CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

WADE LASHLEY “Someone Take The Wheel” - MICHAEL WESTON KING “I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier” - ELEVEN HUNDRED SPRINGS “This Crazy Life” - JOHN CARRILLO “Von Karma” - DAFNI “Sweet Time” - THE ADVENTURE SPIRIT “Grand Standard” - ALLAN FRANK “The Road So Far” - GORDIE TENTREES “Mercy Or Sin” - AMELIA CURRAN “Hunter Hunter” - BRUCE BRITTAIN “More To Love” - JUSTIN RUTLEDGE “The Early Widows” - THE GOOD INTENTIONS “The Amsterdam Recordings” - VARIOUS ARTISTS “I Like It Better Here – Music From Home” - THE JOHN WESLEY STONE “Doggone” - DUSTY 45’S “Fortunate Man” - NANCY MCCALLION “Take A Picture Of Me” - MARC COHN “Listening Booth: 1970” - BILL KIRCHEN “Word To The Wise” - LOUDON WAINWRIGHT III “10 Songs For The New Depression” - LOS LOBOS “Tin Can Trust” - DANIELLE DOYLE “The Cartographer’s Wife” - GUY PENROD “Breathe Deep” - CARRIE RODRIGUEZ “Love And Circumstances” - GRAYSON HUGH “An American Record” - C.W. STONEKING “Jungle Blues” - DAVE GLEASON “Turn And Fade” - KELLY DALTON “Everything Must Go” - PAUL THORN “Pimps And Preachers” - TERRI HENDRIX “Cry Till You Laugh” - CINDY BULLENS “Howling Trains And Barking Dogs” - PEGGY WHITE “Falling” - EILEN JEWELL PRESENTS BUTCHER HOLLER “A Tribute To Loretta Lynn” - RED HORSE “Red Horse” - ANNA COOGAN “The Nocturnal Among Us” - TONY MCLOUGHLIN “Ride The Wind” - SHERRY AUSTIN “Love Still Remains”

 

WADE LASHLEY “Someone Take The Wheel” (Wade Lashley)

(3,5****)

Nog dit najaar zou er een nieuwe cd moeten verschijnen van de vanuit Flagstaff, Arizona actieve Amerikaanse singer-songwriter Wade Lashley. En dus oordeelde die de tijd rijp voor het inzetten van een soort van charmeoffensief gericht op alle bij de Euro Americana Chart betrokkenen. Door nog eens even de aandacht te vestigen op zijn vorige plaat “Someone Takes The Wheel” zou het immers een stuk gemakkelijker moeten worden om die nieuwe van ‘m aan de man te brengen. En dat was wat ons betreft een uitermate slimme zet. Op die manier zal immers niet enkel zijn op stapel staande derde album gegarandeerd de nodige aandacht krijgen, maar ook zijn uitstekende tweede plaat. Want dat is dat “Someone Take The Wheel” dus echt wel, he, een uitstekende plaat. Een plaat, waarop folk, country en Southern rock op fascinerende wijze samengaan. Wat daardoor ontstaat is een soort van rootsrockhybride, waarbij je beurtelings namen als John Hiatt, Warren Zevon, Joe Ely en Waylon Jennings voor de geest komen. Met zijn eigen fraaie baritonstem, de van Gravy geleende toetsenist Steve Caldwell en lokale gitaarvirtuoos Brad Bays als zijn voornaamste bondgenoten serveert Lashley tien eigen songs rond uit vrijwel uitsluitend uit het leven van alledag gegrepen thema’s. En daar zitten nogal wat échte blijvertjes tussen. We denken dan bijvoorbeeld aan het titelnummer, een ondermeer op lekker toetsenwerk van Caldwell leunende streep lome Zuiderse rock, waarin schier eindeloze highways je een uitweg voor elke vorm van sleur lijken te willen aanreiken, aan “Coffee, Tea Or Whiskey” ook, waarin banjogestuurde country de achtergrond vormt waartegen een geliefde na een lange afwezigheid met open armen weer thuis wordt verwelkomd, en aan het daar louter muzikaal gezien enigszins mee verwante “River Song”, iets waar met name Ely-fans zich zeker geen buil aan zullen vallen. Het zijn maar drie voorbeelden om mee aan te tonen, dat deze Wade Lashley je aandacht echt wel verdient. Wij zullen hier alvast met hangende pootjes zitten uit te kijken naar ’s mans derde. Benieuwd, of die al het goede dat we hier al over hem wisten te melden ook effectief zal kunnen bevestigen.

Wade Lashley

CD Baby

 

MICHAEL WESTON KING “I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier” (Valve / Sonic Rendezvous)

(4****)

“I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier” is naar onze bescheiden mening Michael Weston Kings beste plaat in tijden. Misschien zelfs wel zijn allerbeste überhaupt. Het voormalige kopstuk van de Good Sons is op dat nieuwe album uitsluitend in de weer met protestliederen. Een aantal daarvan (“In Time”, “Hey Ma, I’m Coming Home” en “In Spain The Dogs Are Too Tired To Bite You”) schreef hij zelf, voor de rest ging hij ondermeer in de leen bij knapen als een Bob Dylan, een Phil Ochs en een Jim Ford. Toch vormt “I Didn’t Raise My Boy To Be A Soldier” op de keper beschouwd een erg homogene collectie songs. Verbazingwekkend eigenlijk, zeker als je weet, dat Weston King te allen tijde tracht te zorgen voor de nodige variatie. Zo brengt hij Dylans “Simple Song Of Freedom” en zijn eigen “In Spain The Dogs Are Too Tired To Bite You” bijvoorbeeld volledig in zijn eentje, duldt hij voor zijn versie van Jim Fords “Sounds Of Our Time” en voor “Hey Ma, I’m Coming Home” collega singer-songwriter Jeb Loy Nichols naast zich en doet hij voor de andere liedjes een beroep op een band met wisselende bezetting bestaande uit Paul Hesketh (gitaren, bas), Rob Bon Homme (drums, snare drum), Alan Cook (pedal steel, mandoline), Sian Williams (piano), Mike Cosgrave (orgel), Jamie Matthews (harmonica) en Gwyn Jones (bas). En ook wat betreft het stilistische aspect van de zaak houdt de Brit het lekker breed. Kampvuurfolk à la de jonge Dylan en co, pittige roots rock, bluesy en skiffle-eske toestanden, warmbloedige Americana, een pubrocknoot of twee, je treft ze hier vroeg of laat allemaal wel ergens aan. Voeg daar nog aan toe, dat Weston King voor de gelegenheid weer eens erg goed bij stem is, en je begrijpt, dat we hier te maken hebben met een ronduit uitstekende plaat.

Michael Weston King

Valve Records

Sonic Rendezvous

 

ELEVEN HUNDRED SPRINGS “This Crazy Life” (Smith Entertainment Group)

(3,5****)

We richten onze blikken weer eens even op de Lone Star State. En dat doen we met “This Crazy Life”, het nieuwe album van Eleven Hundred Springs. Dat als vanouds zalig gevarieerd countryrockende collectiefje zweert daarop opnieuw trouw aan een geluid overduidelijk schatplichtig aan genregrootheden als een Waylon Jennings, een Merle Haggard, een Willie Nelson, een Hank Williams en een Buck Owens. Op hun wat ons betreft zondermeer beste plaat tot op heden maken Matt Hillyer en co nogmaals overvloedig duidelijk, dat wie de o graag in z’n country terug wil bij hen aan het juiste adres is. Van het als een soort klaagzang over een leven onderweg opgevatte titelnummer tot het zijn titel alle eer aandoende “Honky Tonk Angels (Don’t Happen Overnight)”, van het jazzy “I’m In A Mellow Mood” tot de rockabilly van “High On The Town”,  van “I’ll Get On To Getting Over You Tomorrow”, een alleraardigste country shuffle, tot het op enigszins bluesy wijze “the horizontal mambo” verheerlijkende en door Dave Perez van de Tejas Brothers accordeongewijs flink opgewaardeerde “Straight To Bed” en alles wat daar tussenin gebeurt, dit valt zonder uitzondering onder de noemer “the real thing”. En daarvoor mag u ons zoals geweten altijd wel even komen wakker schudden.

Eleven Hundred Springs

Lone Star Music

 

JOHN CARRILLO “Von Karma” (John Carrillo)

(3***)

Voor alle duidelijkheid: “Von Karma” is de nieuwe langspeler van John Carrillo. Niet Frank Carrillo dus, de man die je ondermeer kent van zijn samenwerking met Annie Golden van The Shirts en enkele prima Americana-platen. Neen, deze Carrillo zoekt zijn muzikaal heil nadrukkelijk elders. Wat hij op zijn derde brengt, valt veelal onder de noemers pop en rock. En dat zegt alles en tegelijk ook niks. Variatie is de beste man immers bepaald niet vreemd. “Turn It Up Dave” blijkt zo bijvoorbeeld een ongegeneerd richting Thin Lizzy lonkende gitaarrocker, “Third Wheel” is het soort van popdeun, waarvoor men in de late sixties graag tekende, “Help Me John, It’s A Girl.” een eerder onopvallend bedaard popdeuntje, “Milking Cows” lekker melodieuze Britpop vanuit onverwachte hoek, “In The Market Square” folk van het eerder elektrische type en “The Fish Man” het soort van meezinger, waarmee je zelfs je kinderen even zoet zou kunnen houden.

