CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES AUGUSTUS 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

THE GOOD FOR NOTHIN’ BAND “Maniac World” - TIM EASTON “American Fork” - RICHARD SHINDELL “Careless” - SARA WATKINS “Young In All The Wrong Ways” - STEPHEN SIMMONS “A World Without” - KAURNA CRONIN “Southern Loss” - THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” - KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” - DAVID WADDELL “The Last Of The Outlaws” - THE DEVIL MAKES THREE “Redemption & Ruin” - DANA IMMANUEL & THE STOLEN BAND “Come With Me” - DANIEL MEADE & THE FLYING MULES “Let Me Off At The Bottom” - SETH LAKEMAN FEATURING WILDWOOD KIN “Ballads Of The Broken Few” - BEN GLOVER “The Emigrant” - IAN HUNTER & THE RANT BAND “Fingers Crossed” - BILLY BRAGG & JOE HENRY “Shine A Light: Field Recordings From The Great American Railroad” - HEIDI TALBOT “Here We Go 1,2,3” - SHANE ALEXANDER “Bliss” - JIM & LYNNA WOOLSEY “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” - THE COAL PORTERS “No. 6” - KATY TOO “Nine Lives”

 

 

THE GOOD FOR NOTHIN’ BAND “Maniac World” (The Good For Nothin’ Band)

(4****)

Heerlijke groepsnaam, toch? The Good For Nothin’ Band! En het wordt allemaal nog beter, als je dan ook nog eens leert, dat Jon Roniger en kompanen hem ontleenden aan een stel zakkenrollende street performers die medio de jaren zeventig Bourbon Street onveilig maakten. Van de aandacht voor hun performance maakten die gebruik om de zakken van hun toeschouwers te bezoeken.

The Good For Nothin’ Band anno nu dat zijn  kopstuk Jon Roniger (zang en gitaar), Alex Massa (trompet), Russell Ramirez (trombone), Evan Paydon (bas) en Brendan Bull (drums). Een vijftal gespecialiseerd in wat ze zelf omschrijven als “sophisticated gutter jazz”. Een soort van singer-songwriter jazzvariant met uitlopers richting folk en blues, uitermate diep geworteld in New Orleans. En zoals dat wel vaker het geval is met muziekjes die ons uit die kontreien bereiken: tamelijk onweerstaanbaar.

“We don’t take ourselves too seriously, but we take our music very seriously,” aldus Roniger onlangs zelf over het door de vijf gebodene. En dat hoor je ook nadrukkelijk op hun debuutalbum “Maniac World” terug. Daarop klopt zo ongeveer alles. De tien eigen songs zijn zonder uitzondering van prima makelij, Ronigers zang is zonder meer aanstekelijk te noemen en het spel van zijn maats bepaald zwierig. Zo zou een zwoele zomeravond in het French Quarter in New Orleans kunnen klinken. Het ene moment loom, zwoel, ja zelfs sensueel, het andere swingend bij de beesten af.

Een aanradertje!

(Onze luistertips: de nummers “Fishin’ For Stars”, “DNA”, “Bosom Of Extremes”, “It Is What It Is” en “Snowing In New Orleans”.)

The Good For Nothin’ Band

 

TIM EASTON “American Fork” (Last Chance Records / At The Helm Records)

(4****)

Er zijn zo van die platen waar je als liefhebber van een lekkere pot Americana op z’n tijd nog net wat meer naar uitkijkt dan naar andere. De nieuwe Tim Easton was er voor mij er zo één. De Amerikaanse songsmid ontgoochelde me in het verleden immers nog nooit. En dat doet hij ook nu weer niet. Integendeel zelfs. Met “American Fork” levert hij wat mij betreft één van z’n boeiendste so far af. Met name de stilistische diversiteit van de acht songs erop sprak me vrijwel meteen heel erg aan.

Van start wordt er gegaan met het op de één of andere vreemde manier soulvolle “Right Before Your Own Eyes”. Inclusief fijn koperblaaswerk, sfeervolle toetsen en al even knappe ondersteunende zang. Vervolgens is er de daar bij nader inzicht echt wel perfect bij aansluitende trage “Killing Time”, waarin onze man zich nadrukkelijk richt tot alle passieve non-conformisten. Noem het maar een uitgesproken muzikaal call to arms aan hun adres. “Elmore James” is op zijn beurt een heerlijk swampy om zich heen stampend eerbetoon aan het adres van de blueslegende uit z’n titel en kant één wordt afgesloten met “Gatekeeper”, een met name van z’n heerlijk intense groove levend kleinood over de compleet verziekte entertainment business.

Kant twee dan. Die wordt aan de eerder bedaarde kant ingezet met het wel erg rustige “Burning Star”. En met “Alaskan Bars, Part 1”, een streepje sympathiek rammelende roots rock opgehangen aan de lotgevallen van een plaatselijke barfly, “Now vs. Now”, een volgende niet mis te verstane uithaal richting all things apathie, en “On My Way”, een slaapliedje voor zijn vijf jaar oude dochtertje, wordt vervolgens de kaap van het halve uur gerond.

Easton werd voor “American Fork” onder meer bijgestaan door Patrick Damphier (productie), multi-instrumentalist Robbie Crowell, Michael Rinne (bas), Jon Radford (drums) en de gerenommeerde Russ Pahl (pedal steel).

Tim Easton

 

RICHARD SHINDELL “Careless” (Continental Song City)

(4****)                                                                                   

Het laatste echt opzienbarende nieuws dat we over zingende songsmid Richard Shindell mochten vernemen was dat van zijn in het voorjaar van 2015 onder de nom de plume The Pine Hill Project verschenen samenwerking met collega Lucy Kaplansky “Tomorrow You’re Going”. In alle stilte werkte de beste man in respectievelijk New York en Buenos Aires ondertussen echter al een poosje aan een echte opvolger voor “Not Far Now”, zijn al in 2009 uitgebrachte laatste nieuwe studioplaat. Dat was het vorig najaar gepresenteerde “Thirteen Songs You May Or May Not Have Heard Before” immers zeker niet. Daarop was Shindell gewoon even in de weer met het oppoetsen van al wat ouder materiaal van ‘m.

Openen doet de Amerikaan dat nieuwe “Careless” met “Stray Cow Blues” een streepje lekkere laid-back roots & roll, waaraan liefhebbers van het materiaal van met name J.J. Cale, Eric Clapton en de jonge Dire Straits wel eens een flinke kluif zouden kunnen gaan hebben. Vervolgens is er het epische titelnummer. Echt een wolk van een luisterliedje! De kans is redelijk groot dat u nooit iemand mooier mea culpa hoorde slaan in een popdeuntje. Met in z’n kielzog het daar redelijk radicaal mee brekende “Infrared”. Dat is intelligente zomerse soft rock, zoals we die in het verleden bijvoorbeeld ook wel door acts als XTC en They Might Be Giants voorgeschoteld kregen.

