CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES DECEMBER 2014

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

SHELLEY KING “Building A Fire” - JACK KEROWAX “Jack Kerowax” - JIM MALCOLM “The Corncrake” - DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Medicine” - RAY PRICE “Beauty Is… The Final Sessions” - ANNIE KEATING “Make Believing” - G2 “Mind Over Matter” - JASON MCNIFF AND THE LONE MALONES “God Knows Why We Dream” - TRAILHEAD “Leave Me To Learn” - DEADMAN “The Sound And The Fury” - RICHARD LINDGREN “Sundown On A Lemon Tree” - MATT ELLIS “The Greatest Escape” - SUZANNE JARVIE “Spiral Road” - CAITLIN CANTY “Reckless Skyline” - DIVERSE ARTIESTEN “An Americana Christmas” - THE BALHAM ALLIGATORS “Bayou-Degradable” - SLOWFOX “Black Dog” - ERIC DEVRIES “Close To Home” - STEVE HILL “Solo Recordings Volume 2” - STONEY LARUE “Aviator”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

                                                                                                                                                                                                                                                        

SHELLEY KING “Building A Fire” (Lemonade Records)

(4,5*****)

Net als z’n voorganger, het goed en wel een jaar of vier geleden ook al samen met John Magnie, Tim Cook en Steve Amedée van de Subdudes ingeblikte “Welcome Home”, is ook Shelley Kings zevende weer een echte moordplaat geworden. En de titel ervan is wat ons betreft dan ook zeer op z’n plaats. “Building A Fire” indeed! De knappe Texaanse etaleert hier andermaal twaalf songs lang welk een vocaal oertalent ze wel is. Beter kom je ze naar onze bescheiden mening dezer dagen niet al te vaak meer tegen…

“Building A Fire” is wat je noemt een roots-totaalpakket. Het beste van meerdere werelden onder één dak. Je hoort hier zo bij herhaling bijvoorbeeld zowel Austin, New Orleans als Muscle Shoals in terug. Van bluesy ballades en gospeleske momenten tot zydeco en met country flirtende swamp pop, maar vooral tonnen aan soul zijn je deel! Met tal van nagenoeg onweerstaanbare eigen deunen als hoogtepunten. Als daar zijn bijvoorbeeld de heerlijk relaxte, zo ongeveer meteen tot meezingen uitnodigende rootspopdeun “The Ones You Don’t See Coming”, het onder meer door de fiddle van gast Warren Hood nadrukkelijk richting country-oorden gestuwde “1940’s Eyes”, het bedaard rockend een wel heel erg positieve boodschap uitdragende “Hard Times Are No Match For Sweet Dreams” of het gevoelige, vrijwel ogenblikkelijk door de geweldige samenzang erin opvallende “Moonlight”.

Van de twaalf deunen hier komen er overigens maar liefst tien uit de koker van King zelf. Eentje daarvan, het buitengewoon sensueel aan de man gebrachte “Things You Do”, schreef ze samen met collega Floramay Holliday, de rest gewoon in haar dooie eentje. Enkel de prachtige sleper “I Know I’ve Been Changed” en het “groovy” “When I Go Away” blijken vreemde eenden in de songbijt. Het eerste – Moderne gospel van het beklijvendste soort! – is op voortreffelijke wijze naar het hier en nu vertaald traditioneel songgoed, voor het tweede ging King in de leen bij de vermaarde Larry Campbell.

Voor de productie tekende King samen met de tandem Magnie-Amedée weer zelf. En aangevuld met Marvin Dykhuis en Sarah Brown vormde dat drietal ook de “core group” bij het tot stand komen van “Building A Fire”. Muzikale gasten als de al genoemde Warren Hood, Cindy Cashdollar, Carolyn Wonderland, Taylor Tesler, Robert Cline Jr., Russell Mefford, Billy Hunley en Tim Cook deden de rest. Al bleef hun rol veelal toch eerder beperkt.

Shelley King

 

JACK KEROWAX “Jack Kerowax” (St. Cait Record Company)

(3,5****)

Het mag hier dan ook nog maar hun debuutplaat betreffen, de truken van de foor hoeven we de vier youngsters van Jack Kerowax duidelijk al niet meer te leren. Die groepsnaam alleen al! Zelfs de aandacht van Beat Generation-boegbeeld Jack Kerouac zelf zouden ze er ergens ver daarboven wel eens heel even mee getrokken kunnen hebben! En al bijna even opvallend is de verpakking, waarin zingende songsmid Johnny Beauford en de zijnen ons hun eersteling aanreiken. Geen rooskleurige brilglazen immers voor de het zwart-wit-frontje van dat geheel sierende schone, maar wel gele. Het levert een hoogst apart plaatje op, moet ik zeggen.

En dat kan je eigenlijk ook wel stellen met betrekking tot de muziek op “Jack Kerowax”. De tien liedjes daarop slaan immers op aantrekkelijke wijze een brug tussen enerzijds Americana en anderzijds pop. Het ene moment blijkt daarbij de ene pool net wat zwaarder door te wegen, het andere moment de andere, maar interessant blijft het te allen tijde. En met bovendien ook enkele echte oorwurmen als resultaat! Met name het gitaargewijs her en der (subtiel) naar “Sweet Jane” van de Velvet Underground verwijzende “Huck Finn’s Hideout” en het moody “Fever” verdienen wat mij betreft die omschrijving nadrukkelijk. Verdere zeer “lekkere stukken”: het aanstekelijke, met een fraai streepje mondharmonica en wat saloon-stijl piano opgewaardeerde countryrockertje “Moonshine Barber”, eerste single “Ten Year War”, mooie trage “Violet” en het wel zeer radiogenieke “popdondertje” “Bliss”.

Niet meteen typisch Texaans spul, dit, maar als je het mij vraagt je aandacht wel meer dan waard! En al zeker als je, zoals de grote Kerouac indertijd zelve, vooral wordt aangetrokken door het onbekende.

Jack Kerowax

 

JIM MALCOLM “The Corncrake” (Beltane Records)

(4****)

Ik betrapte er mezelf onlangs op, dat ik daar waar het folk betreft nogal eens graag richting vrouwelijke singer-songwriters wil afdwalen. Kate Rusby, Emily Smith, Cara Dillon, Mary Black, Nancy Kerr, Eliza Carthy,… Aan vrouwelijk talent hoegenaamd geen gebrek in mijn persoonlijke collectie. Iets wat van de mannelijke collega’s van deze dames helaas niet gezegd kan worden… Eigenlijk is er maar één grote uitzondering op die regel en da’s de Schotse troubadour Jim Malcolm. Die is hier goed vertegenwoordigd. En dat allicht om exact dezelfde redenen als die vrouwelijke collega’s. Net als hen is Malcolm naast een prima songsmid immers vooral een fantastische vertolker. Met zijn prachtige stem was hij in het verleden al verantwoordelijk voor zo menig een pijl dwars doorheen dit luisteraarshart hier. De warme gloed die ervan afstraalt is gewoon hemels.

