CAC Banner.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES DECEMBER 2009

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

RITA HOSKING “Come Sunrise” - STARLINE RHYTHM BOYS “Masquerade For Heartache” - PHIL OCHS, JAMES TAYLOR & JONI MITCHELL “Amchitka” - CARUS THOMPSON “Creature Of Habit” - PATRICK BLOOM “Ghosts Of Radio” - VARIOUS ARTISTS “The World Is Yours” - DAVE DESMELIK “Onlooker” - DAVE RAWLINGS MACHINE “A Friend Of A Friend” - BETTYSOO “Heat Sin Water Skin” - LEO RONDEAU “Down At The End Of The Bar” - VINCE MELAMED “What Mattered Most” - MATT THE ELECTRICIAN “Animal Boy” - BEN REEL “Time To Get Real”

 

RITA HOSKING “Come Sunrise” (Rita Hosking)

(4,5*****)

“Come Sunrise”, het door Rich Brotherton geproduceerde derde album ondertussen toch ook alweer van Rita Hosking, is het soort van plaat, waarvoor fans van grote dames als Emmylou Harris, Gillian Welch en Iris DeMent maar wat graag even diep in de buidel zullen tasten. Net als hen beschikt ook Hosking immers over een dijk van een stem, waarmee ze uitsluitend eigen liedjes, opgetrokken uit quasi gelijke delen Americana, country, bluegrass en folk, vol vuur richting de zevende rootshemel dirigeert. In het gezelschap van studiogrootheden als de al genoemde Brotherton, Glenn Fukunaga, Tom Van Schaik, Lloyd Maines, Warren Hood, Marty Muse, Danny Barnes, Eamon McLoughlin en anderen dwaalt ze op “Come Sunrise” doorheen haar eigen ruraal verleden in het bergachtige Shasta County in noordelijk Californië. Iets wat resulteert in werkelijk wonderschone, ogenblikkelijk betoverende Americana, in al zijn eenvoud ingehouden schreeuwend om aandacht. Muziek, die je genietend van een glaasje wijn ergens dicht bij de open haard verscholen onder je koptelefoon keer op keer opnieuw zal willen horen. Muziek, die van Hosking eigenlijk gewoon eensklaps een topper in het genre zou moeten kunnen maken. “Come Sunrise” is immers van z’n eerste tot z’n laatste noot hoogst bevredigend. Een echte beauty!

Rita Hosking

 

STARLINE RHYTHM BOYS “Masquerade For Heartache” (Cow Island Music)

(4****)

Zelf hadden we tot op heden helaas nog niet het genoegen om deze drie knapen effectief live aan het werk te zien, maar dankzij het monumentale “Live At Charlie-O’s World Famous” konden we hun zich als een lopend vuurtje uitbreidende geweldige podiumreputatie al wel enigszins beamen. Ruimschoots voldoende alleszins om de luide schreeuw om meer van dattum door heel wat fans van de Starline Rhythm Boys ten volle te kunnen begrijpen. Samen met hen kunnen we eigenlijk alleen maar heel blij zijn over het feit dat Big Al, Billy B en Little Danny C ook daadwerkelijk hebben besloten om op die wens in te gaan. “Masquerade For Heartache” biedt met tien verdere live tracks immers opnieuw alles waarvoor we door de jaren heen zo van dit retro-collectiefje zijn gaan houden. Van energieke rockabilly tot heerlijk authentieke honky tonk en country tout court, van resoluut op de heupen mikkend spul tot klassiek geschoolde tearjerkers. U vraagt, de Boys draaien! Gaande van eigen spul als het titelnummer, “Red’s Place” en “I’m Fed Up Drinking Here” tot covers van overgeleverd materiaal als Merle Haggards “Workin’ Man Blues”, Carl Perkins’ “Honky Tonk Girl” en “Jive After Fire”, het ondermeer in de uitvoering van Carl Mann bekende “Ubangi Stomp” en andere. Met speciale vermeldingen voor het wel bijzonder lekkere Telecaster-werk van Big Al Lemery, de bij momenten ronduit sublieme slap bass-partijen van Billy Bratcher en de inbreng van speciale gast Kevin Mead op de steelgitaar.

