues-luisterplaat, die Tortora ongetwijfeld weer een hele resem aan geschreven lofbetuigingen en nieuwe fans zal gaan opleveren. Aanbevolen vooral als je houdt van: Ry Cooder, Alvin Youngblood Hart, J.J. Cale, Mason Ruffner en Sonny Landreth. Onze luistertips: het door Giles King van een lekker vette streep harmonica bediende en grotendeels uit deltaklei opgetrokken titelnummer, het met dreigende stem gebrachte “Cotton Was King” en het overheerlijke tweetal “Falling” en “Share Croppers”, dat aan ons alvast terstond de bedenking ontlokte, dat Tortora hoogdringend eens moet gaan overwegen om ook eens met een Americana-plaat uit te pakken. Zalig gewoon!

Guy Tortora

Amazon UK

 

HEY NEGRITA “You Can Kick” (Fat Fox Records)

(3,5****)

“You Can Kick” is de nieuwe CD van het vijf man sterke Britse rootsrockgezelschap rond de in de States, in Florida meer bepaald, geschoolde singer-songwriter Felix Bechtolsheimer Hey Negrita. En da’s een plaat geworden met nogal wat uitstekende momenten erop. We denken dan bijvorbeeld aan songs als de bluesy sleper “Here I Come”, aan het Americana aan op een Britse leest geschoeide rock genre de Stones koppelende “Cold”, aan de broeierige country rock van eerste single “Rope” of aan “Lay Me Down”, dat staat voor een uitermate geslaagd huwelijk tussen country outlaw style en blues. Maar dé klappers hier zijn naar onze bescheiden mening toch “Go Again” en “Lies”, twee bijzonder aanstekelijke lappen country, die vrijwel ogenblikkelijk uitnodigen tot meezingen en energiek “toetappen”. Al bij al gewoon een erg sympathieke schijf van een groep die absoluut niet Europees klinkt.

Hey Negrita

 

I SEE HAWKS IN L.A. “Hallowed Ground” (Big Book Records)

(4****)

Die van I See Hawks In L.A. staan voor zo ongeveer alles, waardoor wij ooit van country rock zijn gaan houden. En dat lijkt in de eerste plaats vooral de verdienste van Rob Waller en Paul Lacques. Die twee, respectievelijk de zanger en de gitarist van de groep, schrijven immers ronduit heerlijk te noemen songs. Liedjes, die je met de nodige weemoed doen terugdenken aan de hoogdagen van het genre, zonder evenwel te verzanden in pure retro. Zo staan er op “Hallowed Ground”, de vierde CD van “de Hawks” ondertussen toch ook alweer, nogal wat liedjes, waarin de vier zich als “eigentijds groen” profileren. We hebben het dan bijvoorbeeld over dingen als “Environmental Children Of The Future”, “In The Garden” en “Ever Since The Grid Went Down”. Een ander essentieel aspect van de doorgaans behoorlijk intelligent aandoende teksten van Waller en Lacques is het (zwarte) humorgehalte ervan. Al mag je het belang daarvan ook weer niet overschatten, zo lijkt ons, want “de Hawks” zijn in de eerste plaats gewoon vier klasbakken van muzikanten, die vooral door hun muzikale expertise en hun veelzijdigheid alsmaar meer liefhebbers van het countryrockgenre aan zich weten te binden. Op “Hallowed Ground” leidt dat tot een heerlijk gevarieerd parcours, bezaaid met tal van stilistische uitdagingen, die geen van alle geschuwd worden. “Good And Foolish Times” heeft zo bijvoorbeeld iets met Tex-Mex en cajun tegelijk, “The Salty Sea” is zoveel meer dan alleen maar een knipoog naar de rijke Keltische folktraditie, “Never Alive” neigt naar bluegrass en traditionele country, “Ever Since The Grid Went Down” profiteert volop van stevig rockende gitaren en “Open Door” koppelt country(rock) aan een vleugje exotisme. Maar dé hoofdmoot blijft uiteraard de country rock pur sang, waarin zalig driestemmig harmonieerwerk, een zeemzoete pedal steel en fiddles graag geziene gasten zijn.

I See Hawks In L.A.

