ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

John Sieger With The Skeletons “Her Country: The Songs Of Michael Feldman”Scott Fant “The Black Dirt Chronicles” - Jeff Barbra & Sarah Pirkle “Barb Hollow Sessions”Jill Cohn “Seven Year Surrender…” - Peter Mulvey “Kitchen Radio”Daniel Ross & The Jones Collective “The Lost Railroad Journal” - Dee Lannon “Vinylly On CD”Cam Penner & The Gravel Road “Get Up”Tom Faulkner “Raise The Roof” - Lisa Hayes “Where Angels Fear To Go”Tom Forsey “To The Core” - Jenny Queen “Girls Who Cry Need Cake”Grant-Lee Phillips “Virginia Creeper”The Pones “Dwell” - BR549 “Tangled In The Pines”Dale Keys “Dale Keys” - Lizza Connor “Runaway”Jason Darling “Night Like My Head” - Brother Trucker “Something Simple”Various Artists “Rockin’ At The Barn Vol. 4”Angie Palmer “Road” - Dolorean “Not Exotic”The Lisa Marr Experiment “American Jitters”Red Star Belgrade “The Real Traitors” - Raul Malo, Pat Flynn, Rob Ickes & Dave Pomeroy “The Nashville Acoustic Sessions”The Cowlicks “C.W.A.”Ruth Minnikin “Ruth Minnikin EP”Corb Lund Band “Modern Pain” en “Unforgiving Mistress” - Gingersol “Eastern”EZ T “Goodbye Little Doll”Jim Byrom “Whiskey Uniform” - Robert Richmond “Fortune Teller”Tom Taylor “King Of July” - Kate Maki “Confusion Unlimited”Bill Hearne “From Santa Fe To Las Cruces”Michael Woody “Listen To Me”Michael Reno Harrell “Closer Home” - Jason White “Tonight’s Top Story”Marianne Murphy “No Longer Blue”The Minus 5 “Minus 5 In Rock”Shane Nicholson “It’s A Movie”The Doxies “Tinderbox Tragedy” - Ben Weaver “Living In The Ground”Stevie Tombstone “7:30 a.m.” - Greg Brown “Honey In The Lion’s Head”Reto Burrell “Roses Fade Blue” - Will Webb “Name Of The Train”Anne McCue “Roll” - Randy Thompson “That’s Not Me”Terry Allen “Juarez” - Mike Martt “Tomorrow Shines Bright”Sara Pace “Self-Titled”Eric Athey “Open House”Eric Fontana “Hats & Shoes” - Slaid Cleaves “Wishbones”Jerry Garcia & David Grisman “Been All Around This World”Lori McKenna “The Kitchen Tapes”Sally Barris “Little Voice”Dollar Store “Dollar Store”BlueRidge “Side By Side”

 

JOHN SIEGER WITH THE SKELETONS

“Her Country: The Songs Of Michael Feldman”

(Fishes Circle Records)

(3.5) J J J J

 

 “Her Country: The Songs Of Michael Feldman” is de veelzeggende titel van de jongste door John Sieger met de Skeletons ingeblikte CD. De in eigen land vooral als gastheer van het gesyndiceerde radioprogramma “Whad’ya Know?” bekende Feldman schreef immers de vaak bijzonder spitsvondige teksten bij de door Sieger zelf aangeleverde songs. The Skeletons, Springfield, Missouri’s Americanatrots onder aanvoering van Lou Whitney zorgde voor de muzikale inkleuring van het project van de twee jeugdvrienden.

Van snedige rockbijdrages tot countrydeuntjes, van soul stuff tot Americana, van een stel reggaeliedjes tot een eerder jazzy pianoballade – binnen een bestek van amper veertien liedjes passeert het hier werkelijk allemaal. “Your Country” is dan ook een prettig gevarieerd geheel geworden, dat zich bijzonder makkelijk laat weghappen. De leukste momenten op dit geslaagde album vonden wij het volgende drietal. Eerst en vooral de prachtige country song “I’m Not Dead”, het semi-tragische verhaal van een man die al dood is, maar het zelf nog niet weet en zijn omgeving van haar ongelijk probeert te overtuigen, met gelegenheidsvocalist Lou Whitney in de rol van een soort eigentijdse Johnny Cash. Daarnaast zeker ook het met name door de orgelinbreng van Joe Terry qua uitstraling een beetje aan het repertoire van Crowded House verwante slepertje “Nothing Ruins A Man Like A Woman”. Of nog de soulvolle trage “Loved Her Then”, over een veel te vroeg gestorven geliefde van weleer.

“Her Country” riep hier als geheel door zijn voortdurende combinatie van intelligente (en regelmatig ongemeen geestige) teksten en melodieuze Americana (en aanverwanten) meer dan eens de Britse pubrocker Nick Lowe in herinnering. En dat – vinden wij toch – kan als compliment al tellen…

www.johnsieger.com

Miles of Music

CD Baby

 

 

SCOTT FANT

“The Black Dirt Chronicles”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

De jonge Texaan Scott Fant kiest op zijn CD “The Black Dirt Chronicles” resoluut voor de DIY-aanpak. Niet alleen schreef hij alle veertien de liedjes die erop staan zelf, hij stond ook in voor de productie en bespeelde eigenhandig alle elektrische en akoestische gitaren, de dobro, de mandoline, de bas, het washboard en de hambone. En bovendien bleek hij ook nog verantwoordelijk voor de percussie.

Geen wonder dan ook, dat Fant er iets meer dan een jaar over deed om het album te completeren.

En het resultaat is gelukkig navenant. Lekkere Texaanse country in de ruimste zin van het woord is wat we hier voorgeschoteld krijgen. Van melodieuze rockertjes als “Run Carl Run” of het instrumentale “Peckerwood” over twangy momenten als het mysterieuze “The Other Side” of het aan good old Monte Warden herinnerende “The Color Of Rain” tot singer-songwriter stuff à la de jonge Earle of Ingram (“Pontiac”) of bijzonder knappe ballads (“Down Here”), met zijn licht nasaal gekleurde voordracht laat Fant ze stuk voor stuk uitgroeien tot goed in het gehoor liggende deunen.

CD Baby

 

 

JEFF BARBRA & SARAH PIRKLE

“Barb Hollow Sessions”

(Barb Hollow Music)

(4.5) J J J J J

 

 “Barb Hollow Sessions” is het tweede album van het man-vrouw-duo Jeff Barbra & Sarah Pirkle. En daarop bevestigen ze werkelijk al het goede dat na hun in 2000 verschenen eersteling “Dog Years” over hen werd verteld. Barbra en Pirkle wonnen in dat jaar overigens ook de prestigieuze Chris Austin Songwriting Contest op het Merlefest. En dat is al meer dan eens een goed voorteken gebleken.

Op “Barb Hollow Sessions” staan elf nieuwe liedjes van het tweetal. Bij het inblikken ervan mochten ze rekenen op de vakbekwame hulp van Darrell Webb (mandoline), Floyd Bailey (banjo), John Pennell (bas) en Eric Lewis (dobro). Zelf hanteert Barbra de akoestische gitaar en is Pirkle verantwoordelijk voor het fiddlewerk, de shaker en de tin whistles. Het resultaat van hun collectieve inspanningen is een ongemeen mooie plaat, die herinnert aan het beste van Dave Carter en Tracy Grammer. Zij het dat country en bluegrass hier een iets prominentere rol toebedeeld krijgen. Het door Barbra gezongen “Only Home I’ve Had” is zo bijvoorbeeld een vaagweg aan de Louvin Brothers verwante story song. En ook het door Pirkle gedragen bluegrassdeuntje “Bury Me In The Red Clay” valt dankzij zijn hemelse harmonieën niet echt ver van die boom. Elders ligt de nadruk meer op folk (“Slip Away”), Americana (het duetje “Quiet me”) of singer-songwritermateriaal (het van fraaie dobro-accentjes van Eric Lewis voorziene “Today It Don’t Look Like Rain”). Zonder dat deze plaat daardoor overigens tot een onsamenhangend geheel zou uitgroeien, wel integendeel! “Barb Hollow Sessions” staat juist als een huis. Met als absolute knock-out het afsluitende, je misschien ook al wel in de uitvoering van Terri Hendrix op haar CD “The Ring” bekende bluegrassdeuntje “Prayer For My Friends”.

Deze gaat nu alvast weer op de checklist voor ons volgende eindejaarsoverzicht. En dat zegt veel, héél véél over dit schijfje…

www.jeffandsarahonline.com

CD Baby

 

 

JILL COHN

“Seven Year Surrender…”

(Box O Beanies Music)

(3.5) J J J J

 

Al van bij de eerste tonen van het openingsnummer van haar nieuwe CD “Seven Year Surrender…” – haar zesde - heeft de uit Seattle afkomstige liedjesschrijfster-zangeres Jill Cohn ons meteen weer bij ons nekvel. De melodieuze rootspop van “Pass A Little Hope Around” blijkt immers de ideale speeltuin voor haar zwoele stem. En dat lijkt ook Cohn als geen ander te beseffen, want aan het eind van het album krijgen we van datzelfde liedje ook nog een - ook al prima - akoestische live-versie geserveerd. Cohn wordt gemakshalve meestal in één adem genoemd met zangeressen als een Tori Amos of een Sara McLachlan. Maar eigenlijk doet men haar op die manier schromelijk tekort, want in tegenstelling tot die twee dames slijt Jill Cohn niet al haar tijd achter de piano en verdient ze zodoende ook haar plaatsje op deze pagina’s. Liedjes als de al eerder aangehaalde opener, het met een speelse banjo versierde “Never Going Back” of het verbluffend mooi gezongen stukje liefdesverdriet “Come On Home” maken dat bijvoorbeeld ook de liefhebbers van een Shawn Colvin of een Patty Griffin hier graag aan zullen willen. Cohn verdient wat ons betreft dan ook al lang een wat prominenter plekje binnen het exclusieve wereldje der vrouwelijke singer-songwriters.

www.jillcohn.com

CD Baby

 

 

PETER MULVEY

“Kitchen Radio”

(Signature Sounds / Bertus)

(4) J J J J

 

Op zijn achtste album totdusver geeft één van onze favoriete folkies, Peter Mulvey, zich in het gezelschap van een select clubje muzikale veteranen uit de buurt van Boston weer over aan datgene waar hij zo goed in is, met name het afleveren van heerlijke liedjes waarin het persoonlijke en het wereldse op onnavolgbare wijze met elkaar worden vervlochten. Precies datgene wat we op het in 2002 verschenen “Ten Thousand Mornings”, zijn in de Bostonse metro opgenomen briljante coverplaat, moesten ontberen dus.

Samen met producer en buddy David Goodrich houdt Mulvey ons dertien songs lang aan zijn lippen gekluisterd. Van het over een nachtelijke rit naar huis met de wagen verhalende en ook zo klinkende openingsnummer “Road To Mallow” tot het met zijn soulmates Kris Delmhorst en Jeffrey Foucault - met wie hij sinds kort overigens ook het trio Redbird vormt – opgenomen afsluitende stukje heimwee met onmiskenbare Ierse invloeden “Sad, Sad, Sad, Sad (And Faraway From Home)”, je verveelt je hier werkelijk geen seconde. Centraal staan de thema’s reizen en verlangen. Het verlangen naar liefde, naar huis, naar een betere wereld ook. De scherpe maatschappijkritische visie uit het folkrockertje - met al even scherpe elektrische gitaren, die deze kijk nog wat extra kracht bij lijken te willen zetten - “29 Ct. Head” spreekt wat dat betreft boekdelen:

“Every election feels like the perfect crime

Like you can fool all the people all the time

They say the water isn’t rising but their shoes are soaking wet

They like to drive you crazy but you ain’t crazy yet

You just don’t get it.”

Bijzonder fraai zijn verder ook de uptempo (bijna speelse) folkpop van “Shirt”, het sfeervolle, met een behoorlijk mystieke tekst uitgeruste “Falling”, de nerveuze verklanking van de ochtendspits in een grootstad “Denver 6 A.M.”, de folky gitaarinstrumental “Bloomington” en de beschrijving van het leven in een bar op een doordeweekse maandagavond “Toad”.

Noem dit maar gerust een blij weerzien met een hele grote liedjesschrijver. Eentje die met vastberaden blik de toekomst tegemoet gaat, zo lijkt het. En eentje die het zo onderhand wel verdient om ook in de Lage Landen wat meer aandacht te krijgen…

www.petermulvey.com

www.signaturesounds.com

www.bertus.nl

 

 

DANIEL ROSS AND THE JONES COLLECTIVE

“The Lost Railroad Journal”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

De Canadees Daniel Ross geniet vooral bekendheid als maker van soundtracks voor films en TV-producties en als producer van andere singer-songwriters (zoals de hier niet zo heel erg lang geleden nog besproken Allen Dobb), maar afgaande op “The Lost Railroad Journal” heeft de man ook zelf een uitstekende song in de vingers. Zijn recentste project is een concept roots-CD met vijftien liedjes erop, geschreven vanuit het standpunt van een vroege twintigste eeuwse zwerver en met nogal wat treinen erop om dat te onderlijnen. Die rootsy country-, folk- en bluesdeunen werden ingeblikt met liefst zestien verschillende performers, schuilgaand onder de gelegenheidsnoemer The Jones Collective. Naast Ross zelf stoten we zo ondermeer op zes - zeven zelfs als je de huilende hond Annabear uit “Caboose Jam” meerekent - andere vocalisten: te weten Ted Hall, Tom Saunders, Michael Roberds, Ea Birkett, Les Ford en Ralph Morris. Het mag dan ook wel een weinig verbazing wekken, dat “The Lost Railroad Journal” als geheel uiteindelijk een dergelijke hechte eenheid is geworden. De van werkelijk beeldig artwork voorziene CD straalt immers mede door het gebruikte (veelal akoestische) instrumentarium van de eerste tot de laatste noot daadwerkelijk een enigszins bevreemdend aandoend old-timey sfeertje uit.

De prachtige retro Americana van “Faith In Your Train” (met een vocale hoofdrol voor Ea Birkett), het door Les Ford bijzonder doorleefd gezongen countrybluesje “Snowplowers Blues” en het door Ross zelf gebrachte countryhoogstandje “End Of The Steel” zijn slechts enkele van de vele highlights op een bijzonder aangenaam verrassende CD, die onlangs terecht al even mocht proeven van de FAR Chart. Dit is immers rootsmuziek pur sang!

www.thelastspike.com

 

 

DEE LANNON

“Vinylly On CD”

(NorgeTex Records)

(3.5) J J J J

 

De liefhebbers van een potje lekkere onvervalste retro honky tonk en rockabilly genre Big Sandy & His Fly-Rite Boys, The Dave & Deke Combo of Marti Brom mogen zich in de handen beginnen wrijven. Zopas verscheen immers de CD “Vinylly On CD” van Dee Lannon, een album dat - zoals zijn titel het reeds aangeeft - een aantal eerder enkel op vinyl verschenen liedjes van deze swingende tante nu ook beschikbaar maakt voor mensen die hun draaitafels jaren geleden al buiten hebben gekeken.

Op deze compilatie treffen we zo alle songs aan die op de in ’93 verschenen 7” “Lasso Your Heart” stonden, evenals twee eerder niet verkrijgbare tracks stammend van dezelfde opnamesessie, “Tongue Tied” en “Keep You A Dream”. En daarnaast ook al het materiaal dat op de in respectievelijk ’95 en ’98 uitgebrachte 10”-EP’s “Honky Tonk Nighttime Gal” en “And The Angels Sing” stond. Alles samen twaalf songs die een goed beeld ophangen van de muziek waarvoor de vooral in Noord-Europa en Japan erg populaire Lannon staat.

Heel wat schoon volk trouwens ook op deze CD! Voormalige buurvrouw Rosie Flores tekende bijvoorbeeld voor de productie van haar debuut, waarvoor verder ondermeer ook Randy Weeks, Russell Scott, Chas Smith en Brantley Kearns (Dave Alvin) even voorbijkwamen. Op haar tweede liepen dan weer vooral James Intveld (Blasters), Nick Kane (Mavericks) en DJ Bonebrake (X) in de kijker tussen de vele gasten. En voor de productie van haar derde tekende Skip Heller.

En nu de naam Rosie Flores toch even gevallen is, misschien vormt zij wel het ideale aanknopingspunt voor allen die de muziek van Lannon nog niet kennen. Ongemeen swingende honky tonk en rockabilly in de traditie van good old Wanda Jackson vieren hier immers hoogtij. Een plaat waarbij het maar moeilijk stil blijven zitten is dus. Met als absolute klapper de stomende versie van Merle Haggards “Honky Tonk Nighttime Gal”.

www.deelannon.com

 

 

CAM PENNER & THE GRAVEL ROAD

“Get Up”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

De op het eerste gezicht eerder ruig ogende Canadese troubadour Cam Penner schrijft al sinds jaar en dag liedjes over echte mensen in het echte leven van alledag – over hoe ze lijden, hoe ze lachen, hoe ze bestaan tout court. En met zijn band, het roots/skiffle-gezelschap The Gravel Road, brengt hij deze zwaar met Americana, country en folk geïnjecteerde songs op een manier die duidelijk nog zijn verleden als busker verraadt. Het klinkt namelijk allemaal bijzonder relaxt, een beetje onaf ook wel. Maar vooral op de momenten waarop Penner en zijn echtgenote Tabitha Nordby de vocale hoofdrol delen (zoals in “Why Did You Come Here” of in de enige cover van de plaat, Steve Relfs “Drunken Fights”) wordt het ook heel erg bekoorlijk. Echt wel knap, hoe zijn schuurpapieren voordracht en haar net niet breekbare countrystemmetje elkaar perfect complementeren.