Track nummer vier, het enigszins bedaard uit de hoek komende “The Deer On The Parkway”, zoekt het daarna in licht blues-georiënteerde songwateren. En met het daar met name qua mood perfect bij aansluitende en door Lucy Kaplansky van wat mooie backing vocals voorziene “All Wide Open” wordt daarop op innemende wijze de verzoening tussen een vader en z’n dochter bezegeld. Héél erg mooi! En dat zijn zeker ook het ogenschijnlijk vooral inspiratie uit de eigen leefwereld puttende “Your Guitar” en het inhoudsgewijs aan de verdwijning van een geliefd huisdier opgehangen “Abbie”.

Vanaf dan neemt Shindell even afscheid van het wereldse. Samen met hem kijken we in enkele van de laatste nummers van “Careless” nadrukkelijk neer op ons aller kluitje. Om te beginnen met het muzikaal speelse, maar tekstueel gezien aardig bittere “Atlas Choking”. En voorts ook nog met de prachtballade “Before You Go” en het enigermate etherisch aandoende “Satellites”. Afsluiten doen we echter met de voetjes weer stevig op de grond. Met het ijle “The Dome” met name. Onder een sfeervolle nachtelijke hemel, de blik omhoog, ons van alles afvragend en wachtend op verlichting. Een buitengewoon fraai sluitstuk voor een in haar geheel al even fraaie plaat!

Bij wijze van promotie van z’n nieuwe plaat toert Richard Shindell binnenkort ook doorheen Nederland. Tussen 3 en 9 september doet hij daarbij respectievelijk Lage Vuursche (In The Woods), Eindhoven (Meneer Frits), Den Bosch (Blue Room Sessions), Leiden (Qbus), Den Haag (Sociëteit Engels) en Bakkeveen (Muziekpodium) aan.

Richard Shindell, CRS

 

SARA WATKINS “Young In All The Wrong Ways” (New West / PIAS)

(3,5****)

“Young In All The Wrong Ways”, de ondertussen toch ook alweer derde soloplaat van de voorheen haar brood bij Nickel Creek verdienende Sara Watkins, is niet zomaar een nieuw album. “A breakup album with myself,” noemde de jonge Amerikaanse het onlangs zelf. Haar manier om een punt te zetten achter een periode in haar leven die haar vooral met veel twijfels had opgezadeld. Was ze wel wie en waar ze wilde zijn? Het antwoord op die vragen luidde nee. En dus brak Watkins resoluut met het verleden. Iets wat bijna vanzelfsprekend ook leidde tot een andere artistieke aanpak.

Een aanpak die haar op de één of andere manier vreemd genoeg weer wat dichter bij de muziek uit haar jaren bij Nickel Creek lijkt te brengen. Muziek, waarin folk, pop, bluegrass en andere elkaar op wonderlijke wijze omarmden. Al is het zeker niet zo, dat “Young In All The Wrong Ways” staat voor een retour. Verre van zelfs. Daarvoor maakt Watkins hier net wat teveel onverwachte stilistische bokkensprongen. En da’s maar goed zo ook.

Het ene moment voor haar doen buitengewoon stevig, het andere juist heel erg ingetogen maakt Watkins ons in de loop van tien liedjes deelachtig aan haar nieuwe gedachtenwereld. En voor het eerst zijn dat uitsluitend eigen songs. Logisch maar ook eigenlijk, gezien de zeer persoonlijke aanleiding tot deze nieuwe plaat.

Echte blijvertjes vonden wij met name het zich door opvallende tempowisselingen en behoorlijk scherp elektrisch gitaarwerk onderscheidende titelnummer, het werkelijk zalige mijmerpopdeuntje “The Love That Got Away”, het van uiterlijk zomers opgewekte “One Last Time”, het naar onze bescheiden mening erg radiovriendelijke, en passant schijnbaar moeiteloos de stap van pop naar rock en terug zettende “Move Me”, het zowel inhoudelijk als muzikaal gezien nadrukkelijk aan een trip doorheen woestijngebied refererende “Like New Year’s Day”, honky-tonk-escapade “The Truth Won’t Set Us Free” en de mooie trage “Without A Word”.

Voor de productie van “Young In All The Wrong Ways” deed Watkins een beroep op Gabe Witcher. En die was zo vriendelijk om voor het inblikken van het materiaal met gitarist Chris Eldridge en bassist Paul Kowert ook twee andere Punch Brothers mee aan boord te halen. Verder onder meer ook nog op de gastenlijst: collega’s Sarah Jarosz, Aoife O’Donovan en Jim James van My Morning Jacket.

Sara Watkins

 

STEPHEN SIMMONS “A World Without” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Eerlijk? Er zijn maar weinig singer-songwriters die wij een warmer hart toedragen dan de Amerikaan Stephen Simmons. En dat is al zo sinds onze eerste kennismaking met zijn werk ergens in de loop van 2004, ten tijde van zijn fantastische studiodebuut “Last Call”. Ondertussen goed en wel een album of tien diep in z’n carrière groeide Simmons uit tot één van de allerbesten in zijn vakgebied. Iets wat de echte connoisseurs natuurlijk al wel langer weten. Maar een doorbraak op wat grotere schaal, die kwam er helaas nog steeds niet. En dus veranderde onze man voor z’n nieuwe worp “A World Without” het geweer maar regelmatig even van schouder. Sommige van de deuntjes erop hengelen zo ons inziens vrij nadrukkelijk naar wat meer airplay en een daar logischerwijze ook uit voortvloeiende grotere verkoop. En da’s toch wel even wennen.

Openen mag “A World Without” Molly Jewell, Simmons’ vaste begeleidster wanneer hij op tournee is. Met een ingetogen pianoprelude meer bepaald. Vervolgens stoten we op een streepje vintage Simmons. Goudkoorts heerst in het bedaarde “West”. Eén van de vele liedjes hier, waarin we te maken krijgen met mensen on the move. Da’s zo ongeveer het centrale thema van de plaat, die deels ook autobiografisch blijkt. Fictie fijntjes afgewisseld met realiteit dus.

Een eerste nummer dat onze inleiding enigermate rechtvaardigt is het daaropvolgende “Puritan Cowboys”. Dat is immers een catchy roots rocker die ons meer dan eens deed terugdenken aan Tom Petty’s hit “I Won’t Back Down”. Als ideaal tegengewicht daarvoor is er vervolgens het titelnummer. “A World Without”. Geef toe, je dacht er net als ons van in den beginne al het woord love achter, en daarover gaat het dan ook. De immer aanwezige hoop op liefde. Daarna is er het op z’n Springsteens ingehouden bij een jong stel mee aan tafel aanschuivende “Fairy Tales (The Flower’s Burden)”. Opnieuw een liefdeskwestie. Ze houdt van me, ze houdt niet van me, weet u wel.

En over Springsteen gesproken, die zou ook wel eens model kunnen hebben gestaan voor de knappe rocker “Every Time”. Mede dankzij echt wel zalig elektrisch gitaarwerk van Dave Coleman zo ongeveer het dichtst dat Simmons al ooit bij een heuse hit kwam. In de ballad “The Music Highway” staat verwachtingsgetrouw het leven van een muzikant on the road centraal. En “One Fast Move” is opnieuw een echte dijk van een country rock song. Think Reckless Kelly! Zoiets.