John Carrillo

 

DAFNI “Sweet Time” (Daffer Doodle Music)

(4****)

Als je gezegend bent met een stem van het kaliber van die van Dafni Amirsakis, dan weet je ergens diep in je binnenste zelf allicht ook wel, dat het eigenlijk louter een kwestie van tijd is alvorens je door Jan en alleman op handen zal worden gedragen. Dankzij haar fluwelen sopraanzang hijst ze zich moeiteloos op één en dezelfde hoogte met in dezelfde vijver actieve kleppers als Madeleine Peyroux en Norah Jones. En ook vergelijkingen met klassieke jazzdames als een Ella Fitzgerald, een Nina Simone en zeker ook een Billie Holiday zijn er zeker niet over. Prachtig is het om horen, hoe Amirsakis met de lenigheid van een professionele paaldanseres sensueel om eigen veelal onder de ruime paraplu Americana vallend songgoed kronkelt. Nu eens wat meer countrygetint (“Someday”), dan weer eerder jazzy (“Save Me”, “Sweet Time”), soulvol (“Walking Out The Door”) of zelfs gewoon pop (“Anything At All”, “Floating”, “Run Away”). Knap, hoe ze tal van stokoude tradities schijnbaar achteloos haar eigen muzikale universum weet binnen te smokkelen. Hulp kreeg ze daarbij ondermeer van Dan Janisch. Die nam de werkelijk puntgave productie van het geheel voor zijn rekening en droeg voorts ook een steentje bij op diverse gitaren, bas, wat percussie-instrumenten en als achtergrondzanger. Verder ook van de partij Dafni’s vaste begeleiders Mark San Filippo (drums), Geoff “The Wolfman” Rakness (elektrische en akoestische bassen) en Peter Kavanaugh (elektrische gitaar) en gasten Tony Gilkyson (elektrische gitaar), Michael Bolger (accordeon, piano, trompet) en collega singer-songwriter Lisa Finnie (backing vocals). Zij ondersteunen Amirsakis bij het bijzonder geloofwaardig brengen van elf eigen liedjes, waarin ze zorgvuldig het verleden, relaties en diverse facetten van haar eigen persoonlijkheid onder de loep neemt. Dat gebeurt op danig relaxte, danig vakkundige wijze ook, dat “Sweet Time” er in no time door uitgroeit tot een graag geziene compagnon voor tijdens de late uurtjes. En hier zal dit album de eerstkomende weken dan ook niet uit de buurt van de cd-speler weg te denken gaan blijken, daar kan je nu al van op aan.

Dafni

 

THE ADVENTURE SPIRIT “Grand Standard” (The Adventure Spirit)

(4****)

De naam van dit jonge gezelschap doet niet meteen een belletje bij je rinkelen? Geen nood, ons overkwam naar aanleiding van “Grand Standard” eigenlijk gewoon net hetzelfde! En toch betreft het hier al het derde album van dit sinds 2005 vanuit het Australische Melbourne aan de weg timmerende viermanschap. Het begon allemaal nog relatief onschuldig toen singer-songwriters Tim Fry en Leigh Young en drummer Mirra Seigerman gewoon thuis en in eigen beheer hun eerste langspeler inblikten. Dat gratis verdeelde schijfje schopte het onverwacht echter tot underground hit in Melbourne en verre omstreken en dus ging het plots allemaal een flink stuk harder. In 2006 werd al snel de als geheel nogal folky uitvallende opvolger “Hope Shall Carry On” uitgebracht en weinig later zou Ben Tansey worden ingelijfd als vaste bassist en ging men voor het eerst van een “echte groep” spreken. En dat was niet het enige wat er veranderde. Mede door het stuwende basspel van nieuwkomer Tansey evolueerde The Adventure Spirit van een folkgetint geluid wat meer richting pop en country. Men koos voor een wat meer eclectische aanpak en die pakte uitstekend uit ook. Het resultaat: een gestaag groeiende fanschare, die de vier bedacht met het koosnaampje “The Spiz” en hen graag volgde, toen op weg naar album nummer drie ook elementen uit soul en blues hun weg naar het geluid van Fry, Young en co gingen vinden. Die derde langspeler, “Grand Standard”, is overigens een hele fraaie plaat geworden. Twaalf heerlijke popliedjes bevat ze, waarin met enige regelmaat de nadruk wat meer richting folk, soul en blues durft te verschuiven. Wat gelijk al van bij een eerste beluistering ervan opvalt zijn de warme, bij momenten erg mooi bij elkaar kleurende stemmen van de twee kopstukken van de groep. Zij verlenen aan zo ongeveer alle gebrachte liedjes meteen iets knus. En of je het dan hebt over een soulvolle ballade als “Riddle Of A Man”, iets tussen blues en jazz twijfelends als het sfeervolle “If You See Danger”, dromerige roots pop genre “Horizon”, met name gitaargewijs voorzichtig twangend spul à la “Following The Lines” of charmant rammelende Americana Down Under style zoals in “Golden Spells”, dat doet eigenlijk absoluut niet ter zake. Als er zich immers al één constante laat aanwijzen op “Grand Standard”, dan is het wel de regelmatigheid van “The Spiz”. Ze brengen echt alles hier met één en hetzelfde sprekende gemak. En tot in de puntjes verzorgd ook! Daardoor zijn vrijwel alle songs op “Grand Standard” wat ons betreft uitermate geschikt voor radiogebruik. En misschien zit er op termijn dus wel een succesverhaaltje genre dat van Crowded House jaren geleden aan te komen. Van ons zou het alleszins mogen, want dit is echt wel een aanradertje!

The Adventure Spirit

The Adventure Spirit op MySpace

 

ALLAN FRANK “The Road So Far” (Apple Farm Music)

(3,5****)

Debutant op jaren Allan Frank liet zich voor zijn eersteling inspireren door de tijdens de late sixties en vroege seventies in zijn thuisland razend populaire conceptalbums. De met een uitermate warme baritonstem gezegende Californiër neemt ons op zijn visitekaartje mee op een reis langs “the byways and back roads of middle America”. Middels dertien zelf aangedragen liedjes en een mooie cover van Jerry Jeff Walkers “Mr. Bojangles” gunt hij ons quasi terloops een blik achter de schermen van zijn eigen muzikale bestaan de voorbije dertig jaar. En daarin blijkt Americana een behoorlijk belangrijke rol te hebben gespeeld. Country, bluegrass, folk, gospel en andere rootsy muziekstijlen sijpelen immers in min of meer gelijke mate zijn liedjes binnen en zorgen voor een als het ware perfecte soundtrack bij het ons deelachtig maken aan zijn eigen hoogstpersoonlijke kijk op de geschiedenis en cultuur van het rurale Zuiden van zijn land. Langs uitgestrekte verlaten landwegen belanden we zo opeenvolgens ondermeer in de koolmijnen van Kentucky, op immer gastvriendelijke veranda’s diep in de Everglades en in een gevangeniscel in New Orleans. Frank brengt met andere woorden het soort van verhalen, waar je graag even lekker voor achteroverleunt om ze tot je te nemen. Verhalen, die nog nadrukkelijk uitnodigen tot aandachtig luisteren. Voor het inblikken ervan deed hij een beroep op de gerenommeerde Ed Tree. Samen met hem nam hij de tot in de puntjes verzorgde productie van “The Road So Far” voor zijn rekening. Andere genodigden voor de opnames waren ondermeer Skip Edwards, Teresa James, Jorgen Ingmar, Jeff Tolbert en Gabe Witcher.

Allan Frank

 

GORDIE TENTREES “Mercy Or Sin” (Yukon / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Onlangs nog werd Gordie Tentrees door de hier op handen gedragen Fred Eaglesmith goed genoeg bevonden om tijdens een doortocht doorheen de Benelux als zijn voorprogramma te fungeren. En dat zegt veel zo niet alles over het materiaal van de Canadese singer-songwriter. Aan de goede smaak van Eaglesmith twijfelen we hier als “Fredheads” immers niet… Maar eigenlijk heeft Tentrees dat soort van introductie gewoon helemaal niet nodig! Als je “29 Loads Of Freight” en “Bottleneck To Wire”, zijn beide vorige platen, al in je bezit zou hebben, dan weet je met welk een klasbak je hier van doen hebt. En als dat nog niet zo zou zijn, dan volstaat één enkele beluistering van ’s mans nieuwste, “Mercy Or Sin”, vast wel om ook jou over de streep te trekken. Tentrees is immers een echte meester wat betreft het brengen van story songs. Daarbij nu eens lekker rootsy rockend (“No Integrity Man”, “Devil Talks”, het countryeske “Same Old Blues”), dan weer gewoon achteroverleunend en op lijzige wijze verhalend (“Alfred”, “Hey Mama”, “Traveling Song Man”, “Mercy Or Sin”, het bluesy “Rambling’s Gonna Be The Death Of Me”, “Daylight”, “Blue Motel Room”, “Ross River”) of zich aan een de ziel zoekende ballade overgevend (“Carpenter Girl”) herinnert hij beurtelings een weinig aan de al genoemde Eaglesmith, aan Kelly Joe Phelps en aan zijn landgenoot Cam Penner. En dat maakt wat ons betreft van de grofgevooisde Tentrees een talent, dat het verdient om binnen afzienbare tijd op veel grotere schaal aftrek te vinden.

Gordie Tentrees

Sonic Rendezvous

 

AMELIA CURRAN “Hunter Hunter” (Six Shooter Records)

(4,5*****)

Het leven zelve is en blijft tot nader order nog altijd met afstand dé interessantste bron voor het opdiepen van hun verhalen voor zingende songsmeden. En met name dan nog het eerder persoonlijke aspect ervan. Dat blijkt maar weer eens naar aanleiding van “Hunter Hunter”, de nieuwe van Amelia Curran, de jonge Canadese, die ons zo’n jaar of drie geleden al eens serieus verraste met het ook al verbluffend knappe “War Brides”. In haar thuisland verscheen de opvolger daarvan vorig jaar al. En ze oogstte er ondertussen meer dan terecht ook al de nodige bijval mee. Zo werd het door Don Ellis geproduceerde schijfje ondermeer al genomineerd voor de gerenommeerde Polaris Prize en kaapte het ook de Juno Award voor “Best Solo Traditional and Roots Album” weg. Op “Hunter Hunter” is Curran tegen een voornamelijk akoestisch gehouden achtergrond in de weer met haar eigen demonen. Ze verwerkte met haar jongste worp een nog vrij vers in het geheugen liggende stukgelopen relatie. En de ruim eenentwintig maanden, die ze ervoor nodig had om het geheel af te werken, hadden dan ook een behoorlijk cathartisch effect op haar. “Sadness,” meende ze daaromtrent onlangs zelf, “demands to be communicated.” En precies dat is dus ook wat “Hunter Hunter” doet. Op veelal eerder intimistische wijze treedt Curran daarop in de voetsporen van collega’s als haar landgenote Mary Gauthier. Zich daarbij haast uitsluitend bedienend van met de nodige omzichtigheid  gekozen termen verwoordt ze zo intense gevoelens als verdriet, pijn en boosheid op een doek van Americana en naaste verwanten als folk, akoestische blues en jazz. Als onomstreden hoogtepunten kwamen daarbij wat ons betreft “Ah, Me”, “The Mistress” en “Love’s Lost Regard” uit de bus. Dat zijn stuk voor stuk liedjes, die eenieder die ooit in hetzelfde schuitje als Curran hier zat opnieuw met een bloedend hart achter zullen laten. Enig mooi gewoon!

