CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES DECEMBER 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

RORY BLOCK “Keepin’ Outta Trouble, A Tribute To Bukka White” - OSBORNE JONES “Only Now” - CARTER SAMPSON “Queen Of Oklahoma And Other Songs By Carter Sampson” - AJ HOBBS “Too Much Is Never Enough” - HIDDEN AGENDA DELUXE AND CARTER SAMPSON “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” - CHRIS MURPHY “The Tinker’s Dream” - STEVE HUSSEY & JAKE EDDY “The Miller Girl” - SUSAN KANE “Mostly Fine” - TRAILERPARK IDLERS “Alligator Days” - RIVERS “Both Of Your Wings” - JAMES MCARTHUR AND THE HEAD GARDENERS “Burnt Moth” - COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” - VOODOO SWING “To You, My Friend” - DOWN HARRISON “Down Harrison” - JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” - RICHARD LINDGREN “Malmostoso” - THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” - JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” - GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” - UB40 FEATURING ALI, ASTRO & MICKEY “Unplugged” + “UB40’s Greatest Hits” - JOHN CEE STANNARD “It’s Christmas Time”

 

RORY BLOCK “Keepin’ Outta Trouble, A Tribute To Bukka White” (Stony Plain / CRS)

(4****)

“Keepin’ Outta Trouble” is ondertussen al het zesde deel in de reeks door Rory Block op de wereld losgelaten eerbetonen aan haar eigen grote voorbeelden. Eerder passeerden in de “Mentor Series” al Son House, Mississippi Fred McDowell, Reverend Gary Davis, Mississippi John Hurt en Skip James de revue, ditmaal is het de beurt aan Bukka “Booker T. Washington” White. En ook die krijgt van Block weer een hier fel gesmaakte beurt mee.

Met “Keepin’ Outta Trouble”, “Bukka’s Day”, “Spooky Rhythm”, “Gonna Be Some Walkin’ Done” en “Back To Memphis” draagt La Block zelf vijf nieuwe songs in Bukka White country blues style aan. Die laten horen in welke mate ze wel door haar in 1977 overleden held beïnvloed werd. “Aberdeen Mississippi Blues”, “Fixin’ To Die Blues”, “Panama Limited”, “Parchman Farm Blues” en “New Frisco Train” plukte ze op hun beurt dan weer van ‘s mans omvangrijke repertoire. En ook die brengt ze volledig solo als betroffen het eigen originelen. Met eerbied en passie daarbij quasi voortdurend als haar voornaamste bondgenoten.

Volstrekt tijdloos spul is het resultaat. Country blues van het allerbeste soort, gebracht door één van de fijnste akoestische blues acts van de laatste drie decennia überhaupt. Moet ik nog zeggen, dat ik dit een heuse aanrader van formaat vind?

Rory Block, CRS Bandcamp

 

OSBORNE JONES “Only Now” (Continental Song City / Continental Record Services)

(4****)

Met “Only Now” bereikt de hier al wel vaker geroemde samenwerking tussen David-Gwyn Jones en David Osborne wat ons betreft een fameus hoogtepunt. Na “Long Night Moon” van eind 2009, “Out Of Blue Yonder” van zo’n jaar of drie later en “In The Moment” uit het najaar van 2014 is het al de vierde van het duo. En wat voor één! In een productie van Rick Shea en geflankeerd door nogal wat schoon volk schudden beide heren een tiental knappe nieuwe songs uit de mouw, waarin ze naar ondertussen goede gewoonte op vaardige wijze een spagaat maken tussen traditionele country en het hier en nu.

Mee van de partij zijn naast Rick Shea onder meer ook nog bassist David Jackson, drummers Shawn Nourse en Don Heffington, gitaristen Pete Anderson en Jerry Donahue, fiddler Jim Shirey, percussionist John Palmer en zingende collega’s Cindy Wasserman en Gia Ciambotti. Een uitermate getalenteerd zootje dat de heren Osborne en Jones met plezier weer van een authentieke sound hielp voorzien.

Ruim achtendertig minuten lang is het hier zo genieten geblazen: van de laid-back old school country rock van openingsnummer “Down To Austin” over de best wel wat aan wijlen Elvis Presley refererende pathos van het titelnummer en het met name accordeongewijs met een zekere border music vibe opgewaardeerde “You Used To” tot het de blik ongegeneerd richting Bakersfield wendende “Heartstrings And Six Strings” of het met wat popgevoel besprenkelde “Any Given Day”, van de mooie ballad “The Bond” en het daaropvolgende en volop aan legendes als Merle Haggard en George Jones herinnerende duo “Bricks And Mortar” en “I Think She Still Cares” over de catchy singalong song “Never Crossed My Mind” tot de afsluitende tranentrekker “With A Heavy Heart”.

Prima plaat!

Osborne Jones (CRS Bandcamp)

 

CARTER SAMPSON “Queen Of Oklahoma And Other Songs By Carter Sampson” (Continental Song City / Continental Record Services)

(4,5*****)

Door het overweldigende succes van haar jongste album “Wilder Side” is Carter Sampson ineens aardig hot in flinke delen van Europa. En dat heeft uiteraard zo zijn gevolgen. Aan belangstelling voor optredens is er hoegenaamd geen gebrek momenteel en ook de vraag naar haar ondertussen al lang niet allemaal even gemakkelijk meer verkrijgbare oudere werk zwengelt nog alle dagen aan. Dat deed bij de artieste en haar platenlabel alvast het idee rijzen om uit te pakken met een compilatie met het beste van wat aan “Wilder Side” voorafging. Die kreeg als titel Sampsons koosnaampje “Queen Of Oklahoma” mee en is vooralsnog enkel verkrijgbaar als download en tijdens optredens van de artieste. Als je echt een fysiek exemplaartje wil, zal je er dus even de deur voor uit moeten. Al kan je dat in dit geval bezwaarlijk een straf noemen…

