CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES DECEMBER 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

CAMERON BLAKE “Fear Not” - MARY GAUTHIER “Rifles & Rosary Beads” - SARAH MORRIS “Hearts In Need Of Repair” - MATTHEW RYAN “Hustle Up Starlings” - HARDPAN “Hardpan” - COUSIN HARLEY “Blue Smoke: The Music Of Merle Travis” - JD MCPHERSON “Undivided Heart & Soul” - D.B. RIELLY “Live From Long Island City” - SWEET ALIBI “Walking In The Dark”

  

CAMERON BLAKE “Fear Not” (Continental Song City)

(5*****)

Zowat een jaar geleden werd ik compleet van mijn sokken geblazen door “Alone On The World Stage”, de vijfde langspeler van de mij voorheen volslagen onbekend gebleven jonge Amerikaanse folkie Cameron Blake. Zonder meer één van dé platen van 2017, dat geheel. “Nu al als klassiek te bestempelen luistervoer,” waren de gevleugelde woorden die we er toen naast vijf in al hun glorie fonkelende sterren voor overhadden. De naam Cameron Blake kreeg vanaf dat moment meteen ook een prominent plaatsje in het boek met onze singer-songwriter-favorieten.

En spijt hoeven we daarvan vooralsnog niet te hebben. Opvolger “Fear Not” blijkt voorwaar immers zelfs nog beter. De twaalf liedjes erop zijn van een nooit minder dan ademberovende schoonheid. Nick Drake, Tim en Jeff Buckley, Scott Walker, Leonard Cohen, Mickey Newbury, als u net als mij houdt van al is het ook maar één van de grootmeesters in dat rijtje, dan moet u beslist eens een oor te luister leggen bij Cameron Blake. Het niet zelden door eigen ervaringen geïnspireerde liedjesmateriaal op “Fear Not” zal ook u ongetwijfeld niet onberoerd laten. Als storyteller is Blake ondanks zijn nog relatief jonge leetijd immers al een echte meester. “En of hij het nu heeft over zo op het eerste gezicht eerder schijnbaar banale, in z’n eigen omgeving opgetekende feiten, dan wel over meer globale topics speelt daarbij zelfs absoluut geen rol. Het is zijn eigen, hoogst aparte manier om z’n onderwerpen te benaderen, die als het ware het cement tussen de losse song-stenen vormt. De niet altijd even evidente invalshoek, bedoelen we dan in de eerste plaats. Maar zeker ook de geweldige poëtische kracht van z’n teksten. Niet zelden heb je als luisteraar het gevoel te maken te hebben met gedichten, die pas op een later tijdstip tot liedjes zijn uitgegroeid.” Ook deze door ons een jaartje geleden neergepende woorden blijken opnieuw volop van toepassing. Al klinkt “Fear Not” als geheel al bij al een stuk rijker dan zijn voorganger. Iets wat ons vooral toe te schrijven lijkt aan de wat weelderigere orkestratie.

Onze luister- en huivertips: de als een soort van beginselverklaring fungerende pianoballade die openings- en titelnummer “Fear Not” is, het zeldzaam luchtige, zonder retro te klinken toch aan minder complexe tijden herinnerende “After Sally”, het ons tekstgewijs naar 1989 en het plein uit zijn titel transporterende “Tiananmen Square” en het zich op eigenzinnige wijze over het reilen en zeilen van een migrant op zoek naar een beter leven buigende “The Only Diamond”. Al weze hier meteen wel duidelijk gesteld dat “Fear Not” het soort van album is, dat je vooral in z’n geheel zal willen genieten. Veel dichter bij perfectie kan je als artiest ons inziens immers niet komen.

Cameron Blake, CRS

 

MARY GAUTHIER “Rifles & Rosary Beads” (Proper Records / Bertus)

(5*****)

“Rifles & Rosary Beads” is het zoveelste veritabele pareltje op het actief van Mary Gauthier. Veel aangrijpender dan dit worden ze naar onze bescheiden mening amper nog gemaakt. Daarom ook de volle vijf sterren voor dit sublieme songelftal. Oververdiend, zo lijkt ons. En dat mede dankzij of vooral door het aan de basis ervan liggende concept.