En veel meer nog dan in ’s mans eigen materiaal valt dat op in z’n vertolkingen van klassiek Schots songgoed. Dat mochten we voor het eerst nadrukkelijk vaststellen op z’n vorig jaar verschenen elfde album “Still”. Daarop waagde Malcolm zich, daartoe aangezet door z’n ondertussen helaas overleden Amerikaanse vriend Brent Rutherford, onder meer aan vertolkingen van Schotse klassiekers als “The Baron O Brackley”, “Erin Go Bragh”, “Jock O Hazeldean”, “Pills Of White Mercury”, “Queen Amang The Heather”, “Bonnie Woodhall” en “McPherson’s Rant”. En het resultaat van dat “labour of love” was naar onze bescheiden mening van een werkelijk adembenemende schoonheid. “Still” was een plaat, die je ook aan doorgaans niet echt folkminnende muziekliefhebbers durfde aan te bevelen.

En dat geldt misschien nog wel net iets meer voor Malcolms zopas verschenen nieuwe cd “The Corncrake”. Da’s als het ware het logische verlengstuk van “Still”. Met opnieuw elf veritabele songschoonheden als verkoopsargumenten voor het recentere werk van Malcolm erbij. Traditionals als “The Merchant’s Son”, “The Bonny Earl O’ Moray”, “Clerk Saunders”, “Tattie Jock”, “Kelvin’s Purling Stream”, “The Echo Mocks The Corncrake”, “My Mary”, “The Cruel Mither”, “When I First Came To Caledonia” en “Twa Recruitin’ Sergeants” werden samen met echtgenote Susie (Heerlijk harmonieerwerk!), Pete Clark (fiddle), Marc Duff van Capercaillie (fluiten en bodhrán), Scooter Muse (banjo) en Dave Watt (keyboards en melodica) op vaardige wijze klaargestoomd voor een geïnteresseerd publiek anno nu. Malcolm (gitaren, harmonica’s, percussie en zang) en z’n wederhelft betoveren daarbij vrijwel voortdurend met hun stemmen. En het zou ons dan ook geenszins verwonderen als de beste man bij de volgende uitreiking van de Scots Trad Music Awards andermaal met de hoofdvogel zou gaan lopen. Dit is allemaal zó uitnodigend! Echt uitermate geschikte muziek voor de tijd van het jaar! Je krijgt het er immers ogenblikkelijk heel erg warm van vanbinnen…

Een echt “thing of beauty” en om het met de woorden van de grote John Keats te zeggen dus ook “ a joy for ever.” Warm aanbevolen!

Jim Malcolm

 

DREW HOLCOMB AND THE NEIGHBORS “Medicine” (Magnolia Music)

(4****)

Ik mag ‘m wel, de dezer dagen vanuit Nashville actieve zingende songsmid Drew Holcomb. Samen met z’n uit z’n vrouw Ellie (zang en gitaar), Nathan Dugger (gitaar en keyboards) en Rick Bringfield (bas) bestaande band The Neighbors grossiert hij al ruim tien jaar lang in bijzonder lekker in het gehoor liggende Americana. Het ene moment aardig poppy, het andere juist ongemeen soulvol. Nu eens eerder introspectief, dan weer rockend als de besten. Onder het motto “Music is Medicine” kan bij Holcomb veel.

Met het leven van alledag als een schijnbaar schier onuitputtelijke bron van inspiratie schildert Holcomb hier in een met de je misschien ook wel van z’n werk met onder anderen Josh Rouse, Ben Folds en KD Lang bekende Joe Pisapia gedeelde productie een twaalftal uitermate fraaie miniatuurtjes. Onder meer thema’s als het huwelijk, vriendschap, loyaliteit, geloof en vervreemding komen daarbij tekstgewijs aan bod.

Enkele van de wat ons betreft meest beklijvende momenten zijn de volgende prachtliedjes: het z’n titel in al z’n eenvoud echt wel helemaal waarmakende openingsnummer “American Beauty”, het zich buitengewoon laidback gaandeweg tot een echte oorwurm ontwikkelende “Here We Go”, het heerlijk bezield gebrachte trage tweetal “Avalanche” en “You’ll Always Be My Girl” en vooral ook de gloedvolle, ergens in de buurt van The Boss en z’n E Street Band strandende Heartland rocker “The Last Thing We Do”.

“Medicine” zal pas eind januari van volgend jaar in de winkels komen te liggen. Je kan het album via Holcombs eigen webshop echter nu al voorbestellen en dat levert je dan als extraatje meteen ook de EP “Live From Tennessee” op. En er is nog meer: bij wijze van voorsmaakje op hun nieuwe worp bieden Holcomb en co momenteel via het onvolprezen NoiseTrade gratis voorganger “Good Light” aan. Ook een prima plaat!

Drew Holcomb And The Neighbors

 

RAY PRICE “Beauty Is… The Final Sessions” (Amerimonte Records)

(3,5****)

Met “Beauty Is… The Final Sessions” wordt ons de kans geboden om op gepaste wijze afscheid te nemen van één van de allerbeste countryzangers ooit. Want dat was hij ontegensprekelijk, de op 16 december van vorig jaar in z’n thuisstaat Texas aan alvleesklierkanker overleden Ray Price. Met die werkelijk monumentale stem van ‘m als z’n voornaamste bondgenoot reeg hij jarenlang de hits aan elkaar. “Crazy Arms”, “For The Good Times”, “I Won’t Mention It Again”, “The Same Old Me”, “Invitation To The Blues”, “I’ve Got A New Heartache”, “Who’ll Be The First”, “Make The World Go Away”, “My Shoes Keep Walking Back To You”, “You Done Me Wrong”, “Heartaches By The Number”, ach, het lijstje is schier eindeloos… En zo ook ons respect voor de beste man eigenlijk. Als Price zong, dan zwegen we. En dan genoten we vooral ook! En dat doen we nu nog één laatste keer…