Bleven dan nog onontgonnen: het ons van opzet best wel wat aan het werk van Simmons’ grote voorbeeld Don Williams herinnerende “Silver Moon Saloon”, het op soulvolle wijze in de eerste persoon enkelvoud aangereikte en zich resoluut aan dromen en het eigen geloof vasthoudende “Dreamers And Kings”, het onder meer met z’n pa en z’n zus gedeelde “Baby Brother’s Got A Baby Now” en de met fijn harmonicawerk omzoomde afsluiter “On Top Of A World”.

(Op 22 oktober aanstaande staat Stephen Simmons op het podium van het RAMBLIN’ ROOTS FESTIVAL in TivoliVredenburg in het Nederlandse Utrecht.)

Stephen Simmons

 

KAURNA CRONIN “Southern Loss” (Broken Silence)

(4****)

Kaurna Cronins laatste, het ergens medio vorig jaar verschenen “Glass Fool”, viel hier bepaald in goede aarde. We hadden het in verband met het op zeer aantrekkelijke wijze elementen uit genres als folk, Americana, pop en rock met elkaar versmeltende materiaal daarop over redelijk verslavend werkend spul. En dus was het hier dan ook volop uitkijken geblazen naar ’s mans nieuwe worp, het sinds kort in de betere platenzaak verkrijgbare “Southern Loss”.

Die plaat biedt volop meer van hetzelfde. Tien nummers lang toont de Australische zingende songsmid zich andermaal een ware meester in het afleveren van catchy roots pop. Van het als een kruisbestuiving tussen Crowded House en de prille versie van Prefab Sprout klinkende “”Forgetting The Blue” tot het over een lekker jazzy baslijntje gedrapeerde streepje goede raad “Don’t Grow Up To Fast”, van het bedaard rockende “Passion Parade” tot het eerder onopvallend hoge zangregionen opzoekende rootspopopstootje “Never Get You Off My Mind”, van het lichtjes bluesy uitgevallen “Always Never Alone” tot de knappe afsluitende ballad “Limping Dove” en alle anderen die we nog vergeten, dit smaakt andermaal naar veel meer!

Ideaal Radio 1-voer noemden we “Glass Fool” indertijd al en da’s iets wat zeker ook voor deze nieuwe worp weer geldt. Mocht dat ondertussen nog niet gebeurd zijn: hoogdringend te ontdekken, deze knaap uit Adelaide! Neem het maar van ons aan, je zal het je heus niet beklagen!

Kaurna Cronin

 

THE RIFTERS “The Architecture Of A Fire” (Howlin’ Dog Records)

(3,5****)

“Driving blue-grama-grass to ethereal desert beauty. All throughout the southwest.” Met die woorden word je op de webstek van de Rifters geïntroduceerd tot het muzikale universum van de drie heren. Een omschrijving, die, zo leert een vluchtige studie van hun vierde langspeler “The Architecture Of A Fire” al snel, echt wel steek houdt. Don Richmond, Rod Taylor en Jim Bradley tonen zich daarop twaalf originals lang kanjers in het Americana-vak. Echte meesters op tal van instrumenten, maar vooral ook wat betreft hun (samen)zang.

Het eerste nummer blijkt meteen ook het titelnummer van de plaat. Een erg mooie, wat moody uit de hoek komende, mijmerende Americana campfire song. “A Hundred Miles” is op zijn beurt bedaarde banjogestuurde C&W. En “In A Land Where The Wild Birds Sing” zouden we durven te omschrijven als werkelijk bloedmooie slow Americana, met Don Richmonds dobrokunstjes als bijzonder fraai surplus.

“I Got News For You” en “Charlie’s Lament” presenteren The Rifters bluegrass style, “Life Up To Now” is een met name door de puntgave samenzang van de heren erin opvallende rootsy ballad, “John Lebleu’s Ghost Dance Medicine Shirt” focust op ingetogen old-time country storytelling en “Beautiful World” valt op door een jazzy ondertoontje en vooral ook oorstrelend gitaarwerk.

Op “A Good Problem To Have” mag dan weer het label opgewekte fiddle driven country, “Cadillac Song” sluit qua invulling eerder aan bij het hoger al vermelde “A Hundred Miles” en “The Horizon Line” is opnieuw een fijn streepje atmosferische mijmer-Americana à la het titelnummer.

Hét allermooiste liedje op “The Architecture Of A Fire” vonden wij op de keper beschouwd “I Can Live With That”. Met name door Richmonds fiddle-bijdrage eraan kreeg dat een zekere gypsy jazz feel mee. En ook de erin verkondigde boodschap sprak ons wel aan. De spons over in het verleden gemaakte fouten. Maak gewoon het beste van nu, want “(you) can’t live the past, only today.” Hadden we zelf niet mooier kunnen verzinnen.

Eerder verschenen van deze Rifters ook al de albums “The Rifters” (2004), “The Great River” (2011) en “Live At The Sagebrush” (2013).

The Rifters, CD Baby

 

KEEGAN MCINROE “Uncouth Pilgrims” (Keegan McInroe)

(3,5****)

Het fijne aan vrijwel dagelijks over muziekjes schrijven is, dat er je met enige regelmaat ook prima dingen worden aangeboden, die anders gegarandeerd onder je radar doorgevlogen zouden zijn. Dat brengt natuurlijk ook een heleboel extra werk met zich mee, maar dat nemen we er graag bij. Zeker als het blijkt te gaan om dingen als “Uncouth Pilgrims”, de nieuwe van de Texaanse songsmid Keegan McInroe. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik tot op de dag van vandaag nog niet van die man gehoord had. En het verbaasde me dan ook flink om te lezen, dat hij met “Uncouth Pilgrims” al aan zijn vierde soloplaat toe is. En dat hij eerder ook al zes jaar lang deel uitmaakte van Catfish Whiskey.

“Uncouth Pilgrims” blijkt bij nader inzicht een conceptplaat. Voor de titel ervan liet McInroe z’n oog vallen op enkele woorden ontleend aan Mark Twains travelogue “The Innocents Abroad”. Waren de pelgrims van Twain daarin echter religieus van aard, dan zijn die van onze man vooral romantisch van inborst. Zij het bij momenten dan ook eerder onbehouwen. De liefde in al haar facetten als onderliggend thema voor de veertien songs hier dus. En dat in een al bij al ook lekker wijd gehouden Americana-context. Ruwweg te situeren ergens tussen country, folk en blues. Met nu eens de nadruk wat meer op het ene, dan weer wat meer op het andere. En met soms ook wel eens even een ander accentje ertussendoor, zoals bijvoorbeeld in het over een verkapt reggaeritme neergelegde “I Got Trouble” of in het echt wel vervaarlijk richting bluesrock overhellende titelnummer. Dingen als dat tweetal blijven echter al bij al eerder uitzonderingen op de regel.

