ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2006

 

 

archief

 

november     december     januari

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Jessi Colter “Out Of The Ashes”Amelia White “Black Doves”Hillbilly Idol “Lights Of Town”Phil Trigwell & Los Bandhagos “Boogie Woogie Cowboy” - Jenny Lewis With The Watson Twins “Rabbit Fur Coat”Cat Power “The Greatest”Hooverville “Follow That Trail Of Dust Back Home” - Hank III “Straight To Hell”Kevin Kerby “The Secret Lives Of All Night Radios”Dan Crump “Truth Is” - Brock Zeman & The Dirty Hands “Brock Zeman & The Dirty Hands”Mark Ambrose “Put The Hammer Down” - Kevin Banford “Between Heaven & L.A.”Boris (McCutcheon) & The Saltlicks “Cactusman versus the Blue Demon” - Johnny Dowd “Cruel Words”Amy LaVere “This World Is Not My Home” - Cuban Heels “Gutbucketmusic”Jack Johnson & Friends “Curious George”Cowboy Mouth “Voodoo Shoppe”Mark Lemhouse “The Great American Yard Sale” - Various Artists “Walk The Line – Original Motion Picture Soundtrack”Bottle Rockets “Live In Heilbronn / Germany July 17, 2005” - Sara Hamilton “Call My Name”Wayne Scott “This Weary Way”Duncan Sheik “White Limousine”Sara Tavares “Balancé” - Johnny Cash & June Carter Cash “Duets”Various Artists “The Southern Sessions” - Grand Theft “Lucky”The Cottars “Forerunner” - Isobel Campbell & Mark Lanegan “Ballad Of The Broken Seas”Julia P “Making Up For Lost Time”The Duhks “Your Daughters & Your Sons” - Patty Hurst Shifter “Too Crowded On The Losing End”The Great Crusades “Four Thirty” - Stevie Ray Vaughan “Collections”Dana Cooper “Made Of Mud”Various Artists “A Case For Case (A Tribute To The Songs Of Peter Case)”Hayes Carll “Little Rock”Rainravens “The Best Of Rainravens” - Sarah Harmer “I’m A Mountain”Alana Levandoski “Unsettled Down”Linda Ronstadt “The Best Of Linda Ronstadt – The Capitol Years”Kenny Rogers “21 Number Ones” - Rowwen Hèze “Kilomeaters – ‘t Beste Van 20 Joar Rowwen Hèze”Norman & Nancy Blake “Back Home In Sulphur Springs”John McCutcheon “Mightier Than The Sword”Marshall Chapman “Mellowicious!” - BR549 “Dog Days”Robyn Ludwick “For So Long”Jackie Morris “Where The Legends Grow Like Weeds” - Kenny Roby “The Mercy Filter”Will T. Massey “Alone”

 

JESSI COLTER

“Out Of The Ashes”

(Shout Factory / Sony BMG)

(4) J J J J

 

 

Een veel toepasselijkere titel was voor deze onverwachte comebackplaat van Jessi Colter amper mogelijk geweest. De weduwe van wijlen Waylon Jennings kende haar voorlopige moment de gloire vooral in de jaren zeventig en de vroege jaren tachtig. Toen scoorde ze een stel behoorlijk grote hits, waarvan “I’m Not Lisa” wellicht de bekendste is. En daarnaast speelde ze samen met haar wederhelft en knapen als David Allan Coe en Willie Nelson natuurlijk ook een belangrijke rol in de zogeheten Outlaw Country-beweging.

In het midden van de eighties keerde ze de muziekbusiness evenwel de rug toe om zich wat beter op de opvoeding van haar zoon te kunnen gaan concentreren. Maar nu Shooter zelf al weer een poosje in de spots staat, acht “the Belle of The Outlaws” de tijd gekomen om ook zelf weer eens met een nieuwe plaat uit te pakken. En wat voor één! Producer Don Was slaagde er – cfr. Rick Rubin - ook ditmaal weer in om een beschermelinge op respectabele leeftijd naar bij momenten echt wel fenomenale hoogten te stuwen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de nooit eerder verschenen samenwerking tussen Colter, haar overleden echtgenoot en Tony Joe White in diens “Out Of The Rain”. Dat is zondermeer country soul van het allerbeste soort. Of naar “Rainy Day Women #12 & #35”, de lijzige (bluesy) cover die ze van het gelijknamige Dylan-nummer uit de mouw schudt. Ook dat is zeer straffe kost. En dan is er nog “Please Carry Me Home”, een droom van een pianoballade, waarin zoonlief Shooter Jennings beurtelings naast en in de schaduw van zijn moeder figureert. Opnieuw zo’n kippenvelmoment.

“Out Of The Ashes” is eigenlijk gewoon als geheel een bijzonder sterke collectie liedjes, waarin country niet langer het enige hoofdbestanddeel vormt. Wellicht onder invloed van vriend des huizes Ben Harper – die haar ook aanmoedigde om opnieuw een carrière te ambiëren - en producer Don Was kiest Colter anno nu ook resoluut voor genres als blues, gospel en rock. En dat mag ze wat ons betreft nog wel even blijven doen ook, want dit is wat wij een “retour de force” zouden willen noemen. Graag meer van dattum!

