ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2005

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Jodie Manross “Don’t Save The Kisses (EP)”The Broken Family Band “Welcome Home, Loser” - Mary Gauthier “Mercy Now”Paul Reddick “Villanelle” - Jude Johnstone “On A Good Day”Durango “Loi du Miel”Dry Branch Fire Squad “Live At The Newburyport Firehouse”Chely Wright “The Metropolitan Hotel” - Hayes Carll “Little Rock”Various Artists “We Are Each Other’s Angels” - Todd Mack “Yonder The Big Blue Holler”Kassie DePaiva “No Regrets” - FortyTwenty “Sober And Stupid”Scott Silipigni “Simple View”Wendy Newcomer “Raised On Promises” - Kate Maki “The Sun Will Find Us”Barbara Cue “Rhythm Oil”Tiny Moore & Jethro Burns “Back To Back”The Codray Brothers “Texas Lover” en “Sunshine On Me”Spencer Bohren “Southern Cross” - Various Artists “Come To The Mountain” en “Mountain Journey”Jay Bennett “Bigger Than Blue” en “The Beloved Enemy” - Chatham County Line “Route 23”Bellwether “Seven And Six”Cheryl Wheeler “Defying Gravity”Naomi Sommers “Hypnotized”James King “The Bluegrass Storyteller” - Drive-By Truckers “Gangstabilly” en “Pizza Deliverance”Various Artists “Still Crazy After all These Years Volume One” - Ronny Elliott “Valentine Roadkill”Frank Carillo & The Bandoleros “(Bad Out There)”Kimmie Rhodes “Windblown” - Anna Coogan And North19 “Glory”Aggieland “Welcome To Aggieland” - Ray Wylie Hubbard “Delirium Tremolos”

 

JODIE MANROSS

“Don’t Save The Kisses” (EP)

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

Fans van soulvolle alt. country diva’s als een Shelby Lynne, een Allison Moorer of een Tift Merritt zullen er zichzelf een groot plezier mee doen door onverwijld ook de EP “Don’t Save The Kisses” van Jodie Manross in huis te halen. Klein van gestalte, maar groot van daden is die uit Knoxville, Tennessee afkomstige chanteuse. Met haar gloedvolle stem haalt ze hier het beste uit liedjes als het volledig a capella gebrachte “Tall Trees In Georgia” van Buffy Sainte-Marie, de pop classic “No One Is To Blame” van Howard Jones, “Don’t Save The Kisses” van haar maatje Greg Horne en vier eigen songs. Het betreft daarbij vier studio-opnames en een drietal live-registraties. Zelf betokkelt Manross voortdurend linkshandig de akoestische gitaar, terwijl Horne van zijn kant instaat voor bijdragen op respectievelijk lap steel, mandoline, akoestische en elektrische gitaar, Wurlitzer, piano, drums, bas en percussie-instrumenten. Het wonderlijke samengaan van elementen uit moderne folk(rock) en Americana en tonnen soul rechtvaardigt ons inziens eerder in de Amerikaanse vakpers gemaakte vergelijkingen met andere grote zangeressen als een Patti Griffin of een Rickie Lee Jones volkomen. En het zou ons dan ook ten zeerste verwonderen mochten we van deze Jodie Manross niet snel écht grootse dingen mogen begroeten. Een groot talent is ze alleszins.

Jodie Manross

CD Baby

 

 

THE BROKEN FAMILY BAND

“Welcome Home, Loser”

(Track & Field)

(3,5) J J J J

 

Er zijn geen zekerheden meer in het leven! Goed een jaar is het ondertussen alweer geleden, dat de vanuit Cambridge actieve Britse alt. country-werkmieren met de bizarre naam The Broken Family Band met de EP “Jesus Songs” hun laatste teken van leven op ons afvuurden. Het kwartet rond zanger Steve Adams lijkt zich voor één keer dus wél rijkelijk de tijd genomen te hebben om met nieuw materiaal op de proppen te komen. En dat hoor je er ook aan! “Welcome Home, Loser” is immers met voorsprong hun meest mature CD tot op heden geworden. Het muzikale hutsepotje van de vier, dat we hier ter gelegenheid van hun debuut “The King Will Build A Disco” nog liefdevol als Anglicana bestempelden, begint stilaan aardig op smaak te komen. In het begeleidende schrijven heeft men het over “14 songs about sarcasm, trust, moderation and a lady called Black Wendy”, wij van onze kant spreken liever over superieure Americana, waarin sporen van pioniers als Green On Red en The Long Ryders nog net zichtbaar blijken. De voornaamste trekpleisters vormen naast de steeds weer boeiende teksten vooral ook de aparte, licht nasale voordracht van Adams en het bijna doorlopend sprankelende snarenwerk. Van erg rootsy materiaal als het openingstweetal “Happy Days Are Here Again” en “Living In Sin” gaat het over emotionele sfeerlandschappen als “A Princess” tot recht-toe-recht-aan-rock in “Coping With Fear”. Lekker gevarieerd spul dus, waarop onze Britse spitsbroeders met recht en rede trots kunnen zijn. Alleen jammer van die werkelijk foeilelijke cover…

The Broken Family Band

Track & Field

 

 

MARY GAUTHIER

“Mercy Now”

(Lost Highway / UMG)

(4) J J J J

 

Na drie ronduit fantastische platen voor wat kleinere labels lijkt zingende liedjesschrijfster Mary Gauthier nu definitief klaar voor een doorbraak op grotere schaal. En met de steun van het Lost Highway-label van Lucinda Williams, dat met de Jayhawks, Lyle Lovett, Tift Merritt, Ryan Adams, Whiskeytown, Elvis Costello, wijlen Johnny Cash en Willie Nelson recentelijk al aardig wat groten uit het Americanakamp wist te strikken, zou dat moeten kunnen lukken ook. “Mercy Now”, haar eerste plaat voor haar nieuwe werkgever, is alvast een serieuze stap in de goede richting. In een productie van Gurf Morlix is Gauthier op haar vierde immers opnieuw in zeer groten doen. In de van haar bekende half gesproken / half gezongen stijl herneemt ze haar eigen paradepaardje “I Drink” en waagt ze zich aan covers van “Your Sister Cried” van Fred Eaglesmith en “Just Say She’s A Rhymer” van de betreurde Harlan Howard. Dat laatste liedje mag overigens als een voorbode worden beschouwd van een heus Howard-project waarmee La Gauthier momenteel druk doende is.

Opener “Falling Out Of Love” is een door gortdroge drumtikken van Rick Richards, een sobere gitaarbijdrage van Gurf Morlix en sfeervol harmonicawerk van de dezer dagen alomtegenwoordige Ray Bonneville gedragen desolaat overkomende studie van een obsessief geval van eenzaamheid, titelnummer “Mercy Now” een ingetogen – gezien de huidige tijdsgeest zeker niet geheel ten onrechte gestelde – vraag om medelijden (voor zowat alles en iedereen), “Wheel Inside The Wheel” een streepje springerige bluesy Americana - opgedragen aan haar enige tijd geleden overleden collega Dave Carter, “Prayer Without Words” twangy country met opvallende instrumentale cameo’s voor violist Eamon McLoughlin en toetsenman Ian “Mac” Mclagan en “Empty Spaces” – met Patty Griffin als extra vocaliste – een heerlijke herfstige co-write met de hier vorig jaar al flink bejubelde Dale Keys. Wat dan nog rest zijn de knappe rootsy singer-songwriter pop van “Drop In A Bucket” – met opnieuw Patty Griffin – over een teloorgegane liefde en alle gevolgen van dien, en de voorzichtig rockende afsluiter “It Ain’t The Wind, It’s The Rain”.

Grote plaat opnieuw!

Mary Gauthier

Lost Highway

 

 

PAUL REDDICK

“Villanelle”

(NorthernBlues Music)

(4) J J J J

 

In 2002 werd Paul Reddick voor zijn uitstekende vierde CD “Rattlebag” genomineerd voor één van de prestigieuze W.C. Handy Awards, de Oscars of de Grammy’s van de blues zeg maar. Uiteindelijk zou hij die trofee net niet in de wacht slepen, maar het lijkt alleen maar een kwestie van tijd voor dat uiteindelijk toch wel eens zal gaan gebeuren. De uit Toronto afkomstige Reddick is naast een begenadigde (soulvolle) zanger en een kei op de blues harp immers ook één van de meest inventieve in het genre actieve singer-songwriters van het ogenblik. Hij liet zich voor zijn werk in het verleden ondermeer inspireren door literaire grootheden als William Blake, Eudora Welty, Kenneth Rexroth en William Carlos Williams. En muzikaal gezien grijpt hij dan weer terug naar schoon volk als Sleepy John Estes en Fred McDowell en de gerenommeerde veldopnamen van Alan Lomax of Harry Smith’s “Anthology Of Folk Music”.

