CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

JOHNNY DOWD “Do The Gargon” - MESCHIYA LAKE & THE LITTLE BIG HORNS “Foolers’ Gold” - LYNN MILES “Downpour” - GREG TROOPER “Incident On Willow Street” - SUGARAY RAYFORD “Dangerous” - SAM BAKER “Say Grace” - BRANDY ZDAN “Lone Hunter” - THE RESENTMENTS “Ghost Ship” - LEEROY STAGGER “Truth Be Sold” - BILL KIRCHEN “Seeds And Stems” - DELBERT & GLEN “Blind, Crippled And Crazy” - TOM RUSSELL AND THE NORWEGIAN WIND ENSEMBLE “Aztec Jazz”

 

 

JOHNNY DOWD “Do The Gargon” (Mother Jinx Records)

(3,5****)

Met zijn beklijvend-bevreemdende benadering van Americana van weleer heeft wat Johnny Dowd anno nu op “Do The Gargon” doet nog maar bitter weinig te maken. Dit is niets minder dan visionaire rock & roll. Gestoord in zo ongeveer heel zijn wezen. Uitermate rauw, sterk ritmisch, aardig bezwerend en bij momenten flink vervormd. Opgenomen in een klassieke driemansbezetting, met Dowd zelf op bariton- en “sissy”-gitaar, Michael Stark op keyboards en Willie B op drums en baspedalen. Hoe dan ook een serieuze “challenge” voor z’n fans van het eerste uur, thematisch geïnspireerd door één van z’n eigen favoriete oldies, Bobby “Boris” Picketts “Monster Mash”. Met Gargon als een soort van absurd alter ego, bij wie niks is wat het lijkt. Klinkt zo ongeveer als een kruising tussen Twin Peaks, Iggy Pop in betere tijden, Frank Zappa onder invloed en de Black Keys. Welcome to Weirdsville U.S.A.!

Johnny Dowd

 

MESCHIYA LAKE & THE LITTLE BIG HORNS “Foolers’ Gold” (Continental Coast)

(5*****)

Ook met “Foolers’ Gold”, de opvolger van het eveneens vibrante “Lucky Devil”,  wisten de extravagante Meschiya Lake en haar Little Big Horns ons weer ogenblikkelijk te vloeren. Gelijk van bij het een loopje met zo ongeveer elke vorm van moraal nemende openingsnummer “Catch ‘Em Young” is er geen ontkomen aan. Hier straalt zoveel “joie de vivre” van af, dat je er wel in mee moet. En dat doen we dan ook telkens opnieuw weer met het nodige plezier. Langsheen eigen Lake-songs als het door buitengewoon levenslustige blazers gedragen “I’ll Wait For You”, het zich traag voortslepend z’n naam alle eer aandoende “Midnight On The Bayou” en het titelnummer en vooral ook een karrenvracht aan covers van bekende en minder bekende (vintage jazz) songs. We noemen hier in die context onder meer graag het wervelende, voor de gelegenheid even van “good old” Louis Prima geleende “It’s The Rhythm In Me”, de door Lake op werkelijk voorbeeldige wijze naar het hier en nu vertaalde Bessie Smith classic “Young Woman’s Blues”, de traditional “Satan, Your Kingdom Must Come”, Cole Porters “Miss Otis Regrets” en Mac Davis’ feel-good-deuntje “I Believe In Music”. Samen goed voor veertien nummers en net geen vijfenvijftig minuten luisterplezier van de bovenste plank. Een waar muziekfeest in onvervalste “vintage New Orleans jazz style”. Essentieel luistervoer!