Van Sampsons debuutplaat “Fly Over The Moon” uit 2004 krijgen we op “Queen Of Oklahoma” maar één nummer te horen en da’s “Annie”. Van “Good For The Meantime” uit 2009 prijken er op de compilatie in totaal vijf liedjes. Met name het bedwelmend mooie, wat klaaglijk aandoende “Payne County Line”, de ronduit heerlijke ballad “Let’s Get Back”, de mijmercountry van “Meantime”, “afstootliedje” “I Don’t Want Him” en de ingetogen rootsrocker “Honeybee” werden goed genoeg bevonden. Veel groter nog is de oogst van het ook al geweldige “Mockingbird Sing” uit 2011. Daarvan worden er liefst zes songeenheden geserveerd. Respectievelijk de bedaarde red dirt rocker “Be My Wildwood Flower”, het aan de collectie haar naam verlenende “Queen Of Oklahoma” uiteraard ook, het aardig venijnig uit de hoek komende “Jesse James”, de mooie countrysoultrage “Don’t Leave Me Stranded”, het catchy niemendalletje “Sanctuary” en afsluiter “Better Ways”. “Wild Bird” en “I Am Yours” ten slotte zijn twee songs van het van twee jaar geleden daterende akoestische tussendoortje “Thirty Three”.

Wie Sampson enkel kende van “Wilder Side” zal haar hierna enkel nog maar wat steviger aan de borst willen drukken. Iets zegt ons zelfs, dat met name het album “Mockingbird Sing” hierdoor hoog op zo menig een verlanglijstje zal komen te staan. Wie houdt van krachtige stemmen, catchy, op een Oakie-leest geschoeide Americana en interessante teksten heeft daar daadwerkelijk een vette kluif aan. Net als aan deze compilatie trouwens! Warm aanbevolen!

Carter Sampson, Bandcamp

 

AJ HOBBS “Too Much Is Never Enough” (Booker Records)

(5*****)

Dit zou zomaar eens dé countrysensatie van het volgende voorjaar kunnen gaan worden, menen we hier oprecht. Wat de vanuit Californië nog volop aan de weg timmerende AJ Hobbs op z’n eerste volwaardige langspeler presteert deed ons immers met plezier terugdenken aan de hoogdagen van de outlaw (country) movement ergens halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw. Aan de hoogdagen van schoon volk als Waylon Jennings, Willie Nelson, Tompall Glaser, Kris Kristofferson Merle Haggard en anderen.

Ik mag dan wel een volbloed-Californian zijn, aldus Hobbs zelf, er zit ook “a whole lot of Texas in my heart”. En dat hoor je ook! Gelijk vanaf de opener, het aan zijn eigen, ondertussen definitief tot het verleden behorende drankprobleem refererende titelnummer straalt over de verschijning Hobbs een ster zo groot als de Lone Star State. In die wervelende beauty wordt meteen ook duidelijk, waarom Hobbs het in verband met zijn muziek zelf graag over “outlaw soul” mag hebben. Schrijf het maar op: “Too Much Is Never Enough” is een kanjer van een hit in wording. Beter kon Hobbs z’n eerste echte langspeler wat ons betreft amper aftrappen.

Al waren we daar nog eens elf nummers later al lang niet meer zo zeker van… “Too Much Is Never Enough” barst immers maar net niet uit z’n voegen van de klasseliedjes. Van het met een bijzonder hoog Waylon-gehalte neergelegde “Life Without You” en de ook al aan z’n eigen levensverhaal so far opgehangen outlaw stomp “The Loser” over een erg soulvolle interpretatie van wijlen Merle Haggards “The Bottle Let Me Down” en de binnenkort als eerste single te verschijnen country gospel groover “over Jezus, de duivel en z’n vader” “Daddy Loved The Lord” tot het met wat (country)rockgevoel afgekruide “Eastside”, van het catchy “Shit Just Got Real”, een nieuwe, best wel wat aan Jerry Reed herinnerende versie van dat eerder ook al op z’n (nog onder de naam Cal King uitgebrachte) eerste EP prijkende nummer, en het met een gezonde dosis Western swing geïnjecteerde “Are You Going To Tennessee?” over de met co-producer Ted Russell Kamp gepende valse trage “A Whole Lot Of You And Me” en het bedaarde, met Dominique Pruitt gebrachte countryduetje “Take It Slow” tot het ter ere van enkele van z’n eigen grote helden geconcipieerde “Waylon & Merle” en het afsluitende “Tomorrow I’ll Be Hurtin’”, een werkelijk bloedmooie trage op z’n Haggards, echt niet één enkel moment van zwakte te bekennen hier.

In een ietwat rechtvaardige wereld wordt 2017 dan ook zo goed als zeker het jaar van deze AJ Hobbs. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

AJ Hobbs

 

HIDDEN AGENDA DELUXE AND CARTER SAMPSON “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” (Continental Song City / Continental Record Services)

(4****)

Nooit gedacht, dat ik het effectief nog eens uit mijn strot zou krijgen, maar zie hier: “Dit is een verdomd mooie kerstplaat!” Ik durf zelfs nog verder te gaan: een aantal van de nummers hierop zullen hier ook in de komende maanden nog uitstekende diensten gaan bewijzen. Voilá, het is er uit!