Met ‘s mans amper twee maanden voor z’n dood ingeblikte laatste opnamen met name. Die werden in oktober 2013 onder de productionele hoede van de grote Fred Foster in diverse studio’s in Nashville ingeblikt. Twaalf nummers in totaal, waarin Price nog één laatste keer echt mag schitteren. Niet zelden behoorlijk nostalgisch van aard, zoals we dat bijvoorbeeld ook kennen van de laatste platen van wijlen Johnny Cash. Titels als “No More Songs To Sing”, “An Affair To Remember” (Een duetje met Martina McBride!), “Among My Souvenirs”, “I Wish I Was 18 Again” en andere spreken wat dat betreft boekdelen. Price wist wel degelijk, dat zijn aardse dagen zo goed als geteld waren. Hij neemt zelfs daadwerkelijk afscheid van zijn fans in een persoonlijke boodschap op het hoesje van de plaat: “I’m going to be just fine. Don’t worry about me. I’ll see you again one day.” En weg was hij…

Ons achterlatend met z’n door “Beauty Is…” nog net wat rijker dan voorheen gevulde muzikale testament. De warmte afstralend van liedjes als het met Vince Gill gedeelde “Beauty Lies In The Eyes Of The Beholder”, de pianoballade “This Thing Of Ours”, het fraai gecroonde “I Can See You With My Eyes Closed”, de met heel mooi akoestisch gitaarwerk gelardeerde trage “It Always Will Be”, “Until Then”, een bedaard, maar nadrukkelijk op Texaanse dansvloeren mikkende tweede samenwerking met Vince Gill, het al eerder even genoemde “I Wish I Was 18 Again” en zowat alle andere hier maakt afscheid nemen van Price wat makkelijker en tegelijk net ook heel moeilijk. Iemand die dit allemaal nog kan, hadden we immers graag nog wat langer in ons midden gehouden..

Warm aanbevolen!

Ray Price

 

ANNIE KEATING “Make Believing” (Annie Keating)

(4,5*****)

Een nieuw album van Annie Keating is altijd wel weer iets om naar uit te kijken. Dat zou u ondertussen eigenlijk al moeten weten. De Amerikaanse behoort na goed en wel tien jaar activiteit immers ontegensprekelijk in de bovenste schuif der zich met Americana inlatende vrouwelijke singer-songwriters thuis. Ergens heel dicht in de buurt van grote madammen als een Lucinda Williams, een Patty Griffin, een Gillian Welch, een Rosanne Cash en anderen. Die status heeft ze zich wat ons betreft met name met de drie laatste van haar vijf al eerder verschenen platen, “Belmont”, “Water Tower View” en “For Keeps”, meer dan verdiend. Daarop ontbolsterde Keating tot iemand om in de toekomst echt rekening mee te gaan houden. Knappe zangpartijen erop koppelend aan ijzersterke liedjes veegde ze met die drie schijven elk aanvankelijk nog mogelijk gebleven restje aan twijfel resoluut van de tafel.

En met haar nieuwe worp, het medio januari van volgend jaar te verschijnen “Make Believing”, doet ze daar zelfs nog een schepje bovenop. Dat is immers een bescheiden meesterwerk. “Thrills!” belooft de achterzijde van het hoesje ervan nogal opzichtig en die krijgen we dan ook. Songgewijs met name. Met de ene veritabele beauty na de andere. Want hoe moet je dingen als “Coney Island”, “Sunny Dirt Road”, “I Want To Believe”, “Foxes”, “Know How To Fall”, “One Good Morning” en heel wat andere hier anders noemen? Echte schoonheden zijn het. Liedjes, die je al na één enkele beluistering absoluut niet meer wil missen!

Vooral dan het zich over een hoogst aangenaam schuifelritme gestaag richting het luisteraarshart voortbewegende “Coney Island”, het wat ons betreft echt perfect de sfeer uitgaand van het erin bezongen onderwerp capterende “Sunny Dirt Road”, het nerveus rockende “I Want To Believe”, het qua sound best wel wat richting Daniel Lanois’ werk met Emmylou Harris overhellende “Foxes” en het bij nader inzicht behoorlijk zomers opgevatte “Sink Or Swim”. Maar we zullen het hier voor alle duidelijkheid toch nog maar eens even herhalen: zoeken naar ook maar één enkel minder moment zal je hier vergeefs doen. Ook het volop van z’n eerder introverte natuur levende “Just Up Ahead”, het met een dosis twangy opgewektheid opgewaardeerde “Know How To Fall”, het voorzichtig wat richting bluegrass overhellende “One Good Morning”, de ballads “Lost Girls” en “Still Broken” en het afsluitende “If You Want To Fly” zijn immers echte prachtdeunen.

De eerste echte aanrader voor 2015 is hiermee meteen alweer een feit.

Annie Keating

 

G2 “Mind Over Matter” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Mind Over Matter”, na “Where All The Grass Grows” uit 2007 en “Untapped Roots” van zo’n vier jaar geleden het ondertussen toch ook al derde album van het Zweedse vijfmanschap G2, hinkt een beetje op twee gedachten. Voor de roots van dat onder de productionele auspiciën van de onder meer om zijn werk met Alison Krauss, Della Mae, T Bone Burnett, Tim O’Brien en Darrell Scott al veelvuldig geprezen Erick Jaskowiak in Nashville opgenomen songelftal dienen we nog wel af te zakken richting het traditionele bluegrassgegeven, maar het moge tegelijk van meet af aan ook al duidelijk zijn, dat hier toch nog wel wat meer leeft ook. Daardoor wellicht mede geïnspireerd door het recente succes van acts als Mumford & Sons en aanverwante doen Christoffer Olsson en de zijnen hier wat ons betreft een meer dan verdienstelijke poging om het genre ook voor jongere generaties muziekliefhebbers wat aantrekkelijker te maken.

Ze zorgen alleszins voor flink wat meer popappeal. En net als bij het genoemde Britse gezelschap gebeurt dat niet zelden door aan de banjo (Jens Koch) en de mandoline (Erik Igelström) een behoorlijk prominente rol toe te dichten. Luister bij gelegenheid maar eens naar liedjes als “In The Light Of Day”, “Green Pastures”, de Sarah Siskind-cover “How Hard To Be True” en “My Weary Heart” en je zal allicht meteen begrijpen wat we daarmee precies bedoelen.

Anderzijds zijn er echter ook nog voldoende momenten die het rechtvaardigen om “Mind Over Matter” aan doorgewinterde bluegrassfans aan te bevelen. Het wervelende “Move On” is er zeker zo één, het ons bij nader inzicht best wel wat aan Ricky Skaggs herinnerende “You Search You Find” ook, en niet te vergeten, het buitengewoon sfeervolle, bij de Zweedse folkband Väsen geleende instrumentaaltje “Lindblad”. Dat laatste vormt met de eerder al genoemde Siskind-compositie en “Something On The Wind” van het duo Jon Weisberger en Jeremy Garrett (Infamous Stringdusters) meteen ook de volledige vreemde inbreng op “Mind Over Matter”, dat voor de rest uitsluitend nummers van de hand van Christoffer Olsson en een enkele keer ook Erik Igelström bevat.