Ruim veertien nummers lang grossiert McInroe in wat wij zouden willen omschrijven als rustiek vakwerk. In liedjes met hun roots nog nadrukkelijk in lang vervlogen tijden. In tijden toen alles nog zoveel eenvoudiger was of op z’n minst leek.’s Mans voornaamste bondgenoot is daarbij ongetwijfeld zijn krachtige rauw-hees-tedere stem. Al dient zeker ook de rol van zijn begeleiders niet te worden onderschat. Met name Roger Ray (pedal steel en dobro), Darrin Kobetich (mandoline), Sam Smith (fiddle), Ginny Mac (accordeon) en Gary Grammer (harmonica) mogen hier ook even mee in het zonnetje.

“Uncouth Pilgrims” zouden we zonder daarover al te lang te moeten nadenken durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van knapen als een Slaid Cleaves, een Rod Picott, een Jeff Talmadge, een Ray Wylie Hubbard en een Darrell Scott.

Keegan McInroe

 

DAVID WADDELL “The Last Of The Outlaws” (Deep South Productions)

(4****)         

Of we hem ook echt als de laatste der outlaws moeten beschouwen, dat laten we hier gemakshalve even in het midden, maar feit is wel, dat er ons ondertussen van de medio de jaren zeventig furore makende originals al flink wat ontvallen zijn en dat David Waddell nog wat je noemt nen echte is. Met op z’n ondertussen al zo’n halve eeuw bestrijkende cv samenwerkingen met heel wat groten der aarde waaronder Townes Van Zandt, Blaze Foley, Billy Joe Shaver, JJ Cale, Stevie Ray Vaughan, Billy Ray Reynolds, Richard Dobson en Wayne Hancock, om er maar enkelen te noemen. En met sinds oktober 2006, toen hij z’n samenwerking met Hellbound Train inzette, ook reeds een flinke trits lekkere platen. Als daar zijn “Truck Broke Down” uit 2007, “Lone Star Over Texas” van twee jaar later en “Anytown, USA” van ondertussen een jaar of vier geleden. Bekendheid geniet Waddell in Europa echter vooral omwille van zijn energieke podiumprestaties. Met zijn hard-core Texas outlaw country rock is hij een bijzonder graag geziene gast in het festivalcircuit.

De zestig ondertussen al even voorbij toont Waddell zich op z’n nieuwe worp vitaler dan ooit. Elf nummers en ruim veertig minuten lang etaleert hij eens te meer die buitengewoon fijne schrijvershand van ‘m. Geen wonder, dat Billy Joe Shaver hem ooit “one of the greatest songwriters and musicians I have ever known” noemde! En met die heerlijke donkerbruine stem van ‘m beschikt hij als geweten natuurlijk ook over het ideale materiaal om die songs mee aan de man te brengen. Van het weidse “Caravan Of Gypsies” over de sfeervolle dronkemansmijmering “Devil In The Bottle” en het z’n titel echt alle eer aandoende en derhalve ook redelijk expliciet uitgevallen “The Lying Politician Blues” tot de swingende, en passant best wel wat aan Merle en Dale herinnerende countryrocker “Truck Stop Girl”, van het daar al verhalend tussen de kruitdamp perfect bij aansluitende “Waco Saturday Night” over de tragen “The Game Of Love” en “Things Dreams Are Made Of” tot het uit het bluesy “Rain Falls Down”, de door de hoger ook al even vernoemde Billy Ray Reynolds samen met zoonlief Royce Leland Waddell, Jr. gepende ballad “High Flyin’ Train”, de heerlijk lijzig gebrachte border song “Tennessee/Mexico” – Ons lievelingsnummer hier! – en titelnummer “Last Of The Outlaws” bestaande slotsalvo, vrijwel overal mag hier wat ons betreft zonder verpinken het label “Ouderwets lekker!” op. Ergens ver daarboven knikken Waylon, Tompall en Jessi en wat oude vrienden van ‘m als een Townes en een Blaze nu vast instemmend mee.

Nu al één van dé countryplaten van het jaar!

David Waddell, CD Baby

 

THE DEVIL MAKES THREE “Redemption & Ruin” (New West / PIAS)

(4,5*****)

Op de opvolger van hun door Buddy Miller geproduceerde vorige uit 2013, het lichtjes fantastische “I’m A Stranger Here”, gooien die van The Devil Makes Three het over een totaal andere boeg. Met betrekking tot het gebrachte materiaal dan toch. Ging men tot dusver vrijwel uitsluitend met eigen stuff aan de slag, dan wordt op “Redemption & Ruin” de blik voor het eerst resoluut op de songs van anderen gericht. En dat naar eigen zeggen vooral met de bedoeling om de fans van de band vertrouwd te maken met wat Pete Bernhard, Cooper McBean en Lucia Turino door de jaren heen zoal allemaal beïnvloed heeft. Keurig verdeeld over een “Ruin”- en een “Redemption”-helft gidsen de drie ons, daarbij vakkundig begeleid door mede-producer Dave Ferguson, doorheen twaalf liedjes die hun eigen muzikale roots blootleggen.

De “Ruin”-helft wordt aangevat met een spetterende bluegrassversie van bluesmens Robert Johnsons “Drunken Hearted Man”. Gesmaakte gastbijdragen zijn er daarin van respectievelijk Jerry Douglas op dobro en Shawn Camp op gitaar en fiddle. Daarna gaat het achtereenvolgens richting Muddy Waters en Willie Nelson met twee verdere drankgerelateerde deunen. Een rootsy lezing van “Champagne And Reefer” en een zalig swingend “I Gotta Get Drunk” meer bepaald. Met een speciale vermelding voor de inspanningen op de tuba daarin van Larry Paxton. Next up zijn een moody kijk op Kris Kristoffersons “Chase The Feeling”, een ongegeneerd tot feesten aanzettende uitvoering van Hudson Whittakers “I’m Gonna Get High” en een toch wel wat aparte benadering van Townes Van Zandts “Waiting Around To Die”. Met op de gastenlijst voor dat laatste schoon volk als Emmylou Harris (zang), Mickey Raphael (harmonica) en Shad Cobb (fiddle).

Op naar het “Redemption”-deel dan. Met voorop een door de versie van The Sunset Jubilee Singers geïnspireerde lezing van “There’ll Be A Jubilee”. Springerige old-time gospel is het buitengewoon fijne resultaat. Het bij Larry Sparks en Ralph Stanley geleende “I Am The Man Thomas” sluit vervolgens onder meer dankzij gewaardeerde hand-en-spandiensten van Old Crow Medicine Show fiddler Chance McCoy wat meer aan bij de bluegrasstraditie van weleer. Tom Waits’ “Come On Up To The House” krijgt in het zog daarvan een wervelende facelift inclusief pompende barrelhouse piano mee, “What Would You Give (In Exchange For Your Soul)” stoeit met brio met het erfgoed van de Monroe Brothers, de traditional “Down In The Valley” laat zich graag het versterkende gezelschap van Darrell Scott (zang en dobro) en Tim O’Brien (fiddle) welgevallen en “The Angel Of Death” ten slotte is een met veel eerbied op het graf van wijlen Hank Williams neergelegde bloem. Heel fraai wat de drie in het gezelschap van opnieuw Chance McCoy (fiddle), gitaarlegende Duane Eddy, Shad Cobb (viool) en Dan Dugmore (pedal steel) met ’s mans vermaarde klaaglied doen. Een geweldige afsluiter voor een al even geweldige plaat!