Jessi Colter

Shout! Factory

 

 

AMELIA WHITE

“Black Doves”

(Funzalo Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

Amelia White verkaste in 2002 van haar toenmalige thuishaven Boston naar Nashville. Dat was – met het oog op de carrière als singer-songwriter die ze ambieerde – een behoorlijk berekende zet. Niet alleen vond ze op Music Row een onderkomen tussen andere, gelijkgestemde geesten als een Lori McKenna en een Bill Lloyd, waarmee ze meteen samen aan de slag kon voor het schrijven van nieuwe liedjes, óók op het vlak van de muzikale invulling van haar platen had ze zich geen betere voedingsbodem kunnen dromen. In het lijstje met de betrokkenen bij haar nieuwe CD “Black Doves” treffen we zo ondermeer de namen aan van gitaristen Doug Lancio (Patty Griffin) en Adam Schoenfeld (Big & Rich), van drummer Paul Griffith (John Prine) en van toetsenman John Deaderick (Dixie Chicks). En voor de productie tekenden studioratten Neilson Hubbard (Matthew Ryan, Garrison Star) en Brian Brown (Juliana Hatfield).

Dat “Black Doves” als geheel staat als een huis hoeft dan ook geenszins te verwonderen. White bekoort als vanouds met haar beurtelings kwetsbare en krachtige voordracht. En muzikaal gezien weet ze zich hier al pendelend tussen (folky) popliedjes à la Aimee Mann en naar alt. country neigende deunen op z’n Lucinda Williams in het allerbeste gezelschap. Net als die twee grossiert trouwens ook White in intelligente teksten. De mooiste voorbeelden daarvan zijn de in de nadagen van 9/11 ontstane nummers “Black Doves”, “Snakes And Pushers”, “Lucky” en “Broke But No Broken”. Vooral dat laatste, een ingetogen beauty over de problemen die heel wat muzikanten hadden om na die bewuste septemberdag nog aan optredens te geraken, en het in meer dan één opzicht aan Lucinda Williams herinnerende titelnummer (“The song of those left behind in war-time without the ones they love.”) zijn liedjes waarmee de radiotoekomst van White weer voor een poosje verzekerd zou moeten zijn. Ook mooi: het aparte, door Neilson Hubbard en Mack Starks aangedragen liefdesliedje “Dig Me Out” en het in een James Bond-achtig sfeertje badende “Tupelo Train”. Dat soort van songs zou er wel eens kunnen voor gaan zorgen, dat 2006 het jaar van Amelia White wordt.

Amelia White

Funzalo Records

Miles Of Music

 

 

HILLBILLY IDOL

“Lights Of Town”

(Yodel-Ay-Hee)

(3,5) J J J J

 

 

 

Hillbilly Idol, we blijven het een leuke naam én een leuke groep vinden. Ook op hun ondertussen derde CD – na het eerder verschenen en ook van harte aanbevolen tweetal “Town And Country” en “Hillbilly Idol” – serveren Paul Kovac (zang, gitaar, banjo), Al Moss (zang, gitaar, pedal steel) en Bill Watson (zang, akoestische bas) “country the way it’s supposed to be”. Hier wordt vooral niet teveel moeilijk gedaan. Twaalf goudeerlijke liedjes worden ons voorgeschoteld, die met uitzondering van het afsluitende “Morning Star” – van Thumbs Carllile - stuk voor stuk uit de eigen koker stammen. Paul Kovac nam er daarvan zes voor zijn rekening, Alan Moss de resterende vijf. Aan variatie daarbij absoluut geen gebrek! Binnen het countrygenre kan je blijkbaar heel wat kanten op. Titelnummer “Lights Of Town” is zo trage Western swing, “Another Chance At Paradise” krijgt mede door de fiddle-inbreng van Denny Jones en het accordeon van Jeff Pecon een cajun-randje mee, “Quadruplet Polka” is alles wat z’n titel belooft, “I Still Care” is jazzy late night swing, “Tale Of The Mouse Suit” is verhalende country, “Blue Showin’ Through”, “Thinkin’ About Charlie” en “Just Another You” zoeken het in bluegrass-wateren, “Comin’ Home By Goin’ Away” had van The Carter Family kunnen zijn, meezingertje “Anywhere But Here” vaart wel bij een zalige pedal steel-partij van Al Moss, “Lavada” is een old-timey liefdesliedje - gekruid met een bijzonder funky banjootje en de knappe stem van gastvocaliste Jennifer Lee - en het afsluitende “Morning Star” is een dromerige C&W-instrumental.

Vernieuwend? Absoluut niet! Goed? Abso-zeker-weten-luut wél!

Hillbilly Idol

CD Baby

 

 

PHIL TRIGWELL & LOS BANDHAGOS

“Boogie Woogie Cowboy”

(Tessy / Rhythm Bomb)

(3) J J J

 

 

 

Het Duitse Rhythm Bomb Records blijft verbazend actief de jongste maanden. Nu pakt men er weer uit met nieuw materiaal van Phil Trigwell. Dat is een in Zweden residerende Engelsman die al meer dan een decennium lang hoge ogen gooit binnen het Europese rockabillycircuit. Op zijn kersverse CD “Boogie Woogie Cowboy” kiest de beste man echter resoluut voor een wat ruimere aanpak. Met zijn nieuwe groep Los Bandhagos gaat hij daarop aan de slag met genres als Western swing, hillbilly bop en rockabilly. En natuurlijk mochten ook een aantal ballades niet ontbreken. Het resultaat is een gemakkelijk wegluisterende plaat, die haar sterkte vooral verdankt aan Trigwells karakteristieke zangpartijen en het bij momenten werkelijk verbluffende gitaarwerk van A. J. Hawkinson. Enkele van de beste momenten: de knallende rockabilly van “Rock, Bop, Jump & Jive”, het zijn titel alle eer aandoende “Freight Train Boogie” en het vrijwel doorlopend tussen country en rock & roll twijfelende “No Good Lover”.

