CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

JAMES LEG “Below The Belt” - ELVIS PERKINS “I Aubade” - KODIAK DEATHBEDS “Kodiak Deathbeds” - BRENT BEST “Your Dog, Champ” - DANNI NICHOLLS “Mockingbird Lane” - VALLEY MAKER “When I Was A Child” - STICK IN THE WHEEL “From Here” - SHANTELL OGDEN “Ghosts In The Field” - THE GRAHAMS “Glory Bound” - TOKYO ROSENTHAL “Afterlife” - BRAD ABSHER & SWAMP ROYALE “Lucky Dog” - JOHN CEE STANNARD & BLUES HORIZON “Stone Cold Sober” - KEVIN SEKHANI “Day Ain’t Done” - THE SIDESHOW TRAGEDY “Capital” - NANCARROW “Simple Things” - ANTUN OPIĊ “Shovel My Coal” - BIANCA CARUSO “Bravado” - BIG LAZY “Don’t Cross Myrtle” - GILMORE & ROBERTS “Conflict Tourism” - HARPETH RISING “Shifted” - DELTA MOON “Low Down” - BARNA HOWARD “Quite A Feelin’” - CROOKED BROTHERS “Thank You I’m Sorry” - ROD PICOTT “Fortune” - WARREN HAYNES FEATURING RAILROAD EARTH “Ashes & Dust” - BETH MCKEE “Sugarcane Revival” - NILS BONDESSON “Blues Dreams” - TONY FURTADO “The Bell” - ANDREW COMBS “All These Dreams” - THE ORIGINAL FIVE “Across The Deep Sea Blue” - MILLPOND MOON “Time To Turn The Tide” - BOB CHEEVERS, KEITH MILES, BARRY OLLMAN & GREG COPELAND “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home” - JACK TEMPCHIN “Room To Run” en “Learning To Dance”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

JAMES LEG “Below The Belt” (Alive Naturalsound Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Below The Belt”, de tweede soloplaat van James Leg, je misschien ook wel bekend als John Wesley Meyers van de Black Diamond Heavies, is haar titel getrouw daadwerkelijk een mokerslag onder de gordel. Een blues-rock-soul-hybride van het gevaarlijkere soort. Een echt monster!

Venijnig recht-toe-recht-aan rockend knalt Leg die opvolger van het goed vier jaar geleden verschenen “Solitary Pleasure” met “Dirty South” furieus op gang. Aanstekelijk hoe-hoe-end vlammen we zo aan de Stones in hun beste dagen voorbij richting een volgend intraveneus shot rock & roll pur sang. “Casa De Fuego” met name, waarin het enkele minuten lang lijkt alsof Screaming Jay Hawkins samen met een ver neefje van toetsenist Ray Manzarek van de Doors en een bataljon mariachi-blazers in één en hetzelfde bandje beland is. “Up Above My Head” is vervolgens een geslaagde Sister Rosetta Tharpe-cover, waarin gospel op catchy wijze stoot op mondharmonicablues. “Drink It Away” op zijn beurt een rete-aanstekelijke, eerder traditioneel uitgevallen bluesy drinking song.

Met “October 3rd” schotelt Leg ons vervolgens eens eerste, op de keper beschouwd behoorlijk Waitsiaans aandoend rustpuntje voor. Andermaal komen daarin ’s mans aanzienlijke talenten als toetsenist uitgebreid aan bod. Daarna gaat het achtereenvolgens richting de echt hondsgemeen uit de hoek komende, striemende bluesrocker “Glass Jaw”, een al even stomende benadering van de garagerockbom “Can’t Stop Thinking About It” van de Dirtbombs en een bizarre rockbeet in de hals van cold wave classic “A Forest” van de Cure. Afgesloten wordt er met twee beduidend rustigere momenten. Met name het ergens tussen rock, pop en soul strandende “Disappearing” en de soulvolle ballad “What More”.

Tijdens de maanden oktober en november doet Leg Europa aan voor wat gigs. Specifieke gegevens daaromtrent volgen later.

James Leg via Alive Naturalsound Records

 

ELVIS PERKINS “I Aubade” (MIR Records / Bertus)

(3,5****)

Toen Elvis Perkins in juli van 2007 debuteerde met “Ash Wednesday” regende het letterlijk superlatieven. En vergelijkingen ook. Van Elliott Smith en Syd Barrett tot Bob Dylan, van Johnny Cash tot Leonard Cohen en terug. Echt verfrissend anders was het, wat hij op die plaat deed. En dus werd hij ook gezien als een grote belofte voor de toekomst. Maar, maar, maar,… Perkins mag helaas graag rijkelijk zijn tijd nemen voor de dingen. Op z’n montere tweede, “Elvis Perkins In Dearland”, liet hij ons al twee jaar wachten en op weg naar nummer drie verstreken er maar liefst zes volle jaren. Zes…

Gewoon veel en veel te lang eigenlijk. Want ook die derde van ‘m is weer een zeer speciale plaat geworden. Een uitermate bevreemdend geheel, dat zich bij nader inzicht maar moeilijk laat plaatsen. Strange folk, lazen we ergens, maar zelfs dat is niet echt een adequate omschrijving. Dit heeft immers minstens evenveel met pop van doen. Het enige wat ons inziens zou kunnen helpen is met betrekking tot de dertien songs erop een kloek blik aan de sfeer vattende woorden opentrekken. Intimistisch klinkt het regelmatig. Spaarzaam ingevuld is het soms, maar lang niet altijd. Akoestisch idem dito. Vol van vreemde kronkels. Een beetje weird überhaupt. Soms heel erg speels. Elders juist heel erg behoedzaam. ‘n Beetje bezwerend her en der ook. Met licht psychedelische inslag. Kortom: heel erg speciaal, heel erg Elvis Perkins weer. Wat dat laatste dan ook juist moge inhouden…

Op 1 december doet Elvis Perkins de Brusselse Botanique (Rotonde) aan.

Elvis Perkins

 

KODIAK DEATHBEDS “Kodiak Deathbeds” (Affairs Of The Heart / Sonic Rendezvous)

(3***)

De culminatie van een decennium lang aan reizen doorheen diverse bands noemen Derek Fudesco en Amber Webber zelf hun nieuwe project Kodiak Deathbeds. Hij deed het onder meer met The Murder City Devils, Pretty Girls Make Graves en The Cave Singers, zij met Black Mountain en Lightning Dust. Om maar te zeggen, dat de twee zeker geen rookies, geen groentjes zijn.

Met z’n titelloze debuut levert het vanuit Seattle actieve tweetal zo ongeveer hét ideale antidotum tegen de jachtigheid van het leven anno nu. Tien nummers lang parelen ingetogen, als lome waterdruppels over een bewasemde ruit bedaard naar beneden komende gitaarklanken uit de vingers van Fudesco. En al even ingehouden kweelt Webber daar dan fijntjes haar teksten overheen. Geen noot, geen klank teveel. Het er duidelijk mee eens zijnd, dat stil het nieuwe luid is.

O ja… En dan moesten we vooral nog even meegeven, dat het hier door Fudesco en Webber gebrachte “Against The Wind” géén cover van de gelijknamige Bob Seger-hit is. No siree! De twee doen het wel degelijk uitsluitend met eigen materiaal.

Kodiak Deathbeds Bandcamp

 

BRENT BEST “Your Dog, Champ” (Last Chance Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Wat hebben we hier – Mag ik zeggen met z’n allen? – vreselijk lang naar zitten uit te kijken? Maar het heeft dan ook nogal wat voeten in de aarde gehad, alvorens “Your Dog, Champ”, het solodebuut van Slobberbone-oergesteente Brent Best ons wist te bereiken. Vele jaren geleden al werd die eersteling voor eigen rekening een eerste keer aangekondigd. Toen kreeg Best op het laatste moment echter last van cold feet. Hij ging eraan twijfelen, of hij al wel genoeg afstand had kunnen nemen van z’n tijd en z’n werk bij Slobberbone. En dus bleef dat materiaal gewoon op de plank liggen. Een tweede poging ging eveneens compleet de mist in, toen de harde schijf waarop dat album zich bevond onverwacht crashte en er ongelofelijkerwijze geen back-up van het afgewerkte materiaal bleek te bestaan.

Maar goed, derde keer goede keer dus! En dus kunnen we nu – Ook al met z’n allen! – uiteindelijk toch uitgebreid genieten van de andere kant van Brent Best. Op “Your Dog, Champ” treedt die immers nadrukkelijk in de voetsporen van zo menig een vermaarde Texaanse storyteller-voorganger. Meer dan ooit focust hij daarop op z’n singer-songwriter-kant.

“At first, I thought it would be just me and a guitar, but I started thinking of things I wanted to add – and who I wanted to bring in to add them,” aldus Best zelve over het ontstaansproces van “Your Dog, Champ”. En wie dat dan uiteindelijk allemaal wel werden, vroeg u? Wel, we noemen hier onder andere Ralph White van de Bad Livers op fiddle en kalimba, Petra Kelly van Hares On The Mountain op viool en Andy Rodgers van de Boxcar Bandits op banjo. En voorts voor de volledigheid ook nog drummer Grady Don Sandlin, bassist Drew Phelps, toetsenist Scott Danbom, pedal steeler Burton Lee en accordeonist Claude Bernard.