Elders, zoals in het ingetogen tweetal “Fall With Me Tonight” en “Over My Head”, in de fraaie countrydeun “When I Die” of in het afsluitende titelnummer, als Penner zelf in het middelpunt van de belangstelling staat, is het moeilijk om niet aan John Prine of Steve Earle te gaan denken. Bijzonder knappe rootsmuziek dus, die werkelijk alles heeft wat je van het genre verwacht. En die in al haar eenvoud gegarandeerd ook hoge ogen zal gooien! Aanbevolen!

www.thegravelroad.com

Miles of Music

 

 

TOM FAULKNER

“Raise The Roof”

(Serrano Records)

(4) J J J J

 

Tom Faulkners debuutalbum “Lost In The Land Of Texico” werd een paar jaar geleden letterlijk bedolven onder de positieve recensies. En dan wordt het maken van een tweede natuurlijk een extreem moeilijke bedoening. De in New Orleans geboren Texaanse inwijkeling kwijt zich echter met brio van die opgave. In die mate zelfs, dat je van een zeer geslaagde titelkeuze mag spreken.

Faulkner versmelt ook ditmaal weer Cajun, Tejano, folk, blues en rock en wat daarbij uit de bus komt is een bepaald aantrekkelijk geheel. “Raise The Roof” moet het vooral hebben van die clash of cultures en van de gebronsde stem van Faulkner. In de verte herinnert hij een weinig aan collega’s als Marc Cohn en John Gorka. Muzikaal gezien is zijn werk echter een stuk gevarieerder dan dat van voornoemde heren. Openings- en titelnummer “Raise The Roof” is zo bijvoorbeeld een New Orleans parade style funky opdondertje, “Chulatown” en “Why Should I” zijn soulvolle rootspopdeunen en “This Place In My Heart” is een bijzonder knappe ballade. “Ethyl’s House” en “Vaya Con Dios” dan weer zijn twee fraaie lappen Americana, met respectievelijk Cajun- en Tex-Mex-accentjes, waarvoor met name Faulkners maat Adrian Cabello verantwoordelijk is met zijn geslaagde accordeonbijdragen.

Hét absolute hoogtepunt van het album is het heerlijke “Blues Across America”, waarin Faulkner samen met gasten James Govan en Dr. John een eerbetoon brengt aan de Amerikaanse bluestraditie (in respectievelijk Texas, Memphis en New Orleans). Al genieten ook het op een Zydeco-accordeonlijntje (van alweer Cabello) geënte stukje maatschappijkritiek dat “First Man” is en de soulvolle trage “Wash Me In Angels” ons respect.

Al bij al een bijzonder knappe, genreoverschrijdende plaat van een prima songwriter, die bovendien ook nog eens gezegend blijkt met een erg soulvolle stem. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!

www.tomfaulkner.com

 

 

LISA HAYES

“Where Angels Fear To Go”

(Gracye Records)

(3.5) J J J J

 

Er zijn zo van die artiesten die eigenlijk gewoon nog net onder de noemer country vallen, maar die desondanks toch ook aanslaan bij een wat alternatiever ingesteld luisterpubliek. Men denke bijvoorbeeld maar aan een Allison Moorer, een Shelby Lynne of een Lari White. Of voortaan ook aan de uit Oregon afkomstige, maar dezer dagen een stekje in Austin betrekkende debutante Lisa Hayes. Zij blikte met het veelbelovende groepje The Violets voor Straightline Records, een filiaal van Atlantic, ooit wel de CD “Sun” in, maar dat album kreeg nooit een echte kans doordat het sublabel op de fles ging net toen het er voor de groep ging om spannen. Het gevolg was wel, dat de Violets splitten en Hayes er dus voortaan alleen voor stond. In alle rust schreef ze dan maar een dertigtal songs bij elkaar en tien stuks daarvan vinden we nu terug op haar in eigen beheer uitgebrachte solodebuut “Where Angels Fear To Go”.

Op deze door David Kitay (vooral bekend om zijn werk met David Baerwald) geproduceerde CD word je vooral omver geblazen door de geweldige stem van Hayes, die ons bij momenten daadwerkelijk deed denken aan de eerder al vernoemde Allison Moorer – ongemeen krachtig en soulvol komt ze hier voortdurend uit de hoek en trekt ze alle liedjes naar zich toe. Daarbij gaat het om country die zich alleszins grotendeels als mainstream laat omschrijven, maar die door het gebezigde instrumentarium toch ook net dat ietsje meer te bieden heeft, dan wat men ons vanuit Nashville steevast voorschotelt. Lap steel, banjo, mandoline, accordeon, fiddle – hier kan het nog allemaal. En wat meer is, het zijn kanjers als Michael Thompson en Al Garth (beiden uit de entourage van de Eagles), producer Kitay, Don Heffington en Chuck Bramlet die er mee zorg voor dragen dat alles hier op zijn pootjes valt, waardoor “Where Angels Fear To Go” kan uitgroeien tot een bijzonder aangenaam wegluisterende plaat, waarop de absolute uitschieters het titelnummer, “Real Thang” en het afsluitende “Sweet Forgiveness” zijn. Drie lappen soulvolle (alt.?)country die alleen al de aanschaf van dit album rechtvaardigen.

www.lisahayesmusic.com

http://www.cdbaby.com/cd/lisahayes

 

 

TOM FORSEY

“To The Core”

(T4C Records)

(3.5) J J J J

 

Na het al in 2000 verschenen “Another Chapter Down” is “To The Core” singer-songwriter Tom Forsey’s tweede CD. En daarop laat deze ondermeer door John Hiatt, Steve Earle, Tom Petty, Johnny Cash en Neil Young beïnvloede knaap uit Washington zich van zijn allerbeste kant bewonderen. Met zijn bijzonder prettig aanvoelende gruizige stem verpakt hij een reeks zeer levendig geschilderde portretten in aangenaam wegluisterende rootsrockliedjes, waarin elementen uit rock, blues, soul en folk voortdurend probleemloos lijken samen te gaan. Daardoor groeit “To The Core” al snel uit tot zo’n album dat je met plezier steeds weer opnieuw blijft opzetten. Zo’n album waarvan een speciaal soort warmte lijkt af te stralen… (Iets waaraan de prominente rol van het Hammond B3-orgel hier wellicht niet vreemd is!)

www.tomforsey.com

 

 

JENNY QUEEN

“Girls Who Cry Need Cake”

(Laughing Outlaw / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Ze schrijft haar teksten het liefst op regenachtige dagen. En dat zullen we geweten hebben ook! Het merendeel van haar liedjes baadt immers in een vergelijkbaar druilerig sfeertje. Je kent het wel, dat miserabele gevoel dat je wel eens overvalt, als je je op een wat mindere dag al mijmerend achter het raam door het monotone tikken van de regen en de af en aan rijdende lichtbundels van het voorbij flitsende verkeer laat overvallen. Het heeft iets van een liefdesverdrietige kater, die je systeem ook danig overhoop kan halen…

Heel wat van de songs op “Girls Who Cry Need Cake”, het debuut van de uit Ohio afkomstige, maar momenteel in Sydney verblijvende boerendochter Jenny Queen, gaan dan ook over relationele problemen. Gebroken harten in overvloed hier! Het einde is nagenoeg altijd dichtbij op haar eersteling. Queen studeerde overigens af als Master (in de “Internationale Betrekkingen”) aan de gerenommeerde universiteit van Chicago. Een diploma dat haar beroepshalve via New York, Londen en Nashville uiteindelijk in Australië deed belanden. En van daaruit bereikte ons dan ook haar bijzonder fraaie visitekaartje, waarop ze voortdurend laveert tussen ingetogen Americana, knappe rootspop en alt. country. Qua stem roept ze vergelijkingen op met zowel Lucinda Williams, Nanci Griffith, als popsterretje Jewel. Qua materiaal mag je die laatste naam evenwel meteen weer schrappen.

Knappe liedjes als het door de dobro van John Carr en de Wurlitzer van Alan Goodman gedragen alt. country openingsnummer “Drowning Slowly”, het aan Nanci Griffith herinnerende “Due South”, de vlotte (zeer radiogenieke) Americana van “Kentucky Turn” en het werkelijk wonderschone, in zekere zin soulvolle “Maybe The Moon” maken van het debuut van deze attractieve blondine alvast een bijzonder leuke aanwinst voor de actuele rootsscène. Met haar geweldige - tegelijk broos en sterk overkomende - stem en dito liedjes palmde ze ons alvast moeiteloos in…

www.jennyqueen.com

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl

 

 

GRANT-LEE PHILLIPS

“Virginia Creeper”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(4.5) J J J J J

 

Er zijn nog zekerheden in het leven! Dat bewijst Grant-Lee Phillips met de opvolger van het in 2001 door nogal wat critici onder de lofbetuigingen bedolven “Mobilize”. Het voormalig Grant Lee Buffalo-kopstuk levert met zijn nieuwste zijn zondermeer beste plaat tot op heden af. “Virginia Creeper” bevat tien veelal melancholisch werkende eigen liedjes en een knappe cover van de Gram Parsons classic “Hickory Wind”. Op de hem geheel eigen gruizige manier kwijt Phillips zich daarin steeds weer voortreffelijk van zijn taak. Een opvallende rol blijkt daarbij ook regelmatig weggelegd voor Cindy Wasserman, wier vocale bijdragen behaaglijk tegen Phillips’ ruige croon aan schurken en een welgekomen aanvulling vormen op een instrumentarium bestaande uit fiddle, steel, dobro, mandoline, ukelele, accordeon en dies meer. Precies daarin schuilt ‘m trouwens ook het grootste verschil met de voorganger van dit album. Voor “Virginia Creeper” riep Phillips in tegenstelling met “Mobilize” wel de hulp van een heel bataljon studiomuzikanten in. Gewoon omdat de songs zelf erom vroegen, aldus de muzikant zelve.

De echte stand-outs in dit Mekka voor fijnproevers zijn het old-timey “Josephine Of The Swamps”, het mystieke “Calamity Jane” en het ronduit voortreffelijke openingsnummer “Mona Lisa”. Die liedjes en een handvol anderen op deze CD geven aan, dat Phillips nog altijd over een bijzonder accurate pen beschikt, die hem ook verder een plaatsje tussen de betere songwriters van het ogenblik blijft garanderen.

www.grantleephillips.com

www.cookingvinyl.com

www.bertus.nl

 

 

THE PONES

“Dwell”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Het uit Charlottesville, Virginia afkomstige alt. country-collectief The Pones leverde onlangs met “Dwell” een beresterk debuutalbum af. De groep bestaande uit George Riser (zang, gitaar), Al Sim (bas, leadgitaar, slide), Ed Lyle (mandoline) en Brian Forsman (mandoline) put op zijn eersteling overvloedig uit de rijk gevulde Americana muziektraditie, zonder daarbij evenwel in louter epigonisme te vervallen. George Risers songs mogen dan al regelmatig een weinig herinneren aan het werk van Woody Guthrie en vooral ook Bob Dylan, het zijn in de eerste plaats stuk voor stuk ook pakkende liedjes. Liedjes die mede dankzij de lekkere schuurpapieren voordracht van Riser zelfs regelmatig tot regelrechte oorwurmen uitgroeien.

Een opvallend gegeven is het ontbreken van een drummer in de band. Niet dat die gemist zou worden, dat nu ook weer niet… Daarvoor blijken de Pones immers een veel te goed op elkaar ingespeeld geheel. In hun grotendeels akoestisch repertoire regeren zo de gitaar, de fiddle, de mandoline en de slide. En al is er hier en daar wel wat ruimte gelaten voor het één of andere wat meer rockgeoriënteerde nummer, toch valt de meerderheid van de liedjes duidelijk onder de noemer alt. country of Americana. Met voor ons als absolute uitschieters enkele enigszins droefgeestig aandoende songs als “Rolling Clouds”, “Mexico Is Better Than Suicide” en “Uzbekistan”.

Straf debuut!

www.thepones.com

CD Baby

 

 

BR549

“Tangled In The Pines”

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

Na hun niet onverdeeld gelukkig debuut bij major Sony (Lucky Dog) met “This Is BR549” in 2001 was het voor één van de vitaalste hillbilly acts van de laatste jaren even herbronnen geblazen. Niet alleen zaten de heren plots zonder platencontract, met bassist Jay McDowell en leadzanger Gary Bennett verloren ze in één klap bovendien ook twee erg belangrijke pionnen. De resterende drie bandleden namen dan een wijze beslissing door opnieuw in de schemerzijde van Nashville’s clubleven aan de slag te gaan met The Hillbilly All-Stars, een soort los-vast-collectief, waarin de grootste (wat alternatievere) talenten uit de buurt samenhokken. Daar vonden ze niet alleen zichzelf terug, maar in de gedaante van bassist Geoff Firebaugh en de nog piepjonge zanger-gitarist Chris Scruggs ook een stel geknipte vervangers voor de verloren zonen. Vooral Scruggs (kleinzoon van legende Earl, zoon van Gary en Gail Davies), die zelf onlangs nog een erg knap debuut afleverde, lijkt in grote mate mee verantwoordelijk voor de heropstanding van BR549. Want laat daarover vooral geen twijfel bestaan, met hun eersteling voor hun nieuwe werkgever Dualtone zijn Chuck Mead en kompanen back in business. Met misschien wel hun beste album ooit…

“Tangled In The Pines” bevat twaalf eigen nummers, die in het gezelschap van producer “Cowboy” Keith Thompson voor het nageslacht werden vereeuwigd. Twaalf liedjes die weer als vanouds bruisen van de energie. Twaalf liedjes ook, die een band aan het werk laten horen in de ban van een rijke traditie, maar tegelijk ook met oog voor het heden. En dat was in het verleden wel eens anders.

De jonge Scruggs duwt zijn maats in “No Friend Of Mine” bijvoorbeeld resoluut in de ruime voetsporen van Jason Ringenberg. Country met een punk attitude dus en met erg knap, bijzonder expressief gitaarwerk van de teenager. En da’s trouwens ook in “Way Too Late (To Go Home Early Now)” het geval - strakke rockabilly met een pompende baslijn die zich onmiddellijk vasthecht in je onderbewustzijn, onweerstaanbaar gewoon! En uiteraard zijn er ook weer een stel grandioze honky-tonk en hillbilly spullen in de aanbieding. Vooral de Scruggs-compositie “Honky Tonkin’ Lifestyle”, het door Chuck Mead met Raul Malo van de Mavericks gepende twangy openingsnummer “That’s What I Get”, de lijzig swingende tonk van “I’m All Right (For The Shape I’m In)”, het een weinig aan de jonge Cash verwante titelnummer en prijsbeest “When I Come Home” maken, dat je je armen weer breed mag open spreiden om deze knapen opnieuw welkom te heten. Hun tweede jeugd heeft alvast een bijzonder swingende aanloop genomen!

www.br5-49.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

DALE KEYS

“Dale Keys”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

In december 2002 verliet de oorspronkelijk uit Kentucky afkomstige Dale Keys zijn toenmalige thuishaven in Boise, Idaho voor Nashville. Daar aangekomen trok de man al snel de aandacht van een aantal collega’s liedjesschrijvers. Keys blijkt naast een prima zanger en een goed gitarist immers bovenal een zeer getalenteerde songwriter te zijn. Dat gegeven zette Tim O’Brien ertoe aan om hem uit te nodigen op een Writers-in-the-Round-avond in het befaamde Bluebird Café. Daar ontmoette Keys op die manier in de lente van vorig jaar Barry & Holly Tashian en Mary Gauthier. En dat zou niet zonder gevolgen blijven.

De Tashians tekenden immers korte tijd later voor de productie van Keys’ titelloze debuut. Daarvoor trommelden ze en passant zowat de hele beau monde van de op dat ogenblik in Nashville aan de slag zijnde sessiemuzikanten op: Richard Bennett (gitaar), Sam Bush (mandoline), Kathy Chiavola (zang), Dennis Crouch (bas), Dan Dugmore (pedal steel en dobro), Stuart Duncan (mandoline en fiddle), Lloyd Green (pedal steel en dobro), Kenny Malone (percussie) en Debbie Nimms (zang) gaven stuk voor stuk allemaal acte de présence. Keys’ debuut klinkt dan ook ongelooflijk goed. Zelf noemt hij John Prine, Guy Clark, Gillian Welch, Emmylou Harris en gitaarlegende Chet Atkins als zijn grote voorbeelden, maar ons doet hij toch ook wel een beetje denken aan twee andere groten, met name Willie Nelson en Bill Chambers, met wie hij een zacht-nasale stem gemeen heeft. Op zijn eersteling resulteert dat in een karrenvracht prachtige ballades (zoals “Some Hearts”, “I Knew I’d Be Singin’ This Song” en “Leavin’ Train”), enkele bluegrassgetinte juweeltjes (als “Old Kentucky Home”) en een up tempo intermezzo links en rechts (“Tucson Too Soon” en “Upside Down In Lincoln” bijvoorbeeld). Met als absolute uitschieters in onze ogen de samen met Mary Gauthier gepende, verstilde schoonheid “Empty Spaces” (een klassieke countryballade over de na een afscheid in je bestaan gapende leegte) en de wel heel erg aan Bill Chambers refererende ballade “Some Hearts” (met werkelijk wonderschone harmonieën van Kathy Chiavola).