“Villanelle”, Reddicks nieuwe CD, blinkt opnieuw uit door een bijzonder inventieve benadering van vooroorlogse blues en veel actuelere Americana. Ondanks een “rootsy” – veelal akoestische – aanpak slagen Reddick en z’n maatje (producer-gitarist) Colin Linden erin een totaal nieuw geluid neer te zetten. Daarbij weten ze zich ondermeer verzekerd van gewaardeerde hand- en spandiensten van Richard Bell (keyboards / Janis Joplin), Stephen Hodges (drums / Tom Waits, John Hammond), Jeff Hermes (sax, banjo, bas, gitaar / Rod Piazza) en Kathleen Edwards (viool). Tal van hoogtepuntjes levert dat op! Zoals het uit lieflijke old-timey Americana opgetrokken titelnummer, waarin Reddicks stem en een akoestische gitaar iets heel moois met elkaar hebben, het lijzig voortkabbelende “Winter Birds”, de klassiek gestijlde akoestische blues van “Five Silver Dollars”, het ruige stampertje “Six Was The Six” en de dromerige soulsleper “Round This Time Of Year”. Eén van onze absolute favorieten is echter “So Long, Thank You, Goodbye”, dat klinkt als iets van wijlen Jim Croce na een veel té lange veertiendaagse in de allerbruinste Zuidelijke kroegen met gidsen als Dr. John en Tom Waits. Al bij al de ideale schijf voor wie maar niet kan kiezen tussen blues en Americana. Je krijgt hier immers “the best of both worlds”.

Paul Reddick

NorthernBlues Music

 

 

JUDE JOHNSTONE

“On A Good Day”

(Bojak Records)

(4) J J J J

 

Jude Johnstone verdiende al zo’n twintig jaar lang haar dagelijkse boterham met het schrijven van songs voor anderen – ondermeer “Unchained” voor Johnny Cash en “Wounded Heart” voor Bonnie Raitt – toen ze in 2002 besloot om het over een andere boeg te gooien. Haar indertijd verschenen debuutplaat “Coming Of Age” bracht menig een muziekcriticus meteen aan het zweven. En terecht ook! Johnstone bleek immers niet enkel over een zeer vaardige pen en een bijzonder fijn ontwikkeld gevoel voor knappe melodieën te beschikken, maar bovendien ook over een zalige lichthese – en vooral ook zeer soulvolle – stem.

De opvolger van die eersteling, het door een oude Tom Waits-plaat geïnspireerde “On A Good Day”, is zo mogelijk nog fraaier. In het gezelschap van gerespecteerde collega’s als Rodney Crowell, de eerder al vermelde Bonnie Raitt, Julie Miller en Jackson Browne graaft Johnstone daarop diep in haar eigen verleden en dat van haar familie. Dat levert hartverwarmend mooi licht rootsy popmateriaal op, dat regelmatig herinnert aan de betere momenten van pakweg een Carole King, een Jackson Browne of een Mary Chapin Carpenter. We durven er dan ook het één en ander om te verwedden, dat één enkele beluistering van dit kleinood zal volstaan om ook jou van de vele talenten van deze Jude Johnstone te overtuigen.

Jude Johnstone

Bojak Records

Miles Of Music

 

 

DURANGO

“Loi du Miel”

(V2)

(3,5) J J J J

 

Durango ontstond toen de van zijn werk bij Mambo Chillum bekende Fred Verhaegen (zang, harmonica, gitaar) en Frits Standaert (bas, gitaar) eind 2003 besloten om samen muziek te gaan maken. Dat leidde al snel tot hun met gasten Geoffrey Burton (gitaar) en Thomas De Prins (keyboards) opgenomen en lovend onthaalde debuutplaat “Shipwreck Party”, een experimentele fusie van elementen uit blues, roots en elektronica. Het ondertussen door het aantrekken van gitarist Simon Pleysier en drummer Rohal de Ridder tot een heus klein combo uitgegroeide gezelschap bevestigt nu met “Loi du Miel” al het goede wat al over dat indrukwekkende visitekaartje werd geschreven. Grungy, intuïtief funky, ergens tussen de swamps van Louisiana en de Sahara, situeren ze zichzelf muzikaal. En dat is niet gelogen. Op “Loi du Miel” voeren blues en roots weliswaar nog steeds volop de boventoon, maar tal van andere invloeden zijn eveneens erg nadrukkelijk aanwezig. Het titelnummer is zo bijvoorbeeld een als een kruising tussen Daniel Lanois en Canned Heat klinkend akoestisch bluesje, “Fatherless Child” vermengt kruiwagens vol woestijnzand met flarden blues en pop, “Lonely” twijfelt een ogenblik lang tussen ruige blues en reggae, het springerige “Lost In The Dirt” lijkt iets te hebben met Bo Diddley, “What’s A Man” is sfeervolle blues in cinémascope en “Oh Lord” beklijft ondanks straf harmonicawerk van Verhaegen tch vooral door een gospelesk tintje. Enfin, wie dacht dat spannende rootsmuziek in België niet kon, vindt in “Loi du Miel” van Durango eens te meer een klinkend bewijs van zijn ongelijk. Aan de eclectische aanpak van deze vier knapen kan menig een Amerikaanse tegenvoeter zelfs een aardig puntje zuigen.

Durango

V2 music

 

 

DRY BRANCH FIRE SQUAD

“Live At The Newburyport Firehouse”

(Rounder Europe)

(3,5) J J J J

 

De Dry Branch Fire Squad staat al ruim vijfentwintig jaar lang garant voor uitstekende bluegrassmuziek. Band leader Ron Thomason en de zijnen voelen dan ook perfect aan hoe klassieke bluegrass en old-time ook anno nu attractief kunnen worden gebracht. Enerzijds door een zeer gevarieerde repertoirekeuze, reikend van pakkende mountain music of sprankelende old-time tot a capella gospelbriljantjes, anderzijds door een buitengewoon humoristische benadering van een over het algemeen toch eerder als ernstig bekend staand genre. Thomasons satirische stukjes en wrange politieke kanttekeningen tussen de op 15 en 16 november van 2002 in het Firehouse Center for the Arts in Newbury, Massachusetts opgenomen liedjes zullen tot menig een glimlach aanzetten. En dat doen ook de Squad-versies van nummers als “Rollin’ On Rubber Wheels” van The Stanley Brothers, “Orphan Child” en “Miner’s Refrain” van Gillian Welch, “Roanoke” van Bill Monroe of “Fifty Miles Of Elbow Room” van The Carter Family. Als uitnodiging om vroeg of laat ook zelf eens één van hun optredens bij te wonen kan dit sympathieke schijfje van de Dry Branch Fire Squad dan ook tellen.

Dry Branch Fire Squad

Rounder Europe

 

 

CHELY WRIGHT

“The Metropolitan Hotel”

(Dualtone / Bertus)

(3,5) J J J J

 

Met knappe poppy countryliedjes als “Single White Female” en “Shut Up And Drive” wist Chely Wright een paar jaar geleden probleemloos door te stoten tot de beau monde van Nashville. Haar recente overstap naar het toch behoorlijk avontuurlijk ingestelde Dualtone-label kwam dan ook als een volslagen verrassing. Zelf motiveert Wright die keuze door te benadrukken dat ze het ook als liedjesschrijfster helemaal wil gaan maken. “The reason why I’m standing here / It’s not the miles, it’s not the pay / It’s not the show, it’s not the fame / That makes it home, it’s the song,” luidt het zo bijvoorbeeld veelzeggend in het openingsnummer van haar nieuwe CD. Haar zesde album “The Metropolitan Hotel” – vernoemd naar het gelijknamige hotel in Londen waar ze zich enige tijd geleden bezon over het verdere verloop van haar carrière – gunt ons dan ook een blik in het innerlijk van de mens achter de hitmachine Wright.

Zonder daarbij haar verleden nu meteen geheel en al te verloochenen slaagt La Wright erin haar commerciële country een erg volwassen karakter te verlenen. Sterkste illustraties van die stelling zijn de strijdvaardige pianoballade “The Bumper Of My S.U.V.”, waarin ze zich aan een heet politiek hangijzer waagt en een subtiel anti-oorlogsstatement neerzet, en het een tragisch ongeval overpeinzende “The River”. Opvallend is verder ook de hier vooral in de uitvoering van Emmylou Harris bekende Chuck Berry-cover “C’est La Vie (You Never Can Tell)”. Een hapklare brok voor gemakzuchtige radiojongens weliswaar, maar al bij al toch eerder van het type overbodig, vanwege weinig of niets toevoegend aan eerdere – sterkere – versies van anderen. Dat minpuntje neemt echter niet weg, dat “The Metropolitan Hotel” het predikaat verantwoorde commerciële country zeker verdient.