Best liet zich voor z’n materiaal naar eigen zeggen vooral inspireren door wijlen de auteur Larry Brown. Daar en nergens anders werd het zaad voor z’n “narrative about a family with deep dark roots and dark secrets, strong bonds and fraying nerves” dus gezaaid. Stuff van het soort, waarvoor dezer dagen graag de termen “grit lit” of “dirty realism” uit de kast worden gehaald. Een heel straf voorbeeld daarvan is openingsnummer “Daddy Was A Liar”. Hoe de protagoniste (Baby) daarin vele jaren na het verlaten van de ouderlijke woonst nog steeds niet uit de loodzware schaduw van haar uitermate gewelddadige vader weet te raken, laat ook na meerdere luisterbeurten nog een knagend gevoel van onbehagen achter. Net als de ballad “Clotine”. Al is het daarin net de moeder, die een blijvend, alles ontwrichtend stempel op de verteller heeft gedrukt: “I’ve never known a woman as mean as the one who brung me and my sister into this world. And I struggled my whole life with the notion of a wife who would not seem inextricable…”

Kan zo onder de W van Wow, dit pareltje!

Brent Best

 

DANNI NICHOLLS “Mockingbird Lane” (Danni Nicholls Music)

(4****)

Als je, zoals de jonge Britse Danni Nicholls voor haar tweede album “Mockingbird Lane”, een beroep mag doen op klasbakken als producer Chris Donahue, je onder meer bekend van zijn werk voor en met The Civil Wars, Elvis Costello, Robert Plant en Emmylou Harris, gitarist Will Kimbrough, drummer Bryan Owings, toetsenist Ralph T Lofton en collega Brandy Zdan (backing vocals), dan weet je eigenlijk vooraf al, dat je met wat goeds bezig bent. Dat je met vertrouwen aan de slag kan. En dat is aan het songelftal op die nieuwe Nicholls-worp duidelijk te horen ook!

Geen wonder eigenlijk, dat de knappe Britse al door zo menig een gerespecteerde Americana act op sleeptouw werd genomen. De voorbije jaren stond ze zo bijvoorbeeld onder meer al als support act voor Angus & Julia Stone, Todd Snider, Jolie Holland, Kim Richey, Jim Lauderdale, Bobby Bare Jr., Otis Gibbs, Mark Olson, Nell Bryden, Tift Merritt en Diana Jones op de planken. Een bepaald indrukwekkend lijstje!

Zelf vindt Nicholls het materiaal op haar tweede wat ruwer, wat gruiziger überhaupt dan dat op de voorganger ervan. “Far more ‘live’ sounding.” En daar valt op de keper beschouwd best wel wat voor te zeggen. Al is het nu ook weer niet zo, dat “Mockingbird Lane” klinkt alsof er aan de afwerking ervan nauwelijks aandacht zou zijn besteed. Allesbehalve dat zelfs. Het is gewoon een lekker natuurlijk tot stand gekomen Americana-geheel. Gebracht door een onwaarschijnlijk passionele zangeres, gezegend met ronduit geweldige fluwelen stembanden. En met een alleraardigst deuntje in de vingers bovendien ook. Alle songs op “Mockingbird Lane” blijken immers Nicholls-originelen. Al kreeg ze bij het pennen van meer dan de helft ervan wel wat schrijfhulp van bekend en minder bekend volk als een Amy Stroup, een Phil Madeira, een Rebekah Powell, een Billy Livsey, een Steve O’Brien, een Tommy Reilly en een Sam Ashworth.

Een aanrader voor wie houdt van een lekker gevarieerde pot Americana op z’n tijd. Van wat country soul, wat folky pop, wat alternatieve country, een rootsy rockertje en dies meer. Voor ons hoe dan ook één van dé ontdekkingen van de voorbije maanden!

(Releasedatum: 23 oktober.)

Danni Nicholls

 

VALLEY MAKER “When I Was A Child” (Brick Lane Records)

(4****)  

“Het schrijven van liedjes is een manier om niet te beantwoorden vragen te benaderen,” aldus de jonge Austin Crane en dat is dan ook exact wat hij doet op z’n nieuwe worp “When I Was A Child”. Nu ja, zijn nieuwe worp… Het gloednieuwe album van z’n bandje Valley Maker eigenlijk. Hun tweede ondertussen, als wij het goed hebben. En echt een fantastische plaat! Als het ware voorbestemd om met name in indie-middens binnen afzienbare tijd hoge ogen te gaan gooien.

De songs ervoor schreef Crane al rondzwervend. Twaalf originelen en evenveel beschouwingen over leven, liefde, dood, geloof, twijfel, tijd en ruimte. Behoorlijk diepzinnig spul dus. Materiaal, waarvoor Crane zich vanzelfsprekend door het leven zelve liet beïnvloeden. En door collega’s als een Bill Callahan (Smog), een Will Oldham (Bonnie “Prince” Billy), een Chan Marshall (Cat Power) en een Jason Molina (Songs: Ohia) ook. Zeker wat betreft de muzikale invulling ervan dan.

Nogal wat van de op “When I Was A Child” gebrachte nummers moeten het hebben van een eerder spaarzame aankleding. Van een stripped down approach, zoals dat dan veelzeggend in het Engels heet. Zelf nam Crane daarbij naast de meerderheid van de zangpartijen ook tal van akoestische en elektrische gitaren, banjo en piano voor z’n rekening. Amy Godwin van haart kant tekende voor fraai harmonieerwerk en wat pianobijdragen, Nathan Poole deed het op de elektrische gitaar en wat percussie-instrumenten, Caleb Weathersby en Wendelin Wohlgemuth drumden en James Gibson en Drew Fitchette waren de bassisten van dienst.

Indie stuff, zoals hoger reeds gesteld, goed gedijend ergens tussen folk, pop en rock en met nadrukkelijk ook een zweempje Seattle over zich. U weet wel, dat immer bewolkte, vaak regenachtige… Heerlijk moody!

(Releasedatum: 25 september.)

Valley Maker, Bandcamp

 

STICK IN THE WHEEL “From Here” (From Here Records)

(4****)

“From Here”, het binnenkort verschijnende langspeeldebuut van het Londense vijftal Stick In The Wheel, is een bijzonder gedurfde spagaat tussen het rijk gevulde Engelse folkverleden en het hier en nu. Een uitermate geslaagde poging om heel wat van hun slapende landgenoten weer eens met de neus op hun tegenwoordig ogenschijnlijk zo goed als volledig vergeten roots te drukken. Zonder zichzelf daarvoor overigens te moeten degraderen tot een retro act pur sang. Dat zeer zeker niet! Het verleden ligt hier bij wijze van spreken gewoon aan de overkant van de straat. En ja, er wordt al wel eens overgestoken, maar men keert altijd even snel weer terug. Het nu is al bij al toch duidelijk the place to be!

Zodoende werd “From Here” een lekker rauw allegaartje. Een samenraapsel van zowel traditionals als eigen originelen. Van zowel heerlijk atmosferisch als wat ritmischer uit de hoek komend spul. Met bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling de lichtjes fantastische Nicola Kearey. Met een stem als die van haar verdien je vroeg of laat een plaatsje in de galerij der groten! Schrijft u dat nu alvast al maar even op!

Tracks als het exemplarische “Champion”, het op licht hyperkinetische wijze de voortdurende afbouw van ons aller rechten aankaartende “Common Ground” en het atmosferische tweetal “By Of River” en “Who Knows” en andere zijn van een dergelijk adembenemende schoonheid, dat we Stick In The Wheel hier prompt zouden durven te promoveren tot Engelands folkhoop in bange dagen.

Een heerlijke plaat gewoon!

(Releasedatum: 25 september.)

Stick In The Wheel        

 

SHANTELL OGDEN “Ghosts In The Field” (Shantell Ogden)

(3,5****)

Album nummer vier voor de vanuit Nashville gestaag aan de weg timmerende Shantell Ogden. Een mini eigenlijk, want er staan helaas maar zeven liedjes op. En ik zeg bewust helaas, want als ze zo goed zijn als die zeven, dan mogen het er graag wat meer zijn. Een mening, waarmee ik kennelijk niet alleen sta, als je weet, dat Ogdens vorige, het hier eveneens beproken “Better At Goodbye”, vorig jaar door de International Music and Entertainment Association werd uitgeroepen tot Americana Album of the Year.

Met het door John Willis geproduceerde “Ghosts In The Field” bevestigt Ogden eigenlijk gewoon nog eens al het goede wat er eerder reeds over haar verteld en geschreven werd. Ze presenteert zich andermaal zeven liedjes lang als een begenadigde zangeres en een al even getalenteerde liedjesschrijfster. Ik dacht terloops bijvoorbeeld aan dames als een Nanci Griffith, een Suzy Bogguss, een Kim Richey en een Trisha Yearwood. U weet wel, dames die een bescheiden commercieel succesje hier of daar niet schuwen, maar die wel altijd waken over de kwaliteit van het door hen gebrachte. Zó mag ik deze Ogden ook graag omschrijven.

Mooi vond ik op “Ghosts In The Field” vooral het nostalgisch rockend het leven op de eigen familieboerderij verheerlijkende titelnummer, het op zomers speelse wijze een coup de foudre bezingende “Just A Little” en het verhalende duo “Blossom In The Dust” en “God Counts Every Tear”.

Shantell Ogden

 

THE GRAHAMS “Glory Bound” (12 South Records)

(4,5*****)

Dat de Grahams het met hun nieuwe album “Glory Bound” inmiddels reeds tot in de prestigieuze AMA Chart hebben geschopt, verbaast ons absoluut niet. Die door de je misschien wel van z’n recente werk met onder anderen John Fullbright (Hier overigens ook zelf van de partij!) en Parker Millsap bekende Wes Sharon geproduceerde derde van het duo zou immers zelfs de meest kritische Americana-liefhebber ogenblikkelijk overstag moeten kunnen doen gaan.