Sonic Rendezvous

 

STEVE MEDNICK “Time For A Change…” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3***)

Wij houden er wel van, van die mini-CD’s! Met een vijftal songs roepen ze bij ons herinneringen op aan die goeie ouwe tijd van weleer, toen er aan elke plak langspeelvinyl onherroepelijk altijd wel één kant zat, die je meer vermocht aan te spreken dan de andere. En ook bij onafhankelijk opererende artiesten lijkt het fenomeen albumette weer helemaal in. Het kost natuurlijk een pak minder om er één te fabriceren dan een volwaardige CD en heeft als niet te onderschatten bijkomend voordeel, dat je toch steeds iets bij de hand hebt om tevreden bezoekers van je optredens mee naar huis te sturen na een geslaagde vertoning. Iets wat Steve Mednick wel eens vaker zal overkomen, als je ’t ons vraagt. Met zijn geslaagde melange van heartland rock en op een Bragg/Dylan-leest geschoeide folk(pop) slaat hij immers vrijwel voortdurend spijkers met koppen. En als dusdanig is “Time For A Change…” zo ongeveer de ideale binnenkomer voor wie nog niet vertrouwd is met ’s mans werk. Twee van de vijf liedjes daarop, met name de gevoelige pianoballade “The Road Home” en het mede door knap harmonicawerk zwaar aan Dylan herinnerende “5761”, zullen trouwens ook op “Sunset At The North Pole”, de binnenkort te verschijnen nieuwe full length van Mednick te bewonderen vallen. Twee van de andere drie, het poppy “The Crossing” en een verdere pianoballade, “Oh, The Plain Truth Is Within Our Reach”, vind je bij ons weten alleen hier terug. Het lekkere rockertje “Time For A Change” stond ook al op “Ambling Toward The Unknown”, Mednicks vorig jaar verschenen derde CD.

Steve Mednick

CD Baby

 

VARIOUS “Ribbon Of Highway, Endless Skyway – The Woody Guthrie Tribute Tour” (Music Road Records)

(4****)

“Ribbon Of Highway, Endless Skyway – The Woody Guthrie Tour” is een twee CD’s in beslag nemende samenvatting van het gelijknamige project, waarmee artiesten als Jimmy LaFave, Joel Rafael, Slaid Cleaves, Eliza Gilkyson, Kevin Welch, Michael Fracasso, Sarah Lee Guthrie, Johnny Irion, Pete Seeger, Fred Hellerman en Ellis Paul de muziek en het gedachtengoed van wijlen folklegende Woody Guthrie nieuw leven wilden inblazen. Het geheel is, aldus de betrokkenen, bedoeld als introductie tot of “refresher course into the timeless words and music of Woody Guthrie”. Het betreft hier opnamen gemaakt tijdens het Newport Folk Festival en het MerleFest, in The Guthrie Center, het Westport Arts Center (Green Hill Farm), The Freight And Salvage en Outpost In The Burbs. De ondertussen overleden Bob Childers praat met verhalen het geheel vakkundig aan elkaar en alle betrokkenen storten zich beurtelings solo en in groepsverband vol overgave op bekend en minder bekend liedgoed van hun held. Jimmy LaFave brengt zo “Down In Oklahoma Hills” en “Deportee”, Joel Rafael zet zijn tanden in “Way Over Yonder In The Minor Key”, Slaid Cleaves doet “Pretty Boy Floyd”, “Stepstone” en “This Morning I Was Born Again”, Eliza Gilkyson waagt zich aan “Pastures Of Plenty”, “I Ain’t Got No Home” en “Peace Call”, Kevin Welch brengt “Vigilante Man”, Michael Fracasso “1913 Massacre” en Ellis Paul “God’s Promise”. Sarah Lee Guthrie & Johnny Irion zijn tweemaal vertegenwoordigd met respectievelijk “Be No Church Tonight” en “Hangknot”, special guest Pete Seeger doet het met een “Childrens Medley” en met z’n allen stoeit men ook nog eens met “This Train Is Bound For Glory”, “Do Re Mi”, “Lonesome Valley”, “This Land Is Your Land”, “Going Down The Road”, “Ramblin’ Round” en “Goodnight Irene”. Het resultaat is een totaalpakket om u tegen te zeggen. Extreme spelvreugde en diep respect voor het gebrachte materiaal gaan hier voortdurend hand in hand en dat hoor je. Een veel mooier eerbetoon had Guthrie wat ons betreft amper kunnen krijgen. Bijzonder warm aanbevolen derhalve ook!

