ARCHIEF CD-RECENSIES DECEMBER 2003

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Lauren Sheehan “Some Old Lonesome Day”Amanda Cunningham “Gypsy’s Daughter”Andy If “Memories Of Connecticut”Ron Noyes “Mosaic” - S.E. Willis “Cold Hand In Mine”Cris Cuddy “Keep The Change / Nowhere Town”The Rizdales “Another Payday Night” - Ryan Bingham “Wishbone Saloon”John Minton “Life & Times” - Honeybrowne “Good For Nuthin’”Ray Mason Band “Idiot Wisdom” - Jim Bryson “The North Side Benches”The Deanna Varagona Trio “The Goodbyes Have All Been Taken”Jabe “Drama City”Josh Lederman Y Los Diablos “It’s A Long And Lonely Time Until The Train Will Bring You Home” - Toni Price “Born To Be Blue”Derek “Night Nurse”Lorna Hunt “Sentimental Bedlam” - Jennie Stearns “Angel With A Broken Wing”Johnny Cash “Unearthed”Libby Kirkpatrick “ Goodnight Venus” - Kelly Willis & Bruce Robison “Happy Holidays”Doug Kwartler “Halfway House”Guy Swinnen “Hard Times Revisited – Live” - The Hackensaw Boys “Keep It Simple” en “Give It Back”Billy Joe Shaver “Try And Try Again – Live”Richard Gilpin “33”Albert & Gage “At Anderson Fair”Donal Hinely “We Built A Fire”Dave Murphy “Chasing Ghosts” - Jack Ingram “Live At Billy Bob’s Texas”The DAM Combo “Another DAM CD” - Walter Clevenger & The Dairy Kings “Full Tilt & Swing”Keith Norris “Deuce”Van Williams “Hillbilly Diamonds Vol. 1” - Terry Lee Hale “Tender Loving Hell: The Best Of”The Brown Mountain Lights “Late Show At The Cave”Dixie Chicks “Top Of The World Tour Live”Patty Loveless “On Your Way Home”Anna Fermin’s Trigger Gospel “Oh, The Stories We Hold” - Omar & The Howlers “Boogie Man”Wendy MaHarry “Released” - Ruthie & The Wranglers “Someday”Alejandro Escovedo “With These Hands”Mojo Gurus “Hot Damn!” - Cactus Hunters “Cactus Hunters”Martin Zellar “Born Under” - Dan Baird “Out Of Mothballs”Michael Weston King “A Decent Man” - Sharon Shannon & Friends “Libertango”Matt Minor & Shot Glass “Train To Catch”Grand Theft “Time Passed On The Switchback”David Childers & The Modern Don Juans “Room #23”

 

LAUREN SHEEHAN

“Some Old Lonesome Day”

(In eigen beheer uitgebracht! / Comstock Records)

(3.5) J J J J

 

Een album waar we enige tijd geleden eerder toevallig op stootten, is “Some Old Lonesome Day” van Lauren Sheehan. En da’s er eentje van het type gebleken, dat regelmatig zijn weg naar de CD-wisselaar blijft terugvinden. Zelf omschrijft Sheehan wat ze doet als American folk music. En hoe ruim die term aanvankelijk ook lijkt aan te doen, toch is hij inderdaad heel erg toepasselijk voor deze zeventien liedjes tellende collectie. Niet in geringe mate wellicht omdat elk van de nummers op het album zijn weg naar Sheehan vond via mondelinge overlevering – rond kampvuren en keukentafels bijvoorbeeld of op festivals, concerten, workshops, sessies en dies meer.

Dat heeft geresulteerd in een knap gevarieerd, maar ondanks alles toch zeer coherent geheel. Opener “Trouble In Mind” en het meteen daaropvolgende van Blind Boy Fuller afgekeken “Weepin’ Willow Blues” zijn zo bijvoorbeeld knappe country blues, “Rattlesnake Mountain” dan weer pure a capella folkpracht, de onder invloed van de muziek van Pierre Bensusan opgenomen traditional “House Carpenter” (vooral door het banjowerk van Stephen Lind) volop naar bluegrass neigende old-time en “C. C. Rider” hebben we echt waar nooit lomer rootsy weten klinken dan hier. En dan moet ons daarbij onmiddellijk van het hart, dat het hier eigenlijk maar om een handjevol willekeurig gekozen voorbeelden gaat om aan te geven waarvoor Sheehan muzikaal staat. Met sprekend gemak kies je er hier een stel minstens even aansprekende andere. Om er voor de vuist weg nog eentje te noemen, de heerlijke bluesy en ongemeen sfeervolle afsluiter “The Werewolf”.

Samenvattend zou je kunnen stellen, dat het hier gaat om heel erg mooie akoestische rootsmuziek gedragen door de warme, wereldwijze stem en het gevoelvolle gitaarwerk van Sheehan zelf en de sobere, maar o zo effectieve harmonicabegeleiding van Phil Wiggins. Pas als een liedje uitdrukkelijk daarom vroeg werden banjo, fiddle, mandoline, bas of harmonium aan dit basisinstrumentarium toegevoegd. De productie van dit fijne album was in handen van Lauren Sheehan zelf en Alan Garren.

http://www.laurensheehanmusic.com/

http://www.cdbaby.com/cd/sheehan

http://www.comstockrecords.com/

 

 

AMANDA CUNNINGHAM

“Gypsy’s Daughter”

(Cimmaron Sound Lab)

(3.5) J J J J

 

Amanda Cunningham is de naam! Jong is ze, gezegend met een leuk snoetje, afkomstig uit Oklahoma en met de CD “Gypsy’s Daughter” heeft ze zopas ook een prima visitekaartje afgeleverd. Daarop dompelt ze je onder in een bad van prikkelende rootsy country. Met als meest in het oog springende nummer een ijzersterke versie van Dolly Partons “Jolene”. De manier waarop ze dat nummer naar zich toe trekt doet echt het allerbeste verhopen voor haar toekomst. Ondanks haar nog relatief jonge leeftijd beschikt Cunningham immers al over een bijzonder krachtige stem, te situeren zo ongeveer halverwege tussen die van Iris DeMent en die van Sheryl Crow, om maar eens twee uitersten te noemen.

Naast “Jolene” covert Cunningham op al even indrukwekkende wijze de beklijvende Bob Childers ballade “Anytime You Say” en het pakkende “Will You Be My Baby” van Joel Melton (nog zo’n supertalent, dat daarin trouwens ook zelf even zijn opwachting komt maken). Wat rest zijn dan nog vijf eigen songs, die een even sterke als eigenzinnige jonge artieste aan het werk laten horen. “Liquor And Lies” is bijzonder pittige, meteen goed in het gehoor liggende country rock, “Long Way To Go” gewoon lekkere Texicana, titelnummer “Gypsy’s Daughter” een dot van een rootsy zwerversliedje en het tweetal “Walk Away” en “Hunter And The Bull” valt onder de noemer met veel gevoel voor drama gebrachte twangy ballades.

Een veelbelovend debuut!

www.amandasmusic.com

http://cdbaby.com/cd/amandac

http://www.vdp-records.com

 

 

ANDY IF

“Memories Of Connecticut

(Rutabaga Records)

(3.5) J J J J

 

 “Memories Of Connecticut” is het nieuwe album van de in New York City woonachtige singer-songwriter met de wat bizarre naam Andy If. Ten tijde van zijn debuut “Road Trip” werd de man vooral geprezen voor zijn spitsvondige humoristische teksten en zijn energieke live prestaties. Maar er is meer dan dat! “Memories Of Connecticut” laat vooral een zeer goede liedjesschrijver bewonderen. In een productie van de van de Wallflowers bekende Rami Jaffee en met ander schoon volk als David Baerwald, Phil Cody, Michael Duff, Ben Peeler, Joey Peters (Grant Lee Buffalo) en Greg Richling (Wallflowers) in de buurt blinkt If uit in puntige liedjes die zich nog het makkelijkst laten omschrijven als rootsy pop. Het openingsdrietal betekent wat dat betreft meteen een regelrechte hattrick. “Details”, het titelnummer “Memories Of Connecticut” en het samen met Phil Cody ingezongen “How Lucky” zijn aangenaam wegluisterende deunen die de deur wagenwijd openhouden voor meer. En dat krijgen we bijvoorbeeld onder de vorm van het twangy, door een banjo en een mandoline aangejaagde “Wayward Heart”, het ingetogen en bijzonder soulvolle “Thinking About You” (met mooi Hammond-werk van Jaffee), het enigszins old-timy aandoende “Older And Wiser” en het stomende, zijn titel vet onderlijnende “Rock And Roll Song”.

In elk opzicht een hoogst onderhoudend schijfje!

www.andyif.com

http://cdbaby.com/cd/andyif

 

 

RON NOYES

“Mosaic”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Onlangs dook hij voor het eerst op in de Euro Americana Chart, deze Ron Noyes. Het was daar dat we met de beste man kennismaakten. En als je zijn debuutplaat “Mosaic” al is het maar één enkele luisterbeurt gunt, dan zal je al snel duidelijk worden dat hij zijn plaatsje daarin ook allesbehalve gestolen had. De eersteling van Noyes bulkt namelijk van de knappe rootsrockliedjes die het vooral moeten hebben van zijn doorrookte voordracht en zijn melodieuze gitaarspel. Soms doet hij daarbij een weinig denken aan de jonge Tom Waits. In het prachtige nachtvlindertje “Up On Silence” is dat bijvoorbeeld het geval. Maar eigenlijk doe je deze knaap tekort door naar vergelijkingspunten te gaan zoeken. Noyes is gewoon Noyes en dat blijkt an sich ook al ruimschoots voldoende: een bijzonder veelbelovende jonge songwriter die vooral in knappe liedjes als het wat speels aanvoelende “Circles” en het op soulvolle wijze gebrachte rockertje “Angeline” laat horen echt over alles te beschikken om het vroeg of laat heel erg ver te gaan schoppen. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd!

http://cdbaby.com/cd/ronnoyes

 

 

S.E. WILLIS

“Cold Hand In Mine”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Goed en wel een vijftal seconden ver in het openings- en titelnummer van S. E. Willis’ derde CD “Cold Hand In Mine” waren wij al hopeloos verkocht… Het samenspel tussen Willis achter de piano en gastmuzikant Tom Rozum op de mandoline werkt hier zodanig aanstekelijk, dat dit staaltje van klasse rootsy Americana zich al snel met geen stokken meer uit je hersenpan laat verjagen. En da’s dan nog maar het begin! De bluesy creoolse slow “Wreck On The Highway”, de stomende pianoswing van “Blue Moon Of Kentucky”, de aan Jimmie Rodgers schatplichtige lap melancholie “When And If”, de klassieke honky-tonk-deun “If The Drink Don’t Kill Me”, de funky zydeco van “Muddy Water” of “Think Twice”, het lekker weghappende swamp-poppareltje “That’s My Dream” – dit klinkt gewoon allemaal even onweerstaanbaar!

Soulvolle zang – heel straffe prestaties op zowel accordeon, piano als harmonica – sublieme songs – da’s S.E. Willis ten voeten uit. Zelf vat de man het als volgt samen: “Stel je voor, dat Bill Monroe en Howlin’ Wolf ooit samen zouden hebben gespeeld. Het zou wellicht niet zoals dit hebben geklonken, maar die vergelijking geeft wel goed aan wat mijn bedoeling is geweest.”

www.sewillis.com

http://www.cdbaby.com/cd/sewillis2

 

 

CRIS CUDDY

“Keep The Change / Nowhere Town”

(Vanishing Castle)

(4) J J J J

 

Wat men dezer dagen zoal doen moet om op te vallen in Platenland! De één verdeelt zijn nieuwe CD keurig in twee helften om die dan als zogeheten albumettes allesbehalve goedkoop separaat aan de man te brengen, de ander propt twee full CD’s in één doosje en kiest op die manier voor een veel klantvriendelijkere houding. Sprake is hier met name van de sympathieke Cris Cuddy die met “Keep The Change / Nowhere Town” gaat voor de twee-voor-de-prijs-van-één-strategie. En dat levert bovendien nog behoorlijk wat mooie momenten op ook!

Op “Keep The Change”, het eerste van de twee schijfjes, wordt Cuddy bijgestaan door Prairie Oyster, een aantal ex-leden van de Tom Russell Band en speciale gasten als Albert Lee, Gene Taylor en Kevin Breit. Cuddy bewijst zich hierop als een bijzonder getalenteerde songsmid. En ééntje die bovendien niet voor één gat te vangen is ook. Country, pop, blues, roots rock, cajun, Tex-Mex… het kan hier echt voortdurend allemaal. Onze favorieten waren zo bijvoorbeeld de pure op truckersmaat geknipte country van “Paramount Cafe”, het met een bijzonder hoog Tex-Mexgehalte zijn titel alle eer aandoende “Bandolero”, een fraaie soulvolle benadering van de Stones-hit “Tell Me” (die hier een heel mooi nieuw popjasje aangemeten krijgt), de aan de Mavericks verwante ballade “No Love No Nothin’” en vooral ook “A Bottle Of Perfume”. Als je dankzij het CD-boekje niet beter zou weten, dan zou je wel eens kunnen gaan denken dat dat met het karakteristieke fiddlewerk van Fats Kaplin opgesmukte liedje uit de pen van Willie Nelson stamt. Niet dus!

En variatie troef ook op het tweede plaatje. Daarvoor huurde Cuddy opnieuw Fats Kaplin (steelgitaar, fiddle en viool) in, evenals George Bradfute (zang, gitaren, bas, keyboards en banjo) en Steve Ebe (drums). Al bij al klinkt “Nowhere Town” daardoor iets meer rootsgericht. Zoals bijvoorbeeld al het openings- en titelnummer, een prima staaltje roots rock dat qua gevoel vaag verwant is aan de muziek van de Traveling Wilburys. Of ook “What Harm Would It Do?”, dat met zijn vrolijk rinkelende gitaartjes sterk naar de sixties geurende Americana blijkt. Of de bijzonder fraaie, rijk georkestreerde en allicht ook mede daardoor gevoelsmatig volop aan wijlen Roy Orbison refererende ballade “Lucky Night”. Of de aanstekelijke op een honky-tonk-leest geschoeide country rock met een hoog Don Gibson-gehalte van “The Loneliest Guy In Town”. Stuk voor stuk zijn het heel erg mooie liedjes die zich vrijwel zonder uitzondering snel knus tussen je oren nestelen. Het absolute hoogtepunt is meteen ook het allerlaatste liedje van het album. “Lonely Ain’t What It Used To Be” is een pakkende ballade (opnieuw in Traveling Wilburys-stijl) opgedragen aan wijlen zijn vriend en mentor Mickey Newbury.

Met platen van dit kaliber mogen ze ons alle dagen komen lastigvallen! Heel graag zelfs!

www.criscuddy.com

http://villagerecords.com/product.tpl?action=full&cart=10727013782910702&--eqskudatarq=N0311011

 

 

THE RIZDALES

“Another Payday Night”

(Willyboy Records)

(3) J J J

 

The Rizdales zijn een vijftal uit London (Ontario, that is – Canada met andere woorden) bestaande uit Tara Dunphy (zang, fiddle), Tom Dunphy (zang, akoestische gitaar), Will Haas (staande bas), Tony Nardi (elektrische gitaar) en Tim Vail (drums). We leerden het gezelschap een tijdje geleden kennen via de Freeform American Roots Chart - de ideale startplaats voor eenieder die op zoek wil gaan naar weer eens wat nieuws onder de rootshemel.

