CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

LEON BROCK “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness” - VINNIE’S TV “Grapes & Ghosts” - THE DEER RUN DRIFTERS “Appalachian Blues” - MARK JUNGERS “I’ll See You Again” - VICTOR CAMOZZI “Cactus & Roses” - LARKIN POE “Kin” - MICKEY CLARK & THE BLUE NORTHER “Reasons & Rhymes” - EDDIE SEVILLE “Ragged Hearts” - PAUL DOUGHERTY “River Pearl” - JEFFREY HALFORD & THE HEALERS “Rainmaker” - SLEEPY DRIVER “Ignatius” - JIM & LYNNA WOOLSEY “The Road That Brings You Home” - ADAM COHEN “We Go Home” - POLICE DOG HOGAN “Westward Ho!” - BRAD BOYER “Montagu Hotel” - TRENT MILLER “Burnt Offerings” - THE SNAKES “The Last Days Of Rock & Roll” - BLIND LEMON PLEDGE “Evangeline” - DAVE MCGRAW & MANDY FER “Maritime” - SWEETKISS MOMMA “A Reckoning Is Coming” - BENJAMIN FOLKE THOMAS “Too Close To Here” - STAN MARTIN “Whiskey Morning” - LOUDON WAINWRIGHT III “Haven’t Got The Blues (Yet)” - FINGERPISTOL “Stepped In It Again” - PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Gaste Live”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

 

LEON BROCK “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness” (Saguaro Records)

(3,5****)                         

“We wilden iets doen dat opvalt,” aldus Delftenaar Leon Brock over de fraaie verpakking van zijn nieuwe album “Welcome To Botox Nation And Other Tales Of Modern Madness”. “In plaats van de lelijke standaard ‘jewel box’ hebben wij de cd in blik verpakt. Als je de muziek niet mooi vindt, kun je er nog altijd je sigaartjes in opbergen.” Maar over dat laatste hoeft hij zich naar onze bescheiden mening allerminst zorgen te maken, onze noorderbuur. Die nieuwe van ‘m is immers echt wel een prima plaat geworden. Met tien streepjes tot aandachtig luisteren en meer dan eens instemmend knikken uitnodigende top-Americana.

Net als op z’n ondertussen vijf jaar geleden verschenen eerste soloplaat “Ordinary People” toont Brock zich ook hier immers weer als een man die daadwerkelijk iets te vertellen heeft. En als dusdanig als dankbaar surrogaat voor zo ongeveer alles wat dezer dagen vierentwintig uur op vierentwintig ethergewijs de revue passeert. Brock durft het aan om zich heen te kijken en in zijn liedjes hoofdschuddend te verwerken wat hij daarbij zoal aan onbegrijpelijk menselijk gedrag te zien krijgt. De absurditeit van behandelingen met botox bijvoorbeeld (“Welcome To The Botox Nation”), de van nog maar bitter weinig verantwoordelijkheidszin getuigende houding van sommigen op de weg ook (“My Egomobile”), de vraag waarom mannen toch zoveel geweld plegen (“Why Do Men”), het zijn maar enkele voorbeelden van door de beste man in zijn teksten aangesneden onderwerpen.

Het feit, dat hij die teksten bovendien ook nog eens mooi weet te verpakken is een ander serieus pluspunt. Voor het merendeel van zijn “verhalen over moderne waanzin” blijkt Americana een afdoende noemer. Soms wat meer country, soms wat meer folk, soms wat meer blues. En soms mag er al eens een andere invloed z’n opwachting maken ook. Zo waait doorheen het hier hoger al even genoemde “Why Do Men” een frisse flamencowind en krijgt het bij nader inzicht bijzonder speels opgevatte “A Two Pint State Of Mind” bij momenten voorwaar even een heus “La Bamba”-achtig ondertoontje mee.

Onze luistertips: de echt zalige, door Guus Westdorp en Henk de Kat van respectievelijk fraai piano- en accordeonwerk – Een Tex-Mex-toets! – voorziene countryschuifelaar “My Egomobile” en “Highway Prostitute”, het beklijvende verhaal van een al wat oudere, haar klandizie letterlijk van de snelweg plukkende prostituee.

Leon Brock

 

VINNIE’S TV “Grapes & Ghosts” (Vinnie’s TV)

(3,5****)

“Grapes & Ghosts” is de deels in het Ierse Cork, deels in Parijs ingeblikte eersteling van Vinnie’s TV, een behoorlijk eigenzinnig agerend zevenkoppig gezelschap geschaard rond ene Wade Lynch. Die ook in Cork wonende singer-songwriter schreef de grote meerderheid van het materiaal voor dat debuut. En hij schuwde er bepaald niet voor om er een gevarieerd potje van te maken. Invloeden als een Nick Drake, Grateful Dead, The Band en andere komen nadrukkelijk aan bod. Evenals een flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor traditionele Ierse volksmuziek.

Dat alles maakt, dat het er als een klassieke LP uitziende “Grapes & Ghosts” – U weet wel: vinylzwart, met “echte namaakgroefjes” en met een mooi label in het midden! – zich  bepaald niet gemakkelijk laat categoriseren. Het is soms gewoon heel veel dingen tegelijk. Neem nu het zwierige “Hole In My Boat” bijvoorbeeld. Dat is ten dele zwaar verslavend werkende traditionele Ierse folk, ten dele country, ten dele rockabilly. En “These Walls” blijkt vervolgens dan weer een maar net niet aan het walsen gaand streepje folk, compleet inclusief beheerst rockgitaarsnarengewriemel en dito countryfiddlegewoel. Wél makkelijk te plaatsen lijkt aanvankelijk de mooie trage “500 Miles”. Maar schijn bedriegt! Ook in de cover van die Hedy West-klassieker vechten bij nader inzicht pop en folk immers om de aandacht van de luisteraar, zij het net iets minder nadrukkelijk dan in voorgaande voorbeelden misschien.

Maar goed, je begrijpt ondertussen al wel waar dit naartoe gaat, natuurlijk… Om echt ten volle van “Grapes & Ghosts” van Vinnie’s TV te kunnen genieten moet je ernaar luisteren met een open geest. Je mag vooral niet (teveel) in hokjes gaan denken en moet openstaan voor occasionele verrassingen. Alleen dan zal je na enkele beluisteringen vallen als een blok voor de melodieuze hoogstandjes van Lynch en co. Want, neem het maar van ons aan, dit is een echt groeiplaatje!

Vinnie’s TV

 

THE DEER RUN DRIFTERS “Appalachian Blues” (The Deer Run Drifters)

(3,5****)

The Deer Run Drifters zijn een sympathiek Americana-kwintetje uit Floyd, een klein Appalachenstadje in het Zuidwesten van Virginia. De groep bestaat uit twee broederparen en een gemeenschappelijke vriend. Broers Chris en Joe Link springen daarbij allicht het meest in het oog. Chris schrijft immers het leeuwendeel van de songs, fungeert als leadzanger van de groep en blijkt bovendien ook goed uit de weg te kunnen op de akoestische. Joe van zijn kant zingt backings en bespeelt de mandoline. Broederpaar nummer twee zijn Sean en Shane Edgell. De eerste van die twee tekent eveneens voor backing vocals, akoestische gitaar en harmonica, de tweede voor alle banjobijdragen. Will Norton, de enige “niet-broer” ten slotte, doet het op de bas.

Samen produceren de heren het soort van muziek dat dankzij enigszins vergelijkbare acts als Old Crow Medicine Show, de Avett Brothers, de Hackensaw Boys en andere de jongste jaren ongelooflijk aan populariteit aan het winnen is. Je zou het in navolging van alternatieve country alternatieve bluegrass kunnen noemen. Zoiets. Old-time stringband music vertaald naar het hier en nu. Akoestische muziek met z’n roots ergens bij het begin van de vorige eeuw maar met de beide voeten toch ook stevig in het jaar onzes Heren 2014 geplant.