Ribbon Of Highway

Music Road Records

Lone Star Music

 

CHRISTENE LEDOUX “Dust ‘n’ Branches… Songs From A Wanderer” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

Wat een beauty van een plaat! Hier kan wat ons betreft geen enkele liefhebber van welbespraakte, zoetgevooisde dames als een Nanci Griffith, een Shawn Colvin of een Eliza Gilkyson nog omheen! Was haar vorige, “Little Lighthouse”, al een erg mooi album, dit is toch nog van een geheel andere orde! En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat dan zal “Dust ‘n’ Branches… Songs From A Wanderer” de geschiedenis ingaan als de plaat waarmee Christene LeDoux haar definitieve doorbraak bezegelde. Gewoon alles klopt hier immers! De gerenommeerde Mark Hallman produceerde, Tom Russell tekende voor het schilderij op de cover, onder anderen Eliza Gilkyson en Karen Mal zorgden voor wat ronduit hemelse vocale bijstand en Hallman (ondermeer percussie, gitaar, toetsen, accordeon, lap steel en harmonica), Mal (mandoline), Elena James (fiddle) en Robert McEntee (dobro) kleurden het geheel werkelijk vlekkeloos muzikaal in. En LeDoux zelf dan? Die droeg tien prachtige nieuwe liedjes, voornamelijk gewijd aan een leven in beweging, en een heerlijke cover van Kris Delmhorsts “Honey’d Out” aan. Noem het Americana, folk, dan wel country, feit is, dat deze LeDoux een bijzonder begenadigde schrijfster en een wellicht nog betere zangeres is. Haar poëtische ontboezemingen worden mede daardoor uitermate toegankelijk en nodigen uit tot herhaaldelijk beluisteren. Wie haalt dit veelbelovende nachtegaaltje snel eens naar ons land?

Christene LeDoux

CD Baby

 

MARYBETH D’AMICO “Heaven, Hell, Sin & Redemption” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

Haar in 2006 verschenen debuut, de door Markus Rill geproduceerde EP “Waiting To Fly”, had het eigenlijk al een beetje aangekondigd, maar toch! Wij bleven een beetje beduusd achter na onze eerste beluistering van dit schijfje! Het materiaal waarmee de in Duitsland woonachtige Amerikaanse Marybeth D’Amico op haar eerste volwaardige langspeler “Heaven, Hell, Sin & Redemption” uitpakt is immers zó goed, dat je onmiddellijk grote namen als die van een Lucinda Williams, een Patty Griffin of een Tift Merritt door het hoofd gaan flitsen. In een productie van Bradley Kopp en met verder ook de hulp van Paul Pearcy, David Webb, Richard Bowden en Lloyd Maines schudt ze hier tien songs uit de mouw, waarover in Americana-middens nog lang zal worden nagepraat! Ergens op de breuklijn tussen Americana, folk, country en pop pakt ze je genadeloos in met tien eigen liedjes, waarin ze zichzelf profileert als een uitermate getalenteerde verhalenvertelster. Vaak aan de eerder sombere kant, veelal in hoge mate melancholisch, maar te allen tijde erg melodieus, zo laten de tien hier geboden kleinoden zich allicht nog het best omschrijven. Beluister ze één enkele keer en je bent gegarandeerd verkocht! Gaan we in de toekomst ongetwijfeld nog heel veel van horen, van deze D’Amico!

Marybeth D’Amico

CD Baby

 

JOEL RAFAEL “Thirteen Stories High” (Inside Recordings)

(3,5****)

Altijd al een flinke boon voor gehad, voor deze Amerikaanse singer-songwriter, en met “Thirteen Stories High” maakt hij een zoveelste keer duidelijk waarom. Met zijn warme lichthese, een weinig aan de jonge John Prine herinnerende stem als zijn voornaamste bondgenoot presenteert Joel Rafael op die nieuwe van ‘m elf verse eigen liedjes en covers van Steve Earles “Rich Man’s War” en Jack Hardy’s “I Ought To Know”. En daarin durft hij nogal eens behoorlijk scherp uit de hoek te komen. Zo roept hij bijvoorbeeld in openingsnummer “This Is My Country” – Met gastbijdragen van onder anderen David Crosby en Graham Nash! - zijn landgenoten in niet mis te verstane bewoordingen op om hun land terug op te eisen. Dat liedje is eigenlijk gewoon niks minder dan een publieke oorlogsverklaring aan de hypocriete bewindslui van de Verenigde Staten, die wat Rafael betreft de voorbije jaren in hun doen en laten véél en véél te ver zijn gegaan. Wat meteen ook de keuze van de hoger genoemde covers lijkt te verklaren.