Rhythm Bomb Records

CD Baby

 

 

JENNY LEWIS WITH THE WATSON TWINS

“Rabbit Fur Coat”

(Rough Trade)

(4) J J J J

 

 

Rilo Kiley-zangeres Jenny Lewis gaat op “Rabbit Fur Coat” vreemd. Niet alleen onttrekt ze zich op die plaat aan het strakke keurslijf van haar vaste groep, in het gezelschap van de vooralsnog relatief onbekende Watson Twins grijpt ze schaamteloos terug naar de muziek waarmee ze opgroeide. En dat levert een echt plaatje van een plaat op. Van bij de eerste noten van openingsnummer “Run Devil Run”, een a capella gebrachte gospelhymne, hangt er meteen elektriciteit in de lucht. Je beseft onmiddellijk dat er hier nog mooie dingen te gebeuren staan. En zo is het maar net ook! De Watson Twins zorgen met hun delicaat harmonieerwerk vrijwel doorlopend voor de mooist denkbare voedingsbodem voor Lewis’ eigen soulvolle stem. Daardoor belandt die laatste in nummers als “Rise Up Your Fists!” en “Melt Your Heart” aardig in het kielzog van van pure klasse druipende madammen als Dusty Springfield, Shelby Lynne, Allison Moorer en Suzie Ungerleider van Oh Susanna. Maar ook breekbare folk (“Happy”), country rock (“The Charging Sky”), pop (“You Are What You Love” en “Born Secular”) en Americana (het dromerige walsje “Rabbit Fur Coat” en een mooie, met M. Ward, Conor Oberst van Bright Eyes en Benjamin Gibbard van Death Cab For Cutie gebrachte cover van “Handle With Care” van de Traveling Wilburys) staan op het “Rabbit Fur Coat”-menu. Dat er bij zoveel stilistische verscheidenheid toch een erg coherent geheel uit de bus kwam, heeft zo goed als alles te maken met de zang. Het zijn immers vooral de stemmen van Lewis zelf en de Watson-tweeling die het hem hier doen. Menig een kippenvelmoment gegarandeerd!

Jenny Lewis

Glitterhouse Records

 

 

CAT POWER

“The Greatest”

(Matador Records)

(4) J J J J

 

 

En nog zo’n onverwachte klepper vanuit de alternatieve hoek! Chan Marshall trok voor haar jongste worp naar de legendarische Ardent Studios in Memphis, TN. Daar kon ze terugvallen op de vakbekwame hulp van een heus sterrencollectief aan lokale muzikanten (waaronder Mabon “Teenie” Hodges, Steve Potts, Leroy Hodges, David Smith en Rick Steff). Dat “The Greatest” een bijzonder soulvol album is geworden zal dan ook wel niemand meer echt verbazen. Met haar fluwelen stem streelt Marshall hier twaalf nummers lang zachte pianoakkoorden, groovy gitaartjes, zoemende basklanken, terughoudende blazers en occasioneel ook strijkers, keyboards en een verdwaalde pedal steel. Ze treedt zodoende een weinig in de voetsporen van Shelby Lynne. Ook in het potje wat zij hier klaarmaakt treffen we naast tonnen soul immers elementen uit Americana, blues en rock aan, zij het dan ook maar in beperkte mate. Nummers als het nog licht alternatieve “The Moon”, de pianoballades “Where Is My Love” en “Lived In Bars”, het in strijkers zwelgende titelnummer “The Greatest”, de pure soulmomenten “Living Proof” en “Could We” of het een lichte hang naar country vertonende “Empty Shell” zullen er alleszins voor gaan zorgen dat ook Cat Power straks in heel wat jaarlijstjes hoge ogen gaat gooien.

(Uitkijken naar de gelimiteerde digipackversie loont overigens wel de moeite. Daarop staat immers één nummer meer dan op de gewone uitvoering van het album. En dat is in dit geval mooi meegenomen.)

Cat Power

Matador Records

Miles Of Music

 

 

HOOVERVILLE

“Follow That Trail Of Dust Back Home”

(Back Up And Push Records)

(3,5) J J J J

 

 

Hooverville ontstond eerder toevallig toen John Bemis (zang, akoestische gitaar, fiddle) en Greg Hanson (zang, akoestische, elektrische en Hawaïaanse slidegitaar, mandoline, bouzouki, harmonica) er negen jaar geleden achter kwamen, dat ze allebei behoorlijk weg waren van het muzikale erfgoed van hun land ten tijde van de Great Depression. Een kleine drie jaar later debuteerden ze met “Lucky Rabbit’s Foot”. En dat album mocht meteen rekenen op de nodige kritische bijval. Voor de goede punten zorgden indertijd vooral de knappe liedjes van het duo en hun een weinig aan de klassieke “brother acts” van weleer herinnerende samenzang.

Ondertussen zijn we echter alweer een jaar of zes verder en blijkt er het een en ander veranderd te zijn. Met akoestische bassist Paul Dowds diende zich tegelijk ook een derde zanger en songwriter aan. En met drummer Nathan Logan d’rbij is er nu zelfs sprake van een heus kwartet. Uiteraard heeft zulks ook zijn invloed gehad op het geluid van de groep. Op “Follow That Trail Of Dust Back Home” belanden de vier heren geregeld aardig dicht in de buurt van wat The Band en The Flatlanders hen jaren geleden al voordeden. Country, bluegrass, blues, folk en roots rock vinden stuk voor stuk hun weg naar het repertoire van de vier uit Hillsborough, NC. In een productie van James “Jimbo” Mathus (Elvis Costello, Buddy Guy) werden dertien eigen liedjes aan tape toevertrouwd, die stuk voor stuk onder de noemer Americana vallen. Van de relaxte opener van de plaat, het volop aan de hoogdagen van Robbie Robertson en co refererende “Carrying This Heartache”, over het vaagweg aan Creedence Clearwater Revival herinnerende “Another Sweet Dawn”, de knappe country folk van “Rain Song”, de pittige Americana van “Honey” of de bluegrass-escapade “Oh, Kentucky!” tot de – alweer lekker - lijzige afsluiter “Old, Old River” valt hier maar bitter weinig op af te dingen. Straffe liedjes, knappe samenzang, een gedegen instrumentbeheersing, meer moet dat niet zijn, of wel soms?