Chely Wright

Dualtone

Bertus

 

 

HAYES CARLL

Little Rock

(Highway 87 Music)

(4) J J J J

 

Zijn debuut “Flowers And Liquor” uit 2002 was een danig sterke plaat, dat velen Hayes Carll sedertdien beschouwen als één van de allergrootste aanstormende singer-songwritertalenten binnen het huidige Americana-landschap. Bevestigen zou dan ook een aartsmoeilijke klus worden voor de jongeling. Maar Carll slaagt met brio in dat opzet. Zijn door RS Field (Billy Joe Shaver, Allison Moorer, Sonny Landreth, Webb Wilder en vele anderen) geproduceerde tweede CD “Little Rock” mag dan in haar geheel gezien wat minder focussen op de singer-songwriter-kant van Carll, het is wel opnieuw een kanjer van een plaat geworden. Iets wat gezien het lijstje betrokkenen overigens ook allerminst hoeft te verbazen. Zo is “Rivertown”, een in een country-folk-jasje gestoken verhaal over een man op zoek naar verlossing voor hij sterven zal, bijvoorbeeld een co-write met de grote Guy Clark. En in “Take Me Away”, een knappe Americana ballad van de hand van gerespecteerde collega’s John Evans en Adam Carroll, en “Good Friends”, een vrijblijvend countrydeuntje met jazzy ondertoon over het uit het oog verliezen van zijn vrienden, is de fantastische Allison Moorer zeer nadrukkelijk vocaal van de partij. “Chicken”, een op het ritme van Chuck Berry’s “Memphis, Tennessee” geënte meezinger, schreef Carll dan weer met die andere Texaanse songwriterlegende, zijn mentor Ray Wylie Hubbard, en voor het twangy “Sit In With The Band” sloeg hij ook zelf de handen in elkaar met de al eerder genoemde Evans. Andere opvallende liedjes zijn het countryrockertje “Hey Baby Where You Been”, de niet in geringe mate naar Steve Earle’s rustigere momenten verwijzende tweeling “Leave Here Standing” en “Long Way Home”, de thematisch gezien overvolle springerige Dylan meets The Boss roots rock van “Down The Road Tonight”, het door energieke gitaren aangevuurde “Little Rock” over het gelijknamige plaatsje in Arkansas en het knappe, op de Texaanse leest geschoeide “Wish I Hadn’t Stayed So Long”, waarin Carll al rockend terugkijkt op de plaatsen waar hij de jongste jaren “for the sake of the song” zoal rondhing.

“Little Rock” verscheen op Carlls eigen label Highway 87 Music. Gezien de kwaliteit ervan zal het evenwel geen probleem vormen om er ook hier snel een verdeler voor te vinden, lijkt ons. Voorlopig is het echter nog een poosje enkel via ’s mans eigen webstek en tijdens zijn optredens verkrijgbaar.

Hayes Carll

Lone Star Music

 

 

VARIOUS ARTISTS

“We Are Each Other’s Angels”

(Hungry For Music)

(3,5) J J J J

 

Er zijn zo van die initiatieven die je nauwelijks anders dan met een warm hart bejegenen kan. Het vanuit Washington, DC actieve Hungry For Music is er zo eentje. Sedert 1994 probeert men er ondermeer door het uitbrengen van compilatie-CD’s en het organiseren van concerten minder begoede jongeren te voorzien van muziekinstrumenten om ze zo te helpen hun dromen te realiseren. Daarnaast zet men zich ook in om aan daklozen onderdak te kunnen verschaffen en om bejaardentehuizen van de broodnodige fondsen te kunnen voorzien. Dat dat bovendien gebeurt met behulp van uitstekende muziek kan je als liefhebber alleen maar luidkeels toejuichen. Neem nu de dubbele verzamelaar “We Are Each Other’s Angels”. Samensteller van dienst Jeff Campbell liet zich daartoe inspireren na het horen van het gelijknamige nummer van folkie Chuck Brodsky. Iedereen heeft zo zijn eigen hoogstpersoonlijke engelen, meende hij naar aanleiding daarvan, je weet wel, échte vrienden, van die, die je pas in tijden van nood leert kennen. Wat vervolgens prompt leidde tot een ijzersterke collectie liedjes met als thema die “angels”. Van de aan de basis van het geheel liggende Chuck Brodsky over Nanci Griffith, Iris DeMent, Ron Sexsmith, Slaid Cleaves, The Woodys, Scott Miller, Graham Parker, Chris Thomas King, Rev. Gary Davis, The Subdudes, Ellis Paul, Jennie Stearns, Spencer Bohren, Delbert McClinton, Ron Sexsmith, Bill Mallonee, Danielle Howle, Chris Stamey & Peter Holsapple, Peter Case of The Kennedys tot hier wat minder bekende goden als Alice Di Micelle, Carey Colvin, Dan Pelletier en George Winston, allemaal droegen ze graag een steentje uit hun eigen songbook bij voor het goede doel. En rootsmuziek vormt daarbij vrijwel voortdurend het sleutelwoord. Blues, gospel, country, alt. country, Americana, folk, roots pop en rock, je zegt het maar. Je vraagt je aan het eind van deze rit al snel af, waarom er eigenlijk niet meer mensen zulke fantastische invallen krijgen…

Hungry For Music

CD Baby

 

 

TODD MACK

“Yonder The Big Blue Holler”

(Off The Beat-N-Track Records)

(3,5) J J J J

 

Jarenlang mocht nationale doelmannenlegende Jean-Marie Pfaff zich alleen verheugen in het koosnaampje “El Simpatico”, maar als het van ons afhangt, dan zal hij dat voortaan moeten delen met de Amerikaanse singer-songwriter Todd Mack. De al sinds 1982 in de florissante muziekscene van Atlanta actieve Mack verdient die behandeling op basis van zijn zopas verschenen vijfde CD – zijn eerste sinds het al in ’97 uitgebrachte “Sparky’s Revenge” – ten volle. De man spendeerde een groot deel van de nineties on the road. En dat hoor je ook! De overtuiging waarmee hij de nummers op “Yonder The Big Blue Holler” brengt dwingt meteen het nodige respect af. Hier staat een man die je niks meer hoeft te leren. Met een stem die van het nodige gruis voorzien is neemt Mack ons mee op een bijzonder aangename trip doorheen acht eigen liedjes en covers van de weinig bekende traditional “Five Nights Drunk” en het van de Traveling Wilburys geleende “Poor House”. Dat laatste wordt hier voorzien van een typisch Cash-ondertoontje en is meteen ook één van de aanstekelijkste nummers van het geheel. Maar ook de andere rond thema’s als drank, de liefde, corruptie en macht draaiende liedjes gaan er echt in als zoete koek: van de pittige alt.country-meezinger “Already Gone And Halfway There” over het duistere, wat meer gitaargerichte “Circumstance” of de met een ijzingwekkend mooi potje accordeon annex piano opgeluisterde trage “Hand In Hand” tot de al even beklijvende ballade “The Best Girl I Never Had”, de knappe R&B van “Devil Outta Me”, het rootsy tweetal “How High The Corn” en “Take You Home” en de breekbare pop van afsluiter “Beautiful Angel”. In haar geheel gewoon een erg lekkere Americana singer-songwriterplaat dus.

Todd Mack

CD Baby

 

 

KASSIE DEPAIVA

“No Regrets”

(ENC2 Records)

(2) J J

 

Op het hoesje van haar eersteling lag ze nog vrank en vrij bekoorlijk te wezen in Eva-kostuum. Enkel een de meest tot de mannelijke verbeelding sprekende plaatsen verhullend laken voorkwam dat ze de titel van die plaat – “Naked” – ook daadwerkelijk helemaal waarmaakte. Het artwork van haar tweede CD is wat dat betreft al iets subtieler opgevat. Ditmaal krijgen we enkel nog een via een schijnbaar achteloos opgetild kleed volledig ontbloot been te zien. “Verborgen verleiders” heet zoiets, menen we ons te herinneren… Maar goed, laten we vooral niet té ver afwijken. Tot zover het vestimentaire gedeelte.

Spijtig genoeg heeft “No Regrets” muzikaal gezien ook niet al te veel om het lijf. De naam Kassie DePaiva staat immers synoniem voor het soort van vlotte jeugdige confectiecountry waarin men in Nashville de jongste jaren alsmaar meer is gaan grossieren. Denk daarbij bijvoorbeeld aan wat ook een Jessica Andrews, een Mindy McCready en een groep als SheDaisy klaarmaken. Technisch best wel in orde dus wat we hier voorgeschoteld krijgen, daar niet van, maar tegelijk ook nogal bloedeloos allemaal. En dan haken wij – strontverwend als we hier zijn – al snel af…

Kassie DePaiva

CD Baby

 

 

FORTYTWENTY

“Sober And Stupid”

(Slackjaw Records)

(4) J J J J

 