De twaalf door het duo samen met Bryan McCann gepende songs erop bestrijken alvast nogal wat terrein. En dat hoeft gezien de bijzondere ontstaansgeschiedenis ervan niet eens te verwonderen ook. Lieten de Grahams zich voor de songs op voorganger “Riverman’s Daughter” nog inspireren door de Mississippi’s Great River Road dan waren ditmaal de Amerikaanse spoorwegen voor een “song-crafting expedition” aan de beurt. Met voornamelijk het Zuiden als inspiratiebron voor nieuw songgoed.

Dat blijkt gelijk al in het wervelende openingsnummer. Doorheen dat liedje, het echt wel onwaarschijnlijk catchy countryrockende titelnummer, waren nadrukkelijk de geesten van Gram en Emmylou rond. Beter worden ze dezer dagen als je ’t ons vraagt gewoonweg niet meer gemaakt… En da’s dan alleen nog maar het openingssalvo! Via het lekker smeuïge, op een bepaald niet te versmaden blues groove surfende “Gambling Girl” gaat het vervolgens naar ons gevoel onder meer nog over de beklemmende folky story song “Blow Wind Blow”, de country soul ballad “Lay Me Down”, de rete-aanstekelijke countryswinger “Kansas City”, het nadrukkelijk roots in het gospelgenre verradende “Mama”, de ongemeen passioneel gebrachte alternatieve countrytrage “The Wild One” en de uit zo ongeveer elke porie Tex-Mex ademende border song “Borderland” veel te snel weer richting uitgang. Echt waar, dit setje werkt instant-verslavend! Eén keer beluisteren en je bent gegarandeerd verkocht!

Waar wij wonen noemen ze zoiets een dikke plaat!

(Releasedatum Europa: 2 oktober.)

The Grahams

 

TOKYO ROSENTHAL “Afterlife” (Rock & Socks Records)

(3,5****)

Wij hebben het hier wel voor deze Tokyo Rosenthal. Zes albums lang nu al bewijst de beste man immers z’n plaatsje tussen de beste Americana singer-songwriters anno nu waard te zijn. Z’n liedjes zijn werkelijk puntgaaf, z’n teksten zijn ook al hoogst onderhoudend en dan is er nog die warme hese stem van ‘m. Neen, ons hoor je hierover absoluut niet klagen!

Wij genieten graag met volle teugen van dingen als het folky “The Bunkhouse”, het daar al fluitend aan vast geplakte en er ondanks a touch of pop ook uitstekend op aansluitende “Bury My Ashes”, het ons met z’n intro even aan “Under Pressure” van Queen en David Bowie herinnerende rootsopdondertje “Shreveport”, het onder meer accordeongewijs met wat Tex-Mex-gevoel gekruide “The Cold War”, het ergens in de buurt van Butch Hancock strandende “Back Stage Hotel”, de fraaie trage “The Pearl” en vooral ook titelnummer “Afterlife”.

U heeft het goed begrepen: opnieuw een aanradertje, deze bij wijze van een video van het nummer “Cold War” ook nog met een extraatje gezegende opvolger van “Tokyo’s Fifth”. Net als al z’n voorgangers eigenlijk…

Tokyo Rosenthal, CD Baby

 

BRAD ABSHER & SWAMP ROYALE “Lucky Dog” (Montrose Records)

(4****)

Al van in de begindagen van z’n carrière wordt de Amerikaan Brad Absher door hen die ‘m kennen uitvoerig bewierookt. Met z’n “old school R&B with a twist of new” sloeg hij dan ook vrijwel onmiddellijk spijkers met koppen. Bevoorrechte getuigen daarvan zijn onder meer de albums”Find You Tonight” uit 1998, “Halfway” uit 2002 en “Gulf Coast Soul” uit 2005. De twee laatsten dezer dagen compleet umsonst te downloaden via CD Baby. Later nog gevolgd door “Big Shugga” in 2010.

Dat Absher ondertussen nog niet minstens even bekend is als muzikale geestesverwanten als pakweg een Delbert McClinton of een John Hiatt mag eigenlijk verwondering wekken. Aan de kwaliteit van z’n materiaal zal het alvast zeker niet gelegen hebben. Dat bewijst ook het door hemzelf samen met z’n nieuwe labelbaas Richard Cagle en basvirtuoos Larry Fulcher geproduceerde “Lucky Dog” weer. Een plaat, waar nu eens niks, maar dan ook echt niks op aan te merken valt. Een waar feest voor de oren!

Zes eigen nummers brengt Absher daarop en covers van Bill Withers’ “Same Love”, William Bells “You Don’t Miss Your Water”, Leon Russells “I’d Rather Be Blind”, Allen Toussaints “Lipstick Traces” en de traditional “Jesus On The Mainline”. Het dan nog resterende “Trouble” is van de hand van de al genoemde Fulcher en Tony Braunagel. Het beste uit blues, R&B, soul en gospel in één enkele pot! Het resultaat? Een buitengewoon smaakvolle gumbo, gedragen door met name de her en der aan die van Bill Withers en Lou Rawls herinnerende stem van Absher zelf en z’n ook al buitengewoon warmbloedige gitaarspel. Aangevuld met knappe Hammond- en pianobijdragen van Barry Seelen, bevlogen blaaswerk van Andy Saad, Anthony Terry en Kyle Turner (tenor- en baritonsaxen) en dito bas- en drumpartijen van Larry Fulcher en Mike Patton goed voor ruim achtenveertig minuten Swamp Royale.

Bijrolletjes zijn er daarbij verder ook nog voor Nicoya Prolar en Ed Starkey (zang), Samantha Banks (percussie) en Brian Thomas (pedal steel in de bloedmooie country-soulsleper “Not Tonight”).

Echt een aanrader van formaat, deze plaat!

Brad Absher, CD Baby

 

JOHN CEE STANNARD & BLUES HORIZON “Stone Cold Sober” (CastIron Recordings)

(3,5****)

Nauwelijks een jaar na z’n vorige worp, het ook al fijne “Bus Depot Blues”, slaat de Brit John Cee Stannard ons al opnieuw met een knappe collectie nieuwe songs om de oren. Een collectie, die hij ook nu weer met het duo Blues Horizon inblikte. Met Mike Baker op akoestische en elektrische gitaren en Howard Birchmore op mondharmonica dus. En uiteraard opnieuw aangevuld ook met de tijdens de opnamen van z’n vorige al zeer nuttig gebleken bassist Andy Crowdy en drummer Julian Brown. Simon Mayor (viool en mandoline), Matt Empson (piano), Roger Cotton (Hammond) en Nicole Johnson (backing vocals) vervolledigen het geheel.

Met z’n allen rakkeren zij doorheen elf nieuwe Stannard-originelen en een fijne cover van Blind Blake’s “Lead Hearted Blues”. Een heerlijk diverse pot blues met de nadruk vooral op het akoestische is het resultaat. Variërend van wervelend en extreem catchy tot eerder terughoudend. Van gemaakt vrolijk rondstuiterend zoals in opener “I Don’t Want You Anymore” tot bedaard schuifelend zoals in het door secondant Birchmore van een fraai streepje harmonica voorziene “Don’t You Worry None ‘Bout Me”, van op smaak gebracht met overduidelijke gipsy-jazz-invloeden zoals in “The Story” tot heerlijk swingend zoals in het rete-aanstekelijke “Rum Ol’ Do” of juist heel ingehouden groovend zoals in het jazzy “So Long”.

Hadden we dan nog niet gehad: het uitermate sympathieke stampertje “Stone Cold Sober”, het voornamelijk van het bepaald swampy aandoende sfeertje erin levende “Poverty Blues”, het enigszins grimmig uit de hoek komende terug-naar-af-verhaal “Right Back At The Start”, de slow shuffle “Worse Off Than You”, de ongemeen sfeervolle trage “Dream The Blues” en het mede door een fijne vioolcontributie van Simon Mayor de feestelijkheden op hoogst aangename wijze afsluitende “This Rag Of Mine”.

Voor de productie van “Stone Cold Sober” tekende Stannard zelf.

Foot-tapping good!

John Cee Stannard

 

KEVIN SEKHANI “Day Ain’t Done” (Louisiana Red Hot Records)

(4,5*****)

“Day Ain’t Done” is de titel van het debuut van Kevin Sekhani. “Kevin wie?”, vroeg u? Welnu, Kevin Sekhani. Een veteraan op jaren van het muziekgebeuren in Austin en verre omstreken, maar sinds een jaar of vijf weer gewoon back home in Lafayette, Louisiana, alwaar hij het sindsdien voor het zeggen heeft bij de lichtjes fantastische Mercy Brothers. U weet wel, die van het geweldige “Holy Ghost Power!” van goed en wel een jaar of twee geleden! Díe Kevin Sekhani dus…

Die slaat ons nu om de oren met een geweldig sympathiek album. Echt barstend van de joie de vivre. En heerlijk rootsy ook. Met lekker veel ruimte voor instrumenten als akoestische gitaar, resonator, fiddle, mandoline en accordeon. Songgewijs heen en weer pendelend als het ware tussen z’n voormalige wahlheimat en z’n huidige “echte” thuis. Het ene moment behoorlijk nadrukkelijk herinnerend aan figuren als de jonge Steve Earle en Joe Ely, het andere compleet de vrije loop latend aan de Cajun die er ergens daarbinnen overduidelijk in ‘m schuilgaat.

