CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES DECEMBER 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

SARAH MORRIS “Ordinary Things” - PENNY NICHOLS “Golden State” - JONAS CARPING “Cocktails And Gasoline” - THE WARDEN “The Warden” - PETER GALLWAY “Muscle And Bone” - JEFF BOORTZ “Half The Time” - CARY MORIN “Tiny Town” - DE HELD “Alactraz” - FAY HIELD “Old Adam EP” - LORI YATES “Sweetheart Of The Valley” - TIP JAR “Let Go” - STEPHANIE URBINA JONES “Fiery Angel” - JANE KRAMER “Carnival Of Hopes” - THE BOOM BAND “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London” - MOJO MAN “Balls & Horns” - KRISTA DETOR “Barely”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

SARAH MORRIS “Ordinary Things” (River Rock Music Group)

(3,5****)

De vanuit Minneapolis nog volop aan de weg timmerende zingende liedjesschrijfster Sarah Morris heeft wat ons betreft werkelijk alles om het binnen afzienbare tijd zeer ver te gaan schoppen. Met haar kristalheldere stem maakte ze hier alvast meteen stevig indruk. Evenals met haar heerlijk catchy uitgevallen songs trouwens. Zelden een plaat gehoord, waarop op dergelijke aantrekkelijke wijze een brug werd geslagen tussen pop, country en Americana. Toch niet zonder dat daarvoor elke vorm van geloofwaardigheid overboord moest. En precies daarin slaagt Morris hier. Ze pakt uit met een geheel waarmee je zowel bij de grote massa als bij een publiek van kenners kan komen aankloppen zonder gezichtsverlies te lijden.

Daarin op vakbekwame wijze bijgestaan door producer Eric Blomquist is ze tien nummers lang een waar zonnetje in huis. “Think of all the joy it brings, when you find beauty in ordinary things,” zingt ze ons toe in het afsluitende “Hope, Sweet Hope” en dat klinkt hier plots bepaald geloofwaardig. Je hoeft je bij die doodgewone dingen immers enkel één van de net aan je voorbij getrokken liedjes voor te stellen…

Enkele luistertips: het net al even aangestipte rootspopdondertje “Hope, Sweet Hope”, het buitengewoon lentefrisse, z’n titel terloops werkelijk alle eer aandoende Americana-riedeltje “Brighter”, het op bedaarde wijze twangende “No Memory” en vooral ook de werkelijk wonderschone ballad “You Still Have Me”, al was het alleen al maar omdat de geweldige stem van Morris daarin nog net wat beter dan elders tot haar recht komt.

Sarah Morris

 

PENNY NICHOLS “Golden State” (Pennsongs Productions)

(3,5****)      

De al wat oudere jongeren onder ons kennen Penny Nichols misschien nog wel van haar redelijk succesvolle dagen als folkie ergens medio de jaren zestig, toen ze al met zo menig een grote naam de planken deelde. Of van haar bluegrasswerk met John, Bill en Alice McEuen misschien ook wel. Om maar te zeggen, dat Nichols al een aardig poosje meegaat, dat ze door de wol geverfd is.

En dat hoor je ook aan zo goed als alles op “Golden State”, haar eerdaags ook hier te verschijnen nieuwe plaat, waarmee ze ons uitnodigt voor een blik achter de schermen van haar jonge jaren, haar kindertijd, haar jeugd in het zuiden van Californië. Daarop een twaalftal voornamelijk eigen liedjes. Enkel voor “Leanin’ Back & Laughing”, “Winter Fires” en “LA Man” ging ze in de leen bij respectievelijk Steve Noonan, Jonita Beede en Nina Jo Smith. Veelal rondhangend ergens tussen folk en (roots) pop hangt Nichols zo menig een fraai sfeerbeeld op. Ons daarbij stemgewijs hier en daar best wel wat herinnerend aan huisfavorietje Tish Hinojosa.

Enkele luistertipjes: het lekker relaxed aankomende, op de één of andere manier heel erg sixties aandoende popdeuntje “Kick The Can”, het zomerse, lang niet enkel met de blik alleen zuidwaarts gericht gebrachte “Guadalupe” en het daar naar ons gevoel perfect bij aansluitende “Poco Al Poco”.