Al bij al is “Thirteen Stories High” het soort van plaat waarmee Rafael vooral in kringen van “gevorderde luisteraars” hoge ogen zal gooien. Hij heeft immers zoveel meer te bieden dan de doorsnee-singer-songwriter. Zijn liedjes beluister je niet alleen, je leest ze ook. Het zijn intelligente, vrijwel steeds weer tot reflectie uitnodigende pareltjes, die garant staan voor vele uren geheid luister- en peinsplezier. En wij durven “Thirteen Stories High” dan ook met een gerust geweten aan te bevelen aan de fans van geestverwante troubadours als een John Prine, een Jeff Talmadge en een Greg Trooper.

Joel Rafael

Inside Recordings

 

THE ROSELINE “Lust For Luster” (In eigen beheer uitgebracht! / Shut Eye)

(4****)

Je hoort het tegenwoordig steeds vaker: beginnende Amerikaanse roots acts komen in eigen land amper aan de bak, maar weten in Europa wél vrijwel onmiddellijk een welwillend oor te vinden. Zo ook The Roseline. Die veelbelovende nieuwe groep rond singer-songwriter Colin Halliburton zag tot haar eigen grote verbazing ruim meer dan de helft van de online verkochte exemplaren van haar debuut verscheept worden naar “verre bestemmingen”. Wellicht als antwoord op de vele uitermate lovende besprekingen die “A Wall Behind It” hier te beurt vielen.

En nu is er dus de opvolger van die schijf. En die is, om een lang verhaal kort te maken, nog stukken beter dan haar voorganger. “Lust For Luster” is binnen de immer vager wordende grenzen van het genre zondermeer van de interessantere alt. country die wij hier dit jaar al onder handen kregen. En dat is wellicht in niet geringe mate de verdienste van frontman Halliburton. Met zijn veelal introspectieve zielsroerselen en zijn klagerige manier van zingen tekent hij gelijk voor twee van de voornaamste troeven van The Roseline. Al mogen we zeker ook niet de bijzonder gloedvolle bijdragen op de pedal steel van Jeff Jackson en het al even knappe toetsenwerk van Ehren Starks vergeten. Zij dragen immers in grote mate bij tot een geluid dat als je ’t ons vraagt veel goede vrienden moet kunnen maken in kringen van liefhebbers van acts als Bright Eyes, Iron + Wine, Whiskeytown en Josh Ritter. Misselijk makend mooi is het allemaal. Je blijft na het beluisteren ervan achter met dat maar moeilijk onder woorden te brengen warme gevoel in de onderbuik. En dat is bedoeld als een serieus compliment…

The Roseline

Shut Eye Records

CD Baby

 

ELEVEN HUNDRED SPRINGS “Country Jam” (Palo Duro Records)

(4****)

Net als op hun laatste CD “Bandwagon” slagen de vijf van Eleven Hundred Springs er ook nu weer in om het nagenoeg perfecte huwelijk tussen traditionele country en een eigentijdse sound te voltrekken. En dat levert ook ditmaal weer een flink aantal echte oorwurmen op. Openingsnummer “Texas Afternoon” is er al meteen zo één. Met name door zijn sprankelende accordeonbijdrage groeide dat bedaarde countryrockertje in no time uit tot een zomers favorietje op onze iPod. Vervolgens is er “Everytime I Get Close To You”. Dat is een soort van Texaanse pubrocker, waarin een hart klopt zo groot als de Lone Star State zelve. In de met een lekkere pedal steel gegarneerde ballade “Nobody Told You About The Love” wordt aansluitend flink gas teruggenomen, om meteen in het kielzog daarvan met “Whose Heart Are You Breaking Tonight” wijlen Buck Owens ongegeneerd swingend naar de kroon te steken, in “I Never Crossed Your Mind” Waylon Jennings te evoceren, in “Don’t Stop The Music” George Jones een flinke beurt te geven en in Ronnie Dawsons “V-8 Ford Boogie” flink met de hillbilly-kont schuddend de klok zo’n vijftig jaar terug te draaien. Blijven nog over de mooie trage “I’ll Be Here For You”, een duet met huisfavoriete Heather Myles, “Fallin’ Off The Wagon”, een ondermeer door de twangende elektrische van Matt Hillyer en de fiddle van Jordan W. Hendrix aangejaagde honky-tonkdansvloervuller, “Ten To Life”, een nerveus stotterende knipoog naar het oeuvre van de jonge Cash, “You Can’t Hide From Your Heart”, één van de meer eigentijds aandoende countrydeunen hier, en “Rocket 88”, een bijzonder swingende benadering van die door Jackie Brenston gepende boogie. Een typisch geval van “All killer, no filler!”, menen wij na zoveel moois.