Amelia Curran

Six Shooter Records

 

BRUCE BRITTAIN “More To Love” (Wisdom River Records)

(3,5****)

Bruce Brittain, een wat linke naam voor iemand in de weer met Americana… En dat lijkt de beste man ook zelf maar al te goed te beseffen. Hoe anders verklaren, dat hij het er op de cover van zijn tweede cd “More To Love” nog eens vingerdik op legt door die zelf te omschrijven als “Americana by Bruce Brittain”? Hoe dan ook, op die opvolger van het drie jaar geleden verschenen “Blue Sunday” pakt de dezer dagen in Atlanta woonachtige songsmid uit met enkele nieuwe liedjes, gemengd met een aantal al wat oudere deunen, nog stammend uit wat hij zelf als zijn “Nashville ‘alternative country’ (also known as ‘unsuccessful country’)” period omschrijft. Brittain toont zich daarin een door zowel country, folk, blues, soul, R&B als pop en rock beïnvloede singer-songwriter. De twaalf door hemzelf en David Leonard geproduceerde liedjes op zijn nieuwe schijf bestrijken stilistisch gezien dan ook nogal wat terrein. Titelnummer “More To Love” opent de feestelijkheden zo op lekker bluesy wijze, het enigszins weemoedig achteromkijkende “Woman Of A Certain Age” is vervolgens heel erg bezadigd aandoende roots pop, “Look Who’s Standin’ Here” singer-songwriterspul genre een Billy Joel medio de jaren zeventig, “Your One And Mostly” een R&B-getinte stamper, “Sundown In Sun City” rustige, melodieuze Americana en “Can’t Be” lekker swingende, met een kloeke dosis soul gekruide rock & roll. Verre van kwaad voor iemand, die het muzikantenbestaan vooralsnog vooral als een hobby blijft beschouwen. Zouden we met een redelijk gerust gemoed durven aan te raden aan fans van mensen als een Lyle Lovett, een Bonnie Raitt, een Delbert McClinton en een John Hiatt.

Bruce Brittain

CD Baby

 

JUSTIN RUTLEDGE “The Early Widows” (Six Shooter Records)

(4****)

Voor zijn vierde cd wilde Justin Rutledge naar eigen zeggen absoluut eens wat anders. Daarom besloot hij om voor dat op Michael Ondaatjes roman “Divisadero” gebaseerde werkstuk zijn maatje Hawksley Worksman als producer te vragen. Sowieso al een behoorlijk revolutionaire wijziging van zijn modus operandi, aangezien hij vooralsnog al zijn platen zelf produceerde, maar daar hield het absoluut niet bij op. Worksman zou Worksman niet zijn, mocht hij niet nadrukkelijk zijn stempel op “The Early Widows” hebben achtergelaten. Zo overtuigde hij Rutledge ondermeer om zijn akoestische gitaar in te wisselen voor een elektrische, smokkelde een heus gospelkoor de opnamestudio binnen, werkte met twee simultaan actieve drummers en schuwde zelfs enige moderne elektronica niet. Hoeft het nog gezegd, dat deze werkwijze de muziek van Rutledge bij momenten een flinke facelift verkocht? Alternatieve country vormt hier weliswaar nog steeds het uitgangspunt, maar is niet langer een doel an sich. Met name de termen pop en rock, al dan niet voorafgegaan door de bepaling roots, dringen zich met betrekking tot het op “The Early Widows” gebrachte geregeld op. Het stralende middelpunt van alle activiteit blijven daarbij “nach wie vor” de weemoedige stem en de poëtische teksten van Rutledge zelve. Voor enkele daarvan kreeg hij trouwens wat hulp van de eerder al genoemde Ondaatje. Het resultaat is een plaat, die qua intensiteit al haar voorgangers moeiteloos overvleugelt. “The Early Widows” diept als het ware de sterktes van Rutledge nog wat meer uit door hem te confronteren met een veel rijker gevuld geluidspalet. Zonder zijn verleden compleet te verloochenen tovert hij daar met vaardige hand opnieuw een tiental fraaie streepjes luisterplezier van tevoorschijn. En die liggen soms best nog wel eens in het verlengde van wat hij voorheen deed, ten getuige daarvan bijvoorbeeld het in steelgitaarklanken gedrenkte “Jack Of Diamonds” of “I Have Not Seen The Light”, maar wijken er door de band genomen toch vooral flink van af. Iets wat de Canadees als je het ons vraagt alleen nog maar een flink pak fans bij zal gaan opleveren. De herfstige schoonheid van deze nieuwe lading liedjes van ‘m verdient zulks alleszins.

Justin Rutledge

Six Shooter Records

 

THE GOOD INTENTIONS “The Amsterdam Recordings” (The Good Intentions)

(3***)

Een leuk tussendoortje, dat zeker wel, maar beslist ook niet meer dan dat, deze vijf tracks tellende EP van het Britse vijftal The Good Intentions. Dat trakteert ons daarmee op een handvol dit voorjaar tijdens hun tournee doorheen Nederland bij diverse lokale radiostations ingeblikte versies van liedjes van hun jongste cd “Poor Boy”. Het betreft daarbij meer bepaald uitvoeringen van “Irene”, “Soldier Boy”, “You Love Jimmie Rodgers”, “She’s In A George Jones Mood” en “Last Train”. Wat ons betreft vooral geschikt om nog maar eens mee te onderlijnen, dat de vijf uit Liverpool met de overduidelijk zwaar door The Byrds beïnvloede R.P. Davies een ronduit uitstekende songwriter in huis hebben en echt wel ontzettend goed kunnen harmoniëren.

The Good Intentions

 

VARIOUS ARTISTS “I Like It Better Here – Music From Home” (Hemifrån)

(4,5*****)

Het maken van mixtapes met daarop favoriete tracks van diverse langspelers, jarenlang was het één van onze absolute lievelingsbezigheden. Later zouden ze vervangen worden door cd-compilatietjes voor eigen gebruik, maar ach, het principe daarachter bleef eigenlijk gewoon hetzelfde. Alleen was het natuurlijk wel zo, dat met de opkomst van het internet ook flink wat door artiesten via hun eigen webstek aangeboden exclusief materiaal daarop belandde. Zo werden het op de keper beschouwd kwalitatief uitstekende aanvullingen op onze ook zo al behoorlijk rijk gevulde collectie. En dat is iets, wat zeker ook mag worden gezegd van “I Like It Better Here – Music From Home”, een door Peter Holmstedt van Hemifrån samengestelde thematische verzamelaar. Die al enkele jaren verwoed Americana en andere rootsmuziekvormen in Europa promotende Zweed liet flink wat van zijn paradepaardjes opdraven met exclusief materiaal rond het thema “Home Sweet Home”. Het betreft daarbij speciaal voor de gelegenheid opgenomen liedjes, maar ook live-rariteiten en restmateriaal van sessies in het verleden. En de betrokkenen zijn vaak bepaald niet van de minsten. Zo stoten we hier ondermeer op Joel Rafael in het gezelschap van David Crosby en Graham Nash voor een fraaie meerstemmige live-uitvoering van zijn “This Is My Country”, op Bob Cheevers geflankeerd door drie leden van Bread voor het soulvolle “If This Old House Could Talk”, op singer-songwriterrevelatie Keith Miles met het fonkelnieuwe “The Places The Devil Calls Home”, op Jackson Browne met een solo van achter de piano gebrachte, hartverwarmend mooie live-versie van “The Rebel Jesus” uit 2004, op gerenommeerde songsmid Vince Melamed met het prachtige liggenblijvertje “Feels Like Coming Home”, op het duo Batdorf & Rodney met het live voor Sirius XM Radio uitgevoerde “Home Again”, op Klas Qvist aka Citizen K met de Euro-Americanaparel “A Place To Call Your Own” en op Greg Copeland met “27 Red House Rd”, een nummer, dat z’n zo lovend onthaalde laatste cd “Diana & James” maar net niet haalde. Verder ook nog van de partij: Jack Tempchin, Amy Raasch, Jeff Larson, Sugarcane Jane, een nieuw duo met voormalig Neil Young-handlanger Anthony Crawford en Savana Lee, de Italiaan Francesco Lucarelli, Steve Noonan, Steve Postell, Robbin Thompson en Mikael Persson. Samen goed voor zeventien lappen voortreffelijke singer-songwriter Americana, waarbij je je onmiddellijk thuis gaat voelen. (Achttien eigenlijk, als we de als hidden bonus track toegevoegde demo “Home Town”, een samenwerking tussen Greg Copeland en Greg Leisz , mogen meerekenen! Naar onze bescheiden mening trouwens één van de allermooiste nummers hier, dat liedje!) Mission accomplished dus!

