CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE TWILITE BROADCASTERS “The Trail Of Time” - AUDREY AULD “Come Find Me” - PEADAR KING “The Shadowlands” - DARRYL LEE RUSH “Darryl Lee Rush” - AMY LASHLEY “Travels Of A Homebody” - THE VON EHRICS “Two Foot Stomp” - IAN MCFERON “Summer Nights” - RORY ELLIS “Perfectly Damaged” - GIRLS GUNS AND GLORY “Sweet Nothings” - JOHN MITCHELL & SOFIE JONSSON “Western Highways” - FIERY BLUE “Our Secret” - FUR DIXON & STEVE WERNER “Songs Of The Open Road, Volume One” - MA RAIN “Glory Runner” - BRIAN WRIGHT “House On Fire” - OKIESON “Some One ’N Some Want” - ANA EGGE “Bad Blood” - OLD 97’s “The Grand Theatre Vol. 2” - ROBERT ELLIS “Photographs” - JEFF LARSON “House Concert – Oak Park, California, 15 January 2011” - GUY CLARK “Songs And Stories” - JIMMIE VAUGHAN “Plays More Blues, Ballads & Favorites” - JOHN HIATT “Dirty Jeans And Mudslide Hymns” - DAN KRIKORIAN “Windsor Blue” - TORI SPARKS “Until Morning / Come Out Of The Dark” - ART & LISA “Healin’ Time” - DERBY “Madeline” - CANDYE KANE “Sister Vagabond” - THE BOTTLE ROCKETS “Not So Loud” - NICK 13 “Nick 13” - KASEY CHAMBERS “Little Bird” 

 

THE TWILITE BROADCASTERS “The Trail Of Time” (The Twilite Broadcasters)

(4****)

Adam Tanner (mandoline, fiddle en zang) en Mark Jackson (akoestische gitaar en zang) ontmoetten elkaar voor het eerst ergens laat in 2008 in Weaverville, North Carolina. Toen bleek, dat ze er dezelfde interesses op na hielden, werd al vlug besloten om als The Twilite Broadcasters samen een muzikale toekomst te gaan najagen. En daartoe doken ze in… het verleden. De twee heren brengen op hun debuutplaat “The Trail Of Time” immers een heerlijk authentiek aandoende set aan muziekjes van het soort, dat ooit razend populair was in het diepe Zuiden van de States. Eigenlijk grotendeels te kaderen in de traditie van musicerende broederparen als de Louvins, de Delmores en andere, ware het niet, dat de twee geen broers zijn natuurlijk. Voor het overige wijst hier evenwel echt alles in die richting. Heerlijke tweestemmige harmonieën, een volledig akoestisch gehouden begeleiding met naast de akoestische gitaar, de fiddle en de mandoline van het duo her en daar ook de contrabas van gastmuzikant Duane Anderson. En dan is er natuurlijk ook nog het songmateriaal. Daarvoor ging men ondermeer in de leen bij The Carter Family (“Coal Miner’s Blues”), The Louvin Brothers (“I Can’t Keep You In Love With Me” en “Lorene”), Hank Williams (“Weary Blues From Waiting”) Arthur Smith (“Fiddler’s Dream”), Bill Monroe (“Land Of Lincoln”), The Delmore Brothers (“The Trail Of Time” en “Lead Me”) en Charlie Monroe (“Valley Of Peace”). Voorts stoten we hier ook nog op covers van de countryklassieker “There Stands The Glass” (Webb Pierce) en de traditional “Where Is My Sailor Boy?” en op één original van de hand van Tanner, de vingervlugge instrumental “North Buncombe Gallop”. Twaalf “vintage country & bluegrass songs” dus, die onder de productionele hoede van Roy Andrade op dergelijk sprankelende wijze worden gebracht, dat het erop lijkt alsof ze  zo’n zestig à zeventig jaar geleden werden vereeuwigd. Bijzonder knap gedaan!

The Twilite Broadcasters

CD Baby

 

AUDREY AULD “Come Find Me” (Reckless Records)

(4****)

“Come find me, come find me, I want to be found, you’re welcome to glorious me” zijn de veelbetekenende eerste woorden van het openingsnummer van de nieuwe cd van Audrey Auld. Ze vormen als het ware een open invitatie tot de uitzonderlijke leef- en gedachtenwereld van de Tasmaanse zingende liedjesschrijfster. Haar vijfde volwaardige studioplaat is dan ook behoorlijk persoonlijk. Die door de ondermeer om zijn werk met Eliza Gilkyson en Tom Russell geprezen Mark Hallman geproduceerde schijf bevat twaalf eigen liedjes, die zowel tekstueel als muzikaal een behoorlijk diverse invulling meekregen. Van Americana en country tot folk, mountain music, talking blues, swing jazz en rock gaat het hier. Met naar goede Auld-gewoonte weer tal van beklijvende momenten. Zo onthielden wij bijvoorbeeld het al even aangeraakte titelnummer, een lieflijk walsje met een bescheiden Keltisch folkrandje, het funky rockende “Petals”, door Audrey zelf bestempeld als “an Aussie rap song for a Texas icon”, “Orphan Song”, een op een tekst van de Australische schrijver Terry McArthur gebaseerd a capella eerbetoon aan het adres van collega-songsmid Mary Gauthier, de tedere ballade “Beautiful Garden”, het prachtige “Tree”, een ondermeer met wat vocale hulp van Anne McCue gebracht countrydeuntje met een uitgesproken ‘70s country feel, het aan de jonge Cash herinnerende “Nails” en vooral ook afsluiter “Bread And Roses”. Dat nummer, een akoestisch folkliedje, beschouwt Auld zelf als een geschenk voor de “inmates” van de befaamde San Quentin-gevangenis, waar ze niet enkel optrad, maar ook enkele workshops in songwriting gaf. Een fraai orgelpunt voor een al even fraaie plaat van een dame, die nu toch wel stilaan als een gevestigde waarde van het Americana-genre mag worden beschouwd.

Audrey Auld

Reckless Records

 

PEADAR KING “The Shadowlands” (PKM)

(3,5****)

Goed een jaar of drie lang fungeerde Peadar King als roerganger van het rockcollectief Cornerstone alvorens hij in 2008 zijn solodebuut “The Nature Of Flaws” afleverde. Dat naar verluidt in Ierland redelijk succesvolle schijfje markeerde voor de beste man eigenlijk het moment waarop hij zijn eerste liefde terug vond. Reeds als jonge knaap was hij immers in de ban geraakt van de pennenvruchten van gereputeerde songwriters als een Richard Thompson, een Tom Waits en een Bruce Springsteen en was hij zich ook zelf aan het nastreven van zulke schoonheden gaan wagen. Een plaatsje voor zichzelf trachten af te dwingen binnen het nog alle dagen gestaag aangroeiende legertje zingende songsmeden was dus eigenlijk gewoon de meest voor de hand liggende optie voor de binnen een muzikale familie opgegroeide King. En dat hij zich daartoe graag in folk- en rootswateren mocht ophouden, was voor ons alleen maar mooi meegenomen. De man schrijft immers best wel aardige liedjes en heeft aan zijn markante lage bariton een geweldig instrument voor het brengen daarvan. Ze verleent aan het merendeels eerder kalme materiaal op zijn “moeilijke tweede” “The Shadowlands” alvast een zeker rustiek karakter. Een ongelooflijke rust straalt van zijn verhalen af. Luister in dat verband bijvoorbeeld maar eens naar het nummer “The Stars Alone” en je zal onmiddellijk begrijpen, wat we bedoelen. Enkel een piano, een cello, een altviool en daar dan die stem overheen! Buitengewoon fraai! En dat geldt zeker ook voor andere ballades als “I Will Be Whatever” en “Fall From Grace”. Samen met het wat meer richting country overhellende “Believe Me”, waarin gastmuzikant Tom Portman zijn dobro wel erg vaardig aan het woord laat, het op sfeervolle wijze de schemerzone tussen folk en roots pop verkennende “Minutes” en titelnummer “Shadowlands” meteen enkele van de absolute hoogtepunten van Kings tweede, een plaat, die wij graag als een “groeiertje” zouden willen omschrijven. Pas na enkele luisterbeurten begon ze ons immers haar geheimen echt te ontsluieren. En geloof het of niet, zo mogen wij het eigenlijk nog het liefst hebben.