En wie zijn het, die er na al die jaren uiteindelijk in geslaagd zijn om mij toch tot een dergelijke uitspraak te verleiden? Awel, dat zijn Oakie songstress Carter Sampson en de Nederlandse rootshelden van Hidden Agenda Deluxe. Die doen met “Christmas From Amsterdam To Oklahoma” zo ongeveer alles goed. Zó krijgt Kerstmis eindelijk de soundtrack die het al lang verdiende! Wat er concreet op neerkomt, dat enkel de mooiste kerstliedjes van anderen werden weerhouden en aangevuld met een stel eigen, voor de gelegenheid uitgebroede originelen.

Tot die laatste categorie behoren onder meer BJ Baartmans’ onwaarschijnlijk mooie sleper “For Saviour’s Sake” en het afsluitende, door Eric Devries ook al met veel verve gebrachte “Xmas Eve In Amsterdam”. Voor de liedjes uit de eerste passeerde men langs het oeuvre van Elvis Presley, Steve Earle, Bob Dylan, Jesse Winchester, Dolly Parton en Chris Rea. Met onder meer knappe versies van dingen als “I’ll Be Home For Christmas”, “Driving Home For Christmas”, “Hard Candy Christmas”, “Snow” en “I Shall Be Released” tot gevolg.

Chapeau!

Hidden Agenda Deluxe & Carter Sampson (CRS Bandcamp)

 

CHRIS MURPHY “The Tinker’s Dream” (Teahouse Records)

(3,5****)

“The Tinker’s Dream” is bij nader inzicht exact het soort van plaat geworden dat je vroeg of laat van een in de buurt van New York geboren Ier als Chris Murphy verwachtte. Een album tot de nok toe gevuld met “Original Irish Fiddle Music”, zoals de ondertitel het hebben wil. Origineel in die zin, dat het hier stuk voor stuk nummers van de hand van Murphy zelve betreft.

Murphy is überhaupt één van de fijnste fiddlers die wij kennen en wat hij zoal allemaal in zijn mars heeft blijkt hier meer dan ooit. In het gezelschap van schoon volk als Ted Russell Kamp, DJ Bonebrake, Tom Moose, Zac Leger, Trevor Hutchinson van The Waterboys, Andy Reilly van Celtic Woman en vele, vele anderen laat hij twaalf nummers lang zijn licht schijnen op het muzikale erfgoed van het land van herkomst van z’n voorvaderen. Jigs, reels en airs vormen daarbij bijna als vanzelfsprekend de muzikale hoofdmoot. Enkele gezongen liedjes (“Wicklow”, “Small Wonder” en “Cape Horn”), een walsje (“The Hayloft Waltz”) en een horlepiep (“The Artful Dodger”) kunnen terloops ook.

Een geheel echt wel barstend van de joie de vivre. Een beetje lente in het hartje van de winter…

Chris Murphy

 

STEVE HUSSEY & JAKE EDDY “The Miller Girl” (Merf Records)

(3,5****)

“Toeval is logisch,” aldus ooit het vermaarde Nederlandse voetbalorakel Johan Cruijff. En zoals wel vaker met zijn uitspraken sloeg het legendarische nummer veertien ook daarmee spijkers met koppen. Dat blijkt ook nu maar weer eens. Dat Steve Hussey en Jake Eddy elkaar vonden was immers puur toeval. Maar ergens toch ook helemaal logisch. Voortvloeiend uit wat bedoeld was als een eenmalig opnameproject in de aanloop naar Hussey’s huwelijk. Het wederzijdse respect bleek daarna echter zo groot, dat meer gewoonweg niet kon uitblijven. En dat meer werd hun gemeenschappelijke debuut samen, het nu voorliggende “The Miller Girl”.

Voor de songs daarop zorgde veteraan Hussey. Wat hij aandroeg resulteerde in een soort van Americana-conceptalbum. Vertrekkend vanuit het verhaal van een verworpene die beetje bij beetje zijn weg in het leven weet te hervinden. Hussey neemt ook de zang voor zijn rekening. Eddy van zijn kant excelleert op tal van instrumenten. Met name op de akoestische gitaar, de banjo en de mandoline toont hij zich een echte kei. Maar ook de ukelele, de guitarlele, de akoestische bas en de dobro hebben op z’n zeventiende (!) maar weinig geheimen meer voor ‘m. Hussey vult aan met wat getokkel op de akoestische, de ukelele en de guitarlele.

Zo ongeveer voor elk wat wils overigens op “The Miller Girl”. Van akoestische rootspopliedjes van het genre waarmee ook James Taylor en aanverwanten wel eens durven uit te pakken tot luistercountry, -bluegrass en –Americana het kan hier in een bijna voortdurend heerlijk relaxed aandoende context zo’n beetje allemaal. Het maakt van “The Miller Girl” een bijna onopvallend goed geheel. En da’s dan weer geen toeval…

Steve Hussey & Jake Eddy

 

SUSAN KANE “Mostly Fine” (Susan Kane)

(4****)

Met maar liefst vier albums van Susan Kane op de plank mag ik me zo stilaan wel een fan beginnen noemen, denk ik. Met die vier heb ik immers het volledige oeuvre van de vanuit New York actieve Americana-artieste constant te mijner beschikking. Ik maakte kennis met de muziek van Kane in 2004. Toen verscheen haar debuut “So Long”. In 2008 leverde ze vervolgens het ook al knappe “Highway Bouquet” af. En in 2012 maakte ze me eens te meer blij met nummer drie, het hier ook nu nog erg regelmatig gedraaide “A Word Child”.