G2, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JASON MCNIFF AND THE LONE MALONES “God Knows Why We Dream” (Tombola Records)

(3,5****)

Ondertussen al ruim een decennium lang schrijf ik op min of meer regelmatige basis mijn mening over muziekjes neer. En ik denk in eer en geweten te mogen stellen, dat er in die lange periode maar weinig platen geweest zijn, die mij op de keper beschouwd zó diep hebben weten te raken als het me in 2003 door Jason McNiff bezorgde “Nobody’s Son”. Ook nu nog belandt dat album met enige regelmaat in de cd-speler. En ook nu nog weet het me in al zijn eenvoud keer op keer volop te bekoren. Net als het in 2011 verschenen “April Cruel” trouwens, dat in dat jaar heus niet zomaar in de jaarlijst van Ctrl. Alt. Country belandde.

En ik durf dan ook te zeggen, dat ik met iets meer dan gemiddelde interesse heb zitten wachten op “God Knows Why We Dream”, het nieuwe album van de Britse songsmid met roots in Polen en Ierland. Wat daarop meteen opvalt, is dat het eigenlijk om een soort van “team effort” gaat. McNiff schreef weliswaar nog alle dertien nummers erop zelf, maar hij liet er zich vast voor bijstaan door de Lone Malones. Te weten de in haar huidige thuishaven Londen veelgevraagde Poolse violiste Basia Bartz, de onder meer ook van Ahab bekende drummer Neil Marsh en bassist John Nicholls.

Samen tekenen zij voor een aangenaam gevarieerd, maar al bij al toch wat minder beklijvend werkstuk dan de hoger genoemde voorgangers. In een productie van Nicholls worden flink wat roots-straatjes aangedaan. Gaande van alternatieve country en Americana (het hypernerveuze “Heart Of A Poet” en het voorzichtig richting bluegrass overhellende “Coming Back To Life”) over eigentijdse folk (opener “The Picture”, titelnummer “God Knows Why We Dream” en het verstilde “Sicily”) tot roots(y) pop en rock (het melodieze mijmerdeuntje “Green”, “Brockdish” en “Shy Truth”).

De primus inter pares is wat mij betreft het met subtiel koperblaaswerk op smaak gebrachte “A Different Word”. Dat laatste mag wat mij betreft zo mee op het lijstje met McNiffs glansdaden “so far”. Het is het soort van warmbloedig popdeuntje, dat je op druilerige najaarsnamiddagen maar wat graag als soundtrack om je heen weet.

Jason McNiff & The Lone Malones

 

TRAILHEAD “Leave Me To Learn” (Timezone)

(4****)

Het is niet voor het eerst, dat we hier een lans breken voor de vanuit Oost-Berlijn actieve zingende songsmid Tobias Panwitz. Onder de nom de plume Trailhead stal die ondertussen zowat anderhalf jaar geleden ons hart met z’n tweede langspeler “Bodies In The Basement”. Met een uitgelezen selectie uiterst melodieuze Americana- en rootspopliedjes met “een zekere hang naar de jaren zestig en zeventig” wist hij ons toen meteen voor zijn zaak te winnen.

En het is dan ook met het nodige plezier, dat we hier en nu vaststellen, dat Panwitz ons op z’n nieuwe worp “Leave Me To Learn” uitgebreid van meer van hetzelfde meent te moeten bedienen. Muzikale referentiepunten blijven ook nu weer dertien nummers lang Crowded House, Ron Sexsmith en Jackson Browne. Allicht niet geheel toevallig drie hier bij Ctrl. Alt. Country ook zeer graag geziene en gehoorde gasten. Net als die acts bedient ook Panwitz zijn publiek graag van intelligente, goed in het gehoor liggende luisterdeuntjes met lange houdbaarheidswaarde.

Echte uitschieters zal je mede daardoor op “Leave Me To Learn” niet aantreffen. De plaat scoort naar onze bescheiden mening vooral als geheel goed. Je zal met plezier ook deze nieuwe muzikale road trip weer helemaal uitzitten. Terwijl ergens diep in Panwitz’ binnenste de nood aan stabiliteit een aardig robbertje uitvecht met z’n van nature uit rusteloze ziel ontstaan quasi “en passant” tal van muzikale delicatessen. Muziekjes, zoals wij ze maar wat graag wat meer uit de luidsprekers van onze radio zouden horen schallen. Muziekjes, die ons op de één of andere manier volop herinneren aan veel eenvoudigere tijden… Een aanradertje!

Trailhead, Bandcamp

 

DEADMAN “The Sound And The Fury” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(2,5***)

Dit moet voor mij persoonlijk zowat dé afknapper van het jaar zijn… Met zijn zevende langspeler vloert Steven “Deadman” Collins zichzelf wat mij betreft zo goed als volledig. Weinig of niets herinnert hier immers nog aan de knappe Americana en roots rock, die de beste man in een nog niet zo heel erg lang vervlogen verleden onder meer vergelijkingen opleverden met groten der aarde als een Dylan, een Van Morrison, The Band en anderen.

Gelijk van bij openingsnummer “The Sound And The Fury” verandert hij het muzikale geweer resoluut van schouder. Daarin gaat de klok immers nadrukkelijk op rock. Messcherpe, maar vooral ook heel erg luide gitaren dicteren daarin overduidelijk de wet. En dat is ook zo in het meteen daaropvolgende duo “No Sugar” en “The Rich Man And The Poor Man”.

Wat verderop gaat het er weliswaar weer wat rustiger aan toe, maar het rootselement blijft veelal toch erg ver te zoeken. “Is This The World We Want?” laat zich zo bijvoorbeeld onderverdelen in het vakje indie pop en het vervolgens vanuit een behoorlijk dreigend aandoende achtergrond opduikende “Ozymandias” blijkt op de keper beschouwd meer soundscape dan liedje. Wel knap: het bedaarde tweetal “Raise Up!” en “Catch Me If I Should Fall” en het me van ondertoon een weinig aan U2 in z’n rustigere momenten herinnerende “I Will Tremble”. Daarin schuilt mits het nodige promotiewerk naar mijn gevoel zelfs een bescheiden hitje!