Hooverville

CD Baby

 

 

HANK III

“Straight To Hell”

(BRUC Records)

(4,5) J J J J J

 

 

 

Je kent ‘m ongetwijfeld ook wel, die zwart-witfoto waarop wijlen Johnny Cash – Daar heb je hem ook weer! - met een verbeten trek om de mondhoeken een fotograaf op een opgestoken middenvinger trakteert. Welnu, als muzikaal statement heeft “Straight To Hell”, de derde van Hank III, zo ongeveer dezelfde uitstraling. Het album klinkt als een welgemeend “Fuck you!” aan het adres van een industrie, die zo’n jaar of twee geleden onbegrijpelijkerwijze nog bijzonder weigerachtig stond tegenover een nieuw album van de man. Een aantal van de nummers van het helaas nooit verschenen “Thrown Out Of The Bar” duiken nu zelfs op “Straight To Hell” op.

Die dubbele nieuwe – “one done right, one done wrong” - van de afstammeling van de wellicht grootste countryzanger ooit is een behoorlijk apart gevalletje. “A thrill ride into a life of sin,” noemt de Hankster het zelf. Het parental advisory-stickertje siert dan ook niet geheel en al toevallig de voorkant van het hoesje ervan. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het fulminante “Dick In Dixie” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Aan een rotvaart deelt de jonge Williams ons met een uitgestreken gezicht mee “I’m here to put the dick in Dixie and the cunt back in country.” En geloof ons vrij, het klinkt hier bepaald geloofwaardig ook. “Straight To Hell” lijkt überhaupt een plaat met een missie. Forget about Nashville anno nu, durf vooral om te kijken en het countrygenre zijn al lang wenselijke eerherstel te geven. Zoiets.

Het album wordt afgetrapt met een stukje van de Louvin Brothers geleende gospel (“Satan Is Real”) dat nadat het door een duivels lachje wordt onderbroken openbarst in de wervelende “country pur” van het titelnummer van de plaat. Vervolgens is er het op de bekende Hank & Wayne-leest geschoeide swingertje “Thrown Out Of The Bar”, één van de nummers die hier van zijn niet verschenen vorige CD worden heropgevist. In “Things You Do To Me” zoekt de jonge Williams dan weer zeer nadrukkelijk het gezelschap van zijn overleden grootvader op en die zag dat het goed was. “Country Heroes” is een berustend twangend eerbetoon aan overleden en nog levende – maar in elk geval onverzettelijke - countryhelden als George Jones, David Allan Coe, Merle Haggard, Hank Williams, Waylon Jennings en Johnny Cash. Andere hoogtepunten zijn het rootsy ingevulde tweetal “Low Down” en “Pills I Took”, de speed country van “Smoke & Wine”, het relaxte en met de tong stevig in de wang geplant gebrachte “My Drinkin’ Problem” en het hemeltergend mooie “Angel Of Sin”, een trage die voor altijd door het leven zal blijven gaan als een stukje vlees en bloed geworden miserie

Een tweede CD’tje lijkt op het eerste gezicht slechts één enkele track te bevatten. Dat liedje,“Louisiana Stripes”, is country van het genre waarvoor ook de jonge Cash zich niet zou hebben geschaamd. Maar dan breekt de hel pas echt goed los…Met een ruim 42 minuten in beslag nemende hidden bonus track tackelt Hank III alles en iedereen. Het blijkt daarbij om één lang uitgesponnen geluidscollage te gaan waarin echt alles kan en mag. Vertraagde zang, een Hank I-cover, een Wayne “The Train” Hancock-liedje, een stukje van een samen met ZZ Top-gitarist Billy Gibbons geschreven song, tal van geluidjes, je zegt het maar… Weird is hier het aangewezen woord. Maar een veel duidelijkere bevestiging van het hier hoger al aangekaarte “Ge kunt ze kussen!”-gevoel was wellicht amper mogelijk geweest.

Hank III

 

 

KEVIN KERBY

“The Secret Lives Of All Night Radios”

(Max Recordings)

(3,5) J J J J

 

 

Of de naam Kevin Kerby al een belletje bij je zou moeten doen rinkelen, vroeg je? Zeker weten! Kerby was immers jarenlang de drijvende kracht achter het briljante, maar al die tijd helaas zwaar onderschat gebleven bandje Mulehead. “The Secret Lives Of All Night Radios” is zijn eerste onder eigen vlag. Daarop kiest hij resoluut voor een wat meer gediversifieerde aanpak dan in zijn groepsverleden. In Kerby’s liedjes blijkt dezer dagen niet alleen plaats voor een flinke dosis akoestische folk en country, maar evengoed voor behoorlijk intense elektrische rock- en popmomenten. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar nummers als “Your Disease”, “The Universal Junky Theory” en “Zombie Boys”, waarin de gitaren bij momenten aardig uit de bocht mogen gaan. Een gegeven waaraan de bepaald niet geringe inbreng van Matt Pence, Mark Hedman en Scott Danbom van Centro-Matic wellicht niet geheel vreemd zal zijn. En dat zijn trouwens niet de enige bekende gezichten die we hier in Kerby’s buurt aantreffen. Ook Brent Best van Slobberbone geeft acte de présence. Hij neemt in “Transistor Romeo” zowel de slide, het orgel als de harmonieën voor zijn rekening. Als geheel werkt “The Secret Lives Of All Night Radios” dan ook eerder als een plaat die je zou durven aanbevelen aan de fans van Will Johnson en Centro-Matic dan aan hen die Mulehead al wél wisten te appreciëren. ’t Was misschien wel even wennen in het begin, maar al na enkele beluisteringen ontpopte dit album zich tot een echte kuitenbijter van formaat.