Nu, wederom vier jaar later, is er uiteindelijk haar nieuwe, het zopas verschenen “Mostly Fine”. En die plaat breekt toch wel wat met haar voorgangers. In die zin, dat het ditmaal een grotendeels akoestisch gehouden geheel is geworden. Met veel akoestische gitaar, dobro, fiddle, mandoline, lap steel, banjo en accordeon en met een feel die meer dan ooit uitnodigt tot het gebruik van de term Americana. Met dank daarvoor onder meer aan het adres van producer Jeff Eyrich en gasten als Abbie Gardner (Red Molly), Lisa Gutkin (Klezmatics), Ira Levin, David Bernz en studio-eigenaar Fred Gillen, Jr.

Zeven Kane-originelen staan er op “Mostly Fine” en die zijn, wel… mostly fine. Zoals het leven zelf, aldus Kane. En dan mag je eigenlijk best tevreden zijn, want perfectie bestaat nu eenmaal niet. Van die zeven liedjes blijken er overigens twee co-writes. Het even mooie als bedaarde “Love Can Die” over een recent verlaten vrouw die in de ogen van haar kind haar ex herkent schreef Kane samen met de ons volslagen onbekende Pat Schneider en voor het bitterzoete countryduetje “Worn Out Lines” ging ze samen zitten met de hoger al even genoemde Fred Gillen, Jr.

Voorts stoten we op “Mostly Fine” ook nog op enkele welgemikte covers. Het lekker folky swingend gebrachte “Brown Eyed Women” en de mooie afsluitende trage “Comes A Time” leende Kane bij Robert Hunter en Jerry Garcia, zeg maar Grateful Dead, terwijl voor de werkelijk sublieme ballad “A Man Of Much Merit”, bij nader inzicht opgehangen aan de laatste woorden van een stervende, de songcatalogus van de weliswaar een stuk minder bekende, maar wel onder meer onze protagoniste zelve en Willie Nile tot z’n fanschare rekenende Rob Morsberger aangedaan werd. Een stel liedjes die door hun thematiek perfect aansluiten bij Kane’s eigen creaties, waarin het emotionele als vanouds weer een erg belangrijke rol speelt.

“Mostly Fine” is wat ons betreft niks minder dan een uitgesproken aanrader voor eenieder die houdt van intelligente rootsy luisterliedjes.

Susan Kane

 

TRAILERPARK IDLERS “Alligator Days” (Something Wicked)

(4****)

De Trailerpark Idlers zijn een bepaald interessant alternatief countrygezelschap uit het Zweedse Norrköping. Miss LisaLee (zang en akoestische gitaar), Morgan Hellman (zang, akoestische gitaar en percussie), Pentti Salmenranta (elektrische gitaar) en JK Anderson (doghouse bass) grossieren samen al ruim tien jaar lang in wat je noemt het betere spul. En het goede nieuws daarbij is, dat ze nog met elk album beter lijken te worden ook. Zo is “Alligator Days”, hun zonet verschenen dertiende tot op heden, wat ons betreft een echt blijvertje. Een typische groeiplaat ook. Een interessante verkenning van the weird side of country.

In het frenetische “Everytime I Hear The Sound Of A Train” lijkt het zo bijvoorbeeld alsof Zijne Bezetenheid Zelve Nick Cave zich enkele tellen lang aan trad country en rockabilly bezondigt, het bezwerende “A Whisper From All Woods” klinkt op zijn beurt als Walkabouts-frontvrouwe Carla Torgerson voor de gelegenheid aan het hoofd van de Tennessee Three, terwijl het daaropvolgende “Black Rock Special 238” dan weer eerder iets heeft van madman Jerry Lee Lewis in z’n countryhoogdagen. Het omineuze, zo ongeveer volledig onthaaste “Kate” is vervolgens een gitzwarte leaving song, “200 Miles & 20 Years From Home” koppelt op hoogst aanstekelijke wijze wat van de waanzin van de Cramps aan wat Cash-boom-chicka-boom en afsluiter “Gospel Train To Heaven” is gewoon topcountry tout court.

Het zijn slechts zes voorbeelden van wat er in het wereldje van de Trailerpark Idlers zoal allemaal kan. Tien van de twaalf songs op “Alligator Days” blijken overigens originelen. Het merendeel van de hand van Morgan Hellman, de overige drie van Miss LisaLee. Afgewerkt wordt het geheel met covers van de classics “Tombstone Every Mile” van Dick Curless en “Born To Cry” van Dion DiMucci.

Kort samengevat: het soort van country waarmee je ook in wat alternatiever ingestelde kringen gemakkelijk zou moeten kunnen scoren.

Trailerpark Idlers

 

RIVERS “Both Of Your Wings” (Rivers)

(3,5****)

Rivers is een nog relatief jong Amsterdams collectiefje onder aanvoering van de ravissante Annika Ijdo. Die studeerde een poosje in de States en dat is duidelijk te horen aan de liedjes op de EP “Both Of Your Wings”. Met het materiaal daarop solliciteren zij (zang en mandoline) en haar kompanen Ralf Pouw (bas), Benjamin Rheinländer (drums, percussie en backing vocals), Jasper Zuidervaart (dobro, gitaren en backing vocals), Bram van Langen (gitaar, mandoline en backing vocals), Korné ter Steege (banjo, mandoline, gitaren, lap steel en backing vocals), Danny La Haye (double bass) en Tim Langendijk (pedal steel) nadrukkelijk naar een stekje op de plank bij de liefhebbers van het materiaal van onder meer Ilse DeLange en de Common Linnets. Wat ze brengen valt inderdaad ook onder de noemer country pop.

Maar dan wel van het eerder smaakvolle type. Doorgaans erg sterk van melodie en daardoor ook hoogst catchy. Fraai ingezongen bovendien en met instrumentalerwijs nogal wat banden met zowel Americana, folk als bluegrass. Heel radiovriendelijk op de keper beschouwd ook. Met name dingen als het licht melancholische “Sober”, het aanstekelijke uptempo-niemendalletje “Me& Marie”, stampertje “Rebel” en de fraaie trage “Both Of Your Wings” laten zich al na één enkele beluistering quasi niet meer van tussen je oren wegslaan.