Meschiya Lake & The Little Big Horns, Continental Record Services

 

LYNN MILES “Downpour” (Continental Song City)

(4,5*****)

Als opvolger van het in kennerskringen zowat overal op het nodige gejubel onthaalde “Fall For Beauty” en het in eigen beheer uitgebrachte akoestische setje “Black Flowers Vol. 3” verscheen onlangs van de Canadese Lynn Miles het ook al erg fraaie “Downpour”. Daarop elf nieuwe “songs of love, life, darkness and light, a celebration of our fragile flawed and beautiful hearts,” aldus de zingende liedjesschrijfster zelf. Liedjes, die naar goede Miles-gewoonte ook ditmaal weer in de weidse schemerzone tussen folk en country te situeren zijn. Canadiana met een hoofdletter C, buitengewoon sfeervol, rijk aan emoties. En goudeerlijk vooral ook, gevoed door een uitermate scherpzinnige kijk op het (niet altijd even gemakkelijke) leven, op de wereld anno nu. Veelal eerder rustig van aard. Al mag een wat opgewektere (Lees: vlottere!) noot zo nu en dan best ook wel. We noemen in dat verband bijvoorbeeld het schoorvoetend naar country rock overhellende “Sad” en het met een snuif bluegrass twang op smaak gebrachte “Million Brilliant”. Maar Miles’ forte blijven wat ons betreft toch vooral haar “tragen”. Onweerstaanbaar gewoon, zo’n dingen als het hartverscheurende “Broken Hearted”, “Lesson In Everything”, “Moth”, “More” en andere. En een pluim daarvoor verdient zeker ook Ian Lefeuvre. Die tekende immers niet enkel voor de werkelijk loepzuivere productie van “Downpour”, maar doet ook vrijwel voortdurend van zich spreken op onder meer tal van snaar- en toetsinstrumenten en drums. En ook de harmony vocals verzorgt hij. Prachtig gewoon!

Lynn Miles, Continental Record Services

 

GREG TROOPER “Incident On Willow Street” (52 Shakes Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Een ongeluk komt maar zelden alleen! Dat weet sinds kort ook zingende songsmid Greg Trooper. Het afgelopen jaar moet immers zowat het meest bewogen uit zijn leven “so far” zijn.Tot tweemaal toe zag de beste man zich gedwongen te verhuizen, werd beroofd en kreeg tot overmaat van ramp ook nog eens orkaan Sandy over de vloer. Velen zouden voor minder de schouders laten hangen. Niet echter Trooper! Na met zijn gezin enkele weken op logeerbedjes te hebben doorgebracht vestigde hij zich in Brooklyn. En daar ging hij in de nabijgelegen Willow-studio van zijn oude maat Stewart Lerman omringd door een stel topmuzikanten ook onmiddellijk weer aan de slag. Onder de productionele hoede van Lerman zelf (occasioneel ook actief op bas en orgel) en met de nodige instrumentale bijstand van onder anderen Larry Campbell (elektrische en akoestische gitaren, pedal steel, mandoline, fiddle, banjo, Ierse bouzouki en een enkele keer ook piano), Jack Saunders (elektrische en akoestische bassen en harmony vocals), Oli Rockberger (diverse toetseninstrumenten), Kenneth Blevins (drums), zoon Jack (eveneens drums) en Lucy Wainwright Roche (harmony vocals) blikte Trooper (naast zang ook akoestische gitaar en mondharmonica) er twaalf nummers in, die zonder ook maar de geringste uitzondering tot zijn allerbeste mogen worden gerekend. Liedjes, nog opgehangen aan echte emoties. Liedjes, waarin alle rijkelijk aanwezige calamiteiten ten spijt aan de horizon altijd wel ergens een lichtje schijnt. Liedjes, waarin met andere woorden hoop nog volop regeert. En zo kennen we Trooper helemaal weer terug natuurlijk! Onze persoonlijke favorieten van dit als geheel erg geslaagd te noemen songdozijn: de met wat sfeervolle steelklanken op smaak gebrachte ballade “Amelia”, het ongemeen soulvol neergelegde “Everything’s A Miracle”, het melodieuze (Americana-)rockertje “Good Luck Heart” en vooral ook het openlijk met Keltische folktradities flirtende “Mary Of The Scots In Queens”. Maar voor alle duidelijkheid toch nog maar eens even herhalen: hier staat op de keper beschouwd hoegenaamd niet één minder nummer op! Dit is van begin tot einde gewoon top-Americana!