Deadman, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

RICHARD LINDGREN “Sundown On A Lemon Tree” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ontgoochelen deed de Zweedse singer-songwriter Richard Lindgren ons in het verleden eigenlijk nog nooit. En dat doet hij ook ditmaal weer niet. Voor “Sundown On A Lemon Tree” liet hij zich bij nader inzicht inspireren door “la bella Italia”. Heel wat van het materiaal op die nieuwe van ‘m schreef hij zelfs ter plaatse, toen hij er tijdens het voorbije voorjaar tourde.

Daarnaast bevat het album met een herinterpretatie van de Stephen Foster classic “Hard Times”, een onder meer door de knappe interactie tussen piano en akoestische bas erin heerlijk dronken aandoende, wat jazzy versie van Jimmie Rodgers’ “My Blue Eyed Jane”, een hoogst aparte, zelfs deels in het Italiaans gebrachte uitvoering van de Dean Martin evergreen “Return To Me” en een pakkende lezing van de Ierse traditional “Danny Boy” ook flink wat covers. Nummers, die in het verleden live en onder de douche al wel vaker nuttig waren gebleken, aldus Lindgren zelf daarover.

Maar dé echte snoepjes, dat zijn hier toch vooral weer Lindgrens eigen nieuwe liedjes. Met voorop het ons best wel wat aan het materiaal van gerespecteerde collega’s als een Joe Henry en een Steve Forbert herinnerende titelnummer, de prachtige pianoballade “If I Ever Walked Away” en het verstilde, bijna pijnlijk mooie “Hobo And Marina”.

Het wordt eigenlijk hoog tijd, dat deze man eens wat meer platen begint te verkopen! Veel beter worden singer-songwriters dezer dagen immers niet al te vaak meer gemaakt…

Richard Lindgren, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

MATT ELLIS “The Greatest Escape” (Krow Pie)

(3,5****)

Matt Ellis is al een poosje een graag geziene gast ten huize Ctrl. Alt. Country. Of beter nog: een graag gehoorde. Steeds opnieuw weet de ondertussen al bijna tien jaar in Californië woonachtige Australische singer-songwriter bij ons de juiste snaar te raken. Met zijn rauw-hees-tedere stem als z’n voornaamste bondgenoot strooit hij nu al vijf albums lang driftig met rootsrock-kleinoden met hoge houdbaarheidsfactor in het rond. Rock, country en folk vormen in zijn vaardige (schrijvers)handen een onlosmakelijk verbonden drie-eenheid, die steevast richting ook wel eens door knapen als Neil Young, Tom Petty, Paul Westerberg en Ryan Adams gefrequenteerde regionen leidt. Ook nu weer.

Grootste verschil met voorganger “Births, Deaths & Marriages” uit 2010 is het zo goed als volledig ontbreken van een muzikale gastenlijst “this time around”. Voor “The Greatest Escape” deed Ellis immers een beroep op de groep muzikanten, die hem sinds de promotieronde voor zijn vorige plaat steeds trouw is gebeleven. Josh Norton (diverse gitaren en backing vocals), Fernando Sanchez (drums en percussie), Tim Walker (pedal steel en elektrische gitaar), Grant Fitzpatrick (bas) en zijn vrouw Vavine Tahapeni (zang) met name. Aangevuld met toetsenist Nick Luca, bijkomende bassist Sean Rogers (double bass), een enkele keer de elektrische gitaar van Naim Amor en wat additionele percussie door Winston Watson een meer dan degelijke voedingsbodem voor de twaalf er ons op aangereikte nieuwe songs, zo blijkt.

Goed voor een op de keper beschouwd weer wat ruwer geluid dan op ’s mans recentere worpen. En heel af en toe best ook wel wat schatplichtig aan de voor opnameoord Tucson zo kenmerkende atmosfeer. Op z’n best is Ellis daarbij naar onze bescheiden mening met name in de wat rustiger uitgevallen tracks. We denken dan bijvoorbeeld aan het nogal dromerig uit de hoek komende “Texas Sky” en aan de fraaie “alt.-country wailer” “Seven Years At Sea”. Maar zeker ook niet te versmaden zijn voorts ook nog het hoogst aangenaam “voorbijtwangende” “I Know A Killer”, de aardig Youngiaans aandoende eerste single “On The Horizon” en het eerder ook al als ommekantje van deze laatste aangeboden danklied “Thank You Los Angeles”.

Matt Ellis

 

SUZANNE JARVIE “Spiral Road” (Suzanne Jarvie)

(4****)

Suzanne Jarvie? Nog nooit van gehoord… Dat was mijn eerste reactie, toen mij gevraagd werd, of ik misschien geïnteresseerd was om wat te schrijven over het album “Spiral Road” van die vanuit Toronto actieve Canadese. Geïntrigeerd door het verhaal achter die plaat ging ik echter toch in op het verzoek. En gelukkig maar ook! “Spiral Road” blijkt immers één van dé aangenaamste verrassingen van het nu bijna voorbije kalenderjaar.

Jarvie bleek op de keper beschouwd met het voorliggende album pas aan haar debuut toe. Geruime tijd schoof ze haar zich tijdens haar jongere jaren voorzichtig aandienende muzikale aspiraties aan de kant voor een rol als advocate, echtgenote en liefhebbende moeder van vier kinderen. Een bewuste keuze voor een min of meer stabiel leven als antidotum voor de morele schade opgelopen op haar veertiende, toen haar eigen ouders op pijnlijke wijze uit elkaar gingen. Maar dat laatste zou al snel niet de enige kwalijke verrassing blijken, die het leven zelve voor de Canadese in petto had. Zo moest haar jongste zoon bijvoorbeeld nog voor hij twaalf werd tot tweemaal toe een open hartoperatie ondergaan. En haar oudste werd zelfs nog harder getroffen door het lot. Die kwam na een stevige val van een trap immers in een diep coma terecht en geruime tijd zag het er naar uit, dat hij zijn onfortuinlijke tuimelperte niet zou overleven. Ik hoef u allicht niet te vertellen, dat het leven van Suzanne Jarvie hierdoor serieus op z’n kop kwam te staan. Het verdriet om en de zorg voor haar zoon gingen haar bestaan begrijpelijkerwijze tijdelijk zo goed als volledig bepalen. En vrijwel gelijktijdig met diens wonderbaarlijke genezing zou ook de grote ommezwaai waaraan we haar eersteling te danken hebben er komen. Quasi uit het niets was er plots de zin en inspiratie voor een eerste liedje. En één werden er al snel meer. Met haar eigen ervaringen tijdens de voorbije zwarte dagen als een schier onuitputtelijke bron van inspiratie zette Jarvie het op een cathartisch schrijven. Het resultaat: een collectie wonderschone, diep ontroerende, op het pijnlijke af persoonlijke liedjes.