Peadar King

CD Baby

 

DARRYL LEE RUSH “Darryl Lee Rush” (Coastal Bend Records)

(3,5****)

Dit is na “Llano Ave.” uit 2005 en “Live At The River Road Ice House” van zo’n jaar of drie later reeds het derde album van de Texaanse singer-songwriter Darryl Lee Rush. En daarvoor heeft onze kale vriend nogal wat schoon volk in huis gehaald. Voor de productie ervan liet hij zich zo bijvoorbeeld assisteren door collega-gitarist Scott Oldner en verder wist hij zich ondermeer ook nog van de kunstjes van Don Gallia (harmonica), Tommy Detamore (pedal en lap steel, dobro en 12-string), Joel Guzman (accordeon), Wayne Glasson (piano) en Skip Edwards (B3) te verzekeren. Geef toe, dat kon veel slechter! En dus waren de verwachtingen hier ook behoorlijk hooggespannen. Té hoog misschien wel, want Rush slaagt er op de keper beschouwd eigenlijk niet in om ze volledig in te lossen. Zijn country klonk ons daarvoor in eerste instantie bij momenten al net iets te gepolijst. Bij het beluisteren van sommige nummers konden wij ons absoluut niet van de indruk ontdoen, dat ze met het oog op een liefst zo lang mogelijk chart-verblijf waren uitgedokterd. En dat vonden we best wel jammer, want als Rush goed bleek, dan was hij ook echt wel heel goed. Zo waren wij bijvoorbeeld wel heel erg te spreken over een viertal nummers, waarin hij ons bewust of onbewust een flink stuk van de States liet doorkruisen: de fraaie Americana-ballade “Leaving Virginia” (Met een erg subtiele dobrobijdrage van Detamore!), het zowel muzikaal als tekstueel de Lone Star State aandoende “Dancehall”, de gruizige countryrocker “Las Vegas Christmas Eve” en het melancholische “Jackson Hole”. Ook wel sterk, zij het dan vooral inhoudelijk: het behoorlijk bitsige “Letter From A Soldier”. Daarin worden we deelachtig gemaakt aan de communicatie per brief tussen een youngster aan het front en zijn trotse vader thuis. En dan is er ook nog het ingetogen “Marissa”, misschien wel het allermooiste liedje hier. De wanhoop van de protagoniste wordt daarin immers niet enkel heel erg tastbaar verwoord, maar ook wondermooi verklankt. Met dank met name aan Joel Guzman en zijn accordeon. Had de nieuwe van Rush vol met dit soort van liedjes gestaan, dan hadden we het album zonder ook maar de minste aarzeling van vijf sterren voorzien. Nu zijn het er helaas wat minder geworden. Maar die zijn op basis van ’s mans knappe teksten dan weer wél oververdiend te noemen.

Darryl Lee Rush

CD Baby

 

AMY LASHLEY “Travels Of A Homebody” (Wanamaker Recording Company / Lucky Dice Music)

(3,5****)

Plankenkoorts, het is – Zacht uitgedrukt! – een hoogst vervelend fenomeen. Jong zijnde heeft vrijwel iedereen ermee af te rekenen. Het spreken voor een klas bijvoorbeeld vormt voor velen een serieus probleem. Gelukkig komt op dat ongemak met het verstrijken der jaren de nodige sleet. Voor de meesten onder ons althans. Er zijn echter ook mensen, bij wie het met de jaren alleen maar erger wordt. Die bij momenten volledig dicht gaan klappen. Zo ook Amy Lashley. De vrouw van singer-songwriter Otis Gibbs, ook zelf een erg getalenteerde zingende liedjesschrijfster, besloot daarom om niet langer op te treden. Zij legt zich dezer dagen vanuit haar thuisbasis in Nashville nog enkel toe op het schrijven en opnemen van liedjes, gedichten en verhalen. Ze speelt met andere woorden een beetje op safe. En dat levert, de vrees voorbij, ontzettend mooie resultaten op ook. Ten getuige daarvan is er nu haar door wederhelft Otis geproduceerde songcollectie “Travels Of A Homebody”. Een plaat, waarvoor ze naast van haar man op de akoestische ook nog op vakbekwame hulp van Thomm Jutz op gitaar, bas, dobro, mandoline en orgel, Shadd Cobb op z’n fiddle, Mark Fain op de bas en Pat McInerney achter zijn drumstel mocht rekenen. In de twaalf liedjes erop vertelt ze op eerder luchthartige wijze verhalen gebaseerd op “heavy topics” als zelfspot en twijfel, lijden, verlies, het verlangen naar verandering en andere. Als tegengewicht voor al dat nogal zware materiaal stoten we ook op een tweetal doordeweekse love songs. Louter muzikaal gezien dienen we Lashley daarbij, net als haar “hubbie” Gibbs, te situeren in de Americana-hoek. Al komt ze al bij al toch een stuk minder indringend dan hem uit de hoek. Het klinkt allemaal flink wat braver. Charmant, lieflijk bij momenten ook. Maar dat hoeft absoluut geen bezwaar te vormen natuurlijk. Liedjes als het intimistische “Kiss Indiana Goodbye”, het op een swing-motiefje geënte en met de tong diep in de wang geplant gebrachte “Who Am I Kidding”, het verstilde “Emmett Till”, het met het nodige respect achteromkijkende countryriedeltje “Old Man Don” of het traditioneel opgevatte bluesje “Homebody Blues”, een soort van eerbetoon aan de weinigen onder ons, die dezer dagen nog met hun leven als dusdanig tevreden blijken, zijn hoogst genietbaar en hebben vooral inhoudelijk flink wat te bieden. Best wel jammer eigenlijk, dat we Lashley nummers als deze en andere wellicht nooit live zullen zien brengen. Iets zegt ons immers, dat er ergens diep in haar wel degelijk een heel erg onderhoudende persoonlijkheid schuilt.

Amy Lashley

Lucky Dice Music

 

THE VON EHRICS “Two Foot Stomp” (Lucky Buck Records)

(3,5****)

Robert Jason Vandygriff (zang en gitaren), Clayton Mills (leadgitaren), Paul “Santi” Vaden (bas) en Gabe Aguilar (drums) oftewel The Von Ehrics zijn met “Two Foot Stomp” ondertussen ook alweer aan hun vierde volwaardige langspeler toe. En daarop gaat het er naar goede gewoonte weer behoorlijk onstuimig aan toe. De vier “Lone Star State punkabilly hunks” geven hem bijna achtendertig minuten flink van jetje. Zonder daarbij de broodnodige variatie over het hoofd te zien overigens. Zo blijkt “Lord, I Pray” bijvoorbeeld een onvervalste streep hyperaanstekelijke gospel-cowpunk, is “Rock & Roll” voorzichtig aan “Radar Love” van Golden Earring herinnerend exact dat, explodeert “Goodbye/The Ride” na een trage bluesy aanloop volledig in uitzinnig gitaargeweld, is “Just A Little Time” gewoon punk tout court en laat “Downtown” zich allicht nog het best omschrijven als hypernerveuze country rock. Uitermate vitaal allemaal en derhalve vooral geschikt voor fans van acts als Jason & The Scorchers, de Supersuckers, Old 97’s, Slobberbone, de Bottle Rockets en aanverwanten zouden wij zo zeggen. Wedden, dat zij als een blok zullen vallen voor de ronduit geweldige Von Ehrics-meezing-lezing van de door Ed Bruce gepende Tanya Tucker-hit “Texas (When I Die)” en voor de al even infectueus gebrachte Hayes Carll-cover “Down The Road Tonight”? Onmogelijk gewoon om daarbij stil te blijven zitten…

The Von Ehrics

CD Baby

 

IAN MCFERON “Summer Nights” (Ian McFeron)

(4****)