Eleven Hundred Springs

Palo Duro Records

 

ELIZA GILKYSON “Beautiful World” (Red House Records / Music & Words)

(4****)

Goede wijn behoeft helemaal geen krans en eigenlijk zou het jullie dus ook gewoon worst moeten wezen of wij hier de nieuwe CD van Eliza Gilkyson nu onder de lovende woorden bedelven of niet. Maar dat doen we – Eigenzinnig als we zijn! – lekker toch, al was het maar om even aan te geven, dat Gilkysons eerste nieuwe studioplaat sinds “Paradise Hotel” uit 2005 één van haar meest gevarieerde ooit is geworden. Openingsnummer “Emerald Street” is zo bijvoorbeeld een zomerse flirt met pop en soul, “Wildewood Spring” verstilde, vrijwel ogenblikkelijk naar de keel grijpende folk, “The Party’s Over” een voorzichtige knipoog richting countryrock, “Great Correction” gewoon standaard-Gilkyson en “Dream Lover” een enigszins apart uptempo rootsy liefdesliedje. “Runaway Train” profiteert dan weer ten volle van een soort van swampy ondertoon en titelnummer “Beautiful World” zoekt z’n heil in een wollig, bijna Lanois-esk klanktapijt. Kortom voor elk wat wils op deze nieuwe Gilkyson, geproduceerd door Mark Hallman en ingeblikt met de hulp van ondermeer diezelfde Hallman, Cisco Ryder, Mike Hardwick, Glenn Fukunaga, haar broer Tony Gilkyson, Julie Wolf, Robert McEntee, John Inmon, Cindy Cashdollar, David Grissom, Robbie Gjersoe, Elana James, Rich Brotherton en John Mills.

Eliza Gilkyson

Red House Records

Music & Words

 

THE BELIEVERS “Lucky You” (CoraZong Records)

(3,5****)

Craig Aspen en Cyd Frazzini ontmoetten elkaar voor het eerst zo’n zeven jaar geleden in een bar in Seattle. Wat volgde is de meesten onder jullie wellicht bekend. Ondanks een gemeenschappelijke voorliefde voor metal en punk maakten de twee als The Believers twee in Americana-middens bijzonder warm onthaalde rootsplaten. In 2001 debuteerden ze al ongemeen sterk met “Row”, maar dé grote doorbraak kwam er pas echt met het vier jaar later verschenen “Crashyertown”, dat het niet enkel goed deed in hun thuisland, maar ook doorstootte tot de nummer 1-stek in de Euro Americana Chart. En dat legde de twee alvast geen windeieren, want sedertien heb ze zowat non-stop getoerd doorheen zowel de States als Europa. In zoverre zelfs, dat het materiaal voor hun derde er moest komen in de spaarzame uren aan vrije tijd die het duo restten. Maar vrees vooral niet, de kwaliteit van het hier gebodene heeft daaronder allerminst geleden. De magie bleef volop intact, al is het wél zo, dat Aspen en Frazzini ditmaal de klemtoon wat meer op pop- en rockelementen durven te leggen. Het samen met Steve Adamek geproduceerde en door Steve Earle’s Twang Trust-partner Ray Kennedy gemasterde “Lucky You” klinkt daardoor ongemeen sexy en moet in staat worden geacht een brug te slaan naar jongere generaties muziekliefhebbers, die doorgaans de neus ophalen voor rootsgeoriënteerde muziek. “Imagine Gram and Emmylou having The White Stripes over for dinner,” tracht de bio-verantwoordelijke van dienst te verduidelijken en overschot van gelijk heeft hij met die vergelijking. Zonder hun roots daartoe hoeven te verloochenen slagen Aspen en Frazzini er hier immers in ongemeen scherp uit de hoek te komen. Iets waar de inbreng van enkele in hun rug opererende leden van Band Of Horses allicht niet helemaal vreemd aan zal zijn.