Een goede raad derhalve aan iedereen die net als ons een beetje wegsmolt bij de laatste platen van Kimmie Rhodes & Willie Nelson, Bill Chambers en Guy Clark: koop deze plaat, je zal het je absoluut niet berouwen!

www.dalekeys.com

www.cdbaby.com

 

 

LIZZA CONNOR

“Runaway”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

De uit het noordelijke deel van Florida afkomstige, maar tegenwoordig haar dagen vooral in Nashville slijtende jonge singer-songwriter Lizza Connor pakt op haar verrassende debuutplaat “Runaway” uit met een stel geraffineerde folk(pop) songs die dankzij een subtiele bluegrassinjectie vaak uitgroeien tot prachtige miniatuurtjes waarin ze haar uit het leven gegrepen teksten probleemloos kwijt kan. Connor werd op zeer jonge leeftijd gebeten door de muziekmicrobe, toen ze door Vince Gill tijdens een optreden mee op het podium werd gevraagd. Als invloeden somt ze evenwel een reeks andere namen op: Neil Young en Bob Dylan onder andere, maar vooral ook Nanci Griffith en Emmylou Harris. Dat ze bijzonder sterke songs weet te pennen, hoeft dan ook niet echt als een verrassing te komen. “Runaway” is trouwens een logische titelkeuze voor het album, aangezien heel wat van de liedjes erop draaien rond het ontvluchten van een miserabel bestaan en de gevolgen daarvan – nu eens vanuit het standpunt vanuit de achtergelatene, dan weer vanuit dat van de vrijbuiter.

Dé grote uitzondering daarop vormt het op de jongste uitgave van het prestigieuze Merlefest bekroonde “There Is A Place”, een ingetogen liedje waarin Connor in haar religieuze kaarten laat kijken. Een ander in het oog springend nummer is het afsluitende “New Mexico Romance”, het enige niet-Connor-nummer op de plaat - een door haar muzikale mentor Dennis Dunn geschreven story song waarin de protagonisten ontsnappen aan “the grip of a small town and death by degree”, wanneer ze elkaar tijdens hun respectievelijke vluchtpogingen uit een kwellend leven vinden en besluiten om voor een rondzwervend bestaan samen te kiezen. Een heel fraai liedje is dat.

En van dat kaliber treffen we er hier eigenlijk behoorlijk wat aan. “Amy” is bijvoorbeeld een pakkend folk(pop)deuntje over een achttienjarig meisje dat haar pasgeboren kindje noodgedwongen dient af te staan als haar vriendje er van onder muist, iets wat ze eigenlijk nooit meer echt te boven komt. En in de pianoballade “Broken” kijken we dan weer mee over de schouder van een dochter die alleen bij haar voortdurend dronken vader achterblijft als haar moeder hen verlaat. “Arlington” is ook bijzonder knappe singer-songwriter stuff, waarin harmonica en pedal steel prima de in de tekst verscholen gevoelens vertalen, die gepaard gaan met het tragische einde van een soldaat. Maar het misschien wel allermooiste liedje van het hele lot is opener “Runaway”, waarin Connor sfeervol een vertrek uit het bikkelharde Oklahoma verslaat. Erg mooi hoe bluegrass en roots elkaar in dat deuntje ontmoeten.

Al bij al een verrassend af klinkend debuut van een jonge (en bovendien bloedmooie) artieste waarvan we ongetwijfeld nog het een en ander zullen gaan horen, let op onze woorden…

www.lizzaconnor.com

Miles of Music

 

 

JASON DARLING

“Night Like My Head”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

Vanuit New York probeert singer-songwriter Jason Darling ons op zijn tweede CD “Night Like My Head” opnieuw te overtuigen van zijn exceptionele kwaliteiten als songsmid en (multi-)instrumentalist. De man die vooral bekendheid geniet dankzij zijn werk met Leona Naess pakt op de opvolger van zijn debuut “Underground” uit met een enigszins bij het muzikale universum van artiesten als Grandaddy, eels en vooral ook Beck aansluitende cocktail. Je zou het grootstadsfolk kunnen noemen. Met altijd duidelijk oog voor het liedje. Maar anderzijds toch ook met een erg belangrijke rol voor het experimentele. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het al hortend en stotend over een vrij egale beat uitgespuwde “Lost Desert Motel” en je zal onmiddellijk begrijpen wat we bedoelen. Gelukkig zijn er anderzijds ook gewoon bijna lieflijk gebrachte liedjes als “Dinner Song” of “Wasting” die (ondanks occasionele eigenaardige muzikale trekjes) zorgen voor het nodige tegengewicht.

Al bij al dus muziek die je eerder op Studio Brussel of in Oor zou verwachten dan in Ctrl. Alt. Country.

www.jasondarling.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

BROTHER TRUCKER

“Something Simple”

(Trailer Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

“Something Simple”, de derde CD van de uit Des Moines, Iowa afkomstige roots rock band Brother Trucker, is inderdaad niet veel meer dan dat. Een even simpele als onweerstaanbare roots rock plaat die je met elke beluistering weer een beetje meer inpalmt. In de rechttoe-rechtaan-aanpak van het viertal spelen vooral de knappe verhalende songs en de lichthese doorleefde voordracht van kopstuk Andy Fleming een vitale rol. In een productie van hun platenbaas David Zollo, die zelf trouwens ook een aardige duit in het zakje doet op dit album met ongemeen soulvol toetsenwerk, tekenen Andy Fleming en co en gasten (labelgenoot Bejae Fleming en gitarist Bo Ramsey) voor elf bijzonder smakelijk weghappende liedjes. “For J” is zo bijvoorbeeld een volop aan Bruce Springsteens rustiger werk refererende ballade. En bij het beluisteren van het gloedvolle “15 Dollars” (van de hand van Zollo) of het ingetogen “St. Jude” moesten wij spontaan denken aan de hier steeds weer fel gesmaakte heartland rock van Jimmy LaFave – die trouwens zelf weldra ook weer eens in de buurt is voor een stel optredens!

Referenties die kunnen tellen dus voor een plaat die door haar sfeervolle (eigenlijk een beetje ouderwets aandoende) muzikale inkleding onmiddellijk vertrouwd aanvoelt en daardoor zondermeer tot de interessantste roots rock releases van de voorbije maanden mag worden gerekend. Wat ons betreft alleszins een stevige aanrader!

www.trailer-records.com

www.sonic.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Rockin’ At The Barn Vol. 4”

(Dusty Records)

(3.5) J J J J

 

Het ondertussen ook alweer vierde deel in de reeks onvolprezen Americana-compilaties van het onafhankelijke Zweedse label Dusty Records bevat eenentwintig exclusief voor deze collectie ingespeelde liedjes. En net zoals dat voor de drie voorgaande afleveringen al gold, is ook “Rockin’ At The Barn Vol. 4” van een vrijwel constant erg hoge kwaliteit. Uiteraard ging onze aandacht bij het overlopen van de tracks in eerste instantie uit naar de bijdragen van enkele huisfavorietjes als daar zijn Rod Picott (met het op het van hem ondertussen genoegzaam bekende hoge niveau, ingetogen “You Can’t Talk To Me Like That”, dat nu al smachtend doet uitkijken naar een nieuw album van de man zelf), Joe Fournier (met het ook al hartstochtelijk mooie, van zijn landgenoot Steve Ketchen van de Kensington Hillbillys geleende, akoestische “The Way It Is”), Brian Jay Cline (met het door fraai dobrowerk van Larry Jenks ondersteunde slepertje “Last Stop On Your Train”), Bob Cheevers (met de prachtige Americana van “Tall Enough To Reach Your Love”) en John Cate & The Van Gogh Brothers (met het gezwind rootsrockende “One Last Chance”). Dat neemt echter niet weg, dat we hier ook door enkele ons tot op heden minder of zelfs niet bekende artiesten op onze wenken bediend werden. In eerste instantie bijvoorbeeld al door de jonge Zweedse Lisen Elwin, die met haar door Emmylou Harris, Julie Miller en Lucinda Williams beïnvloede countrydeun “Early Morning Sun” hier onmiddellijk de juiste snaar wist te raken. Of door het ook al Zweedse Pilgrim dat met machtige harmonieën uitpakt in de knappe countryballade “If I Could Win Your Love”. En dan waren er nog de Trash Mavericks, met een lekkere pot hard roots rock luisterend naar de titel “Pretty Ones”. En zeker niet te vergeten ook Waylong & The Bunch, het nieuwe bandje van Micke Jönsson, de voormalige bassist van Enzendoh, dat met “Messin’ With The Blues” een knap stukje naar outlaw country geurende roots rock achterliet.

Verder zijn er nog bijdragen van Ove Wulff, de Stringbeans, Blue Mama, de Deadnecks, Terry Anderson & The Olympic Ass-Kickin’ Team, de Wrinkle Neck Mules, K. Wilder, Bucksworth, de Racketeers, Lisa & Her Kin en Neil Smith. En ongetwijfeld zal voor enkelen van hen deze compilatie wel weer uitgroeien tot de springplank naar een wat breder publiek. Alleen daarom al is hier sprake van een interessant initiatief. Al kan je natuurlijk ook gewoon van een knap album gewagen, want dat is het…

www.dustyrecords.se

 

 

ANGIE PALMER

“Road”

(aKrasia Records)

(3.5) J J J J

 

Angie Palmer is een leuk ogende Britse singer-songwriter / gitariste die met “Road” - na “A Certain Kind Of Distance” uit ’99 en “Romantica Obscura” uit 2001 - zopas haar derde CD heeft afgeleverd. Het ene moment klinkt ze daarop als het jongere zusje van Joni Mitchell, het andere roept ze herinneringen op aan de passionele voordracht van wijlen Janis Joplin. Haar muziek laat zich daardoor misschien nog het best omschrijven als regelmatig even naar (alt.) country of Americana lonkende folk.

Ze schreef alle nummers op dit album samen met ene Paul Mason. En bij de uitvoering ervan valt ze grotendeels terug op de hulp van haar band The Revelators, waarbij er vooral voor de uitstekende gitarist Mark Townson een glansrol is weggelegd.

Mensen die bijvoorbeeld wel eens een plaatje van Shawn Colvin opleggen zullen zich uitstekend vermaakt weten met knappe liedjes als de radiogenieke opener van dit schijfje, “Footprints In The Snow”, waarin een rusteloze zoektocht wordt beëindigd met in het achterhoofd de even simpele, als ontnuchterende wetenschap:

“So now I know the way to go

Don’t need to search in vain

Returning to the life I knew

Is the way to start again.”

Andere mooie liedjes zijn de aan Joni Mitchell verwante, op een lange reeks vergelijkingen gebaseerde liefdesverklaring “Less Than I Need You”, de rootsy folkdeun “Comin’ Home”, de met sprankelend gitaarspel van Mark Townson opgetutte, atmosferische trage (folk)rocker “Satellites” en het countryeske “The Ballad Of Love And Strife”, zoals de titel al aangeeft gebaseerd op de voortdurende strijd tussen liefde en haat, zeg maar het goede en het kwade. En als het absolute hoogtepunt onthielden wij toch vooral het werkelijk wonderschone, verstilde “When You Call (For Lucia)”, een voorzichtig verzoek om in moeilijke tijden voor geborgenheid voor de aangesprokene te mogen zorgen.

www.angiepalmer.com

http://www.cdbaby.com/cd/palmer3

 

 

DOLOREAN

“Not Exotic”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Van een werkelijk zinnenprikkelende schoonheid is “Not Exotic”, na de al in ’99 uitgebrachte EP “Sudden Oak”, het zopas verschenen eigenlijke albumdebuut van Dolorean. Dit drietal uit Portland, Oregon dat in ’99 eerder toevallig geboren werd uit een onverwacht ernstig gesprek over hun wederzijdse muzikale passies dat de vrienden Al James en Jay Clarke voor dag en dauw bij een ontbijt voerden, streeft op zijn eerste volwaardige CD de geest, het gevoel en de spontaniteit na, die enkele van hun eigen favoriete albums kenmerkten. “Music From The Big Pink” van The Band, “Harvest” van Neil Young en “Pink Moon” van Nick Drake meer bepaald. En om dat doel te bereiken werd de hulp ingeroepen van producer Jeff Saltzman (die hier vooral bekendheid geniet dankzij zijn werk met Stephen Malkmus). Die liet hen voor de basistracks de zang-, drum-, gitaar- en pianopartijen simultaan inspelen. Met alle gevolgen van dien. Daardoor dienden enkele songs immers tot twintigmaal toe te worden hernomen alvorens men tot een bevredigende versie kwam. Maar het eindresultaat is er dan ook naar.

De sereniteit die de negen pareltjes op “Not Exotic” uistralen is werkelijk adembenemend. Liedjes als “Morningwatch”, “Jenny Place Your Bets”, “Hannibal, MO” of “Sleeperhold” – om er zomaar even vier willekeurig van tussen te plukken – laten zich in al hun introverte schoonheid warm aanbevelen aan allen die bijvoorbeeld een Ron Sexsmith, een Nick Drake, een Clem Snide of de vroege Neil Young een warm hart toedragen. Heel erg persoonlijke muziek is het, waarvan vooral in de late uurtjes – als sfeer vaak aan gewicht wint - een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitgaat.

www.dolorean.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

THE LISA MARR EXPERIMENT

“American Jitters”

(Sympathy For The Record Industry)

(4) J J J J

 

Als er één ding is, waar Lisa Marr absoluut niet van houdt, dan is het wel van de dezer dagen alomtegenwoordige muzikale hokjesgeest. Iets waar haar verleden bij Cub, een groepje dat jarenlang gebukt ging onder de bij wijze van grap gelanceerde term cuddlecore, wellicht niet geheel vreemd aan is. Op haar tweede album met de bij wijze van experiment gelanceerde, naar haar zelf genoemde groep, de opvolger van het in 2000 goed onthaalde debuut, het country-punkschijfje “4 AM”, is variatie dan ook troef. “American folk music for the twenty-first century,” noemt ze het zelf. Nu eens ligt daarbij de klemtoon op de folky helft van haar persoonlijkheid, dan weer eerder op haar rockende of niet in het minst haar twangy zijde. Want laten we wel wezen, het gezien de nerveuze tijden die de States beleven wel erg toepasselijk getitelde “American Jitters” is – of ze ’t nu zelf graag hoort of niet – toch voornamelijk een alt. country-album. In de nieuwe bezetting met naast Marr zelf ook nog Martin Beal (gitaren), Mike Flanagan (zang, gitaren, mandoline, sax, piano, etcetera), Dave Philips (pedal steel) en Sherri Solinger (zang, drums) en in een productie van diezelfde Beal, David Carswell en John Collins (New Pornographers) blijkt ondanks de eclectische benadering van het album de twangy kant al bij al toch de dominantere. Getuigen daarvan zijn ondermeer de catchy opener “Carolina’s Last Ride” met zijn lekker prominente gitaren, de ingetogen (alt.) honky-tonk van “Niagara, Niagara” – met een weemoedig jankende pedal steel en de wulpse stem van Marr zelf als absolute meerwaarde, de swingende alt. country van “Green Lights”, waarvoor zelfs de banjo even van stal mocht, of het bijzonder knappe “Unemployment Line”.

Ook met veel plezier beluisterd hebben we verder het door Mike Flanagan gezongen ingehouden (gitaar)rootsrocknummer (van het type waar de Replacements zaliger zo goed in waren) “All Of This Pain”, de Aimee Mann-achtige pop van “Green Expectation”, de mooie door Flanagan en Marr samen gebrachte midtempo Americana van “I’ve Given Up”, het nijdig gezongen rockertje “Do You Really Wanna Know”, enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Eigenlijk is het hier gewoon voortdurend genieten geblazen van een al bewonderenswaardig goed op elkaar ingespeeld collectief, dat met liedjes met de vinger op de pols van hun tijd bijzonder sterk uit de hoek komt.

www.thelmx.com

www.lisamarr.org

Miles of Music

 

 

RED STAR BELGRADE

“The Real Traitors”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Red Star Belgrade, de naar de bekende Joegoslavische voetbalploeg vernoemde gitaarrockband uit North Carolina klinkt op zijn vijfde CD “The Real Traitors” strijdvaardiger en frisser dan ooit. In onvervalste Crazy Horse-stijl verkondigen Bill Curry en de zijnen in het openings- en titelnummer onverholen hun mening over de recente ontwikkelingen in de States als gevolg van de Irak-kwestie. En geloof ons vrij, bij de manier waarop op de situatie incashende “patriotten” zoals countrysterren Toby Keith en Charlie Daniels hier een veeg uit de pan krijgen, zou zelfs een Steve Earle – zelf toch ook niet bepaald een doetje – spontaan even aan het blozen gaan. Curry is pissig en dat zullen we geweten hebben ook…

En daarmee is de bal meteen goed en wel aan het rollen. Ook de volgende tien nummers moeten het immers in grote mate hebben van de messcherpe gitaarpartijen en de verbeten snerpende zang van Curry zelf. Enkel het wat meer ingetogen “50 Years (The Oldest Woman In France)” vormt daarop een wezenlijke uitzondering. In dat nummer is het immers vrouwlief Graham Curry die de lead vocals voor haar rekening neemt en daarbij volop herinnert aan de occasionele charmerende vocale inbreng van toetseniste Jill Birt indertijd bij huisfavorietjes The Triffids. Maar zoals al gezegd, het merendeel van de songs hier zal vooral de Neil Young- of Green On Red-fanaten onder jullie wellicht niet onberoerd laten.