Voor het schrijven van de liedjes van “Rifles & Rosary Beads” ging Gauthier immers in zee met oorlogsveteranen en hun families. Zij wilde als het ware het medium zijn dat deze door hun extreme ervaringen ver van huis niet zelden zwaar getekende medemensen nodig hadden om hun vaak zwaar onderschatte life after te delen met zich in onbegrip hullende anderen rondom hen. Een nobel uitgangspunt dat zoals te verwachten viel resulteert in nergens minder dan beklijvende songs. Liedjes die levens veranderen, ja zelfs redden zouden. En zelfs al zou Gauthier hier niet één enkel exemplaar van verkopen, dan nog zou ze het zich daardoor allicht überhaupt niet beklagen eraan begonnen te zijn.

Maar verkopen zal dit. En veel ook allicht. Daarvoor zijn de elf nieuwe liedjes hierop gewoon té goed. Neem nu zoiets als het bitterzoete “Bullet Holes In The Sky”. Heerlijk gewoon, hoe daarin wordt ingegaan op de gemengde gevoelens die een bestaan als oorlogsveteraan met zich meebrengt. Of “The War After The War”, dat een vergrootglas boven de gespannen relatie van een recentelijk uit oorlogsgebied teruggekeerde houdt. Of het countryeske “Still On The Ride”, waarin naast het wrede lot van overleden medematen ingetogen vooral ook veel spijt nazindert. Werkelijk bloed- en bloedmooi allemaal!

En wat het allemaal alleen nog maar mooier maakt, is de gedachte dat Gauthier hier niet enkel een bijzonder fraai album aflevert, maar er al doende heel wat mensen mee geholpen heeft en allicht nog helpt ook. Als eerste stap in een genezingsproces kan dit “Rifles & Rosary Beads” zeker tellen. Chapeau!

Mary Gauthier

 

SARAH MORRIS “Hearts In Need Of Repair” (Sarah Morris Music)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik heel erg gecharmeerd ben door “Hearts In Need Of Repair”, de nieuwe worp van de jonge Amerikaanse Sarah Morris. De ondertussen toch ook alweer derde worp van de vanuit Minnesota actieve zingende liedjesschrijfster, die ons een jaar of twee geleden ook al aangenaam wist te verrassen met haar tweede “Ordinary Things”. Morris heeft naar mijn gevoel echt alles om het snel te gaan maken. Ze schrijft heerlijk direct aandoende en mede daardoor ook vrijwel ogenblikkelijk aansprekende liedjes, beschikt over een bijzonder rijke, zeer herkenbare stem en ziet er bovendien ook nog eens geweldig uit. Wat kan een mens zich nog meer wensen? Niets toch?

Zalig, hoe Morris ook op “Hearts In Need Of Repair” weer elf nummers lang gekund het evenwicht weet te bewaren op het slappe koord tussen country en folk (rock). En dat met hier en daar ook nog een voorzichtige popnoot als surplusje. Bij wijze van vergelijking noem ik hier graag even de helaas wat in de vergeethoek geraakte Mindy Smith. Het ene moment ontwapenend ingetogen, het andere bedaard opgewekt, nu eens fragiel, kwetsbaar ook, dan weer verleidelijk, je als een volleerde sirene richting haar klippen lokkend.

Voor de productie van “Hearts In Need Of Repair” tekende Morris ook zelf, samen met Eric Blomquist. En pluimen wil ik hier zeker ook nog achterlaten voor gitarist Thomas Nordlund en gast Shane Akers, die meermaals weet te bekoren met zijn bijdragen op zowel dobro als lap steel. Mede door hun toedoen klinkt “Hearts In Need Of Repair” echt ongelooflijk af.

Horen betekent in dit geval met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dan ook kopen! U zal het zich alleszins niet beklagen.