The Rizdales staan voor een zwierige cocktail van Americana en honky-tonk met een flinke hang naar de sixties. Opvallende troefkaarten zijn daarbij de sexy stem van zangeres Tara Dunphy in nummers als “This Bed Was Made For Two” of “How Cruel You Are” en het heerlijke twangy gitaarwerk van Tony Nardi (zoals bijvoorbeeld in “This Drink’s Not On Me” of “I Don’t Miss You”). Als ideaal tegengewicht fungeert de wat ruigere (enigszins nasale) stem van Tom Dunphy. De door hem gezongen nummers neigen nogal eens richting het werk van Buck Owens, de Derailers en de Mavericks. Al valt zijn stem dan ook hoegenaamd niet te vergelijken met die van eender wie van de opgesomde betrokkenen. Real country for now people, zoiets…

www.rizdales.com

 

 

RYAN BINGHAM

“Wishbone Saloon”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Wij staan niet gauw met onze mond vol tanden, maar ditmaal was het wel degelijk wél even van dat. De naam Ryan Bingham zei ons tot voor kort immers hoegenaamd niets. Tot we op zijn CD “Wishbone Saloon” stootten. Een album verpakt in een hoesje, dat je eerder rond een in de jaren zeventig opgenomen country-LP zou verwachten, dan rond een singer-songwriter-plaat anno nu. Een gezellig onderonsje in de één of andere honky-tonk fungeert als lokvogeltje voor al wie houdt van pure Americana. Bingham tekent op “Wishbone Saloon” immers voor elf prachtige songs die veel meer gemeen hebben met de Texaanse traditie met betrekking tot het schrijven en zingen van liedjes in de dagen van voor Pat Green dan met die erna. Titels als “Freight Train”, “Wishbone Saloon”, “Bandito”, “Roadhouse Gypsy”, “Honkytonk Man” of “The Highway” zijn wat dat betreft trouwens een betrouwbare indicatie van waar het hier naartoe moet. Lekker lui gebrachte outlaw country stuff met een vakbekwame schrijvershand volop in het heden geplant. Hier mag een dobro het ene moment nog eeuwige trouw zweren aan een wulps rondfladderende fiddle, om nauwelijks vijf minuten later alweer in de koffer te duiken met een akoestische gitaar of een harmonica. Zolang het de oprechtheid van Binghams muziek maar ten goede komt.

Wij weten alvast wat ons te doen staat: over deze jonge kerel met zijn doorleefde stem willen we zo snel mogelijk meer weten! “Wishbone Saloon” is immers een verbazingwekkend goede plaat! Texas weer eens echt op z’n best…

www.ryanbingham.com

http://www.lonestarmusic.com/artists.asp?id=876

 

 

JOHN MINTON

“Life & Times”

(Southern Can CDs)

(3) J J J

 

Je zal het niet vaak tegenkomen, maar het staat er echt wel: John Minton is niet enkel een graag geziene gast als performer van akoestische rootsmuziek in z’n thuisstaat Indiana, hij is ook professor aan de Indiana University – Purdue University in Fort Wayne, alwaar hij een veelheid aan colleges geeft met betrekking tot folk en andere populaire muzieksoorten. Een hoogst interessante verschijning dus!

Vreemd genoeg heeft Minton er zelf zo’n dertig jaar over gedaan om met een CD op de proppen te komen. Zijn onlangs verschenen debuut “Life & Times” kreeg als ondertitel het bijna wetenschappelijk aandoende “Originals & Adaptations In The Southern Idiom” mee. Gelukkig voelt het album zelf een stuk minder stijf aan. Het gaat integendeel om een geheel waar een zekere warmte van afstraalt. Zeker wanneer de man zijn akoestische gitaar omgordt en zich in zijn eentje door folky stuff als titelnummer “Life & Times” of “Moon Going Down Slow” werkt. Dan hang je binnen de kortste keren geboeid aan zijn lippen. Minton bespeelt trouwens alle instrumenten hier zelf: van de akoestische en de elektrische gitaar over bas en keyboards tot de lap steel en de percussie. En dat dwingt vooral het nodige respect af in bluesy deunen als “Strange Dream Blues” of “Black Night Is Falling (Seven Sisters In New Orleans)” of in de van heerlijk pickwerk voorziene versie van het klassieke “The Leaving Of Liverpool”.

Best wel een aangename CD dus voor al wie bij tijd en wijle een potje pretentieloze rootsmuziek tot zich neemt en een ideale gezel ook voor de late uurtjes.

www.cdbaby.com

 

 

HONEYBROWNE

“Good For Nuthin’”

(Levy Records)

(3.5) J J J J

 

Enkele maanden geleden hadden we ‘t hier over de titelloze jongste CD van het in Texas en omstreken immens populaire Cross Canadian Ragweed. En dat lekker rockende schijfje zou als perfect vergelijkingspunt voor deze “Good For Nuthin’” van Honeybrowne kunnen fungeren. In een productie van Carlos Sosa levert die vanuit Austin vrolijk voortjakkerende rootsrockbende immers een album af, dat het in het Texaanse collegecircuit zeer goed zal gaan doen. Lekkere liedjes als de soulvolle eerste single “A Lullaby”, het stomende titelnummer en het beheerste countryrockertje “Easyville” laten horen dat de groep met zangers Fred Andrews en Alex Weeden tegelijk ook twee zeer goede songwriters in haar rangen telt.

Opvallend is verder ook de aanwezigheid van Pat Green. Die liep even voorbij om wat vocale bijstand te bieden bij het inblikken van de nummers “I Miss Home” en “Good For Nuthin’”. Dat gegeven alleen al zal er voor zorgen dat van dit album flink wat eenheden meer zullen worden verkocht dan dat normaal gezien het geval geweest zou zijn. Maar of de groep dat ruggensteuntje ook daadwerkelijk nodig had om het te gaan maken? Wij durven het alvast luidop te betwijfelen. Dit is immers gesneden koek voor de jonge Texaanse muziekliefhebber anno 2004.

www.honeybrowne.net

 

 

RAY MASON BAND

“Idiot Wisdom”

(Captivating Music)

(3.5) J J J J

 

Al sinds de vroege jaren tachtig timmert Ray Mason schijnbaar onvermoeibaar aan de rootsweg. De man met het een weinig aan Freedy Johnston verwante stemgeluid versmelt genres als rock, pop, country en soul al sinds jaar en dag wars van elke trend tot een geheel eigen, tamelijk onweerstaanbaar brouwsel. En dat is ook op “Idiot Wisdom” weer zo. In een productie van Jim Weeks geeft Mason ‘m flink van jetje op zijn aftandse 1965 Silvertone-gitaar en wurmt zich terloops doorheen tien eigen composities en een lijzige cover van “Didn’t Want To Have To Do It” van The Lovin’ Spoonful. Muziek die vooral de liefhebbers van mensen als de al eerder genoemde Freedy Johnston, Graham Parker, Marshall Crenshaw, Steve Forbert en wijlen Warren Zevon zou moeten kunnen bekoren. Songs als het venijnig rockende “Big Ass Balloon”, de soulvol twangende opener “Ring-A-Ling” of het superaanstekelijke titelnummer “Idiot Wisdom” mogen wat ons betreft dan ook elk uur op de radio voorbijkomen. Totaal pretentieloze, maar wel héél erg lekkere (roots)muziek!

www.raymason.com

 

 

JIM BRYSON

“The North Side Benches”

(The Orange Record Label / UMC)

(4.5) J J J J J

 

 ‘t Is eigenlijk de omgekeerde wereld, maar ook die heeft zo nu en dan zijn charmes… Daartoe aangewakkerd door de wel bijzonder lovende woorden die één van onze lezers in zijn eindejaarslijstje overhad voor “The North Side Benches” van de Canadees Jim Bryson, gingen wij op zoek naar dat album. En daar hebben we tot op heden nog geen seconde lang spijt van gehad. De uit Ottawa afkomstige Bryson grossiert op zijn jongste CD immers in (h)eerlijke pretentieloze roots rock die ons afwisselend deed terugdenken aan het beste van mensen als Freedy Johnston, Evan Dando, Elvis Costello, Fred Eaglesmith en John Wesley Harding. Net als die laatste beschikt hij over zo’n lekker melancholieke stem waarbij je je meteen net zo thuisvoelt als onder een warme donsdeken op een bar koude winteravond. Bovendien speelt de man ook een alleraardigst potje gitaar – iets wat hij trouwens ook al bewees op “Failer”, het debuut van zijn veelbelovende landgenote Kathleen Edwards eerder dit jaar. En da’s lang niet de enige connectie waarover de man blijkt te beschikken: ook een weinig bekendere Canadese musici als Lynn Miles en Jim Cuddy doen immers mee op “The North Side Benches”.

Op z’n best vinden wij Bryson in prachtige (alt. country) miniatuurtjes als “Elizabeth”, “Accidental Country Leaning” of “Captain Finch”. Als je bij het beluisteren van die liedjes je ogen dichtknijpt, dan heb je zo het gevoel dat Bryson even is komen overvliegen om ze speciaal voor jou alleen te zingen. Je voelt dan als het ware zijn aanwezigheid… Maar ook elders musiceert hij op een wel bijzonder hoog niveau. Zoals bijvoorbeeld in van emotie overlopende rootspoppareltjes als “Somewhere Else” en de aanstekelijke opener “Sleeping In Toronto”. Steeds weer zijn het daarbij dat twinkelende gitaarwerk en de innemende zang die van Brysons liedjes genadeloze oorwurmen maken en van “The North Side Benches” op de valreep nog één van de aangenaamste verrassingen van het jaar. Héél warm aanbevolen!

www.jimbryson.org

 

 

THE DEANNA VARAGONA TRIO

“The Goodbyes Have All Been Taken”

(Gadfly Records)

(4) J J J J

 

Deanna Varagona geniet vooral bekendheid als saxofoniste van Lambchop. Maar zoals dat wel vaker voorkomt bij artiesten van betrekkelijk succesvolle combo’s, beperkt ook zij zich niet uitsluitend tot de nestwarmte van die groep. In 2000 pakte ze al uit met een eerste soloplaat, “Tangled Messages”. En nu is er nummer twee, “The Goodbyes Have All Been Taken”. Daarop ontpopt Varagona zich verder tot een zangeres van het kaliber van een Kelly Hogan, een Sally Timms of ook wel een Neko Case. Op een werkelijk beklijvende manier baant ze zich een weg doorheen 12 vaak enigszins zwaarmoedig aandoende alt. country-liedjes. Niet dat “The Goodbyes Have All Been Taken” daardoor een sombere bedoening wordt, hoor. Wij voelen er ons integendeel op een vreemde manier door aangetrokken, zoals eerder dit jaar bijvoorbeeld ook door het werk van Jesse Sykes.

Varagona mocht voor de opnames van haar jongste album ondermeer rekenen op de inbreng van Robert Lloyd (Steve Wynn, Pine Valley Cosmonauts) en enkele van haar Lambchop-collega’s. Muzikaal gezien staat het dan ook allemaal als een huis. Als wij op dit bijzonder geslaagde geheel zouden moeten gaan zoeken naar hoogtepuntjes, dan zouden vooral het ingetogen rootspopkleinood “Folding The Clothes”, het ook al van sprankelend snarenwerk voorziene “Hollow Town”, de passioneel gezongen opener “Faye Got Lost” en het werkelijk wonderschone, zachtjes voortschuifelende “Angel On His Knee” een grote kans maken om te worden aangeduid. Maar eigenlijk is dit gewoon een plaat die in haar totaliteit je aandacht meer dan waard is!

www.gadflyrecords.com

 

 

JABE

Drama City

(Woodeye? Records)

(3.5) J J J J

 

High energy alt. country, da’s zowat de meest adequate omschrijving die wij konden bedenken voor het stoeiwerk van Jabe op de CD “Drama City”. Van bij de bijzonder gedreven opener “Those Times Are Over” overrompelen Jabe Meyer en de zijnen je daarop met een bruisende cocktail van met een duidelijke punkattitude gezegende rootsrockliedjes. Het ene moment lonken daarbij Shane MacGowan en de Pogues duidelijk even om het hoekje (zoals in “Kelly McGuire”), het andere zijn dat eerder geestesverwanten als The Gourds of The Hangdogs (in “Crazy Anne Marie” bijvoorbeeld). Al geldt in beide gevallen, dat hier toch wel enkele versnellingen hoger gemusiceerd wordt. En als het tempo toch al eens even naar beneden mag, zoals voor de beroerd aflopende love story “Cold Cold Wind”, dan laat Meyer horen een aardig potje twang uit zijn gitaar te kunnen knijpen. Fingerspitzengefühl heet dat dan…

“Drama City” wordt als dubbel-CD aan de man gebracht. Het ene schijfje staat garant voor een wild feestje, het andere voor een heleboel extra lekkers. Zo kan je ondermeer ook beeldmateriaal bekijken van de liedjes “Cold Cold Wind”, “Stupid Boy” en “Those Times Are Over” en tref je in gecomprimeerd formaat ook nog de nummers “Prison Song”, “Face For Radio (Live)” en “It’s Time To Go (Live)” op dat tweede schijfje aan. Veel fijne waar voor weinig geld dus! Als dat geen verkoopsargument is…

www.jabe.net

 

 

JOSH LEDERMAN Y LOS DIABLOS

“It’s A Long And Lonely Time Until The Train Will Bring You Home”

(Nine Mile Records)

(3.5) J J J J

 

The Kings of Irish-Jewish folk-punk noemen ze zichzelf, deze Josh Lederman Y Los Diablos. En eigenlijk is daarmee al veel, zoniet alles over hen gezegd. Lederman en zijn kornuiten combineren op “It’s A Long And Lonely Time…” immers elementen uit blues, bluegrass, rock en vooral ook Ierse folk en klinken daarbij vrijwel voortdurend als een Americana-uitvoering van The Pogues. De opvallende stemgelijkenis tussen Lederman en Shane MacGowan zal daar allicht wel niet helemaal vreemd aan zijn. Maar ook de tomeloze energie waarmee dit stelletje ongeregeld quasi dronken verhalen over gebroken harten en de gevolgen van dien opdist, wijst duidelijk in dezelfde richting. Live moet dit hoegenaamd onweerstaanbaar zijn! Als je deze zes knapen ‘m furieus van jetje hoort geven in het spetterende “The Northern Wind” of in de lekker ouderwets aandoende instrumental “The Moosejaw Express”, dan gaat al snel een zeker euforiegevoel overheersen en is een feestje niet veraf meer…

www.coffeestainmusic.com

 

 

TONI PRICE

“Born To Be Blue”

(Antone’s Records / TMG / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Voor de opnamen van haar zesde CD “Born To Be Blue” had Toni Price dolgraag een beroep willen doen op de talenten van haar maatje Champ Hood. Maar diens plotse overlijden kwam roet in het eten gooien. Voor Price werd haar nieuwe album daardoor zoiets als haar muzikaal afscheid van een goede vriend, aan wie ze trouwens ook daadwerkelijk een nogal emotionele brief richt op het CD-hoesje.

Voor de productie van “Born To Be Blue” deed Price een beroep op Derek O’Brien. En die zag hoe zijn broodvrouw in het gezelschap van kanjers als Rich Brotherton, James Burton, Casper Rawls, Lisa Pankratz, Cindy Cashdollar, Kevin Smith en Warren Hood, om er maar een paar te noemen, regelmatig weer de sterren van de hemel zong. Gezien de entourage zal het nog nauwelijks verbazing wekken, dat “Born To Be Blue” is uitgegroeid tot een op-en-top “Texaanse plaat”. Nu eens swingend als de pest (zoals in “Black And Blue Heart” of “Get The Hell Outta Dodge”), dan weer ingetogen stralend (zoals in de pakkende opener “Beautiful Garden” of in het door Gwil Owen gepende tweetal “Not Coming Home” en “One Of These Lonely Days”). Het ene moment lekker bluesy (zoals in het beklemmende “Tennessee Whiskey” of het luie, heerlijk laid back aandoende “Clouds”), het andere volop lonkend naar de harten van Americanaliefhebbers (zoals in het knisperende, door Casper Rawls gezongen “Blue River” en het van Champ Hood geleende “Sad As It Seems”). Al bij al een behoorlijk gevarieerd geheel, dat zowel de liefhebbers van de blueskant van Toni Price, als die van haar meer eclectisch ingesteld alter ego zou moeten kunnen bekoren.

www.toniprice.com

www.sonic.nl

 

 

DEREK

“Night Nurse”

(Onoma / Distrisound)

(3.5) J J J J

 

De naam Derek doet bij velen nog steeds vooral een belletje rinkelen dankzij één van zijn allereerste muzikale wapenfeiten, met name de aanstekelijke single “Oh By The Way”, waarmee hij in ’89 nauwelijks uit de ether weg te branden was. Maar de man daar nu nog op blijven vastpinnen is hem eigenlijk schromelijk tekortdoen. Na de split van zijn toenmalige groep Derek & The Dirt in 1993 dook hij immers achtereenvolgens op bij gezelschappen luisterend naar namen als Weez!, Onomatopee, Derek & Vis, Pilgrim en Het Gespuis. En in het voorjaar van 2002 verscheen met “The Palace Of Love” ook al een eerste soloalbum.