Max Recordings

Miles Of Music

 

 

DAN CRUMP

“Truth Is”

(Audio 11 Records)

(3,5) J J J J

 

 

Zijn afkomst heeft hij alvast mee, deze knaap. De naam Lubbock staat immers al sinds jaar en dag goed op het visitekaartje van een singer-songwriter. En ook wat betreft zijn entourage heeft Dan Crump maar bitter weinig aan het toeval overgelaten. Als producer voor zijn debuut-CD wist hij zo bijvoorbeeld Ernie Wells te strikken. En met klasbakken als een Lloyd Maines, een Gene Elders, een Chip Dolan en een Teresa James in de buurt wist hij zich alvast ook van de juiste back-up verzekerd.

Crump levert dan ook een alleraardigste eersteling af. Variatie troef daarop: van aangenaam voortkabbelende countryluisterliedjes als “Forty Years” en “I’m Done” over roots & roll à la “Walk On” – mét Teresa James! - of het licht bluesy “She Likes Shoes” tot singer-songwritermateriaal van het betere soort genre het titelnummer en het vaagweg aan iets van Slaid Cleaves herinnerende “Dream On” of gewoon ongegeneerd naar de Texas Music Chart lonkend spul zoals het zomerse “Don’t You Know” of het behoorlijk traditioneel opgevatte “Met An Old Friend”.

Gefundenes Fressen voor wie houdt van wat variatie op zijn tijd dus, dit schijfje. Anderen zullen er wellicht juist weer over klagen, dat Crump wat al te veel terrein tracht te bestrijken op zijn maiden release. Dat neemt echter geenszins weg, dat deze Texaan een knappe tekst en een alleraardigst liedje in de vingers heeft en deze bovendien nog op de juiste manier weet te brengen ook. In platenkasten waar plaats is voor heren als Robert Earl Keen, Pat Green en Cory Morrow verdient Crump dan ook zeker een eigen stekje.

Dan Crump

CD Baby

 

 

BROCK ZEMAN & THE DIRTY HANDS

“Brock Zeman & The Dirty Hands”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4,5) J J J J J

 

 

Je houdt wel van lekker gruizige stemmen? Je houdt bovendien ook van singer-songwriters die hun country met een kloeke portie folk en rock opwaarderen? (Denk bijvoorbeeld aan een Steve Earle, een Robert Earl Keen, een Stephen Simmons en co.) Je stelt het daarnaast ook op prijs, als diezelfde knapen ook nog eens echt iets te vertellen blijken te hebben? Dan ben je bij Brock Zeman aan het juiste adres! Maar goed, dat wist je als aandachtige lezer van deze pagina’s natuurlijk al. Niet zo heel erg lang geleden staken we hier immers al eens uitgebreid de loftrompet af over ’s mans tweede CD “Songs From The Mud”. Het goede nieuws is echter, dat zijn zopas verschenen derde, “Brock Zeman & The Dirty Hands”, nog een stuk beter is dan die al verre van misselijke tweede. Voor de opnames van zijn nieuwste deed Zeman een beroep op de gelijknamige groep. Het betreft een bandje waarmee hij al sinds hij er vorig jaar tijdens een house gig in Perth mee kennismaakte samenspeelt. Nogal logisch dan ook, dat hij Keith Glass (elektrische gitaar, mandoline, zang), Peter Newsom (elektrische en akoestische bas), Peter Bigras (drums) en Kevin Sullivan (mandoline, dobro, akoestische gitaar, zang) mee de studio in troonde toen het op het inblikken van zijn nieuwe plaat aankwam. Vooral die laatste blijkt echt van goudwaarde voor het geluid daarvan. Met enkele zalige dobro- en mandolinebijdragen help hij aan Zemans derde een zeer puur rootsgevoel te verlenen. En dan hadden we het nog niet over zijn akoestische gitaarpartijen in de knappe Townes Van Zandt-cover “White Freight Liner” en het ingetogen, met veel gevoel aan Zemans overleden maatje Danny O’Connell opgedragen “Danny’s Song (The Fiddler’s Gone Home)”. Wat een kanjer van een muzikant!

Het gros van de lofbetuigingen dient echter vooral weer naar Zemans liedjes zelf uit te gaan. Die zijn immers opnieuw van een zodanig hoog niveau, dat je je als recensent bijna voortdurend afvraagt, waarom dit natuurtalent zijn platen nog steeds voor eigen rekening moet uitbrengen. Er moet daar buiten toch wel iemand rondlopen die het goudklompje in Zeman herkent…

Sommige van de liedjes op “Brock Zeman & The Dirty Hands” ontstonden reeds ten tijde van zijn debuut “Cold Winter Comes Back”. Dat ze zijn tweede, “Songs From The Mud”, niet haalden, had vooral te maken met het thematische karakter van die plaat. Dat hij ze heropviste voor dit nieuwe album, is – gezien de kwaliteit ervan – niet meer dan normaal. Songs als het voorzichtig countryrockende “Sweet Charlotte”, het onderkoeld twangend gebrachte “Bones”, het breekbare “Breanna Harrison” en de al genoemde Van Zandt-cover laten schieten zou gewoon doodzonde geweest zijn. Wij hadden ze in elk geval voor geen geld van de wereld willen missen. Net als de overige elf liedjes hier trouwens. Eerlijk, als wij zouden moeten kiezen tussen de laatste platen van een gevestigde waarde als Robert Earl Keen of deze, de keuze zou zeer snel gemaakt zijn. Grote, grote klasse gewoon wat meester-verteller Zeman hier weer klaarmaakt! En die platendeal bij een major zal dan ook wel niet lang meer op zich laten wachten zeker?