Hoe dit heerschap er in godsnaam in geslaagd is om jarenlang aan onze aandacht te ontsnappen, is ons één groot raadsel. “Summer Nights”, zijn tot onze niet geringe verbazing zesde studioplaat al, blies ons immers vrijwel meteen compleet van onze sokken. En het zou ons ook absoluut niet verbazen, mocht het album in de nabije toekomst op zo menig een nog niet met McFerons werk vertrouwde Ryan Adams-fan bij een eerste kennismaking eenzelfde effect gaan hebben. Dit in East Nashville onder de productionele auspiciën van stergitarist Doug Lancio en met verder ook de nodige studio-hand-en-spandiensten van Cardinals-drummer Brad Pemberton, voormalige Adams-bassist Billy Mercer, toetsenist Micah Hulscher en fiddle- en cellorevelatie Alisa Milner opgenomen schijfje is immers zo geweldig goed, dat het een mens ontzettend moeilijk valt om het niet na elke beluistering weer onmiddellijk opnieuw door de luidsprekers te jagen. Pop, folk, alternatieve country, blues, gospel, soul, jazz en swing verdwijnen hier ten gepaste tijde in steeds wisselende hoeveelheden samen in de muzikale blender, wat leidt tot een heerlijk gevarieerd, maar desalniettemin knap samenhangend geheel. Beurtelings heerlijk bedaard of net met een wat scherper randje, het lijkt McFeron hoegenaamd allemaal even gemakkelijk af te gaan. Met een effectief ook wel een weinig aan die van Ryan Adams verwante stem maakt de Amerikaan ons deelachtig aan de vrucht van zo menig een slapeloze zomernacht. In de voetsporen van een rusteloze ziel troont hij ons doorheen een reeks koortsdromen en visioenen en laat hij ons in het holst van de nacht in de achterbuurten van respectievelijk Belfast, Kaapstad en zijn uitvalsbasis Seattle belanden. Hoogst intrigerend! Op de koop toe een beetje beangstigend zelfs, ware het niet, dat McFeron ons in het nummer “Windchime” een weinig geruststelt. “It used to keep me lying awake, but right now I feel safe,” luidt het daarin immers. Gelukkig…

Ian McFeron

CD Baby

 

RORY ELLIS “Perfectly Damaged” (Rory Ellis)

(4****)

Zij, die onlangs het genoegen hadden om één van de Europese gigs van Aussie Rory Ellis bij te wonen, zullen zich dat wellicht nog lang heugen. Wat een formidabele stem heeft die man immers! Te situeren ergens tussen Waylon Jennings, Kris Kristofferson en Tom Waits, zeg maar. Schuurpapier van het allerbeste soort dus. En als dusdanig ook uitermate geschikt voor het brengen van het soort van liedjes, waarmee zijn vijfde album “Perfectly Damaged” tot de nok toe gevuld blijkt. Het betreft daarbij een soort van eigentijdse alternatieve outlaw countrydeunen, veelal opgehangen aan die klok van een stem van ‘m en een doorgaans heel erg “basic” gehouden instrumentarium met daarin een centrale plaats voor de eigen akoestische en banjo. Onze favorieten: het behoorlijk sombere titelnummer (Opgetrokken rond de bijzonder veelzeggende woorden “No I’m not getting old, just perfectly damaged…”), het lekker swingende “The Gravy Train”, het qua ritmiek nog wat nadrukkelijker richting de jonge Cash overhellende “The Gift” en de met zijn eigen autistische tweelingzonen in het achterhoofd geconcipieerde trage afsluiter “Flesh And Bone”. Straf spul zondermeer!

Rory Ellis

 

GIRLS GUNS AND GLORY “Sweet Nothings” (Lonesome Day Records)

(4,5****)

Voor mij persoonlijk zondermeer één van de aangenaamste verrassingen van de voorbije maanden, deze vierde van het vanuit Boston, Massachusetts al een poosje aan de weg timmerende viermanschap Girls Guns And Glory. Maar ik houd dan ook wel van markante stemmen als die van groepskopstuk Ward Hayden. Met de regelmaat van een klok worden door gelijkgestemde kritische geesten voor ’s mans kunstjes referenties als Raul Malo, Chris Isaak en de grote Roy Orbison uit de pols geschud. Een rijtje, waarin hij met zijn flexibele tenorstem misschien tot op zekere hoogte ook wel thuishoort, maar hij klinkt op de keper beschouwd toch nog net wat rauwer, wat intenser dan die drie heren. En net dat maakt het wat mij betreft allemaal zo ontzettend lekker, wat hij en zijn kompanen Chris Hersch (gitaren), Paul Dilley (bassen) en Michael Calabrese (drums en percussie) ten gehore brengen. Hun geweldige mix van honky tonk, rock & roll, rockabilly en rhythm & blues gaat er alleen nog maar meer authentiek door aandoen. Tot hoegenaamd onweerstaanbare resultaten leidt dat bijvoorbeeld in dingen als het resoluut op dansgrage benen mikkende rockabilly-kleinood “Snake Skin Belt”, het heerlijk rockende titelnummer en het welhaast uit zijn voegen twangende hillbillystampertje “Nighttime”. De zanger Hayden komt echter het best tot zijn recht in songs, die het net wat minder van een opwindende ritmiek moeten hebben. Het fraai naar een climax toewerkende openingsnummer “Baby’s Got A Dream” is er zo meteen al één, de werkelijk bloedmooie, door gastmuzikant Charlie Rose van wat ronduit zalig pedal steel-gehuil voorziene ballade “Last Night I Dreamed” zeker ook en dan vergeten we bijna nog de ook al verbluffend mooie trage afsluiter “Universe Began”. Stuk voor stuk liedjes, waarvoor producers Paul Q. Kolderie – Je ongetwijfeld ook wel bekend van zijn werk met Radiohead, Uncle Tupelo, Lemonheads en vele andere grote namen! – en Adam Taylor absoluut hun beste beentje voor lijken te hebben willen zetten. En dan willen we vooral ook niet nalaten om hier nog even te wijzen op het alternatieve countryduetje “1,000 Times”, waarvoor Hayden zijn knappe jonge collega Sarah Borges als zangpartner wist te strikken, en de melancholische retro-countryrockdeun “This Old House”, ook dat zijn immers absolute toppertjes. Het soort van nummers, waarvoor ons inziens ooit de repeat-toets op de cd-speler werd uitgevonden. “Sweet Nothings” misschien, maar dan wel verdraaid lekkere…

Girls Guns And Glory

 

JOHN MITCHELL & SOFIE JONSSON “Western Highways” (SoJo)

(3,5****)

John Mitchell en Sofie Jonsson ontmoetten elkaar voor het eerst zo’n jaar of zes geleden op het Schotse Invershin Country Roots Festival. Al snel kwamen ze erachter, dat ze op muzikaal vlak nogal wat raakpunten vertoonden. En zoals dat dan wel vaker gaat, kwam van het één ook het ander. De twee begonnen samen op te treden en verkasten een jaar later naar het Zweedse Dalarna, de thuishaven van Jonsson. Van daar uit werkten ze sedertdien zo’n honderd gigs per jaar af en dat moest vroeg of laat vanzelfsprekend ook wel eens gaan leiden tot een eerste plaatopname samen. En die is er nu eindelijk ook. “Western Highways” heet dat geheel en het bevat naast een heleboel Schotse en Ierse folkdeuntjes ook uitstapjes richting bluegrass, country en Americana. Al blijft de nadruk op de keper beschouwd toch wel redelijk nadrukkelijk op het element folk liggen. Beiden tonen ze zich op deze twaalf eenheden tellende set prima, elkaar knap aanvullende vocalisten, Mitchell is bovendien een uitstekende gitarist en Jonsson kan meer dan alleen maar haar mannetje staan op de fiddle. Merendeels bedient het duo zich van materiaal van anderen, maar met deuntjes als “Rover (Rolling Home)”, “September”, “Green Grow The Rashes” en “Lindsay’s Waltz / Magruder’s Pause” is er toch ook ruimte voor de nodige eigen pennenvruchten. De wat ons betreft zondermeer opvallendste momenten: het mede door de werkelijk wonderschone dobro-inbreng van gastmuzikant Ulf Nygårds naar eenzame hoogten getilde “Take Me Out Drinking Tonight” van de Schotse singer-songwriter Michael Marra, waarin twee muzikale werelden, met name de Britse folktraditie en Americana, elkaar op wonderlijke wijze weten te vinden, een ook al erg geslaagde, tweestemmig gebrachte cover van Steve Earle’s “Tom Ames’ Prayer” en een met een kloeke geut folk besprenkelde “bluegrass approach” van Dolly Partons monsterhit “9 To 5”, ons inziens voorwaar stukken beter dan het origineel! Niet toevallig allicht juist die nummers, waarin net iets meer dan elders de kaart Americana wordt uitgespeeld. Al bij al een best wel sympathieke eersteling met enkele ijzersterke momenten, die wellicht zelfs de meest verstokte twijfelaar over de brug zullen weten te krijgen.