Curry gaat hier in het bijzijn van zijn wederhelft overigens ook maar liefst vier keer vreemd. Naast zeven eigen songs telt het album immers ook nog zoveel covers. Voor “The Man You Never Saw”, “My Wife”, “Holiday In Cambodia” en het werkelijk magistrale slotnummer “I Believe” werden respectievelijk The Tom Robinson Band, The Who en punkbands The Dead Kennedys en The Buzzcocks geraadpleegd. Wie echter verwacht, dat het album daardoor aan samenhang zou verliezen komt lelijk bedrogen uit. Ondanks dat ruime aantal vreemde eenden in de bijt klinkt “The Real Traitors” immers als een bijzonder coherent geheel en groeide het uit tot een erg knappe gitaarrock-CD met ruim voldoende alt. country-elementen om ook Ctrl. Alt. Country meer dan tevreden te houden.

www.redstarbelgrade.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

RAUL MALO, PAT FLYNN, ROB ICKES & DAVE POMEROY

“The Nashville Acoustic Sessions”

(CMH)

(4) J J J J

 

Mavericks-kopstuk Raul Malo (akoestische gitaar, zang) zocht voor zijn nieuwe project het fijne gezelschap op van topmuzikanten Pat Flynn (gitaar, mandoline, bouzouki, zang), Rob Ickes (dobro, Weissenborn, zang) en Dave Pomeroy (bassen). Zij kregen in de studio bovendien her en der nog wat assistentie van Lenny Castro (percussie), Jim Hoke (harmonica) en Siedah Garrett (zang). Het opzet was eigenlijk vrij simpel. Zoals de titel van het album dat al laat vermoeden werden in de Monkey Finger Studio in Nashville nieuwe, volledig akoestische versies ingeblikt van een stel klassieke country- en popliedjes. En het moet gezegd, Malo klinkt hier veel beter dan dat de jongste jaren het geval is geweest. Hij voelt zich duidelijk in zijn element in deze context!

Het hier ook al in de bijzonder mooie uitvoeringen van The Big O en Linda Ronstadt bekende “Blue Bayou” klinkt in het akoestische jasje dat het door Malo en co aangemeten krijgt beter dan ooit. Evenals de Gordon Lightfoot-ballade “Early Morning Rain” trouwens. Andere onmiddellijk in het oog springende liedjes zijn twee van de Louvin Brothers geleende nummers, met name “The Great Atomic Power” en “When I Stop Dreaming”. Dat laatste groeit hier uit tot een echte beauty van een ballade. Malo is immers vooral dan op zijn best als hij zich de ziel uit het lijf mag zingen.

Andere interessante op deze collectie aan te treffen deuntjes zijn een gevoelige versie van Hank Williams’ “Weary Blues From Waiting”, Bob Dylans “You’re Gonna Make Me Lonesome When You Go”, de bluesy instrumentale versie van “Waiting For A Train” van Jimmie Rodgers, een zoveelste (zij het dankzij het werkelijk uitmuntende dobrowerk van Rob Ickes wel erg mooie) benadering van Gram Parsons’ “Hot Burrito #1” en een speelse kijk op de Van Morrison classic “Bright Side Of The Road”. Enkel het tweetal “Moon River” en “(I Love You) For Sentimental Reasons”, waarin Malo echt aan het croonen slaat, was voor ons niet echt nodig geweest. Een beetje te mierzoet allemaal, zeg maar… Voor het overige valt hier echter weinig op aan te merken en is dit dus gewoon een prima plaat!

 

 

THE COWLICKS

“C.W.A.”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Bijzonder aangenaam verrast werden wij door “C.W.A.”, het tweede album van de Cowlicks, een uit de San Francisco Bay afkomstig vijftal, bestaande uit Todd Novak, Mike Anderson, Michael Hanna, Peter Tucker en Doug Blumer. Namen die hier en daar wellicht wel een belletje zullen doen rinkelen, want het betreft knapen die eerder al hun duit in het spreekwoordelijke zakje deden bij ondermeer de Schramms, de Dragsters, de Big Blue Hearts, de Westerleys, Dallas Wayne, Kevin Salem, de Waybacks en de Beau Brummels.

“C.W.A.” oftewel “Cowboys With Attitude” staat in tegenstelling tot wat de titel volop doet vermoeden niet vol met snoeiharde country rock of alt. country, maar moet het vooral hebben van de puntgave rootspop en –rockliedjes doorspekt met lekker wegjengelende gitaartjes die meer dan eens nadrukkelijk solliciteren naar een vergelijking met het werk van Tom Petty en zijn Heartbreakers of de Byrds, zij het dan iets meer gecountryficeerd. De man die daarbij het meest in de kijker loopt is Todd Novak, aangezien hij niet enkel de lead vocals in het merendeel van de liedjes voor zijn rekening neemt, maar ze met uitzondering van “Bessie’s Song” en de Byrds-cover “Mr. Spaceman” ook allemaal schreef. Hoogtepunten op dit bijzonder prettig wegluisterende album zijn het knisperende rootsrockdeuntje “Stupid Girl”, het flink aan Roger McGuinn en zijn kompanen herinnerende tweetal “Stateline” en “Drawn” en vooral ook “Sea Of Grass”. Dat laatste liedje is een echte beauty. Werkelijk onweerstaanbaar mandoline- en gitaargetokkel maakt van dit nummer een zomers schot in de (rootspop)roos.

“C.W.A.”? “C.W.S.” ware wat ons betreft een veel toepasselijkere naam geweest. Cowboys With Songs – uitstekende songs bovendien!

www.thecowlicks.com

http://www.cdbaby.com/cd/cowlicks

 

 

RUTH MINNIKIN

“Ruth Minnikin EP”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Ondanks haar nog jonge leeftijd heeft de Canadese Ruth Minnikin al een alleraardigst muzikaal palmares bijeengespeeld. Zo was ze bijvoorbeeld als lid van de groepen The Guthries en The Heavy Blinkers al betrokken bij de opnames van een zestal albums. Deze EP is echter haar eerste werk volledig voor eigen rekening. En daarmee is zij de eerste van de voormalige Guthries die na het heengaan van die groep met solowerk komt.

Haar muzikale universum situeert zich op deze eersteling ergens in de buurt van dat van illustere landgenoten als de Be Good Tanyas en de Cowboy Junkies. Intelligente lyrics gedragen door een wat aparte, zij het zeer attractieve stem maken van deze live opgenomen 5 song EP een ware lust voor het oor. Bij de rammelende alt. folk van “Maiden Voyage” (over haar eerste tournee doorheen Groot-Brittannië) deed het gebruik van de banjo ons heel even terugdenken aan Jolie Hollands voortreffelijke debuut van vorig jaar, “Catalpa”. Terwijl de lo-fi (alt.) country van “This Heavy Heart” dan weer eerder de Cowboy Junkies suggereerde. Knap pedal steel-spel trouwens van Dale Murray in dat nummer!

In dezelfde hoek treffen we iets verderop ook het beklijvende “Amy’s Moon” aan. Het muzikale sprookje over doorschietende klimplanten en spinnenbeten “Dono Whertho, Mexico” is vervolgens een wat spooky aandoende Westerndeun. En de laatste in het rijtje van vijf, “Snow Day”, laat zich karakteriseren als best wel opgewekte alt. folk.

Als dit schijfje bedoeld is al warmmakertje voor een snel eraan komend full album, dan is Minnikin wat ons betreft met brio in haar opzet geslaagd. Wij houden haar vanaf nu alvast scherp in de gaten.

www.theguthries.net

www.heavyblinkers.com

 

 

CORB LUND BAND

“Modern Pain”

(3) J J J

“Unforgiving Mistress”

(3.5) J J J J

(In eigen beheer uitgebracht!)

 

Het voorbije jaar verraste de uit het Canadese Alberta afkomstige Corb Lund Band ons met het werkelijk uitmuntende countryalbum “Five Dollar Bill”. Nader onderzoek van onzentwege wees toen uit, dat het eigenlijk al om het derde album van de groep ging. Eerder verschenen immers ook al de cassette “Modern Pain” en de CD “Unforgiving Mistress”. En die zijn nu dus beide toe aan een heruitgave. Iets wat zeker in het geval van de in ’95 op amper 1000 exemplaren verdeelde cassette “Modern Pain” bepaald geen luxe is. Die groeide ondertussen immers uit tot een underground alt. country-klassiekertje en bijgevolg ook tot een gezocht collectors item.

In vergelijking met de oorspronkelijke versie telt deze herwerkte uitgave 6 andere nummers. Van het origineel werd om een ons onduidelijke reden “Heal Me Now” weggelaten en wat er daarna van het album overbleef werd aangevuld met de liedjes “Waste And Tragedy”, “Manyberries”, “Evil In Me” en het live-drietal “Hockey Song”, “Sixteen Tons” en “Are You Sure Hank Done It This Way” – in een alleraardigste versie trouwens dat laatste! “Unforgiving Mistress” werd daarentegen wel geheel in zijn originele versie heruitgebracht.

Beide albums zijn goed voor een flinke dosis akoestische (op een traditionele leest geschoeide) country, zij het dan wel gebracht met de branie van een moderne outlaw / punk. Ver weg van het merendeel van de aan het genre eigen clichés alleszins. Al bij al een stuk ruwer nog dan op hun alom geprezen derde CD ook. We hebben het hier over fris van de lever gespeelde C&W (vaak met een enigszins naar het alt. folk-genre afglijdend karakter) voor een aankomende nieuwe generatie liefhebbers van dat genre zeg maar. Als je jezelf daarvan wil overtuigen, volstaat het om even de website van de Corb Lund Band te bezoeken, waar (de oorspronkelijke uitvoeringen van) beide albums in hun totaliteit als download ter beschikking staan.

www.corblundband.com

http://cdbaby.com/cd/corblund2

 

 

GINGERSOL

“Eastern”

(Rubric Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

De laatste twee jaren in het bestaan van het ooit in Los Angeles opgestarte gezelschap Gingersol waren nu niet bepaald wat je noemt een pad over rozen. Toen Steve Tagliere en Seth Rothschild in 2001 beiden hun beroepshalve naar New York verkassende wederhelften besloten te volgen, betekende dat vreemd genoeg voor hun respectievelijke relaties meteen ook zo goed als het einde. Voeg daar nog aan toe, dat Tagliere in New York arriveerde op 9 september van dat jaar en je begrijpt onmiddellijk dat “Eastern”, hun nieuwste, inhoudelijk gezien nu niet meteen de vrolijkste plaat is geworden. Heel wat van de songs erop reflecteren inderdaad de huwelijksperikelen van de twee (ondertussen gescheiden) heren. Ze gaan over het wanhopig in stand willen houden van hun relaties. Toch vindt Tagliere zelf het niet echt een sombere plaat. Hij verwijst naar het materiaal op “Eastern” als “happy-choly” – gelukkig, maar toch ook een weinig melancholisch, en omgekeerd natuurlijk.

Net als de muziek van groepen als Nadine, Clem Snide en het ter ziele gegane Hazeldine situeren ook de songs van Gingersol zich ook ditmaal weer ergens in het uitgestrekte braakland dat gaapt tussen genres als Americana enerzijds en indie-pop anderzijds. Met telkens opnieuw weer die lekker breed uitwaaierende gitaren en de schuurpapieren stem van Tagliere als toegevoegde meerwaarde. Van de wat ingetogen, dromerige gitaarpop van bijvoorbeeld “Please Let Me Go” - met Rami Jaffee van de Wallflowers achter de piano - over het na een introverte intro tot een knap (gitaar)rocknummer open spattende “None Of My Friends” tot het een weinig aan de Teenage Fanclub herinnerende “Romeo’s Behind Us But The World Is Round” – het klinkt werkelijk allemaal even groots. Met als absolute killer songs wat ons betreft het drietal “Birthday Girl” (een hartverscheurend mooi liedje over de zoals al eerder vermeld verstrekkende gevolgen van Tagliere’s verhuis naar New York voor zijn privé-leven), “I Did” (gebaseerd op een gezien de context weinig subtiele woordspeling op het de huwelijksbelofte beklinkende “I Do”) en vooral ook “A Great Day For War”. In dat laatste liedje bekijkt de twee dagen voor het WTC-drama in New York neergestreken Tagliere dat tragische voorval op een geheel eigen manier. Hij laat duidelijk doorschemeren, dat het vanaf die bewuste dag eigenlijk één langgerekt collectief wachten was op de definitieve oorlogsverklaring aan het adres van het terrorisme, die onvermijdelijk volgen zou. Een groots hoogtepunt op een in haar geheel genomen ook al erg knappe plaat, waarop Gingersol de perfecte balans lijkt te hebben gevonden tussen prachtige popliedjes en emotioneel diepgravende teksten.

www.gingersol.com

www.rubricrecords.com

www.sonic.nl

 

 

EZ T

“Goodbye Little Doll”

(Monitor)

(2.5) J J J

 

EZ T is een zevental bestaande uit Colin Gagon (zang, gitaar, etcetera) en zijn broer Jeremy (drums) en zus Genevieve (viool), Aram Stith (leadgitaar), Richard Schuler (nog meer drums), Sarabeth Tucek (zang) en Paul Oldham (bas). Doorgewinterde Will Oldham-fans spitsen bij het horen van enkele van die namen vast de oren. Het hoeft dan ook nauwelijks verbazing te wekken, dat de muziek van EZ T zich inderdaad ook laat situeren in het hoekje waar de Bonnie Prince Billy’s en de Smogs van deze wereld ook flink wat van hun tijd plegen door te brengen. Alles aan deze plaat, maar dan ook écht alles – tot en met het hoesje toe – ademt een tergend gevoel van somberheid, van verlorenheid uit. Bepaald geen plaatje dus, dat je zomaar even voor je plezier boven haalt. Al heeft het dan ook nog enkele best wel spannende momenten. Wij denken daarbij bijvoorbeeld aan het bezwerende, sterk repetitieve “Fingerless Children”, dat als een onheilspellende inktzwarte onweerswolk voorbij komt drijven met hoofdrollen voor de elkaar net niet afsnauwende Colin Gagon en Sarabeth Tucek. En ook de qua sfeer een weinig aan het werk van Nick Cave verwante duistere ballades “Cruxes, Cruxes” en “I Fell Down” droegen vrijwel meteen onze goedkeuring weg.

Maar echt enthousiast werden we hier dus niet van. (Al zal dat ook wel niet de bedoeling zijn geweest…)

(Voor de volledigheid vermelden we hier ook nog snel even, dat de productie in handen was van de ondermeer van zijn werk met Smog en Jim White bekende Bill Callahan.)

www.monitorrecords.com

 

 

JIM BYROM

“Whiskey Uniform”

(Yellow Rose Productions)

(3) J J J

 

 “Whiskey Uniform”, het in San Antone, TX onder de productionele hoede van fiddle-grootmeester Bobbie Flores opgenomen debuut van de jonge Texaan Jim Byrom is een plaat met opvallende hoogtes en laagtes. Byrom gokt naar ons gevoel voor zijn eigen goed net iets teveel op twee paarden. Enerzijds zijn er een reeks volop naar Nashville lonkende ballades als “Till You Found Me”, “County Line”, “Someone Like You” en “Let Forever Start Tonight”, waarin de man ons een beetje deed denken aan gladde collega’s als een Tracy Byrd of een Tracy Lawrence. Anderzijds gelukkig ook een stel bijzonder fraaie, het label “Made In Texas” meer dan waardige vlottere nummers. We denken dan bijvoorbeeld aan openingsnummer “How Lonely Does Lonely Get”, een in elke dancehall of honky tonk van hier tot in de Lone Star State met open armen ontvangen, onmiddellijk tot meezingen (en dansen) uitnodigende ritmische brok melancholie. Verreweg het beste nummer van de plaat! Al kunnen ook het een beetje tegen het repertoire van klasbak Dwight Yoakam aanleunende titelnummer, de Bobbie Flores/Lance Guynes-compositie “Walkin’ Slow” en de gezapig rockende tweeling “Cuervo No Salt” en “Honky Tonk Band” best een aardig eindje mee. Om nog maar te zwijgen van “Three At A Time”. Da’s net als de opener een echte prachtsong. Aangenaam (herkenbaar) ritme. Catchy refreintje. Nog zo’n gedoodverfde hit dus!

Conclusie? Bij een volgende gelegenheid iets minder van die trage slepertjes en wat meer honky tonk stuff graag. Dan zit er wat ons betreft een best wel knappe plaat aan te komen.

www.jimbyrom.com

www.yellowroserecords.com

 

 

ROBERT RICHMOND

“Fortune Teller”

(Two Good Reasons Records)

(3.5) J J J J

 

Robert Richmond klinkt op zijn debuut voor Two Good Reasons Records “Fortune Teller” als een door het leven behoorlijk getekend man. En dat hoeft ook nauwelijks nog verbazing te wekken, als je er even zijn levensverhaal tot op heden op naleest. Niet alleen verloor de man op ongelukkige wijze zijn vrouw veel te vroeg, hij heeft bovendien ook een ruim vijfentwintig jaar aanslepende drugverslaving moeten overwinnen en kampt tot overmaat van ramp al een poosje met de kwalijke effecten van de ziekte van Parkinson. Je zou al voor veel minder gaan klinken als een soort kruising tussen Tom Waits en Willy DeVille.

“Fortune Teller” is een vier tracks tellend akoestisch voorsmaakje op zijn in juni te verschijnen full album “Sour Milk Moon”. Blikvanger op deze korte introductie is vooral het laatste nummer van het schijfje, het titelnummer “Fortune Teller”, waarin Richmond (die overigens zelf ten dele van indiaanse afkomst is) bij monde van een oude en wijze Cherokee de toekomst van de indiaan van nu voorspelt, als er niet snel veranderingen optreden. De andere nummers zijn het ondanks zijn wat sombere inhoud toch behoorlijk opgewekt overkomende “Another Bad Deal Gone Down” en twee favorietjes uit Richmonds ruim 200 eigen liedjes tellende catalogus, de prachtballades “Angel In Chains” en “God Only Knows”.