Titelnummer “Day Ain’t Done” is zo’n wervelwind Louisiana style. Alsof de Sir Douglas Quintet voor een rondje Cajun-vermaak loosging, zoiets. En ook het daaropvolgende, op bedaarde wijze verhalende “Carol Ann” heeft weer die typische bayou vibe. Zij het dan ook wat meer ingehouden. Eerste single “Jimmy” is vervolgens naar eigen zeggen dan weer Sekhani’s gooi naar een tijdelijk stekje op de bühne van de vermaarde Grand Ole Opry. Met het sombere “Wrong Direction” belanden we meteen daarna in de buurt van singer-songwriters als Earle en co. En daar blijven we ook met het als eerbetoon aan alle arbeiders actief in de olie-industrie opgevatte “Oilfield Tan” nog even, alvorens met “Jump Right Back” het dak er al swingend weer enkele tellen lang af mag.

Het mistroostige countrydeuntje “Ballad Of A Lonely Clown” maakt even later z’n titel helemaal waar. En met het sympathiek twangende “The Higher I Get” lijkt John Mellencamp voorwaar even in Louisiana te zijn neergestreken. Verdomd catchy spul, dat nummer! Resten er ons dan nog: de melodieuze love gone wrong song “Walk Away From Me”, het samen met onder meer Bill Carter en Andrew Duplantis gepende roots-stompertje “Burial Ground”, het bij nader inzicht bedrieglijk opgewekte “The Kiss” en de fraaie afsluitende poppy countryrocker “Sumner Street”.

Het moge ondertussen al even meer dan duidelijk zijn: deze Sekhani kan zelfs op z’n debuut al met de allerbesten mee. Een dikke aanrader zonder meer, dat “Day Ain’t Done”!

Kevin Sekhani, Louisiana Red Hot Records

 

THE SIDESHOW TRAGEDY “Capital” (Old Soul Records / CRS)

(3,5****)

The Sideshow Tragedy is een uit Nathan Singleton (zang, versterkte en akoestische National-resonator- en baritongitaren) en Jeremy Harrell (drums, percussie en backing vocals) bestaand indie blues-roots-rock duo uit Austin, Texas, dat er op z’n vijfde album “Capital” verdomd heftig invliegt. Onvoorstelbaar welk een oerkracht er daarbij van de twee uitgaat! The house is on fire, baby!

Primitieve garagerock met uitschieters richting roots rock, R&B en Delta blues vormt daarbij de hoofdmoot. Heftig, rauw, veelal door merg en been gaand. Heerlijk agressief! Al mag het tempo her en der ook wel eens even wat naar beneden. Ruw blijft het echter te allen tijde. Met de krassende zang en de virtuoze snarenescapades van Singleton quasi voortdurend up front and center.

Onze luistertips: het als Lou Reed in een manisch-depressieve bui op de koffie bij de North Mississippi Allstars klinkende titelnummer, het ons best wel wat aan het kalmere werk van Paul Westerberg en The Replacements herinnerende “Animal Song” en vooral ook de machtige, de niet geringe resten moddervette Delta-klei hyperkinetisch van zich afstampende bluesrockknaller “Two Guns”.

Voor de productie van “Capital” tekende Kenny Siegal.

(The Sideshow Tragedy treedt op zondag 1 november op in cultcafé OPCD in Ardooie.)

The Sideshow Tragedy, Continental Record Services

 

NANCARROW “Simple Things” (Randm Records)

(4****)

Nu Dwight Yoakam ons op z’n oude dag altijd maar langer laat wachten op nieuw materiaal moeten we welhaast op zoek naar valabele alternatieven. En eentje hebben we er alvast gevonden. Bij Nancarrow meer bepaald. Een buitengewoon sympathiek collectiefje rond de aan de band z’n naam verlenende zanger-songsmid Graham Nancarrow, dat met “Simple Things” na “Valley Of The Deer” uit 2012 en het hier vorig jaar nog besproken “Heart” ondertussen al aan z’n derde cd toe is.

Groot verschil met die beide voorgangers is de aanwezigheid van de je ongetwijfeld ook wel van z’n rol binnen acts als Hot Rod Lincoln en de Bastard Sons Of Johnny Cash bekende gitarist Buzz Campbell. Die vervangt op “Simple Things” Tommy Andrews. Ook nieuw aan boord is toetsenist Joey Guevara.

Verder echter vooral veel vertrouwde geluiden hier. Met name die van authentieke old school country. Veertig minuten twang à volonté als het ware. Van het zomers nostalgische “Sprinklers” over de zwierig swingende oorwurm “15 Til 40”, het fijntjes wegrockende “Tennessee” en de echt wel op z’n Dwights gecroonde ballad “Room For You” tot het rootsy rockende “Summertime”, van de combinatie van cheating en murder song “25 To Life” over de eigentijds ingevulde honky-tonk van het titelnummer, het al even dartele “Goldie Girl”, de al bij al wat meer naar het alternatieve neigende country van “California Plates”, het als border song met dringend nood aan wat Rilatine gepresenteerde “Maria” en het al bijna even hyperkinetische “Fishin’” tot het afsluitende “Elvis”, een ronduit heerlijk eerbetoon aan het adres van wijlen The King of Rock & Roll, hier word je als liefhebber van “het echte spul” nog uitgebreid op je wenken bediend.

Nancarrow, Randmrecords

 

ANTUN OPIĊ “Shovel My Coal” (Antun Opiċ)

(3,5****)

Als u ooit verlegen komt te zitten om een voorbeeld om de term eclecticisme aan iemand mee uit te leggen, dan zou de EP “Shovel My Coal” van de Duits-Kroatische singer-songwriter Antun Opiċ wel eens prima diensten kunnen bewijzen. De hoeveelheid aan elementen uit verschillende stijlen, die in de vier nummers daarop aan bod komt, grenst immers zowat aan het abnormale. Met als resultaat wereldmuziek van het genialere type. Experimenteel tot en met, maar verrassend genoeg ook behoorlijk catchy.

Django Reinhardt style gitaarkunstjes, quasi gerapte “dramzang”, beurtelings soulvol dan wel jazzy kopergeschetter, même  un petit mot en français in titelnummer “Shovel My Coal”, creepy rock, soundtrack-aspiraties, een permanent gevoel van onbehagen überhaupt in “The Journalist”, flamencogitaarpassie, hypnotische declameerzang à la Brecht & Weil, brass band music, exotisch snarenwerk genre een Marc Ribot en een oriëntaalse passage in “Hide & Seek”, het kan hier echt voortdurend alle kanten uit.

Enkel het soulvol gecroonde “Come With Me” voelt hier een beetje aan als de spreekwoordelijke vreemde eend in de bijt. Al was het alleen al maar omdat Opiċ zich daarin voor één keer wel stijlvast toont.

Bepaald intrigerend spul!

Antun Opiċ

 

BIANCA CARUSO “Bravado” (Randm Records)

(4****)

Eerste soloplaat van één helft van het je misschien ook al wel bekende duo Freddy & Francine uit L.A. en wat voor één! In een productie van Mike Butler verkent Bianca Caruso daarop nogal wat (Americana)terrein. Maar bovenal toont ze zich een verbluffend goede zangeres. Eentje van het type met stembanden zo lenig als een keurturnster op haar top.

Eerste halte op “Bravado” is het titelnummer. Lots of twang, een catchy ritme en de quasi direct tot de verbeelding sprekende pipes van La Caruso doen je als luisteraar voorwaar heel even terugdenken aan de jonge Neko Case. Vervolgens is er “Rodeo”. Prachtige country soul met bij wijze van meerwaarde lekker veel steel erin. Het heerlijk onderkoeld gebrachte “Lonesome At Last” dan. Lee Hazlewood, Ennio Morricone, Calexico, Lana Del Rey. Die kontreien, zoiets… Zalig nummer hoe dan ook.

Het met gitarist Lee Ferris gedeelde “I Wanna Go Home With You” is vervolgens bedaarde schuifel-Americana met een wel zeer groot hart, “Blue On Blue” zoekt het wederom richting fijne country soul, “Baby Got Stopped” vertaalt op even knappe als catchy wijze een sixties R&B-motiefje naar het hier en nu en “Maggie’s Silver Mine” is niets minder dan een wolk van een doorleefde rootsy pop-pianoballade.

“Speechless” blijkt meteen aansluitend daarop nog zo’n kristalhelder vertolkte trage, die je als luisteraar inderdaad enkele tellen lang sprakeloos achterlaat, “Don’t Lose Your Head” stoeit met een cabaretesk ritme een aardig eindje weg woestijnwaarts en met het afsluitende “Replacing You” croont Caruso zich nog één laatste keer tot diep, diep in ons aller harten.

Dit horen is het allicht ook onverwijld kopen! Moest u maar eens proberen…

Soundcloud Bianca Caruso, Randm Records

 

BIG LAZY “Don’t Cross Myrtle” (Tasankee Records)

(4****)

Voor wie wel eens wat anders wil, kwam er onlangs met “Don’t Cross Myrtle” van het vanuit The Big Apple actieve drietal Big Lazy een waar godsgeschenk vanuit de hemel neerdwarrelen. Een bescheiden meesterwerkje eigenlijk. Werkelijk tot de nok toe gevuld met even aparte, als aantrekkelijke instrumentals. Elf mini soundtracks als het ware. Guitar noir, vrij naar een album van Steve Hackett uit 1993.