John Mitchell & Sofie Jonsson

CD Baby

 

FIERY BLUE “Our Secret” (Doubloon Records)

(4****)

“Our Secret” is na het naar zichzelf vernoemde “Fiery Blue” al het tweede resultaat van de hoogst aparte “long distance collaboration” tussen de vanuit San Diego actieve songsmid Paul Marsteller, Texaanse multi-instrumentalist Gabe Rhodes en zingende NYC-inwoonster Simone Stevens. Dat nieuwe album van het elkaar vanop grote afstand knap aanvullende drietal klinkt beduidend meer country dan zijn voorganger. Een beetje retro ook wel. En dat ligt met name zangeres Stevens uitstekend. Meer nog dan in het verleden hoor je daardoor immers, hoe goed ze wel is. Haar bij momenten een weinig klaaglijk aandoende zang is echt geknipt voor de veelal rond het verlangen naar eeuwig durende liefde draaiende liedjes, die ons “this time around” worden geserveerd. En voor de rest zorgen Rhodes (productie, gitaren, keyboards, accordeon, bas, harmonica, strings, percussie), Marsteller (gitaar) en een handvol gasten waaronder Hunt Sales (drums, percussie), Kimmie Rhodes (harmony vocals in de op bijzonder sfeervolle wijze aan de countryhoogdagen van weleer herinnerende Beatles-cover “I’ve Just Seen A Face”), Quinn Vogt-Welch (backing vocals), Fred de Fred (gitaar en toetsen) en Tommy Spurlock (pedal steel). Het resultaat van hun onwaarschijnlijke “samenwerking” heeft iets bepaald tijdloos over zich. Prima gebrachte, lekker gevarieerde Americana-liedjes, die neigen in de richting van het recentere materiaal van bijvoorbeeld een Tift Merritt, een Emmylou Harris of een Lucinda Williams. En dat blijven wat ons betreft tot nader order zonder uitzondering uitstekende ijkpunten. Graag meer van dat dan ook!

Fiery Blue

CD Baby

 

FUR DIXON & STEVE WERNER “Songs Of The Open Road, Volume One” (Grass & Gravel Records)

(3,5****)

Anders dan zo menig een luid “I’m country and proud of it!” verkondigende act zijn Fur Dixon en Steve Werner gewoon country. Zij hebben dat soort van verkoopsslogans absoluut niet nodig. Hun grote cowboyhoeden dienen niet ter bevestiging van een imago. Neen, zoals al gesteld, zij zijn gewoon “the real deal”. En dat onderlijnen ze ook met hun nieuwe cd “Songs Of The Open Road, Volume One” weer. In een productie van Dennis Moody en begeleid door Paul Marshall, John “Groover” McDuffie, Brantley Kearns, Paul Cartwright, Otoño Lujan, Tony Zamora en gelegenheidskoortje Dreary Black Hills & The Barnyard Singers werken ze zich daarop als naar goede gewoonte heerlijk harmoniërend doorheen covers van songmateriaal van Doc & Merle Watson (“Southbound”), Randall Lamb (“I Like How I Feel”), Woody Guthrie (“Do Re Mi”), Jim Ringer (“Waitin’ For The Hard Times To Go”), Blaze Foley (“Clay Pigeons”), Mary McCaslin (“The Dealers” en “Prairie In The Sky”) en Dan Janisch (“I Cannot Settle Down”) en een stel traditionals (“Dreary Black Hills” en “De Colores”, een verbluffend mooi staaltje tex-mex!). Een potje heerlijke old-school Americana is het gevolg. Absoluut niets nieuws onder de zon, maar wel hoogst genietbaar. Geen wonder dan ook, dat dit tweetal zich “in no time” een plaatsje in de harten van flink wat muziekminnende Amerikaanse westerners heeft weten te verwerven. Samen met hen kijken wij nu al uit naar een volgend volume van dit wel bijzonder geslaagd te noemen project!

Fur Dixon & Steve Werner

CD Baby

 

MA RAIN “Glory Runner” (WP)

(4****)

“Sommige cd’s moeten gewoon gemaakt worden,” liet de gereputeerde Nederlandse producer Wouter Planteijdt zich naar aanleiding van “Glory Runner”, de derde van Ma Rain, de groep rond de Amsterdamse zingende liedjesschrijfster Marijn Wijnands, ontvallen en overschot van gelijk had hij daarbij. Zelfs het gemis aan een platenmaatschappij en derhalve ook een afdoend budget weerhielden “de Nederlandse Lucinda” er niet van om andermaal met een niets minder dan formidabel album uit te pakken. Dertien nummers lang bewijst ze hier nog maar eens, dat ze zelfs zo menig een Amerikaanse Americana-collega moeiteloos naar de kroon kan steken. Knappe liedjes, dito teksten en dan die stem natuurlijk nog! Geen wonder, dat men Wijnands in het verleden reeds vergeleek met groten der aarde als een Lucinda Williams, een Sandy Denny en een Joni Mitchell. Niet één emotie, die ze met dat machtige instrument niet aankan! Met name in wat rustigere liedjes als “Gather At The Creek”, “Old Friend” en “Fruit From A Tree” zorgde dat hier spontaan voor het nodige kippenvel. Heel mooi trouwens ook, hoe muzikanten als Planteijdt, Marcel de Groot, Janos Koolen, Peter Wassenaar, Richard Heijerman en Rudi de Graaff zich daarin voortduren ten dienste van het liedje stellen. Met veel oog voor detail helpen zij Wijnands aan een geluid, dat haar stem en liedjes werkelijk alle eer aandoet. Dit klinkt allemaal zo puntgaaf, zo af, zo mooi vooral ook, dat ik nu al durf te stellen, dat ik deze plaat nog heel wat vaker in lade van de cd-speler zal gaan schuiven dan de nieuwe van La Williams. Zo goed? Zo goed inderdaad!

Ma Rain

 

BRIAN WRIGHT “House On Fire” (Sugar Hill / EMI)

(4****)

Buitengewoon intrigerende Americana van een man, die maar moeilijk voor één gat te vangen blijkt. Zelfs binnen de context van één en hetzelfde liedje slaagt deze Brian Wright er immers bij herhaling in om je op het verkeerde been te zetten. Inventieve tempoveranderingen, een gewaagde instrumentkeuze, een veelheid aan “moods”, het doel heiligt hier duidelijk de middelen. Voeg daar nog aan toe, dat de beste man een geweldig nummer in de vingers heeft en zich voor de opnames van “House On Fire” wist te omringen met een stel uitstekende muzikanten en het zal je duidelijk zijn, dat we hier iets speciaals in handen houden. Onze luistertips: het op aparte wijze twangende “Blind April”, de met Jamie Drake gebrachte folky parel “Live Again”, de behoorlijk psychedelisch ingevulde stamper “The Good Dr.”, het met “R&B Dr. John style” stoeiende “Still Got You” en het intimistische, door huisfavoriet Joe Purdy met een knappe pianobijdrage en wat zang opgewaardeerde Americana-luisterliedje “Mean Old Wind”. Zwaar verslavend spul zondermeer!

Brian Wright

Sugar Hill Records

 

OKIESON “Some One ’N Some Want” (Elektrograph Records / Bertus)

(4****)

Wie zich, misschien wel op basis van de hier erover verschenen lovende woorden, liet verleiden tot de aanschaf van “Cupboard Full Of Things”, de vorige van het Nijmeegse collectief Okieson, zal zich wellicht ook blind aan een exemplaar van de opvolger van die plaat wagen. En verbazen zou het ons alvast allerminst, als ook dat nieuwe album “Some One ’N Some Want” weer in goede aarde zou vallen. Ook ditmaal is het daarop immers vergeefs zoeken naar al was het ook maar één minder moment. Dit is gewoon Americana van het allerbeste soort. Opgenomen tijdens een broeierige nazomer in Nashville onder het waakzame oog van de ondermeer van zijn werk met Bonnie Prince Billy en Andrew Bird bekende Mark Nevers. Hij hielp de band rond songsmid Sebastiaan van Bijlevelt aan een heerlijk organisch geluid en droeg er verder ook zorg voor, dat klinkende namen als Elvis Presley-gitarist Pete Cummings, Lambchop-leden Tony Crow en Matt Swanson, Calexico’s pedal steeler Paul Niehaus en rijzende ster Caitlin Rose voortdurend keurig binnen het gelid bleven. “Some One ’N Some Want” klinkt wellicht mede daardoor net iets toegankelijker als zijn veelgeprezen voorganger. Sfeer blijft echter “nach wie vor” het sleutelwoord. Teksten over liefdesleed, twijfels, vallen en weer opstaan vinden een ideale voedingsbodem in een met veel zorg en toewijding samengestelde muzikale lappendeken, waarin je bij tijd en wijle weliswaar invloeden als Calexico, Lambchop, Wilco en Neil Young meent te mogen horen doorklinken, maar die toch vooral hoogst origineel aandoet. Niemand klinkt als Okieson. En dat is misschien wel het mooiste compliment, dat je van Bijlevelt en co maken kan. Internationale klasse gewoon! Beklijvend van de eerste tot de laatste noot!