Genoeg moois dus zeker om nu al met de nodige nieuwsgierigheid vooruit te blikken naar dat zoals gezegd voor al wat warmere dagen gepland zijnde volledige album van de man.

www.twogoodreasons.com

 

 

TOM TAYLOR

“King Of July”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Singer-songwriter Tom Taylor sleet het leeuwendeel van zijn muzikale carrière tot op heden in het ons totaal onbekende bandje She Stole My Beer uit het Canadese Vancouver. Maar toen die groep er al na twee albums de brui aan gaf, besloot de zoetgevooisde zanger om er voortaan in zijn eentje voor te gaan. Zelf zegt hij nogal zwaar beïnvloed te zijn door mensen als een Joe Ely en een John Hiatt als het over zijn stijl van schrijven gaat. Maar als je ’t ons vraagt, dan lijkt iemand als Jackson Browne toch ook nooit ver uit de buurt te zijn geweest.

“King Of July”, ’s mans debuut, is hoe dan ook een zeer fraaie CD geworden. Tien introspectieve en volop met emoties doorspekte liedjes worden door de met een prachtige, wat soulvolle stem gezegende Taylor op overtuigende wijze vertolkt. Daarbij mag hij rekenen op de muzikale steun van de Canadese snarenvirtuoos Steve Dawson (bekend van zijn werk bij ondermeer Dawson & Zubot en Kelly Joe Phelps), van Darren Paris op de bas en van zijn ex-collega Geoff Hicks achter de drumkit. De (overigens prachtige) achtergrondvocalen zijn van Jeanne Tolmie. Samen met dat viertal tekent Taylor voor een echt plaatje van een Americana-album, dat je bij elke beluistering weer wat meer inpalmt en dat we voorzichtig durven aan te bevelen aan de fans van collega’s als Slaid Cleaves en zijn maatje Rod Picott. De combinatie van de warme stemmen van Taylor en Tolmie gekoppeld aan de werkelijk indrukwekkende prestaties van Dawson op instrumenten als de dobro, de Weissenborn, de akoestische gitaar en de banjo maken van deze collectie een nauwelijks te weerstaan geheel.

http://www.cdbaby.com/cd/tomtaylor

 

 

KATE MAKI

“Confusion Unlimited”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

De jonge Canadese Kate Maki gaf in het najaar van vorig jaar haar daytime job als lerares in een middelbare school op om zich voltijds op haar muziek te kunnen gaan toeleggen. En afgaande op de kwaliteit van haar debuut “Confusion Unlimited” was dat een zeer wijze beslissing. De kans dat Maki ooit nog terug voor een klas zal komen te staan lijkt ons eerlijk gezegd heel erg gering. Met haar een weinig aan Lucinda Williams, Gillian Welch en haar landgenotes Kathleen Edwards en Sarah Harmer verwante alt.country-repertoire zal Maki als alles een beetje naar wens verloopt immers snel hoge ogen gaan gooien.

Vooral haar stem, die net als die van Williams tezelfdertijd verveling, pijn en passie lijkt uit te stralen, zou daarbij wel eens een geweldige troefkaart kunnen blijken. Voeg daar het fijngevoelige snarenwerk van de hier onlangs nog bejubelde Jim Bryson, de zo nu en dan zacht huilende lap steel van Fred Guignion, de lekkere weidse orgelpartijen van Stephen Tatone en enkele vioolcameos van Sarah Ross aan toe en je bekomt negen van alt. country tot folkrock variërende juweeltjes (en een uit het familieplakboek gescheurde, rammelende old-timey bonus track), die Maki met één welgemikte uithaal je hart binnen katapulteren.

Mocht je ons niet op ons woord willen geloven, luister dan zelf bij gelegenheid maar eens naar heerlijke melancholische slepers als “Strangest Dream” en “Mid March Blues” of naar het wat speelsere “To Be Good”. Je zal zien, vanaf dan is er geen weg meer terug… Dit is immers een ongelooflijk sterk debuut!

www.katemaki.com

 

 

BILL HEARNE

“From Santa Fe To Las Cruces”

(Big Hat Records)

(4) J J J J

 

Met “Watching Life Through A Windshield” maakten Bill & Bonnie Hearne in 2000 één van de allermooiste Americana-CD’s van de voorbije jaren. Nu nog belandt dat schijfje hier ten huize tussen de vele nieuwe spullen door regelmatig in de CD-wisselaar. En dat wil iets zeggen, gelooft u ons vrij…

“From Santa Fe To Las Cruces” toont Bill Hearne echter van een geheel andere kant. De al meer dan twee decades lang vanuit Santa Fe, New Mexico opererende Texaan serveert dit keer een flinke dosis country, western en blues, met de nadruk toch vooral op de eerste twee van dat drietal. En ook zonder zijn blinde echtgenote klinkt het gebodene gewoonweg heerlijk. Hearne getuigt bij de keuze van de door hem vertolkte songs dan ook over een uitstekende smaak. Ian Tyson, Guy Clark, Jerry Jeff Walker, Mel Tillis, Gordon Lightfoot, Mickey Newbury, Bill Staines, Greg Trooper, Delbert McClinton, Chris Hillman, Lyle Lovett en Lefty Frizzell, geef toe dat het veel slechter gekund had… Eén groot feest der herkenning wordt het op die manier ook. Als we er een paar memorabele momenten mogen uitkiezen, dan dragen vooral de ouderwets swingende country van “One More Time” (met een zalig bassende Susan Hyde Holmes), een mooie, heel erg doorleefd aanvoelende versie van Guy Clarks “Magnolia Wind”, het net als Delbert McClintons eigen versie van dat nummer bloedmooie “When Rita Leaves”, de verstilde uitvoering van Lefty Frizzells “I Want To Be With You Always” en het van één van zijn grootste bewonderaars geleende “Farther Down The Line” onze voorkeur weg. Auteur van dat knappe countrydeuntje is uiteraard Lyle Lovett, die net als Nanci Griffith nooit onder stoelen of banken heeft gestoken een grote fan van de Hearnes te zijn.

Met het nieuwe country & western-album van Tom Russell, “Indians & Cowboys, Horses & Dogs”, ook nog op komst en met de knappe jongste CD van Mark Erelli (“Hillbilly Pilgrim”) nog vers in het achterhoofd ziet het er naar uit, dat hier in de volgende weken het Westen een weinig de boventoon zal voeren. Want laat dat vooral duidelijk zijn, ook dit is weer zo’n echt blijvertje!

www.billandbonnie.com

http://cdbaby.com/cd/billhearne

 

 

MICHAEL WOODY

“Listen To Me”

(Rocade Records)

(3.5) J J J J

 

Hier geniet Michael Woody vooral enige bekendheid als één helft van het man-vrouw-duo The Woodys, dat een paar jaar geleden met twee overheerlijke platen boordevol met volop naar de Everly Brothers verwijzende harmonieën het hart van menig een countryliefhebber stal. In de States daarentegen wordt hij vooral voorafgegaan door een uitstekende reputatie als songwriter. En voor iemand die liedjes op zijn actief heeft staan voor ondermeer Steve Earle, de Desert Rose Band, Chris Hillman, Dave Alvin, Clay Walker, Chris LeDoux en David Lee Murphy lijkt dat niet eens zo onlogisch ook. Een vlugge blik op de credits onder de liedjes op zijn solodebuut leert trouwens ook, dat Woody een graag geziene gast moet zijn in liedjesschrijverskringen, want zowel Alice Randall, Jeff Black, David Lee Murphy, Fred Koller, JD Meyers, als wijlen Waylon Jennings werden bereid gevonden om samen met hem achter de schrijftafel plaats te nemen.

In tegenstelling tot zijn eerder werk met The Woodys laat de muziek op “Listen To Me” zich eerder categoriseren als country rock. En die valt al bij al toch net ietsje lichter uit dan dat eerdere werk. Dat springt des te meer in het oog als ook Dyann Woody even langsloopt voor de harmonieën in het knappe afsluitertje “Beginning To Believe” – dan is de magie er onmiddellijk weer. Andere uitschietertjes zijn de mooie trage “Only A Fool Could Tell”, de samen met Jeff Black geschreven Americana (country) van “Clear As A Bell”, het twangy tweetal “Party Crowd” en “I Know A Goodbye”, de fraaie ballade “As Good As Goodbye Gets”, het lekker wegrockende “Praying For Rain” en vanzelfsprekend ook de samen met JD Meyers en wijlen Waylon Jennings gepende eigentijdse honky-tonk van “Drinkin’ Stories”.

Samengevat is “Listen To Me” dus best wel een knap album van een zeer goede singer-songwriter. Alleen jammer, dat wederhelft Dyann Brown niet wat vaker in de buurt was tijdens de opnamen ervan. Met wat meer van die hemelse samenzang hier en daar had ook dit album immers weer kunnen uitgroeien tot een klein meesterwerk in zijn genre. Maar dat houden we nu toch gewoon nog even tegoed zeker?

www.thewoodysmusic.com

http://www.cdbaby.com/cd/woodym

 

 

MICHAEL RENO HARRELL

“Closer Home”

(Dancing Bear Records)

(4) J J J J

 

 “Closer Home” is Michael Reno Harrells vijfde CD sedert zijn in 1995 verschenen debuut “There Are No Angels”. En ook op deze nieuwe worp geeft hij wederom blijk van een ongemeen secure hand inzake het schrijven van verhalende liedjes. Hij herinnert ons wat dat betreft zelfs een heel klein beetje aan Guy Clark.

Op “Closer Home” overheersen de wat ingetogener songs. Wat evenwel niet meteen ook hoeft te betekenen, dat Harrell zich hier zou beperken tot het typische man-met-gitaar-speelt-in-z’n-dooie-eentje-liedjes-materiaal. Hij laat zich immers vakbekwaam omringen door Phyllis Tannerfrye (akoestische gitaar, tamboerijn, zang), Jaret Carter (dobro), Jack Lawrence (akoestische gitaar, zang), Alan Johnson (fiddle), Darin Aldridge (mandoline), Wayne Mitchum (staande bas) en Jay Miley (elektrische bas). Dat resulteert occasioneel in een wat vlottere deun als het op treffende wijze zijn voortdurende heimwee naar het Zuiden verwoordende “Dixie Breezes” of het speelse, een weinig naar bluegrass neigende “Catfish Bite” over een wel bijzonder wilde vriendin voor één nacht (“…a little bit nice and a little bit mean, a whole lotta lovin’ in between,” zegt in dit geval veel…). Prachtige verhalende deuntjes vind je hier trouwens in overvloed. Van de introverte opener “Blue Eyed Jane” (over een jong meisje dat door haar vader, een vrijwel voortdurend dronken loner, net zolang geterroriseerd wordt tot ze er uiteindelijk vandoor gaat) over “East Kentucky Dream” (het waargebeurde verhaal van een boer-mijnwerker die ruim twintig jaar lang werkt aan een eigen boot om er vervolgens East Kentucky mee achter zich te kunnen laten en zijn dromen na te jagen, ver weg van het zwarte stof) tot het fataal aflopende “Cotton Mill Dress” (waarin een geschonken kleed net iets te vaak op de vloer van de slaapkamer belandt voor de ogen van een ander).

Maar de leukste nummers zijn al bij al toch deze waarin Harrell de humoristische toer opgaat, zoals het dartele “The Chocolate Kid” (waarin een overvaller aan de haal gaat met flink wat geld en… snoep en pas gevat kan worden als hij noodgedwongen een tandarts dient op te zoeken, nadat hij een vulling uit een tand bijt op één van die snoeprepen) of het al even hilarische “Germany” (waarin een aantal landen en hun grote steden een flinke veeg uit de pan krijgen, alvorens Harrell besluit “Charlotte, North Carolina is… world class my aaaaaaaaaaaaaaaaaasssssss!”).

“Closer Home” staat wat ons betreft meer dan terecht al een aantal weken genoteerd in de gerenommeerde AMA Chart. Met zijn even eenvoudige als beklijvende liedjes zorgt de zoetgevooisde Harrell er immers voor, dat je vrijwel onafgebroken geboeid aan zijn lippen hangt. De man behoort zondermeer tot de betere storytellers van het moment.

www.michaelreno.com

 

 

JASON WHITE

“Tonight’s Top Story”

(Hanging Vines Music Ltd.)

(3) J J J

 

Een jaar of twee geleden maakten wij op eerder toevallige wijze kennis met de uit Cleveland, Ohio afkomstige singer-songwriter Jason White middels zijn ons door een goede vriend aanbevolen debuut “Shades Of Gray”. Daarop toonde de al flink wat jaren aan de weg timmerende bewonderaar van Bob Dylan, Neil Young, Elvis Costello en Van Morrison zich als een songsmid met een zekere voorkeur voor het onverwachte. En dat is ook op de opnieuw onder de hoede van Viktor Krauss (Lyle Lovett, Michael McDonald, Bill Frisell) opgenomen opvolger van die eersteling, “Tonight’s Top Story”, weer zo. Ook daarop strooit White weer gul in het rond met pakkende pop- en rockliedjes, waarmee hij zijn reputatie als in het oog te houden talent alle eer aandoet. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het pittig wegrockende “Young American Dreamer”, de gedroomde singlekandidaten “For Melissa”, “Woman Of The World” en “Blink Of An Eye” (Perfecte pop gewoon!) of het berustende “One Long Goodbye” (waarin een relatie wordt afgeschilderd als niets meer dan één langgerekt afscheid) en je zal wellicht al snel beamen, dat deze knaap inderdaad talent zat heeft. Een speciale vermelding tenslotte nog even voor het afsluitende “Blackberry Winter”, dat meer verrassende wendingen bevat dan een doorsnee detectiveroman en op optimistische wijze een punt zet achter de activiteiten hier:

“It’s only a blackberry winter

A touch of frost on your kitchen door

A little cold spell

And then the sun will shine once more.”

Aanbevelen durven we dit vooral aan de liefhebbers van intelligente pop acts als Crowded House, Neil Finn of Jellyfish.

www.jasonwhite.org

 

 

MARIANNE MURPHY

“No Longer Blue”

(Two Good Reasons Records)

(3) J J J

 

De uit de omgeving van Detroit afkomstige Marianne Murphy levert met “No Longer Blue” een album af, dat er best mag zijn. Murphy laat zich op die tweede poging misschien nog het best omschrijven als een moderne folkartieste. Met haar engelachtige, wat breekbaar aandoende stem (die een heel klein beetje herinnert aan die van Tish Hinojosa, vonden wij) baant ze zich vakbekwaam een weg doorheen een bos van zelfgeschreven nummers en zogeheten co-writes. Het merendeel van deze liedjes zijn ingetogen folkballades, nu eens met een lichte blues-inslag (“No Longer Blue”), dan weer eerder country (“Empty Stage”) of zelfs M.O.R. (“Feel Loves Caress”). Op haar best vonden wij Murphy klinken in de voortreffelijke eerste single van het album, “Irish Whiskey On The Side”, en in het samen met Barb Cicchelli – die trouwens ook voor het beeldige artwork verantwoordelijk was - geschreven wat naar bluegrass neigende folkdeuntje “Woods In The Summer”.

De hilarische verborgen bonus track over een wel bijzonder “aparte” minnaar (“Psychotherapy Man”) nemen we er afsluitend nog graag bij. Iets voor de fans van Nanci Griffith en aanverwanten lijkt ons.

www.twogoodreasons.com

http://www.cdbaby.com/cd/mmurphy2

 

 

THE MINUS 5

“Minus 5 In Rock”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

De “nieuwe” van The Minus Five is in wezen eigenlijk ook alweer niet zo heel erg nieuw meer. Het gaat immers om een herwerkte uitgave van het oorspronkelijk in 2000 op amper 1000 exemplaren via het obscure Book Records verspreide “Minus 5 In Rock”. Van die eerste versie werden twee nummers weggelaten, maar anderzijds werden er ook weer 4 nieuwe (in 2003 opgenomen) tracks aan het nieuwe geheel toegevoegd: de eigenzinnige instrumentale opener “Bambi Molester”, het bijzonder knappe power pop-liedje “The Forgotten Fridays”, het nerveus (gitaar)rockende “Where The Wires Meet The Skies” (Think Presidents Of The U.S.A.!) en de bijdetijdse glamrock van “Cosmic Jive” meer bepaald. Op die manier wordt dit quasi als tussendoortje door Scott McCaughey, Peter Buck, John Ramberg, Bill Rieflin en een stel gasten (waaronder John Wesley Harding) ingeblikte album ook voor de bezitters van de zeldzame oerversie weer interessant gemaakt.

Het blijft trouwens een plezier om te horen, hoe bij McCaughey’s bende het liedje nooit uit het oog verloren wordt, ongeacht het soms toch wel behoorlijk chaotische karakter van het album als geheel. Knappe songs als het stevig aan de Beatles verwante “The Girl I Never Met”, het op een even simpel als doeltreffend enjambement gebaseerde “The Night Chicago Died / Again” of het met sprankelend orgelwerk gezegende rockertje “Dear My Inspiration” waren an sich al goede redenen genoeg om je dit album onverwijld aan te schaffen. De extra’s zijn in zo’n geval alleen maar mooi meegenomen, moet je maar denken.

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

SHANE NICHOLSON

“It’s A Movie”

(EW / Warner Music Australia)

(4) J J J J

 

“It’s A Movie” is het door Nash Chambers (zoon van Bill en derhalve ook broer van Kasey) geproduceerde debuutalbum van de jonge Australiër Shane Nicholson. Een eersteling die niet alleen ongelooflijk af klinkt, maar die daarenboven met elf erg aan het werk van de broertjes Finn verwante, zelf gepende liedjes toont dat Nicholson ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd al een buitengewoon begenadigde songsmid is. Hier is sprake van een echte revelatie. Zeker als je ook nog even meerekent, dat deze knaap gezegend is met een alleraardigste stem (die ook al heel erg lijkt op die van Neil Finn).