Het is hier volop genieten geblazen van lekker snedige songs als het gitaarzwangere, door Frazzini gedreven als de jonge Maria McKee in haar Lone Justice-glorieperiode gezongen titelnummer, het nadrukkelijk uit hetzelfde vaatje tappende “You’ve Got Another Thing Comin’” en de heerlijke, van z’n zalige samenzang levende, radiovriendelijke rootsrocker “I’m Only Dreaming”. Als tegengewicht voor al dat jeugdige geweld fungeren dingen als het nog volop naar bluegrass en gospel geurende “Higher Ground”, de werkelijk impeccabele, bij momenten enigszins zweverig aandoende roots pop van “Mother Nature”, de Americana pur van “Your Hurting Ways” of de semi-ballade “Read It & Weep”.

Naar goede CoraZong-gewoonte heeft de Europese versie van “Lucky You” overigens ook weer wat extra’s te bieden. In dit geval zijn dat twee bonus tracks: “Railroadspikes & Shotgunshells”, een pracht van een ingetogen countryrocker waarin Aspen zich even flink mag uitleven, en “Long Way To Heaven”, een door rinkelende gitaren en een zoemend orgel aangezwengelde schuifelaar, waarin Frazzini zanggewijs andermaal de allerbeste Maria McKee oproept. Wat ons betreft eigenlijk gewoon twee van de allermooiste songs op een zo al allesbehalve verkeerde plaat.

The Believers

CoraZong Records

 

THE WILDERS “Someone’s Got To Pay” (Free Dirt Records / Music & Words)

(3,5 ****)

The Wilders zijn tot ver buiten de grenzen van hun thuisland graag geziene gasten op podia en festivals. En dat hoeft eigenlijk absoluut niet te verbazen. Het vierkoppige collectief weet immers als geen ander de essentie van traditionele Amerikaanse rurale muziek te vatten en te vertalen naar het hier en nu, iets wat steevast resulteert in een feest voor oren, ogen en benen. Traditionele country, old-time stringband music en Americana vormen het werkterrein van Ike Sheldon (zang, akoestische gitaar en piano), Betse Ellis (zang en fiddle), Nate Gawron (elektrische en akoestische bassen) en Phil Wade (dobro, banjo, lap steel, mandoline, bottleneck, akoestische gitaar en harmonieën). Doorheen die veel omvattende muzikale zeef filteren ze ditmaal een levensecht moordproces en tal van andere small town stories. Het resultaat is akoestische rootsmuziek van het allerbeste soort, nog energieker dan dat voorheen al het geval was. (Al dient wel te worden gezegd, dat ook de broodnodige rustpuntjes weer niet ontbreken…) Voor de productie ervan tekenden de vier zelf samen met de gerenommeerde en dezer dagen alomtegenwoordige Dirk Powell en Brendan Moreland.

The Wilders

Free Dirt Records

Music & Words

 

DREW EMMITT “Long Road” (Compass Records)

(3,5****)

Drew Emmitt geldt in bluegrass-kennerskringen als één van de allerbeste en bovenal ook één van de meest vernieuwende mandolinespelers van het ogenblik. Maar op “Long Road”, zijn nieuwe CD, bewijst hij veel meer in zijn mars te hebben dan wat kunstjes op die mandoline alleen. Niet enkel toont hij zich daarop ook een meester op tal van andere snaarinstrumenten, hij manifesteert zich terloops ook als een prima zanger en een dito songwriter. Met zeven originelen, waaronder geschreven samenwerkingen met John Cowan (“Long Road”) en Jim Lauderdale (“I’m Alive”), aangevuld met sprankelende covers van Supertramps “Take The Long Way Home”, “Take The Highway” van de Marshall Tucker Band en Van Morrisons “Gypsy In My Soul”, doet hij andermaal een geslaagde gooi naar de harten van liefhebbers van newgrass en Americana. Een helpende hand wordt hem daarbij aangereikt door speciale gasten Billy Nershi van The String Cheese Band, Andy Hall van The Infamous Stringdusters, Ronnie McCoury, Stuart Duncan, Tim O’Brien, Alison Brown, Darrell Scott, John Cowan en Reese Wynans. Schoon gezelschap voorwaar en dat laat zich horen ook. Zo werden wij bijvoorbeeld bijzonder gecharmeerd door het op een alleraardigst reggaeritme voorbijtrekkende “Beat Of The World”, de al genoemde en ook al van O’Brien-harmonieën voorziene Supertramp-cover “Take The Long Way Home”, de wervelende instrumental “Cloud City”, het lekker cajunrockende “Get ‘Er Rollin’” (Dé absolute stand-out hier!), een zomers lome jazzy lezing van “Gypsy In My Soul" en de fraaie Americana van het door Alison Brown van een attractieve shot banjo bediende “I’m Alive”. Très sympa allemaal!