Hemifrån

 

THE JOHN WESLEY STONE “Doggone” (Twist Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Er is hoegenaamd niks, dat op ons hetzelfde opbeurende effect heeft als een potje charmant rammelende rootsmuziek op zijn tijd. En dan komt het je met het oog op een mogelijk lovende bespreking natuurlijk best wel goed uit, als je als beginnende groep precies voor dat idioom gekozen blijkt te hebben. Het overkwam onlangs nog het vanuit Guernsey actieve Britse viermanschap van The John Wesley Stone. De naar de aparte schuilnamen Hillbill, Tinshack, Nashville en Lynchburg luisterende vier etaleren daarin een flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor “no-frills-for-the-sake-of-it real music”, zoals ze het zelf graag mogen omschrijven. Daarin rijden zo uiteenlopende stijlen als country, bluegrass, skiffle, rockabilly, mod en (garage) rock frontaal op elkaar in en dat levert te midden van klaterende snaarinstrumenten als een banjo, een mandoline en een fiddle en andere betrokkenen als kazoo, harmonica, Farfisa, bas, gitaar en drums een uitermate sympathiek bekkende puinhoop op, die her en der in hetzelfde straatje lijkt te willen thuishoren als pak ‘m beet The Gourds. Het rammelt echt langs alle kanten, wat dit kwartet presteert, maar precies dat lijkt het allemaal alleen maar aantrekkelijker te maken. Leuk is daarbij wat ons betreft vooral ook, dat men afwisselend gaat voor mannelijke en vrouwelijke lead vocals. Dat zorgt alleszins voor de nodige variatie. Iets waar hier eigenlijk sowieso al geen tekort aan is. En dat hoeft dan weer niet te verwonderen, als je de indrukwekkende lijst aan door Hillbill en co opgegeven invloeden even overloopt: Lee Marvin, The Mekons, Jason & The Scorchers, The Flying Burrito Brothers, Gram Parsons, Emmylou Harris, Uncle Tupelo, Bonnie ‘Prince’ Billy, Gillian Welch, The Baptist Generals, Ashley Cartwright, Elvis, Buck Owens, The Reverend Horton Heat, The Cramps, Hank Williams, Hank III, Johnny Cash, 60’s pop, John Wesley Harding, Th’Legendary Shack*Shakers, Dick Dale, The Living End, Guana Batz, Seasick Steve, Brian Setzer, Heavy Trash, Zen Guerilla, AC/DC, Hayseed Dixie, Grada, Muse, Christy Donnelly, Dingle, Rachmaninov en nog een handvol anderen. Zo’n weelde, daar moest eigenlijk gewoon wel iets heel lekkers uit resulteren en dat gebeurde logischerwijze dan ook…

The John Wesley Stone op MySpace

Sonic Rendezvous

 

DUSTY 45’S “Fortunate Man” (Billy Joe and The Dusty 45’s/Sonic Rendezvous)

(4****)

Nieuw materiaal van dit bijzonder sympathieke kwartet uit Seattle hebben wij hier altijd al met het nodige plezier onthaald. En daar hebben we zo onze redenen voor ook! Wat flegmatiek kopstuk Billy Joe Huels en de zijnen brengen bruist immers nagenoeg altijd van de energie. Huels verstaat als geen ander de kunst om met respect voor het verleden een ook anno nu leefbaar rootsy deuntje uit de mouw te schudden. Daarvoor ondermeer inspiratie purend uit honky-tonk, country (rock), swing en rock & roll levert hij zo ook nu weer tien ronduit heerlijke liedjes af, die zich in no time knus tussen je oren nestelen. Nu eens ligt de nadruk daarbij wat meer op het rockaspect (“Fortunate Man”, “Only Wanna Be With You”, “3 Quarters”, “Stompin’ Through”), dan weer eerder op country (“Walking In The Rain”, “River From My Eyes”, “Piece Of Mind”, “City Girl”). Veelal gedragen door de performante stem en de trompetbijdragen van Huels zelve en het spetterende gitaarwerk van diens sidekick Jerry Battista herinneren de liedjes hier volop aan de hoogdagen van het inmiddels helaas zo’n beetje tot verzamelobject verworden voorwerp uit de naam van de groep. Heel wat van de kleinoden op “Fortunate Man” zouden immers absoluut niet hebben misstaan op bestofte singeltjes. Ze zouden het stuk voor stuk goed hebben gedaan op de aftandse jukebox – Nog zo’n collectors item! – in zo menig een Americana-vriendelijke bruine kroeg. American roots music op zijn leukst gewoon!

Dusty 45’s

Sonic Rendezvous

 

NANCY MCCALLION “Take A Picture Of Me” (Mama Mama Music / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Nancy McCallion geniet hier vooral bekendheid als zangeres en songleverancier van het bijzonder eclectisch ingestelde gezelschap The Mollys. Al tijdens haar dagen bij die groep bleek dat de afstammelinge van een Iers-Schotse inwijkeling en een Texaanse boerendochter van heel wat uiteenlopende muziekjes hield. Norteño, country, bluegrass, folk, pop, rock en andere, ze vonden op de één of andere manier allemaal wel hun weg naar het materiaal van dat collectief. En dat is op McCallions nieuwe, naar eigen zeggen nadrukkelijk door de fototentoonstelling “Unseen America” geïnspireerde en aan het leven van de arme working class van de States gewijde “Take A Picture Of Me” niet anders. Er blijken op dat heerlijk gevarieerde geheel op de keper beschouwd zelfs nog meer muzikale invloeden aan te wijzen dan voorheen. Via de Americana met bescheiden bluegrasstrekjes van openingsnummer “He’s Gone” gaat het zo pijlsnel richting aan rinkelende gitaren opgehangen twangy rock (“Good Old Days”), soulvolle roots pop (“Brighter In The Night”), verhalende folk (“Take A Picture Of Me”), country (“It’s Never Too Late To Get Lucky”), vinnige rock & roll (“Cruel Thing”) en andere. Verveling krijgt hier daardoor nooit echt de kans om toe te slaan. En als je daar nog aan toevoegt, dat McCallion gezegend is met een bijzonder warme, erg expressieve stem en zich in het gezelschap weet van enkele van Tucsons fijnste muzikanten, dan is het plaatje helemaal compleet! Een fijn schijfje inderdaad, waarvan een deel van de opbrengsten overigens naar een toepasselijk gekozen goed doel gaan. Voor elk verkocht exemplaar van “Take A Picture Of Me” gaat er één dollar naar de Primavera Foundation, een vanuit Tucson actieve organisatie, die tracht mensen te helpen ontsnappen aan een armoedig bestaan. En dat is alleen maar een reden te meer om je dit knappe album onverwijld aan te schaffen, zo lijkt ons.

Nancy McCallion

Sonic Rendezvous

 

MARC COHN “Listening Booth: 1970” (Saguaro Road Records)

(3,5****)

Het moge duidelijk zijn, dat de tijden veranderen. En ze doen dat verdomd snel ook! Nergens is dat zo evident als in de wondere wereld der media. Nooit was het gemakkelijker dan nu om nieuwe muziekjes te leren kennen. Gewoon even snel de computer aanzetten, wat rond surfen en de hele wereld ligt als het ware in een oogwenk binnen handbereik. Is ooit wel eens anders geweest! En met de nodige weemoed denken we nog wel eens terug aan die dagen, toen uren spenderen in de lokale platenzaak nog de normaalste zaak ter wereld was. Toen in de luistercel aldaar minutieus zo menig een pareltje werd opgedoken. Het koste allemaal nog flink wat meer moeite, maar net dat maakte een deel van de charme uit. De jacht is mooier dan de vangst, weet je wel… En het heeft er alle aanschijn van, dat ook Marc Cohn daar zo over denkt. Die noemde zijn nieuwe cd immers “Listening Booth: 1970” en nam speciaal voor de gelegenheid een twaalftal liedjes op die in dat gezegende jaar voor het eerst werden opgenomen. In een productie van John Leventhal (Rosanne Cash, Shawn Colvin) zette hij zijn tanden in dingen als “Wild World” (Cat Stevens), “Make It With You” (Bread), “The Letter” (Box Tops), “The Only Living Boy In New York” (Simon & Garfunkel), “After Midnight” (J.J. Cale), “The Tears Of A Clown” (Smokey Robinson & The Miracles), “Into The Mystic” (Van Morrison), “Long As I Can See The Light” (Creedence Clearwater Revival) en een handvol andere. Op heerlijk soulvolle wijze trekt hij die liedjes volledig naar zich toe. Wereldschokkende resultaten levert dat uiteraard niet op, maar bijzonder lekker is het allemaal wel. En dat ligt natuurlijk in niet geringe mate aan die fraaie gebronsde stem van Cohn zelve. En als die al eens even niet volstond, dan riep de beste man toch gewoon wat hulp van buitenaf in. Met India. Arie brengt hij zo “Make It With You”, Kristina Train mocht komen opdraven voor “The Tears Of A Clown”, Aimee Mann tekent mee voor één van de hoogtepunten hier, een prima versie van “No Matter What”, en Jim Lauderdale kwam even langs voor een vertolking van “New Speedway Boogie” van de Grateful Dead. Een wel erg geslaagde manier om je eigen helden even te bedanken voor het mee helpen veranderen van je leven, vinden wij.

Marc Cohn

Saguaro Road Records

 

BILL KIRCHEN “Word To The Wise” (Proper / Rough Trade)

(4****)

“Word To The Wise” is de erg knappe nieuwe van “Master of the Telecaster” Bill Kirchen. Maar die verkeerde voor de opnames daarvan dan ook in uitzonderlijk uitgelezen gezelschap. Voor zijn versie van Merle Haggards “Shelly’s Winter Love” mocht hij zo bijvoorbeeld een beroep doen op “mooizingers” Paul Carrack en Nick Lowe, die er fraai harmoniërend een volop aan de Everly Brothers herinnerende sleper uit puurden. De sfeervolle trage rootsrocker “Man In The Bottom Of The Well” profiteert vervolgens volop van een zoveelste gezongen glansprestatie van de grote Elvis Costello en het al rockend bijna uit de bocht gaande “I Don’t Work That Cheap” rust deels op een door Kirchens oude buddy Commander Cody gegoten pianofundament. Voorts tekent Asleep At the Wheels Chris O’Connell mee voor een leuke duetversie van Roger Millers “Husbands And Wives”, leent Kevin “Blackie” Farrell zijn grafstem aan countrydeun “Open Road”, is de vocale hoofdrol in het jazzy swingende titelnummer “Word To The Wise” voor Dan Hicks, deelt Maria Muldaur met Kirchen “Ain’t Got Time For The Blues” en bevat “Valley Of The Moon” een harmonicabijdrage van Norton Buffalo, die kort na het inblikken daarvan overleed aan kanker. De overige drie liedjes op “Word To The Wise” zorgen ervoor, dat je dit op de keper beschouwd niet echt een duettenplaat mag noemen. Daarin trekt Kirchen het laken immers volledig naar zichzelf toe. Met als leukste moment wat ons betreft de knappe pubrocker “Bump Wood”. Zoals al eerder gesteld: een prima plaat, waarop twangend gitaarwerk, knappe songs en dito zang vrijwel voortdurend hand in hand gaan. Een echt aanradertje!