Okieson

Bertus

 

ANA EGGE “Bad Blood” (Ammal Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Wat betreft de kwaliteit van haar liedjes zaten we bij Ana Egge eigenlijk altijd al wel goed. De jonge Amerikaanse is immers een ongelooflijk getalenteerde songsmid. En met “Bad Blood”, haar eerdaags te verschijnen zesde, lijkt ze nu ook eindelijk de sleutel voor het slot op de deur richting erkenning op een wat grotere schaal in handen te houden. Ditmaal werd er immers zorg voor gedragen, dat werkelijk alles klopte. Zo strikte ze bijvoorbeeld Steve Earle voor de productie, trok ze voor de opnames richting de studio’s van Levon Helm in Woodstock, liet ze zich begeleiden door Earle, diens wederhelft Allison Moorer, Byron Isaacs van de Levon Helm Band, Rob Heath van The Madison Square Gardeners en Eleanor Whitmore en Chris Masterson van The Dukes en wist ze Ray Kennedy te overtuigen om het geheel te mixen en masteren. En dat leidt bijna vanzelfsprekend tot verbluffende resultaten ook. Egge, die in haar teksten een uitweg vond om het te hebben over de elders amper bespreekbare geestesziekte van enkele van haar familieleden en de vaak behoorlijk zwaarwegende gevolgen daarvan, bestrijkt met de twaalf liedjes op “Bad Blood” nogal wat Americana-terrein. Van aardig rockend zoals in opener “Driving With No Hands”, “Shadow Fall” of het bezwerende titelnummer tot op wat meer ingetogen wijze focussend op de verhalen zoals in “Hole In Your Halo” of “Hands And Knees”, nu eens eerder folk, dan weer wat meer country. Best wel een beetje vergelijkbaar met de aanpak van Mary Gauthier eigenlijk, met wie ze op de keper beschouwd ook wel enige stemgelijkenissen vertoont. Héél sterk alleszins allemaal!

(“Bad Blood” is verkrijgbaar vanaf 23 augustus.)

Ana Egge

Lucky Dice Music

 

OLD 97’s “The Grand Theatre Vol. 2” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Eén enkele plaat, een dubbelaar, dat was oorspronkelijk het voornemen geweest, maar in de aanloop naar de release ervan veranderden Rhett Miller en zijn maats van de Old 97’s alsnog van mening. Het leek de heren plots een veel betere beslissing om met een korte break ertussen twee aparte volumes op hun fans los te laten. Zo zouden die immers rustiger kunnen tot zich nemen wat beide schijfjes aan mooi nieuws te bieden hadden. En wat meer is, het bood de groep ook de kans her en der nog wat bij te schaven aan het materiaal van “The Grand Theatre Volume Two” en er zelfs nog enkele gloednieuwe nummers aan toe te voegen. En laat dat nu net enkele van de sterkste van het lot zijn! Eerste single “Perfume” bijvoorbeeld al, door platenlabel New West Records gepresenteerd als een soort van “sequel” op “The Dance Class” van “Volume One”. Daarin vertelt Miller het tragische verhaal van een knaap met agorafobie, die verliefd wordt op een danseres, die aan de andere kant van zijn straat woont. Een “crush” als het ware gedoemd om op een sisser uit te draaien, maar dan niet zoals die hier wordt beschreven. De protagonist van het verhaal weet zijn vlam immers wel nog binnen te doen, maar moet dan met lede ogen van achter zijn raam toezien, hoe ze er maar op los leeft. Een hoogst bizarre plot, dat is wel het minste, wat je daarover kwijt kan… Nog zo’n “last minute song” is “I’m A Trainwreck” en ook dat is een ronduit geweldig nummer. Is naar verluidt ondertussen ook reeds uitgegroeid tot een heuse publiekslieveling tijdens concerten van de band, die op “crunchy” gitaren geënte streep aanstekelijke country rock. En zo treffen we er hier wel meer aan. We denken dan bijvoorbeeld aan het net iets bedaardere openingsnummer “Brown Haired Daughter”, dat op de één of andere manier ook wel “iets Brits” over zich heeft, aan het heerlijk punky twangende “The Actor” en aan “Ivy”, een aan het verhaal van een tussen twee mensen binnen een relatie gapende intellectuele kloof opgehangen deluxe rockertje. Andere “moments suprêmes”: de knappe ingehouden roots pop van “Manhattan (I’m Done)”, het stomende, nauwelijks anders dan als cowpunk te omschrijven instrumentaaltje “Marquita”, het ondanks een eerder stuiterende beat al haast even energieke “Bright Spark (See What I Mean)” en de zo stilaan obligatoire Murry Hammond-bijdrage, “White Port”, zich ontrollend tussen folk, country en rock en echt rete-aanstekelijk, mede door z’n hilarische piratengezang. Samenvattend is hier wederom sprake van een uitstekende plaat. Eigenlijk zelfs gewoon nog beter dan “Volume One” en ook dat was naar onze bescheiden mening al een echt schot in de roos, kan je nagaan…

Old 97’s

New West Records

Sonic Rendezvous

 

ROBERT ELLIS “Photographs” (New West / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als je, zoals de jonge Texaan Robert Ellis, van wel meer muziekjes houdt, dan kan je eigenlijk maar twee dingen doen. Ofwel negeer je gewoon één van je voorliefdes, ofwel ga je, zoals hij, voor een gediversifieerde aanpak. Dat laatste, wedden op meerdere paarden tegelijk, houdt dan wel het risico in, dat je wel eens tussen twee stoelen zou kunnen belanden. Niet iedereen houdt immers van muzikaal eclecticisme. Maar dat lijkt ons in zijn geval hoogst onwaarschijnlijk. Daarvoor is zijn songmateriaal immers gewoon te sterk. Aftrappen doet Ellis zijn tweede plaat met een reeks fijngevoelige, akoestische (folk)luisterliedjes, die met name fans van het werk van de jonge Jackson Browne volop zouden moeten kunnen bekoren. Stemgewijs neigt hij daarin overigens aardig in de richting van “mooizinger” Don McLean. En ook dat vinden wij eigenlijk alleen maar een pluspunt. Ongeveer halverwege “Photographs” gaat de 22-jarige songwriter echter plots uit een totaal ander vaatje tappen. Vanaf “Comin’ Home” regeert eensklaps (eerder traditionele) country. Materiaal, waarvoor beurtelings George Jones (tragen als “What’s In It For Me?” en “I’ll Never Give Up On You”) en Gram Parsons en de Burrito Brothers (de zwierige countryrocker “No Fun”) model lijken te hebben gestaan. Op vinyl zou je hier dus twee compleet verschillende plaatkanten aan over hebben gehouden. Afhankelijk van je “mood” van het moment zou je dan voor de juiste kant hebben kunnen kiezen. Op cd wordt van de luisteraar ergens onderweg een flinke “moodswing” verlangd. Knap indrukwekkend is het echter allemaal zondermeer wel, wat de jonge Ellis hier brengt. In die mate zelfs, dat we hem nu al een serieuze belofte voor de toekomst durven te noemen.

Robert Ellis

New West Records

Sonic Rendezvous

 

JEFF LARSON “House Concert – Oak Park, California, 15 January 2011” (Jeff Larson Music)

(3,5****)

Een veel betere manier om je eigen “house concerts” te promoten lijkt ons amper denkbaar. Dit begin dit jaar bij een koppel in Oak Park, Californië vereeuwigde optreden van Jeff Larson heeft immers echt alles om ’s mans in niet geringe mate aanwezige kwaliteiten op afdoende wijze te accentueren. Daarbij enkel een beroep doend op de eigen kristalheldere stem en akoestische en her en der rekenend op wat hand-en-spandiensten van maatjes Hank Linderman en Jeddrah Schmit voor respectievelijk wat beheerste bijdragen op de elektrische gitaar en wat backing en harmony vocals glijdt Larson op wel bijzonder subtiele wijze doorheen tien liedjes van eigen hand. Soms mag daarop het etiket pop, elders is eerder sprake van folk rock dan wel Americana, steeds echter met een bescheiden likje “sunny California” eroverheen. Op z’n mooist vonden wij het telkens weer, als Schmitts stem zich behaaglijk tegen die van Larson kwam aan nestelen. Meer nog dan elders ging je dan immers de magie van zo’n “avondje uit thuis” ervaren, ook al was je er dan die bewuste avond daar in Californië niet eens zelf bij. Gaan we in de al wat latere uurtjes dan ook nog regelmatig naar blijven teruggrijpen, naar dit schijfje. Zeker weten!