Starline Rhythm Boys

Cow Island Music

 

PHIL OCHS, JAMES TAYLOR & JONI MITCHELL “Amchitka” (Greenpeace)

(4****)

Dankzij Greenpeace Canada kunnen we sinds kort genieten van een veritabel stukje muziekgeschiedenis. De dubbelaar “Amchitka” bevat immers het op 16 oktober 1970 in het Pacific Coliseum in Vancouver gehouden concert van Phil Ochs, James Taylor en Joni Mitchell, dat als fundraiser voor het protest tegen het testen van nucleaire bommen in Amchitka, Alaska uiteindelijk aan de basis zou komen te liggen van het ontstaan van de hele Greenpeace-beweging. Hier was duidelijk sprake van een hoger belang dus en ondermeer dat gegeven maakt van deze bijna veertig jaar op de plank liggen gebleven opnames een echt hebbedingetje. Maar ook wat het louter muzikale aspect ervan betreft is deze lijvige collectie dik in orde. We krijgen hier een op de rand van haar definitieve doorbraak staande jonge Joni Mitchell, een ook nog maar 22 jaar oude James Taylor, die net zijn “Sweet Baby James” op de wereld had losgelaten, en protestzanger Phil Ochs in een reeks nooit eerder gehoorde opnames, met ondermeer enkele leuke duetten (Luister bijvoorbeeld maar eens naar Mitchell en Taylor samen in Dylans “Mr. Tambourine Man”!), allemaal in het teken van de hoop op een vredige toekomst natuurlijk. Alleen al voor het door Mitchell gebrachte materiaal loont een aanschaf van dit geheel wat ons betreft meer dan de moeite waard. Zalig gewoon, hoe ze hier met een nog kristalheldere stem doorheen songs als “Big Yellow Taxi” (Gekoppeld aan Larry Williams’ “Bony Maroni”!), Cactus Tree”, “My Old Man”, “Woodstock” en andere waadt. Goed voor zo menig een kippenvelmoment voor oude zakken als ons.

Amchitka Concert

 

CARUS THOMPSON “Creature Of Habit” (Valve Records / Proper)

(4****)

Wat een ongemeen mooie plaat, deze nieuwste van de Australische singer-songwriter Carus Thompson. Die dezer dagen vanuit Melbourne actieve knaap koppelt op dat vierde album van ‘m op adembenemende wijze rootspop à la Crowded House aan Americana genre een Slaid Cleaves en een Karl Broadie. En ondanks het feit dat hij het in zijn teksten wel érg regelmatig over de liefde heeft, levert dat een tiental liedjes op, die blijven uitnodigen om naar de repeat-toets van je CD-speler op zoek te gaan. Iets waaraan wat ons betreft in de eerste plaats die heerlijke lichthese van de man schuldig is. Doet eigenlijk best wel een beetje denken aan die van de al genoemde Cleaves. Een ander pluspunt zijn onmiskenbaar Thompsons liedjes. Heerlijk melodieuze kleinoden zijn dat, die zich ondermeer dankzij een lekker gediversifieerde muzikale invulling ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelen. Zo goed als elk nummer hier hengelt eigenlijk nadrukkelijk naar de gunsten van radiojongens met smaak. Met name op Radio 1 zouden in onze ogen songs als “For The Rest Of My Life”, “Creature Of Habit”, “On My Way” en andere absoluut niet misstaan. Dringend eens ergens gaan beluisteren luidt dan ook ons voor één keer wel dwingend advies! Je zal het je absoluut niet beklagen!

(By the way, op ’s mans webstek kan je momenteel bij wijze van kennismakertje gratis de E.P. “Live In Melbourne” downloaden!)

Carus Thompson

Valve Records

 

PATRICK BLOOM “Ghosts Of Radio” (Mud Dauber Records)

(4****)