 “So country it’ll make you puke!” luidt de wel bijzonder sympathieke lijfspreuk annex sneer aan het adres van het huidige country establishment in Nashville van het uit Lincoln, Nebraska afkomstige collectief FortyTwenty. Begin vorig jaar maakten we je hier al uitgebreid attent op hun energieke debuut-CD “Lowdown And Dirty” en nu is er met “Sober And Stupid” de al even geslaagde nummer twee. In het marktsegment waarin ook schoon volk als Wayne Hancock, Hank III, de Derailers en vooral ook BR549 geregeld van zich doen spreken vormen de vijf rond songwriters David Wilson en Lern Tilton een ware verademing. De scherpe randjes mogen er dan in vergelijking met hun eersteling al wel een beetje van af zijn, geen nood, ook “Sober And Stupid” swingt nog steeds als de pest. Van de Waylon-eske single “Life That Chose Me” en het in het verlengde daarvan liggende “Walk Out” over de high speed honky-tonk van “Milk And Pancakes (The Ballad Of Doris)”, het op z’n Jasons rockende “Can’t It Be Me”, de in een overdaad aan steel gedrenkte trage “Peace, Love & Honky-Tonk” of de van een flinke jodelpartij voorziene rock-a-billy van “Skunk Yodel No. 7” tot de Spaanse-peper-in-de-reet “Ceiling Fan Polka”, het klassiek opgebouwde drinkebroerslied “Sober And Stupid” of het swingende “Doggone Happy To Be Blue”, de dertien nieuwe FortyTwenty-originelen op “”Sober And Stupid” staan stuk voor stuk als een huis. En als de Derailers de recente wijzigingen in hun personeelsbezetting niet te boven zouden komen, de motor van BR549 na vergelijkbare problemen vooralsnog opnieuw aan het sputteren zou gaan en de jonge Hank liever de punker zou blijven uithangen, dan mag je deze knapen stilaan als een serieuze wissel op de toekomst gaan beschouwen, want dit is waar meestal naar verwezen wordt als “The Real Thing”!

FortyTwenty

Slackjaw Records

 

 

SCOTT SILIPIGNI

“Simple View”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

Scott Silipigni (zang, gitaar) is een uit Philadelphia afkomstige debutant die hier met zijn eersteling meteen de gevoelige snaar weet te raken. In een productie van Scott Bricklin (gitaar, bas, orgel, zag) en Matt Muir (percussie, zang) en met verder ondermeer ook de hulp van Ben Arnold (Wurlitzer, Glockenspiel, zang), Pete Donelly (bas, zang), Jim Boggia (gitaar, zang), Joseph Parsons (zang) en Kat Minogue (fiddle) levert de jonge songwriter dertien fraaie mid-tempo rootspopliedjes af, die zich meteen knus tussen je oorschelpen nestelen. Zowel door zijn goed ontwikkeld gevoel voor pakkende melodieën als door zijn licht gruizige voordracht dringt zich daarin onwillekeurig een vergelijking met ondermeer Ben Arnold, Ryan Adams en Gingersol op. Nummers als het zomerse “Good Thing”, de broeierige trage “Love Like” en het met een dijk van een melodie gezegende en bij momenten aan iets van Rod Stewart herinnerende titelnummer zouden wij maar wat graag dagelijks radiogewijs toegediend krijgen. En Scott Silipigni gaat hier dan ook zonder ook maar de minste aarzeling de boeken in als een serieuze belofte voor de toekomst.

Scott Silipigni

Miles Of Music

 

 

WENDY NEWCOMER

“Raised On Promises”

(BigScrimp Records)

(3) J J J

 

Over een toepasselijke naam gesproken! Vanuit Nashville bereikte ons onlangs “Raised On Promises” van Wendy Newcomer, inderdaad een nieuw gezicht in Countryland. Een mooi gezichtje ook bovendien, dat het in z’n nog prille carrière eigenlijk al behoorlijk ver wist te schoppen. Zo trad Newcomer al aan in de Grand Ole Opry en stond ze ondermeer ook in het voorprogramma van gevestigde waarden als Delbert McClinton, John Anderson, Johnny Paycheck, Lee Roy Parnell, Sammy Kershaw en Aaron Tippin.

Op haar met nauwelijks zeven liedjes eerder kort uitgevallen debuutplaat presenteert La Newcomer zich als een behoorlijk zelfverzekerde tante met een heldere altstem, die vooral herinneringen oproept aan collega’s als Patty Loveless en Trisha Yearwood. Gelukkig toont de youngster zich behoorlijk eigenzinnig bij het bepalen van haar repertoire. Dat laat zich misschien nog het best omschrijven als commerciële Americana. Met uitzondering van de samen met Aaron Sain gepende sleper “Never Gonna Heal This Way” houdt ze het op haar eersteling bij materiaal van anderen. Van Leslie Satcher stoten we zo op “Cold Blue Shadow” en “Off The Wall”, van Tom Petty op het haar echt wel op het lijf geschreven “American Girl”, van onze lievelings-Canadees Fred Eaglesmith op “105” en van The Cardigans op “Live & Learn”. Goede smaak heeft ze dus wel, die Newcomer. Benieuwd dan ook, of ze met dit al bij al best wel aardige visitekaartje enige deining zal kunnen veroorzaken.

Wendy Newcomer

CD Baby

 

 

KATE MAKI

“The Sun Will Find Us”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

De Canadese Kate Maki wist ons vorig jaar met haar debuut “Confusion Unlimited” al aardig in te pakken, maar de opvolger daarvan, het – Nog zacht uitgedrukt! - lichtjes onweerstaanbare “The Sun Will Find Us”, is toch nog van een geheel andere orde. Dit is Americana van de allerbeste soort! Van broeierige ballades à la “First Impression” of “Another Storm”, waarin ze tegelijk herinnert aan Lucinda Williams, Emmylou Harris en Kimmie Rhodes, over ingetogen rootsy rockertjes van het type “One By One” en “Forever Blue” tot swingend countryesk meezingmateriaal als “Old Guitar”, een snuif Dixieland in “Defend The End”, rootsy pop in “Sweet Time” of volop naar de Memphis-school lonkende R&B van het kaliber van “Someone Better” of “Mid March Blues” – inclusief zo’n lekker Hammond-orgeltje en een bescheiden bataljon vette blazers, de pret lijkt hier gewoonweg niet op te kunnen.

De productie van “The Sun Will Find Us” nam Maki overigens ook voor eigen rekening, al kreeg ze daarbij dan wel wat hulp van Dave Draves. Alle liedjes schreef ze zelf. En ook het artwork is van haar hand. De “do it yourself-aanpak” ten voeten uit dus. En het resultaat is zoals eerder al aangegeven ronduit verbluffend.

Kate Maki

Miles Of Music

 

 

BARBARA CUE

“Rhythm Oil”

(Sanctuary)

(3,5) J J J J

 

Hun gemeenschappelijke voorliefde voor NRBQ bracht Todd Nance (Widespread Panic) en William Tonks (Six String Drag) nu zo’n zeven jaar geleden samen. Wat een als een one night stand aangekondigd eerbetoon aan hun grote helden had moeten worden, groeide buiten elke verwachting om uit tot Barbara Cue. Naast drummer Nance en snarenman Tonks bleven immers ook Paul “Crumpy” Edwards (Bloodkin) en Jon Mills (Me ‘an Mills), die de overige gitaar- en baspartijen onder elkaar verdelen, en de vooral door zijn pedal steel-bijdragen opvallende Jeff Neff (ex-Drive-By Truckers) de groep al die tijd trouw. “Rhythm Oil” is inmiddels al hun derde CD. En de zogenaamde “supergroep” uit Athens, GA is daarop in behoorlijk goeden doen. Het merendeel van de ten gehore gebrachte liedjes (“Coach”, “Walls”, “Reasons”, “Talking To Myself”) vallen onder de noemer rustig voorbij kabbelende roots pop/rock songs. Enkel het snedig rockende “Everywhere” en het van een funky ondertoontje voorziene tweetal aan het begin en het einde van de plaat (opener “Explode” en het afsluitende “Do You Read Me”) vormen uitzonderingen op die regel. In z’n geheel is “Rhythm Oil” gewoon goed zondermeer. Vakmanschap is meesterschap, moet je maar denken.

Barbara Cue

Sanctuary

 

 

TINY MOORE & JETHRO BURNS

“Back To Back”

(Acoustic Disc)

(3) J J J

 

Liefhebbers van virtuoze mandoline-Spielereien zullen hun pret niet op kunnen met de nieuwste release van David Grisman’s Acoustic Disc-label. Het betreft immers de langverwachte CD-uitgave van “Back To Back”, het album dat in 1979 met Tiny Moore en Jethro Burns twee reuzen van de jazz mandoline samenbracht. Aanleiding tot deze heruitgave vormde de recente ontdekking van een reeks alternate takes van elk van de op het origineel aanwezige tracks. Die worden hier mee geserveerd in de vorm een bonus disc en verschaffen als dusdanig rijkelijk inzicht in het tot stand komen van het uiteindelijke album. Bovendien werd met het nummer “Maiden’s Prayer” ook nog eens een bonus track aan het geheel toegevoegd.