Drew Emmitt

Compass Records

 

STEVEN ALVARADO “Let It Go” (Mott St Records)

(3,5****)

Erg sympathieke schijf van de zo’n jaar of zeven geleden in NYC neergestreken singer-songwriter, wiens stembanden het midden lijken te willen houden tussen die van Tom Waits, die van Jon Dee Graham en die van Ben Weaver. Knapen met wie hij verder overigens maar tot op zekere hoogte vergeleken kan worden. Steven Alvarado experimenteert immers minder graag dan Tom Waits, is véél minder Americana dan Jon Dee Graham en mist ook het excentrieke karakter van Ben Weaver. Waarvoor hij dan wél staat? Voor een vakman in hart en nieren, die zich voor zijn indie folk en akoestische pop steeds weer weet te omringen met de beste begeleiders. Zo wist hij zich voor zijn “album about heartbreak” te verzekeren van de goede diensten van drummer Kenny Wollesen, bassist Joe Quigley, pianist Rob Burger, percussionist John-David Hahns en van die van de ondermeer uit de entourage van Tom Waits bekende supergitarist Marc Ribot. En dat resulteerde in een bijzonder warm aandoend geheel, waarop zijn eigen fantastische stem en zijn ook al bijzonder fijne liedjes voortdurend uitstekend tot hun recht komen. Vooral wat tragere songs als “Nobody Knows”, “Reasons” en “Blue” zijn wat ons betreft echte blijvertjes. Maar ook wat meer uptempo spul als het aantrekkelijk rammelende tweetal “Burning Bridges” en “Gone, Gone, Gone”, het loom rockende “Get This Far” of het nadrukkelijk naar de nodige airplay lonkende “It’s For You” mogen er absoluut wezen. Dat soort van deuntjes vormt als het ware een open invitatie om er zo snel mogelijk ook Alvarado’s eerdere platen “Mercy” (1991), “Bleed” (1997), “The Howl Sessions” (2005) en “Howling Live In New York” (2006) eens op na te slaan, al zijn enkele daarvan ondertussen spijtig genoeg dan ook enkel nog als download verkrijgbaar.

Steven Alvarado

CD Baby

 

MARTHA’S TROUBLE “EP” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3***)

Wie zo nu en dan nog wel eens met weemoed terugdenkt aan de hoogdagen van de door Natalie Merchant bij momenten naar zeldzame hoogten getilde 10,000 Maniacs zal zijn plezier wellicht niet op kunnen met deze comebackplaat van Martha’s Trouble. Dat met uitzondering van zangeres Jen Slocumb en gitarist Rob Slocumb sedert z’n laatste album “Forget October” uit 2005 volledig nieuw ingevulde Amerikaanse kwintet opereert immers nadrukkelijk in dezelfde muzikale wateren. Naast de twee Slocumbs bestaat de groep vandaag de dag uit bassist Paul Dow, gitarist Jacob Blount en drummer David Ytterberg. En met z’n vijven tekenen ze op het toepasselijk getitelde “EP”, het achtste album toch ook al van de groep, andermaal voor een stel bijzonder prettig in het gehoor liggende pop- en rockdeuntjes, die net als die van 10,000 Maniacs indertijd regelmatig flirten met folk en roots. Bijzonder radiovriendelijk spul is het, dat met name aan de wat aparte, slepende stem van Jen Slocumb een zekere meerwaarde ontleent, wat eigenlijk andermaal uitnodigt tot een vergelijking met het werk van La Merchant en co. Luistertips par excellence zijn wat ons betreft het door special guest Lloyd Maines van een streepje pedal steel voorziene en voorzichtig met country flirtende “100 Miles To Charleston” en het met een dijk van een melodie gezegende, bedaard rockende “Red Door”, dé geknipte singlekandidaat, zo lijkt het.

(Wie het allemaal maar wat minnetjes vindt, zal allicht graag horen, dat het aanschaffen van dit schijfje vier gratis downloads oplevert, waardoor “EP” onverwachterwijze toch nog uitgroeit tot een volwaardige langspeler.)

Martha’s Trouble

CD Baby

 

Home