Ook wel leuk: de niet op deze EP verkrijgbare, maar ondertussen als separate download beschikbaar gestelde single “Real Christmas”, waarin Ijdo en co het opnemen voor alles waar het eigenlijk om draait tijdens de eindejaarsdagen. Noem het maar een pleidooi voor echte, nog niet aan commercie ten prooi gevallen Kerst.

Rivers

 

JAMES MCARTHUR AND THE HEAD GARDENERS “Burnt Moth” (Moorland Records)

(3,5****)

“Burnt Moth” is na het ook al zeer mooie en heel erg lovend onthaalde “Strange Readings From The Weather Station” van zo’n twee jaar geleden al het tweede album van Welshmen James McArthur. En bekoren doet de beste man daarop als vanouds met enigszins omfloerst overkomende folky deuntjes met hoog herfstgehalte. Weldadig aandoend als je lichaam achter glas strelende zonnestralen tijdens de eerste koude dagen van het najaar, zoiets. Heerlijk vertrouwd aandoend eigenlijk. Net als z’n gitaarspel trouwens. Dat roept bij momenten in al z’n verfijning immers herinneringen op aan icoon Bert Jansch.

En daarmee hebben we meteen al twee van McArthurs vier voornaamste troeven benoemd. Nummers drie en vier zijn gereserveerd voor respectievelijk ’s mans fluwelen stem en z’n begeleiders van The Head Gardeners. Met de eerste verdient hij zich wat ons betreft zomaar een plekje in de buurt van iemand als Nick Drake zaliger. En wat Jim Willis, John O’Sullivan en gasttuiniers Samantha Whates, Joel Magill en Colin Somervell betreft, die werken de zo al over “Burnt Moth” hangende flou artistique nog wat meer in de hand met gesmaakte bijdragen op onder meer viool, mandoline, pedal steel en bas of met wat backing vocals. McArthur zelf draagt daartoe op zijn beurt bij met inspanningen op zowel akoestische gitaren als piano, harmonica, drums en wat percussie-instrumenten.

“Burnt Moth” hoort naar ons gevoel thuis onder de hoofding “delicate eigentijdse folk met een manifest retro randje”.

James McArthur And The Head Gardeners

 

COUNTRY LIPS “Till The Daylight Comes” (Country Lips)

(3,5****)

Eindelijk nog eens een plaat die de dezer dagen steeds vaker ten onrechte ten tonele gevoerde omschrijving alternative country ook daadwerkelijk verdient. Gesigneerd Country Lips. Een uit de heren Austin “Sheriff” Jacobsen (bas), Trevor Pendras (elektrische gitaar en zang), Miles Burnett (drums en zang), Hamilton Boyce (elektrische gitaar en zang), Alex Leake (akoestische gitaar en zang), Jonah Byrne (fiddle), Kenny Aramaki (keys) en Gus Clark (accordeon en mandoline) bestaand achtmanschap uit Seattle, dat met “Till The Daylight Comes” op ongemeen aanstekelijke wijze Johnny Cashke, George Joneske, Johnny Paycheckske en Merle Haggardje speelt. Dat alles wat goed was in het verleden ongegeneerd eigenzinnig vertaalt naar het hier en nu. Met vaak onwaarschijnlijke resultaten. Zo waaien doorheen “Reason I’m Drinking”, om maar iets te zeggen, bijvoorbeeld totaal onverwacht zelfs wat heuse skatonen voorbij.

Dertien heerlijk rammelende songkleinoden staan er in totaal op “Till The Daylight Comes”. Gaande van klassiek gestijlde slepers tot wat heviger spul waarvoor gelijkgezinde Amerikanen graag termen als raucous of rowdy uit de kast mogen halen. Van typisch barverdriet tot voer voor lekker wilde feestjes dus. Deed ons op de één of andere manier best wel wat denken aan een ander favorietje van weleer, het onvolprezen Accident Clearinghouse met name. Als u van dat fijne bandje hield, dan is de kans ons inziens vrij groot, dat u ook hiervoor gewillig overstag zal gaan.

Try it, you’ll like it!

Country Lips

 

VOODOO SWING “To You, My Friend” (Chromodyne)

(4****)

Shorty Kreutz (gitaren en zang), Tommy Collins (bas en zang) en Walter Spano (drums) pakken op hun ondertussen toch ook alweer achtste album samen uit met een heus songelftal aan goede redenen om hen weer wat steviger aan de borst te drukken. Als het er op aankomt om rock & roll en rockabilly op een ertoe doende manier naar het hier en nu te vertalen dan staan de heren echt wel op de eerste rij. Aan niet zo hoog met vakjesgrenzen oplopende creativiteit alvast absoluut geen gebrek hier! Het maakt van “To You, My Friend” een waar roots-totaalpakketje.

Afgetrapt wordt er met het hypernerveuze “You Ain’t Doin’ Me Right”. Vervolgens gaat het richting het sympathiek hortende en stotende en met flink wat blues en soul gekruide “You’re Gonna Miss Me One Day”. De rootsy stomper “So Fine” valt daarna meteen op door het wat aparte gebruik van keys erin. En “’Murica” is in het zog daarvan redelijk klassieke ‘billy met een buitengewoon lekker basmotiefje als naar ons gevoel voornaamste surplus.