Naast de ondermeer van zijn werk bij Bob Wills bekende Moore en de indertijd als één helft van het populaire komische duo Homer & Jethro door het leven stappende Burns waren tijdens de sessies die tot “Back To Back” leidden ook Eldon Shamblin (gitaar), Ray Brown (bas), Shelly Manne (drums) en platenbaas en producer David Grisman zelf (mandoline) aanwezig. Hun collectieve inspanningen resulteerden in een potje alleraardigste “mandojazz”. Liedjes als de Django Reinhardt/Stephane Grappelli-compositie “Swing ‘39”, Duke Ellington’s “In A Mellotone”, Count Basie’s “Tickle Toe” en Bill Monroe’s “Moonlight Waltz” en eigen nummers als “Flickin’ My Pick” en “Jethro’s Tune” van Burns en “Tiny’s Rag” van Moore vallen vooral op door hun speelse vrijblijvendheid. En ondanks het feit, dat je niet om de bedenking heen kan dat het wellicht vooral jazzfanatici zullen zijn die zich tegoed zullen doen aan dit zinnenprikkelende snarengestoei, kunnen wij ons dan ook niet van de indruk ontdoen, dat - mits in voldoende kleine doses geconsumeerd - ook andere muziekliefhebbers hier best wel hun pleziertje kunnen aan hebben.

Acoustic Disc

 

 

THE CODRAY BROTHERS

Texas Lover”

(3,5) J J J J

“Sunshine On Me”

(3,5) J J J J

(Sofa Records)

 

The Codray Brothers? Toegegeven, ook voor ons waren het nog nobele onbekenden tot enkele dagen geleden hun twee in de loop van 2004 verschenen CD’s “Texas Lover” en “Summer Shines On Me” op onze schrijftafel belandden. Maar goed, misschien helpt dit stukje wel om wat aan de naambekendheid van de “broers” te doen. Aanhalingstekens, want broers zijn John Frick (zang, diverse gitaren), Roel Loen (elektrische gitaar), Koos Nelemans (drums, zang) en Leo van der Helm (staande bas, zang) al helemaal niet. De vier vanuit het Nederlandse Voorburg opererende “familieleden” noemen zichzelf een “American Roots Music Band”. En daar valt iets voor te zeggen ook. Net zoals dat bij The Blasters indertijd ook geval was vinden rock & roll, rockabilly, country, hillbilly en blues hier probleemloos hun weg naar een eigen groepsgeluid, waarin een wellustig bepotelde bas, rockabilly-stijl drumwerk en frenetieke Telecaster-vrijages bepalende elementen blijken. Bovendien beschikt de band met John Frick over een alleraardigste zanger, die ooit op een blauwe maandag nog aan de slag was bij genregenoten The Hillbilly Stringpickers.

Eigenlijk moeten The Codray Brothers in het geheel niet onder doen voor de grote meerderheid van de rootsmuziekplaten die ons dezer dagen vanuit de States bereiken. Wel integendeel! Op “Texas Lover” en “Sunshine On Me” worden een karrenvracht aan eigen composities afgewisseld met geslaagde covers van ondermeer “Good Lovin’” van The Paladins, Johnny Cash z’n “Folsom Prison Blues”, de traditionals “Train 45” en “Jesus On The Mainline” en Hank Williams’ “Hey Good Looking” en “Mind Your Own Business”. Wie wel eens een plaatje oplegt van de hier al eerder vernoemde Blasters en Paladins of van de Cigar Store Indians, die moet deze swingende noorderburen beslist ook eens een luisterbeurt gunnen. De kans is immers bijzonder groot, dat daaruit een innige muzikale vriendschap zal ontstaan…

The Codray Brothers

 

 

SPENCER BOHREN

“Southern Cross”

(Valve Records)

(4) J J J J

 

Spencer Bohren is één van die artiesten waarover je als recensent maar wat graag zou willen schrijven dat ie al lang geen introductie meer behoeft, maar helaas is dat nog altijd niet zo. Bohrens faam beantwoordt immers in het geheel nog niet aan zijn stilaan toch wel indrukwekkende vormen aannemende muzikale staat van dienst. En we gunnen het de man dan ook van ganser harte dat zijn van een bijzonder intrigerende cover van eigen hand voorziene CD “Southern Cross” daarin snel verandering mag brengen. Daarop bewijst Bohren geflankeerd door het Nott Brothers Quartet en in een productie van Reinhard Finke eens te meer naast een steengoede steelgitarist ook een begenadigde blanke roots/soulzanger te zijn. Het album focust op ’s mans passie voor traditionele Amerikaanse muziekvormen van diverse pluimage. Zo waagt hij zich ondermeer aan bijzonder eigenzinnige, maar bovenal ook waanzinnig mooie versies van Hank Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry” en “Lost Highway”, blaast hij “Blues Stay Away From Me” van The Delmore Brothers nieuw leven in, zet Curtis Mayfields soul classic “People Get Ready” volledig naar zijn hand, tackelt met veel gevoel de traditionals “Wake Me, Shake Me”, “Workin’ On A Building” en “Long Black Veil” en doet iets heel erg fraais met de van een onbekende bajesklant van de Mississippi State Penitentiary stammende klaagzang “Parchman”. Tussendoor draagt hij bovendien met het dromerige “Goin’ Down The Bayou” (“a Louisiana short story”), het op de klassieke sixties folk-leest geschoeide “I’ll Be Around” en het als clawhammer banjo-hoogstandje gepresenteerde mijnwerkersliedje “East Kentucky Coaldust” ook zelf nog enkele ronduit schitterende songs aan. Superieure rootsmuziek, een andere omschrijving wil ons hiervoor gewoonweg niet te binnen schieten. En alleszins ook één van de sfeervolste releases die wij de jongste maanden onder handen mochten nemen. Warm aanbevolen derhalve!

Spencer Bohren

Valve Records

CD Baby

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Come To The Mountain”

(4) J J J J

“Mountain Journey”

(4) J J J J

(Rounder Europe)

 

De term “old-time music” wordt door Amerikaanse Southerners graag gebruikt om het muzikale erfgoed mee aan te duiden, dat zij van generatie op generatie vaak in informele situaties blijven doorgeven aan elkaar en anderen. Het genre kende naar de buitenwereld toe een eerste echte “boom” met de folk revival van de sixties. En sedert de massale belangstelling voor de muziek van de knappe films “Oh Brother, Where Art Thou?” en “Cold Mountain” lijkt er nu al helemaal geen houden meer aan. Logisch dan ook, dat hét label bij uitstek in zaken old-time – en dan hebben we het natuurlijk over het onvolprezen Rounder – zich geroepen voelt om op die plotse golf van belangstelling in te spelen. Met twee mooi uitgebalanceerde verzamelaars biedt men aan alle onlangs in het genre geïnteresseerd geraakten het gedroomde instrument aan om zich verder te verdiepen in deze vooral om zijn puurheid geprezen akoestische muziekvorm. “Come To The Mountain – Old Time Music For Modern Times” en “Mountain Journey – Stars Of Old Time Music” fungeren tegelijk als een fraaie staalkaart van wat het label op dat vlak zoal te bieden heeft en als een ideale introductie tot een enorm canon aan door contemporaine artiesten nieuw leven ingeblazen oude liedjes. Van Dirk Powell of Corey Harris over Norman Blake, Jay Ungar, Rory Block, Tony Furtado en Lynn Morris tot Alison Krauss, Ola Belle Reed, Ginny Hawker, Tim O’Brien, Hazel Dickens, Doc Watson en tal van anderen, dit is één groot feest voor eenieder die zich – al is het ook maar een heel klein beetje - tot het behandelde genre aangetrokken voelt. Hoewel, op de keper beschouwd zijn het er eigenlijk twee…

Rounder Europe

 

 

JAY BENNETT

“Bigger Than Blue”

(3,5) J J J J

“The Beloved Enemy”

(4) J J J J

(Undertow / Sonic Rendezvous)

 

 “Bigger Than Blue” en “The Beloved Enemy” zijn delen één en twee van een trilogie soloplaten van Jay Bennett (Wilco), die met de release van “The Magnificent Defeat” eerlang zal worden besloten. Op deze opvolgers van zijn samenwerkingen met Edward Burch profileert Bennett zich zeer nadrukkelijk als een singer-songwriter die het in kringen waar Elvis Costello, Joe Henry en Tom Waits worden geadoreerd ook zou moeten kunnen waarmaken. Waar “Bigger Than Blue” nog bol stond van de relatief eenvoudige liedjes die voornamelijk door Bennetts eigen loepzuivere productie in veel gevallen tot echte pareltjes uitgroeiden, is “The Beloved Enemy” een stuk somberder en donkerder van concept. Tegenover werkelijk wonderschone liedjes als de rootsy ballade “Cajun Angel” en de perfecte pop van “Curiosity” van “Bigger Than Blue” staan op “The Beloved Enemy” een reeks uit rauwe emotie opgetrokken staaltjes van nachtbrakerij. Het rond een dronken zomaar wat voor zich uit lallend pianootje de laatste klanten de bar uit begeleidende “Fifty Cent Words” en het regenachtige, enigszins gebroken aandoende - samen met Virgil Shaw gepende - “Genevera” bijvoorbeeld. Dat zijn songs die je door hun intensiteit meteen stevig bij je nekvel grijpen. Andere echte beauties zijn het diep-desperate “My Little Valentine”, het bijzonder broze “If I Forget How To Land” - een mijmerend duetje met Michelle Anthony is dat - en de afsluitende Tori Amos-cover “Pretty Good Year”. Dat laatste nummer eigent Bennett zich op grootse wijze toe. Het vormt het briljante orgelpunt van een echt in al haar facetten hartverscheurend mooie plaat. Laat die nummer drie er dus maar snel aan komen!