Penny Nichols, CD Baby

 

JONAS CARPING “Cocktails And Gasoline” (Jonas Carping)

(4****)

Het eerste wat je opvalt bij een kennismakingsbeluistering van “Cocktails And Gasoline” van de Zweed Jonas Carping is het bepaald beklemmende karakter van veel van de songs erop. Gelijk van bij het over een nerveuze baslijn je leven binnen sluipende “The Last Approval” weet je het al: hier staat iets speciaals te gebeuren. En dat gevoel wordt vervolgens door Carping en kompanen nog eens tien nummers langer bevestigd.

Van het heftig rockend aan z’n kettingen snokkende “Higher Ground” over het atmosferische “Damn Old World” tot de door Marika Dahlbäck van een fijn streepje, voor de sfeer erin wonderen verrichtende cello voorziene ballad “Peace Of Mind”, van de knap opgebouwde rootsrocker “Dusk Of Down” over het als een lastige wesp op je afstormende “Dive” tot het afsluitende titelnummer en alles daar tussenin, Carping toont zich nadrukkelijk een original. Een man met een hoogst aparte visie op Americana.

En precies die benaderingswijze maakt van “Cocktails And Gasoline” een plaat die je eigenlijk niet mag missen. Ze zorgt ervoor dat Carping opvalt tussen de rest. En het zou ons dan ook absoluut niet verbazen, als de toekomst mocht gaan uitwijzen dat we hier met een blijvertje te maken hebben, iemand in it for the long run.

Jonas Carping

 

THE WARDEN “The Warden” (Idol Records)

(3,5****)      

The Warden is de wat aparte nom de plume van de vanuit East Dallas, Texas debuterende Ward Richmond. Nu ja, debuterende… Richmond is je misschien al wel bekend van zijn bijdragen aan onder meer Slick 57 en Boy Named Sue. “The Warden” is echter wel z’n solodebuut.

En op die door Robert Jason Vandygriff van The Von Ehrics geproduceerde eersteling draait eigenlijk zo’n beetje alles om achteromkijken. Om terugblikken op de vijftien laatste jaren van z’n eigen leven. Met verhalen over vriendschappen voor het leven, grote liefdes en de teloorgang daarvan en wel meer avonturen beleefd terwijl onderweg. Texas style storytelling gegoten in wat Richmond zelf graag East Dallas honky tonk noemen mag. Een countryvariant gekruid met een flinke snuif elementen uit Southern (punk) rock. “Basically it is a tonked up autobiography with a little fiction thrown in for good measure,” aldus The Warden zelf.

Enkele van de vele topmomentjes erop: de punky outlaw country van het de lang niet altijd even spannende werkdag van een aankomend talent bezingende “Salvation”, de knappe herwerking van het Slick 57-nummer “Bullets” met voor de gelegenheid lokale heldin Madison King aan z’n zijde en de knappe soulvolle Southern rockers “Little Darlin’” en “Livin’ In The EDT”.

The Warden

 

PETER GALLWAY “Muscle And Bone” (Gallway Bay Music)

(4****)

Wat heeft deze man ons de voorbije jaren al vaak verwend! In z’n eentje of met Annie Gallup als Hat Check Girl, bij Peter Gallway zaten we steeds weer goed voor een pot beklijvende rootsmuziek. Muziek, die vrijwel altijd weer opviel door haar wat aparte, enigszins bezwerende karakter. Muziek, gekenmerkt door een bepaald intrigerende sfeer ook. En dat is op ’s mans nieuwe worp, het alweer hoogst fascinerende “Muscle And Bone”, ook weer niet anders.

Ook daarop weer presenteert Gallway zich als de triple threat die hij van nature nu eenmaal is. Als een niet alledaagse zanger that is, als wat ons betreft vooralsnog zwaar onderschatte multi-instrumentalist ook en als singer-songwriter hors catégorie. Gallway schreef alle nummers voor “Muscle And Bone” zelf, zong ze uiteraard ook zelf in, bespeelde terloops ook alle aanwezige instrumenten en nam ook de zich op z’n weg aandienende productionele werkzaamheden maar voor z’n rekening.

Zelf heeft hij het in verband met het bij momenten sterk etherisch uit de hoek komende “Muscle And Bone” over “a plea written in outrage, sorrow, anger, shame, hope, hopelessness, expectation, regret, belief, release and prayer”. En hij liet er zich ook al naar eigen zeggen onder meer voor inspireren door het werk van Mahatma Gandhi en Federico Garcia Lorca.