Wat Stephen Ulrich (gitaren), Yuval Lion (drums), Andrew Hall (akoestische bas) en een handvol gasten (op respectievelijk schuiftrompet, baritonsax, accordeon, orgel en percussie-instrumenten) hier elf songs lang afleveren overstijgt bij nader inzicht zo ongeveer elke vorm van hokjesdenken. Dat gruizige Americana in veel gevallen het uitgangspunt vormt, akkoord, maar hier gebeurt toch nog zoveel meer! Exotische Latin-invloeden, wat blues en R&B, creepy achterbuurten-jazz en ook de meer gesofisticeerde genrevariant, die o zo typische Duane Eddy twang, het surfgeluid van Link Wray, wat Santo & Johnny en Hank Marvin bij tijd en wijle ook, wat functionele reverb, je zegt het maar. Een wonder eigenlijk, dat de heren erin slagen om aan zulk een rijkdom aan aardig uiteenlopende invloeden toch één samenhangend geheel te ontlokken. Iets wat als je het ons vraagt in zeer grote mate te danken is aan het fenomenale gitaarspel van Ulrich.

Leeft de muziek van Big Lazy als geheel voornamelijk van haar filmische, überhaupt extreem evocatieve karakter, dan moeten de snaren van Ulrich het vooral hebben van hun narratieve kwaliteiten. ’s Mans vingers en het door hen met veel gevoel beroerde staal vertellen als het ware verhalen. En ze maken zo als het ware elke vorm van zang compleet overbodig.

Bij hoogdringendheid te ontdekken!

Big Lazy 

 

GILMORE & ROBERTS “Conflict Tourism” (GRI Records / Proper)

(4****)

Het uit Katriona Gilmore en Jamie Roberts bestaande duo Gilmore & Roberts is verreweg één van de interessantste Engelse folk acts van de jongste jaren. De twee zijn beiden uitstekende songwriters, hebben ook beiden knappe stemmen en kunnen bovendien een aardig eindje uit de voeten op respectievelijk fiddle en mandoline en diverse gitaren. Maar als er één iets is waardoor ze zich pas echt van heel wat andere acts uit het genre anno nu onderscheiden, dan is het wel hun bereidheid om folk een serieuze facelift te verlenen.

Conflictsituaties vormen daarbij ditmaal de rode draad doorheen het tekstgoed van de twee. “Conflict is universal – everyone, everywhere, experiences it every day, in its smallest forms,” aldus Gilmore in een persoonlijke kanttekening daarbij. “We liked the idea of being tour guides through a minefield of different decisions and drama.” En van die taak kwijten ze zich hier met brio.

De nerveus stotterende mandoline van Gilmore gidst ons op haar beurt in het hyperkinetische folkpopkleinood “Cecilia” richting ruim vijfenveertig minuten nieuw moois van de tandem. Moois dat verder onder meer ook nog het ronduit adembenemende streepje hypnotische folk “Jack O Lantern”, de in bijna perfect contrast met z’n titel en mede door een knappe dobrobijdrage van Phil Henry erin wat richting Americana overhellende “stille” “She Doesn’t Like Silence”, de door Roberts gedragen ballade “Selfish Man”, het voorwaar zelfs even met wat rockattitude op smaak gebrachte mijnwerkersverhaal “Stumble On The Seam” en het ook al erg jachtige “Peggy Airey” omvat.

Hoogst origineel allemaal en vooral ook verdomd goed!

(Releasedatum: 18 september.)

Gilmore & Roberts

 

HARPETH RISING “Shifted” (Grimm Rising)

(4****)

U bent liefhebber van het betere stemmen- en snarenwerk? Dan zit u bij het uit Jordana Greenberg (zang, viool, koebel, djembe en triangel), Rebecca Reed-Lunn (zang, banjo, tamboerijn, koebel en shaker) en Maria Di Meglio (zang, cello, bass drum en cajon) bestaande trio Harpeth Rising goed. Dat drietal, dat u net als ons waarschijnlijk ooit nog leerde kennen op een plaat van songsmid Tim Grimm, is met het zopas verschenen “Shifted” inmiddels al aan zijn vijfde worp toe. En wat voor één! Eén lang gerokken feest voor liefhebbers van elkaar op uitzonderlijke wijze aanvullende stemmen en dito rootsy snarensnoepgoed.

De dames doen het daarop ditmaal met negen eigen liedjes van kopstuk Jordana Greenberg, eentje van de hand van haar vader David Greenberg (“The Raid”), eentje door schone Greenberg gepend met haar ouweheer (“Seven Thunders”) en een cover van een nummer van Leonard Cohen. En dat laatste liedje is om nogal voor de hand liggende redenen meteen het meest in het oog springende van het geheel. Die aardig naakte versie van Cohens “Dance Me To The End Of  Love” zou zomaar eens kunnen gaan zorgen voor flink wat radioaandacht. En dat zelfs hier te lande.

Maar eigenlijk valt er hier nog zoveel meer te beleven! De speelgrage Harpeth Rising-drieling horen heen en weer laveren tussen folk, newgrass, rock en klassiek in “I Am Eve (I Am The Reason)” bijvoorbeeld, ze vervolgens zonderling soulvol laten surplacen in “Fortune”, jazzy in het rond laten hoppen in “Good Ideas” en net niet a capella laten excelleren in het verstilde “Proof”. We noemen zomaar wat op.

Verdomd schoon plaatje!

Harpeth Rising

 

DELTA MOON “Low Down” (Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)           

Als we het hier goed hebben dan zijn de bluesrockveteranen van Delta Moon – Live-albums meegerekend! – met hun nieuwe “Low Down” inmiddels al aan hun tiende worp toe. Een soortement van jubileum dus. En dat vieren zanger-gitarist Tom Gray en de zijnen gelijk maar met hun allerbeste plaat tot op heden. Weer vol met moerasblues van het allerlekkerste soort!

Twaalf liedjes staan er in totaal op. Liefst zeven daarvan van de hand van kopstuk Gray. En nog eens twee verdere pende hij samen met groepsmaatjes Mark Johnson en Franher Johnson. De resterende drie zijn covers. Om te beginnen al van het door Tom Waits met z’n wederhelft Kathleen Brennan gepende titelnummer. En voorts ook nog van Bob Dylans “Down In The Flood” en Skip James’ “Hard Time Killing Floor Blues”. Nummers die in hun Delta Moon-uitvoeringen naadloos aansluiten bij de eigen originelen.

“We call it a voice, a groove and two slide guitars,” aldus die van platenlabel Landslide Records met betrekking tot het hier gebrachte en daarmee vatten ze het geheel op de keper beschouwd eigenlijk wel aardig adequaat samen. Ergens tussen Tony Joe White, JJ Cale en CCR zijn dat immers inderdaad zowat de voornaamste ingrediënten van het geluid van Delta Moon. Met name dan die twee fameuze slidegitaren, van respectievelijk Tom Gray en Mark Johnson. Ouderwets lekker gewoon!

Onze zoals altijd al en dus ook nu weer onverbintelijke luistertips: het zalig groovende “Jelly Roll”, het sympathiek schokschouderende “Afterglow” en de al genoemde Waits-cover. Vanwege drie staaltjes blues & roots van de bovenste plank!

Delta Moon, Landslide Records

 

BARNA HOWARD “Quite A Feelin’” (Loose Music / Bertus)

(5*****)

Met deze tweede van Barna Howard hebben we er weer eentje bij voor op onze shortlist met de beste albums van 2015! Wat de ondertussen van Eureka, Missouri naar Portland, Oregon verkaste troubadour op dat nieuwe album van ‘m doet, is immers van een werkelijk tijdloze klasse. Tien hoogst charmante Americana songs staan erop, waarin hij bedaard, op z’n Townes Van Zandts, z’n Kris Kristoffersons, z’n Gordon Lightfoots of z’n John Prines bijna, om zich heen kijkt in z’n nieuwe leefomgeving of met weemoed terugdenkt aan z’n vroegere.

Het leven in kleine stadjes als dankbare bron van inspiratie dus. Zeker niks nieuws onder de zon in het countrygenre. Maar de manier waarop Howard het hier allemaal brengt, die spreekt toch ongelooflijk aan. Met name z’n capaciteit om het persoonlijke naar voor iedereen herkenbare situaties te vertalen doet het hem voor ons. Dat is naar onze bescheiden mening alleen de hele groten gegeven!

Laat je daarom net als ons verleiden door Howards sonore geneuzel tegen een achtergrond van vaak niet meer dan wat snaren. Akoestische en soms ook wat zachte elektrische gitaar, banjo, mandoline en pedal steel meer bepaald. Occasioneel ook wat bedeesde toetsen, bas en drums, maar dat is het dan ook echt.

Je waant je verdorie zo terug in de vroege jaren zeventig… Echt wel bloedmooi, hoor!

Barna Howard, Loose Music

 

CROOKED BROTHERS “Thank You I’m Sorry” (The Instrument Village / Rough Trade)

(3,5****)

Deze zagen we een klein jaar geleden via importkanalen voor het eerst al eens opduiken, maar nu wordt er eindelijk ook hier werk gemaakt van een degelijke distributie en promotie. En zo hoort het eigenlijk gewoon ook! Want gelooft u ons vrij, deze oneigenlijke broers zijn uw aandacht meer dan waard. Zo’n vierendertig minuten lang serveren Jesse Matas (harmonica, mandoline, gitaren, piano en zang), Darwin Baker (dobro, harmonica, trombone, gitaar en zang) en Matt Foster (banjo, gitaren en zang) immers ook op hun ondertussen derde weer Americana van de bovenste plank.

De urban folk van het drietal uit het Canadese Winnipeg blijkt andermaal een aantrekkelijk samengaan van elementen uit genres als folk, country, blues en rock. Met opnieuw die fameuze spagaat tussen de grote stad en het platteland ook. Bij momenten ijl en breekbaar, elders beklemmend tot zelfs ruw-rauw. Heerlijk gevarieerd alleszins.