The Devil Makes Three

 

DANA IMMANUEL & THE STOLEN BAND “Come With Me” (Dana Immanuel & The Stolen Band)

(4****)

Toen we ons hier vorig jaar bogen over “Dotted Lines”, haar vorige cd, betekende dat voor ons een eerste kennismaking met de wondere wereld van Dana Immanuel en haar Stolen Band. Haar op unieke wijze Americana, folk, blues en jazz verenigende debuut “Character Assassination” hadden we toen immers nog niet meegekregen. Een euvel dat inmiddels gelukkig verholpen is. En dus konden we nu wel op de juiste manier aantreden met betrekking tot “Come With Me”, de zonet verschenen derde langspeler van Immanuel (zang, banjo en gitaar) en haar bandgenoten Feadora Morris (gitaren en banjo), Blanche Ellis (zang en washboard), Maya McCourt (zang, cello en single bass) en Hjordis Moon Badford (cajon en voettamboerijn).

Heerlijke plaat is dat! Een beetje ruw-rauw. Een beetje weird ook. Maar vooral ook een garantie voor een dik half uur onvervalste fun. Een nagenoeg onweerstaanbare blues-cum-bluegrass-cum-Americana-cum-rock rush van Londense makelij met de blik vrijwel voortdurend nadrukkelijk op de Zuidstaten van de States gericht. Een banjogestuurde wervelwind! As good as it gets!

Gelijk vanaf het de feestelijkheden op dirty rootsy wijze voor geopend verklarende titelnummer weet je als luisteraar al dat je in bent for a treat. En dat gevoel wordt ook vrijwel ogenblikkelijk bevestigd door het werkelijk rete-aanstekelijke “Clockwork” onmiddellijk in het kielzog daarvan. Een vriendje horen omschrijven als “the latest way I found to hurt myself”, hier was het alvast goed voor een hele brede glimlach. “Nashville” is vervolgens wat meer moody spul. Met een behoorlijk nadrukkelijke hoofdrol voor de weerbarstige cello van McCourt.

Dartel gaat het vervolgens via het lentefrisse “Achilles Heel” en het deep rootsy drinklied “Going To The Bottle” richting de tweede helft van “Come With Me”. Die wordt aangevat met het omineuze, banjozwangere “Rock Bottom” om middels stops bij de haltes “John Wayne” (rootsy jazz ‘n’ roll), “Devil’s Money”(jazzy roots ‘n’ roll) en het expliciete “Motherfucking Whore” (door rock bezeten bluegrass) uiteindelijk te stranden bij een werkelijk zalige cover van het wellicht vooral in de uitvoering van Elvis bekende “Viva Las Vegas”. De wervelende zotte-dozen-versie die Immanuel en co daarvan ten beste geven is wat je noemt nog eens roots-amusement pur.

Dana Immanuel & The Stolen Band

 

DANIEL MEADE & THE FLYING MULES “Let Me Off At The Bottom” (At The Helm Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

De plaat waar ik de voorbije rootszomer het meeste plezier aan beleefd heb, vroeg u? Daar moet ik niet lang over nadenken! Dat is ontegensprekelijk “Let Me Off At The Bottom”, de derde van de Schot Daniel Meade en z’n Flying Mules. Echt een feest van een plaat, dat album! Net geen vierendertig minuten onvervalste retro roots fun van de bovenste plank. Met zo menig een blijvertje op het menu ook.

Neem nu bijvoorbeeld de swingende roots & roll van openingsnummer “Back To Hell”. Zo op het eerste gehoor echt iets voor fans van acts als de ook hier te lande razend populaire Pokey LaFarge en aanverwanten. En ideaal ook als aftrap voor een geheel dat staat voor een permanente brede glimlach op het gelaat van al wie het waagt om er naar te luisteren. Zelfs als de teksten al eens even wat minder vrolijk zijn. Zoals in het door heerlijke streepjes catchy honky-tonk-pianogehamer en superieur snarenwerk van Lloyd Reid aangejaagde “There’s A Headstone Where Her Heart Used To Be” bijvoorbeeld.

“Ghosts And Wolves” lijkt vervolgens wel iets van de soundtrack bij de Coen Brothers-film “O Brother, Where Art Thou” gekruid met enkele fikse snuiven ragtime en rock & roll, “He Should’ve Been Mine” is één van de weinige rustpuntjes van het geheel en titelnummer vol zelfbeklag “Let Me Off At The Bottom” houdt eerder bedaard het midden tussen Americana, honky-tonk en folk. “Poison Dart” is een tweede, eerder countryesk uitgevallen trage, “Please Louise” swingt meteen daarna echt als de spreekwoordelijke tiet en “Lock Up Your Daughter” vlamt daar in supersonische retro roots style zelfs nog makkelijk aan voorbij.

Voor één van dé momenten van “Let Me Off At The Bottom” tekent Meade aansluitend daarop samen met Siobhan Wilson. Samen met haar zingt hij de ingetogen beauty “Leave Me To Bleed” naar een oververdiende stek ergens hoog daarboven tussen de sterren. En daarmee komt gelijk ook al het einde in zicht. Met de mooie countrytrage “Count The Roses” en het alweer ongemeen catchy uit de hoek komende drinklied “The Bottle Called For Me” is het na exact 33 minuten en 44 seconden helaas voorbij. Nu ja, voorbij… Een nieuwe beurt kan natuurlijk altijd… En dan nog één… En nog één… En nog één…

Daniel Meade

 

SETH LAKEMAN FEATURING WILDWOOD KIN “Ballads Of The Broken Few” (Cooking Vinyl)

(4,5*****)

Met “Ballads Of The Broken Few”, zijn ondertussen achtste studioplaat, onderlijnt Seth Lakeman andermaal zijn belang voor de Britse folkscène anno nu. Met zijn bepaald innovatieve benaderingswijze van het genre wist hij het enigszins sexy te maken. Iets wat hem uiteindelijk zelfs het nodige mainstreamsucces zou opleveren. En dus is Lakeman aan de andere kant van het Kanaal aardig hot. Naar elke nieuwe release van ‘m wordt er echt met argusogen uitgekeken. Zo ook weer naar “Ballads Of The Broken Few”.

Die plaat blikte onze man in met het net als hemzelf uit Devon afkomstige vocale trio Wildwood Kin. Voor de productie ervan en voor bijdragen op een veelheid aan instrumenten tekende de legendarische Ethan Johns. Die laatste had genoeg aan de beluistering van de ruwe versie van één nieuw liedje om Lakemans naam prompt toe te voegen aan zijn verder onder meer ook Ryan Adams, Paul McCartney, Tom Jones, Ray LaMontagne, Laura Marling, The Staves, Crosby, Stills & Nash en Kings Of Leon omvattend klantenbestand. En ik denk niet, dat hij daarvan naderhand spijt heeft gekregen.