Jeff Larson

CD Baby

 

GUY CLARK “Songs And Stories” (Dualtone / Bertus)

(4****)

Op 6 november aanstaande viert levende legende Guy Clark zijn zeventigste verjaardag. En die datum wil men bij zijn platenlabel Dualtone alvast niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Bij wijze van ultiem eerbetoon aan één van de allergrootste Amerikaanse singer-songwriters ooit trakteert men ons daarom op “Songs And Stories”, een in het historische Belcourt Theatre in Nashville opgenomen akoestisch live-album, waarop Clark in het gezelschap van Verlon Thompson (zang, verhalen, gitaar), Shawn Camp (zang, gitaar, mandoline), Bryn Davies (staande bas) en Kenny Malone (percussie) in de verhalen achter een aantal van zijn liedjes duikt. Het resultaat van die samenwerking is een intimistisch, bij momenten heerlijk luchtig, elders juist weer net heel erg pakkend geheel, waarmee Clark nog maar eens ten voeten uit bewijst, waarom hij niet enkel bij liefhebbers van Americana over de gehele wereld, maar ook bij heel wat collega’s, zo ontzettend hoog aangeschreven staat. Klassieke songs als “L.A. Freeway”, “The Randall Knife”, “Sis Draper” en “Dublin Blues” worden erop afgewisseld met wat recenter materiaal à la “Out In The Parkin’ Lot”, “Maybe I Can Paint Over That” en “Magnolia Wind”. Daarnaast de ook al van “Somedays The Song Writes You” uit 2009 bekende Townes Van Zandt-cover “If I Needed You”, hier en nu gebracht met wat informatie over het nogal ongewone nachtelijke ontstaan van dat liedje en over de parkieten van zijn schrijver. Eén van dé absolute hoogtepunten van een plaat tot de nok toe gevuld daarmee! Van ganser harte aanbevolen dan ook, dit schijfje!

Guy Clark

Dualtone Music Group

Bertus

 

JIMMIE VAUGHAN “Plays More Blues, Ballads & Favorites” (Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

Jimmie Vaughan was danig in zijn nopjes met de ontvangst van zijn comebackplaat “Plays Blues, Ballads And Favorites”, dat hij nauwelijks veertien maanden later al met een vervolg daarop uitpakt. “More Blues, Ballads & Favorites” inderdaad. Meer van hetzelfde uit het grensgebied tussen blues, R&B, soul en country. Opnieuw opgenomen in zijn thuishaven Austin, daarbij ook weer een beroep doend op dezelfde “cast” aan muzikanten. En dat betekent onder andere, dat we ook ditmaal weer de lichtjes fantastische Lou Ann Barton aan boord weten. Samen met Vaughan troont die ons van het ene hoogtepunt naar het andere. Een loom rockende versie van “I Ain’t Never” van Webb Pierce fungeert als startschot. Vervolgens belanden we met “No Use Knocking” van wijlen Bobby Charles in New Orleans voor een lekker potje lokaal gekleurde R&B, gaat het via Jimmy Liggins’ “Teardrop Blues”, een ongemeen soulvol gebrachte, zijn titel echt alle eer aandoende sleper, en Hank Williams’ “I Hang My Head And Cry”, een schoolvoorbeeld van country soul of preciezer nog “R&B meets old school country”, richting “It’s Been A Long Time”, een eerste bezoekje aan het oeuvre van Annie Laurie, een niet echt bij het grote publiek bekende R&B-chanteuse uit alweer New Orleans. Wat verderop zal Barton haar tanden ook in haar “I’m In The Mood For You” zetten. En ook van Bobby Charles wordt nog een tweede nummer gebracht. In zijn “I Ain’t Gonna Do It No More” blijken R&B en (Western) swing plots heel erg goede naaste buren. Andere beklijvende momenten: Bartons geweldige lezing van Jivin’ Gene’s supertrage “Breaking Up Is Hard To Do”, “What Makes You So Tough”, één van de vele op soulvolle wijze traag de blues bedrijvende juweeltjes hier, ontleend aan het songbook van Teddy Humphries, “Greenback”, een retestrak swingende instrumental met machtig gitaarwerk en dito sax signè Ray Charles, een met brio naar een bluescontext vertaald “I’m Gonna Love You” van Jimmy Reed, het van ondermeer Doug Sahm bekende “The Rains Came” en zeker ook het afsluitende “Shake A Hand”, misschien wel het allermooiste nummer van deze set, met Barton live en broeierig in de voetsporen van Faye Adams. Ruimschoots voldoende flitsen van pure klasse dus om je als fan of gewoon als liefhebber van goede muziek nu al reikhalzend te doen uitkijken naar eventueel volgende volumes. En het goede nieuws is, dat er naar alle waarschijnlijkheid ook nog wel één of meerdere zullen volgen ook. Vaughan heeft immers zelf al duidelijk laten verstaan, dat hij de smaak goed te pakken heeft. Dat belooft dus…

Jimmie Vaughan

Proper Records

 

JOHN HIATT “Dirty Jeans And Mudslide Hymns” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Een nieuw album van John Hiatt vinden wij na al die jaren nog altijd iets om naar uit te kijken. Die stem! Hoogst verslavend! Die teksten! Herkenbaar uit de duizenden gewoon! U begrijpt op basis van voorgaande woorden, dat wij al een poosje met hangende pootjes zaten wachten op “Dirty Jeans And Mudslide Hymns”, ’s mans ondertussen toch ook alweer twintigste studioplaat. En die is goed! Verdomd goed zelfs! Als hondstrouwe fan van John zouden wij hem zelfs tot zijn allerbeste durven te rekenen. En geloof ons, dat wil iets zeggen! Aftrappen doet de binnenkort negenenvijftig wordende Hiatt tegen een muur van vervaarlijk uit de hoek komende gitaren en ondersteund door een ook al bepaald dreigend ritme met “Damn This Town”. Daarin brengt hij verslag uit over een familietragedie in de waarste zin van het woord. De ingrediënten liegen er alvast niet om: drank, geweld, moord… Met “onze man” op zijn rockende best! Een topvorm etalerend, die hij in een productie van de je ondermeer van zijn werk met The Black Crowes en Joe Bonamassa bekende Kevin Shirley vervolgens ruim drie kwartier lang weet te bevestigen met naast een handvol van de van hem stilaan wel vertrouwde hartverscheurende liefdesliedjes (“I Love That Girl”, “Til I Get My Lovin’ Back”, “Hold On For Your Love”) en wat de States anno nu behandelende nummers (het weidse 911-epos “When New York Had Her Heart Broke”, “Down Around My Place”, “Adios To California”) ook één lekker swingend niemendalletje over auto’s (“Detroit Made”). Super gewoon! En gegarandeerd weer goed voor een aantal nieuwe klassiekers op zijn live-repertoire. Met name die nummers, waarin de bluesgitaren lekker agressief aan de bak mogen, zouden wij zo zeggen…

Van “Dirty Jeans And Mudslide Hymns” is er trouwens ook een “Deluxe Version”. Die wordt geleverd met een bonus-dvd, met daarop naast een “The Making Of”-gedeelte en een interview met Hiatt zelf ook het gehele album nogmaals in een 24/96 High Resolution Audio Mix.