Jay Bennett

Undertow Music

Sonic Rendezvous

Miles Of Music

 

 

CHATHAM COUNTY LINE

“Route 23”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Het gaat de vier heren van Chatham County Line dezer dagen behoorlijk voor de wind. Hun met een groot Americana-hart gebrachte bluegrass heeft de voorbije maanden immers flink wat nieuwe zieltjes gewonnen. Dat bracht zanger-gitarist en voornaamste songleverancier Dave Wilson en bassist Greg “G” Readling er zelfs toe hun job bij Tift Merritts Carbines op te geven. Kwestie van zich voltijds op Chatham County Line te kunnen gaan toeleggen. En dat hoor je ook aan hun tweede CD “Route 23”. Op dat als geheel iets bezadigder dan hun debuut overkomende en opnieuw door Chris Stamey geproduceerde album staan tien liedjes van de hand van Wilson, één Wilson-Teer-co-write (“Arms Of The Law”), de sprankelende door respectievelijk “banjo man” Chandler Holt en fiddler John Teer aangedragen instrumentals “Sun Up” en “Gunfight In Durango” en een levendige cover van Dan Robertsons “Born To Be With You”. Het ene moment klinken Wilson en de zijnen op “Route 23” als The Band in een bluegrass-bui, het andere lijkt het alsof ze hun tenten definitief in de buurt van de klassieke grootmeesters van dat laatste genre hebben opgeslagen. Hoogtepunten zat alleszins op deze straffe tweede plaat van het collectief. Wij onthielden vooral de prachtige Americana van titelnummer “Route 23”, het desolaat aandoende en met harmonieën van labelmaatje Caitlin Cary gezegende “Saro Jane”, de slome story song “Louisiana Freight Train” en het op een opvallende banjopartij leunende stukje old-time “Make Some Pay”. Het zijn slechts enkele van de vele liedjes hier, die bluegrass zonder twijfel weer een beetje meer sex-appeal bij een breder publiek zullen verlenen.

Chatham County Line

Yep Roc

Sonic

 

 

BELLWETHER

“Seven And Six”

(Rustbelt / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

Met “Seven And Six” ontwaken die van Bellwether uit een wel heel erg lang uitgevallen winterslaap. Voor het laatste teken van leven uit het kamp van Eric Luomo en de zijnen moeten we immers ook alweer drie jaar terug in de tijd. Op de opvolger van het in 2001 verschenen en zwaar naar acts als Ryan Adams en de Jayhawks overhellende “Home Late” staan als vanouds Luomo’s zijdezachte folky voordracht en de op een vreemde manier catchy overkomende en enigszins schimmig aandoende alt.country/folk/popliedjes van de vier centraal. Vaak ijzingwekkend mooie, winters aanvoelende deuntjes zijn het, die hun charme grotendeels ontlenen aan de schaarse instrumentale invulling ervan. Minder is meer, zoiets. Zowat alles lijkt op Bellwether’s vierde worp te draaien om sfeer. Liefdevol behandelde gitaren, hier en daar een zuchtje harmonica, een opvallend onopvallend aanwezige pedal steel en dan die delicate stem natuurlijk - het klinkt allemaal heel erg vertrouwd in de oren, zij het dan ook net iets bezadigder dan voorheen.

Sonic Rendezvous

 

 

CHERYL WHEELER

“Defying Gravity”

(Philo / Rounder)

(4) J J J J

 

Zes lange jaren verstreken er sinds het laatste studioalbum van Cheryl Wheeler. Van het in 1999 verschenen “Sylvia Hotel” is het inderdaad alweer geleden dat de Amerikaanse nog eens met nieuw werk uitpakte. Wat overigens niet hoeft te betekenen, dat ze al die tijd gewoon op haar lauweren rustte. Wheeler geniet immers ook een uitstekende reputatie als songleverancier voor anderen en ook in dat werk kruipt nu eenmaal flink wat tijd. Artiesten als Suzy Bogguss, Garth Brooks, Dan Seals, Bette Midler en Linda Thompson wisten dat in het verleden al naar waarde te schatten. Maar eigenlijk moet je Wheeler-liedjes gewoon in haar eigen uitvoeringen horen om er echt ten volle van te kunnen genieten. Met haar warme altstem beschikt zij immers over een geweldig wapen, dat liefhebbers van andere uitstekende chanteuses als een Mary Chapin Carpenter, een Rosanne Cash of een Caitlin Cary als een echt geschenk uit de hemel zullen ervaren. Daarnaast is Wheeler ook een begenadigde gitariste en laat ze geen kans onbenut om humoristisch uit de hoek te komen. “Defying Gravity” telt tal van hoogtepunten. Knappe folkpopliedjes als de hartverscheurend mooie opener “Since You’ve Been Gone”, het bitterzoete “Summer’s Almost Over”, het als een zachte zomerbries voorbij waaiende titelnummer, de dartele achterbuurtenpop van “Here Come Floyd” en de ingetogen karakterstudie “Alice” zal je keer op keer met plezier opnieuw beluisteren. En de nog live in de Bottom Line in New York opgenomen satirische tweeling “On The Plane” en “It’s The Phone” zal wellicht ook telkens goed blijken voor een stevige glimlach om je mondhoeken. Het is dan ook maar te hopen, dat Wheeler zich in de aanloop naar haar volgende album toe niet weer zoveel tijd gunt als dat ditmaal het geval was. Dit soort van platen zijn immers altijd welkom.

Cheryl Wheeler

Rounder Europe

 

 

NAOMI SOMMERS

“Hypnotized”

(American Melody)

(3,5) J J J J

 

Naomi Sommers heeft het duidelijk van geen vreemden. Haar vader Phil Rosenthal geniet vooral bekendheid dankzij zijn werk als zanger-gitarist van het gerespecteerde Seldom Scene-collectief, haar moeder Beth Sommers is een bluegrass-folkartieste en haar broer Daniel Rosenthal op zijn beurt een uitstekende jazztrompettist. Zelf zoekt de nu vijfentwintigjarige Naomi haar heil in een gevarieerde muzikale mélange waarin folk en bluegrass weliswaar de hoofdingrediënten vormen, maar waarin ook jazz, blues en country rijkelijk zijn vertegenwoordigd. “Hypnotized” is al haar tweede album. Sommers debuteerde al in 2002 met het ook niet te versmaden “Flying Through”. En in 2004 was ze nog één van de finalisten van het gerenommeerde Kerrville Folkfestival.

Op “Hypnotized” staan tien liedjes die ze zelf schreef en bewerkingen van de traditionals “Foggy Mountain Top” en “Fly Around My Little Miss” en van Noam Weinsteins “All My Love”. Daarin etaleert Sommers niet alleen een buitengewoon expressieve zangstijl, ze bewijst terloops ook nog even een aardig eindje uit de voeten te kunnen op de akoestische gitaar.

Op haar best is de jonge liedjesschrijfster naar onze bescheiden mening in overduidelijk op de bluegrassleest geschoeide Americanadeuntjes als “Now He’s Gone” en “Someday”. Maar ook eerder folkgericht materiaal als “Colder Than The Snow”, “Top Of The Hill”, “Come Home” en “Look Out For That Boy” gaat erin als zoete koek. Om een lang verhaal kort te maken: “Hypnotized” is gewoon een heel mooi album van een erg getalenteerde youngster.

Naomi Sommers

CD Baby

 

 

JAMES KING

“The Bluegrass Storyteller”

(Rounder Europe)

(4) J J J J

 

James King wordt al zo’n tien jaar lang aanzien als één van de mooiste stemmen die het traditionele bluegrassgenre rijk is. Als geen ander verstaat de man de kunst de lang vervlogen hoogdagen van zijn muzikale helden – met voorop Carter Stanley – te laten herleven. En zijn jongste project, het veelzeggend getitelde “The Bluegrass Storyteller”, zal die uitstekende reputatie alleen nog maar verstevigen. Op die voornamelijk uit ballads bestaande collectie presenteert King in onvervalste old-school-stijl dertien liedjes-die-een-verhaal-vertellen. Wat het geheel zo speciaal maakt, is dat hij zich bij het vergaren van zijn materiaal allerminst beperkt heeft tot het klassieke bluegrass-idioom. Zo waagt hij zich niet alleen aan covers van country classics als Lefty Frizzells “Saginaw, Michigan” en Porter Wagoners “Carroll County Incident”, maar moeten bijvoorbeeld ook de traditional “Just As The Sun Went Down”, Robert Earl Keens “Coldest Day Of Winter”, David Olney’s “Jerusalem Tomorrow”, Fred Eaglesmith z’n “Flowers In The Dell” en Buddy Millers “Garage Sale” eraan geloven. Op die manier slaagt King erin bluegrass-oude-stijl een bijzonder attractieve facelift te geven, die hem wellicht binnen afzienbare tijd heel wat nieuwe volgelingen zal gaan opleveren. En laat ons wel wezen, die verdient hij op basis van de hier tentoongespreide combinatie van bezieling en muzikaal vakmanschap eigenlijk gewoon ook dubbel en dik.