“The Rambler” is dan recht-toe-recht-aan roots rock, “Too Much Drinkin’” doet iets fijns met trad country, titelnummer “To You, My Friend” leunt weer even nadrukkelijk aan bij het muzikale verleden van de drie en “Don’t Tell Me That You Love Me” durft het zelfs aan om van bil te gaan met bluegrass. Resten er ons dan nog: de wervelende instrumental “Chokin’ The Chicken”, het jazzy, met de verrukkelijke Holly Pyle van House Of Stairs in onvervalste jaren ’20 retrostijl neergelegde “If Hell Has A Place For Me” en het afsluitende, duidelijk door Led Zeppelin geïnspireerde “Fadin’ Away”.

Voor de wat ons betreft buitengewoon geslaagde productie van “To You, My Friend” tekende Olivier Zahm.

Voodoo Swing

 

DOWN HARRISON “Down Harrison” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het voorliggende “Down Harrison” blijkt bij nader inzicht niks minder dan een echte singer-songwriterplaat. Maar dan wel eentje gebracht door een groep. Alles draait om de jarenlang op de plank liggen gebleven liedjes van zanger-songsmid Jesper Willaume met wie bassist Tommy Cassemar en drummer Pelle Alsing al eens eerder samenwerkten voor het album “This Year The Summer Will Be Long”. Nadat die eersteling van ‘m door omstandigheden niet werd uitgebracht trok Willaume zich uit het muziekwereldje terug. Zijn toekomst lag vanaf dat moment in het restaurantwezen.

Nu, goed en wel vijftien jaar later, ligt er met het titelloze debuut van de groep Down Harrison plots wel iets van die Willaume in de winkel. Samen met het al genoemde tweetal, gitarist-toetsenist Micke Wedberg en gast Olaf Gustafsson (op gitaar en pedal steel) knalt hij daarop doorheen tien knappe eigen liedjes. Door de band genomen aardig intelligent uit de hoek komend spul met een redelijk hoge aaibaarheidsfactor. Nadrukkelijk bestemd voor veelvuldig radiogebruik. Met het nodige pop- en rockbloed in de aderen. Maar ook met een zekere hang naar meer rootsy oorden. Zoals bijvoorbeeld ook Crowded House en Chris Isaak die ooit hadden, al resulteert dat hier toch in iets totaal anders.

Als mooiste nummers van het lot onthielden wij na enkele draaibeurten het behoorlijk melancholische, op uitermate fijn elektrisch gitaarwerk drijvende “Everyone’s To Blame”, het bedaarde, überhaupt wat retro aandoende “Hell’s Cold” en titelnummer “Down Harrison”.

Down Harrison

 

JENNY WHITELEY “The Original Jenny Whiteley” (Black Hen Music)

(4****)

Voor iemand met een staat van dienst als de hare is Jenny Whiteley eigenlijk altijd relatief onbekend gebleven in Europese rootskringen. En u weet hoe dat gaat, onbekend maakt onbemind. Vandaar van hieruit nog maar eens een poging om de Canadese aan wat meer naambekendheid te helpen, want geloof ons vrij, die verdient ze echt wel ten volle. Overtuig u daarvan vooral zelf door haar vier vorige platen even op te snorren. Van haar inmiddels nog maar moeilijk verkrijgbare titelloze debuut uit 2000 over het drie jaar later verschenen “Hopetown” en het magistrale “Dear” uit 2006 tot “Forgive And Forget” uit 2009, het zijn echt stuk voor stuk ijzersterke gehelen. Albums, waarmee ze in eigen land onder meer al vergelijkingen met groten der aarde als een Emmylou Harris en een Lucinda Williams wist te oogsten. That good? That good indeed!

En dat onderstreept ze ook met haar nieuwe worp “The Original Jenny Whiteley” weer. Da’s bij nader inzicht een soort van eerbetoon aan haar eigen muzikale afkomst geworden. Aan de haar jonge jaren zo ongeveer volledig beheerst hebbende folk, blues, bluegrass, jug band en old-time country. Aan roots music tout court. Op het menu derhalve ook heel wat naar haar jeugd terugharkend spul. Liedjes die ze toen al aanleerde tijdens optredens met familiebandjes als The Original Sloth Band en de Junior Jug Band, maar ook andere pas veel later op haar repertoire opgedoken traditionals en zelfs wat in dezelfde trant geschreven originelen.

Zonder uitzondering smaakvolle covers zijn er zo van Chris Coole’s “100 Dollars”, van de traditionals “In The Pines”, “Groundhog” en “Things Are Coming My Way”, van Bob Dylans versie van “Oxford Town”, van Uncle Dave Macons “Morning Blues”, van Will Shade’s “Stealin’, Stealin’” en van Mike Herrons “Log Cabin Home In The Sky”.

En tot de categorie der originals behoren de sprankelende old-time bluegrass van het door Whiteley samen met haar wederhelft Joey Wright gepende en op de keper beschouwd echt wel van een veelzeggende titel voorziene “Banjo Girl”, het heerlijk moody, de zangeres in onvervalste slow jug band style in het Frans opvoerende “Malade” en ten slotte ook “Higher Learning”, naar eigen zeggen een ode aan haar eigen jazz- en old-time-helden van weleer.

Voor de productie van “The Original Jenny Whiteley” tekende de ook verder zowat alomtegenwoordige Sam Allison. Ook voor hem een dikke pluim!

Jenny Whiteley

 

RICHARD LINDGREN “Malmostoso” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Al op zijn vorige album “Sundown On A Lemon Tree” waren heel duidelijk sporen van tijdens een recente tournee doorheen Italië aangeknoopte vriendschappen te bekennen en het hoeft ons inziens dan ook niet echt te verwonderen, dat Richard Lindgren op z’n nieuwe plaat z’n hart helemaal aan dat land verloren lijkt te hebben. Zo verwijst de titel ervan bijvoorbeeld al niet meer naar z’n Zweedse thuishaven Malmö, maar is het een verklanking van, een vertaling naar het Italiaans van het doorgaans eerder verdrietige, mistroostige sfeertje dat er over de plaat hangt.