Het resultaat is een beklijvend statement, dat in al z’n intensiteit regelmatig herinnert aan het werk van veel bekendere collegae als een Robbie Robertson, een Daniel Lanois, een David Sylvian, een Peter Gabriel en een Donald Fagen. Geëngageerde songschrijverij gehuld in een geluidstechnisch gezien werkelijk impeccabel jasje. Van een bijmomenten echt wel ijzingwekkende schoonheid!

Peter Gallway      

 

JEFF BOORTZ “Half The Time” (Jeff Boortz Music)

(3,5****)

Jeff Boortz is een ons tot voor kort volslagen onbekende singer-songwriter uit Houston, TX. Met “Half The Time” blijkt hij nochtans al aan z’n derde cd toe. En afgaande op de kwaliteit van dat tien songeenheden tellende geheel hebben we met de beide voorgangers ervan wel degelijk wat gemist.

Voor de opnames van “Half The Time” toog Boortz naar Nashville. Naar The Rendering Plant meer bepaald. Daar werkte hij samen met een heus elitegroepje aan muzikanten. Gitarist John Jackson kent u bijvoorbeeld van zijn werk voor onder anderen Lucinda Williams en Bob Dylan, Ken Coomer uiteraard als drummer van Wilco, Fats Kaplin als een fenomeen op fiddle en pedal steel en drummer-percussionist Marco Giovino onder meer van Robert Plants Band Of Joy. Bepaald niet de eersten de besten dus! En dat vertaalt zich uiteraard ook naar de manier waarop Boortz hier z’n materiaal aan de man gebracht krijgt.

Vrijwel voortdurend handig heen en weer laverend tussen Americana en roots rock laat hij hoegenaamd geen gelegenheid onbenut om nieuwe vrienden te maken. Gelijk van bij het als een dronkeman over het slappe koord tussen die beide genres waggelende titelnummer heeft hij je als liefhebber bij de les. En daar houdt hij je bijna achtendertig minuten lang ook. Zoals met het wulpse, door Kaplin fiddlegewijs van de nodige zuiderse flair bediende “Wanna Spend Money On A Girl”, de knappe melodieuze countryrocker “Travis County Line”, het swampy “Stay Love” of de soulvol-broeierige trage “Take Back What You Said”. Dat laatste en het er meteen op volgende, lekker vinnig rockende “Driving With The Headlights Off Again” en in het kielzog daarvan ook story song “Baton Rouge” zijn wat ons betreft de sterkste momenten van een geheel vol daarmee. Ook het afsluitende trio bestaande uit “Hey Passion” (licht bluegrassgetinte meezing-Americana), “Silver Lining” (enigszins Dylan-esk aandoende, alternatieve mijmercountry) en “Since You’re Gone” (bedaarde roots rock) valt immers bepaald niet uit de toon.

Al bij al gewoon een erg sterke plaat van een artiest die het absoluut verdient om gehoord te worden. Ook hier!

Jeff Boortz, CD Baby

 

CARY MORIN “Tiny Town” (Cary Morin)

(4****)       

In de States verscheen deze nieuwe cd van Cary Morin een klein jaar geleden al. Maar zoals dat wel vaker gaat, krijgen we ze hier pas enkele maanden later voor de kiezen. En daar moeten we dan eigenlijk nog blij om zijn ook. Het zou immers buitengewoon jammer geweest zijn, mocht deze knappe plaat helemaal aan de Europese markt ontsnapt zijn.

Op de opvolger van “Streamline” uit 2013 overtuigt Morin wat ons betreft veertien nummers lang. Niet enkel toont hij zich daarop een meesterlijke akoestische gitarist, ook zijn liedjes zijn echt wel ijzersterk te noemen. Hoe de “Dylan van Durango” zijn Americana en fingerstyle blues aan een zekere tijdloosheid helpt, spreekt quasi onmiddellijk aan. Denk bij wijze van vergelijking bijvoorbeeld maar even aan knapen als een Chris Smither of een Kelly Joe Phelps. Als je van hun materiaal houdt, dan is de kans vrij groot, dat ook Morin je meteen zal aanspreken.