Patrick Bloom herinneren we ons hier nog van twee uitstekende eerdere platen. Meer bepaald het in 2004 nog onder de naam Patrick Brickel uitgebrachte en door David Zollo gechaperoneerde “(Songs From) The Pink Sofa” en het vorig jaar verschenen “Moses”. Daarop presenteerde de beste man zich wat ons betreft al als één van de kroonprinsen van het alternatieve countrygenre. En die stelling wordt eigenlijk alleen maar bevestigd met zijn nieuwe, het sinds kort in de winkel liggende “Ghosts Of Radio”. Met zijn verre van perfecte, maar immer warme hese stem croont Bloom zich daarop een weg richting het kielzog van genregenoten als een Jeff Tweedy, die van de Jayhawks en in mindere mate ook wel Ray LaMontagne. “Ghosts Of Radio” bevat negen veelal eerder introverte liedjes, waarin naast Bloom zelf ook Eric Straumanis en Randall Davis (elektrische gitaren) en Billy en Megan Valencia (respectievelijk bas en orgel) aardig prominent aanwezig blijken. En ook David Zollo (piano) en het duo Lynne Hart en Greg Young (blazers) doen een alleraardigste duit in het zakje. Het resultaat is een heerlijk relaxt klinkend typisch najaarsalbum, waarop thema’s als paranoia, de dood, verliezen, sex en andere hand in hand gaan met nooit opdringerige, vaak tussen roots rock en alt. country twijfelende deunen, die Blooms reputatie alleen nog maar zullen verstevigen. Indie-Americana van het betere soort, vinden wij alvast.

Patrick Bloom

Mud Dauber Records

 

VARIOUS ARTISTS “The World Is Yours” (Floating World / Bertus)

(3***)

Het Britse Floating World heeft er zijn eerste jaar op zitten en dat zullen we geweten hebben ook. Het label blaast zijn eerste kaars uit met een prettig geprijsde verzamelaar met daarop materiaal van flink wat platen, die het dit jaar op de wereld afvuurde. Vertegenwoordigd zijn op “The World Is Yours” zo de Young Dubliners, Andy White, Mitch Ryder, Cracker, Bloodkin, Robin Trower, Eef Barzelay (En niet Barzeley, zoals de hoes vermeldt!), Umphrey’s McGee, Tom Ovans, Sharon Robinson, Steve Forbert, Beausoleil, Eileen Rose & The Holy Wreck, Gary U.S. Bonds, Jackie Greene (En niet Green, zoals de hoes vermeldt!), Toni Childs, Clem Snide en Ravi Coltrane. Een aardig gevarieerd parcours met andere woorden, waarover zich eigenlijk amper een kwaad woord laat uitspreken. Al geldt ook voor deze sampler weer, wat al voor zoveel andere ervoor van toepassing was. Het had allemaal nog zoveel leuker kunnen zijn, mocht men zich niet uitsluitend beperkt hebben tot reeds eerder uitgebracht materiaal. Enkele onuitgegeven tracks zouden het geheel alvast naar verzamelaars toe wat meer verkoopbaar hebben gemaakt. Maar goed, als teaser kan “The World Is Yours” er zeker mee door. Ook jij vindt er vast wel iets op terug, dat je in de richting van één van de behandelde releases zal drijven. En dat was uiteindelijk wellicht ook de enige bedoeling hierachter.

Floating World

Bertus

 

DAVE DESMELIK “Onlooker” (Dave Desmelik)

(3***)

Een door mij zeer gewaardeerde en gerespecteerde collega-recensent laat hoegenaamd geen gelegenheid onbenut om Dave Desmelik onder de lofbetuigingen te bedelven. En dat vind ik eigenlijk best wel een beetje vreemd. Meestal komen onze meningen over besproken artiesten immers vrij goed overeen en dat was in het verleden inzake de vanuit het westen van North Carolina actieve Desmelik niet echt zo. Ik vond wat Desmelik bracht weliswaar allemaal verre van slecht, maar al bij al toch ook net niet opvallend genoeg om ervan in een hoerastemming te geraken. En eerlijk gezegd overheerst datzelfde gevoel ook weer na het beluisteren van ’s mans zesde, het onlangs verschenen “Onlooker”. Daarop versmelt de Amerikaanse singer-songwriter als vanouds genres als (alt.) country, bluegrass, folk, blues en rock & roll. Hij doet dat in elf eigen songs en eentje waarvoor hij de hulp kreeg van Randy Brooks. Desmelik neemt naast de zangpartijen zelf ook gitaar, harmonica, banjo, mandoline, piano, pump organ en string bass voor zijn rekening. Gary Wiley, Josh Gibbs en Grady Wiley springen bij op respectievelijk akoestische bas, dobro, cajon en snare. Samen tekenen ze voor een set eerder braaf aandoende Americana-liedjes, die bij een eerste beluistering weliswaar nog aangenaam wegluisteren, maar die daarna al vrij snel verdwijnen in de grijze massa aan releases, die dezer dagen constant op liefhebbers van het genre wordt afgevuurd. Misschien moest Desmelik maar eens dringend op zoek gaan naar een goede producer. Die zou aan an sich verre van kwade songs als “Who saves?”, “Lucky Day” en “Row Of Motels” misschien wel dat beetje meerwaarde kunnen bezorgen dat ze nodig hebben om ook op wat langere termijn te blijven beklijven. Maar, misschien ben ik wel te streng… Zelf maar eens naar gaan luisteren dus zeker…