Lindgren nam zijn tiende studioplaat op in Pavia. En hij deed daarbij ook uitsluitend een beroep op lokale muzikanten. Onder hen onder meer toetsenist Riccardo Maccabruni, met wie hij ook het nummer “St Vincent’s Blues” schreef. Diezelfde Maccabruni tekende overigens samen met Simone Giorgi en Charley Goodride ook voor de productie van “Malmostoso”.

Op dat album valt er naar goede Lindgren-gewoonte weer aardig wat te genieten. Na gehelen als het hier hoger al genoemde “Sundown On A Lemon Tree”, “Postcards From Elsewhere”, “A Man You Can Hate”, “Grace” en andere hoeven we je allicht al lang niet meer te overtuigen van ’s mans capaciteiten als songsmid. Met zijn uitzonderlijk warme hese stem – Think Steve Forbert! – weet hij hier alvast steeds weer de juiste snaar te betokkelen. En met name als het gaan om het songgewijs vereeuwigen van gevoelens vloert hij ons keer op keer opnieuw. Hoe uiteenlopend van aard dan ook.

Onze ook nu weer compleet onverbintelijke luistertips: openingsnummer “Dunce’s Cap”, het bluesy “Evil Love” en de intimistische akoestische ballad “Bluesy Moss”.

Richard Lindgren

 

THE CACTUS BLOSSOMS “You’re Dreaming” (Red House Records / Music & Words)

(5*****)

Gelijk al vanaf het eerste moment waarop Jack Torrey en Page Burkum in “Stoplight Kisses” samen aan het zingen gaan kan je er hoegenaamd niet omheen: veel dichter kan je het geluid van de legendarische Everly Brothers in hun hoogdagen nauwelijks benaderen. Heerlijk gewoon, hoe de twee hier vervolgens nog ruim een half uur langer ongegeneerd lang vervlogen tijden blijven evoceren. En dat dan ook nog eens uitsluitend met eigen materiaal! Je houdt het amper voor mogelijk!

Van de heerlijk melancholisch uitgevallen ballad “You’re Dreaming” of het uit zo ongeveer hetzelfde materiaal opgetrokken “Queen Of Them All” over het sympathiek een aardig eindje wegrockende “Clown Collector”, het zomers lijzig neergelegde “Mississippi” en de mooie trage “Powder Blue” tot het werkelijk rete-aanstekelijke, en passant met een royale snuif manouche gekruide “Change Your Ways Or Die”, de typische Everly country van “If I Can’t Win”, de al even nadrukkelijk aan Don en Phil refererende rocker “No More Crying The Blues”, het ingetogen “Adios Maria” en het afsluitende “Traveler’s Paradise”, werkelijk alles is hier even mooi. Dat zoiets anno 2016 nog kan… Incroyable!

Voor de productie van het van hieruit bij deze bijzonder warm aanbevolen “You’re Dreaming” werd een beroep gedaan op huisfavorietje JD McPherson.

The Cactus Blossoms

 

JONAH TOLCHIN “Thousand Mile Night” (Yep Roc Records / V2)

(4****)

Jonah Tolchin toog voor de opnames van z’n nieuwe album “Thousand Mile Night” naar de legendarische FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama. Daar, in het geboorteoord van zo menig een Southern soul classic, blikte hij onder de productionele auspiciën van veelkunner Marvin Etzioni zijn wat ons betreft sterkste plaat tot op heden in. Een tien songs rijke tour de force, die je als liefhebber van rootsy singer-songwriterspul in geen tijd op het puntje van je stoel heeft.

Van ingetogen soulvol spul genre openingsnummer “Beauty In The Ugliest Of Days” over groovy ingehouden Southern roots rock met bluesinslag à la het titelnummer tot een simpele countrydeun als “I Wonder”, van een intimistische folkpoptrage als het door gast Sam Amidon vakkundig met wat fiddle en banjo besprenkelde “Completely”, het daar op z’n minst gevoelsmatig perfect bij aansluitende tweetal “Paint My Love” en “Song About Home”, het ergens op de dunne grens tussen folk en alternatieve country gedijende “Unless You Got Faith” – een ronduit heerlijk pleidooi voor durven af te gaan op je geloof – tot het gitzwarte, ons op de één of andere manier een weinig aan Tom Waits herinnerende “Where The Hell Are My Friends”, de z’n titel quasi terloops volkomen getrouw blijvende bluesy rocker “Working Man Blues #22” of de niets minder dan spraakmakende afsluitende Skip James-cover “Hard Time Killing Floor Blues”, Tolchin dwingt je zo goed als voortdurend mee in zijn verhaal.

Echt wel behoorlijk straffe kost allemaal!

Jonah Tolchin

 

GILLIAN WELCH “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” (Acony Records / V2)

(5*****)

Ondertussen precies twintig jaar geleden deed Gillian Welch voor het eerst van zich spreken met het magistrale “Revival”. Voor de zangeres zelf alvast aanleiding genoeg om even achterom te kijken. En dat doet ze met het onder supervisie van haarzelf en partner in crime Dave Rawlings ontstane “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg”. Het betreft daarbij een eenentwintig songeenheden tellende terugblik die volop durft af te wijken van de geijkte paden. We krijgen hier immers voor één keer niet het originele album aangevuld met wat vlug bij elkaar geharkte outtakes, maar een volledig uit niet eerder verschenen materiaal bestaand geheel.