Liedjes, waarvoor Jarvie zich ondermeer liet inspireren door het werk van wijlen Gram Parsons en Emmylou Harris samen. En Americana, traditionele country, bluegrass, pop en rock vormen er alvast de voornaamste bestanddelen van. In een productie van Hugh Christopher Brown en met een heus “dream team” aan lokale topmuzikanten als diezelfde Brown, Gregor Beresford, Rob Bertola, Burke Carroll, Tim Bovaconti, Eric Schenkman, Tony Scherr, Jason Mercer, Mickey Raphael, Christian Doscher en Elijah, John en James Abrams te harer beschikking nam Jarvie voor haar visitekaartje elf van haar eigen liedjes op. En die zijn echt zonder uitzondering van een beklijvende schoonheid.

Luister bij gelegenheid maar eens naar het door de legendarische Holmes Brothers van fraaie backing vocals voorziene openingsnummer “Before And After”. Je zal ons daarna allicht zeer snel in onze mening bijtreden… Dat zich tekstueel met een mogelijk nakend einde inlatende Americana-kleinood zou op het repertoire van de grote Emmylou Harris immers absoluut niet hebben misstaan. Zelfs een zekere stemgelijkenis met de countrydiva laat zich daarin bij nader inzicht aanwijzen. Ook onwaarschijnlijk mooi: het zich op z’n Neil Youngs over het mysterie van het voorbije genezingsproces buigende titelnummer en het heerlijk weemoedig gebrachte alt-country-walsje “2458”. Hoegenaamd nergens heb je in nummers van dat kaliber het gevoel te maken te hebben met een debutante. Wel integendeel! Dit klinkt zo af allemaal… Ongelooflijk! Jarvie bedwelmt je als het ware met haar ongemeen performante stem, ze betovert nog net wat meer met haar indringende teksten en wat de muzikale invulling van het geheel betreft werd, zoals eerder al even aangekaart, ook absoluut niets aan het toeval overgelaten.

Neem het daarom maar van ons aan: liedjes als het hoger al genoemde drietal, het ingehouden rockende “ontwaakliedje” “Never Gonna Stop”, de vertederende (country)ballade “Tears Of Love”, de knappe rootspopdeun “Enola Gay”, het op geheel natuurlijke wijze enkele flarden uit Charlie Chaplins “Smile” in zich integrerende “Shrieking Shack” en andere wil je absoluut niet missen!

Suzanne Jarvie

 

CAITLIN CANTY “Reckless Skyline” (Caitlin Canty)

(4,5*****)

Wie op vrijdag 5 december naar de N9 in Eeklo denkt af te zakken om er het optreden van singer-songwriter Jeffrey Foucault en z’n gelegenheidssecondant Billy Conway (drummer van de legendarische alternatieve rockband Morphine) bij te wonen, doet er goed aan om daar vooral tijdig te arriveren. Het voorprogramma dat beide heren met zich meebrengen valt immers ook absoluut niet te versmaden. Dat menen we tenminste te mogen afleiden van hetgeen we te horen kregen op de binnenkort te verschijnen derde cd van Caitlin Canty. “Reckless Skyline” heet die en hij is werkelijk tot de nok toe gevuld met topmateriaal. Americana van het allerbeste soort!

Foucault tekende voor de productie ervan. En zelf stond hij ook in voor heel wat backing vocals en bijdragen op tal van gitaren. Billy Conway drumde, de je misschien wel uit de entourage van Booker T bekende Jeremy Moses Curtis bepotelde de bas, Eric Heywood deed z’n ding op de pedal steel en de elektrische, Harris Paseltiner op de cello, Kate Lorenz droeg wat zangpartijen bij en Matt Lorenz ten slotte stond in voor de afwerking van het geheel op harmonium, piano, banjo en fiddle. Tot zover het personeelsaspect van “Reckless Skyline”.

Een soort van bescheiden all-star team dus, dat Canty op haar nieuwe plaat naar tot dusver ongekende hoogten stuwt. Gelijk van bij het bezwerende openingsnummer “Get Up” weet je het al: hier staat iets speciaals te gebeuren. Wellustig woelt Canty’s sensuele altstem daarin tussen door Heywoods pedal steel kleurgegeven muzikale lakens rond. We kregen het er hier de eerste keer gelijk al even heel erg warm van… En dat zou niet de laatste keer zijn ook! Ook het op een onthaast R&B-motiefje geënte “True”, het door omineus tromgeroffel ingeleide slow-rockertje “One Man”, de schitterende ballade “My Love For You Will Not Fade” en het op bedaarde, maar buitengewoon knappe wijze met het gegeven Americana omspringende “The Brightest Day”, om er maar enkele te noemen, zijn echte plaatjes van songs. Met als stralende middelpunt van de belangstelling telkens weer de iets magisch over zich hebbende zang van Canty. Als Canty zingt, luister je. Zo simpel is het! Geen ontkomen aan…

Haar ook al ijzersterke teksten doen de rest. Ook in de overige nummers hier, zoals de ingehouden rockende, samen met Matt Lorenz gepende Americana-deun “Enough About Hard Times”, het eerder bluesy ingevulde “Wore Your Ring”, het schokschouderend (roots)rockende “My Baby Don’t Care”, het in al z’n eenvoud bezwerende “Southern Man”, het tekstgewijs aan deze collectie haar titel verlenende folkdeuntje “I Never” en afsluiter “Cold Habit”. De enige cover hier is er één van Neil Youngs “Unknown Legend”. En ook die bezorgde ons zowat terstond het nodige kippenvel.

Derhalve alvast maar met stip genoteerd in onze agenda: 5 december, N9, Eeklo, Foucault, Conway en Canty. Zou u ook moeten doen! U zal er zich allicht Canty’s officieel pas op 20 januari van volgend jaar verschijnende nieuwe nog ruimschoots voor de winkeldatum kunnen aanschaffen. En ook dat zou u eigenlijk ook moeten doen! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Caitlin Canty

 

DIVERSE ARTIESTEN “An Americana Christmas” (New West / Warner Music)

(3,5****)

Ik hou niet zo van Kerstmis. Het “schone” gevoel erachter, tot daaraan toe. Maar het totaal opgefokte van die eindejaarsdagen, bah… De bijna letterlijk zichtbare eurotekens in zo menig een stel voor de gelegenheid overvriendelijke handelaarsogen, de obligatoire lichtjes overal, constant melige muziek in de ether, neen, dank u, voor mij hoeft het echt niet…

Maar goed, misschien houdt u er wel van. Misschien vindt u het zelfs wel allemaal fantastisch! En wie ben ik dan om u uw pretje te willen ontzeggen. Neen, neen, doet u maar… Misschien heb ik zelfs nog wel een goede tip voor u! Ook als liefhebber van Americana heeft u immers recht op de best mogelijke Kerstmis. En misschien heb ik daarvoor wel dé ideale soundtrack. Het album “An Americana Christmas” meer bepaald. Dat koppelt zes gloednieuwe kerstliedjes aan een stel al wat oudere.