Dave Desmelik

CD Baby

 

DAVE RAWLINGS MACHINE “A Friend Of A Friend” (Acony)

(4,5*****)

Dit is een plaat, waar wij hier echt met hangende pootjes op hebben zitten wachten. De voorbije maanden verschenen op tal van muziekblogs reeds appetizers ervoor in de vorm van illegaal gemaakte en dus veelal kwalitatief gezien niet al te denderende live-opnames. Maar zelfs de povere geluidskwaliteit daarvan liet er toch niet de minste twijfel over bestaan, dat hier iets moois in de maak was. En dat vermoeden wordt nu met “A Friend Of A Friend” nog zoveel meer dan alleen maar bevestigd. Rawlings riep de naar hem vernoemde machine in het leven om op vrijblijvende basis wat nieuw materiaal te kunnen uittesten. Maar zoals dat wel vaker gaat, bleef het uiteindelijk niet bij die aanvankelijke intentie. Rawlings dook met z’n maatje Gillian Welch, toetsenmannen Benmont Tench van Tom Petty’s Heartbreakers en Nathaniel Wilcott van Bright Eyes, drummer Karl Himmel en Ketch Secor en enkele andere van zijn poulains van Old Crow Medicine Show de RCA B Studio in Nashville in om er samen “A Friend Of A Friend” in te blikken. Vijf van de negen songs daarvoor schreef hij ook samen met Welch. Verder bevat het album ook een eigen versie van het door Rawlings samen met Ryan Adams voor diens “Heartbreaker”-CD gepende “To Be Young (Is To Be Sad, Is To Be High)”, het met Ketch Secor uitgewerkte “I Hear Them All”, het door Jesse Fuller aangedragen “Monkey And The Engineer” en een ingenieuze medley van Bright Eyes’ “Method Acting” en Neil Youngs “Cortez The Killer”. Dat laatste liedje en tal van andere hier liggen erg dicht bij wat we ook Ryan Adams in zijn meer bezadigde momenten wel eens hebben horen doen. Er straalt een zekere herfstige melancholie vanaf, die er ogenblikkelijk een zweem van tijdloosheid aan verleent. Elders, zoals in het humoristisch opgevatte “Sweet Tooth”, “How’s About You” en het op zwierig fiddlewerk van Secor ronddansende “It’s Too Easy”, neigt Rawlings meer richting old-time stringband music met een scherp anno nu-randje. De beste man toont zich ook daarin voortdurend uitstekend bij stem en weet zich voortreffelijk aangevuld door een Welch ook al in vocale topvorm. Tot de beste resultaten leidt dat wat ons betreft in de weemoedige kleinoden “Ruby” en “Bells Of Harlem”. Die verdienen allebei de omschrijving “primus inter pares” op een album vol met lekkernijen voor muzikale fijnproevers.

 

BETTYSOO “Heat Sin Water Skin” (Bettysoo)

(4****)

Wat een mooie plaat! Dit kleine Aziatisch-Amerikaanse opdondertje levert met haar “Heat Sin Water Skin” voor ons één van dé verrassingen van 2009 af. Elf nummers lang hield ze ons al vanaf onze allereerste beluistering van haar nieuwe CD in haar ban. Zó en niet anders klinkt Texas anno nu dus op zijn best! In een productie van Gurf Morlix – Ook gitaren, bassen, pedal steel en wel meer! - en met verder een handje hulp van Mail Man Dave (drums en percussie), Todd Wilson (orgel), Gene Elders (viool) en Fred Remmert toont Bettysoo zich een bijzonder veelzijdig talent. Haar liedjes zijn gewoon af te noemen, haar zang is ronduit geweldig, beurtelings vertederend en ongemeen krachtig, en dan neemt ze ook nog eens een veelheid aan instrumenten voor eigen rekening. Neen, hier moet je echt onverwijld aan! Laat je verleiden door heerlijke songs als het swampy countryrockertje “Never Knew No Love”, fraaie Americana-ballades als “What We’ve Got” en “Just Another Lover”, de zeemzoete roots pop van “Whisper My Name”, het pittig rootsrockende duo “Who Knows” en “Get Clean” en het soulvol groovende “Forever” en je zal het al snel met ons eens zijn, dat dit echt een “straffe madam” is. En eentje met het hart op de juiste plaats bovendien ook nog, getuige daarvan haar intimistische cover van het door Jimmie Davis en Hank Williams gepende “Lonesome Whistle”, de uitzonderlijk mooie, enigszins folkgetinte afsluiter van een ook al uitzonderlijk mooie CD.