James King

Rounder Europe

 

 

DRIVE-BY TRUCKERS

“Gangstabilly”

(3,5) J J J J

“Pizza Deliverance”

(3,5) J J J J

(New West / Sonic Rendezvous)

 

Greetings from the Dirty South!

De machtige dubbelaar “Southern Rock Opera” markeerde in 2001 hun definitieve doorbraak. Sedertdien behoren schuurpapieren schreeuwboei Patterson Hood en z’n maatje-van-het-eerste-uur Mike Cooley en kompanen tot het vooralsnog behoorlijk selecte clubje der echte toppers binnen het alt. country-genre. Een gegeven dat ook hun huidige werkgever New West Records duidelijk niet ontgaan is. Daar besloot men immers zopas tot reissues van hun ondertussen nog maar moeilijk verkrijgbare eerste twee platen. Het betreft in fraaie digipacks gestoken geremasterde versies van hun debuut “Gangstabilly” uit ’98 en de opvolger daarvan, het uit ’99 stammende “Pizza Deliverance”. Voer vooral voor devote fans en volledigheid van hun collecties nastrevende verzamelaars dus, horen we je luidop denken. Maar niks is minder waar, want ook andere liefhebbers van een gedegen portie (country)rock-met-ballen zullen hier beslist wel raad mee weten. De Truckers stonden immers van meet af aan garant voor een bijzonder lekkere, kloek gespierde herdefiniëring van het begrip Southern rock. Een soort van Lynyrd Skynyrd-update voor het nieuwe millennium zeg maar. Met een geheel eigen gezicht weliswaar. Iets waar het originele artwork, waarin hun albums steevast worden gehuld, in niet geringe mate toe bijdraagt. Krachtige staaltjes country rock, ouderwets hortende Southern boogie escapades en forse ballads doen de rest. Vroege band-klassiekers als “The Living Bubba”, “Buttholeville” en meelaller “Steve McQueen” van “Gangstabilly” en “Too Much Sex (Too Little Jesus)”, “Bulldozers And Dirt” of “The Night G.G. Allin Came To Town” van “Pizza Deliverance” bleken alvast zeer betrouwbare indicatoren voor al het goeds dat later volgen zou.

Drive-By Truckers

New West

Sonic Rendezvous 1

Sonic Rendezvous 2

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Still Crazy After All These Years Volume One”

(20 Years Of Live Music In Mettmann)

(Valve Records)

(3,5) J J J J

 

 “Still Crazy After All These Years, Volume One” is een onlangs bij de bescheiden Duitse platenmaatschappij Valve Records verschenen en naar een nummer van Paul Simon vernoemde “tip of the hat” aan het adres van Wolfgang Pieker, die al zo’n twintig jaar lang hemel en aarde beweegt om in en om zijn thuishaven Mettmann het rootsgebeuren concertgewijs in beeld te houden. En dat, vond labelbaas Reinhard Finke, verdient alle lof. Hij bediende zich voor dit bedankje van live-opnamen, die tijdens door Pieker georganiseerde optredens werden gemaakt. Het betreft daarbij veelal akoestische of in minimale bezetting vertolkte roots en blues gigs. Bekende namen als Ray Wylie Hubbard (“The Ballad Of The Crimson Kings”), Terry Clarke (“Candyman’s Last Night”), Richard Dobson (“Living With A Loaded Gun”), Slaid Cleaves (“Not Going Down”), Ronny Elliott (“The Twist Came From Tampa”) en Spencer Bohren (“Night Is Fallin’”) worden erop afgewisseld met al bij al toch wat minder in het oog springende als die van Dave Kelly, John Fiddler, Rock Bottom, Peter Jagger, Kent DuChaine, Tam White’s Shoestring Band, The Jim Hunter Band en wijlen Jo Ann Kelly. Leuke hebbedingetjes zijn daarbij vooral een stel samenwerkingen van The Jim Hunter Band met andere artiesten. Een prachtige uitvoering van The Band-klassieker “The Weight” bijvoorbeeld met Ronny Elliott en Terry Clarke, om er maar één te noemen. Leuk initiatief!

Valve Records

 

 

RONNY ELLIOTT

“Valentine Roadkill”

(Blue Heart / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Als er wekelijks zoveel platen door je handen gaan als dat hier het geval is, dan verlies je gemakkelijk het zogenaamde “fangevoel”. Je weet wel, dat telkens weer met klamme handjes zitten wachten op het nieuwe album van één van je persoonlijke favorieten. Er zijn nog maar weinig artiesten die dat hier klaar krijgen. Ronny Elliott behoort echter tot de uitzonderingen die deze regel bevestigen. Die uit Tampa, Florida afkomstige singer-songwriter behoort wat ons betreft immers tot het allerbeste wat je op rootsvlak overkomen kan. Elliott is als het ware de perfecte kruising tussen de late Johnny Cash, Lou Reed en onze eigen Herman Brusselmans. Een bijzonder lekkere rauw-hees-tedere stem, uit de diepste krochten van zijn ziel opwellende - vaak best wel wat pessimistisch aandoende - overpeinzingen, een flinke dosis cynisme ook. Heerlijke teksten schrijft de man. Echt luistermateriaal. Vaak meer gesproken dan gezongen nodigt hij je tegen een over het algemeen eerder ingetogen Americana-achtergrond uit om in zijn gedachtenwereld binnen te treden. Op “Valentine Roadkill”, zijn achtste album ondertussen ook alweer, levert dat eens te meer tal van pareltjes op. Zoals het over subtiel drumgeroffel en precieus banjowerk heen gedrapeerde “When Idols Fall”, waarin hij het heeft over het plotse heengaan van helden en de daarmee gepaard gaande - vaak permanente - gevoelens.

“When idols fall

They land with a crash

It’s not a sound

You will soon forget,”

luidt het daarin even simpel als doeltreffend. Heel knap zijn verder ook “Mr. Edison’s Chair”, de laatste woorden van een voor moord terechtgestelde, en het bitterzoete anti-oorlogsliedje in de “als-dan-vorm” “No More War”. Verder zijn er ondermeer ook covers van “songs from great pals” - zoals hij ze zelf noemt - Rob McNurlin (“Powder And Lead”), Terry Clarke (“The Blue Girl Says Yes”) en Pete Yorkunas (“War-Scarred Horses”). Stuk voor stuk passen ze perfect in het geheel.

Al bij al dus weer ruimschoots voldoende uitstekend materiaal om ons ook naar de volgende Ronny Elliott-plaat weer met hangende pootjes te doen uitkijken. Tot het zover is nemen we echter graag nog even genoegen met “Valentine Roadkill”. Zou jij eigenlijk ook moeten doen…

Ronny Elliott

Sonic Rendezvous

 

 

FRANK CARILLO & THE BANDOLEROS

“(Bad Out There)”

(Jezebel / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

Frank Carillo gaat al een kleine eeuwigheid mee in het muzikantenvak. Zo was hij bijvoorbeeld ooit nog één van de oprichters van Doc Holiday. En met zijn gitaarlicks en songs haalde hij ondermeer de platen van Peter Frampton, Johnny Hallyday, Carly Simon, Joan Jett & The Blackhearts en recent nog Anouk en Golden Earring. Om maar te zeggen, dat de man van veel markten thuis is. Zelf appreciëren we vooral de twee platen die hij samen met kauwgomballen-Annie (Golden) van The Shirts afleverde aan het begin van de jaren negentig. Met name het machtige “A Fire In New Town” belandt hier nog regelmatig in de CD-speler.

Met het samen met The Bandoleros ingeblikte “(Bad Out There)” mikt Carillo nu resoluut op de roots rock/alt. country/singer-songwriter-markt. Lekker vette roadhouse rock à la “Bad Out There” of “Watcha Gonna Do (When The Levee Breaks)”, roots rock power ballads type “Red Queen”, Willy DeVille-achtig materiaal zoals “Chapel Street” of “Blame All My Troubles On The Moon”, een enkele blues & soul escapade als “Tail That Wagged The Dog” en vooral veel rootsy singer-songwriterspul (“Last Plane”, “Just A Photograph”, “The Bluebird Is Gone”) illustreren nogmaals de veelzijdigheid van Carillo. De man is een kanjer van een gitarist, kan een aardig stukje uit de voeten op de mondharmonica, heeft een bijzonder soulvolle strot en weet bovendien een alleraardigst liedje te pennen. Luister bijvoorbeeld bij gelegenheid maar eens naar het knappe staaltje storytelling dat “With Her Pajamas On” is. Als een volleerde observator beschrijft Carillo daarin tegen een duidelijk door zigeunermuziek beïnvloede achtergrond een door langdurig tergend gedrag uitgelokte moord:

“There were pins in the carpet

Broken glass in the hall

They cordoned off the bedroom

There was blood on the wall

They found him in the bathroom

With three fingers gone

She did it all With Her Pajamas On”

Echt veel wordt er niet aan je verbeelding overgelaten, niet?