Bill Kirchen

Proper

 

LOUDON WAINWRIGHT III “10 Songs For The New Depression” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Net als goede wijn lijkt ook singer-songwriter Loudon Wainwright III met de jaren alleen maar beter te worden. Iets wat hem voor zijn vorige, het knappe “High Wide And Handsome: The Charlie Poole Project”, ons inziens meer dan terecht een Grammy opleverde. En ook ’s mans nieuwste is weer een echt schot in de roos. De recente economische crisis was als het ware “gefundenes Fressen” voor de  bard, die in zijn teksten zo graag het reilen en zeilen van de wereld anno nu kritisch mag toelichten. Hij slaat met z’n “10 Songs For The New Depression” een brug naar de economisch zware jaren dertig van de vorige eeuw. Ondermeer met twee songs uit die periode: “On To Victory, Mr. Roosevelt”, geschreven en voor het eerst opgenomen rond 1933 door W. Lee “Pappy” O’Daniel, de excentrieke Texaanse democraat, je wellicht nog bekend uit “O Brother, Where Art Thou?” van de broertjes Coen, en “The Panic Is On” van Hezekiah Jenkins. Voor het overige niets dan Wainwright-originelen hier. En die werkt hij in onvervalste retrostijl af. Volledig akoestisch gehouden – Just me & my guitar! – folkbluesjes, waarin meer dan ooit het verhaal centraal staat – occasioneel gekruid met een snuif satire en ironie uiteraard. Hier en daar goed voor een glimlach alleszins. Kortom van het betere vertelwerk weer.

Loudon Wainwright III

Proper

 

LOS LOBOS “Tin Can Trust” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Vier lange jaren hebben ze er ons op laten wachten, die van Los Lobos, en dan ga je van zo’n “echte” nieuwe plaat natuurlijk toch nog net iets meer verwachten dan normaal. We waren heel erg benieuwd, welke kant het ditmaal weer uit zou gaan. Erg honkvast bleken de heren in het verleden immers hoogst zelden. Er werd door de jaren heen al succesvol geëxperimenteerd met heel wat (roots)muziekgenres. En dat blijkt ook op “Tin Can Trust” weer niet anders. Integendeel eigenlijk zelfs. Hier lijkt het bijna voortdurend echt alle kanten op te kunnen. Liefhebbers van het vroege werk van de wolven zullen zo bijvoorbeeld hun pret niet op kunnen met de in het Spaans gebrachte cumbia- en norteño-uitstapjes “Yo Canto” en “Mujer Ingrata”. Voor zij die dwepen met de Grateful Dead is er met “West L.A. Fadeaway” een nieuwe cover van materiaal van die groep. “Burn It Down” is melodieuze roots rock van het betere soort, “On Main Street” leunt lekker stevig door op een bluesy groove”, titelnummer “Tin Can Trust” is lijzige, heerlijk bezadigde kwaliteitsrootspop, “Jupiter Or The Moon” kampeert ergens tussen Americana en pop, “Do The Murray” is een rete-aanstekelijke bluesgitaarinstrumental, “All My Bridges Burning” blijkt een atmosferische co-write met de dezer dagen wel erg in trek zijnde Robert Hunter, “The Lady And The Rose”  vertoont licht psychedelische trekjes en “27 Spanishes” zoekt zijn heil ritmegewijs en en passant behangen met subliem gitaarwerk in Latijns-Amerika. Variatie troef dus hier! En dat is wellicht tegelijk de sterke kant én de achillespees van dit album. Eclectisch ingestelde geesten zullen “Tin Can Trust” straks weer graag uitroepen tot één van dé platen van 2010, anderen zullen het er gezien zijn diverse karakter een stuk moeilijker mee gaan hebben. Aan jou zelf om uit te gaan maken tot welke categorie je behoort of behoren wil!

Los Lobos

Proper

 

DANIELLE DOYLE “The Cartographer’s Wife” (Danielle Doyle)

(4****)

Om een lang verhaal gelijk al maar een flink stuk korter te maken: we hebben hier van doen met een echt wel verbluffend mooie plaat. En nochtans betreft het daarbij een debuut. Van de beeldschone Danielle Doyle meer bepaald, een jonge Amerikaanse, die vaardig heen en weer laverend tussen (roots) pop, folk en Americana, tien nummers lang illustreert een fantastische zangeres te zijn en ook een bijzonder fraai deuntje in de vingers te hebben. “The Cartographer’s Wife” verscheen eigenlijk al een goed jaar geleden en deed Doyle ondertussen ondermeer al in het voorprogramma van artiesten als Loudon Wainwright III, Dawn Landes en Heather Masse (Wailin’ Jennys) belanden. Een goede indicatie als je het ons vraagt voor de kwaliteit van haar liedjes. Die behandelen thema’s als liefde, verlangen, haar eigen thuis en zelfs moord. Voor sommige van haar verhalen viel Doyle daarbij terug op haar eigen leven. Zo vond ze voor het verstilde “Roots/Wings” bijvoorbeeld inspiratie in een mislukte verhuis naar Californië. En wat verderop in het al even intimistisch gebrachte “Lake Erie” – Die fluwelen stem! Onwaarschijnlijk mooi gewoon! – grijpt ze terug naar haar eigen studentenjaren in Ohio. Andere songs werden dan weer “geleend van verbeelde vrouwen”. Zoals die uit het knappe Americana-liedje “Pompeii” bijvoorbeeld, die tracht te ontsnappen aan de Apocalyps. Of de protagoniste van het ingetogen folkdeuntje “The Cartographer’s Wife”, die in haar eentje thuis achterblijft, als haar man voor zijn werk de wereld rondtrekt. Of die van het ingehouden, bijna jazzy stuiterende “Salome”, die haar eigen geliefde aan zijn einde helpt, als het allemaal wat moeilijker wordt. Stuk voor stuk erg knappe liedjes, op basis waarvan je Danielle Doyle nu al zonder ook maar de minste schroom een mooie toekomst lijkt te mogen voorspellen.

Danielle Doyle

CD Baby

 

GUY PENROD “Breathe Deep” (Servant Records / Gaither Music Group)

(3***)

Guy Penrod verdiende in het verleden reeds uitgebreid zijn sporen als zanger van de Gaither Vocal Band en als gastvocalist op tal van country- en gospelplaten. Met “Breathe Deep” gaat hij nu echter resoluut op zoek naar een eigen carrière in Nashville en verre omstreken. “I’m not looking to change the face of country music, only to bring a new perspective to its best attributes,” liet hij daarover onlangs zelf optekenen. En dat blijkt helaas maar al te waar. De nochtans met een fraaie en bovenal ook uiterst performante stem gezegende vader van acht kleurt met zijn uit het leven van alledag gegrepen liedjes immers keurig binnen de lijntjes van het commerciële countryspectrum. Met wellicht als enige grote verschil, dat hij in zijn songs regelmatig zijn geloof een woordje mee laat spreken. Bezielde ballades worden op “Breathe Deep” op tijd en stond afgewisseld met wat meer ritmisch spul, dat het in de hier hoger al genoemde hoofdstad van de (commerciële) country wellicht uitstekend zal doen. Wij van onze kant zijn de voorbije jaren echter net ietsje meer gewoon geraakt. Wij vinden het allemaal nogal braafjes, wat Penrod doet. Wel leuk, maar ook niet meer dan dat. En dat is een vaststelling, waaraan zelfs de puike productie van Brent Rowan en gastbijdragen van klasbakken als een Brian Sutton, een Paul Franklin, een Tommy White, een Aubrey Haynie, een Rob Ickes en anderen maar weinig kunnen veranderen.

Guy Penrod

 

CARRIE RODRIGUEZ “Love And Circumstances” (Ninth Street Opus)

(5*****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik Carrie Rodriguez na haar vorige “She Ain’t Me” eigenlijk al een beetje afgeschreven had. Het leek me immers nogal voor de hand liggend, dat ze met de opvolger van die plaat volop voor mainstream-succes zou gaan. En dat zou dan hebben moeten resulteren in een plaat die eerder onder de noemer singer-songwriter pop dan onder Americana viel. Zou, want Rodriguez verrast op haar nieuwste vriend en vijand met rootsmuziek van het werkelijk allerbeste soort. Daarvoor doet ze uitsluitend een beroep op door anderen geschreven materiaal. Van Little Village leent ze zo bijvoorbeeld “Big Love”, van Buddy Miller en diens wederhelft Julie “Wide River To Cross”, van Merle Haggard “I Started Loving You Again”, van wijlen Townes Van Zandt “Rex’s Blues”, van David Rawlings & Gillian Welch “I Made A Lover’s Prayer”, van Richard Thompson “Waltzing’s For Dreamers”, van pa David “When I Heard Gypsy Davy Sing”, van “the late great” Hank Williams “I’m So Lonesome I Could Cry” en van Lucinda Williams “Steal Your Love”. In deze en andere liedjes zingt ze (zang, tenorgitaar, elektrische mandolin, fiddle) in het gezelschap van Hans Holzen (elektrische en akoestische gitaren, mandoline), Kyle Kegerreis (bassen) en Eric Platz (drums, percussie) en special guests Buddy Miller (harmony vocals) , Aoife O’Donovan (harmony vocals), Bill Frisell (elektrische gitaar), Greg Leisz (lap en pedal steel, Weissenborn) en Doug Wamble (slidegitaar) vrijwel voortdurend de sterren van de hemel. Bloedmooi gewoon en zondermeer het allerbeste wat ze tot op heden in de periode na haar breuk met Chip Taylor al afleverde. In de nochtans erg brede corridor tussen country, Americana, folk en roots rock laat zich eigenlijk amper een knappere plaat dromen! De wat ons betreft fraaiste momenten erop: het samen met Buddy Miller gebrachte “I Started Loving You Again”, een met werkelijk bloedstollend mooi snarenwerk onderbouwd “Rex’s Blues” en de het geheel afsluitende terugkeer naar haar eigen Spaanstalige roots “La Puñalada Trapera”.