Sarah Morris

 

MATTHEW RYAN “Hustle Up Starlings” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Dertien albums ver in zijn carrière inmiddels doet Matthew Ryan ook op “Hustle Up Starlings” weer datgene waarin hij zo verdomd goed is. Tien nummers lang dwalen zijn gedachten af langs de grenzen van genres als roots rock, de Heartland-variant daarop, Americana en aanverwanten. Het ene moment heerlijk rauw rockend, het andere eerder behoedzaam, noem het voor ons part bedachtzaam in ballademodus. Soms ook gewoon ergens halverwege tussen die beide polen. Niks nieuws onder de zon eigenlijk, maar wel ó zo lekker.

En ja, natuurlijk is die rauwe schuurpapierstem van ‘m daaraan weer niet geheel en al vreemd. Maar de songs zijn de laatste jaren ook weer gewoon ijzersterk. Alsof je Ryan Adams, Tom Petty en Springsteen in één gebalde versie krijgt toegeworpen, zoiets. Twijfelen tussen elektrisch en akoestisch is er hier daarbij al lang niet meer bij. Vraagt een liedje om het ene dan krijgt het dat ook, vraagt het om het andere idem dito. Passioneel klinkt het hoe dan ook allemaal. Zonder uitgesproken voorkeuren voor het één noch het ander.

Ryan streelt tien nummers lang ouderwets lekker de zinnen. Hij herinnerde ons daarbij quasi terloops aan tijden toen dit soort van platen tot ons groot plezier nog bon ton waren. Toen geruite hemden met opgerolde mouwen nog volop konden. Toen velen nog gewoon wilden klinken als de Ryan

Nice one, Matt!

Matthew Ryan

 

HARDPAN “Hardpan” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Best wel vreemd eigenlijk, dat Todd Thibaud, Terry Lee Hale, Joseph Parsons en Chris Burroughs ook hun tweede album samen weer niet van een titel voorzien. Net als op hun knappe debuut uit 2002 prijkt ook op hun nieuwe worp weer enkel de groepsnaam Hardpan. En geloof ons, dat is lang niet de enige gelijkenis tussen de twee platen. Net als z’n voorganger is ook de nieuwe van het viertal weer tot de nok toe gevuld met heerlijk ouderwets aandoende Americana en folk rock. Twaalf nummers in totaal, keurig verdeeld over de vier betrokkenen. Van elk van hen staan er dus drie songs op het menu. En daarin is het ook telkens de songsmid zelf die de leadzang voor z’n rekening neemt.

Ruim vijftig minuten lang pretentieloos rootsvermaak is het resultaat. Sterke liedjes, met de jaren alleen maar beter geworden zang, samenzang ook, prima snarenwerk, zo ongeveer alles wat je als luisteraar maar wensen kan wordt je ook daadwerkelijk geleverd. Soms herinnert het gewoon aan het solowerk van de heren, soms ook even aan Neil Young, Crosby, Stills & Nash, JJ Cale en andere vergelijkbare grootheden uit de seventies. Met wat ons betreft als absolute topmomenten het heerlijk lijzig neergelegde “Long Tomorrows”, de ongemeen sfeervolle Parsons-composities “Dust Bowl” en “Lighthouse” en het wat ruwere, door maatje Parsons van wat scherp mondharmonicawerk voorziene “Miracle Cure” van de hand van Burroughs.

Genieten doet u deze nieuwe plaat van Hardpan ons inziens echter best in haar geheel. Dat geheel blijkt hier op de keper beschouwd immers zoveel meer dan alleen maar de som der delen.

Hardpan

 

COUSIN HARLEY “Blue Smoke: The Music Of Merle Travis” (Little Pig Records)

(4****)

Bij wijze van eerbetoon aan hun grote held buigen de Canadezen van Cousin Harley zich op hun zesde album over het werk van Merle Travis. In het jaar waarin die honderd zou zijn geworden krijgen dingen van zijn repertoire als “Divorce Me C.O.D.”, “Blue Smoke”, “So Round, So Firm, So Fully Packed”, “Sixteen Tons”, “Cincinatti Lou”, “Fat Gal”, “Dark As A Dungeon” en natuurlijk ook de klassieker “Smoke Smoke Smoke That Cigarette” van Paul Pigat (zang en gitaren), Keith Picot (bas) en Jesse Cahill (drums) een wat eigentijdser swingend jasje aangemeten. Met als toemaatje het eigen nummer “Rosewood”, gewijd aan en vernoemd naar Travis’ geboorteplaats.