Greg Trooper, Lucky Dice Music

 

SUGARAY RAYFORD “Dangerous” (Delta Groove Music)

(4****)

Wij werden voor het eerst attent gemaakt op deze “zwarte reus” op de vorig jaar verschenen dubbelaar “Double Dynamite” van The Mannish Boys. Daarop leerden we Sugaray Rayford kennen als een “blues moaner” van het allerzuiverste kaliber. Een heel grote stem zonder meer! Een artiest, nadrukkelijk klaar om zijn toekomst bij de hoorns te vatten. En dat doet hij nu effectief ook, met het letterlijk onder de gastbijdragen van gerenommeerde collega’s kreunende “Dangerous”. Daarop laveert Rayford buitengewoon vaardig heen en weer tussen klassiek en eigentijds, zich daarbij zowel bedienend van (eigen) originelen als van bekende en minder bekende nummers van anderen. Zo stoten we onder meer op een ronduit magistrale vertolking van de Son House classic “Preaching Blues” en daarvoor al amper onderdoende uitvoeringen van naoorlogse schoonheden van songs als “In The Dark” van Junior Parker, “Depression Blues” van Gatemouth Brown en “When It Rains It Pours” van Pee Wee Crayton. Tussen de originelen vallen wat ons betreft vooral het door (bijna-)naamgenoot Sugar Ray Norcia speciaal voor de gelegenheid geschreven en ook samen met hem gebrachte “Two Times Sugar”, de groovy Randy Chortkoff-sleper “Goin’ Back To Texas”, de omineuze eigen compositie “I Might Do Something Crazy”, het lekker funky uit de hoek komende “Stuck For A Buck” en het als een grandioos staaltje van harmonica blues aan de man gebrachte titelnummer op. Op de gastenlijst zijn dat naast het al genoemde tweetal Norcia en Chortkoff onder meer ook nog Franck Goldwasser, Willie J. Campbell en Jimi Bott van The Mannish Boys, Kim Wilson, Monster Mike Welch, Big Pete, Kid Andersen, Bill Stuve, Anthony Geraci en Fred Kaplan. Voor de (lekker vette) productie van “Dangerous” tekenden duiveltje-doet-al Randy Chortkoff en Jeff Scott Fleenor.

Sugaray Rayford, Delta Groove Music

 

SAM BAKER “Say Grace” (Sam Baker Music / Lucky Dice Music)

(5*****)

“It is the same as the other records but different. Just like life. The same but different.” Aan het woord: Sam Baker. De Amerikaanse singer-songwriter die tussen 2004 en 2009 met achtereenvolgens “Mercy”, “Pretty World” en “Cotton” een dijk van een muzikale hattrick lukte. Dat ronduit sublieme drietal, door de beste man zelf ondertussen omschreven als “The Mercy Trilogy”, rechtvaardigde het ons inziens al volledig om Baker in één en dezelfde adem te noemen met grote songsmeden als een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een John Prine en een David Olney. Als geen ander bleek hij immers songs te “zien”. Het leek wel alsof alles wat zijn weg kruiste een liedje waard was. Een heuse meester van de observatie dus. En in die context heeft hij ook helemaal gelijk, als hij stelt, dat zijn nieuwe plaat op haar voorgangers lijkt. Ze is inderdaad hetzelfde, maar dan anders… Zoals het leven zelf… Bijna als vanzelfsprekend trouw blijvend aan zijn eerdere manier van werken raapt Baker ook op “Say Grace” weer volop liedjes uit dat leven zelve. En aangezien dat nu eenmaal een constant veranderende factor is, dient zich ook in z’n nieuwe materiaal verandering aan. Niet zozeer in z’n muzikale benadering van z’n topics, maar meer wat betreft deze laatste zelf. Zo heeft hij het ditmaal bijvoorbeeld over het bij momenten ongenadig harde plattelandsleven in het Zuiden van de States (“Ditch”), over onvoorwaardelijke liefde (“Isn’t Love Great”), over een stel tijdens hun zoektocht naar een menswaardiger bestaan in de woestijn omgekomen Mexicaanse migranten (het door Joel Guzman accordeongewijs fraai van een Tex-Mex-toets bediende “Migrants”) en over een getatoëerde vrouw uit zijn buurt (“The tattooed Woman”). Instrumentale ruggensteun krijgt hij daarbij onder meer van Chip Dolan en Steve Conn op piano, de al genoemde Joel Guzman op accordeon, Rick Richards op drums en Anthony Da Costa en Gurf Morlix op gitaar. Collega’s Raina Rose en Carrie Elkin verzorgen geregeld op fraaie wijze de achtergrondvocalen. Voor de productie tekende Baker zelf. En dat mag hij wat ons betreft in de toekomst rustig blijven doen ook. “Say Grace” staat immers garant voor ruim drie kwartier muzikale perfectie.