Net zoals dat met de platen van Crowded House het geval is, is het eigenlijk onbegonnen werk om hier naar hoogtepunten te gaan zoeken. “It’s A Movie” is immers in zijn geheel één grote oase van goede smaak. Elf perfecte popliedjes voor dagdagelijks gebruik. Al valt het natuurlijk wél meteen op, als Kasey Chambers even voorbijkomt om wat vocaal weerwerk te bieden in het fraaie “Designed To Fade”. Een nummer, dat wat ons betreft een geknipte singlekeuze zou kunnen zijn. Het zou zelfs hier de nodige hitkansen kunnen hebben, als je ’t ons vraagt. Iets wat bij nader inzicht ook wel geldt voor het zijn titel alle eer aandoende “Perfect” en het lekker sprankelende, al een beetje zomers aanvoelende “Day In The Sun”.

Een visitekaartje dat kan tellen!

www.shanenicholson.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28932

 

 

THE DOXIES

“Tinderbox Tragedy”

(Emergency Umbrella)

(3.5) J J J J

 

The Doxies zijn een vijftal uit Columbia, Missouri, dat op zijn tweede CD “Tinderbox Tragedy” tekent voor tien nummers waarvoor je nog eens zonder al te veel schroom het predikaat alt. country mag bovenhalen. Grote voorbeelden zijn zonder ook maar de minste twijfel groepen als Uncle Tupelo, Son Volt, Wilco en The Jayhawks geweest, dat hoor je meteen. Maar als het resultaat zo ouderwets goed klinkt als hier, dan gaan we daar absoluut niet moeilijk over doen. Wat The Doxies brengen is een erg geslaagde kruisbestuiving tussen rock & roll en country. Met een opvallende overdaad aan gitaren, die nu eens heerlijk melancholisch tegen je aan komen kruipen, om vervolgens weer lekker potig uit de bol te gaan. Alt. country zoals het ooit bedoeld werd dus. Hier wordt de versterker met plezier nog eens goed voor open gegooid! Knappe songs als het een weinig aan de Jayhawks refererende “Clouded By The Bottle”, het intrigerende “Blood And Water” en het ingetogen countryrockende “Take My Chances” laten een groep aan het werk horen, die in staat moet worden geacht om net als haar hier hoger opgesomde helden ook in de Lage Landen flink wat volgelingen aan zich te kunnen binden. Lekker schijfje!

www.thedoxies.com

 

 

BEN WEAVER

“Living In The Ground”

(30/30 Industries / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Terwijl er alweer volop sprake is van “Stories Under Nails”, de opvolger van het alom geprezen “Hollerin’ At A Woodpecker”, mogen wij ons hier dankzij de inspanningen van het Nederlandse verdeelhuis Sonic Rendezvous nog even buigen over de voorloper van die plaat, het al uit 2000 stammende “Living In The Ground”, dat sinds kort ook in de Lage Landen eindelijk op een wat eenvoudiger manier kan worden aangeschaft. In tegenstelling tot “Hollerin’ At A Woodpecker” toont “Living In The Ground” een Ben Weaver die duidelijk nog groeiende is. Het beste moet nog komen… Dat uit zich vooral in een stel hortende en stotende opdondertjes als “Ella Mae” en “Bill Brown”, twee lillende lappen grootstadsblues die de nog piepjonge Weaver uit zijn strot knijpt alsof de duivel en Tom Waits zelve hem op de hielen zitten. Die Waits-vergelijking gaat trouwens wel op voor zowat het hele album. De opvallende gelijkenis tussen beider stemmen, maar ook het wat minder alledaagse instrumentarium dat slagwerker Steve Hayes tijdens de opnames bezigde (vuilnisbakken, wieldoppen, etc.) zijn daar debet aan.

De hele plaat werd overigens ingeblikt in één enkele, nauwelijks vijf uur in beslag nemende sessie. Wat meteen ook de duidelijk van het album afstralende spontaniteit verklaart. Samen met Bo Ramsey (gitaar), Dave Moore (harp en accordeon) en de zonet al even genoemde Steve Hayes nam Weaver in die toch wel erg krap bemeten tijdsspanne elf liedjes op, die met uitzondering van het afsluitende tweetal – een doorleefd overkomende versie van Townes Van Zandts “Two Girls” en de bluesy traditional “This Train” – allemaal uit zijn eigen pen kwamen rollen. Liedjes over echte mensen met echte levens, omschrijft hij ze zelf graag.

Vooral het rootsy “Rose Marie” (met zo’n heerlijk functioneel streepje accordeon in de achtergrond) en het wat ingetogener aandoende tweetal “Precious Time” en “Rainstorm in Iowa” bleven bij ons vanaf de eerste beluistering meteen al hangen. Niet toevallig allicht ook net die nummers die al een beetje voorbereidden, wat op “Hollerin’ At A Woodpecker” weldra volgen zou.

Wat blijft is een plaat die in al haar rammelende eenvoud heel erg weet te bekoren en waar je dan ook steeds weer met plezier blijft naar teruggrijpen. En gezien de enorme stap vooruit die Weaver al op zijn volgende album zette, is dit wat ons betreft de ideale opwarmer voor die op komst zijnde nummer vier, waar we nu alweer verwachtingsvol naar zitten uit te kijken!

www.benweaver.net

www.sonic.nl

 

 

STEVIE TOMBSTONE

“7:30 a.m.”

(Saustex Media)

(3.5) J J J J

 

Niet zo heel erg lang geleden verruilde Stevie Tombstone zijn toenmalige voedingsbodem Atlanta voor Texas. De man die in de jaren tachtig het mooie weer maakte bij de naar hem vernoemde band The Tombstones zoekt dus dezer dagen zijn heil in het Mekka van de singer-songwriters. En dat mag, als we deze opvolger van het in 1999 verschenen “Second Hand Sin” en het een jaar laar later opgenomen “Acoustica” als waardemeter mogen gebruiken tenminste, worden gezien als een geslaagde career move. “7:30 a.m.” werd met een stel gelijkgestemde geesten (ondergebracht in groepen luisterend naar de veelzeggende namen The Texas Tombstones en The Arkansas Stranglers) opgenomen in zijn nieuwe thuishaven. Het album laat een voortreffelijke songsmid aan het werk horen, die bovendien gezegend is met een geweldige stem. Het gruis op de stembanden van Tombstone doet hier en daar denken aan Gary Allan, maar dan wel in een minder gelikte uitvoering.

Op dit lekker gevarieerde geheel zijn het vooral de ingetogen, in een volledig akoestische setting opgenomen liedjes die in het oog springen. We denken daarbij met name aan het met fraai fiddlewerk van Ralph White opgeluisterde “Kevlar Heart” en het ongemeen mooie titelnummer. Dat neemt echter niet weg, dat ook wat meer potige stuff als het lekkere countryrockertje “Something That I Never Thought I’d Be”, het uptempo “Maybe” (met de veelzeggende woorden “If the cigarettes and the whiskey didn’t kill you, maybe I can lend a helping hand…”) en het behoorlijk uitgelaten “Murder City Breakdown” er best wezen mag.

Onder een dikke laag tatoeages schuilt hier immers een singer-songwriter die met de jaren heeft leren inzien, dat het dagelijkse leven hem voortdurend de mooiste songs op een presenteerblaadje voorschotelt. En dat besef leidt - zoals bij zoveel anderen voor hem in het verleden - ook voor Tombstone tot prachtige teksten. Voeg daar een bekwame hand als componist van catchy deunen aan toe en je begrijpt, waarom ze deze man in de Lone Star State met open armen hebben verwelkomd.

www.stevietombstone.com

 

 

GREG BROWN

“Honey In The Lion’s Head”

(Trailer Records / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Dat hij al een poosje met het idee speelde, was een publiek geheim, maar er was altijd wel iets om hem te beletten er ook daadwerkelijk werk van te maken. En zodoende zou het duren tot het verschijnen van “Honey In The Lion’s Head”, zijn ondertussen toch ook alweer achttiende plaat, alvorens Greg Brown effectief een album wijdde aan het opnemen van een stel traditionele folkliedjes, die als het ware de soundtrack van zijn jeugd hadden uitgemaakt en die op die manier ook de aanleiding waren geweest tot zijn eigen troubadoursbestaan.

Op zijn nieuwe album vertolkt Greg Brown in het gezelschap van klasse-muzikanten als co-producer Bo Ramsey (elektrische gitaar en Weissenborn), Rick Cicalo (akoestische bas), Bob Black (banjo en five string lap), Al Murphy (fiddle, mandoline, zang) en Keith Dempster (harmonica) en zowat zijn halve familie – zijn dochters Pieta en Constie en zijn vrouw Iris DeMent bedoelen we dan – twaalf van die liedjes op de van hem ondertussen welbekende manier. Die heerlijke donkerbruine stem weer lekker in het middelpunt van de belangstelling dus. En da’s maar goed ook! Al dient het toch ook meteen te worden gezegd, dat het vooral enkele van de met zijn kroost en zijn eega ingespeelde nummers zijn die hier de show stelen: “Railroad Bill” en “I Never Will Mary” met dochter Pieta en “Jacob’s Ladder” met vrouwlief Iris DeMent met name. In die liedjes benadert Brown met zijn respectievelijke zangpartners het niveau van enkele ons heel erg nauw aan het hart liggende platen als “In Spite Of Ourselves”, de fameuze duettenplaat van John Prine, en “Let’s Leave This Town” en “The Trouble With Humans”, de onder lofbetuigingen bedolven samenwerkingen van Chip Taylor en Carrie Rodriguez. Misschien moest hij het maar eens overwegen om een hele plaat met “zijn vrouwen” in te blikken…

Andere heel bekoorlijke momenten zijn de speelse, door Jim Garland aangebrachte original “I Don’t Want Your Millions Mister”, waarin de mandoline en de banjo er serieus van langs krijgen, een knappe ingetogen uitvoering van de evergreen “Old Smokey” en het enige door Brown zelf gepende liedje hier, het perfect in het geheel passende “Ain’t No One Like You”, met ditmaal dochter Constie aan zijn zij voor de backings.

Ook het artwork blijkt bovendien een familieaangelegenheid. Daarvoor tekende immers Gregs andere dochter Zoë. Het resultaat van haar werk is een fraai digipack, dat door de gebruikte kleurschakeringen – overwegend bruin van aard – exact dezelfde sfeer uitstraalt als het album zelf. Heel mooi allemaal!

Misschien lukt Greg Brown – net als Dave Alvin een paar jaar geleden met “Public Domain” – met dit album wel de al lang verdiende doorbraak naar een wat ruimer publiek. Ons zou dat alvast in het geheel niet verbazen.

www.gregbrown.org

www.trailer-records.com

www.sonic.nl

 

 

RETO BURRELL

“Roses Fade Blue”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Geboren als zoon van een Zwitserse moeder en een Engelse vader, maar een groot deel van zijn jeugd doorgebracht in het verre Australië, dat verklaart meteen het vlekkeloze en accentvrije Engels van deze sympathieke Zwitser, die met “Roses Fade Blue” ondertussen toch ook alweer aan zijn vierde soloalbum toe is. (Als we tenminste het al een poosje niet meer verkrijgbare “Eleven Songs” uit ’98 even meerekenen.) En op die nieuwe plaat kiest Reto Burrell bepaald niet voor de gemakkelijkste oplossing. Met “Echo Park” uit 2001 en het twee jaar geleden verschenen “Shaking Off Monkeys” had hij zich immers een plaatsje verdiend in het schone gezelschap van (roots)rockende collega’s als Tom Petty & The Heartbreakers, de Wallflowers en Counting Crows. Daardoor lag het toch eigenlijk wel een beetje in de lijn der verwachtingen, dat hij de door hem ingeslagen weg ook op zijn nieuwe album verder zou bewandelen. Maar niets blijkt minder waar! Burrell zet hier immers resoluut de stap die heel wat andere musici uitstellen tot in de nadagen van hun carrière of tot het bittere einde toe zelfs geheel en al blijven ontlopen. “Roses Fade Blue” is immers een volbloed akoestisch album geworden.

Het merendeel van de songs erop laat zich het best omschrijven als ingetogen, vaak van melancholie doortrokken ballades. Maar ook folk rock, Americana en akoestische popsongs gaat de man niet uit de weg. De opvallendste liedjes vonden wij het van een fraaie harmonica-intro voorziene “Guilty But Innocent”, waarin Burrell stemgewijs doet denken aan Roger McGuinn en een subtiel spelletje speelt met de tegenstelling tussen schuld en onschuld, de als een akoestisch Byrds-nummer overkomende Daniel Stoller-compositie “A Spell On Me”, het met fraaie celloklanken van Stefania Verita opgeluisterde “Ordinary” en de radiogenieke akoestische popsong “Bag”. Maar ook de sobere aanpak die Gershwins “Summertime” hier geniet en de bluesy Americana van het door Jabe Beyer - wiens “Drama City” we hier onlangs nog bespraken – geschreven “Forever Is A Long Time” konden ons zeer bekoren.

Reto Burrell weet met andere woorden opnieuw volop te overtuigen. Hij levert met “Roses Fade Blue” eens te meer het bewijs voor de stelling dat je voor goede roots- of Americanaplaten al lang niet meer uitsluitend in de States hoeft te zijn. Bijzonder sympathiek schijfje!

www.retoburrell.com

www.sonic.nl

 

 

WILL WEBB

“Name Of The Train”

(Bonnie June Records)

(4) J J J J

 

Enkele maanden geleden werd de uit Chester, Pennsylvania afkomstige, maar vandaag de dag in Nashville verblijvende singer-songwriter Will Webb vijftig. En dat is nu niet meteen een leeftijd waarop je van iemand nog een debuutalbum verwacht. Toch is het precies dat, dat we met “Name Of The Train” voorgeschoteld krijgen: de eersteling van een man die zijn leven tot op heden grotendeels in het teken van het schrijven van poëzie en liedjes stelde. Zo schreef hij ondermeer al songs die op platen van George Jones (“Angels Don’t Fly”), James Prosser en Matthew Ryan (“Disappointed”) belandden. Pas nadat flink wat in de muziekbizz werkende vrienden van Webb hem daartoe hadden aangespoord, zou de man uiteindelijk ook zelf tot het opnemen van zijn materiaal overgaan.

Daarbij mocht hij ondermeer rekenen op de steun van de hier al lang niet meer als onbekende door het leven stappende Jeff Finlin achter de drums, van gitarist Kenny Vaughn en van backing-vocaliste Carmella Ramsey, om er maar enkelen te noemen. “Name Of The Train” groeide in hun bijzijn uit tot een erg fraaie plaat, waarop treinen als vanzelfsprekend een centrale thematische rol spelen. Will Webb klinkt daarbij voortdurend als een Americana-uitvoering van de man die hem op zijn veertiende bekeerde tot het schrijven van gedichten (en later ook liedjes): Bob Dylan. De gelijkenis tussen beider stemmen is werkelijk frappant. En dat maakt van deze plaat voor Webb eigenlijk een beetje een tricky aangelegenheid. Velen zullen zich immers geroepen voelen om ze te beluisteren als een album van de grootmeester zelf. En dan moet je al van zeer goeden huize zijn om de verwachtingen ook effectief te kunnen inlossen.

Maar dat lukt Webb dus ook daadwerkelijk. Van de gedreven blues van openingsnummer “Gospel Train Blues” tot het akoestische folkdeuntje “Goodnight Annie Hall” helemaal aan het einde van de CD slaagt de man erin ons voortdurend bij de les te houden. “Wicked Wind” onthielden wij bijvoorbeeld als een erg knappe op Byrds-gitaartjes geënte ballade. “Wheels Up” biedt dan weer een over een leuk orgeltje gedrapeerde, eerder berustende kijk op de liefde:

“Yeah she’s wheels up in the clouds above

Two miles high she’s flyin’

And I’m real stuck and I’ve had enough

Of lovin’ losin’ livin’ and dyin’,”

klinkt het. Eén van de absolute highlights is het (vooral door het gebruik van een penny whistle) erg sixties aandoende “Ballad Of A Diamond Street Vendor”. Het klassieke verhaal van een amoureuze botsing tussen arm en rijk met een al even klassieke afloop:

“They whisper of murder of someone laid low

A Diamond Street vendor name Ruby Joe.”

Waarbij de schuldigen bijna als vanzelfsprekend hun gerechte straf ontlopen. Ronduit briljant is verder ook het ingetogen, bluesy aandoende “Drivin’ Willie”, waarbij wij onwillekeurig aan Greg Brown moesten denken – een heel sereen liedje over een ondertussen overleden medemens met een passie voor rijden met de wagen. En dan zijn er ook nog het rootsy huwelijksaanzoek “Bonnie June” (waarin erg functioneel gebruik wordt gemaakt van zowel de banjo als de mondharmonica), de country rock van “Decker’s Blues”, de onvervalste country van “Pastures Of Plenty (Chapter II) en de naar John Prine neigende Americana van “Phantom Train”. En tenslotte nog één pluim bij op Webbs hoed voor “Little Miss Born To Lose”, een fraaie country story song die hij samen met producer Wade Curtis schreef, waarin een ontmoeting met de wilde stoot uit de titel met een sisser afloopt. Te situeren ergens tussen de hier al eerder opgesomde namen van John Prine en Bob Dylan en die van Guy Clark.