En nu is er met “Night Nurse” dus de bijzonder knappe nummer twee. Een collectie songs die we van harte durven aan te bevelen aan de liefhebbers van gepatenteerde nachtbrakers als een Elliott Murphy of een Tom Waits. Nummers met een bij momenten bijzonder hoog rootsgehalte als het ondanks zijn sombere tekst dartel voorthuppelende “I Drown In Our Bed” of het ingetogen, een weinig Dylaneske “Woman Ideas” behoren zondermeer tot het allerbeste wat we dit jaar van eigen bodem te horen kregen. En ook het speelse “Little Baby”, het in Tom Waits gedrenkte “Bloodstain Partout”, het opgewekte, volop tot meezingen uitnodigende “Do You Want Me?” en het passionele sluitstuk “I Go Now My Love” zijn bijzonder sterke songs van een liedjesschrijver voor wie België stilaan een beetje te klein begint te worden. In plaats van je zuurverdiende centen neer te tellen voor een zoveelste best of kan je dit eindejaar dus misschien eens wat kwaliteit van eigen bodem in huis halen – je kan er alleen maar wel bij varen.

www.derekmusic.be

 

 

LORNA HUNT

“Sentimental Bedlam”

(Milo Productions / Inbetweens Records)

(3) J J J

 

Sinds jaar en dag droomde ze ervan een plaat in te blikken met haar grote muzikale held David Willey (Hamster Theater). En met “Sentimental Bedlam” ging voor Lorna Hunt die droom nu ook daadwerkelijk in vervulling. Een heel jaar lang moest ze ervoor heen en weer pendelen tussen haar eigen woonplaats in Santa Barbara, CA en die van Willey in Boulder, CO, maar dat had ze er natuurlijk graag voor over.

De vrucht van beider samenwerking is een enigszins bevreemdend, wat mysterieus aandoend album dat overkomt als een soort fusie van progressieve rockelementen met meer naar het passionele neigende alt. folk. Nu eens uitkomend in de buurt van een schoon voorbeeld als P.J. Harvey, dan weer melodieuzer en dan heeft het allemaal wel iets van het kalmere werk van Bettie Serveert of van de meer experimentele stuff van Suzanne Vega. Lorna Hunt heeft in elk geval een bijzonder performante stem, die in geen geval hoeft onder te doen voor die van de zo-even opgesomde bekendere namen. En “Sentimental Bedlam” is een album dat heus niet alleen aan Ctrl. Alt. Country-lezers besteed zal blijken. Zo’n nummer als het breekbare “Mustard Fields” bijvoorbeeld kan wat ons betreft zo op StuBru. Aan passie geen gebrek hier…

www.lornahunt.com

www.inbetweens.com

 

 

JENNIE STEARNS

“Angel With A Broken Wing”

(Bloom Productions / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

Toen we ‘t hier eerder dit jaar hadden over haar jongste CD “Sing Desire” noemden we Jennie Stearns nog liefdevol één van de best bewaarde alt. country-geheimen van het ogenblik. Ondertussen is die uitspraak echter compleet achterhaald. Enige tijd later pikte het volop aan de rootsweg timmerende Nederlandse Lucky Dice-label de plaat in kwestie immers op. Een geslaagde promotiecampagne leidde tot jubelende recensies en airplay alom en Stearns groeide op die manier binnen de kortste keren uit tot één van de sweethearts van het rootsminnende deel van de Lage Landen.

Een logische volgende stap is dan natuurlijk het heruitbrengen van het oudere materiaal van Stearns. Ook dat was tot op heden immers niet echt makkelijk verkrijgbaar hier. En de eerste in het rijtje die daarbij aan de beurt komt is de CD “Angel With A Broken Wing” uit 1998. Ook daarop bekoren de aanpak en de stem van Stearns al volop. En ondanks het feit dat het productioneel allemaal nog relatief dunnetjes klinkt, vermag ze dan ook al enkele behoorlijke tikken uit te delen. Mooie staaltjes van haar kunnen zijn bijvoorbeeld het zacht voortstruinende titelnummer onmiddellijk bij het begin van het album en de rustige country rock van “Holding On”. Beide nummers laten – zoals de meerderheid van de hier aanwezige liedjes trouwens - een zelfverzekerde zangeres aan het woord horen met een stem die enigszins herinnert aan die van Aimee Mann. Heel mooi zijn ook het desolaat aandoende “Caroline” (met knap gitaar- en accordeonwerk van respectievelijk Rich Stearns en Peter Dodge) en het al even melancholiek ingekleurde “Georgia Pine”.

De conclusie die zich uit het voorgaande laat trekken is nogal voor de hand liggend: wat ons betreft mogen alle eerdere platen van Stearns (Ook die met Rich!) zo snel mogelijk worden heruitgebracht. Want de essentie van onze woorden naar aanleiding van “Sing Desire” blijft natuurlijk wel van kracht. Jennie Stearns verdient het gewoon om net als bijvoorbeeld ook een Lucinda Williams in elke zichzelf respecterende alt. country-collectie een eigen vast stekje te krijgen.

Knappe plaat!

www.jenniestearns.com

www.luckydice.nl

 

 

JOHNNY CASH

“Unearthed”

(American / Lost Highway / UMG)

(5) J J J J J

 

Terwijl de jaarlijstjes de jongste weken her en der als paddenstoelen uit de grond bleven schieten, wachtten wij van onze kant ongeduldig op die ene zo buitengewoon veelbelovende verzameling om het onze te kunnen completeren: het lijvige testament van wijlen Johnny Cash. Met pijn in het hart vernamen we dan ook, dat de release ervan enige weken vertraging opliep. Daar waar het geheel in de States al wél enkele weken verkrijgbaar was, moesten wij een bestelling ervan in eigen land bekopen met ruim drie weken van extra nagelbijten. Maar geloof ons vrij, het wachten is meer dan de moeite gebleken!

Samen met Rick Rubin, de man die een fikse bijdrage leverde tot wat uiteindelijk zijn laatste artistieke jeugd zou blijken, vatte Cash nog voor zijn dood de idee op om ook het restmateriaal van de “American”-sessies in boxvorm aan zijn fans aan te bieden. Daarbij wordt gewerkt rond drie thema’s: “Who’s Gonna Cry”, “Trouble In Mind” en “Redemption Songs”. Het vierde en vijfde deel van de set zijn respectievelijk het op het gebedenboek van zijn moeder geënte “My Mother’s Hymn Book” en een verzameling van de hoogtepunten van de vier tot op heden verschenen CD’s in de “American”-reeks. Daarnaast bevat dit bevallige doosje twee prachtige ingebonden boekwerkjes met ondermeer behoorlijk wat exclusief fotomateriaal van The Man In Black en de nodige achtergrondinformatie bij elk van de tracks.

Samengevat worden ons hier maar liefst 64 tracks geserveerd die nooit eerder het daglicht mochten aanschouwen. Daaronder bevinden zich opnieuw enkele opvallende samenwerkingen. Met de ondertussen ook al wijlen Joe Strummer van de Clash tekent Cash voor een bloedstollend mooie uitvoering van Bob Marley zaligers “Redemption Song”. Met Fiona Apple gaat hij dan weer voor een beklemmende versie van Cat Stevens’ “Father And Son”. En met Nick Cave, met wie hij eerder al Hank Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry” opnam, neemt hij ditmaal de traditional “Cindy” door. Verder duiken ook Tom Petty (voor “The Running Kind”), rockabilly-legende Carl Perkins (voor “Brown-Eyed Handsome Man”) en collega’s Willie Nelson en Glen Campbell (voor respectievelijk “Like A Soldier” en “Gentle On My Mind”) op.

Enkele opvallende songkeuzes zijn het Neil Young-tweetal “Pocahontas” en “Heart Of Gold”, Jimmie Rodgers’ “T For Texas”, Steve Earle’s “Devil’s Right Hand” en Billy Joe Shavers “Old Chunk Of Coal”. Maar eigenlijk moet je hier niet gaan zoeken naar dingen die opvallen. Dit aandenken moet je gewoon als één -bij momenten bijzonder- pakkend geheel benaderen. De “restjes” van Cash blijken immers van een ongelooflijke kwaliteit. Dit materiaal doet hoegenaamd in niets onder voor de vier vorige “American”-platen van de man. Integendeel!

Als je iemand een heel groot plezier wil doen zo rond Kerstmis, dan lijkt dit ons dan ook de aangewezen manier… Essentieel gewoon! Kippenvel bij tijd en wijle gegarandeerd…

www.americanrecordings.com

www.losthighwayrecords.com

 

 

LIBBY KIRKPATRICK

“Goodnight Venus”

(Heart Music)

(4) J J J J

 

Libby Kirkpatrick is een momenteel in Austin, TX woonachtige liedjesschrijfster met een aan Edie Brickell, Shawn Colvin, Suzanne Vega en Rickie Lee Jones herinnerende stem en repertoire. Met “Goodnight Venus” is ze inmiddels al aan haar derde album toe. En toch betreft het hier vreemd genoeg haar studiodebuut. Daarop krijgt ze hulp van een hele waslijst kanjers van muzikanten als drummers Jerry Marotta (Peter Gabriel, Sarah McLachlan) en J.J. Johnson (Doyle Bramhall II, Neil Finn), bassiste Sara Lee (B-52’s, Indigo Girls, Ani DiFranco), gitarist Mitch Watkins en collega-zangeres Abra Moore. Voor de productie tekende ze overigens zelf.

“Goodnight Venus” is een prima singer-songwriterplaat van het type “File under: folk rock”. Desondanks zullen ingetogen beauties als “Jenny’s Eyes”, “Crying” en “Circus” of sprankelende, hitgevoelige deunen als het titelnummer, “Vaulted Heart” en “Wake Me Up” ook bij de doorsnee Ctrl. Alt. Country-bezoeker vast wel in goede aarde vallen. Wij bleven er de jongste weken alvast opvallend vaak naar teruggrijpen. De expressieve stem en het verfrissende gitaarwerk van Kirkpatrick hebben immers iets verslavends over zich…

www.heartmusic.com

 

 

KELLY WILLIS & BRUCE ROBISON

“Happy Holidays”

(Boars Nest Records)

(3.5) J J J J

 

Het mooiste koppel dat muzikaal Texas rijk is, Kelly Willis en Bruce Robison, heeft met “Happy Holidays” eindelijk de gelegenheid gevonden om ook samen eens een album af te leveren. Het gaat daarbij om een zeven tracks tellende mini-kerst-CD, waarbij de twee beurtelings de vocale hoofdrollen voor hun rekening nemen en vooral ook voortdurend tonen hoe ze elkaar blindelings aanvoelen. Het is Willis die het zaakje aftrapt met een wel bijzonder wulpse versie van het klassieke “Santa Baby”. Vervolgens is er een prachtige Robison-uitvoering van het door R.B. Morris (Wat zou er van die man gekomen zijn?) gepende “A Winter’s Tale”. Met gelijk in het kielzog daarvan een al even mooie, ingetogen uitvoering van de Europese folkballade “In The Bleak Midwinter” door Willis. Toegegeven, het is rotsentimenteel allemaal, maar rond deze tijd van het jaar mag dat wel even, niet?

Hét snoepje van de plaat is het speelse, door Willis en Robison samen gezongen “Baby, It’s Cold Outside”. Een grappig en zacht swingend vraag-en-antwoordspelletje waarin de echtelieden nog eens laten horen, hoe complementair hun stemmen wel zijn. Robison croont zich aansluitend daarop een weg doorheen “The Christmas Waltz”. Terwijl “Please Daddy, Don’t Get Drunk” onvervalste honky-tonk blijkt. Een nummer van Bill Danoff dat de Texaan naar eigen zeggen ooit nog leerde kennen via een plaat van John Denver. Afgesloten wordt met een ongemeen mooie vocale prestatie van Willis in het alom bekende “Have Yourself A Merry Little Christmas”, waarbij onze gedachten beurtelings uitgingen naar K.D. Lang en naar een trits kerstplaten op het legendarische jazzlabel Blue Note.

Vermelden we tenslotte ook nog even, dat je dit CD’tje enkel via de websites van beide artiesten en een select aantal Amerikaanse winkels op de kop kan tikken.

www.brucerobison.com

www.kellywillis.com

 

 

DOUG KWARTLER

“Halfway House”

(Hollow Body Records)

(4) J J J J

 

Drukke dagen zijn het voor Doug Kwartler. Het kopstuk van het vanuit New York aan de weg timmerende roots rock collectief Foundry zag onlangs immers vrijwel gelijktijdig nieuw werk van zijn band en zijn eigen eerste soloplaat verschijnen. In vergelijking met “Give Me A Reason To Live”, de nieuwe worp van Foundry, is “Halfway House” naar eigen zeggen een stuk subtieler, persoonlijker en introspectiever. Wat overigens niet meteen wil zeggen, dat het hier om een van begin tot einde rustige plaat zou gaan. Integendeel! “Halfway House” is een gevarieerd roots rock album waarop Kwartler niet onder stoelen of banken steekt wie zijn grote voorbeelden zijn. Zelf noemt hij in dat verband Springsteen, Dylan, Petty, Farrar, Setzer en Guthrie, maar daar mag je wat ons betreft gerust ook namen als Tim Easton of de Jayhawks aan toevoegen. Dat vervolledigt het plaatje…

Al pickend leidt de beste man ons via het licht bluesy aandoende “You Were There” het album binnen. Vervolgens gaat het via het lekkere, aan Tim Eastons recente werk refererende rockertje “The Ride” (inclusief heerlijk harmonicaatje) over de rustig in Jayhawks-wateren voortkabbelende country rock van “Range” (met knap lap steel-werk van de je nog van de Blood Oranges bekende Mark Spencer) naar het volop naar respectievelijk Wilco en Uncle Tupelo lonkende tweetal “Morning Burn” en “Mars”. Let wel, al die verwijzingen naar anderen dienen hier enkel om aan te geven waar je Kwartler moet situeren, want ondanks zoveel invloeden is “Halfway House” toch een album geworden met een eigen gezicht.

De mooiste nummers zijn in onze ogen die waarin Doug Kwartler in de buurt van Bruce Springsteen gaat postvatten. Het door de wat ijl aandoende instrumental “Prelude” ingeleide, ingehouden “Places” is er zo eentje. Of het op dat o zo karakteristieke “I’m On Fire”-motiefje opgetrokken stukje melancholie dat “Feel Like Sleeping” heet. Of het afsluitende duo “Hometown Of My Own” en “Things We Never Mention”. Voor het eerste stond The Boss circa “Nebraska” model. Kwartler was snipverkouden toe hij het inzong en precies daardoor klinkt het allemaal nog net iets gruiziger dan elders. Heel mooi! Voor het tweede mocht er een twangy gitaartje van stal dat het liedje onderdompelt in het soort sfeertje dat ook Chris Isaaks materiaal nogal eens wil kenmerken. Kwartler bezingt hier op heel fraaie wijze de gedachten die zelfs in de beste relaties niet worden uitgesproken uit schrik voor de mogelijke consequenties ervan.

“Halfway House” is al bij al een heel knappe plaat, die hier nog bij elke draaibeurt aan spankracht lijkt bij te winnen. En we plakken er dan ook met veel plezier weer het label “Van harte aanbevolen!” op.

www.dougmusic.com

http://www.cdbaby.com/cd/kwartler

 

 

GUY SWINNEN

“Hard Times Revisited – Live”

(AMC)

(3.5) J J J J

 

Met z’n compagnons van The Scabs schreef Guy Swinnen vanaf het midden van de jaren tachtig een flink uit de kluiten gewassen hoofdstuk bij aan het geschiedenisboek van de Vlaamse rock. Met heerlijke singletjes als “Don’t You Know”, “Stay”, “Halfway Home”, “Crystal Eyes”, “Robbin’ The Liquor Store” en “Nothing On My Radio” en op zijn minst drie essentiële cd’s (“Skintight”, de klassieker “Royalty In Exile” en “Jumping The Tracks”) verdienden de vier zich al snel het koosnaampje de Belgische Stones. En wie daar achteraf beschouwd moeite mee zou hebben, moet er maar eens snel de compilatie “Hard To Forget” op naslaan. Ook jaren later blijken de nummers van Swinnen en co immers te staan als een huis. En als er daarna nog een bewijs zou dienen te worden geleverd van de capaciteiten van Swinnen, dan mag je er meteen de nieuwe cd van de man, “Hard Times Revisited – Live” achteraan gooien.