Carrie Rodriguez

Ninth Street Opus

 

GRAYSON HUGH “An American Record” (Swamp Yankee Music)

(4****)

Hier hadden we dus niet echt meer op gerekend, zie. Het laatste serieuze wapenfeit van Grayson Hugh dateerde immers ook alweer van 1992, toen hij met “Road To Freedom” niet enkel een opvolger voor zijn vier jaar eerder verschenen fabuleuze major label-debuut “Blind To Reason” afleverde, maar tegelijk ook weer één van dé mooiste platen van dat jaar. Daarna werd het heel stil rond de man, die met zijn soulvolle stem, zijn poëtische teksten en zijn smaakvolle toetsenspel zowat overal ter wereld fans bij bosjes had gemaakt. Want geef toe, ook jij hebt destijds met volle teugen genoten van knoeperds van radiohits als “Talk It Over” en in iets mindere mate ook “Bring It All Back”. Of van “I Can’t Untie You From Me”, het nummer dat Hugh bijdroeg aan de soundtrack van de filmkaskraker “Thelma & Louise”. Welnu, ruim achttien jaar later is die Grayson Hugh plots compleet out of the blue terug van weggeweest met “An American Record”, zijn vierde volwaardige langspeler. En daarop blijkt hij nog niets aan kwaliteit te hebben ingeboet. Met veertien zelf geschreven nieuwe liedjes pakt hij op die flink wat minder commercieel opgevatte comebackplaat uit. Ruim drie jaar aan hard labeur gingen daaraan vooraf. Voor Hugh een unieke kans om na een verslaving de draad van zijn leven weer enigszins op te pikken. Of met de woorden van de man zelf: “It is a record of places, times, rivers, hills, loves and tides of the heart. This became my path and I am grateful that I was always able to see the light around the bend and finish it.” En dus klinkt alles hier ook even doorleefd. Van het naar Dean Gilmore, de man die hem weer op het juiste spoor kreeg, vernoemde funky openingsnummer “Swamp Yankee” tot de lang uitgesponnen pianoballade “Bluewhite”, van het speelse, met een snuif country gekruide liefdesliedje “Evangeline” tot het op bedaarde wijze met R&B flirtende “Zoe On The T Train”, van perfecte (roots)popliedjes als “Never To Come Down” en “Sweet Summer Rain” tot de soulvolle trage “North Ohio”, het radiogenieke, van een leuk twangy gitaartje voorziene “Angel Of Mercy”, de blauwogige soul van het weer even volop aan lang vervlogen tijden herinnerende duo “Long & Lonely Night” en “Give Me One Good Reason” of de fraaie poppy Americana van “Time Is Like A River” en andere, Hugh laat hier werkelijk geen kans onbenut om je te tonen, dat hij niet alleen helemaal terug is, maar nog steeds een dijk van een zanger en uitstekende songsmid. Welkom terug, man!

Grayson Hugh

CD Baby

 

C.W. STONEKING “Jungle Blues” (King Hokum Records / Loose Music / Bertus)

(3,5****)

Begin september doet C.W. Stoneking Nederland aan voor een aantal optredens. Aanleiding genoeg alvast om ’s mans tweede nu eindelijk ook hier een officiële release te gunnen. “Jungle Blues” was via zijn eigen platenlabel King Hokum Records tot op heden immers enkel in zijn thuisland Australië verkrijgbaar. Stoneking is zondermeer één van de origineelste nieuwe bluesartiesten van de jongste jaren. Zowel op zijn in 2005 ingeblikt debuut “King Hokum” als op “Jungle Drums” grijpt hij ongegeneerd terug naar de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Zichzelf daarbij begeleidend op een National Resophonic en een tenorbanjo en her en der bijgestaan door een akoestische bas, wat bescheiden percussie en de blazers van zijn eigen Primitive Horn Orchestra croont hij op onnavolgbare wijze zijn aparte verhalen. Quasi terloops her en der voorzichtig herinnerend aan Tom Waits bedient hij zich van elementen uit diverse vooroorlogse  bluesstijlen, maar ook jazz, hobo country, calypso, swamp blues, New Orleans mardi gras en andere passeren de revue. De vrucht van die ogenschijnlijk onstuitbare verzameldrift is een haast even bevreemdend als beklijvend album, dat in het huidige overaanbod van glad geproduceerde nieuwe platen ongeveer even hard opvalt als een door en door brave huisvader tegen sluitingstijd in een in verval verkerende rosse buurt.

C.W. Stoneking

Loose Music

Bertus

 

DAVE GLEASON “Turn And Fade” (326 Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dave Gleason is sinds jaar en dag één van dé interessantste acts actief binnen de Californische countryscène. De man is een echte grootmeester op z’n Telecaster, schrijft dotten van songs en houdt met z’n lekkere klaagstem ook nog een derde grote troef achter de hand. En elke nieuwe plaat van ‘m is er dan ook eentje om naar uit te kijken. Een stelling, die met “Turn And Fade” weer wat aan kracht bij wint. Via de overduidelijk door Buck Owens en z’n Buckaroos beïnvloede twangy instrumental “All Morning Long” belanden we daarop al snel bij “Turn And Fade”, snarengewijs met een snuif Byrds gekruide country rock van het betere soort, om vervolgens met “If You’re Going Through Hell” een eerste keer echt recht in het hart te worden getroffen. Die door Chris Lawrence op z’n pedal steel aandoenlijk onderbouwde sleper moet zo ongeveer één van de knapste alternatieve tearjerkers van het jaar so far zijn. “Pale Blue” is vervolgens een flink eind richting roots rock overhellende alt. country, “The Neon And The Wine” een verdere, ditmaal met Cindy Wasserman gedeelde 18-karaatstrage, “Blue Side Of The World” traditionele country met een aardig scherp randje, “Radio 1965” een lang niet enkel thematisch gezien op die tijd terugblikkende lap twang-genot en “The Rails Don’t Run Here”, zoals de titel dat al laat uitschijnen, een onvervalste train song. Via “The San Joaquin”, nog meer met de neus nadrukkelijk richting Bakersfield gebracht instrumentaal snarengeweld, gaat het tenslotte richting “Tonight”, “Wait For The Rain” en “Wishing I Was Here Tonight”. De eerste twee verdere voorbeelden van ronduit uitstekend schuifelwerk, het derde juist lekker rockend en weer wat meer Gram. Lekkere toetjes als het ware na een hoofdschotel op maat voor al wie zijn country bij tijd en wijle graag wat meer alt. mag hebben.

Dave Gleason

Sonic Rendezvous

 

KELLY DALTON “Everything Must Go” (Halfway Home Records)

(3***)

“Everything Must Go” is de nieuwe cd van Kelly Dalton, de man, die ons zo’n jaar of drie geleden al eens verblijdde met het veelbelovende “The Love In Every Bar”. Op die door Thom Flowers geproduceerde nieuwe van ‘m houdt Dalton het tempo doorgaans flink gedrukt. Van achter zijn piano maakt de Californische singer-songwriter ons deelachtig aan een aantal van zijn diepste gevoelens. Hij kiest daartoe vrijwel zonder uitzondering voor als folk(rock)deunen te bestempelen kleinoden, die niet zelden met een flinke laag strijkers worden bedekt. Daardoor stranden ’s mans muziekjes regelmatig ergens vrij dicht in de buurt van die van een collega als Damien Rice. Zijn lichthese stem blijkt daarbij een serieus pluspunt. Al kon ook die niet verhinderen, dat onze aandacht bij het beluisteren van dit schijfje na verloop van tijd een beetje begon te verslappen. Daltons muziek luistert weliswaar best aangenaam weg, maar is wat ons betreft (nog) net niet goed genoeg om ook op termijn te blijven bekoren. Liedjes als het wat vlottere “Seen It All” en het met wat ingetogen harmonicawerk gedrapeerde “Borrow Your Heart” zullen we echter wel graag op één van onze persoonlijke mix-cd’s laten belanden. En da’s toch al iets, he…

Kelly Dalton op MySpace

 

PAUL THORN “Pimps And Preachers” (Perpetual Obscurity Records)

(4****)

Deze plaat kampeert al enkele weken in de bovenste regionen van de AMA Chart en dat is wat ons betreft meer dan terecht ook. Paul Thorn heeft zichzelf op “Pimps And Preachers” immers flink overtroffen. Dat album bulkt gewoon van de radiogenieke rootsy liedjes. Vertrekkend vanuit de tegenstelling tussen de heilige en de zondaar in zichzelf, in elk van ons eigenlijk, strooit Thorn dertien nummers lang met bijzonder sympathiek verpakte levenswijsheden in het rond. Van het ons op het universele karakter van dagdagelijkse en grotere problemen attenderende, Beatle-eske rootspopdeuntje “You’re Not The Only One” tot het bluesy ingevulde, als een soort van schuldbekentenis aan het adres van zowel zijn vader (de preacher) als zijn oom (de pimp) opgevatte titelnummer, van het op soulvolle wijze traditionele country, blues en classic rock versmeltende “Tequila Is Good For The Heart”, een eigenzinnige drinking song, tot het extreem catchy, van gloedvol toetsenwerk voorziene en her en der best wel een beetje aan The Band herinnerende “Love Scar”, van het lekker doorstomende rootsrockertje “Weeds In My Roses” tot het optimistische, op z’n Subdudes richting New Orleans lonkende “Better Days Ahead”, van het met zo’n typische Southern feel gezegende “Ray Ann’s Shoes”, een soort van “Ryan Adams meets Tony Joe White”-trage, waarin Thorn duidelijk aangedaan het verhaal van een recentelijk door een echtscheiding getroffen vriendin vertelt, tot de tot verdraagzaam geloven oproepende langzame boogie “You Might Be Wrong”, van de funky story song “Buckskin Jones” tot de alweer op een zalige toetsenbijdrage drijvende roots pop van “I Hope I’m Doing This Right”, van het op realistisch-humoristische wijze aangebrachte R&B-stampertje “I Don’t Like Half The Folks I Love” tot de zich in vurig verlangen wentelende pop van “Nona Lisa” of het op een reeks uitspraken van zijn moeder gebaseerde en nadrukkelijk met een Muscle Shoals-geluid flirtende afsluitertje “That’s Life”, hier halen we graag nog eens het label “Alle dertien goed!” voor boven. Echt wel een ijzersterk geheel!