Tot die laatste categorie behoren “Everything Is Cool” van John Prine, “The First Noel” van Emmylou Harris, “The Gifts They Gave” van wijlen Johnny Cash, “Run Run Rudolph” van Dwight Yoakam, “Must Be Santa” van Bob Dylan, “Everybody Deserves A Merry Christmas” van Ronnie Fauss, “Seasons Of My Memory” van Max Gomez, “Les Trois Cloches” van Ben Keith (met Neil en Pegi Young), “Here It Is Christmas Time” van de Old 97’s en het fameuze “Christmas Must Be Tonight” van The Band.

Speciaal voor de gelegenheid ingeblikte “goodies” zijn er van respectievelijk Luther Dickinson van de North Mississippi Allstars, aanstormende talenten Valerie June, Nikki Lane en Robert Ellis, de Canadees Corb Lund en het Nederlandse succesduo The Common Linnets. Ilse DeLange en Waylon, zo’n beetje de vreemde eenden in de (Amerikaanse) bijt hier, leveren met “At Christmas Time” een mooi, absoluut niet uit de toon vallend rootsy popliedje af.

Net als haar Nederlandse collega’s koos ook schone Nikki Lane voor een eigen origineeltje. Haar upbeat “Falalaalove Ya” werkt met z’n aparte retro feel bepaald verslavend. (Nooit gedacht, dat ik dat ooit over een kerstliedje zou komen te verkondigen…) Voor mij absoluut hét hoogtepunt van “An Americana Christmas”!

Valerie June, Luther Dickinson en Robert Ellis gaan op hun beurt dan weer voor nieuwe vertolkingen van bestaand materiaal. Eerstgenoemde perst uit de traditional “Winter Wonderland” een hypernerveus twangertje, Dickinson bedient het ondertussen ook al zo ongeveer suf gecoverde “Hark! The Herald Angels Sing” verrassenderwijze grotendeels instrumentaal van een dosis Southern soul en youngster Ellis eigent zich Willie Nelsons eindejaarsfavorietje “Pretty Paper” op verbazend knappe wijze helemaal toe. “Just Me And These Ponies (For Christmas This Year)” van Corb Lund ten slotte, is een nogal melig uitgevallen en derhalve ook helemaal niet aan mij bestede lap C&W. (Van Lund had ik eerlijk gezegd wel wat beters verwacht.)

New West Records

 

THE BALHAM ALLIGATORS “Bayou-Degradable” (Proper / Bertus)

(4****)

De al wat oudere jongeren onder ons zullen zich de Balham Alligators vast nog wel herinneren als het Londense zootje ongeregeld, dat onder aanvoering van Geraint Watkins vanaf het midden van de jaren tachtig met z’n exuberante mix van cajun, zydeco, swamp pop, country, rock & roll, R&B en blues zo menig een feestje leven inblies. Met als lijfspreuk “Laissez les bon-temps rouler” waren de Gators een klein decennium lang in zowat heel Europa graaggeziene podiumgasten.

Vreemd eigenlijk, dat er jarenlang amper iets van dit collectiefje op cd verkrijgbaar was. Je zou nochtans denken, dat er voor rootsmuziek van dit kaliber altijd al wel een publiek heeft bestaan. Maar goed, het Britse Proper Records zet hier en nu met de knappe dubbelaar “Bayou-Degradable” in één klap heel veel recht. Dat album blijkt immers een samenvatting van de albums “The Balham Alligators” uit ’87, “Life In The Bus Lane” uit ’88, “Live At The Half Moon” (aka “Live Alligators”) uit ’90 en “Gateway To The South” uit ’96. En met uitzondering van de liedjes van dat laatste schijfje blijkt het daarbij effectief uitsluitend te gaan om materiaal, dat hier voor het eerst op cd beland.

Doe er vooral je voordeel mee!

Proper Records

 

SLOWFOX “Black Dog” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

We hebben het hier al wel eens vaker verkondigd: echt veel is er niet nodig om ons even heel erg gelukkig te maken. Neem nu zo’n album als “Black Dog” van de jonge Zweedse Sofia Henricsson. Amper zes liedjes staan er op die derde van de onder de schuilnaam Slowfox actieve schone, maar da’s ruimschoots voldoende om hier weer een smile van oor tot oor te veroorzaken. Net zoals dat ook al bij voorgangers “Like The Birds” en “Oh My” het geval was.

Op “Black Dog” bewijst Henricsson andermaal, dat het ook in de schaduw van dames als Gillian Welch, Margo Timmins en Patty Griffin best aangenaam toeven zijn kan. Met die fraaie misthoorn van een stem van ‘r trekt ze net geen twintig minuten lang diepe voren doorheen Americana-braakland. Van het op ingehouden wijze een zekere hang naar countryrock etalerende en met een fraai streepje mondharmonica opgewaardeerde “It’ll Come To Me” tot de buitengewoon catchy eerste single “Missing You”, van de heerlijk “naakt” gebrachte ballade “I Wish I Was” tot het uitermate radiogenieke rootsniemendalletje “Oh My”, van het door de ons volslagen onbekende, hier ook op de akoestische gitaar aanwezige Oskar Nordenqvist aangedragen en bij momenten best wel wat naar bluegrass overhellende “Dear Desire” tot de sfeervolle, aan het album ook z’n titel verlenende afsluiter “Black Dog Waltz”, wat ons betreft zijn het echt stuk voor stuk ijzersterke liedjes.

Slowfox, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

ERIC DEVRIES “Close To Home” (CRS)

(4,5*****)

Zeven lange jaren na zijn uitstekende tweede cd “Sweet Oblivion” pakt Eric Devries eindelijk weer eens met nieuw werk uit. En da’s wat ons betreft heel goed nieuws! Die onder de productionele hoede van “veelkunner” BJ Baartmans in diens studio Wild Verband in Boxmeer opgenomen schijf behoort immers tot het allerbeste wat ons door de jaren heen vanuit Nederland al bereikte op Americana-vlak. Het is een plaat waarop nu eens werkelijk alles klopt. Van de eerste tot de laatste seconde beklijvend!