Wat ons vooral aantrok in deze negen nieuwe Crooked Brothers originals: de zalige donkere stem van Matt Foster, de prima samenzang tussen de “3 broers” en hun te allen tijde strikt liedgerichte benadering van hun instrumenten. Hun functionele virtuositeit, zeg maar.

Onze luistertips: de door de pedal steel van gast Eric Lemoine echt ongemeen sfeervol uitgevallen sleper “Blackbird In The Snow”, het “ingehouden uitgelaten” streepje rammelend rootsy liefdesadvies “Pass You By” en het nachtelijk bluesy gekleurde “Organs On Demand”. Al was het alleen al maar, omdat je aan één enkele beluistering van die drie tracks een vrij goed idee van het totaalplaatje van “Thank You I’m Sorry” overhoudt.

(Op 13 september aanstaande zakken de Crooked Brothers af naar de Cowboy-Up in Waardamme.)

Crooked Brothers

 

ROD PICOTT “Fortune” (Welding Rod Records / Lucky Dice Music)

(4****)

“I wanted to make a record where we captured performances, as opposed to imitating performances,” aldus singer-songwriter Rod Picott over z’n gloednieuwe plaat “Fortune”. En in dat opzet is hij wonderwel geslaagd, mag je wel zeggen. Met de twaalf nieuwe liedjes erop benadert hij immers daadwerkelijk zeer dicht z’n door zo velen erg gewaardeerde live-prestaties. Met dank onder meer aan Neilson Hubbard, met wie Picott de productie van het album deelde.

Gelijk van bij het met een fijn streepje mondharmonica en dito gitaargetokkel op smaak gebrachte openingsnummer “Maybe That’s What It Takes” weet je als fan ogenblikkelijk, dat er de komende veertig minuten iets heel moois op je af te komen staat. Prachtig gewoon, hoe Picott in dat nummer op een ontspoorde relatie terugblikt. Met een gevoel van wat komen moest, dat kwam gewoon zingt hij in die veritabele beauty z’n zwaarmoedige gevoelens van zich af. Een eerste ontmoeting met het eigen lot met andere woorden. Zoals de titel het eigenlijk al wel een beetje voorspelde.

En dat lot speelt ook verderop een onmiskenbare rol in de teksten van Picotts liedjes. Het lot van de onfortuinlijke “Jeremiah” bijvoorbeeld, een Amerikaanse soldaat die Irak niet wist te overleven. Of dat van zonderling “Uncle John” en z’n familie. Of dat van hemzelf en “Alicia”. Nog maar eens een terugblik op een met pijn in het hart afgesloten liefdesrelatie.

Sommige van de liedjes op “Fortune” schreef Picott naar goede gewoonte weer niet in z’n eentje. Buddy Slaid Cleaves was uiteraard weer tot enkele nummers bereid. Meer bepaald het enigszins bezwerend, enigermate swampy ook uit de hoek komende “Until I’m Satisfied” en het lichtjes fantastische “Drunken Barber’s Hand”. “I don’t need to read the news or the tea leaves to understand, that this world’s been shaved by a drunken barber’s hand,” luidt het daarin bepaald veelzeggend. Quasi berustend wrijven Picott en Cleaves ons daarin onder de neus, dat er daarbuiten eigenlijk niet zo heel erg veel meer gebeurt wat al niet eerder gebeurd is. En al wist je dat natuurlijk ook zelf wel, toch is het nog even slikken, als het door iemand zo onomwonden gesteld wordt…

Andere schrijfpartners waarop Picott voor de gelegenheid mocht terugvallen waren de extreem getalenteerde Ryan Culwell en Ben Glover. Met de eerste schreef hij het bedaarde “Spare Parts”, het misschien wel allermooiste liedje van allemaal hier. Met Glover tekende hij voor het titelgewijs ook al niet al teveel meer aan de verbeelding overlatende “This World Is A Dangerous Place”.

Verdere betrokkenen bij dit prachtalbum waren naast de al genoemde Neilson Hubbard onder meer ook nog Will Kimbrough, Lex Price en Joshua Britt.

Rod Picott, Lucky Dice Music

 

WARREN HAYNES FEATURING RAILROAD EARTH “Ashes & Dust” (Provogue / Mascot Label Group)

(4,5*****)

Door de jaren heen heeft Warren Haynes al veelvuldig bewezen zich vrijwel probleemloos aan om het even welke hem voorgeschotelde muzikale context te kunnen aanpassen. Zowel bij de Allman Brothers, de Grateful Dead, Gov’t Mule als in tal van andere bands ging daarbij echter zo goed als altijd de aandacht naar zijn elektrische gitaarspel. En dat terwijl de beste man ook op de akoestische een alleraardigst eindje uit de voeten kan. Iets wat hij met name live zo nu en dan graag etaleren mag. En nu eindelijk ook (weer) eens op plaat, vandaar deze inleiding.

De songs die Haynes voor z’n nieuwe worp aandroeg lijken überhaupt meer te willen focussen op z’n singer-songwriterkant. Zelf gordde hij daartoe de akoestische om en voor zo goed als al de rest zorgen die van Railroad Earth. Die zes man sterke newgrass jam band uit Stillwater, New Jersey bestaande uit Todd Sheaffer, Tim Carbone, John Skehan, Andy Goessling, Carey Harmon en Andrew Altman zorgde voor een bijzonder verfijnde akoestische invulling van Haynes’ nieuwe schrijfsels. Met bijdragen op onder meer fiddle, banjo, mandoline, dobro, diverse gitaren, staande bas en drums vullen zij met verve zo ongeveer elk door de man gelaten nisje op. En dat resulteert in een onwaarschijnlijk mooie collectie songs, die meer dan ooit de echte rootsartiest in Haynes voor het voetlicht haalt.

Net geen tachtig (!) minuten lang bestrijken de snarengod en z’n gasten daarbij nogal wat terrein. Americana mag als allesomvattende omschrijving uit de kast, maar zegt op de keper beschouwd eigenlijk veel te weinig over de rijkdom aan stijlen die we op “Ashes& Dust” aantreffen. Van vioolgestuurde roots rock (“Is It Me Or You”) en soulvolle Southern rock (“Coal Tattoo”) over gypsy folk (“Blue Maiden’s Tale”) en lekker melodieuze country rock (“Company Man”) gaat het hier tot singer-songwriter country pur (“New Year’s Eve”), blues met z’n wortels ergens diep in New Orleans (“Stranded In Self-Pity”), Americana (“Glory Road”), een ronduit zalige desert country duet cover van Fleetwood Macs “Gold Dust Woman” met de lichtjes fantastische Grace Potter, jam band-georiënteerd spul als “Beat Down The Dust” en wel meer. Enfin, aan variatie zeer zeker geen gebrek dus!

En misschien is dat wel net hét sterkste punt van “Ashes & Dust”. Dat gegeven, Haynes’ warmbloedige zang en ongemeen virtuoze snarenbenadering en het elkaar ongelooflijk goed aanvoelen van alle betrokkenen maken van ’s mans nieuwe worp alleszins één van de meest opvallende uit z’n nochtans meer dan goed gevulde loopbaan. Als ik eerlijk mag zijn: ik vind het eigenlijk zelfs gewoon z’n allerbeste tot op heden. Warm aanbevolen van hieruit derhalve dan ook!

Warren Haynes, Mascot Label Group

 

BETH MCKEE “Sugarcane Revival” (Swampgirl Music / Sonic Rendezvous)

(4****)                

Wat een lekkere plaat is me dit, zeg! Zalig gewoon… Zonder enige vorm van voorbehoud aan te bevelen aan liefhebbers van het werk van madammen als een Bonnie Raitt, een Brigitte DeMeyer en een Susanne Tedeschi. Als roots rock singer songwriter& piano player presenteert Beth McKee zichzelf op haar eigen webstek, maar dat mag ze wat ons betreft stante pede aanvullen met de omschrijvingen swampy en soulful. Wat een stem! Lijkt wel een kruising tussen de al genoemde Bonnie Raitt en Carole King!

McKee is met het zonet verschenen “Sugarcane Revival” aan haar derde soloplaat toe. Eerder verschenen ook al “I’m That Way” (2008) en “Next To Nowhere” (2012). Het eerste een eerbetoon aan Louisiana songwriting legend Bobby “See You Later Alligator” Charles, nummer twee de plaat waarmee zich al aardig wat meer deuren voor het voormalige Evangeline-lid openden. En deze derde, die mag wat ons betreft de plaat van haar grote doorbraak gaan worden.

Dertien nummers staan erop. En dat blijken uitsluitend McKee-originelen. Al moet je dat laatste wel met een korrel zout nemen. Heel wat van de nummers schreef ze immers samen met multi-instrumentalist Tony Battaglia. En dat moest ze, afgaande op de kwaliteit ervan, in de toekomst maar blijven doen ook!

Geopend wordt er met het bedaard, maar o zo lekker swingende “Long Road Back”, waarin gelijk McKee’s twee voornaamste wapens opvallen, te weten haar fantastisch stel pipes en haar al even knappe pianospel. Vervolgens krijgen we met het swampy “Break Me Down” een eerste McKee-Battaglia-compositie voorgeschoteld. Via de knappe pianoballades “Promised Land” en “Right At The Gate” gaat het daarna over het op ingenieuze wijze met een Latin-ritme stoeiende “Nobody Knows Like Me” en het ongemeen soulvolle “A Place For Me” richting het stuiterende, enkele tellen lang licht funky aandoende “Abraham And Alice”.