Na de split van de groep in 1996 ging het het boegbeeld van The Scabs niet echt meer voor de wind. Ondanks een knappe soloplaat (“Hazy”) verging het Swinnen zoals zoveel van zijn rockende Vlaamse spitsbroeders. Minder media-aandacht voor het genre en dus met z’n allen terug naar af. Maar dat weerhield Swinnen er niet van om heel gedreven aan de slag te blijven. Vorig jaar nog lanceerde hij met “Learning To Be Free” zijn nieuwe groep Jonesy. En ondertussen blikt hij tijdens de “Hard Times Revisited”-tour volop terug op zijn twintig jaar op de planken. Daarbij gaat zowel de nodige aandacht uit naar de Scabs-klassiekertjes van weleer, als naar de nummers van “Hazy” en zelfs gloednieuwe stuff. Wat deze tournee zo speciaal maakt, is de akoestische benadering van het materiaal. Samen met Jan Hautekiet (piano en Wurlitzer) en Andries Boone (mandoline, viool, banjo, accordeon en bouzouki) kleedt Swinnen de liedjes uit tot op het bot. En net zoals dat op de befaamde MTV Unplugged-platen van bijvoorbeeld een Eric Clapton, een Neil Young of Nirvana tot heel aardige resultaten leidde, zo ook klinken de nummers van Swinnen hier plots weer heel erg fris.

Al vanaf de beklemmende, enigszins desolaat aandoende opener “Pretty Stupid” is duidelijk, dat de wisselwerking tussen Hautekiet, Boone en Swinnen voor fraaie verrassingen kan zorgen. Zo klinken bekende Scabs-deunen als “Nothing On My Radio”, “Don’t You Know” en “Hard Times” totaal anders als hun oorspronkelijke uitvoeringen, maar vleien ze zich net als hun originelen als een kat op zoek naar genegenheid vrijwel onmiddellijk behaaglijk tegen je aan. Vooral de eigenaardige funky inslag van het laatste werkt daarbij enigszins bevreemdend. Net zoals het verwondering wekt om Swinnen “Coz I Luv You” te horen zingen. De man blijkt naar eigen zeggen in zijn jeugdjaren niet helemaal ongevoelig te zijn gebleven voor de hitkwaliteiten van de glamrockers van Slade. Een andere cover is het beklemmende, van de Canadezen van Junkhouse geleende “Burned Out Car”, dat Swinnen echt op het lijf geschreven lijkt. Het beklijvende pianowerk van Hautekiet en de creepy zanglijnen van Guy zelf doen dit nummer tot één van de hoogtepuntjes van het geheel uitgroeien. Al rekenen we daartoe zeker ook de melancholische piano-uitvoering van “Time” en krachtige versies van “Robbin’ The Liquor Store” en “Matchbox Car”.

Al bij al een plaat die Guy Swinnen terecht weer in de spots plaatst: tegelijk een mooie herinnering aan al weer lang vervlogen tijden en een knipoog naar zijn plots weer een stuk rooskleuriger ogende toekomst.

www.guyswinnen.com

 

 

THE HACKENSAW BOYS

“Keep It Simple”

(4.5) J J J J J

“Give It Back”

(3.5) J J J J

(Sonic Rendezvous)

 

Stel de Pogues tijdens het nuttigen van sloten bier wekenlang bloot aan de soundtrack van “O Brother, Where Art Thou?” en de kans is vrij groot dat ze dankzij deze subtiele hersenspoeling muzikaal gezien ergens in het kielzog van de Hackensaw Boys zullen belanden. Wat deze negen knapen uit het onooglijke stadje Charlottesville dicht in de buurt van de vermaarde Blue Ridge Mountains klaarspelen is (om het thema trouw te blijven) voorwaar geen klein bier. Als een priester met een veelbetekenende rode neus, een wazige blik in de ogen, een uren tegen de wind in naar de sterke drank stinkende adem en een behoorlijk onvaste hand voltrekken ze het nagenoeg perfecte huwelijk tussen old time-Americana snarenvirtuositeit en de momenteel in Alt. Country Land weer volop regerende spirit die herinnert aan de hoogdagen van de punkperiode. Retro, zeg je? Zeker weten! Maar dan wel met de blik op oneindig en ook anno nu volop genietbaar! Zoals bijvoorbeeld eerder dit jaar ook al The Old Crow Medicine Show en Chatham County Line hen dat voordeden, komen ook de Hackensaw Boys bijzonder verfrissend uit de hoek. Een instrumentarium bestaande uit respectievelijk een stel banjo’s, fiddles en gitaren, een accordeon, een dobro, een charismo, een double bass, een harmonica, een mandoline en een washboard en een aan die zoëven al aangesproken goeie ouwe no nonsense-attitude grenzende drang naar simpelheid monden op “Keep It Simple!” (Terechte titel!) uit in één van de knapste platen van het jaar. Een album waaraan zowel bluegrasspuristen als jonge honden met zin voor avontuur het nodige plezier zullen beleven. Het soort luistervoer waar op wilde feestjes  menig een pootje zal op worden gestrekt, daar kan je van op aan…

Wij hebben het vooral voor de momenten waarop even wat gas wordt teruggenomen, zoals het ergens halverwege Ierland en de Blue Ridge Mountains rondwarende dronken liefdesliedje “When You Said I Love You”, het melancholische “Leni” en het al even beheerst ingezette, maar in een dartel dansje rond het kampvuur uitmondende “Gypsy”. Het zullen wellicht echter wel net de andere nummers zijn die van de Hackensaw Boys ook in de Lage Landen een regelrechte sensatie kunnen maken: de speedgrass van opener “Dance Around” bijvoorbeeld, of het volop naar cajun geurende “Ruby Pearl” bijvoorbeeld ook. Je vraagt je af, wat een gezelschap als deze Hackensaw Boys teweeg zou kunnen brengen op een festivalweide ergens in Geleen, waar in het verleden ook al de hoger al vermelde Pogues en Rowwen Hèze leuke rootsfeestjes bouwden. De moeite van het overwegen waard, lijkt ons… Zeker ook afgaande op de prestaties die deze jolige bende laat bewonderen op het gelijktijdig met “Keep It Simple” ook door Sonic Rendezvous op de Benelux-markt gegooide live-album “Give It Back”. Daarop bevestigen ze eigenlijk al het goede wat we na “Keep It Simple” al aanwezig vermoeden, zij het dat hier op wat minder subtiele wijze tewerk wordt gegaan. Maar is het niet juist dat onvoorspelbare, dat aan live performances vaak net dat tikkeltje extra geeft, waardoor ze voor de aanwezigen zo onvergetelijk worden? Het moet alleszins een vreemd plaatje opleveren om deze bluegrassrambo’s te zien raggen op alles wat snaren heeft… Hopelijk snel eens ergens in de buurt! Want veel vitaler dan dat hier gebeurt kan je akoestische muziek ons inziens niet afleveren…

www.hackensawboys.com

www.sonic.nl

 

 

BILLY JOE SHAVER

“Try And Try Again – Live”

(Compadre / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Geruime tijd heeft het er flink naar uitgezien dat wie zich deze nieuwe van Billy Joe Shaver wou aanschaffen daartoe enkel en alleen bij zijn Amerikaanse label Compadre Records terecht zou kunnen. Gelukkig is men uiteindelijk toch nog vrij snel op die beslissing teruggekomen en is het schijfje nu zelfs in de Lage Landen makkelijker verkrijgbaar dan in de States zelf. De inspanningen van het onvolprezen verdeelhuis Sonic Rendezvous zijn daaraan allicht niet geheel vreemd.

Op “Try And Try Again” horen we Shaver afgelopen zomer live aan het werk in de studio’s van KUT-FM in Austin. Daar trad de man in het gezelschap van Jerry Hollingsworth (gitaar), Cornbread (bas), Mark Patterson (drums) en Bob Brown (gitaar, orgel, mandoline, harmonica en fiddle) aan voor een radiosessie. Dat wil zeggen in een behoorlijk sobere setting en voor een beperkte schare van echte fans. En zoals zo vaak levert dat net de prettigste momenten op. Vooral de prachtige, zuiders aandoende ballade “When Fallen Angels Fly” en het al even beklemmend mooie “Live Forever” gedijen optimaal in deze omgeving. Maar ook wat vlottere deunen als het met een flinke shot swing gezegende “Honky Tonk Heroes”, het immer groene “Old Chunk Of Coal” en het als vanouds gedreven klinkende “Black Rose” mogen er wat ons betreft best wezen.

Verder stoten we op nummers als “Try And Try Again”, “Georgia On A Fast Train”, “Hottest Thing In Town”, “You Wouldn’t Know Love”, “You Asked Me To”, “L.A. Turnaround”, “Tramp On Your Street” en “You Can’t Beat Jesus Christ”. Al bij al best wel een mooie aanvulling voor elke country- of Americanacollectie.

www.billyjoeshaver.com

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

RICHARD GILPIN

“33”

(RGM Recordings)

(4) J J J J

 

Van de Ier Richard Gilpin bespraken we hier eerder ook al de cd “Beautiful Mistake”. Toen al wezen we op z’n catchy liedjes die je van bij de eerste draaibeurt niet meer loslaten. We maakten er je op attent, dat Gilpin het beste uit genres als akoestische rock, country blues en traditionele Ierse muziek wist te versmelten tot een bijzonder aangenaam wegdrinkende cocktail. En in wezen is dat ook op de opvolger van die plaat, “33” (de leeftijd van Gilpin toen de opnames van het album werden aangevat), weer zo. Gelijk van bij de melodieuze, door een warm aanvoelende harmonica op gang geblazen opener “The Man On The Moon And Me” (over z’n geboortejaar ‘69 en opgroeien met de nodige ups en downs in een wel bijzonder turbulente omgeving) voelen we ons direct weer thuis in het muzikale universum van Gilpin. De man verstaat als geen ander de kunst om goed in het gehoor liggende Americanaliedjes te pennen. En met dat prachtige zachte Ierse accent van ‘m verleent hij aan zijn songs bovendien nog net dat ietsje extra. Heel wat van de nummers profiteren bovendien ook van het mooie Hammond-orgelwerk van Ted Ponsonby.

Uitschieters, vroeg je? Die zijn er met uitzondering van de hoger al aangesproken openingstrack in onze ogen eigenlijk niet echt. “33” is immers van een zeer gelijkmatige, constant hoge kwaliteit. Een plaat waarvan elk nummer eigenlijk probleemloos zo op de radio kan. Liedjes als het melancholisch voortkabbelende “You Won’t Let It Go”, het prachtige, van James McMurtry geleende “Levelland” en het verstilde “Share These Chains With Me” hebben zich alvast als teken aan een warme hondenhuid vastgezogen aan ons onderbewustzijn en het ziet er niet naar uit dat ze van plan zijn om vlug te lossen… Een plaat die het volop verdient om gehoord te worden!

www.richardgilpin.com

 

 

ALBERT AND GAGE

“At Anderson Fair”

(MoonHouse Records)

(4) J J J J

 

“At Anderson Fair” is episode nummer vier in de gemeenschappelijke lotgevallen van een voormalige bandleader van Jimmie Dale Gilmore en een oud-winnares van de Kerrville Music Award voor beste zangeres. We hebben het uiteraard over Christine Albert en Chris Gage en hun jongste worp, een op 16 november van vorig jaar in de befaamde folk club in Houston uit de titel ingeblikt live-album. Een heel mooi staaltje van de ongelooflijk hechte samenwerking waarvoor de twee bekend staan. Van hun stemmen zegt men wel eens dat ze wel voor elkaar gemaakt lijken. En dat is een uitspraak die je na het beluisteren van dit album alleen maar zal kunnen bijtreden. “High energy acoustic Texas folk / country,” noemen ze ’t zelf en dat is hoegenaamd geen woord teveel gezegd. In iets meer dan een uur passeren hier zoveel stijlen, dat je er bijna duizelig van gaat worden. Temeer omdat Albert en Gage zich zowat overal even goed in thuis lijken te voelen. Verbazingwekkend gewoon…

Van het licht bluegrass getinte openingsnummer “Full Moon Night” over de buitengewoon soulvolle, door de twee samen gebrachte ballade “How Can” tot de schitterende rockende cover van het al van de Pretenders bekende “Thumbelina” of het van een flinke injectie gospel bediende “Spirit Vision”, van de swingende country jazz van “Burnin’ Moonlight” over een ’n weinig aan onze eigen Vaya Con Dios herinnerende bewerking van de Leiber-Stoller-compositie “Black Denim Trousers” of een gevoelvolle benadering van de Gram & Emmylou-hit “Return Of The Grievous Angel” tot het kolderieke beeld dat van Duitsland wordt opgehangen in “Down In Germany”, het is en blijft voortdurend genieten geblazen.

Persoonlijk gingen wij helemaal overstag voor de schitterende Texafrance-bijdragen van Christine Albert. De heerlijke Piaf-polka “Mon Manège A Moi” en een bloedstollend mooie vertolking van “La Vie En Rose” versmelten twee zo totaal verschillende culturen als de Franse en de Texaanse op werkelijk onnavolgbare wijze. Een speciale vermelding daarbij trouwens ook voor het sprankelende accordeonwerk van Gage. De man lijkt werkelijk alles wat toevallig in z’n buurt rondslingert te willen bespelen… En over dat accordeon gesproken. Ook in het naar onze bescheiden mening moment suprème van de plaat, de intimistische Albert-compositie “Cold Hard Truth”, jaagt Gage daarmee de rillingen over onze ruggengraat.

“I must confess, that I still wish

It had been you, who gave that gift

But the cold hard truth is

It came from another man,”

zingt Albert ondertussen op een danig overtuigende manier, dat je je probleemloos in haar door twijfel gedomineerde gevoelswereld lijkt te kunnen inleven. Schitterend nummer gewoonweg!

Speciale vermeldingen tenslotte ook nog voor een lekker gedreven versie van het nummer “Dallas” van de hand van Gage’s oude broodheer Gilmore en voor de stomende boogie woogie van het afsluitende “Don’t Let Go”. Twee knappe slotakkoorden voor een werkelijk uitstekende cd die het beste van de actuele Texaanse muziekscène in de ruimste zin van het woord in zich geborgen weet.

www.albertandgage.com

www.moonhouserecords.com

 

 

DONAL HINELY

“We Built A Fire”

(Scuffletown Records)

(5) J J J J J

 

Bij het lezen van zijn naam dwaalden onze gedachten om de één of andere vreemde reden vrijwel meteen af naar het eeuwig groene Ierland. Dat bleek echter geen goede gok met betrekking tot de afkomst van Donal Hinely. We hebben immers te maken met een volbloed Texaanse singer-songwriter. En bij de opnames van het ambitieuze “We Built A Fire” mocht die onder de vakkundige leiding van producer David Henry (R.E.M., Cowboy Junkies, Josh Rouse) nogal wat getalenteerde muzikanten begroeten in de studio. De voornaamste van het stel is zeker gitarist Will Kimbrough, wiens ster dezer dagen uitermate snel rijzende is. Daarnaast lazen we op de bijsluiter ook nog de namen van Kim Richey, Mindy Smith (“Jolene”), Ken Coomer (Wilco, Swag), Dave Harrison (Edwin McCain), Tommy Williams (Matthew Ryan) en Fats Kaplin.

Hun gemeenschappelijke inspanningen leiden tot een juweel van een plaat, waarop de sowieso al rijkgevulde Texaanse traditie van storytellers er een nieuwe ent aan bij wint. Liefhebbers van bijvoorbeeld een Todd Snider, een John Prine, een Steve Earle, een Rod Picott, een Bruce Springsteen of een John Hiatt zullen bij Donal Hinely volop aan hun trekken komen.

Het openingsdrietal is meteen een dot van een hattrick. “Gasoline” is gewoon een heel mooi rootspopliedje over proberen te ontsnappen aan de sleur van een knagend dagelijks bestaan en over het geëigende middel daartoe. Het daaropvolgende “Drunkard Moon” is niks minder dan een klassieker in wording. In dit heerlijke staaltje van akoestische Americana storytelling maken we kennis met Joe en Rosetta, twee samen door het leven stappende dronkaards-zwervers, die in tegenstelling tot wat de uiterlijke schijn laat vermoeden een gelukzalig bestaan leiden. “They’ll be smiling tonight

Drowning in the light

In the light of a drunkard moon,”

zingt Hinely en je begrijpt meteen wat hij bedoelt. De zorgen van alledag hebben inderdaad geen vat op de twee protagonisten van dit perfecte liedje. En dan is er “These Are The Days”. Dat nummer schreef Hinely samen met Joe Scutella en met prachtig akoestisch snarenwerk van Will Kimbrough en engelachtige backings van soon-to-be-star Mindy Smith lijkt het in de verte op iets van The Boss.