Van de veertien nummers erop is er hoegenaamd niet één dat uit de toon valt. En je bent als luisteraar dan ook al snel geneigd om te gaan denken, dat Devries, mocht hij deze plaat in de States hebben gemaakt, in no time in één en dezelfde adem zou worden genoemd met genregrootmeesters als een Rodney Crowell, een Guy Clark, een Townes Van Zandt en aanverwanten. Of dat niet een beetje overdreven is, vraagt u? Hoegenaamd niet! Maar overtuigt u zich daarvan vooral zelf door veritabele songschoonheden als het zich op speelse wijze in zelfbeklag wentelende “Anything But What I Am”, catchy titelnummer “Close To Home”, het op intimistische wijze erop wijzende dat er effectief twee nodig zijn voor een geslaagd liefdestango’tje “Different Stations”, het überhaupt heel erg Amerikaans aandoende “In This Country” en het melancholische, dit jaar gelukkig niet erg van toepassing zijnde “November In The Rain” op een onbewaakt moment tot u te nemen. Geloof ons vrij, u zal het zich absoluut niet beklagen!

En mocht er tegen alle verwachtingen in toch nog wat extra’s nodig blijken om u helemaal over de streep te trekken, dan houdt Devries nog twee erg leuke verrassingen in petto. Een eerste is een werkelijk verbluffend mooie versie van de u in de uitvoering van z’n oorspronkelijke maker Gilbert O’Sullivan wellicht ook ooit al betoverd hebbende hit “Nothing Rhymed”. Eigenlijk is Devries’ versie gewoon nog mooier dan het origineel dat al was. (En dat mag u uit mijn mond als een serieus compliment beschouwen. Ik vond die O’Sullivan in z’n hoogdagen immers een prima singer-songwriter.) En dan hadden we het nog niet over surprise nummer twee! Da’s wat ons betreft gewoon hét kippenvelmoment tout court van “Close To Home”. We hebben het dan over de in duet met de onvolprezen Anna Coogan gebrachte en als bloedmooie ballade verpakte smeekbede “One More Try”. Als ook dat nummer u onberoerd zou laten, bent u hoogdringend aan een doktersbezoek toe… Het hart, weet u wel…

Eric Devries, CRS

 

STEVE HILL “Solo Recordings Volume 2” (No Label Records)

(4****)

Wat vrijwel onmiddellijk opvalt bij een eerste beluistering van “Solo Recordings Volume 2” van de Canadese singer-songwriter Steve Hill is de ongelooflijke intensiteit van het materiaal erop. Net als z’n voorgangers “Solo Recordings Volume 1” en “Solo Recordings Volume 1 ½” werd die nieuwe van ‘m dan ook weer compleet “live off the floor” ingeblikt. En dat komt met name z’n eigen materiaal ten goede. Acht liedjes van het eerder donkere soort, die her en der best wel wat herinneren aan onze eigenste Lightnin’ Guy. Net als hem blijkt Hill een zogeheten “triple threat”: een echte dijk van een zanger, een bij momenten heerlijk gemeen uit de hoek komende gitarist én op de koop toe ook nog eens een prima songsmid.

Zo mogen wij onze blues dus graag, zie! Heerlijk kaal, al even rauw, “straight to the bone” gewoon! “In your face” zoals in het tergend traag en middels machtig slidewerk het album voor geopend verklarende “Still Got It Bad”, het lekker rockende “Slim Chance”, het ongemeen sfeervolle “The Collector” of de ronduit geweldige Little Walter-cover “Hate To See You Go”.

Niet de enige cover hier trouwens, dat nummer: ook Muddy Waters’ “I Want You To Love Me” en “Simple Things” van huisfavorietje Ray Bonneville moesten eraan geloven. Dat laatste is samen met de knappe trage “Better” en afsluiter “Long Road” één van de weinige echte rustpuntjes hier.

Al bij al verdomd straf spul! En Hill mag er wat ons betreft dan ook rustig nog enkele volumes aan toevoegen.

Steve Hill

 

STONEY LARUE “Aviator” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

‘t Is maar dat je er duidelijk zijn beide handen op onderscheiden kan, anders zou je gezworen hebben, dat Stoney LaRue voor de cover van zijn nieuwe cd “Aviator” voor een selfie opteerde. Bijzonder zelfverzekerd kijkt hij daarop in de lens z’n eigen toekomst tegemoet. En dat mag ook! ’s Mans vierde studioplaat is er immers één van het zich meteen knus tussen je oren nestelende soort. Eén enkele luisterbeurt en je bent gegarandeerd verkocht! Allez, het zou ons toch op z’n minst zeer verbazen, mocht dat niet het geval zijn…

De in Texas geboren en getogen maar ondertussen toch al een aardige poos in Oklahoma verblijvende LaRue combineert op z’n nieuwste immers het beste van een aantal werelden. Enerzijds heeft hij zich duidelijk laten inspireren door tal van songsmeden uit zijn geboortestaat – En dan bedoelen we zowel de al wat ouderen als deze van recentere generaties! Van Merle en Willie tot Robert Earl Keen, Pat Green en anderen, zeg maar… -, anderzijds is er natuurlijk ook de voor de hand liggende link met de zogeheten Red Dirt country scene van z’n nieuwe thuishaven. “Aviator” laveert daardoor behendig heen en weer tussen genres als country, folk en roots rock. Nu eens ligt de klemtoon meer op het ene element, dan weer eerder op het andere. Lekker is en blijft het te allen tijde. En dat heeft naar ons gevoel veel zoniet alles te maken met LaRue’s manier van zingen. Heerlijk relaxt, bij momenten meer vertellend dan zingend maakt hij ons deelachtig aan wat hij tekstgewijs zo al allemaal kwijt wil. Het resultaat is een ruim vijfenvijftig minuten durend en veertien tracks bevattend geheel, waarvoor de term “laid-back” doorgaans zeer op z’n plaats blijkt.

Onze “plats préférés” daarbij: het echt heerlijk weidse openingsnummer “One And Only”, het lijzig voorbij schuifelende “’Til I’m Moving On”, het met buitengewoon okselfris snarenwerk opgewaardeerde titelnummer, de aan Merle Haggard opgedragen ballade “Natural High” en de machtig rockende bonustrack “Studio A Trouble Time Jam”.

Vermelden we tot slot nog even, dat Frank Liddell en Mike McCarthy tekenden voor de productie van “Aviator”, dat Mando Saenz medeverantwoordelijk was voor het schrijven van dertien van de veertien nummers erop en dat met Glenn Worf, Fred Eltringham, Jerry Roe, Randy Scruggs, Oran Thornton, Glen Duncan, Josh Grange, Jim Hoke, Aubrie Sellers en diezelfde Mando Saenz bepaald ook niet de minsten er hun medewerking aan verleenden.

Stoney LaRue, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home