Twaalf van de veertien liedjes op “Tiny Town” blijken eigen composities. Nummer dertien en veertien zijn respectievelijk knappe vertolkingen van W.C. Handy’s “Yellow Dog Blues” en “When The Levee Breaks” van Memphis Minnie. Hoe Morin aan die liedjes nieuw leven ontlokt, zegt hoegenaamd alles over zijn aanzienlijke kwaliteiten als performer.

Morin speelde “Tiny Town” overigens zo goed als im Alleingang in. Naast de zang en het finger-pick-werk nam hij her en der ook nog de pedal steel voor zijn rekening. Enkel J.J. Milteau, hier onlangs nog zelf in de kijker aan de zijde van Eric Bibb met het fraaie “Lead Belly’s Gold”, mag harmonicagewijs zo nu en dan voor wat extra’s komen zorgen.

Cary Morin, CD Baby

 

DE HELD “Alactraz” (Petrol)

(5*****)

De zogeheten moeilijke tweede. Elke succesvolle beginnende act kent het fenomeen. Jaren in alle rust gewerkt aan die eerste en dan moet nummer twee plots. Het ijzer dient immers gesmeed als het heet is. Voor velen bleek het in het verleden een niet te ronden kaap. Niet zo echter voor Hasselaar Jo Jacobs. Wellicht ook tot zijn eigen grote verbazing kwam diens opvolger voor z’n vrijwel unaniem geprezen titelloze debuutplaat van iets meer dan twee jaar geleden er al bij al redelijk gemakkelijk. In amper zes weken, gewoon thuis in z’n eigen living.

Wat oorspronkelijk eigenlijk enkel bedoeld was als een eerste aanzet tot beviel Jacobs op de keper beschouwd in die mate, dat hij besloot het ermee te doen. Iets wat de spontaniteit van het geheel natuurlijk alleen maar ten goede is gekomen. Enkel wat drumwerk van Karel De Backer en wat Hammondorgelbijdragen van de ook voor de eindmix verantwoordelijke Wouter Van Belle zouden in een latere fase nog aan de nummers worden toegevoegd.

In die liedjes gunt Jacobs ons niet zelden een blik in z’n eigen leefwereld, past, present and future. Maar vooral het voorbije toch. “Een beetje terugkijken naar uzelf,” noemt hij het zelf. “Een fotoalbum bovenhalen. Aan uw eerste lief denken. Dat is het gevoel van deze plaat. Alsof je mag bladeren in andermans personalia.” Gedurfde intimiteit, een beetje op z’n van het Groenewouds, zeg maar. Maar dan wel met net iets meer kans op slagen in alternatiever ingestelde kringen. Iets waaraan geregeld optrekken met collega’s Neeka en Gaëtan Vandewoude van Isbells wellicht niet geheel en al vreemd zal zijn.

En precies daar schuilt ‘m naar ons gevoel ook het grote verschil met voorganger “De Held”. Deze nieuwe plaat is al bij al wat minder kleinkunst, wat meer Nederlandstalige indie pop. En het mooie van de zaak is, dat zulks absoluut niet vervreemdend hoeft te werken voor Jacobs’ met z’n visitekaartje opgebouwde fanschare. Wel integendeel eigenlijk. Het verleent aan z’n muziek nog net wat meer cachet. Het wordt er allemaal nog net wat rijker door.

Van de catchy oorwurm die eerste single “Jouw Schoot” is tot afsluiter “Nog Vlug”, bijna tweeënveertig minuten lang houdt Jacobs je daardoor als luisteraar probleemloos in z’n ban. Van het als een mug bij valavond over zomers warm water over subtiel aangereikte akoestische gitaarklanken over en weer dartelende “Het Gras Is Altijd Groener” of het in milde weemoed gehulde “Mijn Eerste Lief” tot de sfeervolle instrumental “Flashback”, het aan een zeer herkenbaar gevoel opgehangen titelnummer of het op puur verlangen drijvende “Jij Zit Aan Zee” en andere, Jacobs weet duidelijk hoe hij moet beklijven.