De tweede albumhelft wordt daarop ingezet met de nadrukkelijk pianogestuurde R&B-stomper “Unravelled”, andermaal een nummer met McKee in vocale bloedvorm. En dat laat zich bij nader inzicht eigenlijk ook zeggen over zo ongeveer alles wat dan nog volgen moet. Van het terloops van ingehouden jazzy tot aardig frivool en ook weer terug evoluerende “And Everything Changed” tot slow “Dress Of Fire”, van het groovy duo “Trouble The Waters” en “You Better Turn Around” tot het afsluitende “Fire, Wind And Water”, zonder uitzondering etaleren die nummers de echt wel heel straffe zangkunstjes van Beth McKee.

Beth McKee

 

NILS BONDESSON “Blues Dreams” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Eerlijk is eerlijk: de Zweed Nils Bondesson kenden we hier tot op heden eigenlijk enkel van z’n bijdragen aan wat albums van z’n gewaardeerde landgenoot Richard Lindgren. Dat de beste man met “Happy Hour” ook zelf al een plaat op z’n actief had, dat wisten we niet. Wat betekent, dat we na vandaag dringend aan een inhaalmanoeuvre toe zijn. Met z’n tweede, het zopas verschenen “Blues Dreams” wist de beste man ons immers heel erg te charmeren.

Als we niet beter wisten, dan zouden we denken, dat die plaat recht uit New Orleans was komen aanwaaien en niet uit het Zweedse Lund. Bondesson klinkt daarop immers als een gedreven volgeling van Allen Toussaint en aanverwanten. Zanggewijs doet hij bij tijd en wijle een heel klein beetje denken aan Leon Redbone, pianogewijs aan illustere grootheden als een Mose Allison en een Fats Waller. En ook Dr. John kwam ons bij het beluisteren van “Blues Dreams” her en der even voor de geest.

Naast een viertal eigen nummers brengen Bondesson en de zijnen op die tweede van ‘m vooral covers. Van bekende en minder bekende dingen als Taj Mahals “Cakewalk Into Town”, “Hong Kong Blues” en “Lazy River” uit de omvangrijke songcatalogus van de legendarische Hoagie Carmichael, “Some Of These Days”, in ons geheugen gegrift in een uitvoering van Louis Armstrong, “Nobody’s Business”, dat ons vooral doet terugdenken aan wijlen B.B. King natuurlijk, “Let The Four Winds Blow” van good old Fats Domino en “Careless Love” van W.C. Handy.

Kortom fijn jazzy luistervoer, waaraan ook wat R&B- en bluesinbreng zeker niet vreemd is.

Nils Bondesson, Rootsy

 

TONY FURTADO “The Bell” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Maar weinig artiesten belichamen de term Americana zodanig uitgesproken als Tony Furtado. Via bluegrass en later blues belandde hij uiteindelijk in het beloofde land. Ons beloofde land. Het land, waarin stijlgrenzen tussen tal van traditionele Amerikaanse muziekvormen vervaagden. Het land, waarin hij zichzelf nagenoeg geen muzikale beperkingen meer hoefde op te leggen. Het land, waarin hij zijn snarenduivels eindelijk vrijelijk kon ontbinden. Want daarmee zijn we natuurlijk bij ’s mans echte dada beland: alles wat snaren heeft. Of zo ongeveer alles toch. Van banjo tot slidegitaar, van ukelele tot cello-banjo, van akoestische en elektrische tot resonatorgitaar, you name it, he’ll play it!

Snaren regeren dan ook volop op “The Bell” en bonus-cd “Copper And Tin”. Da’s gelijk van bij de folky opener van de feestelijkheden, het slidegestuurde “Broken Bell” al duidelijk. En het behoorlijk nadrukkelijk met wereldmuziekinvloeden stoeiende “Tired Lion” en het verfijnde “Dying Language” bevestigen aansluitend daarop elk op hun eigen manier alleen ook maar ons aanvankelijke vermoeden. Bijzonder mooi liedje trouwens, dat laatste. En dat geldt zeker ook voor het bezwerende “Astoria”, de swampy instrumentale folkescapade, waarmee het verdergaat.

Via de sfeervolle newgrass-deun “Low Road”, het op fraaie wijze op de banjo onderbouwde en mede daardoor wat richting folk overhellende “Tall Grass”, de knappe ingetogen instrumental “Iowa” en het creatieve hoogstandje “Give Me Your Soul” gaat het vervolgens op “The Bell” ook nog richting het beklijvende, nadrukkelijk naar de dood van Furtado’s vader verwijzende “Ashes Of A Man”, het op ongemeen knappe wijze een brug tussen roots pop en bluegrass slaande “The Collier’s Daughter”, de moody instrumentale “Jo Jo”, het countryrockgewijs voorwaar even ongegeneerd richting de Westcoast lonkende “Lie Alone” en het de geboorte van z’n zoontje bejubelende “Star”. Tot zover het eerste bedrijf.

Maar het tweede is minstens even boeiend. De in de States afzonderlijk uitgebrachte, maar door Blue Rose Records speciaal voor de Europese markt aan het geheel toegevoegde bonus-cd “Copper And Tin” mag dan al maar zes liedjes bevatten, die zijn wel zonder uitzondering van uitstekend niveau. Afgetrapt wordt er met de aardig intense “bluesgrass” slide instrumental “Firecracker”. Eén van slechts twee Furtado-originelen, zo blijkt. De andere is de wat verderop aan de man gebrachte experimentele vingeroefening “Machine”. Voorts op “Copper And Tin” enkel nog eigenzinnige Furtado style-vertolkingen van traditionals. Van “8th Of January”, “Peggy O”, “Amazing Grace” en het trio “The Blackhaired Lass/Rakish Paddy/The Ladies’ Pantalettes” met name.

Tony Furtado, Blue Rose Records

 

ANDREW COMBS “All These Dreams” (Loose Music / Bertus)

(4****)

Naast tonnen aan rotzooi worden in Nashville dezer dagen zo nu en dan ook nog wel eens heel erg mooie platen gemaakt. “All These Dreams”, na het ook al knappe “Worried Man” de tweede van youngster Andrew Combs, is er zo eentje. Een plaat, die werkelijk van de eerste tot de laatste noot weet te bekoren. Een plaat, die tegelijk ongelooflijk af klinkt ook. Met dank ongetwijfeld aan producersduo Skylar Wilson en Jordan Lehning, die het opnameproces in goede banen leidden. Zij zagen de eloquente Combs elf nummers lang uitblinken in liedjes, die veelal ergens tussen eigentijdse roots pop en singer-songwriter country stranden. Liedjes, die je als luisteraar onwillekeurig doen terugdenken aan het elegante songgoed van knapen als een Glen Campbell, een Fred Neil en een Nilsson. Al zal Combs zelf graag de namen van met name Roy Orbison en Paul Simon aan dat lijstje toegevoegd zien. Schoon volk, enfin.

En schone liedjes, zoals gezegd, ook. Van de fraaie, mede door een zachtjes jammerende steelgitaar gedragen ballade “Rainy Day Song” tot het ons op de één of andere manier aan de pop classic “Everybody’s Talkin’” herinnerende “Nothing To Lose”, van het op z’n Tom Petty’s ingehouden rootsrockende “Foolin’” tot het dartele folkriedeltje “Strange Bird”, van de prachtige ingetogen moody countrypop van “Pearl” tot het inderdaad een zekere affiniteit met The Big O verradende “Long Gone Lately”, van de knappe pianoballade “In The Name Of You” – Think Elton John in z’n beste jaren, ergens vroeg in de seventies! – tot alles wat er daarna nog volgen moet (het titelnummer en de afsluitende loepzuivere hattrick “Slow Road To Jesus”, “Month Of Bad Habits” en “Suwannee County”), ons hoor je hierover hoegenaamd geen moment klagen.

Combs lost de na zijn debuut “Worried Man” nochtans torenhoge verwachtingen hier schijnbaar moeiteloos in. Dat belooft dus één en ander voor de toekomst!

Andrew Combs, Loose Music

 

THE ORIGINAL FIVE “Across The Deep Sea Blue” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Bluegrass lijkt momenteel meer dan ooit echt te leven in Zweden. Steeds vaker vallen er dezer dagen immers topalbums in dat genre vanuit dat land op onze deurmat. En dat kunnen we bij nader inzicht natuurlijk alleen maar toejuichen. En al zeker als het daarbij blijkt te gaan om prachtmateriaal als dat op “Across The Deep Blue Sea”, de nieuwe van The Original Five.

Dat energieke zesmanschap uit Malmö bestaande uit Johan Bandling Melin (gitaar en zang), Dan Englund (bas en zang), Johan Malmberg (banjo, fiddle en zang), Daniel Olsson (dobro), Ola Persson (mandoline) en Jonas Svahn (gitaar en zang) gooide recentelijk al hoge ogen op het prestigieuze European World of Bluegrass Festival in het Nederlandse Voorthuizen en het al even gerenommeerde International Bluegrass Music Festival in Raleigh, NC en doet dat nu ook op z’n tweede langspeler. Op die opvolger van debuut “Greetings From Möllevången” van zowat een jaar geleden worden twaalf eigen liedjes vertolkt en voorts ook nog twee covers gebracht. Het betreft daarbij het lentefrisse “Carolina In The Fall” van de Kruger Brothers en een niets minder dan wervelende lezing van de Jimmy Webb classic “Highwayman”.