“Ballads Of The Broken Few” is immers een echt plaatje van een plaat geworden. Boordevol met beklijvende songs, die op uitzonderlijk doeltreffende wijze balanceren op het slappe koord tussen folk en roots. Tot zijn essentie herleid, niet zelden aardig moody spul, volop profiterend van de elkaar op geweldige wijze vindende stemmen van Lakeman zelve en die van de zussen Emillie en Beth Key en hun nicht Meghann Loney. Aangevuld met fantastisch snarenwerk van Lakeman op viool en elektrische tenorgitaar en Johns op onder meer de elektrische en op mandoline levert dat een bij momenten aardig tijdloos aandoend geheel op. Iets waaraan met name het etherische karakter van veel van de liedjes erop ons inziens niet helemaal vreemd is.

Onze lievelingsmomenten hier zijn een ronduit sublieme vertolking van het je wellicht ook al wel van Levon Helms onvolprezen “Dirt Farmer” bekende Laurelyn Dossett-nummer “Anna Lee”, het volop van de onderhuidse spanning erin levende rootsy titelnummer, een knappe cover van de traditional “Willow Tree” en het met name sfeergewijs zijn titel echt alle eer aandoende folkjuweel “Silence Reigns”. Het zijn slechts vier voorbeelden van de superieure folk & roots waarmee Lakeman ook ditmaal volkomen terecht ongetwijfeld weer erg hoge ogen zal gaan gooien.

Seth Lakeman

 

BEN GLOVER “The Emigrant” (Proper Records)

(4****)

Of hij het er bewust om gedaan heeft, dat durven we hier luidop te betwijfelen, maar feit is wel , dat Ben Glovers nieuwe plaat op de keper beschouwd nauwelijks op een beter moment had kunnen uitkomen. In een wereld dag na dag meer ontwricht door grote groepen een normaler, menswaardiger bestaan zoekende migranten zullen zijn liedjes immers velen aanspreken. Het universele gevoel van rusteloosheid en het verlangen naar iets wat enkel een echte thuis je geven kan dat eruit spreekt, heeft zelfs iets van een wake up call.

“The Emigrant” is de opvolger van het al in 2014 verschenen en toen erg lovend onthaalde “Atlantic”. Met de liedjes op die door hemzelf samen met Neilson Hubbard geproduceerde nieuwe worp doet Glover als het ware een poging om de door een oceaan gescheiden helften van zijn eigen bestaan weer met elkaar te verzoenen. Glover groeide op in Glenarm, een bescheiden kuststadje in het noorden van Ierland, maar in 2009 emigreerde hij naar de States. En daar verblijft hij dezer dagen in Nashville. Ierse roots versus een Amerikaanse muzikale droom dus. En dat bijna vanzelfsprekend gepaard gaand met zo nu en dan nadrukkelijk de kop opstekende heimwee.

Tien songs staan er op “The Emigrant”. Zes daarvan zijn traditionele folk songs. Meer bepaald rond de thema’s migratie, andere oorden opzoeken überhaupt en zoekende zijn. “The main theme in all the songs had to be the voice of someone who was figuring out their place in the world,” aldus Glover daarover zelf. De vier overige liedjes zijn eigen originals. Vaak co-writes met collega’s Gretchen Peters, Mary Gauthier en Tony Kerr. Met Peters schreef hij zo bijvoorbeeld het nummer “The Emigrant”, het liedje waarmee meteen ook de aanzet tot het geheel werd gegeven. Met Gauthier pende hij dan weer het beklijvende “Heart In My Hand”.

Al bij al een zeer geslaagd huwelijk tussen twee culturen, dit schijfje. Met in de schijnwerpers vrijwel voortdurend de fraaie rauwhese stem van Glover zelve, wat ons betreft zo ongeveer hét ideale instrument om Ierse folk en Americana op passende wijze met elkaar te verzoenen. Voor de rest zorgen topmuzikanten als Eamon McLoughlin (strings), Neilson Hubbard (bas, percussie, piano en backing vocals), Dan Mitchell (piano), John McCullough (piano), Skip Cleavinger (Uillean pipes en whistles), Colm McClean (akoestische gitaar) en Conor McCreanor (bas).

Onze luistertips: naast het al genoemde duo (“The Emigrant” en “Heart In My Hand”) vooral ook nog openingsnummer “The Parting Glass” en Glovers mooie lezing van de all-time classic “And The Band Played Waltzing Mathilda”.

Ben Glover

 

IAN HUNTER & THE RANT BAND “Fingers Crossed” (Proper Records)

(3,5****)

Een nieuw album van good old Ian Hunter is iets waarmee u de al wat oudere jongere in ons echt te allen tijde mag komen verblijden. En al zeker dan als we op voorhand weten, dat er een eerbetoon aan ’s mans oude maatje David Bowie op zal staan. Dat schept zelfs bij een oude fan bepaalde andere, enigszins hogere verwachtingen dan normaal.

En toen we het door Hunter samen met Andy York geproduceerde en met z’n lichtjes fantastische Rant Band ingeblikte “Fingers Crossed” eindelijk in handen kregen, ging onze aandacht dan ook vrijwel onmiddellijk uit naar “Dandy”, het nummer in kwestie. Het catchy rockende openingsnummer “That’s When The Trouble Starts” sloegen we gemakshalve even over om met plezier te kunnen constateren, dat Hunter de leverancier van z’n grootste hit met Mott The Hoople indertijd, de fameuze classic “All The Young Dudes”, echt alle eer aangedaan had. In een rechtvaardige wereld zou de ongegeneerd naar hun hoogdagen samen van weleer teruggrijpende oorwurm “Dandy” zomaar een knoeperd van een hit worden. Benieuwd of dat ook in het exemplaar dat we met z’n allen ter beschikking hebben kan…

Hunter toont zich hier überhaupt in goede vorm. Ook de door een bezoek aan en een jamsessie in Sam Phillips’ legendarische Sun Studios geïnspireerde bedaarde rocker “Ghosts”, het zich balladegewijs over verplichte indiensttreding buigende titelnummer, het aardig snedig uit de startblokken schietende en ook verder voor de nodige fun garant staande “White House”, het al verhalend naar het gevaarlijke achttiende-eeuwse Londen terugkerende “Bow Street Runners”, de sfeervolle sleper “Morpheus” en andere zijn songs die echt zonder uitzondering gehoord mogen worden. Zij het dan ook allemaal een weinig in de schaduw van “Dandy”.

Op z’n zevenenzeventigste lijkt Ian Hunter nog lang niet helemaal uitgezongen. Doe het hem maar na!

Ian Hunter

 

BILLY BRAGG & JOE HENRY “Shine A Light: Field Recordings From The Great American Railroad” (Cooking Vinyl)

(4****)

Dit is nog eens wat je noemt een specialleke. En dat niet zozeer omwille van het feit dat Billy Bragg en Joe Henry hier onverwachterwijze de handen in elkaar slaan, maar wel voor de manier waarop ze dat doen. “Shine A Light” bestaat zoals z’n ondertitel dat al laat uitschijnen effectief uit een reeks field recordings. Uit door het duo tijdens een vierdaagse trip doorheen de States op perrons en in wachtzalen ingeblikte versies van treingerelateerde liedjes. Tijdens stops tussen Chicago en Los Angeles moesten zo liedjes van onder meer Hank Williams, Lead Belly, de Carter Family, Jimmie Rodgers, Gordon Lightfoot en Glen Campbell eraan geloven.