En eigenlijk klopt op eersteling “Appalachian Blues” al meteen zo’n beetje alles. De licht nasale zang van Chris Link sprak me gelijk heel erg aan, de liedjes zijn knap, de teksten al evenzeer en muzikaal staat het album echt als een huis. De sfeer die ervan uitgaat is zó warmbloedig. Ze verleent aan “Appalachian Blues” een voor een debuut lang niet vanzelfsprekende geloofwaardigheid. Niets hier klinkt té gekunsteld of té gemaakt. Dit is op de keper beschouwd gewoon een heel erg sterk visitekaartje van een bandje, waarvan in de nabije toekomst ongetwijfeld nog heel veel gaan horen.

Très sympa!

The Deer Run Drifters, CD Baby

 

MARK JUNGERS “I’ll See You Again” (American Rural Records)

(4****)

Mark Jungers heeft als songsmid ondertussen al zoveel kilometers op z’n teller, dat alles quasi als vanzelfsprekend voor ‘m lijkt te gaan. En precies dat gegeven maakt van z’n zevende, het zopas verschenen “I’ll See You Again”, het lekkere album dat het toch wel is. Een “reality dealer” noemde een Amerikaanse collega hem naar aanleiding van een eerdere plaat ooit en die omschrijving blijkt ook na enkele beluisteringen van ’s mans nieuwe worp nog te staan als een huis. Ook op “I’ll See You Again” weer zijn veel van de songs bij nader inzicht louter marionetten aan de draden van de werkelijkheid van alledag. Met Jungers in de rol van vaardige poppenspeler, die tegen een achtergrond van country, folk, roots rock en nog wel wat andere usual suspects onder de ruimzittende sombrero, die Americana door de jaren heen toch wel geworden is, songgewijs speelt met alle hem ooit door het leven zelve aangereikte touwtjes.

Volop genieten geblazen is het quasi “en passant” van naar onze normen als veritabele songschoonheden te bestempelen dingen als de bedaard (country)rockende road song “I’ll Be Home”, het met een leuk streepje mondharmonica opgewaardeerde en ons van opbouw een beetje aan iets van Tom Petty herinnerende “I Don’t Want To Live There”, het omineuze stukje storytelling “Johnson Farm”, de sympathieke rootsrocker “That’s What They Say”, de Americana beauty “Do You Still Care”, het swampy bluesje “Everybody Knows But Me” en andere. Met een speciale vermelding nog voor het afsluitende “Ran Out Of Tears”. Dat begint op de mondharmonica als iets van Dylan in z’n hoogdagen maar bloeit gaandeweg open tot een prachtig staaltje van rootsy country.

Voor de productie van “I’ll See You Again” tekende Jungers zelf. Tussen de namen van de bij de opnamen ervan betrokkenen stootten we onder meer op die van Gurf Morlix (pedal steel en baritongitaar) en Gabe Rhodes (accordeon).

Mark Jungers, CD Baby

 

VICTOR CAMOZZI “Cactus & Roses” (Volvo Records)

(4****)

Met z’n twee voorgaande cd’s, z’n in 2008 verschenen debuut “3 Peso Cigar” en het daar drie jaar later op volgende “Roadside Paradise”, maakte de Texaanse singer-songwriter Victor Camozzi op ons een behoorlijk verpletterende indruk. En we waren dan ook maar wat blij, toen we onlangs vernamen, dat die ruiggevooisde songsmid eindelijk een derde klaar had. “Cactus & Roses” is de titel daarvan en om maar gelijk met de deur in huis te vallen, het is opnieuw een erg knap geheel geworden.

Kluizenaar Camozzi vergast ons op tien nieuwe liedjes, waarin hij op geheel eigen wijze de meest uiteenlopende gevoelens weet te verklanken. Van een schaamteloze liefdesverklaring in eerder ongebruikelijke bewoordingen (“Pretty Smile”) tot een ingetogen betoog over de door het voorgoed inslapen van een dierbare losgeweekte gevoelens (“Like A Child”) of een in exquise gitaargerinkel gehulde botsing met het eigen ouder worden (“The Other Side Of The Mountain”). Het leven van alledag misschien, maar dan wel bekeken door een niet zo alledaags brilletje. En precies dat maakt wat ons betreft van Camozzi de boeiende songsmid die hij is. Hij weet gewoon altijd opnieuw weer te verrassen.

Hoe de protagonisten in titelnummer “Cactus & Roses” elkaar steeds weer kwetsen en toch samen blijven, hoe hijzelf en z’n broer in een bar een onvergetelijk (vluchtig) avontuur beleven met een “Lost Girl”, hoe hij in “Bottom Of My Broken Heart” zelfs in een stukgelopen relatie naar het positieve op zoek gaat, hoe in het gelijknamige liedje een als “Crooked” bestempelde zich afvraagt, hoe dat dan wel komt en of je het nog kan veranderen, het zijn stuk voor stuk de zinnen prikkelende onderwerpen. En zo hebben wij ze hier graag…

Slotsom: het door Matt Downs geproduceerde en met melodieuze, vaak met een melancholisch randje afgwerkte liedjes gevulde “Cactus & Roses” van Victor Camozzi is een echte aanrader voor wie houdt van traditionele songschrijverij op z’n Texaans. Zeker zij die wel eens iets op plegen te zetten van andere, enigszins vergelijkbare troubadours als een Robert Earl Keen, een Steve Earle, een Guy Clark of een Kris Kristofferson moeten hier ons inziens beslist eens naar luisteren!

Victor Camozzi, CD Baby

 

LARKIN POE “Kin” (RH Music)

(4****)       

Na de EP’s “Spring”, “Summer”, “Fall”, “Winter”, “Thick As Thieves” en “Killing Time” (met Blair Dunlop) en het met de Noor Thom Hell gedeelde “The Sound Of The Ocean Sound” is er nu met “Kin” eindelijk een eerste volwaardige Larkin Poe-langspeler. En daarop laten de zussen Rebecca en Megan Lovell zich behoolijk gaan. Met een nimmer aflatende vlijt vlakken ze ruim veertig minuten lang minutieus elke zich op hun pad aandienende muzikale grens uit. En de noemer rootsmuziek blijkt uiteindelijk dan ook ruimschoots onvoldoende als de lading dekkende vlag voor “Kin”.

Gelijk van bij openingsnummer “Jailbreak” wordt ons duidelijk gemaakt, dat dit nieuwe Larkin Poe-album nadrukkelijk anders is dan om het even welke van zijn voorgangers. Heerlijk intens slidend worden we daarop swampy rockterritorium ingelokt. Een muzikale voedingsbodem, die we vervolgens even snel ook weer verlaten voor een aanstekelijke, ergens ver aan T. Rex verwante boogie-opstoot luisterend naar de veelzeggende titel “Don’t”. Daarop aansluitend gaat het via het nerveuze “Stubborn Love” (late sixties folk rockgewijs vertaald naar het hier en nu) en het aan een bezwerende lome rock groove opgehangen “Dandelion” richting “Crown Of Fire”, een met name van de ingehouden spanning erin levend streepje klasse-rootspop, “Elephant”, een in dezelfde muzikale uithoek gepresenteerde, aan zo’n typische chain gang beat van weleer opgehangen deluxe-oorwurm, en “High Horse”, een uitermate sympathieke rootsrocker.

“Sugar High” blijkt op zijn beurt dan weer iets te hebben met hard rock, “Jesse” stoeit folkgewijs met een eigentijds beatpatroon en het behoorlijk onderkoeld gebrachte “Banks Of Allatoona” doet inzake sensualiteit de veel hippere Lana Del Rey ogenblikkelijk zwaar naar adem happen. Ten slotte krijgt het ons al van de EP “Spring” bekende “We Intertwine” een lichtjes geweldige opknapbeurt mee alvorens met de werkelijk pijnlijk mooie pianoballade “Overachiever” de boeken weer dicht kunnen.