En zo gaat het maar door. Je zal hier vruchteloos zoeken naar ook maar één enkel minder moment. Bloedmooi vonden wij bijvoorbeeld ook nog het met Trent Summar gepende “4225 Wellington Arms”, dat dankzij de fraaie steelaccentjes die levende Nashville legende Fats Kaplin hier en daar aanbrengt ook al tot ver boven zichzelf uitgroeit. En opnieuw met zo’n ongelooflijk mooie tekst ook. Daarin neemt een met zichzelf in conflict liggende man afscheid van een nog slapende gescheiden vrouw waarmee hij zopas de nacht heeft doorgebracht. Hij stopt zijn laatste 20 dollar in haar broekzak om zijn geweten te sussen, maar diep in zijn binnenste blijft hij het zichzelf verwijten dat hij haar en haar kinderen niet meer te bieden heeft. Kippenvelmomentje!

Zoals bijvoorbeeld ook “Promise Of A Dream” er nog eentje is. Opnieuw zo’n prachtig ingetogen liedje, opgehangen aan een wel bijzonder veelzeggende passage:

“All that glitters is not gold.

There’s more to the story than we are told.

We’re born and we die and somewhere in between

we get by on the promise of a dream.”

Zelden een accuratere samenvatting van het leven gehoord…

En dan willen we ‘t ook nog even hebben over het sterk aan het werk Rod Picott en Slaid Cleaves herinnerende tweetal “Easier” en “Henry Ford”. In het eerste van die twee heeft Hinely het in het gezelschap van Kim Richey over zijn artiestenbestaan:

“Me, I don’t like workin’ much

It don’t agree with me somehow

But I love to play this guitar

I love that deep and hollow sound

It’s just easier to pick it up than it is to put it down”

In het tweede, ook al met Richey in de buurt, zorgen Fats Kaplin op z’n fiddle en Johnny Bellar op z’n dobro voor een mooi uitgebalanceerde Americana-omgeving, waarin Hinely een beetje zoals een John Prine met weemoed terugblikt in het verleden, naar de dagen van voor de wagen,

“When we were moved by beauty

Not Henry Ford.”

Richey komt dan nog één keer voorbij om samen met Hinely met het titelnummer deze formidabel mooie plaat af te sluiten. Een rustig coda wordt het met even zelfs een zweempje Beatles in de lucht.

Een echte revelatie!

www.donalhinely.com

www.pastemusic.com

www.cdbaby.com

 

 

DAVE MURPHY

“Chasing Ghosts”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4.5) J J J J J

 

Eén van de platen waar wij de voorbije weken het vaakst naar hebben teruggegrepen is “Chasing Ghosts”, de tweede van de uit Montclair, New Jersey afkomstige singer-songwriter Dave Murphy. Gezegend met een zachte, een weinig melancholisch aandoende bariton en een trefzekere pen werpt de man zich op zijn nieuwe cd op als een boeiende gids op een fascinerende tocht doorheen Rootstown. Country, Americana en folkrock versmelten bij Murphy tot één smaakvol geheel en zijn knappe teksten vormen daarbij de spreekwoordelijke kers op de taart. Liedjes als het met ouwe getrouwe Steve Forbert ingezongen “Quarter Moon Missing”, het van melodie aan Bruce Springsteens “I’m On Fire” herinnerende titelnummer of de heerlijke sleper “Take A Ride With Me” (met betoverend mooi accordeonwerk van Neil Thomas) behoren ontegensprekelijk tot het mooiere werk dat wij dit jaar al te horen kregen.

Wat ons betreft is dit dan ook een aanrader van jewelste. Zeker voor mensen die wel eens een plaatje van schoon volk als Rod Picott, Slaid Cleaves, Eric Westbury of Bruce Springsteen plegen op te leggen. Americana van de bovenste plank gewoon!

www.murphyworld.com

www.cdbaby.com

 

 

JACK INGRAM

“Live At Billy Bob’s Texas

(Smith Music Group)

(4) J J J J

 

Het grenst werkelijk aan het ongelooflijke hoeveel live-albums er de jongste maanden vanuit Texas op ons werden losgelaten. Sommigen zoeken een reden voor die forse toename van het aantal concertregistraties in een tanende platenverkoop. Nu mag dat wellicht als één van de redenen worden ingeroepen, maar wij van onze kant geloven alvast niet, dat dat de enige reden is. O.K., het is een stuk goedkoper om een live-plaat in te blikken, dan de studio in te trekken en er je zuur verdiende centen door te jassen. Maar dan zouden het eerder “de kleintjes” moeten zijn die zich van deze sluipweg bedienen en dat blijkt alsmaar minder het geval.

Jack Ingram zouden wij alleszins niet direct als een kleintje durven bestempelen. In zijn thuisstaat Texas is de man immens populair en net als Bruce en Charlie Robison en Pat Green mocht ie zelfs al even proeven van mainstream succes. En eigenlijk is ‘m dat van harte gegund ook. Het is immers moeilijk om niet van de muziek van deze knaap te houden. Net als de songs van Robert Earl Keen en Pat Green nestelen die van Jack Ingram zich in een handomdraai knus in je onderbewustzijn, om daar vervolgens niet snel meer uit te verdwijnen. En bovendien is de man een bijzonder innemende podiumpersoonlijkheid. En dat is dezer dagen in de Lone Star State vereiste nummer één om je platen aan de man gebracht te krijgen. En daarin schuilt volgens ons dus de voornaamste reden voor die geweldige stortvloed aan live-albums de laatste tijd. “Live At Billy Bob’s Texas”, het hier ter bespreking voorliggende exemplaar van Jack Ingram, maakt zelfs deel uit van een heuse reeks, waarin eerder ondermeer ook al Merle Haggard, Pat Green, Cooder Graw, Jason Boland & The Stragglers, Kevin Fowler, Deryl Dodd, Asleep At The Wheel en Cross Canadian Ragweed een stek kregen. (Een indrukwekkend lijstje dat gewoonweg schreeuwt om verdeling in de Lage Landen, als je ’t ons vraagt!) Billy Bob’s in Fort Worth gaat er prat op ’s werelds grootste honky tonk te zijn. En de nog relatief jonge reeks cd’s fungeert daarbij als het ideale uithangbord natuurlijk. Kwalitatief gezien blijkt het ook steeds om uitstekend materiaal te gaan. De klankkwaliteit is voortreffelijk en de artiesten weten dat ze ‘m serieus van jetje moeten geven als ze het publiek willen inpalmen. En dat gebeurt derhalve ook.

Jack Ingram is alvast meteen bij de les met de superaanstekelijke meezinger “We’re All In This Together”, één van zijn beste nummers vinden wij persoonlijk. Met zijn lekker strak spelende Beat-Up Ford Band, bestaande uit Jens Pinckernell (elektrische gitaar), Pete Coatney (drums), Chris Masterson (elektrische en mandogitaar), Robert Kearns (bas en achtergrondvocalen) en Bukka Allen (piano en Hammond B3 orgel), laat hij gelijk weten er duidelijk zin in te hebben. Iets wat ook de aanwezige muziekliefhebbers niet ontgaat en een buitengewoon warm onthaal tot gevolg heeft. Ingram zwoegt zich vervolgens een weg doorheen een set gekruid met zijn eigen “klassiekers” en een occasionele cover van het werk van anderen. In die laatste categorie springen vooral de showstopper “Are You Sure Hank Done It This Way?” en een bijzonder gedreven uitvoering van het hier vooral in de versies van de Flying Burrito Brothers en de Beat Farmers bekende “Dim Lights, Thick Smoke (And Loud, Loud Music)” in het oog. In de eerste zijn het ongelooflijk knappe songs als “Beat Up Ford”, “Flutter”, “Nothing Wrong With That”, de oercountry van “Ghost Of A Man” en vooral ook de briljante rootspop van “A Little Bit”, die je ademloos achterlaten. We hebben het hier wel eens eerder verkondigd, maar deze man behoort gewoon tot de absolute top. Niet voor niets leende Steve Earle zich ertoe één van Ingrams platen te produceren. En dat geeft meteen ook aan, wie zich tot deze plaat aangetrokken mogen voelen.

We hebben er, zoals hoger al gesteld, een massa voorgeschoteld gekregen, maar deze van Jack Ingram behoort zonder ook maar de minste twijfel tot de leukste live-platen van het jaar. En dat wil, gezien die enorme hoeveelheid, echt wel iets zeggen!

www.jackingram.net

www.liveatbillybobs.com

www.billybobstexas.com

www.smithmusic.com

 

 

THE DAM COMBO

“Another DAM CD”

(Running Time)

(3.5) J J J J

 

The DAM Combo is een drie man sterk gezelschap uit South Carolina, bestaande uit Annabelle (zang, percussie en harmonica) en Matt Ranck (zang, tal van gitaren en harmonica) en Don McGraw (bas en keyboards). Op hun eerste cd staat hoegenaamd alles in het teken van Americana pur. Hoewel opgenomen met minimale middelen wordt op dit debuut gegrossierd in ijzersterke rootsliedjes die binnen het al aangehaalde Americanagenre een enorm oppervlak beslaan. Zelf gewagen ze van invloeden van alles tussen Woody Guthrie en Wanda Jackson: van blues tot folk, van pop tot rock en terug.

Opener “Forest For The Trees” is zo bijvoorbeeld knappe singer-songwriter stuff met Annabelle Ranck stemgewijs in de kijker. Terwijl “They Closed Down The Mill” een sublieme story song blijkt, waarin Matt op zijn beurt de vocalen voor zijn rekening neemt. Thema is de plotse sluiting van de 100 jaar oude Spartan Industries. Een ander hoogtepuntje is het liefdesliedje “In My Arms”, misschien wel het allermooiste nummer van deze cd. Daarin stelt opnieuw Matt zich zeer kwetsbaar op. En zo gaat het eigenlijk voortdurend heen en weer. Nu eens treffen we Matt Ranck achter de microfoon aan, dan weer Annabel. Een beetje zoals we dat ook wel kennen van Chris en Carla van de Walkabouts. Met wie dit gezelschap trouwens wel meer gelijkenissen vertoont … Luister bijvoorbeeld maar eens naar het messcherpe rockertje “Black Turns To Grey”, een nummer dat resideert in het gouden driehoekje tussen Warren Zevon zaliger, de Triffids en de Walkabouts. Excellente rootsmuziek met andere woorden. En dat geldt zeker ook voor de eigenlijke afsluiter van dit album, het springerige kerstliedje “Cradle & The Star”, waarvoor de drie hulp kregen van Michael Reno Harrell op de mandoline. En wat verderop zit als bonus ook nog een lekkere lo-fi aanval op “Blister In The Sun” verstopt.

“Another DAM CD” is de perfecte illustratie bij de stelling, dat minder vaak juist meer is. Sterke rootsliedjes zoals die van de Rancks hebben voldoende aan een schaarse aankleding om volop te kunnen overtuigen. Zeker als ze op een dergelijke gedreven manier als hier worden gebracht. De muziek van de DAM Combo wordt dan ook terecht de hemel in geprezen door gerespecteerde collega’s als Greg Trooper en David Childers. Nu jij nog…

www.damcombo.com

www.running-time.com

 

 

WALTER CLEVENGER & THE DAIRY KINGS

“Full Tilt & Swing”

(Brewery Records)

(4.5) J J J J J

 

Toen wij voor ‘t eerst “The Fool Who Used To Be” van Walter Clevenger & The Dairy Kings hoorden, meenden we te maken te hebben met iets nieuws van Marshall Crenshaw. Net als die Crenshaw blijkt Clevenger immers een meester in het pennen van nagenoeg perfecte rootspopdeunen. Lekker wegjengelende gitaartjes, sfeervolle steel-accenten, een schijnbaar achteloos gehanteerde harmonica, het zijn maar een paar van de ingrediënten die van ’s mans derde cd “Full Tilt & Swing” zo’n plaat maken die je met plezier steeds weer blijft boven halen.

Als het een weinig aan de hoogdagen van Rockpile herinnerende “Supermarket Checkout Queen” uit de speakers spat, wordt het in een handomdraai een beetje zomer. De leukste liedjes stoelen dan ook vaak op de simpelste tekstuele ingevingen. Zoals een stevige boon hebben voor dat mooie meisje aan de kassa van de supermarkt bijvoorbeeld… Ook knap, het gedreven van zich af bijtende rootsrockertje “Not Gonna Bend”, waarin Clevenger over een bed van twangy gitaartjes weg verkondigt “I’m not gonna bend for things that I don’t believe in”. En zolang als de man platen van dit kaliber blijft afleveren, kunnen we alleen maar hopen dat hij de daad ook effectief bij het woord voegt. Clevenger voltrekt immers het perfecte huwelijk tussen sterk ritmische old school country met bij momenten Beatleske melodielijnen en rootspop van het soort waarvoor we jarenlang steeds weer op de hoger al genoemde Marshall Crenshaw, een Nick Lowe of ook wel een Tom Petty of een Steve Earle aangewezen waren. Dat geeft aan, hoe hoog we de man wel inschatten.

Eén keer luisteren naar heerlijk weghappende twangpareltjes als “Love Don’t Mean Anything”, “Fast As I Can”, “Jonathan Doe” of “Stronger Than That” en ook jij zal niet meer zonder willen. Wedden?

www.walterclevenger.com

www.milesofmusic.com

 

 

KEITH NORRIS

“Deuce”

(Tektonic Records)

(2.5) J J J

 

De wind heeft waarschijnlijk niet helemaal juist gezeten, toen hij ervoor zorgde dat dit op onze schrijftafel belandde. Alles op het hoesje van “Deuce”, de tweede cd van de jonge Keith Norris ademt nochtans veelbelovend het Lone Star State-gevoel uit. Het royaal aanwezige rood, wit en blauw en de alom bekende ster kunnen echter niet vermijden, dat bij het beoordelen van deze plaat wat ons betreft de balans een weinig teveel overhelt in de richting van wat ook in Nashville zou kunnen scoren. Nummers als opener “Hurt Me All The Time”, “Heaven Hell Or Houston” en “Fishin’ In A Hurricane” wijken in essentie niet veel af van wat dezer dagen overvloedig de country-hitlijsten vult. Zij het, dat we ter verdediging van Norris kunnen aanvoeren dat zijn materiaal dichter bij dat van pakweg een Brad Paisley of een George Strait aanleunt, dan bij dat van een Toby Keith. En dat betekent, dat er inderdaad ook wel een paar aanvaardbare songs op “Deuce” aan te wijzen vallen. Aan wie zijn country graag wat commerciëler heeft, zouden we het door Mark Nesler en Tony Martin aangedragen “How High Did You Go”, het zwierige, meer dan zomaar een klein beetje aan Strait verwante “Should I Take That As A No” en het veelzeggend getitelde “Two Step Program” zelfs durven aanbevelen. Maar de kans dat wie deze pagina’s regelmatig bezoekt tot die categorie van muziekliefhebbers behoort, lijkt ons eerlijk gezegd eerder klein…

www.keithnorris.com

 

 

VAN WILLIAMS

“Hillbilly Diamonds Vol. 1”

(Trash Tone Records)

(3.5) J J J J

 

Wie authenticiteit hoog in het vaandel voert, heeft een hele kluif aan “Hillbilly Diamonds Vol. 1” van Van Williams. Williams werd immers jarenlang aanzien als “Amerika’s voornaamste leverancier van Jimmie Rodgers-muziek”. Maar eigenlijk is hij veel meer dan dat. Zijn kennis van en voorliefde voor klassieke traditionele country- en folkliedjes bezorgden hem een loyale achterban. Fans voor wie de combinatie van Williams’ stem en zijn sobere akoestische gitaarspel volstond om een stukje ver verleden te laten herleven. Want dit mag je voorleggen aan om het even wie die niet met ’s mans muziek vertrouwd is, gegarandeerd zullen de gedachten afdwalen naar de jaren dertig à veertig. Nochtans werden deze songs door Williams pas veel later - ergens aan het eind van de jaren ’70 - aan tape toevertrouwd. Via zelf opgenomen cassettes circuleerden ze jarenlang onder een schare van devote fans. En dankzij de Duitse DJ-producer Lord Litter belandden ze onlangs nu ook voor ’t eerst op cd. Voor amper 7 euro kan je bij de man zelf een exemplaar bestellen via het hieronder opgegeven adres. In ruil voor dat schamele bedrag is het dan volop genieten geblazen van beauties als “Does Fort Worth Ever Cross Your Mind”, “Vagabond Dreamer”, “Blue Yodel (Lucille)” en “Old Pal Of My Heart”. Zestien songs in totaal die staan voor een ouderwets lekkere luistertrip. De titel blijkt in dit geval immers een vlag die haar lading volop dekt: hillbilly diamantjes zijn het inderdaad ook… (En voor wie na deze eerste lading zou hongeren naar meer, een tweede volume werd ondertussen ook reeds aangekondigd. ’t Is maar dat je het weet!)

www.lordlitter.de

Lord Litter, Dittmar, Pariser Straße 63, 10719 Berlijn, Duitsland.