Het resultaat is een twaalf tracks lang, ruim veertig minuten durend feest voor oren en benen. Dansgrage benen dan. Met hun fijntjes het midden tussen rockabilly en Western swing houdende aanpak dulden Pigat en de zijnen immers geen stilzitters. Met als voornaamste bondgenoten de eigen wat aan Ray Benson van Asleep At The Wheel herinnerende zang en zijn bijzonder vaardig de snaren bewerkende vingers neemt Pigat zijn handlangers onvervaard op sleeptouw doorheen wat naar ons gevoel één van de fijnste rootsplaten van Canadese makelij van het jaar moet zijn. Eentje waar je als luisteraar alleszins graag blijft naar teruggrijpen, dat is hier de voorbije dagen al uitgebreid gebleken.

We zien het zo voor ons: met een brede grijns op zijn gelaat knikt Merle Travis ergens daarboven enthousiast instemmend. Hij zag en hoorde dat het goed was. Héél goed zelfs.

Cousin Harley

 

JD MCPHERSON “Undivided Heart & Soul” (New West Records / PIAS)

(4****)

“Undivided Heart & Soul” is na zijn beide heerlijke voorgangers “Signs & Signifiers” en “Let The Good Times Roll” al de derde onweerstaanbare rootsstroomstoot waarmee JD McPherson ons onherroepelijk weet te vloeren. Wat is die man toch goed, zeg! Een vaststelling waaraaan zelfs de hier duidelijk waar te nemen stijlbreuk met zijn eerder materiaal naar ons gevoel geen afbreuk kan doen. McPherson blijft zich ook na zijn recente move richting Nashville duidelijk presenteren als een serieus te nemen original. Wat minder vintage rock & roll ditmaal, dat wel. In plaats daarvan koos hij voor een geluid dat zich allicht nog het best laat dekken door de vlag garage R&B. Bij momenten lekker rauw, nu eens bluesy, dan weer soulvol, soms rockend, soms ook poppy. Heel gevarieerd alleszins. Heel erg old school ook.

Het stomende “Crying’s Just A Thing For You” lijkt zo bijvoorbeeld het midden te willen houden tussen rock & roll genre een Eddie Cochran en soul à la Wilson Pickett, “Lucky Penny” op zijn beurt koppelt een Canned Heat-motiefje aan een rootsbenadering op z’n Dan Auerbachs, “On The Lips” versmelt wat je als een new wave beat zou kunnen omschrijven met een behoorlijk uitgesproken retro feel, “Hunting For Sugar” is een knappe, als eerder traditioneel soulspul te labelen sleper en titelnummer “Undivided Heart & Soul” herinnerde ons op de één of andere manier heel even aan de aanpak van het onvolprezen Rockpile, zij het dan ook allemaal een beetje bedaarder dan Edmunds en Lowe en co indertijd.

Andere toppertjes nog: het zich na wat pootjebaden in rock & roll- en rockabillywateren tot een nerveus soulvol kuitenbijtertje ontwikkelende “Bloodhound Rock”, het bedaard maar catchy rockende “Style (Is A Losing Game)” en het met een geile knipoog richting Motown gebrachte “Under The Spell Of City Lights”.

Opgenomen werd “Undivided Heart & Soul” in de legendarische RCA Studio B in Nashville. Voor de productie ervan tekenden McPherson zelf en Dan Molad van Lucius.

JD McPherson

 

D.B. RIELLY “Live From Long Island City” (Shut Up & Play)

(3,5****)

D.B. Rielly herinneren we ons hier met plezier van zijn beide vorige albums, het in 2009 verschenen “Love Potions And Snake Oil” en “Cross My Heart + Hope To Die” van goed en wel een jaar of vier later. Twee platen die zowel opvielen door hun enigszins aparte verpakkingen – respectievelijk een metalen doosje en een houten kistje – als door de lading uitstekende songs erop. Ze maakten van Rielly wat ons betreft alleszins een songsmid om met het oog op de toekomst goed in de gaten te houden.