John Hiatt

New West Records

Sonic Rendezvous

 

DAN KRIKORIAN “Windsor Blue” (Georgia Reign)

(3,5****)

Aanbevolen als je houdt van Damien Rice, Jack Johnson, Joe Purdy, Josh Ritter of Ryan Adams prijkt er bij online indie-muziekverdeler CD Baby onder de titels van zijn drie platen tot op heden en daarmee weet je meteen vrij goed welk muzikaal vlees je met Dan Krikorian in huis haalt. En wij houden het met betrekking tot zijn laatste, het onlangs verschenen “Windsor Blue”, dan ook op akoestische folk en roots pop , gebracht met een fluwelen stem en ook tekstueel behoorlijk sterk. Voor de productie van de twaalf kleinoden erop tekende Krikorian net als voor voorganger “Colors And Chords” uit 2009 samen met I See Hawks In L.A.-drummer Shawn Nourse weer zelf. En begeleiden liet hij zich tijdens de opnames naast door die Nourse (drums, percussie) ook nog door Randy Querry (bas, wasbord), Mike Teague (gitaren, zang), Bob Boulding (gitaren, mandoline, banjo), Carl Byron (keyboard, accordeon), Michael Starr (fiddle, mandoline, banjo, National), Chris Lawrence (pedal steel) en Paul Marshall en Debra Tala (zang). Een behoorlijk rijk instrumentarium dus en dat laat zich horen ook. Wat Krikorian hier brengt, klinkt door de band genomen immers ontzettend af. Zo is “New York City Day” bijvoorbeeld een puntgave folkrocker, gedragen door een zomerse wind van soulvol warme toetsen en fraaie koortjes, zweeft het ingetogen “Isabel” over een weemoedige pedal steel en zacht betokkelde gitaren wat meer richting Americana en is “Goodbye Waltz” de zo ongeveer perfecte verklanking van zijn titel. Verder ook nog heel knap: “Thief Like That”, het titelnummer en “Quiet Love”. Het eerste een over quasi dronken voorbij waggelende pianoklanken uitgesmeerd streepje late night luistervoer, het tweede een op de één of andere manier bepaald folky aandoende oorwurm, het laatste een ons daadwerkelijk heel erg aan Joe Purdy herinnerend luisterliedje. Met dat soort van deuntjes mag u ons te allen tijde graag komen lastigvallen. Ze verraden immers stuk voor stuk een flink uit de kluiten gewassen singer-songwritertalent, dat mits wat geluk op de juiste momenten ongetwijfeld een heel mooie toekomst tegemoet mag zien. Zeg maar, dat wij het je gezegd hebben!

Dan Krikorian

CD Baby

 

TORI SPARKS “Until Morning / Come Out Of The Dark” (Glass Mountain Records)

(3,5****)

Haar derde, het in 2009 verschenen “The Scorpion In The Story”, kon in Europese rootsmuziekmiddens rekenen op nogal wat bijval en dus was het voor Tori Sparks vooral zaak om met een minstens even degelijke opvolger op de proppen te komen, kwestie van het ijzer te smeden nu het plots heel heet bleek. Ze dook daarom ook opnieuw met producer David Henry de koffer in en verzamelde voorts een hele schare aan gerenommeerde collega’s om zich heen voor het inblikken van die nieuwe worp. Shawn Mullins, Mike Farris, Paris DeLane (van Sonia Dada), David Mead, Fats Kaplin, Will Kimbrough, John Deaderick, Viktor Krauss, Joe Garcia en heel wat anderen duiken zo her en der allemaal wel ergens op in de over twee EP’s verspreide veertien nieuwe nummers van Sparks. Niet echt een traditioneel album in de waarste zin van het woord dus, dit “Until Morning / Come Out Of The Dark”. Een dubbel-EP met bovendien ook nog eens conceptuele neigingen, duidelijk uiteenvallend in twee behoorlijk verschillende helften. Het eerste schijfje “Until Morning” staat zo voor Sparks’ duistere kantje. Zowel wat betreft haar zang, als wat betreft haar liedjes overigens. Het tweede, “Come Out Of The Dark”, staat voor de dageraad, het eerste licht na de nacht van “Until Morning”, en komt als dusdanig als geheel ook wat toegankelijker over. “Tumbleweed Americana meets fragile folk” lazen we daarover ergens en da’s eigenlijk best wel een treffende omschrijving. Feit is alleszins, dat zowel dat “Come Out Of The Dark” als “Until Morning” heel wat ijzersterke momenten kennen. Ideale vehikels voor de bij momenten weer formidabele zangprestaties van La Sparks. We noemen in dat verband bijvoorbeeld de bezwerend verleidelijke ingehouden roots rock van “Mama”, het desolate “On My Mind” en de merkwaardige, ongemeen intense Nat King Cole-cover “Quizas Quizas Quizas” van “Side 1” “Until Morning” en het lekker rammelende “Judge A Book”, het broze “Tennessee Line” en het ook al heel erg ingetogen gebrachte titelnummer van “Side 2” “Come Out Of The Dark”. Met dat soort van deuntjes bevestigt Sparks wat ons betreft probleemloos al het naar aanleiding van “The Scorpion In The Story” over haar verkondigde goeds. Misschien zit er hiermee zelfs wel een doorbraak op wat grotere schaal in. We hopen het samen met haar!

Tori Sparks

 

ART & LISA “Healin’ Time” (Art & Lisa )

(3,5****)

Voor hun debuutplaat “Learning To Breathe Again” heb ik na de Texas Music Awards van vorig jaar een inhaalbeweging moeten inzetten. Het was immers naar aanleiding van hun nominatie voor zo’n onderscheiding als “Vocal Duo of the Year” dat ik met Art & Lisa kennismaakte. Een beetje “out of the blue” dus eigenlijk en wat dat betreft perfect vergelijkbaar met de toevallige ontmoeting, die aan de basis had gelegen van de samenwerking van Art Crawford en Lisa Beck als duo. Zij was het geweest, die op een zondagnamiddag in Arkey Blues Silver Dollar in Bandera, Texas tijdens de wekelijkse jamsessie van wat lokale artiesten aldaar op hem afgestapt was met de vraag “Hey, do you know ‘You’re The Reason God Made Oklahoma’, and would you sing it with me?” en zo niets vermoedend het zaadje voor hun toekomstige muzikale trip samen had geplant. Hij een grofgevooisde, op een dieet van gospel en later songwriters als Woody Guthrie, Bob Childers en Jimmy LaFave gerijpte zingende tekstdichter, zij een pas gescheiden, aan country en harmonieerwerk verknochte gitariste met een kristalheldere stem – “echt een match, bedacht ergens daarboven”! En dat resulteerde dan ook al snel in de hoger al even genoemde plaat. Een album, dat ondertussen zo menig een deur voor het duo opende. Zo vonden ze bijvoorbeeld snarenvirtuoos John Inmon bereid om de opvolger ervan te produceren. En niet alleen dat! Inmon tekende immers ook voor het gitaarwerk erop en wist ook fiddler Richard Bowden bij het project te betrekken. Samen met protagonisten Crawford en Beck en een handvol andere betrokkenen waden zij doorheen negen eigen songs van het duo en het van Walt Wilkins geleende “Healing Waters”. Crawford zorgt daarbij voor het nodige gruis, Beck voor de gratie. Feit is, dat hun stemmen wonderwel bij elkaar passen. En mooi vond ik persoonlijk ook, dat ze er absoluut geen probleem mee lijken te hebben elkaar afwisselend een centrale rol te gunnen. Iets wat aan “Healin’ Time” een lekker gevarieerd karakter helpt te verlenen en dat is alleen maar mooi meegenomen. Muzikaal gezien staan Art & Lisa immers voor door en door Texaanse folk en country, of Americana, zo je wil. Liedjes over verloren liefdes, gebroken families, gevoelens van wanhoop en ontgoocheling en andere worden gehuld in gewaden, die de herkomst van Crawford en Beck bij momenten nadrukkelijk verraden. De Red Dirt-scène van Oklahoma en singer-songwriterholen als Lubbock en Bandera hebben zeker zo hun invloed op hun ontwikkeling als artiest gehad. En dat vind ik persoonlijk absoluut niet erg. Zo lang dat nummers als het emotionele hoogstandje “Sands Of Lubbock”, met Beck in vocale bloedvorm, het ondanks een niet zo opgewekt thema lichtvoetig countryesk uit de hoek komende “Broken Without You (Briana’s Song)” of het door aanstekelijk rinkelende gitaarklanken aangedreven ingetogen countryrockertje “Steal The Heart” blijft opleveren tenminste! Dat zijn immers echte oorwurmen!