Sam Baker, Lucky Dice Music

 

BRANDY ZDAN “Lone Hunter” (Cavalier Recordings / Bertus)

(3,5****)

Brandy Zdan kennen we natuurlijk allemaal nog wel als de bijzonder straffe madam aan de zijde van Dave Quanbury binnen het fel gesmaakte Candese rootsduo Twilight Hotel. In het verleden bewees ze zich in die context reeds meermaals als een geweldige zangeres en dito instrumentaliste. En dus keken wij hier best ook wel een beetje uit naar haar al een poosje aangekondigde eerste soloworp. Een plaat, die er nu effectief ook is met het toepasselijk getitelde “Lone Hunter”. Daarop zes nummers, opgenomen in haar nieuwe woonplaats Austin, TX, onder de bezielende productionele leiding van de onder meer van zijn werk met Ray Wylie Hubbard en The Band Of Heathens bekende George Reiff en met verder ook wat muzikale hand-en-spandiensten van enkele leden van The Trishas en Ricky Ray Jackson (Phosphorescent, Alejandro Escovedo). Door de band genomen behoorlijk atmosferisch van aard. En dat ondanks relatief eenvoudig gehouden arrangementen. Arrangementen, die duidelijk ten dienste staan van Zdans voornaamste troef en dat blijft al haar muzikale vakmanschap ten spijt tot nader order toch nog altijd haar ongemeen performante stem. Mocht je daarvan nog steeds niet echt overtuigd zijn, dan nodigen we je hier en nu uit om online snel eens de tot haar naakte essentie herleide ballade “I Remember When You Used To Love Me” (Met knappe lap steel ook!) en het al even beklijvend mooie titelnummer van dit schijfje te beluisteren. Wedden, dat je geen twee luisterbeurten nodig zal hebben om door Zdan te worden ingepakt? En dan hadden we het nog niet over de intrigerende “Americana meets rock” van “Mourning Dove”, over het lieflijke, met twee van de al genoemde Trishas gedeelde “O Where”, over het passionele, met Ricky Ray Jackson op de pedal steel in rugdekking gebrachte “Does Everything Break” en over het licht experimentele “Blood As The Ink”.

Zdan toert ter ondersteuning van de release van “Lone Hunter” in oktober en november overigens ook doorheen België en Nederland. Ze doet dit onder de noemer “The ABC of Canadian Music” samen met Awna Teixeira (Po’ Girl) en Cara Luft (The Wailin’ Jennys).

Brandy Zdan

 