Op “Boots No. 1: The Official Revival Bootleg” prijken zo naast uiteindelijk uit de boot gevallen dingen als “Go On Downtown”, “Red Clay Halo”, “Georgia Road”, “I Don’t Want To Go Downtown”, “455 Rocket”, “Wichita”, “Riverboat Song” en “Old Time Religion” ook nog een hele reeks alternate versions & mixes (“Orphan Girl”, “Annabelle”, “Pass You By”, “By The Mark”, “Only One And Only”, “One More Dollar” en “Paper Wings”) , demo’s (“Paper Wings”, “Tear My Stillhouse Down”, “Orphan Girl”, “Dry Town” en “Acony Bell”) en een enkele live-radio-opname (“Barroom Girls”). Stuk voor stuk opnames die meer inzicht verschaffen in het ongetwijfeld erg boeiende ontstaansproces van wat ons betreft nog steeds één van de allerbelangrijkste Americana-platen überhaupt.

Een waar voorbeeld als dusdanig voor allen die het overwegen om in de toekomst nog eens op één van hun platen terug te kijken! Zó en niet anders doe je dat dus! Dat nummer twee snel volgen moge!

Gillian Welch

 

UB40 FEATURING ALI, ASTRO & MICKEY “Unplugged” + “UB40’s Greatest Hits” (UMC)

(4****)

Nooit gedacht, dat ik hier op Ctrl. Alt. Country ooit nog eens aandacht aan zou gaan besteden… Maar zie hier! De nieuwe van UB40! Noem het gerust maar één van m’n eigen guilty pleasures. Indertijd in de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig ongelooflijk veel plezier aan beleefd, aan het materiaal van Birminghams fijnsten. En dus vond ik het ook geweldig nieuws toen ik drie jaar geleden vernam, dat zanger Ali Campbell, tweede stem Terence “Astro” Wilson en toetsenist Michael “Mickey” Virtue elkaar na jaren van scheiding elkaar terug in de armen waren gevallen. Met als eerste resultaat indertijd het album “Silhouette” en nu dus “Unplugged”.

Op dat veelzeggend getitelde geheel doen Campbell en co het inderdaad met akoestische versies van hun oude hits. Met als meest in het oog springende tracks ontegensprekelijk het door Campbell voor de gelegenheid niet met de wat ons betreft volstrekt onnavolgbare Chrissie Hynde van de Pretenders maar in duet met z’n eigen tweeëntwintigjarige dochter Kaya gebrachte “I Got You Babe”, het met de eveneens vanuit Birmingham actieve Pato Banton gedeelde “Baby Come Back” en de Prince-cover “Purple Rain”. Al zijn ook de nieuwe stripped down-versies van “Kingston Town”, “Red Red Wine”, “Many Rivers To Cross”, “(I Can’t Help) Falling In Love With You”, “One In Ten”, “Homely Girl”, “Please Don’t Make Me Cry”, “Food For Thought”, “Cherry Oh Baby”, “Rat In Mi Kitchen”, “Tyler” en zo zeker niet te versmaden.

Als bonus krijgen we op een tweede schijfje ook nog de originelen van veel van de hier vertolkte nummers: de twintig grootste hits van UB40 verzameld op een kluitje. Ideaal spul voor binnenkort onder de kerstboom, als u het ons vraagt!

UB40

 

JOHN CEE STANNARD “It’s Christmas Time” (CastIron Recordings)

(3,5****)

It’s that time of the year again… De boom en het stalletje mogen stilaan weer worden opgediept, de wenskaarten alvast maar geprepareerd, vuurwerk voor alle zekerheid ook al maar besteld. En er moet natuurlijk hoogdringend ook alweer over geschenken en eindejaarsmenu’s nagedacht worden. Dat hoort nu eenmaal allemaal zo. En precies daar houden wij dus niet van, zie. Dat alles in die laatste dagen van het jaar plots lijkt te moeten. Ook in de muziekindustrie. Daar lijkt het er hoe langer hoe meer op, dat je er niet echt bij hoort als je niet minstens één keer in je leven een kerstplaat hebt ingeblikt. En al zeker in de States. Daar is het inmiddels zo goed als een verplichting.

Veel meligheid dus binnenkort ongetwijfeld weer op de radio. En ook zo in onze brievenbus allicht. De eersten die het dit jaar zo ver brachten zijn de Brit John Cee Stannard en zijn maatjes van Blues Horizon. Zij confronteren ons op de vijf songeenheden tellende EP “It’s Christmas Time” nadrukkelijk met de vraag “Who says you can’t play the blues at Christmas?”. Ja, wie eigenlijk? Van hieruit zullen ze alvast geen negatief antwoord oogsten. Bedaard swingend zoals in het van heerlijk smoelschuifwerk voorziene “Christmas On My Own”, lekker laid-back groovend zoals in het titelnummer, ingetogen stoeiend met het bij BK Turner geleende “Beggin’ Santa Clause” en net niet helemaal loos gaand in een voor de gelegenheid tot “Let Me Go Home – It’s Christmas” omgedoopt “Let Me Go Home, Whiskey”, je ongetwijfeld ook wel bekend in de geweldige eerdere uitvoering van Amos Milburn, zó wordt Kerstmis verdorie nog echt fun! Enkel de afsluitende ballad “Winter Love” hadden Stannard en co wat ons betreft echt wel achterwege mogen laten. Hadden we hen heus niet kwalijk genomen…

Desondanks nu al een dikke merci aan het adres van bluesmens Stannard en de zijnen. Onze (muzikale) eindejaarsdagen hebben ze hiermee immers alvast een heel klein beetje gered.

John Cee Stannard

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home