Meer dan ooit lijkt de toekomst Larkin Poe na “Kin” toe te lachen. Leek die toekomst eerst nog uitsluitend in rootsmuziekminnende kringen te moeten worden gezocht, dan ziet het er ondertussen naar uit, dat ook de rest van de wereld eraan zal moeten geloven. Met “Kin” verdienen de Lovells wat ons betreft zondermeer hun doorbraak op een wat grotere schaal.

Larkin Poe

 

MICKEY CLARK & THE BLUE NORTHER “Reasons & Rhymes” (sonaBLAST! Records)

(5*****)

“Reasons & Rhymes”, de nieuwe van Amerikaanse singer-songwriter op jaren Mickey Clark en zijn groep The Blue Norther, bleek ten huize Ctrl. Alt. Country typisch zo’n geval van “liefde op het eerste gehoor”. Eén enkele keer beluisteren en ik was compleet verkocht! Maar ja, beter worden ze wat mij betreft dan ook amper nog gemaakt. Dit is storytelling op z’n allerbest! Heel wat van de tien songs op “Reasons & Rhymes” mogen naar mijn, zoals altijd bescheiden, mening zomaar naast die van genregrootmeesters als een John Prine, een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Kris Kristofferson, een Willie Nelson en een Gordon Lightfoot worden geplaatst. Ze baden in datzelfde compleet ongedwongen sfeertje, dat van zo menig een countrydeuntje uit met name de eerste helft van de jaren zeventig door de jaren heen een klassieker gemaakt heeft. Mocht Clark deze plaat in pakweg ’74 of ’75 hebben afgeleverd, dan zouden er nu naar alle waarschijnlijkheid  ook enkele classics aan hem werden toegedicht.

Kandidaten daarvoor genoeg alleszins op “Reasons & Rhymes”. Met als “primus inter pares” het werkelijk verbluffend mooie “Song For Rudell (Stitch)”. Daarin eert Clark op beklijvende wijze één van zijn eigen jeugdvrienden, een jonge bokskampioen, die om het leven kwam tijdens een poging om een vriend te redden uit de golven van de Ohio-rivier. Een echt kippenvelmoment!

Erg mooi vond ik verder onder meer ook nog het autobiografische “Reasons And Rhymes”, het zalig swingende “Waddy Peytona”, instant-oorwurmen “Bakersfield Wine” en “I Remember Loving You”, de echt wel van veel respect getuigende cover van Kris Kristoffersons “Sunday Mornin’ Comin’ Down”, het voorzichtig rockende “Sweet Evangeline” en het z’n titel muzikaal best wel de nodige eer aandoende “Bluegrass Saturday Nights”.

Om het met de woorden van de grote Gordon Lightfoot samen te vatten: “What a jim dandy album you have here! Great songs, great lyrics, great vocals, great arrangements.” Die twee zinnetjes uit zijn mond zeggen eigenlijk hoegenaamd alles. Noem het door Clark samen met vakman Jim Rooney geproduceerde “Reasons & Rhymes” wat mij betreft daarom gerust nu al een kandidaat voor de titel van (traditionele) countryplaat van het jaar. Een echte aanrader van formaat!

Mickey Clark

 

EDDIE SEVILLE “Ragged Hearts” (Temple Ward Music)

(4****)

Ik wist, dat ik zijn naam al wel eens eerder gehoord had, alleen ging er niet direct meer een belletje rinkelen in welke context nu precies. Totdat ik de namen van het producerende trio van “Ragged Hearts” las: Paul Orofino, Frank Carillo en Eddie Seville. Frank Carillo! Dat was het dus, he! Eddie Seville is één van Carillo’s vaste begeleiders, één van diens Bandoleros.

Met “Ragged Hearts” is de beste man al aan zijn derde soloplaat toe. Op de opvolger van “The King’s Highway” van twee jaar geleden doet hij het met elf eigen liedjes. Voornamelijk te omschrijven als singer-songwriter country, de alternatieve variant daarvan en zachte roots(y) rock. Aan te bevelen met name aan liefhebbers van het materiaal van John Hiatt, Steve Earle en Buddy Miller, aldus die van de door mij vaak bezochte online shop CD Baby. Maar dat vind ik toch net iets te beperkend werken. Ik zou er namelijk graag nog de namen van John Mellencamp en Bob Seger aan toe willen voegen. Aan de laatste van dat tweetal herinnert Seville me een weinig qua stem en manier van zingen. En eerstgenoemde hoor ik wel wat terug in met een rockrandje afgewerkte liedjes als “A Crooked Mile”, “Love’s Got A Hold” en “I’m Pacing Myself”.

In elk geval, hij verkeert tussen schoon volk, “den Eddie”! En dat heus niet alleen waar het de door mij opgesomde referenties betreft. Dat leert een vlugge blik op het lijstje met de bij het tot stand komen van “Ragged Hearts” betrokkenen. Namen als Frank en Andrew Carillo, Augie Meyers, Bob Loveday, Marty Ballou en tal van anderen zou ik nu niet meteen meer als nobele onbekenden durven te bestempelen.

Enkele luistertips van onzentwege: de bijzonder lekker weghappende Americana love song “The Queen Of Kerosene”, de ook al erg passionele “valse trage” “Blind Love”, het hier eerder al eens even genoemde rootsy rockertje “Love’s Got A Hold” en de Seger-eske afsluiter “The Hardest Thing To Do”.

Eddie Seville, CD Baby

                                       

PAUL DOUGHERTY “River Pearl” (Bake It Black Records)

(3,5****)  

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot enkele weken geleden nog nooit van Paul Dougherty gehoord had. En da’s best wel vreemd te noemen, aangezien de beste man al ruim vijfentwintig jaar als artiest actief is. En des te meer als je weet dat hij al meer dan tien jaar lang vanuit buurland Duitsland aan de weg timmert. Gewoon onder mijn (nochtans continu actieve) radar doorgevlogen…

Maar daaraan wordt hier en nu verholpen met een bespreking van ’s mans nieuwe worp, het onlangs verschenen “River Pearl”. Want da’s nu eens exact het soort van plaat dat je nodig hebt om tot volgeling bekeerd te worden… Een uitermate gevarieerd Americana-geheel, dat wel eens snel een hele grote vriendenkring aan zich zou kunnen gaan binden. Zeg, dat wij het gezegd hebben! Je hoort her en der weliswaar behoorlijk nadrukkelijk de invloed van groten der aarde als een Bob Dylan, een Van Morrison, een Townes Van Zandt en anderen, maar bovenal toch een prima zingende songmid met een eigen smoelwerk en met meer dan genoeg branie om zich niet aan één enkel genre te binden.

Gelijk van bij het openingsnummer, de stormachtige bluesrocker “Rock Me To The Bone”, was ik mee met Dougherty. Om vervolgens van de ene in de andere verrassing te vallen: via de epische, van een bluegrassrandje voorziene folkdeun “River Pearl” en het soulvolle, me zowel wat aan Van Morrison als aan Elliott Murphy herinnerende “Honeysuckle Rose” over de lichtjes geweldige swampy rocker “Eve Of Destruction” en het op bedaarde (country)wijze verhalende “Teddy The Dancin’ Bear” tot het met name gitaargewijs ergens in de buurt van de jonge R.E.M. strandende “Cain” en de bluesschuiver “Doin’ The Time”, van het Dylan-eske “How I Learned To Stop Worrying & Love The NSA” en de mooie Americana-trage “Time” tot het nerveus “rockende en rollende” “Black Cat Bone”, het “creepy” “The Devil’s Spine”, de fijne countryrocker “Memphis Son” en de afsluitende pianoballede “Rusted Jesus”.

Je mag nu al opschrijven, dat ik voor het bespreken van een volgende plaat van Paul Dougherty wel ergens op de eerste rij zal zitten!

(P.S.: Dougherty zelf gelooft zo sterk in zijn materiaal, dat hij je op zijn eigen webstek de keuze laat: je kan ervoor betalen, maar je mag het ook gratis downloaden. Aan jou de keuze!)