Boeiend plaatje!

Frank Carillo

Sonic Rendezvous

 

 

KIMMIE RHODES

“Windblown”

(Sunbird / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 “Windblown”, de jongste CD van de vooral dankzij haar samenwerkingen met good old Willie Nelson enige naambekendheid genietende Texaanse zingende liedjesschrijfster Kimmie Rhodes, is naast een voortreffelijke collectie liedjes ook de soundtrack bij het gelijknamige door haar samen met Joe Sears (Greater Tuna) geschreven toneelstuk. Als vanouds presenteert Rhodes zich daarop in de tien verspreid over twee acts aangeboden liedjes als één van de beste chanteuses die momenteel in Americana-land actief zijn. Haar stem waart glashelder en behoedzaam als de wind uit de titel van het album rond doorheen je huiskamer. En cracks als haar zoon Gabe, niet enkel op onnoemelijk veel instrumenten aanwezig maar het geheel ook producerend, Joe Gracey (gitaar), John Gardner (drums en percussie), de alomtegenwoordige Lloyd Maines (dobro en steel), Richard Bowden (violen en mandoline) en David Carroll (upright bass) doen de rest. Liefhebbers van Texaans singer-songwriter-materiaal zullen hier dan ook een vette kluif aan hebben. Als je de ogen even sluit bij het beluisteren van dit kleinood, waan je je zo in het broeierige Zuiden van de States.

Kimmie Rhodes

Sonic

 

 

ANNA COOGAN AND NORTH19

“Glory”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 “Aanbevolen als je houdt van Gillian Welch, Whiskeytown, Alison Krauss en Neko Case” staat er een beetje pocherig te lezen in de bij het eigenlijke full CD-debuut van de jonge Anna Coogan en haar band North19 meegeleverde one sheet. Nu lees je dat soort van dingen wel eens vaker in de obligate promotionele velletjes zonder dat er al te veel belang aan dient te worden gehecht, maar ditmaal schuilt er wel degelijk een zekere kern van waarheid in die woorden. De jonge Coogan (zang en gitaar) beschikt immers over een uitzonderlijk mooie stem en haar begeleiders Travis Beard (akoestische en elektrische banjo) en Kevin Burkett (bas) rollen bovendien het ideale klanktapijt uit om haar in de gelegenheid te stellen haar vocale kunstjes te vertonen. Coogan klinkt als het ware als een kruising tussen Gillian Welch, Natalie Merchant en – iets dichter bij huis – Tanita Tikaram. En met net zo’n zalige typische snik in de stem vertelt ze haar enigszins beklemmende verhaaltjes over hartzeer, eenzaamheid en hoop. De ondertoon van de muziek van Coogan en haar gezellen is er voornamelijk één van bluegrass en Americana, maar elementen uit folk, country, rock en blues laten zich toch ook zonder al te veel moeite aanwijzen. Gastmuzikanten zijn Dave Abramson (Diminished Men, The Sleepy Workers / drums), Mike Grigoni (Barbed Wire Cutters, Korby Lenker / lap steel en dobro) en Garth Highsmith (Mayor West, Chuckanut Drive / pedal steel).

2005 mag dan nog maar goed een maand oud zijn, “Glory” van Anna Coogan And North19 schrijven we toch alweer op als de zoveelste muzikale verrassing van formaat.

Anna Coogan And North19

CD Baby

 

 

AGGIELAND

“Welcome To Aggieland”

(Music & Words)

(3,5) J J J J

 

In de rugdekking van gevestigde waarden als Ad “The Watchman” Van Meurs en Gerard van Maasakkers en als muzikale wederhelft van Ankie Keultjes binnen The Very Girls wist Eindhovense Aggie de Kruijf zich niet enkel in eigen Nederland van een aardige reputatie in Americanakringen te verzekeren. Met Keultjes toerde ze zelfs enkele keren door de States om daar op die manier de verkoop van hun goed onthaalde tweede CD “Elsewhere Bound” nog wat aan te zwengelen. Aggieland betekent nu echter een nieuwe stap in haar carrière. En in gitarist-componist Stephan Jankowski vond de Kruijf daarvoor naar eigen zeggen een ideale metgezel. Die bleek immers de juiste man om haar liedjesteksten van een gepast muzikaal decorum te verzorgen. Het resultaat zijn een twaalftal over het algemeen als breekbaar te omschrijven songs, die voornamelijk naar folk, pop en hier en daar ook voorzichtig naar Americana / country neigen. Voornaamste pluspunten op het rapport van Aggieland zijn de werkelijk glasheldere stem van de Kruijf zelf en het knappe akoestische snarenwerk van Jankowski. Andere muzikanten op het album zijn Jim van Rossum (akoestische gitaar), Paddy van Rijswijk (bas), Sandra Sahupala (percussie), Stephan van der Meijden (drums en percussie), Johan Jansen (pedal steel), Jan Kooper (sax) en Cajan Witmer en Roger Happel (toetsen). Met z’n allen mag je hen verantwoordelijk achten voor een album dat elke liefhebber van luisterliedjes een warm gevoel vanbinnen zal bezorgen.

Aggieland

Music & Words

 

 

RAY WYLIE HUBBARD

“Delirium Tremolos”

(Philo / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

Sedert zijn opgemerkte comeback in 1995 met “Loco Gringo’s Lament” levert Texas Troubadour Ray Wylie Hubbard met enige regelmaat nieuw plaatwerk af, dat gekenmerkt wordt door een vrijwel constant erg hoge kwaliteit. Zowel tekstueel als muzikaal gezien zit je bij de grofgevooisde auteur van het klassieke “Up Against The Wall, Redneck Mother” altijd weer goed. En bovendien weet hij zich ook steeds weer met de juiste mensen te omringen om zijn gedachtengoed ook op de gewenste manier te vereeuwigen. Wat dat laatste betreft spant zijn nieuwe CD “Delirium Tremolos” trouwens de kroon. Dat een stuk toegankelijkere werkstuk dan zijn – overigens wel meesterlijke – vorige album “Growl” bevat gastbijdragen van Gurf Morlix, die ook tekende voor de productie, Eliza Gilkyson, Ian McLagan, Rick Richards, Jack Ingram, Kimmie Rhodes, Patty Griffin, Bob Schneider, Jon Hahn, Ray Bonneville, Cody Canada (van Cross Canadian Ragweed) en James McMurtry. Met deze gerespecteerde vakbroeders en –zusters waagt Hubbard zich aan een flink stel covers van eigen favorietjes en aan een trits nieuwe nummers. Het door een sfeervolle steelbijdrage van Gurf Morlix en dito orgelwerk van Ian McLagan gedragen “The Beauty Way” is zo bijvoorbeeld een eigen interpretatie van een nummer van Eliza Gilkyson, wier vader – folkveteraan Terry Gilkyson – door Hubbard genoemd wordt als één van zijn vroegste invloeden. La Gilkyson doet overigens ook zelf mee hier. “Rock And Roll Gipsies” en “Drivin’ Wheel” leende Hubbard respectievelijk van de uit Oklahoma afkomstige singer-songwriter Roger Tillison en van David Wiffen. Telkens is het Patty Griffin die er vocaal een handje in mee helpt. Knappe ingetogen Americanaliedjes zijn het, evenals de Hubbard-Morlix-Ingram-samenwerking “Dallas After Midnight” trouwens. Dat liedje lijkt zo te zijn weggelopen van het repertoire van een Steve Earle of een Slaid Cleaves. Diens maatje Rod Picott is ook vertegenwoordigd met het zacht rockende “Torn In Two”, door Hubbard gebracht met Kimmie Rhodes. Cleaves zelf treffen we wat verderop ook aan in het als een lap moderne gospel opgevatte “This Mornin’ I Am Born Again”, een liedje waarvoor hij trouwens met zijn gastheer ook de muziek schreef onder een tekst van Woody Guthrie. Zijn eigen klassieker “Dust Of The Chase” meet Hubbard vervolgens samen met Gurf Morlix (gitaren, bas en percussie), Jon Hahn (drums) en Ray Bonneville (harmonica) een panoramisch Americana-jasje aan, de traditional “Roll And I Tumble” is klasse blues, het met Cody Canada gepende “Cooler-N-Hell” stevige bluesgeoriënteerde roots rock en “Choctaw Bingo” een stevige cover van een nummer van de daarin ook zelf de elektrische gitaar beroerende James McMurtry.

“Delirium Tremolos” legt al bij al dus wat meer de nadruk op de zingende liedjesschrijver Ray Wylie Hubbard dan op diens aan de blues verslaafde alter ego van “Growl”. Dat neemt echter niet weg, dat het opnieuw een uitstekende plaat geworden is.

Ray Wylie Hubbard

Rounder Europe