Met zijn nieuwe worp gaat de Amerikaan nu nadrukkelijk voor minder. En dat bedoelen we absoluut niet negatief. Het betreft daarbij gewoon de registratie van een solosetje in ’s mans favoriete stek in de buurt, de Rar Bar in Long Island City, NY. Tien nummers, ingeblikt op 15 september van vorig jaar voor een beperkt, maar duidelijk wel aandachtig publiek. Door zijn modus operandi nadrukkelijk focussend op het eigen songmateriaal. De just me and my guitar-aanpak, al maakt zo nu en dan ook even een banjo zijn opwachting. Heerlijk naakt allemaal.

Door zijn materiaal op die manier te benaderen lijkt Rielly te willen benadrukken, dat men hem in het verleden stijlgewijs terecht al vergeleek met knapen als een John Prine en een Todd Snider. De man is alleszins een prima verteller van verhalen. En of hij daarbij nu de gevoelige dan wel de humoristische toer op gaat, het maakt eigenlijk allemaal niet zo heel erg veel uit, hij komt er immers allemaal mee weg. Luister bij wijze van illustratie van elk van deze beide polen maar eens naar het innemende “I’ll Remind You Every Day” en het hilarische “Nothing Like You”. Echt wel prima stuff, hoor! Iets wat verder zeker ook geldt voor “Let It Ring”. Mooi, hoe Rielly ons daarin middels een vertrouwde scène met in de hoofdrollen hemzelf en zijn wederhelft nog maar eens met de neus op de feiten drukt: ja, beste mensen, GSM’s en andere smartphones verdringen inderdaad almaar meer het échte leven. Ze worden hoe langer hoe meer a blessing and a curse.

Met z’n net geen vijfentwintig minuten speelduur een korte, maar wel erg leuke plaat, dit. En ook ditmaal weer opvallend verpakt. Als ouderwetse ansichtkaart uit den vreemde meer bepaald. Met als gepersonaliseerde boodschap voor zijn kopers: “Wish you were here!” Wij eigenlijk ook, D.B., wij eigenlijk ook…

D.B. Rielly

 

SWEET ALIBI “Walking In The Dark” (Comino / Sonic Rendezvous)

(3***)

Jess Rae Ayre, Amber Rose en Michelle Anderson zijn drie jonge Canadese madammen die onder de noemer Sweet Alibi bezig zijn aan een gestage opmars richting rootsfirmament. Ingezet met een eerste, naar zichzelf vernoemd album in 2011, succesvol gecontinueerd met een tweede “We’ve Got To” in 2013 en nu culminerend met het zonet verschenen derde “Walking In The Dark”.

Op die door Murray Pulver geproduceerde nieuwe doen de drie rootssirenes uit Winnipeg, Manitoba naar ons gevoel net iets te nadrukkelijk een gooi naar hitsucces. Je zou het kunnen vergelijken met de aanpak van de Ierse Corrs indertijd. Hoe succesvoller die werden, hoe minder ruimte er uiteindelijk overbleef voor folkelementen in hun muziek. En dat gevoel hebben we hier ook wel een beetje. De nadruk ligt bij Sweet Alibi voor ons net iets teveel op het eerste lid van de aanduiding roots pop.

Dat neemt echter niet weg, dat er hier best ook wel wat te genieten valt. Het harmonieerwerk van de dames bijvoorbeeld is bij momenten van een werkelijk oorstrelende schoonheid. En af en toe weten ze tussen pop, folk en soul ook wel eens de juiste niche te vinden om ons midscheeps te treffen. Met het zomers soulvolle “Middle Ground” bijvoorbeeld, met titelnummer “Walking In The Dark” – een hele knappe trage – ook wel en met het op de één of andere manier tegelijk wat aan Mumford & Sons en Fleetwood Mac in betere tijden refererende “Keep Showing You”. Met dat laatste zouden de dames als je het ons vraagt mits de nodige airplay ook hier zomaar eens een hele grote hit kunnen landen.

Sweet Alibi

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home