Paul Dougherty

 

JEFFREY HALFORD & THE HEALERS “Rainmaker” (Shoeless Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)            

Voor onze eerste kennismaking met de Amerikaanse rootsrocker Jeffrey Halford en z’n Healers moeten we al een aardig poosje terug in de tijd. Naar 1999 meer bepaald en de cd “Kerosene”, tot onze grote verbazing indertijd ’s mans derde al, want daarvóór had hij met “Toxic” en “Nine Hard Days” ook al twee albums afgeleverd. En sindsdien zijn we hem altijd wel een beetje blijven volgen. Via lekkere schijfjes als “Hunkpapa” en “Railbirds” tot het chartgewijs eindelijk ook relatief succesvolle “Broken Chord” uit 2007.

2007… Dat wil dus inderdaad zeggen, dat het ondertussen ruim zeven jaar geleden is, dat Halford en de zijnen ons nog eens op wat nieuws vergast hebben. En da’s eigenlijk gewoon veel te lang voor een songsmid van het kaliber van die Halford. De beste man weet immers wel raad met woorden. Het is naar ons gevoel zelfs niet overdreven om te stellen, dat z’n teksten her en der een literair randje vertonen.

Zelf heeft hij het in verband met “Rainmaker”, zijn zevende ondertussen, over “a redemptive journey that just happens to be a collection of songs”. Een in liedjes gevat kiekje van de o zo rijke ziel van z’n thuisland: verleden, heden en zelfs al wat toekomst.

En ook zuiver muzikaal gezien sluit “Rainmaker” wel wat bij die laatste vaststelling aan. Sure, we hebben hier te maken met een rootsrockgeheel, maar dan wel ééntje dat een kruisbestuiving met elementen uit tal van andere genres absoluut niet schuwt. Wat country, wat folk, wat blues, zelfs wat gospel, het moet allemaal kunnen… En ook in deze context bekruipt je voortdurend het gevoel, dat verleden, heden en toekomst elkaar liefdevol omarmen. In een met Bruce Kaphan en Paul Olguin gedeelde productie herinnert Halford er ons hier nog eens elf nummers lang aan, waarom we hem in het verleden zo graag voorbij zagen komen.

Liedjes als het met de nodige Delta-klei nog aan de cowboy boots hangend gebrachte bluesvariantje “Second Chance”, het aan een muur van behoorlijk aanstekelijk werkende gitaarklanken opgehangen klasse-rockertje “Nature’s Choir”, het eveneens op “da blues” geënte, maar ondertussen ook wel zo ongeveer alle andere kanten uitkijkende opdondertje “North Beach”, het omineuze, hier en daar met een aan de Doors herinnerend streepje orgel opgewaardeerde titelnummer, de ongemeen soulvolle trage “Joaquin” en de warmbloedige “desert Americana” van “Mexico”, het zijn maar enkele voorbeelden van de wat ons betreft alvast als zeer geslaagd te bestempelen eclectische benadering van hun favoriete rootsrockgegeven door Halford en z’n maats.

Hopelijk laten ze ons op een volgende worp weer geen zeven jaar wachten!

Jeffrey Halford & The Healers

 

SLEEPY DRIVER “Ignatius” (Black Bell Productions)

(3,5****)                             

“Ignatius” is na “Steady Now”, “In A Low Dark Light” en de mini “Light Sleeper” het ondertussen vierde teken van leven van het al sinds 2007 aardig aan de weg timmerende Sleepy Driver, het vanuit het Canadese Fredericton actieve rootsrockcollectiefje rond zanger-songsmid Peter Hicks. En het zou ons eerlijk gezegd heel erg verbazen mocht dat album het net als z’n voorgangers niet prima gaan doen in kringen van liefhebbers van het genre. Aan goede kritieken alvast weer geen gebrek. En daar willen wij er hier maar al te graag nog eentje aan toevoegen.

Hicks presenteert zich met “Ignatius” immers andermaal als een uitstekende liedjesschrijver. Twaalf serveert hij er ditmaal, het ene al mooier dan het andere. Een heerlijke mix van rustiger en wat bruisender spul, die nadrukkelijk uitnodigt tot herhaaldelijk beluisteren. Met wat ons betreft een lichte voorkeur voor de wat tragere, atmosferischere dingen, zoals openingsnummer “I Know You Know I Know” en “Curtains” bijvoorbeeld. Maar dan wel met de nadruk op het woordje “lichte”! Ook ritmischer en bij momenten best wel wat zwaarder aandoend materiaal als het zomers radiogenieke rockertje “Cold Black River”, het licht twangende, daar quasi perfect bij aansluitende “Forgotten Songs”, het bezwerende “Down To The River” en het echt wel rete-aanstekelijke “Two Cigarettes” ging er hier in als zoete koek.

En dan hadden we het nog niet eens over het allermooiste nummer hier. Dat is ontegensprekelijk de met gaste Tina Gaudreau van het plaatselijke hardrockbandje Mad Mary gedeelde trage “All Roads”. Echt een wolk van een rootsrockballade, dat liedje! Verder ook nog héél erg leuk: de lentefrisse alternatieve countryriedel “Rosalyn”.

Sleepy Driver

 

JIM & LYNNA WOOLSEY “The Road That Brings You Home” (Broken Record Records)

(4****)

“The Road That Brings You Home” is het buitengewoon geslaagd te noemen debuut van echtelieden Jim en Lynna Woolsey. Al ruim drie decennia lang traden die twee samen op, maar pas nu vonden ze de moed om het ook allemaal wat professioneler aan te pakken en met echte profs aan hun eersteling samen te gaan werken.

Met Randy Kohrs en Mike Sumner in de eerste plaats, die de job van producer deelden en terloops ook dobro- en banjogewijs een flinke duit in het zakje deden. Maar ook met Clay Hess (mandoline), Mark Fain (staande bas) en Tim Crouch (fiddle).

Dat alles op dit visitekaartje ogelooflijk af klinkt, hoeft derhalve ook niet echt te verbazen. Wat al wat meer tot de verbeelding mag spreken, is het vrijwel doorlopend van een geweldige kwaliteit getuigende songmateriaal van het duo. Hun inhoudelijk zo goed als uitsluitend door hun eigen leven (van alledag) gevoede liedjes blijken stuk voor stuk echte plaatjes. Bedaarde bluegrassjuweeltjes, opgehangen niet enkel aan het muzikale vakmanschap van dat straffe groepje gelegenheidsbegeleiders, maar vooral ook aan de eigen samenzang van de Woolseys.

Onze luistertips: het echt wel bloedmooie titelnummer, het diep in het eigen familieverleden van Jim Woolsey gravende verhaal van “Rude Jenne” en het door Randy Kohrs van een buitengewoon sfeervolle dobroachtergrond voorziene “The Ride”.

Het ontdekken alleszins méér dan waard!

Jim& Lynna Woolsey, CD Baby           

 

ADAM COHEN “We Go Home” (Cooking Vinyl /V2)

(4****)

Dat het niet altijd even interessant is om een pa te hebben die Leonard Cohen heet en een heus popicoon is, mocht zoonlief Adam de voorbije jaren aan den lijve ondervinden. Toen hij in ’98 debuteerde was het natuurlijk nog wel een handig opstapje om als “de zoon van” vrijwel meteen door een behoorlijk groot publiek te worden opgepikt. Maar in de daaropvolgende jaren ging de aanleiding tot dat prille succes zich in zekere zin snel tegen hem keren. In die zin dat zo ongeveer alles wat hij deed steeds weer werd afgewogen tegen het werk van zijn ouweheer. En laat dat nu net zijn, wat de jonge Cohen te allen prijze wou vermijden…

Met zijn vorige plaat, het in 2011 verschenen en aanvankelijk nog als zijn afscheid van de “business” bedoelde “Like A Man”, viel voor Adam Cohen onverwachterwijze echter alles in de juiste plooien. Mede dankzij die intimistische beauty kwam hij erachter, dat eigenlijk enkel de eigen roots, de eigen familie, zijn thuis en het zichzelf (leren) kennen er toe deden. Hij kwam als het ware in het reine met zichzelf. En dat resulteerde eigenaardig genoeg uiteindelijk ook in zijn grootste commercieel succes so far. Cohen Jr. was nu definitief gelanceerd!