 

 

TERRY LEE HALE

“Tender Loving Hell: The Best Of”

(Glitterhouse Records)

(4.5) J J J J J

 

Zoals de echte ingewijden onder jullie wellicht al wel langer wisten, zullen de wegen van het Duitse platenlabel Glitterhouse Records en de meesterlijke singer-songwriter Terry Lee Hale weldra scheiden. Hale zoekt zijn heil voor zijn binnenkort te verschijnen nieuwe cd immers bij dat andere Duitse toonbeeld van goede smaak, Blue Rose. Hoogste tijd dus voor zijn huidige werkgevers om een retrospectieve aan zijn alles samen zeven platen omvattende oeuvre voor hen te besteden. Daarbij wordt uitgebreid geput uit de albums “Frontier Model”, “Tornado Alley”, “Leaving West”, “Old Hand” en “The Blue Room”. (De overige twee waren immers de mailorder-only-aangelegenheden “The Wilderness Years” en “Frozen”.)

Om de songkeuze optimaal te laten verlopen ging niet enkel Hale zelf aan de slag, maar werd ook de mening van de platenstal en die van zijn muzikale compadres (en geruime tijd ook beschermheren) Chris Eckman en Carla Torgerson van The Walkabouts gerespecteerd. Op die manier duurde het misschien wel iets langer om tot een voor iedereen aanvaardbare tracklist te komen, het werd er wel één om u tegen te zeggen. We namen ze gemakshalve in deze bespreking op:

 

  1. City Life
  2. Cheyenne
  3. The Ballad Of Molly & Shelly
  4. Blue Room
  5. Dakota
  6. Forget About Love
  7. Control
  8. Land Of Plenty
  9. Rainer’s Song
  10. Michigan Weather
  11. Ride Hard
  12. If You Want
  13. Backroads
  14. Texas Rose
  15. Withered Bouquet

 

Dit is wat we op basis van dit fameuze lijstje van vijftien aan je zouden willen voorstellen: indien je een liefhebber van singer-songwritermateriaal à la een Townes Van Zandt of een Alejandro Escovedo zou zijn en Terry Lee Hale nog niet zou kennen, koop deze plaat dan gewoon! Je zal het je absoluut niet beklagen. Integendeel, het zou ons in het geheel niet verbazen mocht je vervolgens al snel op zoek willen gaan naar de albums waar deze vijftien pareltjes vanaf werden geplukt. En zelfs dan zal deze best of geen verloren uitgave betekenen. Glitterhouse is immers zo gul geweest om er een extra schijfje aan toe te voegen met daarop “Oh What A World”, het in 1992 bij Normal verschenen debuut van Hale, dat al geruime tijd uit de handel verdwenen was. Op die manier wordt “Tender Loving Hell” zelfs voor heel wat fans nog een verplichte aanschaf.

www.terryleehale.com

www.glitterhouse.com

 

 

THE BROWN MOUNTAIN LIGHTS

“Late Show At The Cave”

(Bombay Records)

(4) J J J J

 

The Brown Mountain Lights zijn een trio uit North Carolina dat op z’n (Live!) debuut “Late Show At The Cave” een verpletterende indruk maakt. De drie betrokkenen zijn Jeff Hart (akoestische gitaar en zang), Janet Place (akoestische gitaar, mandoline en zang) en Greg Bower (elektrische gitaar en harmonieën). Zij klaren de klus echter verre van in hun eentje. Schoon volk uit de entourages van Claire Holley, de Squirrel Nut Zippers, Chatham County Line (Ned Durant en John Teer), Hobart Willis & The Back Forty en de Two Dollar Pistols werd bereid gevonden een aardig handje toe te steken. Vooral die laatste drie namen zullen wellicht een aantal oren doen spitsen. En terecht ook! The Brown Mountain Lights tekenen op hun eersteling immers voor aantrekkelijke roots country die weghapt als de eerste de beste op voedsel gelijkende materie binnen handbereik na een lange dag honger lijden. Het opsommen van de begeleiders blijkt trouwens überhaupt erg handig bij het situeren van de groep. Net als Chatham County Line bijvoorbeeld dienen we ook dit trio immers te zoeken in de countryhoek waar met veel respect voor het verleden wordt getimmerd aan de weg naar de toekomst. Naast een karrenvracht eigen liedjes treffen we hier dan ook een stel interessante covers aan van materiaal van ondermeer Peter Holsapple (“Nothing Is Wrong”), Gram Parsons (“100 Years”), super songwriter Gwil Owen (“Tumbleweed”), legende Lester Flatt (“Get It On Brother (Get In Line Brother)”) en huisfavorietje Chris Stuart (“Thibodaux”). Met 19 tracks en ruim 65 minuten muziek geeft het album een goed beeld van wat er zich verspreid over twee avonden in september van 2002 heeft afgespeeld daar in The Cave in Chapel Hill, North Carolina. Roots, country en bluegrass mondden er uit in een overheerlijke cocktail die nu al volop doet uitkijken naar de eerste studioplaat van het gezelschap!

www.brownmountainlights.net

www.glitterhouse.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=27972&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

DIXIE CHICKS

“Top Of The World Tour – Live”

(Columbia / Sony)

(4) J J J J

 

De Dixie Chicks hebben zonder enige twijfel het beroerdste jaar uit hun geschiedenis achter de rug. De uitlatingen van frontvrouwe Natalie Maines over de Amerikaanse president Bush in verband met de Irak-kwestie voor een Engels publiek waren aanleiding tot een nooit eerder geziene golf van verontwaardiging. Patriottisme vierde hoogtij in de States. De drie meiden werden plots verguisd door een groot aantal van hun landgenoten (en vroegere fans). Hun platen werden verbrand. De media ontketenden een soort van heksenjacht. Het immens populaire trio verzeilde in een bepaald netelig parket. Anderzijds kreeg het Freedom Of Speech-debat door de even onverwachte als ophefmakende reactie van de Amerikaanse moraalridders op de uitspraken van Maines een stevige injectie levensvatbaarheid toegediend. Sympathiebetuigingen aan het adres van de Dixie Chicks rolden dan ook van alle kanten binnen. En heel wat collega’s staken de drie een hart onder de riem door op hun beurt “gewaagde meningen” te verkondigen over de buitenlandse politiek van de States.

Maar zou de populariteit van de Dixie Chicks een dergelijke coup ooit kunnen overleven? Dat was de vraag die heel wat muziekjournalisten bezighield. En het antwoord, dat mogen we ondertussen toch wel stellen, is een volmondig “Yes!” Zoveel wordt al snel duidelijk als je de DVD “Top Of The World Tour Live” bekijkt. De drie worden door de aanwezigen nog steeds op handen gedragen en hun muziek klinkt hier beter dan ooit. Maines, Maguire en Robison tonen zich als uitstekende muzikanten met tonnen flair en een podiumprésence om u tegen te zeggen. En het is eigenlijk in een dergelijke live setting dat pas goed opvalt, waarom het trio op een stevige achterban mag rekenen in zowel mainstream- als wat alternatievere middens. Nummers als “Travelin’ Soldier”, “Tortured, Tangled Hearts” of “Hello Mr. Heartache” zijn perfecte voorbeelden om aan te tonen dat de Chicks als geen ander de kunst verstaan om commercialiteit aan gedegen materiaal te koppelen. En al wie verder durft te kijken dan het commerciële succes van de dames zal dan ook moeten toegeven, dat wat de drie brengen eigenlijk gewoon heel knap spul is.

Op deze DVD krijgen we een soort live best of aangereikt met uiteraard Chicks-klassiekers als “Goodbye Earl”, “There’s Your Trouble”, “Cold Day In July”, “If I Fall You’re Going Down With Me”, “Cowboy Take Me Away”, “Ready To Run”, “Wide Open Spaces” en “Sin Wagon”. Als bonus serveren de dames bovendien ook nog de video bij het titelnummer “Top Of The World”. Al bij al het ideale alternatief voor die vele Europeanen die de Dixie Chicks anders wellicht nooit live aan het werk zouden zien. Veel dichter bij de real thing kan je ons inziens immers niet komen! Ideaal dan ook voor onder de kerstboom, dit hebbedingetje…

www.dixiechicks.com

 

 

PATTY LOVELESS

“On Your Way Home”

(Epic / Sony)

(4.5) J J J J J

 

Zoals de beste wijn er met de jaren alleen maar aan karakter bij wint, zo profileert Patty Loveless zich met elke plaat weer een beetje meer als de beste countryzangeres van het ogenblik. Met het in 2001 verschenen bluegrassalbum “Mountain Soul” en de nauwelijks een jaar later uitgebrachte kerst-cd “Bluegrass & White Snow: A Mountain Christmas” sloeg ze plots nieuwe paden in. Een manoeuvre dat haar enkel maar aan prestige deed winnen. Want wat vele countryliefhebbers al lang wisten, drong nu geleidelijk aan eindelijk ook door tot meer alternatieve middens. De wetenschap met name, dat Loveless een fantastische zangeres is met een soepele, soulvolle voordracht die dezer dagen nauwelijks haar gelijke kent.

Op haar nieuwste worp, “On Your Way Home”, bewijst ze dat trouwens eens te meer uitgebreid. Zij het dat voor dit album opnieuw werd afgestapt van de bluegrass-aanpak die haar op de beide voorgangers naar dergelijke eenzame artistieke hoogten had gestuwd. Deze nieuwe plaat situeert zich ergens halverwege tussen de oude Loveless en die van dat illustere tweetal. De instrumentale invulling door kleppers als Harry Stinson (drums), echtgenoot Emory Gordy, Jr. (bas), Biff Watson (akoestische gitaar), Kenny Vaughan, Steve Gibson, Tom Britt en Jedd Hughes (elektrische gitaar), Russ Pahl (banjo), Mike Compton (mandoline), Deanie Richardson (fiddle en mandoline), Stuart Duncan (fiddle), Al Perkins (steel), Jerry Douglas (dobro), Rebecca Lynn Howard, Tim Hensley, Carmella Ramsey, Liana Manis, John Wesley Ryles, Carl Jackson en Tammy Rogers (backings) is van een duizelingwekkend hoog niveau. Dat gegeven en de repertoirekeuze bepalen in grote mate de ambivalentie van “On Your Way Home”. Net zoals bijvoorbeeld ook de Dixie Chicks dat kunnen, vermag ook Loveless het op die manier om een zeer heterogeen publiek aan zich te binden. Nummers als de door Paul Kennerley en Marty Stuart gepende opener “Draggin’ My Heart Around”, het van die andere laatbloeier Rodney Crowell geleende, lekker doorstomende “Lovin’ All Night” of de Jim Lauderdale-Buddy & Julie Miller-compositie “Looking For A Heartache Like You” laten het dan ook perfect toe om van twee walletjes te eten. Ze zijn country genoeg om in de Billboard-hitlijsten volop hun mannetje te kunnen staan, maar anderzijds ook net dat tikkeltje anders, dat hen ook in de smaak doet vallen bij pakweg de No Depression-lezers (of ons publiek).

Het is moeilijk om op zo’n knappe plaat uitschieters aan te wijzen, maar als we toch daartoe zouden worden gedwongen, dan zou de heerlijke sleper “Last In A Long Lonesome Line” er daar zeker één van zijn. De huilende steelgitaar van Russ Pahl, de door merg en been gaande passionele zang van Loveless zelf en de mooie backings van Liana Manis en John Wesley Ryles zorgden voor het nodige kippenvel hier. En het rootsy afsluitingsnummer “The Grandpa That I Know” deed daar nog een flinke schep bovenop. In dit nummer, geschreven door Tim Mensy en Shawn Camp, zijn we getuigen van een begrafenis, waarbij een kind opmerkt, dat de man die er daar zo mooi opgedirkt bij ligt niet de steeds hard werkende grootvader is die het altijd heeft gekend. Ontroerend mooi – brok in de keel… Tot de verdere beklijvende momenten behoren rootsy spul als “Nothin’ Like The Lonely”, het ook al verbluffend knappe (door Ronnie Samoset en Matraca Berg geschreven) titelnummer “On Your Way Home” (met heerlijke steel- en fiddle-prestaties van respectievelijk Pahl en Richardson weer) en het eerder al aangesproken “Looking For A Heartache Like You”.

Kortom een heerlijk album! En daar komt nog bij, dat het momenteel verkocht wordt met als speciale bonus een DVD met daarop ondermeer de video bij het nummer “Lovin’ All Night” en drie live-opnames vanop Austin City Limits, met name “Here I Am”, “Pretty Little Miss” en “You’ll Never Leave Harlan Alive”.

Grote klasse gewoon!!!

www.pattyloveless.com

 

 

ANNA FERMIN’S TRIGGER GOSPEL

“Oh, The Stories We Hold”

(Undertow Records)

(4) J J J J

 

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s zal het niet echt meer als nieuws in de oren klinken als we vertellen, dat we een stevige boon hebben voor Anna Fermin en haar band Trigger Gospel. Met platen als hun titelloze visitekaartje uit ’97 (een EP’tje), het feitelijke debuut “Things To Come” uit 1999 en het een jaar geleden verschenen “Live Music Volume One” wakkerden Fermin en de haren hier door de jaren heen de liefde voor alt. country altijd weer een beetje meer aan. Het was dan ook met hangende pootjes dat we het nieuwe werkstuk van het viertal tegemoet zagen. En dat blinde vertrouwen was meer dan gerechtvaardigd, zo bleek al snel…

Het eerste wat ons opviel was de naam van de producer. Het was immers niemand minder dan Jay Bennett die dat gedeelte van de werkzaamheden samen met het kwartet voor zijn rekening nam. “Oh, The Stories We Hold” klinkt dan ook voortreffelijk. Net als zijn voorgangers is het een feestelijke kijk op het alt. country-gebeuren geworden. Feestelijk in die zin, dat we doorheen een veelheid aan stijlen geloodst worden die allemaal onder die ene gemeenschappelijke noemer blijven vallen. En da’s knap. Neem nu bijvoorbeeld zo’n pareltje als het openingsnummer “Are You Gonna Miss Me Too”, waarin Fermin nog eens uitgebreid laat horen welk een fantastische zangeres ze wel is. De perfecte rootsy verklanking van verdriet gewoon! Een sierlijk om Anna’s stem heen krullend akoestisch gitaartje zet en passant wat extra accentjes en wij hebben het al begrepen: Fermin is in goeden doen! Bevestiging van dat laatste volgt trouwens al snel. Ook het aansluitende “My Town” is een schoolvoorbeeld van wat Americana hoort te zijn. Als Steve Earle een vrouw geweest zou zijn, dan zou hij wellicht zo hebben geklonken… En dan is er het verstilde “Baby Won’t You Please Come Home”, dat volop profiteert van het gevoelvolle snarenwerk op de mandoline van extra werkkracht John Rice. Rice excelleert trouwens met enige regelmaat op de fiddle, de mandoline en de dobro, terwijl producer Bennett zijn aandacht verdeelt over de sitar, de baritongitaar en de keyboards.

En zo gaat het maar door: van de gekwelde rootspop van “Is That All” over het met een jazzy ondertoontje gezegende tweetal “White Birch” en “How Do You Judge Me” of de ingehouden pracht van “Glory” tot covers van de klassieker “Perhaps, Perhaps, Perhaps” of Steve Earle’s “Down The Road”. Vooral dat laatste nummer staat garant voor enig kippenvel. Als Fermin de intro van dat liedje a capella voor haar rekening neemt, zullen je laatste twijfels (Als die er al mochten zijn!) verdwijnen als sneeuw voor de zon. En als de song vervolgens mooi breed open waaiert, dan zal je het al snel met ons eens zijn inzake de hier hoger gemaakte vergelijking!