Of hoe De Held eensklaps ook onze held werd…

De Held                                         

 

FAY HIELD “Old Adam EP” (Soundpost Records)

(3,5****)

De EP “Old Adam” vormt als het ware een voorschotje op de gelijknamige, in februari van volgend jaar te verschijnen derde solo-cd van Fay Hield. Hield, hier in het gezelschap van haar uit Rob Harbron (concertina), Sam Sweeney (fiddle), Roger Wilson (gitaar en fiddle), Ben Nicholls (bas) en Toby Kearney (percussie) bestaande band The Hurricane Party, voor de gelegenheid aangevuld met special guests Jon Boden (gitaar en fiddle) en Martin Simpson (gitaar), trakteert daarop reeds op een drietal nummers van dat er snel aankomende album.

Voor openingsnummer “Green Gravel” liet ze zich inspireren door de vele door Alice Bertha Gomme van dat nummer opgenomen versies. Het resultaat van die benadering is een fraai staaltje aan atmosferische eigentijdse folk. Twee verdere, eveneens op de volwaardige langspeler “Old Adam” te verschijnen items zijn de al even sfeervolle ballad “Willow Glen” en een speelse, volop op dansgrage benen mikkende lezing van de traditional “Raggle Taggle Gypsy”.

Van de vier nummers op deze EP zullen we enkel “The Hunt’s Up” niet op het eigenlijke album gaan aantreffen. En dat mag je eigenlijk best wel vreemd noemen. Zelf vind ik die atmosferische beauty eigenlijk gewoon het allermooiste nummer van de vier hier. Het heeft immers iets aardig evocatiefs over zich. Het roept vrijwel ogenblikkelijk beelden van fraaie weidse landschappen op. Landschappen, die je op hun beurt dan weer dadelijk associeert met Hields land van herkomst.

Voor de productie van “Old Adam” tekende Andy Bell.

Fay Hield             

 

LORI YATES “Sweetheart Of The Valley” (Lori Yates)

(5*****)

Acht lange jaren was het ondertussen geleden, dat we nog eens iets van Lori Yates vernomen hadden. Veel té lang eigenlijk voor iemand die geldt als één van dé pioniers van het Canadese alternatieve countrygebeuren. En we waren hier dan ook maar wat blij, toen er met “Sweetheart Of The Valley” onlangs eindelijk een opvolger voor het al in 2007 verschenen en toen echt onder de positieve commentaren bedolven “The Book Of Minerva” in de bus viel. En nog blijer werden we, toen we weinig later mochten constateren, dat die zevende van Yates al haar voorgaande worpen gemakkelijk overtrof.

“Sweetheart Of The Valley” is wat je noemt een bescheiden alt-countrymeesterwerk. Een plaat om te hebben en innig van te houden. Een plaat met louter briljante liedjes erop. Stuk voor stuk eigen songs dan nog. Gebracht met het uit Bazil Donovan (bas), Michelle Josef (drums) en David Gavan Baxter (elektrische gitaar, mandoline en piano) bestaande collectiefje Hey Stella in een met diezelfde Baxter gedeelde productie. En met als special guests verder eveneens aan boord: Steve Wood (pedal steel), Stephen Miller (elektrische gitaar) en Kara Lea Manovich, Lisa Winn en Chris Houston (harmony vocals). En dan vergaten we bijna nog het uit Rita Chiarelli, Terra Lightfoot, Ginger St. James, Lena Montecalvo, Dottie Cormier, Mary Simon, Mimi Shaw, Buckshot Bebee en huisfavorietje Treasa Levasseur bestaande Bad Girl Choir.

Zalig toeven is het in het gezelschap van dingen als het zachtjes voorbij kabbelende “See Who I Am”, de werkelijk bloedmooie ballad “Ghost Of Josephine”, de melancholische mid tempo beauty “Sweetheart Of The Valley”, de tranentrekker “Laugh Till We Cry”, het ritmegewijs een weinig op het werk van de jonge Johnny Cash geënte stampertje “Trouble In The Country”, het beklijvende “Call My Name” en andere. Meer dan eens dwaalden onze gedachten bij het beluisteren daarvan af richting de grote Emmylou Harris, met wie Yates haar niets minder dan klassieke stem deelt. Daar niet ogenblikkelijk als een blok voor vallen is schijnbaar onmogelijk.

Bij nader inzicht gewoon één van de allermooiste (alternatieve) countryplaten van het jaar!