THE RESENTMENTS “Ghost Ship” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Scrappy Jud Newcomb, Bruce Hughes en John Chipman zijn ongelooflijke doorzetters. Da’s wel het minste, wat je over die drie kwijt kan. Om na het vertrek van de zich voortaan weer volop op z’n solocarrière focussende Jon Dee Graham ergens in 2007 en het veel te vroege heengaan van Stephen Bruton in mei 2009 nog voort te gaan met The Resentments was immers flink wat doorzettingsvermogen nodig. Courage, zoals wat oudere mensen op de buiten dat wel eens plegen te omschrijven. Moed en volharding. En een stel vakbekwame “replacements” natuurlijk. En die vonden Newcomb, Hughes en Chipman in de recentelijk van Nashville naar Austin verkaste snarengeweldenaar (en door hen al eerder gecoverde) Jeff Plankenhorn en de hier te lande wellicht vooral als kopstuk van het in 1998 met het aanstekelijke “The Way” nog even van hitsucces geproefd hebbende Fastball bekende Miles Zuniga. De één een Americana-man in hart en nieren, de ander bepaald niet vies van met wat Beatles besprenkelde (power)pop en rock. Weer flink wat toegevoegde waarde voor het ook zo al bepaald niet misselijke muzikale palet van de Resentments met andere woorden. En dat vertaalt zich op hun eerste studioplaat samen ook naar een uiterst gevarieerd geheel. Met naar goede oude gewoonte ook nu weer vocale hoofdrollen voor elk van de betrokkenen op z’n beurt, met uitzondering van drummer John Chipman dan. Bruce Hughes mag zo bijvoorbeeld aftrappen met het zomers soulvolle “Nothin’ I Can Do”, Jud Newcomb neemt over met het door rinkelende gitaren aangejaagde folkrockertje “Space Between”, Miles Zuniga besprenkelt “Love Ain’t Through With You” vervolgens royaal met het nodige pop-exotisme en Plankenhorn schittert voor het eerst in de heerlijke rootsy ballade “Trouble Find Me”. En dan lopen we het rijtje gewoon nog enkele keren opnieuw af. Met als verdere hoofdvogels wat ons betreft Hughes’ ook al erg knappe trage “Everybody Freeze”, het van Lee Barber geleende roots-kleinood “All Night Long”, het door Zuniga aangedragen poppareltje dat het titelnummer is en het door Plankenhorn met collega’s Ellis Paul en Eliza Gilkyson gepende “Mystified”. In elk van die liedjes tonen The Resentments, Mark II dat ze in hoegenaamd niets hoeven onder te doen voor de eerdere uitvoering(en) van de groep. En da’s voor liefhebbers als ons bepaald prettig om weten uiteraard…

The Resentments, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

LEEROY STAGGER “Truth Be Sold” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Wie hier al lezend wel eens vaker wat tijd doorbrengt, weet dat de Canadees Leeroy Stagger al een poosje tot onze absolute lievelingsartiesten behoort. Wij vinden hem eigenlijk gewoon één van de allerbeste singer-songwriters van de laatste jaren. En al zeker als we het hebben over het marktsegment Americana. Die Stagger pakt nu uit met zijn ondertussen toch ook al achtste studioplaat. En daarop gaat het er bij momenten behoorlijk onstuimig aan toe. Als “Alt. Country World Punk Roots Music” omschrijft Stagger het zelf. De klok terug op rock, zoals in zijn beginjaren, daar komt het al bij al zo’n beetje op neer. En daartoe nodigde hij de in onze kontreien wellicht vooral van zijn inbreng in Los Lobos en de Blasters bekende Steve Berlin als producer uit. Berlin, in het verleden ook al met succes actief achter de knoppen voor onder meer Chuck Prophet, Dave Alvin, Katy Moffatt, Raul Malo en de Fabulous Thunderbirds, mocht erop toezien, hoe Stagger en zijn maats Evan Uschenko (gitaren, bas en zang) en Nick Stecz (drums en percussie) in flink wat van de elf gebrachte nummers ongegeneerd alle remmen losgooiden. En dat leverde ons inziens een heus ruw groeibriljantje op. Met knallers als het uitdagend tegen een muur van ongebreideld gitaargeweld leunende tweetal “Memo” en “Goodnight Berlin”, de over een bezwerende gitaarriff heen gedrapeerde message song “Cities On Fire” en het monumentale, intraveneus van een flinke shot garage boogie bediende “Have A Heart”. Als tegengewicht voor al dat geweld serveren Stagger en co (gelukkig) ook enkele wat rustigere momenten. De zich met veel zin voor realiteit over het sujet uit de titel ervan buigende ballade “Celebrity” is er zo eentje, het verstilde, door gast Bryan Daste van wat fraaie pedal-steelklanken voorziene “Break My Heart” zeker ook en “Sold Down The River”, een sublieme trage over de wat mindere kantjes aan een leven “on the road”. Onze lievelingsnummers zijn evenwel vooral de ons weer volop aan Ryan Adams en Whiskeytown herinnerende sleper “Jackie”, de midtempo countryrocker “Mister” en het lekker vinnig uit de hoek komende “ESP”, een liedje over het project Easter Stagger Phillips, waarmee onze protagonist de voorbije jaren ook al enkele keren erg hoge ogen wist te gooien.