Paul Thorn

 

TERRI HENDRIX “Cry Till You Laugh” (Wilory Records)

(3,5****)

De term Americana voldoet als vlag voor de lading van Terri Hendrix al een poosje niet echt meer. De Texaanse kiest tegenwoordig immers met elke nieuwe plaat weer voor een wat meer eclectisch uitvallende aanpak. Zo had haar tiende studioworp oorspronkelijk eigenlijk een volbloed-jazzalbum moeten worden. Maar dat bleek voor Hendrix al snel een al te grote stilistische beperking. En dus werd “Territown” uiteindelijk gewoon “Cry Till You Laugh”, een heerlijk gevarieerde schijf met weliswaar her en der duidelijk hoorbare jazzinvloeden, maar met nog zoveel meer ook. Openingsnummer “Wail Theory” verbindt zo bijvoorbeeld op bluesy wijze twee gedichten van de grote Dorothy Parker, in “Slow Down” komen pop en de meer rootsy variant daarvan plots wel heel erg dicht bij elkaar te liggen en “Automatic” stoeit voor het eerst met een late night jazzmotiefje. “Hand Me Down Blues” is vervolgens een louter thematisch gezien eerder berustend overkomende kruisbestuiving tussen Americana en blues, “Roll On” op zijn beurt fraaie, lekker breed uitwaaierende zomerse roots pop pur en “Einstein’s Brain” een pakkend folk-luisterliedje over haar eigen epilepsie. “You Belong In New Orleans”, één van de twee hier door Hendrix gebrachte Ike Eichenberg-composities, doet dan weer superswingend scattend de stad uit de titel ervan aan, “Sometimes” laat even wat ruimte voor de crooner in Hendrix en “The Berlin Wall” omschrijft ze zelf als Americana-Gothic. Het met vaste compadre Lloyd Maines gepende “1000 Times” is aansluitend weer wel even nadrukkelijk Americana, “Hula Mary” valt mede door knap eigen harmonicawerk duidelijk onder de noemer bluesrock en voor het meer gesproken dan gezongen gebrachte “Come Tomorrow” mag zelfs heel even nog eens de term country uit de kast. Blijven nog over: een reprise van “Hand Me Down Blues”, “Whatachoice”, een streepje studiopraat, en “Take Me Places”, de tweede Ike Eichenberg-cover hier en al even swingend als de andere. Variatie troef hier, zoveel moge ondertussen wel duidelijk zijn! Echt wel zo’n beetje voor elk wat wils op deze weer bijzonder knappe plaat.

Terri Hendrix

 

CINDY BULLENS “Howling Trains And Barking Dogs” (MC Records / Koch)

(4****)

Ergens laat in 1990 besloot zingende liedjesschrijfster Cindy Bullens op een onbewaakt moment de goede raad van enkele bevriende collega’s op te volgen en richting Nashville te trekken. Een beslissing, die ze ook nu nog als één van de beste die ze ooit nam omschrijft. Daar in Tennessee vond ze immers eindelijk het respect, dat ze eigenlijk al zo lang verdiende. Ze ontdekte er naar eigen zeggen als het ware opnieuw haar eigen talenten en goot door samenwerkingen met ondermeer Bill Lloyd, Radney Foster, Matraca Berg, Wendy Waldman, Al Anderson, Jimmy Tittle, Kye Fleming, Maryann Kennedy en anderen de fundamenten voor haar toekomst. Een toekomst, die haar alsmaar meer in de richting van Americana zou duwen. Met als voorlopige hoogtepunt “Howling Trains And Barking Dogs”, haar nieuwe plaat, die vooral teruggrijpt naar de liedjes, die ze indertijd met anderen schreef. Zo treffen we hier ondermeer Bullens’ eigen versie van het ooit al door Radney Foster de hitlijsten in geholpen “Labor Of Love” aan en ook een nieuwe, lekker swingende uitvoering van “Whistles & Bells”, je wellicht bekend van het repertoire van de toen nog piepjonge Dixie Chicks. Voor het eerste kwam Radney Foster zelf graag een handje toesteken, voor het tweede kreeg Bullens het bezoek van haar Refugees-maatjes Wendy Waldman en Deborah Holland. Andere bijzonder lekkere momenten vonden wij het met Al Anderson gepende en door de Ordinaires vocaal ondersteunde rockertje “I Didn’t Know”, de fraaie semi-ballade “Everywhere And Nowhere” en het in de credits met Matraca Berg gedeelde en op een prima bluesy groove leunende “Can’t Stop This Train”. Enkel voor de twee laatste liedjes hier riep Bullens niet de hulp van anderen in. “The Misty Hills Of Tennessee” – Een streepje traditionele country met een bluegrassrandje, waaraan deze plaat ook haar titel ontleende! – en het intimistische, helemaal in haar eentje gebrachte “Good At Being Gone” ontstonden respectievelijk op weg naar en tijdens een recent verblijf in Nashville. Het zijn twee fraaie orgelpunten voor een bij dezen van hier uit van ganser harte aanbevolen plaat!

Cindy Bullens

MC Records

 

PEGGY WHITE “Falling” (Peggy White)

(4****)

Als liefhebbers van het betere singer-songwriterwerk in hart en nieren hebben wij de voorbije weken onze honger naar altijd maar meer flink kunnen stillen. Werkelijk de ene na de andere knappe plaat belandde op onze schrijftafel. Zo ook “Falling”, de tweede van de dezer dagen vanuit Almonte, Ontario flink aan de weg timmerende Peggy White. Van haar bespraken we hier eerder ook al het nog steeds warm aanbevolen “Fair Is Fair”. Die plaat verscheen ondertussen ruim zeven jaar geleden. En je zou je dan ook kunnen afvragen, waarom White er in hemelsnaam zo lang over gedaan heeft om met nieuw materiaal uit te pakken. Ze is immers echt wel heel erg goed in wat ze doet. Van het ingehouden rootsrockende “Still The One” over fraaie ballads als “Somehow”, “Awhile” en “Choices” tot zacht twangend spul à la “This Chance” of een poppy noot als “Peace Of Mind”, dit is werkelijk allemaal even puntgaaf! White weet te bekoren met een heerlijk expressieve stem, waar vooral liefhebbers van dames als Mary Chapin Carpenter en haar landgenote Lynn Miles zich beslist snel mee zullen kunnen verzoenen, en al even knappe, steeds weer op bijzonder fraaie melodieën terugvallende liedjes. Slechts één keer gaat ze wat dat betreft vreemd. Dat is voor een voorzichtig in (alternatieve) country gedipte versie van Chris Isaaks “Somebody’s Crying”. Heel mooi gedaan! Andere echte topmomenten nog: het op atmosferisch gitaarwerk van de je wellicht van platen van Kathleen Edwards en Lynn Miles bekende Fred Guignon leunende “Beautiful To Me” en afsluiter “This Lonely Town”, een met enige vocale bijstand van Bruce Cockburn gebrachte sleper. Echt wel een verrassing van formaat, deze plaat!

Peggy White

CD Baby

 

EILEN JEWELL PRESENTS BUTCHER HOLLER “A Tribute To Loretta Lynn” (Signature Sounds / CRS)

(5*****)

Butcher Holler heet het allernieuwste project van Eilen Jewell. En dat is absoluut geen toeval. De in Boston opgerichte gelegenheidsband werd immers vernoemd naar de thuishaven van countrygrootheid Loretta Lynn.  Jewell coverde op haar laatste plaat “Sea Of Tears” reeds haar “Darkest Day” en waagt zich als frontvrouwe van Butcher Holler nu aan een volledig met Lynn-songs gevulde plaat. Een eerbetoon heet zoiets dan. En wat voor één! Jewell klinkt hier beter dan ooit. Bezield is het woord! Ontzettend sterk komt ze uit de hoek. Je merkt hier aan werkelijk alles, dat Jewell ongemeen veel respect heeft voor Lynn. Voor de zangeres, maar vooral ook voor de vrouw daarachter. De vrouw, die het al in de late sixties en de vroege seventies aandurfde om in haar liedjes erg controversiële thema’s aan te snijden, waar anderen destijds nog in een liefst zo wijd mogelijke boog omheen liepen. We hebben het dan over zo goed als dood gezwegen items als huiselijk geweld, drankmisbruik, overspel en andere. In liedjes als “Fist City”, “Don’t Come Home A Drinkin’ (With Lovin’ On Your Mind)”, “Another Man Loved Me Last Night”, “You Ain’t Woman Enough (To Take My Man)” toonde Lynn zich een buitengewoon sterke persoonlijkheid. Deze en andere nummers als “A Man I Hardly Know”, “I’m A Honky Tonk Girl”, “Whispering Sea”, “You Wanna Give Me A Lift”, “Who Says God Is Dead”, “Deep As Your Pocket”, “This Haunted House” en “You’re Lookin’ At Country” treffen we aan op Jewells “tip of the hat” aan het adres van Lynn. Op de keper beschouwd gewoon een collectie oertraditionele, lekker twangende countryliedjes, maar dan wel gebracht met zoveel verve, met zoveel finesse, dat het bijzonder moeilijk wordt om er niet meteen als een blok voor te vallen. Elke vorm van verzet blijkt hier eigenlijk a priori volstrekt zinloos. Kippenvel als het ware gegarandeerd!