Art & Lisa

CD Baby

 

DERBY “Madeline” (Green Submarine Records)

(3,5****)

Namens het vanuit Portland, Oregon actieve collectiefje Derby bereikte ons onlangs de EP “Madeline”. Op die opvolger van hun debuut “This Is The New You” uit 2005 en het drie jaar geleden verschenen “Posters Fade” bevinden zich amper zes liedjes, maar daartussen wel een paar heel erg goede! Songs, die duidelijk profiteren van een door de heren voor de gelegenheid gekozen nieuwe aanpak. Alles klinkt hier daardoor lekker spontaan en ontspannen. Hun motto voor “Madeline” luidde dan ook: “Act first, think about it later!” En dat levert hier veritabele schoonheden op als het Beatle-eske “If Ever There’s A Reason”, ondertussen in de States al in gebruik genomen voor de reclamecampagne van de nieuwe Ford Explorer, “One’s A Lonely One”, een ogenblikkelijk tot diep onder de huid gaand akoestisch popdeuntje à la Josh Rouse in zijn beste dagen, de melodieuze slome power pop van single en titelnummer “Madeline” of “It’s All In Me”, nog zo’n fraaie melancholische trage, met lekker veel aandacht voor de pedal steel van Rian Lewis. Wat ons betreft net wat minder: het rockende tweetal “Don’t Believe In You” en “Creeping Climbing”. Al zal dat ook wel iets te maken hebben met het feit, dat wij het hier wat meer hebben voor de “Britse kant” van Derby en die komt nu eenmaal duidelijker naar boven in de wat rustigere liedjes.

Derby

 

CANDYE KANE “Sister Vagabond” (Delta Groove Music)

(3,5****)

Bluesdiva Candye Kane wordt door nogal wat mensen beschouwd als  “one tough cookie”. En “een taaie tante”, dat is ze eigenlijk best ook wel. Of beter nog, dat werd ze. Het leven zelve liet de voorbije jaren behoorlijk wat littekens op haar ziel achter. Zo groeide ze op in armoede in een slecht functionerend gezin, werd al als tiener moeder, zag zowat alle kleuren van de regenboog als een voor zichzelf de juiste niche zoekende muzikante en moest tot overmaat van ramp ook nog eens een strijd op leven en dood aangaan met alvleesklierkanker. Een mens zou van veel minder hard worden, maar toch… We moesten dat hard zijn van Kane toch vooral ook maar met een flinke korrel zout nemen. In haar teksten toont ze zich vaak immers juist heel erg positief. Als een soort van “healer” voor haar fans eigenlijk. En dat is iets, wat ook op haar elfde cd “Sister Vagabond” weer het geval blijkt. Ook daarop serveert ze ons naar goede gewoonte haar hart weer op een presenteerblaadje. Negen eigen nieuwe songs, allemaal gepend samen met de haar hier ook op verbluffende wijze op de snaren bijstaande jonge gitariste Laura Chavez, en een aantal herinterpretaties van eigen favorieten als de Johnny Guitar Watson classic “I Love To Love You”, het van Brenda Lee bekende “Sweet Nothin’s” en Steve White’s “Down With The Blues” tovert ze ditmaal uit haar weelderig decolleté tevoorschijn. En dat levert tal van echte “highlights” op. Zoals de cajun-meezinger “Have A Nice Day” bijvoorbeeld al, met op accordeon Eddie Baytos en op piano Sue Palmer, het nadrukkelijk wat donkerder territorium verkennende “Walkin’, Talkin’ Haunted House” zeker ook, de al even genoemde en hier onthaast, maar o zo “sassy” gebrachte Brenda Lee-cover “Sweet Nothin’s” en vooral ook het heerlijk swingende “Everybody’s Gonna Love Somebody Tonight”, waarin James Harman even zijn opwachting maakt voor een gesmaakte harmonicabijdrage. Andere wat ons betreft graag geziene gasten hier zijn ondermeer nog bassist Thomas Yearsley, je bekend van de Paladins, en gitaarvirtuoos Nathan James.

Candye Kane

Delta Groove Music

 

THE BOTTLE ROCKETS “Not So Loud” (Bloodshot / Bertus)

(4****)

The Bottle Rockets zoals je ze wellicht nog nooit hoorde! Helemaal bloot geven Brian Henneman en kompanen zich op hun nieuwe worp “Not So Loud”. Het betreft daarbij immers de registratie van een volledig akoestisch gehouden optreden van het volgend jaar zijn twintigste verjaardag vierende collectief in een negentiende-eeuws schoolgebouw in z’n thuisbasis St. Louis. Hier stoot je op de blanke pit onder de naar we mogen aannemen zo stilaan wel bekende ruwe bolster. Hier doen de heren eenmalig afstand van hun “just another bar band”-imago en zoeken ze aansluiting bij hun roots. Wortels, die overduidelijk binnen het Amerikaanse folkidioom blijken te liggen. Liedjes uit zo ongeveer hun volledige catalogus komen daarbij aan bod en blijven ook in hun naakte “uppie” meer dan alleen maar overeind. Henneman himself praat het geheel bovendien oordeelkundig aan elkaar. Met verhalen over ondermeer Dolly Parton en Doug Sahm kruidt hij de set op leuke wijze nog wat bij. Nadrukkelijk anders dan gewoonlijk dus, maar wat ons betreft wel minstens even goed!

The Bottle Rockets op MySpace

Bloodshot Records

Bertus

 

NICK 13 “Nick 13” (Sugar Hill Records)

(4****)

Dat Nick 13 zijn oog voor de productie van zijn titelloze debuutplaat op Greg Leisz en James Intveld liet vallen, blijkt op de keper beschouwd alleen maar vanzelfsprekend. Een eminente rol is er daarop immers weggelegd voor lap en pedal steel en zowel stem- als songgewijs herinnert hij in hoge mate aan precies James Intveld. Zijn veelal erg melancholisch aandoende liedjes lijken ons daarnaast vooral spek voor de bek van fans van lieden als een Monte Warden, een Chris Isaak of de Mavericks. Zo klinkt “Carry Me Down” bijvoorbeeld als “Isaak gone country” met een ingehouden twangend gitaartje als mooi meegenomen bonus, is de “toe-tapper” “101” een fraaie kruisbestuiving van Americana met rockabilly, lijkt “All Alone” Buddy Holly te willen koppelen aan een Johnny Cash-ritme, leunt het door gast Mike Webb van een subtiele accordeonbijdrage voorziene “Restless Moon” erg dicht aan bij het hitgevoelige werk van Raul Malo en kompanen en is het door Sara Watkins op gang “gefiddelde” “Someday” gewoon zomerse “country pur”. Rete-aanstekelijk allemaal en voor ons alvast een meer dan afdoend bewijs voor de stelling, dat het voormalige Tiger Army-kopstuk er goed aan heeft gedaan om ervoor te opteren om voortaan eigen wegen te gaan bewandelen.

Nick 13

Sugar Hill Records

 

KASEY CHAMBERS “Little Bird” (Sugar Hill Records)

(4****)

Dankzij Sugar Hill Records hoef je sinds kort eindelijk geen dure importwegen meer te bewandelen om je een exemplaar van de jongste Kasey Chambers aan te schaffen. Dat in amper een maand in de Foggy Mountain Studio van haar broer en manager Nash ingeblikte album behoort zondermeer tot haar beste. Chambers moet door een uitzonderlijke vlaag van inspiratie overvallen zijn. Dat is wel het minste wat je mag stellen naar aanleiding van die lekker gevarieerde nieuwe worp. Echt genieten geblazen is het van dingen als de zomerse Australiana van “Someone Like Me”, de eerder traditioneel ingevulde roots pop van “Beautiful Mess”, de heerlijk ongedwongen country rock van “Devil On Your Back”, het poppy en derhalve ook bijzonder radiogenieke titelnummer en de old-time-stamper “Georgia Brown”. En dat geldt al evenzeer voor het introverte “Somewhere”, het energieke, met wat goede wil onder de noemer roots rock vallende “This Story”, het lieflijke countryduetje “Love Like A Hurricane”, het met voorwaar een weinig naar de Stones lonkende gitaren gekruide “Down Here On Earth”, opnieuw een streep smakelijke roots rock, het al mijmerend gebrachte “Nullarbor (The Biggest Backyard)”, het tussen roots pop en bluegrass twijfelende en met een fijn trompetje opgewaardeerde “Bring Back My Heart”, het snedige “Train Wreck” en andere. Variatie troef hier alleszins! Met dank daarvoor ondermeer ook aan gasten als Missy Higgins, Camille Te Nahu, Kevin Bennett en Patty Griffin.

Kasey Chambers

Sugar Hill Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home