Leeroy Stagger, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

BILL KIRCHEN “Seeds And Stems” (Proper / Rough Trade-Tone)

(3,5****)

Als gitarist van het legendarische gezelschap Commander Cody & His Lost Planet Airmen liet Bill Kirchen al vroeg in de jaren zeventig stevige voetafdukken achter in het Amerikaanse rootsmuzieklandschap. Wie kent er bijvoorbeeld het klassieke “Hot Rod Lincoln” met Mister Twang himself in een absolute hoofdrol niet? Juist, ja… Over een levende legende hebben we het hier, over niets minder! En zo iemand verdient vroeg of laat gewoon zijn eigen retrospectieve. Vandaar dan ook ’s mans nieuwe worp “Seeds And Stems”. Al is dat zeker geen klassiek opgevatte verzamelaar. Bill Kirchen blijkt gewapend met z’n “ouwe getrouwe” Telecaster en vergezeld door onder meer bassist Maurice Cridlin en drummer Jack O’Dell immers terug te kijken op nogal wat hoogtepunten uit z’n eigen carrière. “We re-imagined many of these tunes for the occasion,” aldus de beste man zelf daarover. En dat leverde uiteindelijk een heerlijk gevarieerd plaatje op. Met als ingrediënten onder meer spitante pub rock, klassiek geschoold honky-tonkspul, rock & roll pur sang, truck songs, Americana, rockabilly, swampy stuff en country rock. En met op het programma nogal wat Kirchen-klassiekers als “Too Much Fun”, “Down To Seeds And Stems Again”, “Semi-Truck”, “Rockabilly Funeral”, “Mama Hated Diesels”, “Swing Fever”, “Truck Stop At The End Of The World” en uiteraard ook “Hot Rod Lincoln”, hier opgewaardeerd met een knotsgekke run doorheen de geschiedenis van de rockgitaar, met leadgitaarcitaten van zo ongeveer alles wat naam heeft. Beestig goed en als dusdanig ook hét absolute hoogtepunt op een ook als geheel erg leuk album. Maar ja, dat kon eigenlijk moeilijk anders, he…

Bill Kirchen, Proper Records

 

DELBERT& GLEN “Blind, Crippled And Crazy” (New West Records / Warner Music BeNeLux)

(4,5*****)