Het lijkt dus wel duidelijk, dat we hier mogen spreken van een album, dat zeker niet alleen voor Dylan-liefhebbers verplichte kost is. En van ééntje dat hopelijk snel navolging zal krijgen… Want naar meer smaken doet het!

www.willwebb.com

http://www.cdbaby.com/cd/willwebb

 

 

ANNE McCUE

“Roll”

(Messenger Records)

(3.5) J J J J

 

Een jongedame, waarvan in de States enorm veel verwacht wordt, is de door ons aller Lucinda Williams op handen gedragen Australische zangeres-liedjesschrijfster-gitariste Anne McCue. Williams noemde McCue haar “nieuwe favoriete artieste… en een verbluffende gitariste” en koos zelfs een nummer van haar voor de door haar zelf samengestelde compilatie “Lucinda Williams: Artist’s Choice”. Daarnaast mocht McCue ook al de belangstelling genieten van Dave Alvin en Richard Thompson, die haar net als Williams al mee op tournee vroegen.

“Roll” is na “Amazing Ordinary Things” en het live-album “Ballad Of An Outlaw Woman” de ondertussen ook alweer derde CD van deze uit Sydney afkomstige schone, die momenteel in L.A. resideert. En er valt nogal wat te beleven op dit bijzonder veelzijdig ingevuld schijfje, dat ze samen met Dusty Wakeman (bekend voor zijn werk met ondermeer Lucinda en Dwight Yoakam) produceerde. Van prachtige, wat tragere liedjes als het door zijn heerlijke jengelende gitaren sterk aan de Byrds herinnerende “Stupid” (over het overwegen van zelfmoord) en het al even knappe “Crazy Beautiful Child” tot een stevige kroegrocker als het titelnummer of net iets meer gesofisticeerde rockworpen als “I Want You Back” en “Nobody’s Sleeping”, van het van een Beatles-album weggelopen – Daar heeft het tenminste toch alle aanschijn van! – “50 Dollar Whore” over een bleek akoestisch niemendalletje als “Milkman’s Daughter” tot enkele lappen gecontroleerde razernij meer naar het einde van het album toe (zoals het P.J. Harvey-achtige “Gandhi”) – variatie troef hier! En wacht tot je McCue op de gitaar uit de bol hoort gaan in de als verborgen bonus toegevoegde en ruim negen minuten durende Jimi Hendrix-cover “Machine Gun”… Als er na de twaalf voorafgaande nummers nog twijfel zou hebben bestaan over het waarom van Williams’ wel bijzonder lovende woorden, dan wordt die hier definitief van de tafel geveegd. McCue wordt dezer dagen terecht al vaak in één adem genoemd met haar beschermengel en ene zekere Ryan Adams. En dat zegt eigenlijk alles…

www.annemccue.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=29041

 

 

RANDY THOMPSON

“That’s Not Me”

(Jackpot Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 “That’s Not Me” is als titel van de derde CD van de uit Virginia afkomstige Randy Thompson eigenlijk best wel een weinig misleidend. Want als er al één ding is, waarvan je vrijwel zeker kan zijn, dan is het wel dat Thompson op dit album zijn eigen zinnetje doorgedreven heeft. Thompson noemt als zijn grote voorbeelden Hank Williams, Waylon Jennings, Joe Ely en Steve Young. En net als hen gebruikt hij hier het leven van alledag als basis voor wat men bij zijn platenlabel noemt “red-dirt poetry” met de vinger op de pols van de actualiteit. Dat resulteert ondermeer in een reeks pittige countryrockertjes die inderdaad beurtelings aan Joe Ely (“The Lovin’ Shown” en “Unknown Zone”) en aan Waylon Jennings (“Sound Of The Rain”) herinneren. Voorts is er ook de (bijna a capella) kippenvelversie van Steve Youngs “The Whole World” waarmee het album wordt geopend: die diepe, gruizige (en ongelooflijk sexy) stem van Thompson, een gitaar en een bas – meer moet dat echt niet zijn voor een dijk van een binnenkomer! “Dance Until Dawn” is dan weer een lekker twangy nummertje waarvoor ook een Jack Ingram zijn hand niet zou hebben omgedraaid en “If That Wasn’t Love” werd allicht niet geheel toevallig gekozen als eerste single, want da’s zomerse country met een knipoog naar de gloriedagen van Marty Robbins en co. Een extra sterretje verder zeker ook nog voor titelnummer “That’s Not Me”. Da’s mooie Americana (country) met knappe harmonieën van Maura Kennedy, ergens in de buurt van Bob Seger circa “Shame On The Moon”.

Bijzonder knappe plaat dus van een knaap die eigenlijk alle troeven in handen lijkt te houden om het binnen afzienbare tijd ook op grotere schaal te gaan maken. En dat weze hem van harte gegund ook!

www.randythompson.net

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=29080

 

 

TERRY ALLEN

Juarez

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

 

Bij platenlabel Sugar Hill heeft men enige tijd geleden het bijzonder prijzenswaardige voornemen opgevat om het volledige oeuvre van singer-songwriter Terry Allen weer beschikbaar te maken. Gedaan dus met het zoeken naar stoffige langspeelplaten uit een ver verleden, die materieel gezien vaak niet over een zelfde duurzaamheid blijken te beschikken als de muziek erop. Vorig jaar verscheen zo nog het intrigerende “Amerasia”, nu is het de beurt aan Allens eerste, het al uit 1976 stammende “Juarez”. De oorspronkelijke uitgave van dat album ging vergezeld van een reeks litho’s waarop de in de songs geportretteerde karakters werden afgebeeld. En muzikaal gezien was het zo’n beetje het weirde kleine broertje van Willie Nelsons “Red Headed Stranger”. Deze bizarre case study van de wilde lotgevallen van een niet zo alledaags koppel in het Zuiden van Californië zal dan ook vooral door geoefende oren worden geapprecieerd. Sailor, een Texaanse marinier die net terug aan wal is, ontmoet in een bar in Tijuana het Mexicaanse hoertje Spanish Alice. In een duizelingwekkend tempo doorlopen ze een aantal haltes die eigen zijn aan zowat elke relatie, om vervolgens al even snel te trouwen en op huwelijksreis te trekken. Op exact hetzelfde ogenblik weet de in Los Angeles wonende pachuco Jabo zijn vriendin Chic Blundie ervan te overtuigen om samen met hem al joyridend naar zijn eigenlijke thuishaven Juarez te trekken. Onderweg gebeurt het onvermijdelijke: de twee koppels ontmoeten elkaar in Cortez. Het komt er tot een woordenwisseling annex vechtpartij en Sailor en Spanish Alice verliezen daarbij het leven. Jabo en Chic trekken – nu opgejaagd door de politie – verder naar Juarez. Eens daar aangekomen gaan ze elk hun eigen weg.

Allen toonde hier al een echte kanjer van een songsmid te zijn. De manier waarop hij zijn personages tot leven liet komen was ronduit groots. Geen wonder dan ook, dat dit album later uitgroeide tot een veelgezocht collector’s item. Maar aan het zoeken ernaar zal dus, zoals eerder al gesteld, weldra een einde komen.

www.sugarhillrecords.com

 

 

MIKE MARTT

“Tomorrow Shines Bright”

(Superscope Records)

(3.5) J J J J

 

Zo nu en dan ga je bij het schrijven van een recensie toch wel even met de wenkbrauwen fronsen. Sommige namen lijken in eerste instantie immers geheel en al uit het niets te komen opduiken, maar als je dan op nader onderzoek uittrekt, dan komen vaak de meest verrassende dingen aan het licht. Zo ook als we het over Mike Martt hebben. Een nobele onbekende? Niet dus! De man blijkt zowaar de status van cultfiguur te genieten binnen de muziekscène van Zuid-Californië. Dat predikaat verdiende hij in het verleden als gitarist-songwriter van het notoire post-punk combo Tex & The Horseheads en vooral ook van Thelonious Monster. (Remember “Beautiful Mess”, anyone?) Later trad hij bovendien ook nog aan als zanger van het door de critici behoorlijk jubelend onthaalde Low And Sweet Orchestra.

En nu is er dus de eerste solo-CD van de man, “Tomorrow Shines Bright”. Die plaat werd onder de vakbekwame leiding van producer Stuart Sullivan (bekend om zijn werk met ondermeer Robert Earl Keen) ingeblikt in Willie Nelsons Pedernales Studios in Spicewood, Texas. Daarbij kreeg Martt flink wat gerenommeerde maats van ‘m over de vloer. Gurf Morlix stond bijvoorbeeld in voor flink wat van de gitaarpartijen, Benmont Tench (van Tom Petty’s Heartbreakers) nam plaats achter de keyboards en Will Sexton bespeelde zowel de bas, de bazooki, als de akoestische gitaar en nam bovendien ook nog wat achtergrondvocalen voor zijn rekening.

De ideale premissen met andere woorden voor een leuke rootsrockplaat. En die krijgen we dan ook voorgeschoteld. Dylan, Petty, Hiatt, Young, Earle, Cody en Van Zandt, ze komen allemaal wel ergens voorbij op een album dat beslist ook een toekomst moet kunnen hebben in niet-rootsrockmiddens. Variatie genoeg alleszins. Van sprankelende radiogenieke rootspop zoals het samen met gitarist Zander Schloss gepende openingsnummer “Fading Out Of Sight” (met zijn heerlijk nazinderende gitaarwerk) of het vaag aan Tom Petty herinnerende “You Don’t Even Notice Me” tot energiek wegrockende lappen lillend vlees als “That’s All Mine”, “Daisies In The Sunhine”, “Walking Without You” en “Wash” en een occasionele trage als “Drawing Me In” of sluitstuk “Friend Of Mine That Trips”. Vooral dat laatste nummer – het aangrijpende relaas van een voortdurend dronken medemens uitgesmeerd over een sfeervolle, slepende (roots)rockdeun – en “Shoes”, één van de meer rootsy getinte liedjes op het album, waarin oppervlakkige schoonheid toch ook niet alles blijkt, lieten hier een bepaald stevige indruk na.

Samengevat: “Tomorrow Shines Bright” is zo’n typische groeier. Zo’n plaat die je bij elke beluistering weer net iets beter gaat vinden…

www.mikemartt.com

 

 

SARA PACE

“Self-Titled”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Wij zijn een beetje verliefd… Het moet van bij de eerste platen van een Nanci Griffith of een Laura Cantrell geleden zijn, dat we ons nog zo meedogenloos hebben laten inpakken door een stem en een stel liedjes op een debuut. Maar met Bob Dylan bedankt Sara Pace dan ook niet de eerste de beste voor zijn oneindige inspiratie in de liner notes van haar eersteling. Niet dat ze muzikaal gezien veel affiniteit vertoont met Ol’ Bawb. Het zullen integendeel eerder de fans van het hier hoger al genoemde tweetal en die van een Iris Dement of een Gillian Welch zijn bij wie haar liedjes zullen aanslaan. Akoestische pareltjes die veelal genoeg hebben aan een spaarzame begeleiding bestaande uit een gitaar en een viool en sporadisch ook een pedal steel, een bas, een mandoline en drums. In het middelpunt van de belangstelling staan voortdurend de duizelingwekkend mooie stem van Pace en haar schitterende songs. Stemgewijs herinnert Pace ons een beetje aan Nanci Griffith. Zij het dat haar stem al bij al toch iets minder breekbaar aandoet. Qua songs laat ze zich eerder ergens in de buurt van een John Prine situeren. Heel erg persoonlijke teksten worden afgewisseld met sterke staaltjes van fictie als “Calamity Jane”. Als een bloedhete, gortdroge woestijnwind jaagt dat liedje stofwolken doorheen de verlaten straten van je geest. Ongemeen beklijvende country folk storytelling. Bijzonder fraai is verder zeker ook “Just As Well”, waarin Pace over zacht huilende gitaren heen haar verleden overpeinst en daarbij tot de conclusie komt:

“Sometimes when I think back

I wonder if I should have done things

differently

But I know I can’t think like that

Because that will only keep you from being

free”.

En dan is er nog het in haar eigen huiskamer en als een krakende LP beginnende “Lay My Body Down”, opnieuw zo’n akoestische beauty, waarin ze het heeft over waardig beter worden (niet ouder) totdat we tenslotte moeten heengaan.

Maar eigenlijk hoor je op een plaat als “Self-Titled” (want dat is inderdaad de titel ervan) niet op zoek te gaan naar hoogtepunten. Dit is er gewoon één in zijn geheel! Toch nog één speciale vermelding, en wel voor “Hard To Imagine”, één van de weinige wat opgewekter aandoende deuntjes hier. Voor het geval je je nog mocht afvragen, waarom we spontaan aan John Prine gingen denken. Hier ligt de sleutel…

Dit is een album dat het absoluut verdiend om gehoord te worden! Een absolute aanrader voor alle verdelers met een hart voor rootsmuziek in de Lage Landen. En uiteraard ook voor alle liefhebbers van zingende en schrijvende country folk dames.

www.sarapace.com

http://www.cdbaby.com/cd/sarapace

 

 

ERIC ATHEY

“Open House”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Een album dat bij momenten een verpletterende indruk op ons maakte, is “Open House”, het debuut van de in Lancaster, Pennsylvania geboren en getogen Eric Athey. Op zijn eersteling balt die knaap meer dan twintig jaar van liedjes schrijven en vertolken (in veelal lokale bars en honky tonks) tot een zwaar verslavende dosis roots rock, waarin hij zijn bewondering voor zo uiteenlopende helden als Kris Kristofferson, Tim Hardin, The Blasters en The Clash nooit onder stoelen of banken probeert te steken. Nu eens mogen daarbij de gitaren van stal en komt hij stevig rockend uit de hoek (zoals in het dampende openingstweetal “Matter Of Time” en “You’ll Be Back Around”), dan weer neemt hij flink wat gas terug (“An Imitation”) en zorgen instrumenten als een lap steel, een dobro, een mandoline en een fiddle voor de gepaste inkleuring van zijn veelal over de liefde in al haar facetten handelende liedjes. De absolute uitschieters vonden wij het bitterzoete en bijzonder melodieuze “Did I Break Your Heart Tonight”, waarin met de lap steel aan de leiband ruziën tot kunst wordt verheven, het ingehouden voortkabbelende “Habits Die Slow” en de twee ongelooflijk mooie liedjes waarmee we worden uitgezwaaid (als we de ook al prima verborgen bonus track even negeren tenminste) - het verstilde “Don’t Have To Be Alone” (met weer die door merg en been gaande lap steel van co-producer Dave Boquist) en het pittige “Home Tonight”. Wat ons tot de conclusie brengt, dat dit album beslist in de smaak zal vallen bij liefhebbers van enigszins verwante zielen als een Peter Case of een Duane Jarvis.

www.ericathey.com

http://www.cdbaby.com/cd/ericathey

 

 

ERIC FONTANA

“Hats & Shoes”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

Met een tweede CD gehuld in een hoesje dat zo lijkt te zijn weggelopen uit een kinderanimatiereeks op TV als “Pokemon” of “Beyblade” tracht Eric Fontana opnieuw van zich te doen spreken. De man geeft daarbij zelf aan zich te hebben laten beïnvloeden door artiesten als Beck, Bruce Springsteen, Lucinda Williams, Tom Waits, The Beatles, Billy Joel, Aimee Mann en Elvis Costello. Een behoorlijk indrukwekkend lijstje, als je het ons vraagt, dat als referentiemateriaal alvast kan tellen. En dat vertaalt zich dan ook naar de muziek op “Hats & Shoes”. Daarop is Fontana bepaald niet voor één gat te vangen. Elementen uit rock, folk, country, Americana, rhythm & blues tot zelfs Britpop toe vonden hun weg naar het album.