Brock Zeman

CD Baby

 

 

MARK AMBROSE

“Put The Hammer Down”

(Redbird Records)

(4) J J J J

 

 

Als tegenprestatie voor zijn voortreffelijk gitaarwerk op hun jongste CD “Soul Journey” ontfermden David Rawlings en Gillian Welch zich over de tot dusverre relatief onbekend gebleven Texaanse singer-songwriter Mark Ambrose. Ze schonken de brave borst niet alleen voldoende opnametijd in hun eigen studio om zijn derde CD “Put The Hammer Down” in te blikken, ze waren ook zelf prominent aanwezig tijdens de opnames ervan. Rawlings tekende zo niet alleen voor de productie van het geheel, hij hanteerde ook akoestische en elektrische gitaren, speelde orgel en nam een deel van de backing vocals voor zijn rekening. Welch van haar kant nam de bas voor haar rekening en deed uiteraard her en der ook stemgewijs van zich spreken. De van zijn studiowerk voor onder anderen Steve Earle, Lucinda Williams en John Prine bekende David Steele nam plaats achter de drumkit. Matt Andrews op zijn beurt achter de piano.

Het resultaat is een bijzonder aangenaam wegluisterende singer-songwriterplaat, waarop op z’n Texaans heen en weer wordt gefietst tussen akoestische bluesdeunen, troubadour folk stuff en voorzichtig rockende en rollende Americana. Alle liedjes werden door Ambrose zelf geschreven. Een gegeven dat vooral het vermelden waard is, omdat er eigenlijk niet één mindere song tussen zit. Met zijn aangenaam warme stem beschikt Ambrose bovendien nog over een verdere troefkaart. Plaats hem wat ons betreft gerust ergens in het gouden driehoekje Prine-Dylan-Clark. Je begrijpt dan ook, dat “Put The Hammer Down” een aanrader van jewelste is.

Mark Ambrose

CD Baby

Miles Of Music

 

 

KEVIN BANFORD

“Between Heaven & L.A.”

(Banford Brand Records)

(3,5) J J J J

 

 

Met “The Last Man In Texas”, het zwierige openingsnummer van zijn nieuwe CD “Between Heaven & L.A.”, verkocht de jonge Kevin Banford ons een danige oplawaai, dat we dat album met heel wat meer aandacht dan aanvankelijk verwacht onder de loep gingen nemen. Met zijn een weinig aan knapen als Gary Allan en Kevin Fowler herinnerende stem swingt hij daarin met veel brio over een door de pedal steel van Gary Brandon en de fiddle van Paul McIntyre gestuurd melodietje heen. Op en top Texaanse honky-tonk denk je dan meteen. Wat blijkt echter? Banford groeide op in het Zuiden van Californië en kreeg zodoende vooral ook een royale dosis Bakersfield mee. Iets wat in het al even swingende tweetal “Out There On The Dance Floor” en “Double Or Nothin’” ook meteen duidelijk wordt. Daarin waart de geest van Buck Owens immers nogal nadrukkelijk rond. Met het wat al te melige “The Stars Of Old Mexico” – met wél een zeer mooie accordeonpartij van Otoño Lujan – gaat het vervolgens weer richting de Lone Star State. “Where Were You (When I Was Single)” is dan weer een jazzy schuifelaar van het type waarmee ook Gary Allan nogal eens wil uitpakken, “High Time For The Comin’ Of Hank” herinnert in al zijn Williams-devotie een beetje aan Dale Watson, “You’ve Been A Phone Call Away For Too Long” is het soort van ballad waarvoor zelfs één tegel nog teveel ruimte biedt aan een in liefkozingen verzuipend koppeltje, “Another Cowboy’s Comin’ Down With The Blues” teert sierlijk op een zacht twangend gitaartje en een jankende pedal steel om dat laatste gevoel op de gepaste manier te verklanken, “Between Heaven & L.A.” beschrijft op ingetogen wijze ’s mans eigen levensloop en afsluiter “A Constant State Of Heart” doet daar voorzichtig nog een schepje bovenop.

Kevin Banford staat met andere woorden voor bij momenten behoorlijk traditioneel opgevatte country, die vooral bij de fans van artiesten als de hier al eerder vernoemde Gary Allan, Dwight Yoakam en David Ball wel eens heel erg in de smaak zou kunnen vallen. En het mooie van de zaak is, dat hij daarvoor zijn kansen om ook effectief hits te gaan scoren niet eens heeft moeten hypothekeren. Is dus duidelijk uit het goede hout gesneden, deze knaap!