Bettysoo

Bettysoo op MySpace

 

LEO RONDEAU “Down At The End Of The Bar” (Leo Rondeau)

(4****)

“Down At The End Of The Bar”  is na “Bangs, Bullets And The Turtle Mountains” uit 2007 het tweede album van de vanuit North Dakota afkomstige songsmid Leo Rondeau. En dat is duidelijk een naam voor de toekomst. De beste man blijkt immers een echte meester in het produceren van onmiddellijk goed in het gehoor liggende, intelligente, zich met die van de allergrootsten in het Americana-genre meten kunnende liedjes. De elf nieuwe, die hij ons op “Down At The End Of The Bar” voorschotelt, schreeuwen als het ware om vergelijkingen met grootheden der aarde als een Townes Van Zandt, een John Prine en een Gram Parsons. Noem wat hij brengt gemakshalve maar Americana, al waren omschrijvingen als country rock, alternatieve country of gewoon country zeker zo goed op hun plaats hier. Feit is, dat het allemaal wel heel erg lekker is, wat Rondeau hier aanbiedt. Met zijn wat klaaglijk aandoende stem en de eigen akoestische als voornaamste partners in crime waadt de man doorheen elf eigen songs met de flair van een hele grote. Maats als Jim Stringer, Brennen Leigh, Lisa Pankratz, Cindy Cashdollar en anderen doen de rest. Samen maken zij van dingen als het met een snuif cajun en bluegrass gekruide opdondertje “No Friends To Louisiann”, het ongetwijfeld na het verzetten van hele sloten bier ontstane streepje weemoed “Down At The End Of The Bar”, het heel erg Parsons aandoende “You Ain’t For Me”, het zalig ouderwets countryrockende “Weary Owls”, het met name door zijn blazersinbreng ongegeneerd naar New Orleans knipogende “Rapture”, het muzikaal gezien zijn titel getrouw blijvende “Blues Came Today” en andere stuk voor stuk echte oorwurmen. Gaan we, als je het ons vraagt, in de toekomst nog héél veel van horen, van deze Leo Rondeau. In afwachting daarvan nemen we alvast graag voor een poosje genoegen met deze prima schijf!

Leo Rondeau

CD Baby

 

VINCE MELAMED “What Mattered Most” (Adroit Records)

(3,5****)

Ergens in ’86 besloot Vince Melamed om van L.A. naar Nashville te verkassen en dat is een beslissing, die hij zich tot op heden vast nog geen moment berouwd heeft. Of het moet zijn, dat hij het moeilijk heeft met het pas op de tweede plaats komen van zij eigen carrière als artiest. In Nashville groeide hij immers uit tot een bijzonder succesvolle songsmid. Liedjes van zijn hand als “Walkaway Joe”, “She’d Give Anything”, “I’ll Take That As A Yes” en “What Mattered Most” groeiden uit tot enorme “sellers” in de uitvoeringen van Trisha Yearwood, Boy Howdy, Phil Vassar en Ty Herndon. En ook heel wat andere in commerciëlere countrywateren actieve artiesten bedienden zich graag van de songs van broodschrijver Melamed. Een vreemde carrièrewending voor iemand, die ooit als sideman voor ondermeer Bob Dylan, Rodney Crowell, Dan Fogelberg, de Eagles, Bobby Womack en anderen actief was. En dus bleef er ook altijd wel een zekere hang naar de planken bestaan. Naar het leven op de bühne en on the road. Een nood, die door Melamed slechts ten dele verholpen werd door het in het leven roepen van bluegrass-collectief Run C&W. Echt volledig aan zijn trekken komt hij wellicht pas nu weer met “What Matters Most”, een album, waarop hij naast enkele nieuwe liedjes vooral zijn eigen kijk op door anderen tot hits gemaakte songs van zijn hand brengt. En het moet gezegd, zijn eigen versies klinken door de band genomen een stuk lekkerder dan die hitversies. Hij bewandelt daarin met veel brio het slappe koord tussen commerciële country, Americana en rock. Daardoor krijg je als het ware een tegenstelling tussen enigszins alternatief en toch gestroomlijnd, bijna glad zelfs. Topmomenten: erg mooie uitvoeringen van “What Mattered Most” en “Walkaway Joe” en vooral ook de in duet met Cheley Tackett gebrachte trage “Perfect Love Forbidden”. Dat laatste wordt vast nog wel eens een grote hit in de uitvoering van één of andere vast klant van Music Row.