Authentieke bluegrass vormt op “Across The Deep Sea Blue” ontegensprekelijk zo goed als doorlopend het uitgangspunt. Maar de zes heren zullen het ons wellicht niet al te kwalijk nemen, als we hen ervan verdenken om bij tijd en wijle ook wel eens wat honky tonk of Western swing vinyl onder de naald te droppen. Bescheiden invloeden van die beide genres laten zich alvast her en der ook aanwijzen.

De sterke kanten van The Original Five, vroeg u? Welnu, dat zijn in de eerste plaats de geweldige samenzang en de ook al niets te wensen overlatende instrumentbeheersing van de zes. Die beide factoren gekoppeld aan bij momenten echt wel ijzersterke composities en goed doordachte arrangementen vormen de basis voor een bijzonder aangenaam wegluisterend geheel zonder echte uitschieters.

The Original Five, Rootsy

 

MILLPOND MOON “Time To Turn The Tide” (Tikopia Records)

(4****)

Voor “Time To Turn The Tide”, de tweede van het uit Kjersti Misje en Rune Hauge bestaande Noorse duo Millpond Moon, zou ik hier graag de omschrijving “Onopvallend goed!” in de mond willen nemen. Die opvolger van het al in het najaar van 2012 verschenen “Broke In Brooklyn” is er immers eentje van het type, dat in een onbewaakt moment zomaar aan je voorbij zou durven te glippen. Pas bij een wat aandachtigere beluistering ervan valt je op, hoe genuanceerd het duo in z’n liedjes wel tewerk gaat. In die mate zelfs, dat men bijna voortdurend de perfectie weet te benaderen.

In het gezelschap van zowel vaderlandse als Amerikaanse toppers uit zowel het bluegrass- als het jazzgenre – onder meer Rickie en Ronnie Simpkins (Seldom Scene) en Kenny Malone – komt men tot tien bijzonder aangenaam wegluisterende streepjes Americana. Een zevental daarvan zijn Hauge-originelen, de overige drie covers van de traditional “Wayfaring Stranger”, Bob Dylans “Forever Young” en “All La Glory” van The Band.

Wat opvalt in zo ongeveer alle tien de liedjes zijn de ongemeen fraaie zanglijnen. Het fluweel van Misjes stem en het zacht-gruizige van die van Hauge lijken wel voor elkaar gemaakt. Hoe ze elkaar aanvullen is echt hemels! Luister bijvoorbeeld maar eens naar hun wat jazzy aandoende vertolking van het door Robbie Robertson gepende “All La Glory” en het meteen daaropvolgende en uit quasi hetzelfde vaatje tappende “Modi” en je zal allicht meteen begrijpen wat we daarmee bedoelen.

Ideaal luistervoer voor in de late uurtjes, als de last van een lange, vermoeiende dag langzaam van je schouders valt.

Millpond Moon

 

BOB CHEEVERS, KEITH MILES, BARRY OLLMAN & GREG COPELAND “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home” (Hemifrån)

(5*****)

Met z’n nieuwste release “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home”, grijpt het hyperactieve Zweedse huis Hemifrån terug naar het legendarische “The Singer Songwriter Project”, de plaat waarmee Elektra Records in 1965 een nieuwe, wat algemenere noemer introduceerde voor artiesten die voorheen onder meer als folkies, protestzangers en troubadours door het leven stapten. Dat album bevatte toen bijdragen van vier behoorlijk verschillende Amerikaanse acts, met name Dave “David Blue” Cohen, Dick “Richard” Farina, Bruce Murdoch en Patrick Sky.

Bij wijze van eerbetoon aan dat klassieke geheel trakteert Hemifrån op “Hidden Treasures - Singer Songwriters From Home” op achttien opnames van vier zingende songsmeden, die net als hun illustere voorgangers tot nader order ook nog als geheimtips gelden. Als verborgen schatten, door een legertje connoisseurs en collega’s inmiddels intens gekoesterd, maar door het grote publiek vooralsnog straal genegeerd. Laat ons hopen, dat daarin met dit project snel verandering moge komen!

Aan in het oog springende gasten alvast geen gebrek. De uit Memphis afkomstige, maar dezer dagen vanuit de Lone Star State actieve Bob Cheevers zag zo bijvoorbeeld onder meer Spooner Oldham, Larry Knechtel en Mike Botts opdraven, de vanuit L.A. al een flinke poos aan de weg timmerende Greg Copeland deed zo mogelijk nog straffer en wist met Patrick Sky één van de betrokkenen aan het originele “Singer Songwriter Project” te strikken, naast onder anderen ook Jackson Browne, David Lindley en Greg Leisz, Nashville’s Keith Miles kon terugvallen op Poco’s Jack Sundrud, Bill Halverson, Dennis Crouch, Russ Pahl en Tammy Rogers en Barry Ollman uit Loveland, Colorado deed een beroep op John Fullbright, Tim O’Brien, Gary Tallent van de E Street Band, David Amram en David Crosby’s zoon, James Raymond. Ik hoef u hier vast niet te vertellen, dat met een dergelijke cast aan betrokkenen kwaliteit zowat gegarandeerd was. Zoveel muzikaal vakmanschap gekoppeld aan de werkelijk zonder uitzondering uitstekende composities van het viertal Cheevers-Copeland-Miles-Ollman leidde uiteindelijk tot achttien Americana-, country- en folkpareltjes, die de ook al legendarische Elliott Murphy er in de liner notes toe aanzetten om in verband met hun makers te spreken van “long lost brothers, comrades fighting the same battle, fellow members of the Don Quixote tribe”. Een even veelzeggend als mooi compliment, zo lijkt ons…

Wat ons betreft zonder meer één van dé singer-songwriterplaten van het jaar so far! Vierentwintig karaats goud!

(Releasedatum: 4 september 2015.)

Hier vind je alvast een voorsmaakje: een video van “Pretty Girl Rules The World” van Greg Copeland.

Hemifran

 

JACK TEMPCHIN “Room To Run” en “Learning To Dance” (Blue Elan Records)

(3,5****) en (4****)

Jack Tempchin is een Amerikaanse singer-songwriter hier wellicht vooral bekend voor het schrijven van de Eagles classic “Peaceful Easy Feeling”. Maar da’s eigenlijk alleen maar het topje van de ijsberg, want hij heeft nog zoveel meer op z’n actief. Andere songs van ‘m werden onder meer vertolkt door Emmylou Harris, George Jones, Glen Campbell, Patty Loveless, Tom Rush, Glenn Frey, Sammy Kershaw, Tanya Tucker en The Paladins, om er maar enkelen te noemen. Als songsmid echt wel een grote meneer dus!

Als we het echter hebben over z’n eigen carrière belanden we vrijwel automatisch enkele niveaus lager. Ondanks massa’s optredens als support act voor artiesten als een een Emmylou Harris, een Dolly Parton, een Jackson Browne, een Christopher Cross, een Kenny Loggins en tal van anderen slaagde Tempchin er nooit echt in om op grote schaal door te breken. En ik moet eerlijk bekennen, dat ik dat toch wel een beetje vreemd vind. Aan de kwaliteit van Tempchins liedjes zal het zeker niet gelegen hebben. En aan z’n stem vast ook niet. Voor een dergelijke warmbloedige tenor zouden heel wat van ’s mans minder begenadigde collega’s ongetwijfeld één en ander over hebben. Een raadsel dus…

Maar goed, op naar het hier en nu. En dat houdt liefst twee nieuwe Tempchin-platen voor ons in petto. De eerste is de mini “Room To Run”. Aangeboden als een soort van teaser voor de snel te volgen full length “Learning To Dance”. Daarop vier nummers, in totaal goed voor net geen veertien minuten muziek. Geopend wordt er met het atmosferische, samen met Carey Ott gepende titelnummer. Een liedje, dat in een wat rechtvaardigere wereld zo ongeveer elk uur op de radio te horen zou zijn. Vervolgens is er het daar perfect bij aansluitende “Jesus And Mohammed”. Nog zo’n puntgave singer-songwriter pop beauty. Met het titelgewijs al maar weinig aan de verbeelding overlatende “The High Cost Of Hate (Let’s Make Some Lawyers Rich)” belanden we vervolgens even op meer countryesk terrein. En afgesloten wordt er met het bluesy, zomers lijzig gebrachte “Summertime Bum”.

Net als “Room To Run” wordt ook “Learning To Dance” afgetrapt met z’n titelnummer. En net als “Room To Run” blijkt ook dat een van de sfeer bulkende (roots)poptrage. Een liedje, waarmee je liefhebbers van de creaties van enigszins verwante geesten als een Marc Cohn, een John Gorka, een Richard Shindell en aanverwanten ongetwijfeld een groot plezier zou kunnen doen. En van dat kaliber staan er op “Learning To Dance” bij nader inzicht nog heel wat. Veelal eerder rustig, eerder bedachtzaam van aard. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het zachtjes voorbij kabbelende “Nothing With You”, de intimistische pianoballade “Living This Love”, het weidse “Love’s First Lesson” en het ritmegewijs voorzichtig even richting Brazilië afdalende “The End Of The Affair”.

En ook voor “I Volunteer”, de ronduit zalige ballads “Ain’t Nobody Like You” en “What If We Should Fall In Love Again”, het ingetogen smachtende “You Can Go Home”, “Big Sky Country”, “Finally Found Me” en het hier bij wijze van bonus track hernomen “Room To Run” geldt eigenlijk gewoon zonder uitzondering hetzelfde. Iets wat an sich niet eens hoeft te verwonderen ook, als je weet, dat de liedjes op “Learning To Dance” voornamelijk werden opgehangen aan de thema’s liefde en romantiek.

Jack Tempchin

  

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home