Kevin Banford

Texas Music Round Up

 

 

BORIS & THE SALTLICKS

“Cactusman vs The Blue Demon”

(Frogville Records / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

 

Kwaliteit went snel. Dat blijkt maar weer eens naar aanleiding van het verschijnen van “Cactusman versus the Blue Demon”, de derde van Boris McCutcheon. Waar er bij zijn “doorbraakplaat” “When We Were Big” uit 2003 en het bij wijze van inhaalmanoeuvre hier later ook uitgebrachte “Mother Ditch” uit 2001 nog sprake was van een echt Aha-Erlebnis krijgt de nieuwste van de voormalige biologische boer uit New Mexico gewoon onmiddellijk een liefdevolle knuffel mee. McCutcheon tekende voor die in de studio’s van Frogville Records in Santa Fe opgenomen nieuwe schijf zelf voor de productie. En anders dan bij zijn vorige albums het geval was opereert hij ditmaal onder de groepsnaam Boris & The Saltlicks. Tot die groep behoren naast hijzelf ook drummer-percussionist Jeff Berlin, zanger-multi-instrumentalist Brett Davis, contrabassist Michael Grimes en toetsenman Kevin Zoernig. Samen met gasten Michelle Collins, Felecia Ford, David Guiterrez, Mark Lewis en Dan Stouffer tekent dat viertal voor een voor de warme stem van McCutcheon werkelijk ideale muzikale achtergrond.

“Cactusman versus the Blue Demon” is dan ook opnieuw een wolk van een Americana-plaat geworden, zij het dan wel met occasionele uitschieters naar country, roots rock en hier en daar zelfs voorzichtig soul. Als toetje mogen de Saltlakes geregeld even afdwalen richting Calexico-achtige soundscapes. McCutcheon is nu eenmaal een desert man…

De krenten in deze pap, vroeg je? Ze zijn met z’n velen! We denken bijvoorbeeld aan het een weinig aan Guy Clark herinnerende “Charles Mingus Bird”, aan het door McCutcheon zelf als “a lost Creedence tune” omschreven en ook effectief zo klinkende “Volcanic Wind”, aan het rootsy, als een soort van ode aan zijn oude truck opgevatte “Pilgrim”, aan het van een ongemeen broeierige intro voorziene “Branded” en aan het funky rootsrockertje “Chicken Man”. We willen hier echter vooral niet nalaten om te beklemtonen dat het daarbij enkel en alleen voorbeelden betreft. Het zou ons in het geheel niet verwonderen, als jij al na één enkele beluistering met een totaal ander favorietenlijstje op de proppen zou komen. Misschien doen we dat morgen gewoon ook zelf al wel. Iets wat in onze ogen alleen maar meer benadrukt hoe sterk deze nieuwe collectie McCutcheon-deunen weer is.

Boris McCutcheon

Frogville Records

Lucky Dice

 

 

JOHNNY DOWD

“Cruel Words”

(Munich Records)

(3,5) J J J J

 

 

“An easy record to make,” noemde zingende verhuizer Johnny Dowd zijn nieuwe CD “Cruel Words” onlangs zelf. Van zijn luisteraars verlangt hij daarentegen als naar goede gewoonte weer een serieuze inspanning. De Norman Bates van de actuele roots rock scene klinkt opnieuw alsof hij virusgewijs besmet is geraakt met gevaarlijke ziektes luisterend naar namen als Cash, Williams, Waits, Cave en Beefheart. Qua intensiteit steekt hij ze alvast alle vijf ongegeneerd naar de kroon.

De songs op “Cruel Words” gingen live al een goed jaar mee, waren met andere woorden “road tested”. Daardoor kon Dowd (zang en gitaar) het zich permitteren om in het gezelschap van Michael Stark (orgel en synthesizer), Brian Wilson (drums en bass pedals) en Kim Sherwood-Caso (zang) de studio in te duiken en daar te opteren voor een live-aanpak zonder al teveel overdubs of andere cosmetische ingrepen. Daarnaast kwamen ook Mike Parker (gitaar in “Poverty House” en “Corner Laundromat”) en Jon Langford en Sally Timms (zang in “Drunk”) even voorbij om Dowd met woord en daad bij te staan.

Het resultaat van hun gemeenschappelijke inspanningen is een plaat die het vooral van haar bij momenten regelrecht beklemmende intensiteit moet hebben. Het venijnig rockende “Cradle Of Lies”, de van een funky ondertoontje voorziene psychedelica van “Ding Dong”, het door Brian Wilson en Eva Revesz geschreven en muzikaal gezien voortdurend flink uit de bocht gaande instrumentaaltje “Wilder Than The Wind ‘66”, de ingetogen “zwarte country” van de Dowd-Langford-Timms-samenwerking “Drunk”, een met een flard “Iron Man” (Black Sabbath) gelardeerde psychotische versie van Chuck Berry’s “Johnny B. Goode”, echt makkelijk wordt het je als fan door Dowd nooit gemaakt. Maar hebben we op school niet ooit geleerd dat de zoetste druiven het hoogst hangen…? Zou dus wel eens als een groeiplaat van formaat de geschiedenisboeken in kunnen gaan, deze “Cruel Words”.

 

Johnny Dowd zal in maart ons land aandoen voor enkele optredens. Dit zijn alvast de datums en locaties:

 

18 maart, Lintfabriek, Kontich

19 maart, De Zwerver, Oostende

 

Johnny Dowd

Munich Records

 

 

AMY LAVERE

“This World Is Not My Home”

(Archer Records)

(4) J J J J

 

 

Haar naam spreekt misschien nog niet echt tot de verbeelding, maar zonder het zelf goed en wel te beseffen zou het best wel eens kunnen dat je haar wel degelijk al kent, deze Amy LaVere. Zeker als je “Walk The Line” al gezien zou hebben, de biopic over het leven van wijlen Johnny Cash. Daarin speelt de uitermate bekoorlijke LaVere immers de rol van Queen of Rockabilly Wanda Jackson.