De eerste hoofdstukken van hun verhaal samen schreven de heren McClinton en Clark, want over die Delbert & Glen hebben we het hier natuurlijk, al in de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw. Het begon allemaal vlotjes met hun naar zichzelf vernoemde debuut “Delbert & Glen” in ’72 en eindigde ook al even snel weer met het van nauwelijks een jaar later daterende “Subject To Change”. Daarna keerden de heren L.A. de rug toe en trokken naar hun thuishaven Texas terug. Elk zo met hun eigen redenen. Gaande van amoureuze bevliegingen tot het najagen van succes voor eigen rekening. Het begin van een ruim veertig jaar bestrijkend hiaat in hun geschiedenis als duo. Clark zou in die jaren vooral naam maken als songsmid en toetsenist, McClinton werd zoals geweten een hele grote binnen het eigentijdse blues- en rootsgebeuren. En eigenlijk had hij een hernieuwde samenwerking met z’n ex-maat Clark dus ook helemaal niet meer nodig. Maar door de jaren heen bleven de twee goede vrienden en een derde plaat samen ging na verloop van tijd dan ook bijna als vanzelfsprekend weer het onderwerp van hun gesprekken vormen. Een derde plaat, die er onlangs mede dankzij een geslaagd muzikaal huwelijk met collega-muzikant Gary Nicholson ook effectief kwam. Nicholson schreef mee aan heel wat van de gebrachte nummers, hielp een flinke hand bij de productie en speelde ook gitaar op “Blind, Crippled And Crazy”. Andere bij het project betrokkenen waren gitarist Bob Britt, drummer Tom Hambridge, toetsenmannen Kevin McKendree en Bruce Katz en andere leden van McClintons live-band, evenals gitaargeweldenaar Anson Funderburgh, die hem serieus van jetje geeft in het lekker rockende “Oughta Know”, een nummer waaronder naast de namen van Bruce Channel en Rob Roy Parnell ook die van McClintons zoon Clay prijkt. Samen boort dat van de kwaliteiten bulkende gezelschap twaalf nummers lang de bronnen R&B, country, blues en rock & roll aan. En dan nog liefst meerdere daarvan tegelijk. En gekruid met de nodige humor ook. McClinton en Clark mogen met de tong diep in de wang geplant immers graag de spot met zichzelf drijven. En met name dan met hun ouder worden. “I ain’t old, but I been around a long time” luidt het zo bijvoorbeeld gelijk al in de openende Texas shuffle met bijna diezelfde titel, “long enough to know age is just a state of mind.” En daarmee is de toon meteen gezet. We’re in for a fun ride! Het dampende en ook al niet van humor gespeend gebleven roadhouse rockertje “Whoever Said It Was Easy” bevestigt dat ook onmiddellijk. En dan blijft het snel gaan! We hollen als net in een pretpark losgelaten kids opgewonden en boordevol goesting van de ene attractie naar de andere. Van het al genoemde “Oughta Know” naar de lijzige bluesrocker “World Of Hurt”, van het op bezadigde (rootsy) wijze de confrontatie met de eigen (veel wildere) jeugd aangaande “More And More, Less And Less” naar de heerlijke Clark-pianoballade “Just When I Needed You The Most”, van het buitengewoon vinnig met R&B stoeiende “Somebody To Love You” naar het ons muzikaal en sfeergewijs best wel wat aan Tony Joe White herinnerende “Sure Feels Good”, van het aardig funky uit de hoek komende “Tell My Mama” naar het sublieme, (ondanks die titel ervan) allesbehalve gospelesk ingevulde countryrockertje “Peace In The Valley”, het zwierige “Good As I Feel Today” en het door onze twee protagonisten samen aangeleverde “If I Could Be Your Lover”. En als we ze allemaal gehad hebben… Dan beginnen we gelijk opnieuw! Dat soort van plaat is “Blind, Crippled And Crazy” immers! Wij kunnen er maar geen genoeg van krijgen!

Delbert McClinton, Glen Clark, New West Records

 

TOM RUSSELL AND THE NORWEGIAN WIND ENSEMBLE “Aztec Jazz” (Proper / Rough Trade-Tone)

(3,5****)

‘t Was aanvankelijk best wel even wennen, maar eenmaal ons verwachtingspatroon in voldoende mate bijgesteld, bleek het ook van Tom Russells nieuwe worp weer volop genieten geblazen. Voor dat nieuwe album liet de meester-songsmid zich omringen door gitarist Thad Beckman en het  Norwegian Wind Ensemble. Samen waadden zij in mei van vorig jaar tijdens een optreden in het Noorse Halden doorheen elf van Russells bekendere nummers. Dingen als “Love Abides”, “Nina Simone”, “East Of Woodstock, West Of Vietnam”, “Goodnight Juarez”, “Guadalupe”, “Stealing Electricity”, “St. Olav’s Gate” en andere worden vertolkt tegen een, vooral gezien de inhoud van veel van die songs, toch wel enigszins apart aandoende achtergrond van akoestische gitaren en vooral ook veel blazers (hobo’s, trompetten, trombones, etc…) en percussie. En vandaar allicht ook de term in de titel van deze collectie: “Aztec Jazz”. Want dit heeft natuurlijk wel iets met jazz. Maar evengoed met Americana. En met wereldmuziek zeker ook. Alleszins een gewaagde zet van Russell. Maar hij komt er dus wel degelijk (goed) mee weg.

Tom Russell, Proper Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home