Prima plaat, maar dat had je uit het voorgaande natuurlijk al lang zelf opgemaakt.

www.triggergospel.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28715

 

 

OMAR & THE HOWLERS

“Boogie Man”

(Ruf Records)

(4) J J J J

 

Toegegeven, we waren de man de jongste jaren een beetje uit het oog verloren, maar met zijn nieuwe album zingt en speelt hij zich in één klap weer in de kijker. Kent “Omar” Dykes gromt en klauwt weer zoals hij dat in zijn beste dagen pleegde te doen. En dat zal wellicht in niet geringe mate mee de verdienste zijn van het selecte gezelschap waarmee hij zich voor “Boogie Man” omringde. Het album staat in het teken van samenwerkingen met een aantal van de beste Texaanse singer-songwriters van het ogenblik, als daar zijn bijvoorbeeld Ray Wylie Hubbard (voor het uitermate aanstekelijk groovende “Bamboozled” en de sexy swampblues van “All The Love We Can Stand”), Darden Smith (voor het lekker twangy “White Crosses”, één van de bedaardere momenten van de plaat), Alejandro Escovedo (voor het melodieuze duet tussen de twee “Right There In The Rain”) en Stephen Bruton (voor het hortende en stotende, maar bovenal stomende “Bad In A Good Way”).

Als je daar nog de gastenlijst bij optelt, hoeft het in het geheel niet te verbazen, dat dit een lekker geheel is geworden. Van Terry Bozzio en Chris Duarte over de al eerder vermelde Alejandro Escovedo en Jon Dee Graham tot Malcolm “Papa Mali” Welbourne en Stevie Ray Vaughans ritmesectie Chris Layton en Tommy Shannon - met dergelijke keurtroepen kan je elke strijd aan!

Sterkste nummers zijn het bloedgeile “Shakin’”, een verre afstammeling van “Who Do You Love”, de formidabele aan John Lee Hooker en Willie Dixon herinnerende lijsttrekker “Boogie Man” en het hierboven al aangekaarte “Bamboozled”, dat duidelijk het stempel van Ray Wylie Hubbard meekreeg.

Sympathiek plaatje, dat reikhalzend doet uitkijken naar de eerstvolgende doortocht van Dykes en de zijnen door de Lage Landen. Leuker hebben we swamp rock en blues immers al even niet meer gehoord.

www.omarandthehowlers.com

www.rufrecords.de

 

 

WENDY MAHARRY

“Released”

(Corazong Records)

(4) J J J J

 

O zoete ironie… Wat doet iemand die er na jaren van vruchteloze pogingen eindelijk weer eens in slaagt plaatwerk onder de mensen te krijgen? Met een cynische grijns dat nieuwe album “Released” noemen bijvoorbeeld en er maar meteen een dubbelaar van maken. Dat is tenminste de modus operandi van Wendy MaHarry. Die uitzonderlijk getalenteerde zangeres-pianiste zag na twee prima albums voor A&M (“Wendy MaHarry” en “Fountain Of Youth”) aan het begin van de jaren negentig haar trein voor geruime tijd ontspoord. Dat verklaart meteen waarom we op één van de twee cd’s die samen haar nieuwe worp “Released” uitmaken materiaal aantreffen, dat werd opgenomen tussen 1992 en 2001, maar nooit eerder het daglicht zag. In een productie van Dwight Marcus toont MaHarry zich daarop een stuk rijper dan voorheen. Je hoort echt aan alles, dat ze blaakt van het zelfvertrouwen. Stem – piano – schaarse orkestratie, meer moet dat heus niet zijn om ons geregeld een aangename rilling te bezorgen. Namen als Tori Amos, Suzanne Vega, Rickie Lee Jones en Shawn Colvin zijn absoluut niet te hoog gegrepen als referentiepunten. Wel integendeel! Geen van de recente platen van die toch wel behoorlijk ronkende namen vermocht het ons op dezelfde manier te bekoren als “Released” van Wendy MaHarry.

Vooral de tweede cd, “Live At Zalk Theater” (in Ojai, Californië), is een juweeltje. Emotioneel sterke nummers als “Devil Feels At Home”, “Ashes”, “My Love” en “Seed” zullen bij elke liefhebber van voornoemde dames gegarandeerd aanleiding geven tot tintelingen in de buik. En “Dyan Is Resting”, dat op de studio-cd al naar eenzame hoogten wordt getild dankzij ondermeer de dwarsfluit-inbreng van Ian Anderson, klinkt hier in al zijn eenvoud (lees: naaktheid) alleen nog maar fraaier. Als de eerste voorzichtige regendruppels uit een dreigende hemel laat MaHarry haar pianonoten voortdurend zacht over je heen dwarrelen. En met haar soepele, krachtige stem slalomt ze daar haast onopgemerkt sierlijk tussendoor. De ideale plaat voor de tijd van het jaar dus. Vroeg donker, gure weersomstandigheden, volop vallende bladeren en… Wendy MaHarry!

(Dankzij Corazong Records nu ook in de Lage Landen verkrijgbaar in een versie die met “These Green Days” en “Expect Me To Be There” zelfs twee tracks meer telt dan de oorspronkelijke uitgave.)

www.wendymaharry.com

www.corazong.com

 

Op haar website kan je uitgebreid kennismaken met de muziek van Wendy MaHarry. Je vindt er naast flink wat nummers van haar eerste twee platen en wat speciale verrassingen ook enkele tracks van “Released” in mp3-formaat. Genoeg alleszins om je appetijt stevig aan te wakkeren!

 

 

RUTHIE & THE WRANGLERS

“Someday”

(Lasso Records)

(3.5) J J J J

 

Een plaat die er enkele weken over gedaan heeft om uiteindelijk toch het daglicht te zien is “Someday” van het vanuit Washington actieve driemanschap Ruthie & The Wranglers. Ruth “Ruthie” Logsdon (zang), Phil Mathieu (gitaren) en Greg Hardin (bas en zang) zijn daarmee bepaald niet aan hun proefstuk toe. Als we het live-album “Live At Chick Hall’s Surf Club” meerekenen is dit al hun vierde officiële release.

En “Someday” blijkt een behoorlijk prettig gevarieerd geheel te zijn. Logsdon en kompanen schuwen nauwelijks een genre. Het is maar een steenworp van de sprankelende country van het openingstweetal “New Love” en titelnummer “Someday” naar een fraaie alt. country ballad als “For Cryin’ Out Loud”, een surf instrumental als “Revenge Of The Surftilicus”, een swingend rockabilly-tussendoortje als “Lost Ball (In The High Weeds)” of een stukje gecroonde hartstocht als “It’s Blue”.

Absolute hoogtepunten zijn daarbij volgens ons de knotsgekke feministische tongue in cheek country frivoliteit “I’m Not Your Doormat”, de door de loepzuivere vocalen van Logsdon gedragen Americana-ballade “Dirty Secret” en de lekkere honky tonk stuff van “I Say Tomato”.

Voor wie z’n rootsmuziek graag een beetje gevarieerd ziet komen absoluut een aanrader.

www.ruthieandthewranglers.com

http://www.vdp-records.com/

 

 

ALEJANDRO ESCOVEDO

“With These Hands”

(Rykodisc / Zomba)

(4.5) J J J J J

 

Eén van de factoren waaraan zich het succes van een muziekgenre wellicht nog het best laat afmeten is het aantal interessante platen uit het verleden die men opnieuw opdiept. Zulks gebeurt immers enkel en alleen als men bij de platenfirma vermoedt, dat er voldoende afnemers zullen worden gevonden voor het “nieuwe product”. En wat dat betreft lijkt het dus heel erg goed te gaan met het roots music marktsegment, want steeds meer albums beginnen aan een tweede leven. Nu zijn er in het geval van het hier ter bespreking voorliggende “With These Hands” van Alejandro Escovedo natuurlijk best ook nog wel een aantal andere motieven voor de re-release ervan te verzinnen. Eerst en vooral kreeg het album bij zijn oorspronkelijke uitgave lang niet al de aandacht die het verdiende. Escovedo’s commerciële doorbraak moest immers nog volgen. En een dergelijke parel verdiende best nog wel wat meer zwijnen… En dan is er natuurlijk ook nog de wetenschap, dat Escovedo in zijn (peperdure) strijd tegen Hepatitis C echt elke dollar kan gebruiken. Verscheidene van zijn albums doken de jongste maanden dan ook al in enigszins gewijzigde vorm op.

En nu dus ook het voor het eerst in 1996 uitgebrachte “With These Hands”. Dat was destijds zijn eerste album voor Rykodisc en meteen ook het eerste waarvoor het opnamebudget iets royaler bleek. Daardoor kon Escovedo het zich bijvoorbeeld permitteren om voor de prachtige ballade “Nickel And A Spoon” Willie Nelson uit te nodigen. Terwijl in het al even fraaie rootspopnummer “Pissed Off 2 AM” Jennifer Warnes voor de harmonieën tekent. Als geheel klonk (en klinkt) “With These Hands” een stuk minder zwaar dan zijn voorganger, maar da’s niet echt abnormaal te noemen, als je weet dat Escovedo met “13 Years” een punt achter zijn huwelijk zette. Laat het er ons dus maar op houden, dat het een eerste aankondiging betekende van de meesterwerken die nog zouden volgen als “Bourbonitis Blues” en “A Man Under The Influence”.

Naast het originele album zit er bij deze heruitgave nog een tweede schijfje dat het ook voor de fans extra aantrekkelijk moet maken. Daarop treffen we naast het van de oorspronkelijke opnamesessies stammende nummer “Can’t Take It” ook opnamen aan die in 1996 op het SXSW-festival en op de Triple A Radio Conference in Boulder werden gemaakt. Dertien nummers krijgen we in totaal voorgeschoteld. Dit is de volledige tracklist ervan: “Can’t Take It”, “Put You Down”, “Crooked Frame”, “With These Hands”, “Slip”, “Pissed Off 2 AM”, “One More Time”, “The End”, “Put You Down”, “Crooked Frame”, “Band Intro”, “Pissed Off 2AM”, “Pyramid Of Tears”.

Sla dus gerust maar eens even twee vliegen in één klap: verwen jezelf met twee knappe cd’s voor de prijs van één en lever op die manier tegelijkertijd een bijdrage tot het herstel van Alejandro Escovedo. Wedden dat je er geen minuut spijt van zal krijgen?

http://alejandroescovedo.com/main.html

www.rykodisc.co.uk

www.alejandrofund.com

 

 

MOJO GURUS

“Hot Damn!”

(Perris Records)

(4) J J J J

 

“Hot Damn!”, de derde van de Mojo Gurus, een kwartet uit Tampa Bay, FL, is een heerlijk geurende stoofpot van wilde blues, psycho- en andere billy’s, country en gospel. En al van bij de flamboyante opener van het schijfje “Race With The Devil” dwaalden onze gedachten dan ook met plezier af naar de lang vervlogen hoogdagen van groepen als de Screamin’ Blue Messiahs (Herinner je het bijzonder infectueuze “I Wanna Be A Flintstone”!) en de Cramps.”You’d Have To Tie Me Up (To Tie Me Down)” heeft vervolgens naast een in het oog springende titel vooral ook een boogie woogie stijl pianootje dat ooit de vingers van The Killer lijkt te hebben gevoeld. Terwijl het vinnige “Linda Marie” met sprekend gemak uitgroeit tot de meest nerveuze love song van het jaar. Rock & roll, baby! Of zoiets toch… En “Bumble Bee” is nog meer van dattum, met ditmaal een hoofdrol voor het twangy gitaarspel van Jeff Vitolo. Lijkt ons echt iets voor de fans van groepen als Southern Culture On The Skids. En dat geldt eigenlijk ook wel voor zowat alle nummers die dan nog volgen: van het soulvolle “Raylene”, over het snoeiharde “Black Cat Blues” tot de train song “Clarksdale.

Dit is gewoon superaanstekelijke stuff. Vurig en rauw tegelijkertijd, precies zoals goeie rock hoort te klinken met andere woorden.

http://www.mojogurus.com/mojo_gurus/

 

 

CACTUS HUNTERS

“Cactus Hunters”

(Rustic Records)

(4) J J J J

 

De vanuit Woodstock, NY opererende Cactus Hunters zijn een zeskoppig gezelschap rond de uitstekende singer-songwriter Lance Juckas. Die verzamelde voor zijn debuut heel wat schoon volk rond zich. Met Fred Scribner (gitaar en zang) (Delbert McClinton), Professor Louie (keyboards en accordeon) (Rick Danko, Levon Helm, Mercury Rev), John Rush en Brad Scribner (drums) en Jake Lee Rau (backings) tekent hij op z’n titelloze eersteling voor een potje roots music van de bovenste plank. Sterke songs die voortdurend heen en weer snellen tussen genres als roots rock, Americana en country (folk) worden gebracht met zo’n lekkere hees-ruige stem, waaraan het bijzonder moeilijk weerstaan is. Nu eens klinkt Juckas daarbij als een leerling van Mick Jagger en z’n Stones ten tijde van “Honky Tonk Women”, dan weer richt hij de blik resoluut Texas-waarts (“Halfway To Texas”) of doet hij zelfs een weinig denken aan The Band (zoals in het frivole “I Got The Bait”).

Absolute hoogtepunten van dit bijzonder knappe visitekaartje zijn het aan Green On Red herinnerende, trage tweetal “Lonesome Cowgirl” en “Roam”, waarin respectievelijk het soulvolle orgel- en accordeonwerk van Professor Louie bijzonder functioneel blijken, en de heerlijk opgewekte Texicana van het eerder al even aangesproken “Halfway To Texas”.

Een bandje dat als je ’t ons vraagt absoluut niet zou misstaan op de affiche van het volgende Blue Highways-festival.

www.cactushunters.com

www.rusticrecords.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28768&variation=&aitem=1&mitem=1

 

 

MARTIN ZELLAR

“Born Under”

(Rykodisc / Zomba)

(3.5) J J J J

 

Al in ’94 verscheen de cd “Born Under” van Martin Zellar, een man die daarvoor zijn sporen al ruimschoots verdiend had als leider van de Gear Daddies, één van de populairste alt. country bandjes van de late jaren tachtig. Vanuit Minneapolis bestookte Zellar met zijn karakteristieke gruizige stem de wereld met lekkere heartland rock. En op “Born Under” kreeg hij daarbij niet enkel het gezelschap van zijn vroegere werkmakkers, maar ook van leden van de Jayhawks, Soul Asylum en de Honeydogs.

Nu vind je “Born Under” vrij regelmatig terug in de afprijsbakken, waarom dan een heruitgave kan je je afvragen, maar na een vluchtige blik op het hoesje weet je al snel beter. Die van Rykodisc hebben het album immers met maar liefst negen tracks uitgebreid. De eerste drie zijn covers die ooit op b-kantjes belandden (zoals het immer okselfrisse “Best Friend’s Girl” van de Cars en een prettig geforceerd aandoende versie van “Love’s Gonna Live Here” van Buck Owens), de overige zes zijn live tracks die een succesvolle verschijning op het gerenommeerde SXSW-festival in 1996 perfect documenteren. Het betreft daarbij de nummers “Something’s Gotta Happen”, “Falling Sky”, “Problem Solved” en “Let Go”, die ook al in een studioversie op het album voorkomen, en het tweetal “Brown-Eyed Boy” en “Lie To Me”.