En dus was het wat ons betreft ook volop uitkijken naar ’s mans vijfde, het eerdaags te verschijnen “We Go Home”. Een plaat, die haar titel bij nader inzicht in meer dan één opzicht alle eer aandoet. Zo nam Cohen ze bijvoorbeeld grotendeels op in het kleine witte huisje op het Griekse eiland Hydra waar hij een groot deel van zijn kindertijd doorbracht en werkte hij ze verder af in zijn geboortehuis in Montreal. Zich daarbij terdege bewust van het feit, dat velen daardoor prompt weer in de richting van zijn vader zouden gaan wijzen, counterde hij alvast bij voorbaat door te stellen, dat zijn roots nu eenmaal óók dáár liggen. En “My muse is my home!”, aldus nog de jonge Cohen.

En die muze heeft hem ons inziens andermaal aan een zeer fraai album geholpen. Een echt groeibriljantje! Een plaat, die met elke nieuwe beluistering weer wat meer van haar vele interessante geheimen prijsgeeft. En veel van die geheimen blijken zich te situeren op het niveau van dialogen met zijn “ouwe”, zijn zeven jaar oude zoon Cassius en zichzelf. Al zitten er natuurlijk ook wel weer enkele liefdesliedjes in het pakketje.

Door zijn manier van zingen benadert hij daarbij vooral in vele van de wat zachtere nummers effectief (weer) zijn pa. We denken in die optiek bijvoorbeeld aan het hoogst vertederende “Song Of Me And You” en aan het al even knappe, nog als pianoballade ingezette, maar gaandeweg tot volbloed-popsong uitgroeiende “What Kind Of Woman”. Maar goed, die stem is er nu eenmaal, he…

Een andere duidelijk herkenbare invloed is Randy Newman. Diens muzikale geest waart alvast nadrukkelijk doorheen het aanstekelijke titelnummer “We Go Home”.

(Op 11 oktober aanstaande treedt Adam Cohen op in de Brusselse Botanique. Eén dag later is Het Depot in Leuven aan de beurt.)

Adam Cohen

 

POLICE DOG HOGAN “Westward Ho!” (Union Music Store)

(4****)

Wat een heerlijke plaat is dit! Werkelijk barstend van de “joie de vivre”. Aanstekelijker kan het welhaast niet. Wat de acht van het Britse collectief Police Dog Hogan op hun binnenkort te verschijnen nieuwe cd “Westward Ho!” doen duldt absoluut geen tegenstand. Je moet er als luisteraar gewoonweg in mee.

Is het Americana, een mengvorm van country en folk, een samengaan van folk en pop, een verstedelijkte vorm van bluegrass, who actually cares? De naam onder het plaatje doet hier wat ons betreft eigenlijk volstrekt niet terzake. Wat dan wel? Het feit dat we op deze derde van Police Dog Hogan twaalf vrijwel zonder uitzondering uitstekende songs geserveerd krijgen, dat de groep in James Studholme een fantastische zanger en al even geweldige gitarist aan boord heeft en dat alle overige betrokkenen op instrumenten als gitaren, banjo, mandoline, fiddle, accordeon, trompet en piano hun bovenste best doen om hem in alles wat hij doet ook van een zo perfect mogelijke muzikale achtergrond te voorzien.

In een productie van de onvolprezen Al Scott van de bij momenten best wel wat met de groep verwante Oysterband slagen die van Police Dog Hogan erin om de muzikale grenzen tussen hun thuisland en de States flink te laten vervagen. Americana, country en bluegrass worden door Studholme en co opgewaardeerd met een kloeke dosis Britse eigenheid en “en passant” ook intraveneus bediend met een flinke shot folk.

Het meest in het oog springende liedje van het geheel is daarbij ontegensprekelijk “Home”. Dat buitengewoon sfeervolle kleinood, inclusief een heuse rap-passage ergens halverwege, onstond onder de vleugels van het liefdadigheidsproject Music in Prisons als een samenwerking met de groep Platform 7, een bandje bestaande uit louter ex-gedetineerden. Andere absoluut niet te versmaden momenten hier: het zich volop in bluegrass wentelende en mede daardoor volstrekt onweerstaanbare “West Country Boy”, de mooie “valse trage” “St. Lucie’s Day”, het ons een heel klein beetje aan de Pogues in hun hoogdagen herinnerende “From The Land Of The Miracles” en het zich op bedaard smekende wijze tot het personage uit zijn titel richtende “Ethan Frome”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niets minders op, hoor!

Police Dog Hogan

 

BRAD BOYER “Montagu Hotel” (Thunderbird Records)

(5*****)

Ooit sierde een sticker met het opschrift “I Love Texas Music” mijn me toen op zo ongeveer elke tocht richting muziek aan de man brengende gelegenheden vergezellende draagtas. Die tas is intussen al lang zaliger, mijn uitgesproken voorliefde voor Texaanse muziek is dat echter zeker niet. Daarvan zal ik wellicht nooit meer echt “verlost” raken. En da’s dan de schuld van knapen als deze Brad Boyer. Weer één van die o zo typische Lone Star State acts! Een songwriter met dat zekere “je ne sais quoi” meer, dat ginder bij momenten zo vanzelfsprekend lijkt. Een naam om met stip te onthouden alleszins weer…

In een productie van Lisa Morales presenteert die Boyer ons op z’n tweede cd “Montagu Hotel” twaalf eigen nieuwe liedjes. De helft daarvan schreef hij in z’n eentje, voor de andere helft schoven collega’s als Matt Harlan, de net al even genoemde Lisa Morales, Bruce W. Cline en Jack Wisdom een stoel bij. En niet alleen bij het schrijven van z’n nieuwe nummers kon Boyer op heel wat bekende bijstand rekenen, ook bij het inblikken ervan was het net niet aanschuiven geblazen. Zo stootten we bij het doornemen van de gastenlijst onder meer op de namen van Joe Ely, Cindy Cashdollar, Jeff Plankenhorn, Rick Richards, Ron Flynt, Tom Gillam, Noel McKay en “Scrappy” Jud Newcomb, om enkel nog maar de bekendsten van het lot te noemen.

Samen tekenden zij voor twaalf veritabele delicatessen uit de afdeling “fijne Texaanse songwaren”. Openingsnummer “Big Rig Driver” is er meteen zo één. Da’s immers een heerlijke lap swingende rig rock, gedeeld met niemand minder dan Joe Ely. En na die dartele start laat Boyer je als luisteraar een flinke poos helemaal niet meer los. Ruim zesenveertig minuten lang houdt hij je probleemloos in zijn ban. Met achtereenvolgens het van een bluesy ondertoontje voorziene “Mockingbirds”, de ronduit sublieme ballade “Long Cold December”, het door Carlos Alvarez accordeongewijs met wat Tex-Mex-bestanddelen gekruide “Five Stones And A Sling”, het me in z’n geheel best wel wat aan Bruce Robison herinnerende “Tonight I’m Gonna Lose”, de behoorlijk snedig uit de hoek komende countryrocker “The Light”, het door Lisa Morales vocaal mee op smaak gebrachte rootsrockertje “Smile”, de samen met huisfavorietje Matt Harlan gepende story song “The Ring”, het onder meer door de mandoline van Jeff Plankenhorn en de dobro van Cindy Cashdollar naar hemelse hoogten getilde streepje vintage Americana “Trouble”, de recht-toe-recht-aan rock & roll van “Texas Darlin’”, het misschien wel allermooiste liedje hier, het z’n titel stilistisch gezien zo ongeveer alle mogelijke eer aandoende “The Last Folksinger”, en tenslotte ook nog het titelnummer, dat het moet hebben van een soort van mid-seventies pop- en rockgevoel.