Lori Yates

 

TIP JAR “Let Go” (Shine A Light Records)

(4****)

Welgeteld één enkel liedje, meer hadden Bart de Win en Arianne Knegt ook ditmaal weer niet nodig om een lekker brede smile op ons gezicht te toveren. Daarbij attractief begeleid door de zomers loom over de snaren van z’n banjo heen tokkelende Harry Hendriks nodigen de twee ons in “Let Go” uit om ons vooral niet te erg te laten intimideren door een wereld die voortdurend in beweging is. Ook als het even wat minder gaat valt er immers altijd nog wel genoeg te genieten om het leven volop te omarmen.

En daarmee is de toon voor “Let Go”, het tweede album van Tip Jar, meteen duidelijk gezet. Ook van dingen als het Emmylou Harris als prille invloed aanhalende “That’s Why”, het als een soort van lijzig credo neergelegde “We Sing About Love” en het zwierig over milde golven van Wurlitzer-klanken surfende “Little Bright Light” spat het optimisme immers zowat af.

Als tegengewicht voor zoveel joie de vivre fungeren enkele fraaie ballads. Zoals het door Joost van Es van buitengewoon fraai vioolwerk voorziene “She Knew” bijvoorbeeld. Of het jazzy “Sunday Blue” ook. Dat laatste groeit wat ons betreft onder meer dankzij een vocale topprestatie van Arianne Knegt tot één van dé absolute highlights van “Let Go” uit. Het zwaar melancholische “Mary’s Comfort” wordt door de Win op zijn beurt dan weer zo goed als helemaal naar zich toegetrokken. Veel mooier kan je gevoelens van onzekerheid ons inziens amper verklanken.

Volgend hoogtepunt is de mede door de nadrukkelijk erin aanwezige pedal steel van Kim Deschamps op smaak gebrachte trage “In Between Rains”. Daarin schurken de stemmen van Knegt en de Win zich als vanouds weer liefdevol tegen elkaar aan. En we schreven het hier al eens eerder: dat resulteert in een ronduit zalige match! Resten er ons dan nog: het quasi vrijblijvend aan de man gebrachte liefdesliedje “Me And My Girl”, het op bijzonder fraaie wijze een brug tussen pop en bluegrass slaande “Mean Eyed Cat”, het met de nodige ondersteuning van Walt Wilkins en diens vrouw Tina gebrachte en muzikaal gezien volop naar de Lone Star State lonkende “Home Sweet Home”, het ons met enige weemoed even aan de gouden (pop)jaren zeventig herinnerende “Everything’s Changing”, het ook al volop van de magie tussen de stemmen van onze twee protagonisten profiterende niemendalletje “The Next Song” en een korte a capella reprise van “Me And My Girl”.

Om het allemaal met de afsluitende woorden van één van de nummers samen te vatten: “Sometimes it only takes that much, it only takes that much.” Andermaal een echt plaatje van een plaat!

Tip Jar

 

STEPHANIE URBINA JONES “Fiery Angel” (Casa Del Rio Records)

(3,5****)      

De mooie Stephanie Urbina Jones vermaakt al sinds jaar en dag muziekliefhebbers in San Antonio en verre omstreken. En met “Fiery Angel” is ze inmiddels ook al aan haar vijfde cd toe. En da’s misschien wel haar allerbeste tot op heden, als je het ons vraagt. Nooit eerder klonk haar Latin country rock & Americana wat ons betreft voldragener dan hier. La Jones is nadrukkelijk klaar voor een doorbraak op wat grotere schaal, zoveel moge na het beluisteren van de twaalf tracks op “Fiery Angel” wel duidelijk zijn.

Gelijk van bij het haar eigen biculturele achtergrond meteen vet onderstrepende “Vamanos (Let’s Go)” had Jones de tent hier aardig aan het swingen. En ook met het meteen daaropvolgende “Life’s Too Short”, een bepaald knappe countryrocker, scoorde ze op onze appreciatiemeter flink wat punten. Evenals met de twangy “valse trage” “Hold Me ‘Til The Lonelies Are Gone”, de even mooie als intense ballads “Rose In The Wreckage” en “The Resurrection Of My Heart”, de met de nodige Spaanse peper in de je weet wel wat gebrachte Latin mover “I Wanna Dance With You”, het nadrukkelijk naar haar thuisstaat verwijzende “He Reminds Me Of Texas” en zo ongeveer al de rest hier. Enkel met haar versie van Kris Kristoffersons klassieker “Help Me Make It Through The Night” wist Jones ons niet echt te raken. Die hadden we daarvoor waarschijnlijk al net iets te vaak beter horen brengen.