En, in alle eerlijkheid, het was eigenlijk best wel een aangename hernieuwde kennismaking met Zellar. In zoverre zelfs dat deze uitgebouwde versie van “Born Under” nu al enkele dagen in de buurt van onze cd-wisselaar blijft rondslingeren. Vooral de live stuff blijkt immers nagenoeg onweerstaanbaar. Voor wie ‘m dus nog niet mocht kennen: aanbevolen als je houdt van het werk dat Steve Earle bij het begin van de jaren negentig afleverde.

www.rykodisc.co.uk

 

 

DAN BAIRD

“Out Of Mothballs”

(Jerkin’ Crocus Records)

(3.5) J J J J

 

“Out Of Mothballs”, van tussen de mottenballen vandaan gevist, zelden een meer toepasselijke titel tegengekomen dan deze. Wat we op dit album geserveerd krijgen is inderdaad een verzameling aan restmateriaal van Dan Baird, veelal daterend van de vroege jaren ‘90. Sommige nummers werden dus nog ingespeeld met zijn kompanen van de Georgia Satellites ten tijde van het onvolprezen “In The Land Of Salvation And Sin”, andere bleven liggen na het uitbrengen van zijn eerste soloplaten “Love Songs For The Hearing Impaired” en “Buffalo Nickel”. Het betreft in elk geval allemaal materiaal dat op deze cd voor ’t eerst het daglicht ziet – commercieel gezien dan toch…

Wie vertrouwd is met de stuff van Dan Baird en de Georgia Satellites, die weet exact wat hem hier te wachten staat. Elf dosissen lekker vette rock & roll, die door Baird zelf van flink wat uitleg worden voorzien in het begeleidende boekje. Zo leren we bijvoorbeeld dat de stomende opener “Rock This Place” werd opgenomen met de Georgia Satellites en ooit nog in de obscure prent “Born To Ride” belandde. En dat flink wat van de nummers werden gepend samen met de legendarische Terry Anderson. Enkele van onze favorieten hier bijvoorbeeld ook: zoals het ingehouden rockende “Any Little Thing” en de gespierde lap vitaliteit “Picture On The Wall”. Bij dat laatste nummer dwaalden onze gedachten spontaan af naar de hoogdagen van The Replacements. En dat is, beste vrienden, een zeer goed teken… Eerder dan als een compilatie overschotjes beoordelen wij dit album dan ook als een prettige aanvulling van onze Georgia Satellites- en Dan Baird-collectie. Een lekker plaatje dat nog vaak zal worden gedraaid, zoveel is zeker!

http://www.danbaird.net/

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28750

 

 

MICHAEL WESTON KING “A Decent Man”

(Floating World)

(4) J J J J

 

Michael Weston King geldt al sinds jaar en dag als één van de grootste rootsrocktalenten die in Europa rondlopen. En zijn jongste cd “A Decent Man” zal die roep alleen nog maar versterken. Het is immers zonder enige twijfel zijn sterkste album tot op heden geworden. De voormalige Good Sons voorman is op zijn best als hij in warm aandoende lappen country soul als de opener, het samen met Lou Dalgleish gepende “Celestial City”, of het weidse “The Wooden Hill” mag tonen hoe goed hij wel kan zijn als zanger. Dat blijkt trouwens ook uit een mooie, naakte versie van Neil Youngs “Love In Mind”. Piano, stem en… kippenvel. Is trouwens niet de enige cover hier dat nummer. Aan het eind van de plaat moet ook Pete Townshends “Blue Red & Grey” eraan geloven. En da’s een heel fraai sluitstuk voor een al even fraaie cd. Vooral het veelzeggende “The Englishman’s Obsession With America (Part 2)” zal hier nog een tijdje blijven hangen. Kan zo naast het beste werk van pakweg een Lloyd Cole. En is trouwens ook een uitstekend staaltje aan bewijsmateriaal om aan te tonen dat de productie van oudgediende Jackie Leven werkelijk vlekkeloos is. Het resultaat van dit alles? Een plaat die wij een toekomst gunnen bij zowel de fans van artiesten als de al eerder genoemde Cole of de Beautiful South, als bij alle ruimdenkende Americana-liefhebbers in het Verenigd Koninkrijk en hier op het Europese vasteland.

www.michaelwestonking.com

www.floatingworld.co.uk

 

 

SHARON SHANNON & FRIENDS

“Libertango”

(Daisy Discs / Music & Words)

(4) J J J J

 

De uit County Clare afkomstige Ierse trekharmonicaspeelster Sharon Shannon werd begin jaren negentig ontdekt door John Dunford, producer van de Waterboys. Onze eerste kennismaking met deze fantastische muzikante gebeurde dan ook via haar medewerking aan het in 1990 verschenen album “Room To Roam” van die band. In 1992 debuteerde ze aansluitend voor eigen rekening. En sedertdien zijn er nog een hele trits nieuwe albums gevolgd. Met het voorliggende “Libertango” is ze inmiddels ook alweer aan het zevende proefstuk van haar kunnen toe.

Sinds ze met Steve Earle in zee ging voor het verbluffend mooie “The Galway Girl” geniet Sharon Shannon ook in alt. country- en Americanakringen de nodige aandacht. En dat kunnen we eigenlijk alleen maar toejuichen. Op “Libertango” bewijst ze immers eens te meer uitgebreid al onze aandacht meer dan waard te zijn. Net als voor haar in 2000 verschenen meesterwerkje “The Diamond Mountain Sessions”, waarvoor ze indertijd de hulp inriep van klasbakken als een Steve Earle, een Jackson Browne en een John Prine, doet ze ook op deze nieuwe worp een beroep op tal van bekende gasten. Met als meest in het oog springende resultaat zonder enige twijfel het titelnummer dat ze al in 1996 inblikte met wijlen Kirsty MacColl, nog ruim voor haar wel bijzonder onfortuinlijke dood dus. Het samenspel tussen de passionele vingervlugheid van Shannon en de lichtjes onderkoelde zang van MacColl is al meteen goed voor één van de knapste momenten van het album. Een andere opvallende verschijning hier is Sinéad O’Connor, die met “The Seven Rejoices Of Mary” en vooral ook met een bewogen uitvoering van “Anachie Gordon” (een nummer dat ze zelf voor ’t eerst hoorde via die andere Ierse folkgrote, Mary Black) laat horen zich ook in traditionele folkliedjes als een vis in het water te voelen. (Misschien moest ze maar eens gaan overwegen om zelf aan een toekomst in die richting te bouwen!) Ook in dat laatste liedje vullen instrumenten en stem elkaar zo mooi aan, dat je meteen genadeloos erdoor word ingepalmd. Vooral het gitaarwerk van Jim Murray en het mandolinespel van zus Mary Shannon missen hun werking absoluut niet. Het hoeft dan ook in het geheel niet te verwonderen dat het precies dat tweetal is dat Sharon begeleidt doorheen het wulpse “The Wishing Well”. In deze pittige instrumental vloeien “The Toonagh Mazurka”, “The Wishing Well” en “Jocelyn’s Jig” knap samen tot een fraai staaltje van actueel Iers volksvermaak. En héél mooi is verder zeker ook de Shannon-benadering van de Fleetwood Mac-klassieker “Albatross”. Wie had ooit kunnen vermoeden, dat dat nummer zich nog eens zou gaan lenen tot een folkgetinte accordeonversie? En dat het dan nog zou werken ook? Wij alvast niet.

“Libertango” blijkt dus als geheel een bijzonder mooie plaat, die ondanks haar titel voornamelijk eigentijds gebrachte traditionele Ierse en Schotse volksmuziek bevat. Enkel het slotakkoord schoot bij ons in het verkeerde keelgat. “What You Make It (Da Da Da)” is namelijk een rap-remix van het openingsnummer van de cd, “The Whitestrand Sling”, met vocale hoofdrollen voor rapzanger Marvel en UK-soulzangeres Lady K. In Ierland haalde dat nummer ondertussen de hitlijsten al en ook in de Benelux wordt het als single uitgebracht. Maar, eerlijk is eerlijk, aan ons is het niet besteed. Toch niet in de gegeven context, daarin vloekt het immers met zoveel schoonheid. En da’s toch wel een beetje jammer. Gelukkig zit er aan een cd-speler zoiets als een stoptoets. En als we die één nummer voor het einde van het album indrukken, dan houden we toch gewoon een uitstekende cd over zeker…

http://www.daisydiscs.com/

www.musicwords.nl

 

 

MATT MINOR & SHOT GLASS

“Train Catch To Catch”

(PCP)

(4) J J J J

 

Ze worden alsmaar zeldzamer, de plaatjes waarvoor je al van bij een eerste beluistering naar het puntje van je stoel schuift. Maar dit is er wel degelijk zo eentje. De co-producer van “Train To Catch”, David Sanger van Asleep At The Wheel, vergeleek Matt Minor dan ook al met Bono en The Boss. Texaanse uitvoering dan wel! “Train To Catch” blijkt immers vol aanstekelijke country te staan met voldoende rockinvloeden om eigenlijk nergens echt op te lijken. Toegegeven, stemgewijs roept Minor regelmatig vergelijkingen met Dwight Yoakam, Roy Orbison, Chris Isaak en in mindere mate Jason Boland op. Maar muzikaal gezien is wat hij doet toch wel vrij speciaal en bovenal ook heel erg aanstekelijk. De moderne honky tonk van openingsnummer “Pardon Me All To Hell” klinkt zo als Yoakam op doortocht doorheen de Lone Star State. En het intense “Reading Glasses” is een droom van een love song waarvoor mensen als Orbison, Isaak en James Intveld hun hand ook niet zouden hebben omgedraaid. Prachtig gewoon! En dan is er de spannende countryrocker “Haulin’ Cars” waarin het turbulente leven van een man die nog maar vijf jaar van zijn pensioen verwijderd is de revue passeert. “Stacy Lynn” is dan weer een lekkere cheatin’ song (inclusief jankende steel, of wat dacht je…) En met een titel als “Whole World’s Partyin’” verwacht je van het volgende nummer niets meer of minder dan een echte fuifknaller. En ook daarin word je niet teleurgesteld.

Andere in het oog springende tracks zijn de knappe countryrocker “Hometown Clown” en de melancholische Americana van “You Don’t Understand Me”. Het eerste draait om een pijnlijk afscheid:

“When a woman leaves she’s a hero

When a man splits he’s a zero

Thought I was bein’ a good fellow

Turns out I’m really just yellow.”

Het tweede is misschien wel het allermooiste nummer van de plaat. Opnieuw met een erg hoog Yoakam-gehalte, but who cares? Als het resultaat zo fraai blijkt, malen wij daar alvast niet om. Ook het afsluitende “Bobbie” vonden wij trouwens nog zo’n prachtsong. Een akoestische gitaar en die markante hoge stem van Minor domineren dat nummer over het harde leven van een vrouw.

“Train To Catch” is country voor wie z’n country graag spannend heeft. Ver weg van alle geprefabriceerde rotzooi die daar tegenwoordig voor doorgaat… En de naam Matt Minor is er dus één om goed in je oren knopen!

www.mattminorandshotglass.com

http://www.texasmusicroundup.com/Merchant2/merchant.mv?Screen=PROD&Store_Code=TMR&Product_Code=RU1005

 

 

GRAND THEFT

“Time Passed On The Switchback”

(Parsifal)

(4) J J J J

 

Als Belg kan je eigenlijk alleen maar een beetje jaloers zijn op het feit dat bij je Nederlandse buren genres als alt. country, Americana en country zoveel meer kansen lijken te krijgen dan in eigen land. Een regelmatige blik op de concertagenda’s van beide landen is wat dat betreft spijtig genoeg nog altijd veelzeggend. Het aanbod boven de Moerdijk is zowel kwalitatief als kwantitatief gezien gewoon zoveel beter dat je bijna met schaamrood op de kaken achterblijft.

Het heeft er echter alle aanschijn van, dat daar binnen afzienbare tijd wel eens verandering in zou kunnen gaan komen. Het is bijvoorbeeld opvallend hoeveel mensen er naar de optredens van grotere namen als een Steve Earle, een John Prine of een Emmylou Harris afzakken. En de inspanningen van rootsbastions als Toogenblik in Haren of de Spirit Of 66 in Verviers mogen er ook best zijn. De concertagenda van de AB of de Cactus Club in Brugge om er zo maar even willekeurig twee van tussen te plukken blijkt ondertussen ook steeds meer ruimte voor rootsmuziek te laten.

En wat te denken van het rootsmuziekaanbod van eigen bodem, dat ook gestaag aan het uitdeinen is? Denk bijvoorbeeld maar aan de Chitlin’ Fooks (Toegegeven, half Nederlands…), aan zo’n Admiral Freebee, aan Hètten Dès, aan de Seatsniffers, aan Reef Rider, enzovoort. Enkel het Americanagenre leek tot voor kort een beetje achterop te hinken. Maar ook door die vaststelling mag je nu wat ons betreft alvast een vette streep trekken. Het hier ter bespreking voorliggende “Time Passed On The Switchback” van Grand Theft is immers een hele vette Americanaplaat. Eéntje die ons al bij de eerste beluistering ervan een paar keer serieus naar adem deed happen. Antwerpenaar Michel Van Montfort –de echte naam waarmee Grand Theft door het leven stapt- groeide op met de muziek van singer-songwriter-iconen als een Townes Van Zandt, een Tom Rush, een Elliott Murphy, een Gram Parsons, enzovoort. En wil het spreekwoord niet, dat wie bij de hond slaapt diens vlooien krijgt…? Juist, ja!

De muziek van Grand Theft roept dan ook herhaaldelijk het geluid van grootmeesters als een Townes Van Zandt, een Bob Dylan en vooral ook een Greg Brown in herinnering. Net als de laatste van dat drietal versmelt Van Montfort klassieke songstructuren steeds weer met een vleugje (Amerikaanse) muzikale actualiteit. Daardoor wordt zijn muziek ook een aanrader voor al wie houdt van pakweg een Daniel Lanois, Wilco of de laatste van Whiskeytown. Zonder ons te bezondigen aan overdreven chauvinisme mogen we stellen dat “Time Passed On The Switchback” een vergelijking met de actuele buitenlandse concurrentie met brio doorstaat.

Nummers als het op een “sexy” orgeltje voorbijschuifelende, wanhopige liefdesliedje “For A Couple Of Days”, het met bijzonder fraai harmonicawerk ingekleurde “Leave It Here”, het op oorstrelend mooi snarenwerk (van Lazy Horse) drijvende ingetogen pareltje “Summer” of het wulpse “Pantomime” laten een songsmid aan het werk horen, die bulkt van het zelfvertrouwen én van de klasse! En het verstilde juweeltje waarmee Van Montfort de plaat afrondt, “Sixteen Years”, is zelfs gewoon één van de mooiste singer-songwriter liedjes van het jaar.

Belgische Americana op z’n best? Maak er maar “klasse Americana tout court” van. Een straffe stem (zelfs een beetje vergelijkbaar met die van Greg Brown vinden wij), ronduit schitterende teksten en pakkende liedjes, we hebben het hier al met veel minder moeten doen… Een absolute aanrader!

www.parsifal.be

 

 

DAVID CHILDERS & THE MODERN DON JUANS

“Room #23”

(Silver Meteor Records / Ramseur Records)

(4.5) J J J J J

 

Net als bijvoorbeeld ook een Ronny Elliott behoort David Childers tot het selecte groepje van volstrekt ten onrechte vreselijk genegeerde singer-songwriters. En dat bewijst de zingende advocaat op zijn zesde cd weer eens uitgebreid. Het onder de vakkundige leiding van Don Dixon ingeblikte “Room #23” is een bijzonder geslaagde plaat. Raakpunten zijn er ondermeer met het werk van een Jim Lauderdale, een Nick Lowe en dat van producer Dixon zelf. Een zingende songsmid dus, maar wel eentje die van wanten weet en het begrip twang regelmatig hoog in het vaandel voert.

Van bij de samen met Jill Davis gepende opener “I Was The One” is dat trouwens ook meteen duidelijk. Da’s namelijk onweerstaanbare, tot meestampen uitnodigende roots rock zoals we die recentelijk bijvoorbeeld ook nog door Joe Fournier geserveerd kregen. Vervolgens is er het al even aanstekelijke “38th Street” dat in de één of andere berookte bar ver na middernacht het levenslicht lijkt te hebben gezien. De lekker gruizige stem van Childers zelf, het toetsenwerk van Dixon en het Fingerspitzengefühl van snarenwonder Eric Lovell (op mandoline en dobro) voltrekken hier het kleine wonder. Prima rootsy stuff! En dan is er het springerig twangende “Her Side Of The Story” over “haar” en over hoe ze enkel de narigheid uit hun verleden samen onthield: “All she remembers is the way I made her cry…”

Titelnummer “Room #23 (Culpepper Virginia)” is pakkende, beklijvend opgebouwde roots rock en in “Hardwood Killing Floor” komt Childers uit de hoek als een country-uitvoering van Don Dixon. De mooiste nummers van de plaat vonden wij in het tweetal “The Prettiest Thing” en “Lucky Stranger”. Het ene een prachtige Americana love-gone-wrong-song, het andere het schitterende, verstilde slotakkoord van dit uitstekende album. Vooral “The Prettiest Thing” met opnieuw een instrumentale hoofdrol voor Eric Lovell waart al enkele dagen ononderbroken in ons hoofd rond.

“Room #23” is ontegensprekelijk één van de knapste platen die ons de jongste weken bereikten. En als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan wordt dit ook het album waarvan we later zullen zeggen, dat hij er zijn doorbraak naar een wat ruimer publiek mee bezegelde.

www.davidchilders.com