Van “Rock Island Line” en “The L&N Don’t Stop Here Anymore” over “The Midnight Special”, “Railroad Bill” en “Lonesome Whistle” tot “KC Moan”, “Waiting For A Train” en “In The Pines”, van “Gentle On My Mind” en “Hobo’s Lullaby” over “Railroading On The Great Divide” en “John Henry” tot het afsluitende “Early Morning Rain”, in spiernaakte uitvoeringen helpen ze het duo Bragg en Henry zonder uitzondering bij het onderlijnen van het essentiële belang van train songs op heel wat van wat er op muzikaal vlak later nog allemaal te gebeuren stond. Dat treinen bij het verspreiden van muziekjes ooit van levensbelang waren, staat voor de twee bovendien sowieso buiten kijf.

Enfin, niks aan tierlantijntjes hier, gewoon twee stemmen, twee akoestische gitaren, een stel klassieke liedjes en een reeks zonderlinge locaties, die garant staan voor een hoogst apart sfeertje.

Billy Bragg & Joe Henry, Cooking Vinyl

 

HEIDI TALBOT “Here We Go 1,2,3” (Navigator Records)

(4****)

Voor wie ervan houdt om in de al wat latere uurtjes van de dag zalig weg te mijmeren bij mooie eigentijdse folkmuziekjes gedragen door fraaie vrouwenstemmen is “Here We Go 1,2,3”, de ondertussen vijfde langspeler van Heidi Talbot, een waar godsgeschenk. In een productie van haar wederhelft John McCusker weet de Schotse ook daarop immers weer ruim tien nummers lang te betoveren. Zich daarbij en passant buigend over thema’s als ouder worden, de dood, geboorte en haar verknochtheid aan haar eigen vaderland schildert ze zo’n driekwartier lang het ene mooie miniatuurtje na het andere. En veelal betreft het daarbij eigen nieuw materiaal. Met uitzondering van het bij voormalig 10.000 Maniacs-kopstuk Natalie Merchant geleende “Motherland”. Dat laatste groeit hier in een uitermate doorleefde versie uit tot één van dé absolute highlights.

Net als op voorganger “Angels Without Wings” van zo’n drie jaar geleden slaat Talbot ook op “Here We Go 1,2,3” weer moeiteloos bruggen tussen genres als folk, Americana en pop. Daarbij bijgestaan door een waar topteam aan muzikanten bestaande uit haar echtgenoot John McCusker (viool, citer, whistles, harmonium), Innes White (gitaar en mandoline), James Lindsay (double bass), James Mckintosh (drums en percussie), Megan Henderson (piano en harmonium), Toby Shippey (trompet), Andy Seward (banjo), Donald Shaw (harmonium, Wurlitzer en accordeon) Michael McGoldrick (Uillean pipes en whistles), Toby Shaer (whistle), Su-a Lee (cello), Sorren MacLean (backing vocals en elektrische gitaar), Adam Holmes (zang) en Louis Abbott (zang en elektrische gitaar) kerft ze met veel zorg tien lak aan genregrenzen hebbende liedjes uit de bast van het leven zelve. Veelal eerder rustig van aard, steeds weer bloedmooi.

Een vermelding als primus inter pares verdient daarbij wat ons betreft de ontzettend ontroerende ballad “A Song For Rose (Will You Remember Me), een nummer dat Talbot schreef over de periode waarin ze haar zieke moeder tegen beter weten in beetje bij beetje moest loslaten. Sterven moeten we nu eenmaal allemaal ooit. Nog zo’n beauty is de samen met Duke Special geschreven en naar eigen zeggen door de Pogues geïnspireerde torch song “Chelsea Piers”. Fraai koperwerk, al even innemende strijkers en Talbots stem maken van dat kleinood een buitengewoon fraai aandenken aan haar eigen tijd in de States.

En als we hier bij wijze van afsluiter nog een paar favorieten naar voren mogen schuiven, dan zeker ook nog de afsluitende ballade “ Stranger To Me”, bluegrasspsalm “Tell Me Do You Ever Think Of Me” en de ingetogen countrypopoverpeinzing “The Year That I Was Born”.

Heidi Talbot

 

SHANE ALEXANDER “Bliss” (Elevate Records)

(4****)

Subtiliteit blijft nach wie vor zo’n beetje hét handelsmerk van Shane Alexander. Ook op zijn ondertussen toch ook alweer zesde langspeler blinkt de Amerikaanse songsmid immers weer uit in gedegen precisiewerk. Met daarbij als z’n voornaamste bondgenoten naar goede gewoonte z’n eigen loepzuivere tenorstem en een stel bijzonder snarenvaardige vingers waadt hij op “Bliss” doorheen negen nieuwe liedjes van eigen hand en een daar quasi perfect bij aansluitende cover van het mooie “Angel’s Share” van wijlen Tim Krekel. Voor de productie van dat eerste in z’n eigen studio in Californië opgenomen album tekende Alexander zelf. En da’s een primeurtje. En wat ons betreft een voor herhaling vatbaar primeurtje ook.

“Bliss” blijkt bij nader inzicht immers een van de eerste tot de laatste noot buitengewoon geslaagd geheel. Een plaat die op de één of andere manier mooi het midden weet te houden tussen de met name in de seventies o zo populaire West Coast folk en rock van het wat bedaardere type, met zo nu en dan als kers op de taart een bescheiden zweem aan psychedelische invloeden. Namen als die van Jackson Browne, Stephen Stills en Paul Simon kwamen ons bij het beluisteren ervan spontaan voor de geest. Evenals die van jonger schoon volk als een Ryan Adams of Bright Eyes-kopstuk Conor Oberst. Erg goed gezelschap dus.

Centraal staan op “Bliss” heel wat liedjes gewijd aan hartzeer en door het leven zelve verstrekte lessen. En onthouden deden wij daarvan vooral de vederlichte late sixties folk van openingsnummer “Evergreen”, het fijntjes rockend ergens in de buurt van de hier al eerder vernoemde Ryan Adams strandende “Something Real Never Dies”, de sombere retro-popparel “I Will Die Alone” en het werkelijk bloedmooie “Heart Of California”, dat zich op de keper beschouwd laat beluisteren als een zongebruinde tip of the hat aan het adres van de Amerikaanse staat uit z’n titel. Het misschien wel allermooiste nummer van allemaal bewaarde Alexander echter voor het laatst. Titelnummer “Bliss” met name, dat je in al zijn bedaarde vredigheid bijna automatisch op zoek doet gaan naar de repeat-toets van je cd-speler.