Desalniettemin een prima plaatje, dit “Fiery Angel”!

Stephanie Urbina Jones

 

JANE KRAMER “Carnival Of Hopes” (Famous Brown Boots Music)

(4****)

Eerlijk is eerlijk: haar vorige plaat, het twee jaar geleden verschenen “Break & Bloom”, ontsnapte op de één of andere manier volledig aan onze doorgaans nochtans behoorlijk welwillende aandacht. En dus overviel ze ons met haar nieuwe, het eerdaags uit te komen “Carnival Of Hopes”, dan ook volledig, de bevallige Jane Kramer. In de goede zin van het woord dan. De tien liedjes daarop zijn immers zonder uitzondering juweeltjes. En het verwonderde ons dan ook helemaal niet om te lezen, dat Kramer collega Mary Gauthier als haar grote voorbeeld, haar mentor noemt en bedankt.

Net als die Gauthier schuwt Kramer in haar liedjes het persoonlijke absoluut niet. En niet zelden draait het in die fraaie, nadrukkelijk op de Appalachen-folk-en-countryleest geschoeide kleinoden om verbale worstelingen met verlies en spijt. Om het in de ogen durven kijken van de eigen persoonlijke demonen. Eerder zwaar aandoend spul dus, maar wel altijd met een schijntje hoop aan de einder. Vandaar ook de titel, “Carnival Of Hopes”.

Enkele van onze moments préférés op “Carnival Of Hopes”: de door Kramer zelf tot haar persoonlijke favoriet op de plaat uitgeroepen trage “Good Woman”, de met beide voeten stevig in de klassieke country vastgezogen zittende swinger “Half Way Gone”, het voor het geheel compleet atypische, jazzy, met de neus nadrukkelijk richting New Orleans gekeerd gebrachte “Why’d I Do That Blues”, de met wat subtiel dobrowerk omlijste ballad “Highways, Rivers & Scars” en de fijne Tom Petty-cover “Down South”. Met liedjes van dat kaliber mag u ons te allen tijde komen lastigvallen!

Jane Kramer

 

THE BOOM BAND “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London” (Boom Recordings / Sonic Rendezvous)

(3,5****)        

Dat je het ijzer moet smeden als het heet is, is ook die van The Boom Band kennelijk niet ontgaan. Mochten we nauwelijks een paar maanden geleden nog maar pas het debuutalbum van die Britse bluesrock-supergroep begroeten, dan is het nu alweer tijd voor nummer twee. En dat is de in september van dit jaar in The Half Moon in Chutney ingeblikte live-cd “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London”.

Daarop uiteraard voornamelijk werk van de eerste van Jon Amor, Marcus Bonfanti, Mark Butcher, Paddy Milner en Matt Taylor. Liefst negen van de dertien nummers stonden in hun studioversies ook al op het visitekaartje van de groep. Enkel een buitengewoon zwierige lezing van de classic “Junko Partner”, het viriel funky gebrachte “I’m A Ram” van Al Green, Lightnin’ Slims ook hier volstrekt onweerstaanbare shaker “Rooster Blues” en de vermaarde meezinger “Don’t You Just Know It” van Huey “Piano” Smith en Johnny Vincent vormen wat dat betreft uitzonderingen.

En wat ons betreft waren het dan ook vooral die nummers, die de aandacht trokken. Andere verkoopsargumenten die naar onze immer bescheiden mening al evenzeer pleiten voor een onverwijlde aanschaf van “The Moon Goes Boom, The Boom Band Live In London”: het zich met zoveel snarenvirtuozen aan boord uiteraard in overvloedige mate aandienende geweldige gitaarwerk, een stel zeer straffe stemmen en vooral ook de sfeer die afstraalt van het geheel. Je voelt nadrukkelijk dat zowel de band als het publiek kostelijk hebben genoten van die vierde september samen. En eigenlijk verwondert ons dat van een optreden van The Boom Band ook al lang niet meer. Het collectief geniet immers een uitstekende live-reputatie en werd onlangs nog door iemand omschreven als “The Allman Bros meets Little Feat meets The Beatles”. Kan niet slecht zijn, toch?