Wat mij betreft ontegensprekelijk een twaalf op twaalf. Een rapport, waarmee je al thuiskomen kan dus…

Brad Boyer, CD Baby

 

TRENT MILLER “Burnt Offerings” (Bucketfull Of Brains)

(3,5****)

Trent Miller mag dan al afkomstig zijn uit de buurt van Turijn, dat is absoluut niet te horen aan wat hij brengt op “Burnt Offerings”. De ondertussen al een poosje in Londen residerende troubadour grossiert daarop immers andermaal in eigenzinnige Americana. Americana, duidelijk beïnvloed door Gene Clark, wiens schaduw bij momenten nogal nadrukkelijk over dit album hangt.

Met wat hij op zijn ondertussen derde serveert zal Miller naast bij fans van die ex-Byrd ongetwijfeld ook de nodige bijval gaan oogsten in kringen waar Richard Hawley, Edwyn Collins, Townes Van Zandt en Guy Clark tot het op regelmatige basis genuttigde luistervoer behoren. “Burnt Offerings” blijkt op de keper beschouwd immers één grote smeltkroes van elementen uit genres als rock, folk en Americana, zo nu en dan overgoten met een goth-sausje.

Het de feestelijkheden voor geopend verklarende titelnummer zet wat dat betreft meteen de toon. Lijzig croonend zoekt Miller zich daarin een weg doorheen een bos aan atmosferische gitaarklanken. Chris Isaak meets Richard Hawley, zoiets. Vervolgens is er dan “Lupita’s Dream”, wat ons betreft ontegensprekelijk het knapste liedje op “Burnt Offerings”. Dat nummer, überhaupt wat vlotter van aard, heeft een zo mogelijk nog bezwerendere uitwerking dan z’n voorganger.

Andere topmomenten hier: de bloedmooie ballade “Hearts On A Wire”, het ons best wel wat aan de dagen van Gene Clark bij de Gosdin Brothers herinnerende “Your Black Heart” en het ook al very sixties aandoende “Sands Of Time”.

Trent Miller, Bucketfull Of Brains

 

THE SNAKES “The Last Days Of Rock & Roll” (Bucketfull Of Brains)

(4****)

“The Last Days Of Rock & Roll” is na “Songs From The Satellites” uit 2006 en “Sometime Soon” uit 2010 al de derde cd van het in Uncut ooit liefdevol tot “Muswell Hill’s own Whiskeytown” omgedoopte viermanscollectiefje The Snakes. Samen met Bap Kennedy en The Redlands Palomino Co. allicht zo ongeveer het beste wat de Britse eilanden dezer dagen op alternatief countryvlak te bieden hebben, dat bandje rond zanger-gitarist-songsmid Simon Moor. Dat bewijzen ze ook op “The Last Days Of Rock & Roll” weer ten voeten uit.

Je zou het kwartet op basis van het daarop gebrachte songelftal zomaar in één en dezelfde adem durven noemen met klassieke acts als de Jayhawks, het al genoemde Whiskeytown, de Stones en de Flying Burrito Brothers. Het blijkt immers quasi onmogelijk om niet meteen als een blok te vallen voor dingen als de met Hannah Elton-Wall van The Redlands Palomino Co. gedeelde, zwierige countryrocker “Too Hard”, het Stonesy duo “The Band Played On” en “Here We Go Again”, de onder uitermate sympathiek rinkelende gitaren bedolven Ian Tyson-oorwurm “The French Girl”, de warmbloedige trage “Three Little Wishes”, het de huidige (almaar meer tot vluchtigheid uitnodigende) muziekbusiness op toepasselijke wijze tartende titelnummer “The Last Days Of Rock & Roll” en tal van anderen.

The Snakes overstijgen – Zoveel moge ondertussen al wel duidelijk zijn! – ruimschoots het niveau van zo menig een Americana act uit het land dat ooit aan het genre zijn naam verleende. Dat op zich al zouden we een verdienste durven noemen, maar daarmee zouden we de Britten dan flink tekortdoen. Dit is immers vooral een erg lekkere plaat, van Britse makelij of niet…

The Snakes, Bucketfull Of Brains

 

BLIND LEMON PLEDGE “Evangeline” (OFEH Records)

(4****)

Ik hou wel van wat diversiteit, dat weet u als regelmatige lezer van deze pagina’s onderhand wel. En dus zal u het straks, na het lezen van dit stukje, ook wel helemaal niet vreemd meer vinden, dat ik “Evangeline”, de nieuwe van Blind Lemon Pledge, als een ronduit heerlijke plaat ervaar. Wat James Byfield, want zo heet onze man in de kijker dus echt, op die vierde onder zijn pseudoniem aan stijlen bij elkaar harkt, tart zo ongeveer elke verbeelding. “A musical journey through the heart of Americana and Blues,” noemt hij het zelf en dat is het maar net ook. Een smeltkroes aan smaken en smaakjes. En ’t is een verdomd goede, die het geheel nalaat, zeker weten!

Aftrappen doet Byfield z’n nieuwe songtiental met “Buley’s Farm”. Quasi a capella zoekt en vindt hij daarin aansluiting bij de door John Lomax verzamelde prison songs. U weet wel van die door de tik van houwelen aan hypnotische ritmes geholpen gezangen van tot dwangarbeid veroordeelde, geketende gevangenen. Vervolgens is er “Jennie Bell”. En dat is meteen geheel en al andere koek. We hebben hier immers te maken met een fraaie akoestische ballade, gedragen door de fluwelen zang van Byfield zelve en al even zachtzinnige klanken uit de eigen akoestische. “Next in line” is dan “Brimstone Joe”, een fijn streepje “N’awlins noise”, dat nadrukkelijk de mosterd lijkt te hebben gehaald bij respectievelijk de classic “St. James Infirmary” en de muziek van Jelly Roll Morton. En na dát catchy opdondertje staat Byfield gelijk alweer klaar met een nieuwe verrassing. “Midnight Association” blijkt mede door de knappe slidebijdrage erin immers een bijzonder lekker in het gehoor liggende bluesrocker. En onder de noemer blues valt ook het volgende nummer. “Go Jump The Willie” is z’n titel volledig getrouw echter een delicieus staaltje jump jive blues.

Goed en wel halverwege zijn we daarmee! En nóg is de honger van Blind Lemon Pledge naar stilistische variatie lang niet uitgeput. In “Language Of Love” smokkelt hij zo bijvoorbeeld ongegeneerd een snuif salsa naar binnen, in het daaropvolgende “Ham And Eggs” doet hij er lustig op los harmoniërend het “Great American Songbook” aan, het trage “How Can I Still Love You” flirt aansluitend bluesgewijs met late night jazz, “You Had Me At Goodbye” is een met wat country op smaak gebracht ingetogen folkrockertje en het afsluitende titelnummer valt wat ons betreft nadrukkelijk onder de noemer “deep Delta blues”.

In alle eerlijkheid: ik ken verzamelaars, die heel wat minder gevarieerd zijn dan deze schijf! Ongelooflijk eigenlijk, dat deze songcollectie uiteindelijk toch nadrukkelijk als één enkel geheel aanvoelt. En alle credits dáárvoor gaan naar James Byfield zelve, die door zijn indringende manier van zingen en zijn geweldige snarenbehandeling al die vaak dunne lijntjes tussen verschillende stijlen zomaar weet weg te vlakken. A really great job you’ve done here, Mr. Byfield!

Blind Lemon Pledge

 

DAVE MCGRAW & MANDY FER “Maritime” (Dave McGraw & Mandy Fer / Lucky Dice Music)

(5*****)

Binnenkort mogen we Dave McGraw en Mandy Fer onder meer begroeten op het Country Festival in Sint-Truiden (12/09) en in de Breugehel in Bree (18/09), maar voor het zo ver is vergasten ze ons terloops eerst nog even op één van de allermooiste rootsplaten van 2014 so far. Geen wonder, dat “Maritime” in geen tijd wist door te stoten naar de top spot in de Euro Americana Chart! De twaalf liedjes op die plaat zijn immers van een bij momenten haast onaardse splendeur.