Shane Alexander

 

JIM & LYNNA WOOLSEY “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” (Broken Record Records)

(5*****)

Nauwelijks meer dan een jaar na hun voortreffelijke debuutplaat “The Road That Brings You Home” zijn zingende en liedjes schrijvende echtelieden Jim en Lynna Woolsey daar alweer met een nieuw project. En wat voor één! Een ware delicatesse voor liefhebbers van bluegrass en Americana. Een elf songs lang de zinnen strelende plaat, waarmee ze zich voor eens en voor altijd knus lijken te kunnen nestelen tussen de groten van beide genres.

Openingsnummer van het net geen negenendertig minuten lang werkelijk bloedmooie “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” is het zich over het thema vechten tegen ouder worden uitlatende “Time”. Special guest daarin blijkt niemand minder dan Jim Lauderdale. Vervolgens is er met het door Jim Woolsey samen met Craig Market gepende en ook gebrachte “Just Like Me” meteen een tweede hoogtepuntje. Een heel mooie bluegrass-trage is dat. Titelnummer “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” groeit mede dankzij het piekfijne rootsy snarenwerk van Randy Kohrs (dobro), producer Mike Sumner (banjo), Tim Crouch (fiddle) en Mark Fain (bas) erin uit tot één van dé absolute hoogtepunten van het geheel. Al zijn ook de ingetogen swingende John Pennell-co-write “Give Me Back Tomorrow”, het lentefrisse “Yesterday”, het met John en Jeremy Chapman gedeelde “Notes From Home” en alle daarna nog volgende liedjes absoluut niet te versmaden, hoor. Vraagt u mij morgen opnieuw naar mijn favorieten hier, dan is de kans zelfs vrij groot, dat u bij wijze van antwoord een paar andere titels voorgeschoteld zal krijgen.

Onze conclusie met betrekking tot “Heart And Soul, Blood And Bone!!!” ligt dan ook voor de hand: dit is een echte aanrader van formaat voor eenieder met een hart dat klopt voor bluegrass en aanverwanten. Doet u er vooral uw voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Jim& Lynna Woolsey

 

THE COAL PORTERS “No. 6” (Prima Records)

(4****)

The Coal Porters zullen voor velen wellicht altijd wel “de nieuwe groep van voormalig Long Ryders-kopstuk Sid Griffin” blijven. En dat terwijl de aanpak van beide acts ondertussen nog nauwelijks te vergelijken valt. Vormden met name elektrische gitaren een wezenlijk bestanddeel van de muziek van de Ryders, dan draait bij de ondertussen toch ook al flink wat jaren aan de weg timmerende Coal Porters al ruim een decennium lang juist alles om akoestische instrumenten. Rond banjo, dobro, mandoline, fiddle, akoestische gitaar, doghouse bass, ukelele en bajo sexto meer bepaald.

En dat ook weer op hun nieuwe worp “No. 6”. Die blikten ze in onder de productionele auspiciën van de onder meer van zijn werk met Fairport Convention, Nick Drake en Beth Orton bekende John Wood. Die werd naar eigen zeggen vooral aan boord gehaald om de eigen grenzen wat te kunnen verleggen. Kwestie van ook anno nu nog fier mee te kunnen, nu alt-bluegrass acts vrijwel overal ter wereld als paddenstoelen uit de grond blijven schieten. En dat vaak op heel creatieve wijze ook.

“No. 6” wordt afgetrapt met wat naar onze bescheiden mening meteen één van de allerbeste nummers erop is. Het betreft een buitengewoon knappe old-time-ode aan het adres van punkrockinstituut The Ramones, door Griffin geschreven naar aanleiding van het overlijden van “laatste der Mohikanen” Tommy Ramone. Vervolgens eist Neil Robert Herd de hoofdrol voor zich op in het grillige “Save Me From The Storm”, dat op het hoesje van de plaat onterecht werd omgedoopt tot “Shelter From The Storm”. En in het ingetogen “The Blind Bartender” bewijst Griffin aansluitend daarop nog maar eens wat voor een uitstekende storyteller hij wel is. Heerlijke trompetsolo van de Cubaan Eikel Venegas trouwens ook in dat nummer.

Met de wulpse instrumental “Chopping The Garlic” van Kerenza Peacock belanden we vervolgens even in de keuken, alvorens Sid Griffin het roer weer mag overnemen. Met het al even dartele “Salad Days” met name. Via de Herd-ballade “Unhappy Anywhere” en “Train NO. 10-0-5”, een moody eigentijdse train song, belanden we stilaan in de laatste rechte lijn van “No. 6”. En die blijkt te bestaan uit het opnieuw door Peacock gepende en nu ook ijle hoogten ingezongen “Play A Tune”, het wervelende “The Old Style Prison Break” en een verrassende cover van “Another Girl – Another Planet” van de aan het eind van de jaren zeventig de roep van cult rock act genietende Only Ones van Peter Perrett.

Prima plaat weer, hoor! (Tot zelfs de hoes toe is leuk.)

Sid Griffin, Coal Porters

 

KATY TOO “Nine Lives” (PedalPoint)

(4****)

“Nine Lives” is de zogeheten “moeilijke tweede” van zingende liedjesschrijfster Leen De Haes. De Kalmthoutse rondt die kaap echter met brio. De negen liedjes op de opvolger van haar ook al knappe debuut “Quest For Honey” van vier jaar geleden zijn werkelijk zonder uitzondering erg geslaagd te noemen. In die mate zelfs, dat je als recensent geneigd bent om bij wijze van namedropping met louter gerenommeerde vergelijkingspunten als een Lucinda Williams, een Eliza Gilkyson, een Suzanne Vega, een Joni Mitchell en een Emmylou Harris uit te pakken. Met dank onder meer ook aan Wigbert Van Lierde, die in navolging van Anton Walgrave, indertijd verantwoordelijk voor de eersteling van Katy Too, werd aangetrokken voor het in goede banen leiden van het opnameproces van “Nine Lives”.

En het moet gezegd: voor samenwerkingen als die tussen De Haes en Van Lierde werd ooit de omschrijving a perfect match bedacht. Van het bedachtzame, door Yves Fernandez van mooi koperblaaswerk voorziene “No Angel” over de fraaie roots pop van “When You’re Gone (Nothing Really Matters)” en het zomers soulvolle en bijzonder radiogenieke “Déjà Vu” tot de mooie ballad “Bad Moves”, van de mede door de inbreng van Wouter Berlaen op aparte wijze ongemeen swingend uit de hoek komende popdeun “Darlin’ Tell Me Now” en het groovy titelnummer over de fijne folkpop van “Alma” en het met flink wat twang overgoten “Whiner’s Blues” tot de afsluitende trage “Bricks And Stones”, echt niet één moment van appelflauwte te bekennen hier.

Fraaie zangpartijen, daar in niets voor onderdoende teksten en een eveneens werkelijk puntgave instrumentale invulling van haar liedjes zorgen ervoor dat Leen De Haes met “Nine Lives” ergens tussen (roots)pop, Americana en folk een album van internationale klasse heeft afgeleverd. Gaan we ongetwijfeld nog heel veel plezier aan beleven!

Katy Too

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home