Het geheel wordt feestelijk geopend met het soulvolle “Lipton & Edie” om vervolgens via de ingetogen (Brit)pop van “Wake Up” en het voorzichtig als Americana ingekleurde “Tongue Tied” bij het pittige “Lucky Dog” (’n beetje Kravitz) en het een weinig aan de jonge Waits refererende “Street Light” aan te belanden. Heel straf is vervolgens het opgewekte, sterk aan de klassieker “Sweet Jane” herinnerende “Saturday Song”. Dat liedje en het door de inbreng van ondermeer een banjo en een pedal steel met voorsprong meest rootsy nummer op de plaat “Don’t” zijn naast het (zachte) Red Hot Chili Peppers-achtige “Sometimes On Sunday” en het ingetogen “Too Many Things To Hide” de in onze ogen mooiste momenten op een knap gevarieerde (pop)plaat van een bijzonder veelzijdig baasje. (Fontana schreef en zong in zijn eentje alle songs op dit album en bespeelde daarbij terloops ook zo maar even tien verschillende instrumenten. Bovendien stond hij samen met John Jacobson ook nog zelf voor de productie in.)

http://www.cdbaby.com/cd/ericfontana2

 

 

SLAID CLEAVES

“Wishbones”

(Philo / Rounder / CRS)

(5) J J J J J

 

Het jaar is nog jong, maar als we binnen een maand of elf weer met z’n allen aan het jaarlijstjes maken slaan, dan zal het album dat we hier vandaag bespreken beslist hoge ogen gaan gooien, zoveel is nu al zeker. Nochtans hadden we een beetje met een bang hartje uitgekeken naar deze opvolger van Slaid Cleaves’ “Broke Down”. Die plaat was immers zo goed, dat het in onze ogen erg moeilijk zou worden om dat niveau vol te houden, laat staan het te verbeteren. Maar Cleaves blijkt op z’n nieuwe, “Wishbones”, in echt grote doen. Dit album is gewoon nog beter dan zijn voorganger. Period. Hier en daar wat forser en als geheel een weinig gevarieerder, maar gewoon nog beter…

Al van meteen na de eerste cellotonen van Brian Standefer in opener en titelnummer “Wishbones” is duidelijk dat Cleaves er weer volop zin in heeft. In dit fraaie rootspopliedje dat hij samen met Ray Wylie Hubbard schreef, zingt de man vergezeld door Eliza Gilkyson weer hees de sterren van de hemel. En ondertussen laat ook producer Gurf Morlix (Lucinda Williams, Eric Westbury, Mary Gauthier) zich bepaald niet onbetuigd op de gitaar. Een kanjer van een song gewoon! En de eerste in een indrukwekkende reeks van elf. “Road Too Long” is vervolgens een bluesy niemendalletje met heerlijk Hammondwerk van Ian McLagan en een scherpe gitaaromlijsting door Charles Arthur, dat handelt over de wurggreep die een leven on the road na verloop van tijd op je gaat uitoefenen. En dan is er het samen met de onvolprezen Karen Poston geschreven “Drinkin’ Days”, een pakkend liedje over een behoorlijk abrupt einde aan een leven vol “whiskey and smoke”. Klassieke Cleaves, zoals we die op de voorgangers van deze plaat hebben leren appreciëren. Eén van de absolute hoogtepunten is aansluitend het samen met zijn buddy Rod Picott gepende en van berouw overlopende “Sinner’s Prayer”. Qua sfeer herinnert dit beklemmende stukje songwriting vaagweg aan iets van de eerder al vernoemde Ray Wylie Hubbard. Nog meer Picott trouwens iets verderop, als Cleaves diens o zo herkenbare, tragisch aflopende verhaal van een vechtersbaas met een drankprobleem, “Tiger Tom Dixon’s Blues”, van een nieuw jasje voorziet. En zo gaat het maar door, over het ingetogen “Below” (over een ruraal stadje dat moet wijken voor door water opgewekte elektriciteit) en de rootsy country van “Quick As Dreams” (een paardenraces-verhaal met nare afloop) belanden we bij het hilarische “Horses”. Je zou zweren, dat je de Willie uit dit turbulente levensverhaal van ergens kent… In dit opgewekte deuntje, inclusief een heuse jodel en schitterend dobrowerk van Jeff Plankenhorn, horen we de protagonist met de tong niet eens zo diep in de wang gedrukt immers verklaren “If it weren’t for horses and divorces, I’d be a lot better off today.” En dan zijn er ook nog “Hearts Break” en “Borderline”. Het eerste opnieuw zo’n duidelijk het stempel van Morlix dragende uptempo beauty, het tweede een dot van een border song, een op een lekker streepje mandoline geënt zuidelijk grensdrama, waarin grenzen voortdurend zowel letterlijk als figuurlijk worden overschreden. En afronden doet Cleaves ook al in stijl. “New Year’s Day” is een opgewekt, ver aan Willie Nelsons “City Of New Orleans” verwant liedje over op een gezonde manier met herinneringen aan een dierbare overledene omspringen, dat vrijwel meteen tot meezingen uitnodigt. In een rechtvaardige wereld zou het meteen uitgroeien tot een hit.

Na al het voorgaande hoeft het natuurlijk al lang geen betoog meer, maar toch… Waar het hart van vol is, loopt de mond nu eenmaal van over en dus zeggen we ’t nog één keer klaar en duidelijk opnieuw: dit is een ongemeen mooie CD van één van de allerbeste Americana songwriters van het ogenblik! Doe er je voordeel mee!

www.slaid.com

 

 

JERRY GARCIA & DAVID GRISMAN

“Been All Around This World”

(Acoustic Disc)

(3) J J J

 

Als er al één ding is dat je voormalig Grateful Dead-kopstuk Jerry Garcia en zijn maatje David Grisman niet kan verwijten, dan is het wel dat ze het er zich van zouden nemen. De heren scheppen er immers allebei een aan het ongezonde grenzend genoegen in om om de haverklap en in allerlei gedaanten op te duiken met nieuw plaatwerk. Niet eens zo heel erg lang geleden bespraken we hier nog Grismans samenwerking met Sam Bush (“Hold On, We’re Strummin’”) en de knappe nieuwe Old & In The Gray-plaat, of Garcia en Grisman presenteren met “Been All Around The World” alweer een nieuw werkstuk. Het betreft ditmaal een verzameling covers van zo uiteenlopende artiesten als James Brown (het – hoe kan het eigenlijk ook anders – behoorlijk soulvol gebrachte “I’ll Go Crazy”), George Jones (“Take Me”), Bob Dylan (een mooie rootsy lezing van zijn “The Ballad Of Frankie Lee And Judas Priest”), Jimmie Rodgers (de bluesy bluegrass van “Blue Yodel #9”), Merle Travis (“Nine Pound Hammer” en het hier een beetje Keltisch aandoende “Dark As A Dungeon”), Mel Tillis (“I Ain’t Never”) en Freddie Hart (het naar onze bescheiden mening mooiste nummer van de CD, “Drink Up And Go Home”). Met daarnaast ook nog een stel traditionals als titelnummer “Been All Around This World”, “Handsome Cabin Boy Waltz” en “I’m Troubled” om het plaatje te completeren.

De twee lijken dus echt wel alles in het werk te hebben gesteld om van hun nieuwe een zo gevarieerd mogelijk album te maken. En toch knelt ‘m precies daar het schoentje een beetje. Ondanks het virtuoze gitaarwerk van Garcia en de al even fraaie mandoline- en mandola-interventies van Grisman dreigt hier bij momenten het spook der eentonigheid een weinig. Iets waaraan overigens ook de inbreng van andere klasbakken als Sally Van Meter (dobro), Matt Eakle (fluit) en Joe Craven (fiddle en percussie) maar weinig kan veranderen. De nogal dunnetjes uitvallende stem van Jerry Garcia is daarvoor wellicht een té bepalende factor hier.

Toch blijft “Been All Around This World” al bij al een vrij aangenaam voortkabbelende plaat, waaraan je je als bluegrass-liefhebber absoluut geen buil zal vallen. Vraag is alleen maar, of ze in het huidige overaanbod aan puike nieuwe albums wel voldoende zal opvallen om enige deining te kunnen veroorzaken in platenland, als dat al de bedoeling zou zijn tenminste.

www.acousticdisc.com

 

 

LORI McKENNA

“The Kitchen Tapes”

(Signature Sounds / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Er zijn zo van die artiesten die je bij wijze van spreken een heel jaar lang carte blanche kan geven in de duurste studio’s en in het gezelschap van de allerbeste muzikanten, dan nog zullen ze je bedanken met een draak van een plaat. Anderen dan weer, zoals een Lori McKenna bijvoorbeeld ook, schudden met minimale middelen op de meest onverwachte ogenblikken en onvermoede locaties echte pareltjes uit de mouw. Zich er zelf vaak niet eens van bewust, dat dat aan het gebeuren is… McKenna’s nieuwe CD is zo’n “accidentje”. Kort na het inblikken van haar vorige album zonderde ze zich af in haar keuken om alvast wat materiaal voor haar volgende worp te pennen. Met haar akoestische gitaar, een schrijfblok, een goedkoop microfoontje en een minidisc recorder voortdurend binnen handbereik wilde ze vooral geen bruikbare vruchten van haar inspiratie verloren laten gaan. Heel wat liedjes werden op die manier in één enkele take vereeuwigd. Het eindresultaat klonk daarbij zo verfrissend, dat McKenna uiteindelijk zelfs besloot om de liedjes op een CD te slingeren en die uitsluitend via haar eigen website te gaan verdelen. Ze wou dat haar fans haar liedjes zouden kunnen bewonderen in al hun naakte schoonheid – fris, simpel, onaangeroerd. Stem en gitaar, meer niet. Maar zoals dat wel vaker het geval is bij dit soort van projecten, werd ook platenlabel Signature Sounds al snel bereid gevonden om “The Kitchen Tapes” ook op grotere schaal te gaan verspreiden. En dus is het nu volop genieten geblazen van de veelal ingetogen folky liedjes van singer-songwriter McKenna met op de achtergrond het lawaai van haar spelende kinderen, het gerinkel van de telefoon of het geluid van haar televisietoestel. Flink wat onvolkomenheden dus, maar die verlenen eigenlijk juist een zekere bijkomende charme aan dit project. ’t Is immers een echte verademing om weer eens te horen, hoe minder vaak juist meer is. Twaalf nieuwe liedjes draagt McKenna hier aan, met als absolute uitschieters het prima “Bible Song” en het al even pakkende “The Other Boys”. Heel mooi is verder zeker ook de enige cover op de plaat, het ingetogen schitterende “Fake Plastic Trees”, geleend van Radiohead. De gedegen, sobere versie die McKenna van dat liedje aflevert, illustreert eigenlijk alleen nog maar eens hoe goed dat nummer eigenlijk wel was. Kwaliteit valt nu eenmaal moeilijk te ontkennen. En dat geldt ook in hoge mate voor McKenna zelf. Met “Pieces Of Me” en “Paper Wings & Halo” zong ze zich al met sprekend gemak de harten van vele folk- en singer-songwriter-liefhebbers binnen, met “The Kitchen Tapes” zal ze haar status van supertalent alleen maar bevestigen. Maar meer moet dat dan ook echt niet zijn…

www.lorimckenna.com

www.signaturesounds.com

www.bertus.nl

 

 

SALLY BARRIS

“Little Voice”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Haar eerste opgemerkte verschijning in muziekland maakte de uit Chaska, Minnesota afkomstige Sally Barris met de progressieve new grass band Northern Hospitality, met wie ze als leadzangeres en gitariste op het befaamde Telluride Bluegrass festival van zich deed spreken en zelfs doorheen Europa toerde. Ondanks deze initiële successen besloot Barris echter haar hart te volgen. Haar passie voor het schrijven van liedjes deed haar dan ook al betrekkelijk snel naar Nashville verkassen. En ook daar duurde het niet lang, of Barris werd opgemerkt. Haar songs werden ondermeer opgenomen door gevestigde waarden als Lee Ann Womack (het bijzonder mooie “Some Things I Know”), Kathy Mattea, Martina McBride en John Michael Montgomery. Barris zou ondertussen echter ook blijven proberen om haar eigen stekje onder de spots te verdienen. Dat leidde in 1999 tot haar eerste soloplaat, “Reluctant Daughter”, een album dat ze onder de hoede van Larry Michael Lee van de Ozark Mountain Daredevils mocht maken en dat vrijwel unaniem lovend werd onthaald.

In tegenstelling tot die plaat is haar tweede een duidelijk meer akoestisch georiënteerd product geworden. Een soort terugkeer naar haar roots, zeg maar. Het onder de vakbekwame leiding van de dezer dagen wel erg actieve Canadese bluesgitaarvirtuoos Colin Linden opgenomen “Little Voice” is een overwegend romantische aangelegenheid. De ongegeneerd weer naar het bluegrass-genre lonkende plaat werd live in de studio ingeblikt met volop ruimte voor zalig snarenplezier op respectievelijk dobro, mandoline, viool en slide gitaar. En schoon volk als een Bryan Sutton, een Andrea Zonn, een Jon Randall, een Kami Lyle en een Jessi Alexander werd bereid gevonden Barris daarbij een flinke hand te komen toesteken. Elf liedjes lang toont ze zich als een voortreffelijke vertolkster van haar eigen werk, daarbij meer dan eens een weinig aan Alison Krauss herinnerend. Krenten in de pap zijn het schaamteloos romantische, maar zeer mooie openingsnummer “The Song You Know By Heart” – echt wel de ideale voedingsbodem voor de engelachtige stem van Barris, de bluegrass light van “Something Missing” (over een gapende leegte in haar bestaan), het door Bryan Sutton op de mandoline mee ingekleurde, opgewekte tweetal “I Had To Tell Somebody What I Did Last Night” en “Holding Back Your Love” (over een onderdrukte liefde) en het bijzonder pakkende folky liedje “Butterfly” (over een op 7-jarige leeftijd overleden kindje dat de last van een nakend einde niet aan z’n hartje liet komen – echt zo’n nummer dat je vroeg of laat in een wat geliktere versie van de één of andere big shot op nummer 1 in de country charts mag verwachten).

Kortom een album dat bijzonder aangenaam wegluistert. Al gebiedt onze eerlijkheid ons wel er dadelijk bij te vertellen, dat we Barris eigenlijk graag nog wat meer bluegrasselementen in haar werk zouden willen zien verwerken. Wij zouden er alvast absoluut niet van opkijken, als het eindresultaat dan nog een stuk mooier zou blijken.

www.sallybarris.com

http://www.cdbaby.com/cd/sallybarris

 

 

DOLLAR STORE

“Dollar Store”

(Bloodshot Records / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Dean (Zeg maar “Deano”!) Schlabowske, Jon Langfords rechterhand bij de Waco Brothers, heeft nu ook zijn eigen bandje. Dollar Store is de naam van het verder uit Joe Camarillo (drums, backing vocals) en Alan Doughty (bas, backing vocals) bestaande, stevig (roots)rockende trio met als thuishaven Chicago. Op hun eersteling mogen Deano en co zich alvast verheugen in het uitgelezen gezelschap van stalgenoot en steelgitaarvirtuoos Jon Rauhouse en dat van ex-Blasters-kopstuk Dave Alvin (gitaar) om hun rangen te versterken. Deze laatste tekent met de leadgitaarpartijen in een bijzonder geslaagde rootsy cover van Chers monsterhit “Believe” meteen ook voor één van de onmiskenbare hoogtepunten op dit debuut. Knap hoor, hoe de heren van deze volslagen uitgeperste radiohit een intrigerende lap alt. country weten te maken. En er valt hier trouwens wel meer te beleven dat bijzonder fraai oort! Echo’s van grote voorbeelden zoals Paul Westerberg (in het beheerst twangende rockertje “Explain Away” bijvoorbeeld) of Joe Strummer (in rootsy punkuitbarstingen als “Button Up” en “Enemy”) laten zich gebruiken als ideale indicatoren voor waar het hier allemaal om draait. Fris van de lever gespeelde rockliedjes als de retestrakke opener “New Country” of het melodieuze tweetal “Exit #9” en “Working Line” worden zo nu en dan afgewisseld met een wat meer country-eske oorwurm als “Around The Bend” of zelfs een op dit soort van platen bijna obligate ballad als “Amazing Disgrace” – een heel mooi nummer trouwens, die trage, met opnieuw een erg geslaagde gitaarcameo van Dave Alvin – zoiets als de gouden middenweg tussen de countryrock van de Jayhawks en de meer urbane variant daarop van de Replacements, als dat al zou kunen.

Wij zijn dan ook heel erg in onze nopjes met de eersteling van deze nieuwe aanwinst van het Bloodshot-label. Het moge duidelijk zijn, dat men er in Chicago ook na tien lange jaren van pionierswerk nog niet aan denkt om er het bijltje bij neer te leggen. En daar kunnen we met z’n allen alleen maar ons voordeel mee doen, want op die manier zullen fraaie albums als dit debuut ook in de toekomst gemakkelijk hun weg naar de Lage Landen blijven vinden. En da’s een geruststellende gedachte!

www.dollarstoreworld.com

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

BLUERIDGE

“Side By Side”

(Sugar Hill / Munich)

(4.5) J J J J J

 

Als de frequentie van blijven teruggrijpen naar een plaat een betrouwbare waardemeter is voor de beoordeling ervan, dan zit ‘t met deze derde van BlueRidge wel snor. Sinds het moment waarop we het schijfje in handen kregen – nu goed een week geleden – ging er immers geen dag voorbij dat het niet minstens een rondje of twee heeft afgewerkt in onze CD-wisselaar. “Side By Side” is dan ook typisch zo’n album, dat zowel de liefhebbers van eerder traditionele bluegrass als die van een meer geactualiseerde benadering van dat genre moet kunnen aanspreken. Er zijn enerzijds overduidelijke verwijzingen naar het geluid van de legendarische Stanley Brothers, maar anderzijds ook naar een J.D. Crowe, een Doyle Lawson of een Ricky Skaggs.

Als belangrijkste verkoopsargument geldt zonder ook maar de geringste twijfel de ronduit hemelse samenzang van de heren. Koppel die aan een al even adembenemende instrumentbeheersing en je zal al snel gaan begrijpen, waarom wij behoorlijk ondersteboven zijn van dit schijfje. Al vanaf de eerste noten van de dolkomische opener “What If (Then I’ll Come Back To You)”, waarin een afscheid op hilarische wijze definitief wordt bezegeld, was voor ons duidelijk, dat hier iets speciaals te gebeuren stond. En twaalf tracks later bleek dat onze intuïtie ons niet in de steek had gelaten. Van een bijzonder fraaie bluegrassversie van Jesse Winchesters “Brand New Tennessee Waltz” over de hymne aan de eeuwige liefde die titelnummer “Side By Side” is tot de spetterende instrumental “Avalanche” of de werkelijk schit-te-ren-de, soulvolle a capella bluegrass gospel van “Land Of Light”, het is werkelijk allemaal even mooi en intens.

Speciale vermeldingen verder ook nog voor een gedreven uitvoering van Wes Goldings “Back To Cana”, voor de weerom oorstrelend mooie samenzang als gospelkwartet in “Sailing With The Master” en voor het opgewekte “Before The Sun Goes Down”, waarin een zelfverzekerde echtgenoot zijn vrouw ertoe aanzet om het echtelijke huis te verlaten, want, zo weet hij, voor de avond valt ben je toch terug…

Een veel betere ambassadeur kan het bluegrass-genre zich in onze ogen nauwelijks wensen. Echt een aanrader van jewelste!

www.blueridgebluegrass.com

http://www.sugarhillrecords.com/catalog/pagemaker.cgi?3981