Ergens tussen (indie) pop, folk en Americana doen McGraw en Fer zo’n vijfenvijftig minuten lang ongekunsteld hun wonderlijke ding. Hun ons respectievelijk aan Patty Griffin en Jeffrey Foucault herinnerende stemmen omarmen elkaar daarbij bijna voortdurend in door de band genomen eerder aan de rustig kant blijvende liedjes. Hun ongemeen intense natuurbetrokkenheid daarbij ten volle outend loodsen ze ons in hun teksten respectvol langsheen heel wat van het fraais dat deze aardkluit ons nog altijd te bieden heeft. Maar lang niet enkel de natuur in al haar aspecten komt daarin aan bod. Zo weerklinkt bijvoorbeeld in openingsnummer “Helicopter” meteen al de roep om een aanpassing van de nog altijd veel te soepele Amerikaanse wapenwetgeving en weerspiegelt “Carillon” een bijzonder beiaardconcert waarvan de twee nog niet zo heel erg lang geleden tijdens een bezoek aan Amsterdam getuige mochten zijn.

Zelf sturen Fer en McGraw ter verfraaiing akoestische en elektrische gitaren en een tamboerijn bij. En zijn voorts ook nog van de partij: drummer Andrew Lauher, bassist Christopher Merrill, lapsteeler Mike Grigoni, celliste Sasha Von Dassow en één enkele keer ook Jerome Holloway (harmony vocals in “Helicopter”). Samen tekenen ze voor twaalf op de één of andere manier een ongelooflijke rust uitstralende deuntjes, die je als luisteraar keer op keer opnieuw zal willen blijven beluisteren. Wij zouden in dit verband graag willen gewagen van volstrekt tijdloze schoonheid.

Hoe dan ook: een verplichte aanschaf!

Dave McGraw& Mandy Fer, Lucky Dice Music

 

SWEETKISS MOMMA “A Reckoning Is Coming” (SweetKiss Momma)

(3,5****)

Met de opvolger van hun ergens vroeg in 2011 verschenen debuutplaat “Revival Rock” maken die van het uit de buurt van Seattle actieve SweetKiss Momma andermaal flink wat indruk. In een productie van de je wellicht wel van Wilco bekende Ken Coomer serveren Jeff Hamel en de zijnen daarop “de nouveau” tien heerlijke lappen met Southern soul doordrenkte rock & roll. Als invloeden noemden we hier in dat verband al eens ooit eerder klassieke rock acts als Lynyrd Skynyrd, The Allman Brothers en The Black Crowes en daar staan we ook nu nog altijd volop achter.

Onze naar goede gewoonte volslagen onverbintelijke luistertips: het met een waarlijk hypnotische groove gezegende “Fix My Hair”, het door een losgeslagen gitarentweeling aangejaagde en mede onder invloed daarvan echt als bezeten aan zijn kettingen snokkende titelnummer, de soulvolle trage “Same Old Stories”, het behoorlijk funky aandoende en ons inziens ook erg radiogenieke “Get Some Love”, de machtige boogie-opstoot “Dirty Uncle Deezer” (Dat harmonicaatje alleen al! Wow…) en de volledig akoestisch gehouden afsluitende reprise van “Breathe Rebel”.

Damn good, indeed!

SweetKiss Momma

 

BENJAMIN FOLKE THOMAS “Too Close To Here” (Bucketfull Of Brains)

(4,5*****)

Ondertussen iets meer dan vijf jaar geleden verliet de Zweed Benjamin Folke Thomas zijn thuisland om zijn muzikale geluk in Londen te gaan beproeven. En dat bleek vrijwel meteen een goede zet. Al snel wist hij zich in de hippe hoofdstad van het Verenigd Koninkrijk immers op te werken tot een graaggeziene gast in concertmiddens. Zijn nochtans enigszins apart aandoende Americana sloeg duidelijk aan. Vergelijkingen met Dylan in z’n tweede decennium en wijlen Warren Zevon deden de sympathieke songsmid veel goed.

En dat resulteerde al in 2010 in een eerste plaat. Een EP toen nog, bij dezen opgevolgd door een eerste volwaardige, in de studio ingeblikte langspeler. En wat voor één! Moet je als aficionado van artisanaal vervaardigd liedgoed wel van houden, van dat schijfje! Elf nummers lang topkwaliteit biedt het! Met een Thomas die verrast als zanger, gitarist en vooral ook als songsmid. Gelijk van bij het ons snarengewijs nadrukkelijk aan de prille Dire Straits herinnerende openingsnummer “Someday” had hij ons alvast aandachtig bij de les. En dat zouden we ruim eenenveertig minuten blijven ook. Songs als de op een ietwat vreemde manier melodieus werkende Americana-deun “Love Somebody”, het Dylan-eske “Blues For You”, het ergens tussen blues en sixties folk gevonden “Extend No Greeting”, het Warren Zevon terloops even vernoemende maar al bij al toch eerder aan Springsteen refererende “Bye Bye Baby (Bye Bye)”, de geweldige eigentijdse folkballade “Let Her Down” en andere zijn immers vrijwel zonder uitzondering groots te noemen.

Produced by The Swedish Folk Maffia lezen we in het begeleidende booklet. En ook die uit Benjamin Folke Thomas zelf, zijn gitarist Henning Sernhede en zijn bassist Johannes Mattsson bestaande entiteit verdient wat ons betreft een dikke pluim. Dankzij de samenwerking van die drie klinkt alles hier immers zo uitzonderlijk lekker en vooral ook af. Eén opvallende gast willen we hier tenslotte ook nog even vermelden. En dat is BJ Cole, onder meer verantwoordelijk voor de mooie dobropartij in het hoger al even genoemde “Extend No Greeting”.

Benjamin Folke Thomas, Bucketfull Of Brains

 

STAN MARTIN “Whiskey Morning” (Twangtone Records)

(4****)

“This record was made ‘old school’ in honor and tribute to the legends of country music,” aldus Stan Martin zelve vooraf over zijn zopas verschenen vijfde studioplaat “Whiskey Morning”. En in een met de legendarische Dave Roe gedeelde productie serveert de beste man hier daadwerkelijk elf liedjes, die een dergelijke stelling rechtvaardigen. Liedjes, die “en passant” weliswaar nadrukkelijk de invloed van gereputeerde knapen als een Buck Owens, een Merle Haggard en een Dwight Yoakam verraden, maar die op de keper beschouwd  toch vooral Martins eigen niet geringe talenten onderstrepen. Enerzijds zijn (soms ook een heel klein beetje aan Yoakam herinnerende) vocale kunstjes, anderzijds zijn vaardige vingers. Vaardig met de pen, maar vooral ook op de snaren van z’n Telecaster en tal van andere gitaren.

Wat Martin daarbij bijzonder interessant maakt, is het feit, dat hij zowel op liefhebbers van klassieke country als van Americana lijkt te willen mikken. Het maakt van “Whiskey Morning” alleszins een bijzonder gevarieerd geheel. Openingsnummer “Champagne Wishes” is zo bijvoorbeeld een lekker twangende countryrocker, “Come On Trouble” klassiek geschoolde honky tonk en “If” een veritabele parel van een ballade. “Little Bit Right” rockt vervolgens opnieuw een aardig eindje weg, “Damn This Town” blijkt een schoolvoorbeeld van verhalende Americana en “Reasons For Drinking You Gone” is gewoon sublieme Bakersfield country anno nu. Wat ons betreft meteen ook het allermooiste liedje hier, dat laatste. Aansluitend gaat het via het nerveuze, sixties country duidelijk nog hoog in het vaandel dragende “Running Away” over de ons volop aan grootheden als Kris Kristofferson, Gordon Lightfoot en Rodney Crowell herinnerende trage “Singer Of Songs” en het countrypopgewijs voorzichtig even tot in het vaarwater van de Mavericks afdrijvende “The Note” tot bij het zwaar melancholische titelnummer en het afsluitende, behoorlijk Everly-esk ingevulde “Wrapped Around Your Finger”.

Samen goed voor net geen veertig minuten topcountry van een man die het wat ons betreft volop verdient gehoord te worden. Van hieruit bijzonder warm aanbevolen!