Vince Melamed

Adroit Records

 

MATT THE ELECTRICIAN “Animal Boy” (Matt The Electrician / Lucky Dice Music)

(4****)

Matt The Electrician staat eigenlijk gewoon voor Matt Sever, een in San Francisco met de muziek van ondermeer Woody Guthrie en de Hollies opgegroeide, maar ondertussen vanuit Austin aan een muzikale toekomst timmerende ex-elektricien, die onlangs met “Animal Boy” één van de apartste platen afleverde, die ons ooit vanuit de Lone Star State bereikte. Sever grossiert daarop in uitermate aanstekelijke (rootspop)deuntjes, die gelijk vanaf het begin de meest uiteenlopende herinneringen oproepen. Nu eens denk je aan de jonge Paul Simon, dan weer aan Jonathan Richman, Sufjan Stevens of Eels. Severs niet zelden van een humoristische noot voorziene verhaaltjes verlenen zelfs aan de meest herfstige dag ogenblikkelijk een aangenaam zomers cachet. Dit is nog eens wat je noemt echte “feel good music”. En hoogst eigenzinnig aan de man gebracht bovendien ook nog eens!  Trompetje hier, speelgoedpiano daar, wat banjolele, kookpotten, jaw harp, enfin, je kan het eigenlijk zo gek niet bedenken of Sever maakt er hier wel ergens gebruik van. Hij nam het album overigens niet geheel en al alleen op. Zijn vaste partner in crime is Mark Addison, met wie hij ruim dertig verschillende instrumenten bespeelde. Verder stonden op de gastenlijst voor “Animal Boy” ook nog Danny Malone, Scrappy Jud Newcomb, Rhonda O’Donnell, Freedy Johnston, Sara en Roger Wood, Southpaw Jones, Seela en Tom Pearson. Zij werkten met z’n allen mee aan een schijfje dat eenvoud op subtiele wijze verheft tot genialiteit. De omschrijving “Warm aanbevolen!” is hier meer dan ooit terecht!

Matt The Electrician

Lucky Dice Music

 

BEN REEL “Time To Get Real” (Ben Reel)

(3,5****)

Ierland geniet al sinds jaar en dag een flinke reputatie, daar waar het singer-songwriters betreft. En met Ben Reel heeft het er weer eentje bij om trots op te zijn. Met “Time To Get Real” leverde de man zopas zijn vijfde album in tien jaar tijd af en dat is een erg knappe plaat geworden. Reel is begenadigd met een warme, een weinig soulvol aandoende stem, toont zich een waarlijk uitstekende songsmid en verbindt op vakkundige wijze genres als rock, pop, folk, Americana en blues in zijn nummers. Zelf noemt hij Bruce Springsteen en Neil Young als inspiratiebronnen, maar daar valt hier niet echt veel van te merken. Reel klinkt vooral als een original. Iemand met een eigen visie op het schrijven en brengen van liedjes. Iemand met een eigen geluid. En het zou ons dan ook absoluut niet verbazen, mocht hij gedragen door de songs op “Time To Get Real” binnenkort doorbreken op wat grotere schaal. Hij verdient het alvast ten volle! Liedjes als het wél een weinig aan Neil Young herinnerende “Rainy Night”, het op fraai ingetogen piano- en mondharmonicawerk voortkabbelende rootspopdeuntje “Summer’s Always Here”, het soulvol rockende “Feel Alive”, het bluesy stuiterende “Keep On Drivin’”, het zomerse, ergens tussen pop, folk en country residerende “Old & Wise” en andere zijn immers gewoon keigoed.

Ben Reel

Ben Reel op MySpace

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home