Eilen Jewell

Signature Sounds

Continental Records Services

 

RED HORSE “Red Horse” (Red House / Music & Words)

(4****)

Moet zowat de natte droom van de gemiddelde (Amerikaanse) folkfan zijn, dit hoogst uitzonderlijke kransje. Red Horse zijn immers niemand minder dan Eliza Gilkyson, John Gorka en Lucy Kaplansky. Drie door heel wat kenners, waaronder ook deze jongen, op handen gedragen singer-songwriters, die hier tegen een bewust heel erg spaarzaam ingevulde muzikale achtergrond hun ding doen. Hun stemmen krijgen daardoor het volle gewicht van deze plaat te dragen. En precies dat uitgangspunt zorgt voor tal van magische momenten. Werkelijk heerlijk om de drie te horen harmoniëren! Ze zingen samen alsof ze nog nooit in hun leven wat anders gedaan hebben! Maar wij weten natuurlijk wel beter… Heel leuk is voorts ook, dat elk van de drie betrokkenen op zijn of haar beurt de solostem in materiaal van één van de twee anderen doet. John Gorka schittert zo bijvoorbeeld in het zomers sprankelende “Don’t Mind Me” van Kaplansky en in Gilkysons “Wild Horse”, Kaplansky van haar kant tekent voor een werkelijk grootse versie van Gilkysons “Sanctuary” en een al even mooie uitvoering van Gorka’s “Blue Chalk” en Gilkyson zorgt ondermeer voor kippenvel met Kaplansky’s “Promise Me” en Gorka’s “Forget To Breathe”. Daarnaast noteerden we ondermeer ook nog enkele opmerkelijke “echte” covers. Zo laat Gilkyson op bijzonder sfeervolle wijze Neil Youngs “I Am A Child” herleven, tekent Gorka voor één van dé allermooiste momenten hier met een interpretatie van “Coshieville” van Stuart McGregor en mag Kaplansky de deuren sluiten met haar zeer verdienstelijke visie op de traditional “Wayfaring Stranger”. Een waardige afsluiter voor een project enigszins vergelijkbaar met de Redbird-samenwerking van een paar jaar geleden tussen Jeffrey Foucault, Kris Delmhorst en Peter Mulvey. Hopelijk geen eenmalige gebeurtenis!

John GorkaLucy KaplanskyEliza Gilkyson

Red House Records

Music & Words

 

ANNA COOGAN “The Nocturnal Among Us” (Anna Coogan)

(4****)

Op haar negentiende belandde de jonge Amerikaanse Anna Coogan een beetje tot haar eigen verbazing in Salzburg om er opera te gaan studeren. Dat ze bij haar aankomst in Oostenrijk geen letter Duits kende, liever skiën ging dan lessen bij te wonen en bovendien de man waarmee ze later ook trouwen zou ontzettend miste, waren echter geen van alle factoren om haar verblijf aldaar tot een succes te laten uitgroeien. En dus keerde ze in 2001 gedreven door heimwee en liefdesverdriet ook gewoon terug naar haar vaderland. Ze ging er opnieuw aan het studeren en ontdekte er kort na de nog in de eenieders gegrift staande gebeurtenissen van 11 september van dat jaar de muziek van Alison Krauss. Haar leven zou er voorgoed door veranderen. Coogan raakte zo verslingerd aan Americana, bluegrass en aanverwante genres, dat ze in nauwelijks een paar maanden tijd haar eerste liedjes schreef, aan het optreden ging en met north19 zelfs een heus bandje uit de grond stampte. Daarmee leverde ze na nauwelijks een jaar ook al haar debuutplaat “Glory” af. En die deed het tot haar eigen grote verbazing zeer goed. Niet enkel lokaal, maar ook in grote delen van de States tot zelfs in Europa toe verkocht de plaat meer dan redelijk. En dus kwam er al redelijk snel een opvolger. In 2007 meer bepaald, toen “Sleepwalker” verscheen. Opnieuw een uitzonderlijk mooie plaat, maar jammer genoeg meteen ook de laatste van north19. Een vervroegd pensioen, waar Coogan het behoorlijk moeilijk mee had. En het zou dan ook ruim drie jaar duren voor ze opnieuw met nieuw materiaal zou uitpakken. En daarmee schrijven we het hier en nu en “The Nocturnal Among Us”. Een plaat, waarvoor Coogan het materiaal schreef tijdens twee van de lange, sombere winters, waarvoor haar thuishaven Seattle wijd en zijd bekend staat. Elf liedjes in totaal, tekstueel gezien veelal worstelend met problemen eigen aan het volwassen worden. Songs van een bij momenten bijna pijnlijke schoonheid, waarin de met een werkelijk wonderschone, extreem expressieve stem gezegende Coogan met verve in de voetsporen van gerespecteerde collega’s als een Iris Dement, een Diana Jones, een Caroline Herring, een Kelly Willis en, waarom ook niet, een Alison Krauss treedt. Hoe ze onder de productionele hoede van JD Foster (Calexico, Laura Cantrell en vele anderen) treffend het leven op de rand van een nakende volwassenheid bezingt, spreekt vrijwel ogenblikkelijk tot de verbeelding. Liedjes als de knappe atmosferische rootspopdeun “Back To The World”, het een stuk speelser opgevatte en met zo’n typische snik in de stem gebrachte “Dreaming My Life Away”, de ingetogen Americana van “Crooked Sea”, “Holy Ghosts Of Texas” en “Halfway Gone” en andere katapulteren Coogan wat ons betreft definitief tot in de bovenste regionen van de vrouwelijke Americana singer-songwritersociëteit. Werkelijk wonderschoon!

Anna Coogan

CD Baby

 

TONY MCLOUGHLIN “Ride The Wind” (Tony McLoughlin Music)

(3,5****)

Onder impuls van de hier ondermeer met kleppers als Nanci Griffith, Mary Gauthier en Otis Gibbs geassocieerde Thomm Jutz toog Iers singer-songwriter Tony McLoughlin in 2006 richting Nashville om er zijn derde cd “Tall Black Horse” in te blikken. En het moet zijn, dat het hem daar goed meegevallen is, want ook op de opvolger daarvan blijkt het Amerikaanse aandeel al bij al vrij groot. Niet voor de muzikale omlijsting, want daarvoor huurde McLoughlin ditmaal landgenoten Ben Reel (gitaren, harmonica, backing vocals), Ronnie O’Flynn (bas, percussie), Michael Black (drums, percussie) en John McCullogh (keyboards) in. Samen met Julieanne Reel (backing vocals) en Patsy Toman (clawhammer banjo in “Soul Brother Soul Sister”) helpen zij de man aan een geluid, dat beurtelings herinnert aan Neil Young, Bruce Springsteen en de jonge Tom Petty. Iets meer rock alleszins dan Americana-getinte voorganger “Tall Black Horse”. Neen, de Amerikaanse inbreng situeert zich vooral op het vlak van de liedjes zelf. Zo noteerden we ondermeer de namen van Tommy Womack (titelnummer “Ride The Wind”), Davis Raines (“You Look For It All” en het vanuit het standpunt van een ontsnapte bajesklant geconcipieerde “Not Too Far From Memphis”), Sergio Webb (“Treeline”) en Thomm Jutz en Frank Goodman (“Soul Brother Soul Sister”) als co-auteurs. De wat ons betreft leukste momenten op “Ride The Wind”: het zich nadrukkelijk in de buurt van The Boss ophoudende “Mother’s Son” en het al eerder genoemde en door Reel van een lekker vettig streepje mondharmonica voorziene swamprockertje “Not Too Far From Memphis”. Maar voor alle duidelijkheid: McLoughlins vierde is eigenlijk gewoon een in haar totaliteit zeer geslaagd te noemen plaat.

Tony McLoughlin

 

SHERRY AUSTIN “Love Still Remains” (Barking Topiary Records)

(4****)

Net als “Drive-By Romance” uit 2003 en “Drive On Back” uit 2006 is ook “Love Still Remains”, het derde album van de vanuit Santa Cruz actieve zingende liedjesschrijfster Sherry Austin, weer een echte wolk van een plaat geworden. Alleen doet ze het daarop ditmaal nu eens niet met eigen materiaal, maar met liedjes van Kate Wolf zaliger. “Celebrating the Songs of Kate Wolf” heet zoiets dan. En daar heeft Austin zo haar redenen toe. Toen zij en haar wederhelft Dave pas met elkaar begonnen op te trekken, troonde die haar eens mee naar het Kate Wolf Music Festival en het was precies daar, dat de vonk tussen de twee definitief oversloeg. Geen wonder dan ook, dat Austin altijd een enigszins speciale band met de muziek van de veel te vroeg gestorven Amerikaanse folkgrootheid is blijven koesteren. En al evenmin, dat ze hier met ontzettend veel liefde aan de slag is. Voortdurend mooi balancerend tussen bekende en minder bekende songs van Wolf laat de Californische ons net geen uur lang genieten van haar eigen ronduit uitmuntende zang. Met heel veel inlevingsvermogen waadt ze in een beurtelings wat meer richting folk, Americana dan wel country hellende setting doorheen liedjes als “Red Tail Hawk”, “Telluride”, “Eyes Of A Painter”, “Love Still Remains”, “Streets Of Calgary”, “September Song” en andere. Zelf stuurde ze het door Wolfs muziek geïnspireerde “Winter Comes On Slow” bij en voorzag ze ook “November Moon” en “Tonight You Loved The Memories Out Of Me”, twee afgewerkte, maar nooit eerder opgenomen teksten van haar idool, van muziek. Stuk voor stuk puntgave liedjes en op al even voortreffelijke wijze gebracht. Met als absolute hoogtepunten wat ons betreft het door Rick Shea van een schitterende akoestische gitaarbijdrage voorziene “Red Tail Hawk”, de door diezelfde Shea ook op de pedal steel en de mandoline onderbouwde klassieker “Telluride”, de zalige panoramische Americana van “November Moon”, het heel erg country gekleurde tweetal “Love Still Remains” en “Tonight You Loved The Memories Out Of Me” en het ook al eerder genoemde eigen nummer “Winter Comes On Slow”, een door Barry Phillips van fraaie cellobegeleiding voorzien intimistisch folkdeuntje, dat absoluut niet misstaan zou hebben op het repertoire van Wolf zelve. Al bij al gewoon een verbluffend mooi geheel, dat hier nog lang, héél lang gekoesterd zal gaan worden. Bij dezen warm aanbevolen!

Sherry Austin

CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home