Stan Martin, CD Baby

 

LOUDON WAINWRIGHT III “Haven’t Got The Blues (Yet)” (Proper / Rough Trade)

(5*****)

Welk een excellent geheel alweer, deze inmiddels toch ook al zesentwintigste langspeler van Loudon Wainwright III. De binnenkort achtenzestig wordende Amerikaanse singer-songwriter lijkt daarop zo ongeveer in de vorm van zijn leven te verkeren. In een productie van de legendarische David Mansfield serveert hij veertien uit nogal wat verschillende stijlvaten tappende songschoonheden, die je als luisteraar regelmatig naar adem doen happen. Na afloop van je eerste luisterbeurt weet je ’t meteen: voor platen als deze zit er een repeat-toets aan je cd-speler.

Recht-toe-recht-aan rockend knalt Wainwright bij ons binnen met het qua intensiteit voorwaar even met Jerry Lee Lewis in zijn hoogdagen wedijverende “Brand New Dance”. Vervolgens is er dan “Spaced”. Invloeden uit Balkan style gypsy jazz, klezmermuziek en folk dingen daarin net geen vier minuten lang ongegeneerd naar onze gunsten. En dat ook al swingend als de spreekwoordelijke tiet! Pas met het derde liedje, vreemd genoeg juist luisterend naar de titel “In A Hurry”, neemt Wainwright voor het eerst wat gas terug. Dat blijkt immers een uitermate relaxte folkpopdeun. En als dusdanig ook de als het ware ideale aanloop naar het waarlijk grootse “Depression Blues”. Daarmee treedt “onze man” heel even in de voetsporen van bluesgrootheden als Blind Lemon Jefferson en Sleepy John Estes. Aansluitend is er dan “The Morgue”, oftewel dood en verval in een tête-à-tête met “shitty love”, tegen een achtergrond van old-timey jazz met een zeker vaudeville-gehalte.

Een volgend absoluut hoogtepunt is wat ons betreft het met ronduit zalig accordeonwerk gelardeerde en ergens tussen pop, folk en country strandende “Harmless”. Net als het er meteen op volgende Americana-riedeltje “Man & Dog” eigenlijk gewoon “vintage Wainwright”, dat nummer. Volgende halte: de met een bijdrage van “engelenstem” Aoife O’Donovan gezegende parel “Harlan Country”. Zij is samen met de in “I Knew Your Mother” toch net iets minder nadrukkelijk opduikende Martha Wainwright slechts één van de vele muzikale gasten op het wat dat betreft goed gestoffeerde “Haven’t Got The Blues (Yet)”.

Resten dan nog: het weer behoorlijk “rockerig” uit de hoek komende “Looking At The Calendar”, de zich wat al té vroeg aandienende alternatieve kerstdeun “I’ll Be Killing You This Christmas”, het voorzichtig gospelesk ingevulde “God & Nature”, het louter stilistisch gezien z’n titel alleen maar tegensprekende titelnummer van de plaat en weemoedige afsluiter “Last Day Of The Year”.

U merkte het al: aan variatie absoluut geen gebrek hier! Dát en het feit dat Wainwright voor de gelegenheid zowel goed bij stem als bij pen was, maken naar ons gevoel van “Haven’t Got The Blues (Yet)” de geweldige plaat die het is. Gaat, als u het ons vraagt, straks zonder ook maar de minste twijfel in heel wat eindejaarslijstjes van zogeheten kenners opduiken…

Loudon Wainwright III, Proper Records

 

FINGERPISTOL “Stepped In It Again” (Avery International Recording)

(4****)

Op hun derde album gooien die van FingerPistol het roer behoorlijk radicaal om. Met de “fifteen tracks of toe-tapping, boot-scootin’ country” op “Stepped In It Again” lijken ze niet langer (uitsluitend) op een Americana-publiek te mikken. En fans van knapen als een Dale Watson, een Jesse Dayton, een Ted Roddy, een Ed Burleson en aanverwanten zouden naar onze bescheiden mening aan dat nieuwe album van de groep rond Dan Hardick dan ook wel eens een vette kluif kunnen hebben. Dat klinkt verdorie als “Bakersfield by way of Austin”!

Country zo puur als het maar kan met andere woorden. Met daarbij een gedeelde (vocale) hoofdrol voor de ook voor alle songs verantwoordelijk tekenende Hardick en de zoetgevooisde Suzee Brooks. De warme, ons (heel) voorzichtig een beetje aan die van Dale Watson herinnerende baritonstem van Hardick wijst in acht songs de te volgen traditionele richting aan, die van nachtegaaltje Brooks in zes verdere. Wat dat betreft stoten we hier op slechts twee vreemde eenden in de bijt. “Never” blijkt immers een behoorlijk nadrukkelijk aan godenpaar Johnny en June schatplichtig duetje. En “Cherokee Shuffle” tenslotte is een korte instrumentale fiddle-exercitie.

Onze favorieten hier: het zwierige, vrijwel meteen tot meeneuriën of meezingen uitnodigende titelnummer, het hoegenaamd uit elke porie naar Texaanse barlucht geurende “Country Music Made A Drinker Out Of Me”, het subtiel swingende, door Brooks gedragen “Take Back This Heartache”, het zo mogelijk nog sprankelendere “Bottle Of Whiskey” en vooral ook het de grote Hank Williams op onnavolgbare wijze erende “Songs About Hank Williams”.

FingerPistol, CD Baby

 

PETER BEEKER & ONGENODE GASTE “Gaste Live” (Woo-Hoo Records)

(5*****)

Ongenode gasten zullen Peter Beeker en z’n maats hier wellicht nooit worden. Daarvoor ben ik door de jaren heen wat al té verslaafd geraakt aan hun muziek. Voor mij is dit vijfmanschap zonder meer het allerbeste wat Nederland op (roots)rockvlak te bieden heeft. Limburger of niet, Beeker en co vloeren je met hun liedjes in hun eigen dialect vroeg of laat genadeloos. En het is de ongebreidelde passie, die het hem daarbij wellicht doet.

En precies die passie is nog net wat manifester dan anders aanwezig op “Gaste Live”, het zopas verschenen nieuwe album van de heren. Daarop tien liedjes, ingeblikt op diverse locaties in hun thuisland. Meer bepaald in de Take Five in Venlo, in de ECI Cultuurfabriek in Roermond, in Gebouw-T in Bergen op Zoom en in poptempel Paradiso in Amsterdam. En bij het noteren van de naam van die laatste bühne moest ik toch onwillekeurig even terugdenken aan de gevleugelde woorden van Beekers collega Jack Poels van Rowwen Hèze. ’t Is een kwestie van geduld inderdaad…

Maar goed, terug tot de orde van de dag! “Gaste Live” dus. En da’s ruim drie kwartier lang balanceren op het scherp van de snee. Bij momenten al lang meer rock dan roots, maar “who cares”! Wat Beeker en z’n maats hier serveren is quasi even meedogenloos als een shot whisky op nuchtere maag. Het vergt wat van een mens, maar het is wel verdomde lekker! Je denkt aan de Stones in hun allerbeste dagen, aan een Ryan Adams, aan Wilco ook. Alleen, ik heb me in geen tijden zo geamuseerd met een plaat van die acts, als met deze hier. Gelijk van bij het lekker rockende “Bitter” is het zwaar prijs. Een eerste van tien muzikale homeruns, zo blijkt. Want ook het van een shot country(rock) bediende “Door Ut Stof Neet Meer”, de buitengewoon soulvolle en doorleefde tragen “Letste Van De Lien” en “Non-Stop”, het hypernerveus om zich heen schoppende “Metroman” en ouwe getrouwen als “Valentijn”, “Baedel Neet”, “Bliej Das Se D’r Bis” en lijflied “Laef Hard” hebben het stuk voor stuk in zich. Ze doen je als het ware nu al snakken naar een volgende doortocht van de heren ergens bij jou in de buurt.

Veel beter worden live-platen amper (nog) gemaakt!

Peter Beeker & Ongenode Gaste

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home