The Boom Band        

 

MOJO MAN “Balls & Horns” (Continental Europe / V2)

(5*****)

Dit moet zowat dé rootssensatie van het najaar zijn! En misschien zelfs wel van de gehele muziekjaargang 2015 tout court. Ik ben in elk geval nog maar zelden zó door een plaat overrompeld als door deze eerste van het Nederlandse Mojo Man, een buitengewoon opwindend negental opgetrommeld door zanger-gitarist Marcel Duprix en tenorsaxofonist Reinier Zervaas in een poging om met “iets werkelijk groots en swingends” op de proppen te komen. En of ze in dat opzet geslaagd zijn!

Think Black Crowes zo ongeveer ten tijde van hun magistrale eerste twee worpen, maar dan wel ondersteund door een fameuze blazerssectie (“Scarecrow”), think Lenny Kravitz op z’n rockendst, maar dan wel zonder diens uitgesproken hang naar hitsucces (“The Ship Is Sinking” en “Is It A Crime”), think Otis Redding onder de steroïden (“I’m A Man”), think… Tja, wat nog allemaal eigenlijk…

Er is die heerlijke brulboei van een zanger Marcel Duplix. Er is de lichtjes fantastische leadgitarist Theo van Niel Jr. Er zijn de niet zelden met de blik op Stax en aanverwanten honkende en toeterende blazers Reinier Zervaas, Henk Brüggeman, Robert van der Laarse, Robert Bogaart en Marco Muusz. Er zijn de negen zonder ook maar één enkele uitzondering ijzersterke songs. Er is die werkelijk magistrale mix van rock, blues & R&B. Als de charge van een kloek geschapen stier! “Balls & Horns” dus inderdaad!

Dit één keer horen is het gegarandeerd ook kopen!

Mojo Man, Continental Europe

 

KRISTA DETOR “Barely” (Tightrope Records)

(4,5*****)           

Sinds haar ondertussen zo’n tien jaar geleden verschenen debuutplaat “Mudshow” is de Amerikaanse Krista Detor quasi onafgebroken superlatieven voor haar werk blijven oogsten. En terecht ook! La Detor is immers één van de allerbeste zingende liedjesschrijfsters actief in de schemerzone tussen folk en Americana. Je gelooft ons niet? Sla er het hoger al genoemde “Mudshow” en opvolgers “Cover Their Eyes”, “The Silver Wood: Winter Songs”, “Chocolate Paper Suites” of “Flat Earth Diary” maar eens op na. Of Detors zopas verschenen verse worp “Barely” ook. Je zal niet willen begrijpen, hoe je dit zo lang onontdekt hebt kunnen laten!

Neem nu dat nieuwe album. Daarop gaat Detor inderdaad zo goed als volledig “naakt”. Louter muzikaal gezien dan natuurlijk. Eén à twee instrumenten volstaan doorgaans ruimschoots als vangnet voor haar vocale en poëtische hoogstandjes. En dat met bij momenten werkelijk verbluffend mooie resultaten. Of het nu een piano of orgel, een accordeon, een akoestische gitaar, een cello of een bewust bescheiden gehouden combinatie daarvan betreft, de acht liedjes van “Barely” en de twee daar als bonus aan vast geplakte tracks van “The Irish Sessions”, “The Coming Winter” en “Sweet Comes The Sound”, nestelen zich zonder uitzondering knus in dat hen op subtiele wijze aangereikte muzikale decorum. Mede dankzij wat zalige vocale hulpverlening van Amanda Biggs, Mary Dillon en de je vast al wel van Solas bekende Moira Smiley ook. En het voortreffelijke productiewerk van David Weber natuurlijk.

Tien nieuwe songkostelijkheden, die door de band genomen vooral opvallen door hun kwetsbare, soms best wel wat klaaglijke karakter, vormen het uiteindelijke resultaat. Met als primus inter pares wat ons betreft ontegensprekelijk het werkelijk ijselijk mooie “Can I Come Over”. Al zijn met name het zomers lome, in duet met Moira Smiley afgeleverde “Box Of Clouds”, titelnummer “Barely”, het met Amanda Biggs gedeelde “For All I Know” en het eerder al even vermelde “The Coming Winter”, gebracht samen met Mary Dillon, best wel dichte achtervolgers wat dat betreft.

Gewoon een bloedmooie plaat tout court!

Krista Detor

  

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home