De jonge Amerikaanse manifesteert zich überhaupt als een manusje-van-alles. De zelf toch een behoorlijk stevige reputatie genietende Jim Dickinson prees zo onlangs bijvoorbeeld nog uitgebreid haar aanzienlijke talenten als akoestische bassiste. En afgaande op het op haar debuut “This World Is Not My Home” gebodene is ze ook een uitstekende liedjesschrijfster en een echte kanjer van een zangeres. Vijf van de tien liedjes op dat visitekaartje leverde ze zelf aan. Voor de overige vijf tekenden respectievelijk haar begeleiders Jimbo Mathus en Paul Taylor en Kristi Witt en Tommy Hull.

Stemgewijs valt LaVere te situeren ergens tussen een Audrey Auld Mezera en een Kasey Chambers aan de ene kant en een Madeleine Peyroux aan de andere. ’n Beetje jazz, ’n beetje country, ’n beetje rock dus. En precies die drie genres sluipen ook zowat in elk van haar liedjes binnen. De ene keer wat meer country, zoals in titelnummer “This World Is Not My Home” of het gevoelige “Innocent Girl”, de andere wat meer jazz dan wel rock, zoals in “Last Night” of “Set It Down” – met z’n subtiele wall of sound-benadering.

Voor ons zondermeer één van dé grote ontdekkingen van 2006 so far. Gaan we ongetwijfeld nog heel veel van horen!

Amy LaVere

Archer Records

 

 

CUBAN HEELS

“Gutbucketmusic”

(Cool Buzz / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

 

Ze hebben ons geduld rijkelijk lang op de proef gesteld, die van het Amsterdamse garagebluescollectief Cuban Heels, maar een kniesoor die dáár nu nog over valt. Het eindeloze wachten op hun derde is immers meer dan de moeite waard gebleken. Op de opvolger van het goed vier jaar geleden verschenen “Morphine Mama” geven onze vijf noorderburen er een ongelooflijke lap op. Zanger Jan Hidding voorop. Die bewijst zich op “Gutbucketmusic” andermaal als één van de allerbeste performers in het genre binnen de Europese scene. Wat een kracht en een intensiteit stralen er van die gruizige stem van ‘m af! Hier moet je gewoon mee, willen of niet! En dan hadden we het nog niet eens over de bijdragen van Rico Gerfen en Richard Koster. Eerstgenoemde tergt werkelijk als een bezetene zijn snaren en creëert op die manier een uniek spanningsveld in nummers als de doortastende surfrocker “Gutbucket” of “Devil’s Door”, een onder zijn tremolo’s kreunende lap voodoo blues. Koster van zijn kant trekt op zijn mondharmonica diepe voren doorheen nummers als de genadeloos beukende opener “You Know How” en het bepaald spooky aandoende “So Unfair”. Iets minder nadrukkelijk aanwezig zijn bassist Arnout van den Berg en drummer Chiel ten Vaarwerk, maar dat doet absoluut niets af aan hun verdiensten. Je kan je immers gemakkelijk voorstellen, dat “Gutbucketmusic” zonder hun bijdragen niet de ijzersterke plaat zou zijn geworden die het is.

Liefhebbers van rauwe blues acts als de North Mississippi All Stars, de Jon Spencer Blues Explosion of de Black Keys zijn bij dezen gewaarschuwd: essentiële aanschaf!

Cuban Heels

Cool Buzz

Sonic Rendezvous

 

 

JACK JOHNSON AND FRIENDS

“Curious George”

(Brushfire Records / UMG)

(3,5) J J J J

 

 

 

Jack Johnson presenteert zich op “Sing-A-Longs and Lullabies for the film Curious George” veel meer nog dan op zijn vorige platen als hét zonnetje in huis. Steeds nadrukkelijker manifesteert hij zich als de Jonathan Richman van zijn generatie. Met zijn aangenaam lijzige, wat infantiel aandoende stem slentert hij doorheen een reeks als rootsy pop te omschrijven wiegeliedjes en meezingers, die je al van bij een eerste beluistering meteen meedogenloos gijzelen. Niet omdat ze zo spectaculair goed zijn, wél omdat ze ongelooflijk catchy blijken. Vrienden van dienst G. Love, Matt Costa en Ben Harper vallen daarbij absoluut niet uit de toon. Dankzij Love en zijn mondharmonica is het nog wat meer zomer in “Jungle Gym”, Costa draagt het heerlijke “Lullaby” aan en Harper bezielt met zang en gitaar “With My Own Two Hands”. Net als “Upside Down” en het van “Three Is A Magic Number” afgeleide “The 3R’s” zijn ook die drie liedjes dankbaar voer voor hippe en andere radiojongens.

Jack Johnson

Brushfire Records

 

 

COWBOY MOUTH

“Voodoo Shoppe”

(Eleven Thirty / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Even genadeloos als de trap onder het achterste van het vriendinnetje dat mag opkrassen in het openingsnummer van hun nieuwe CD “Voodoo Shoppe” omdat het niet weet wie Joe Strummer was, is ook het materiaal op die twaalfde van zanger Fred LeBlanc en de zijnen. Ze rocken echt als de beesten, de vier uit New Orleans. Nummers als het al aangekaarte “Joe Strummer”, het in het kielzog daarvan al even catchy knallende tweetal “Misty Falls” en “Winds Me Up”, het zijn titel op alle mogelijke manieren ontkrachtende “Slow Down”, het confessionele punkrockertje “This Much Fun” – waarin LeBlanc het opgewekt uitschreeuwt: “I haven’t had this much fun in such a long long time!” - of het een weinig gas terug nemende “Hole In My Heart”, het zijn stuk voor stuk liedjes, die mits het juiste clipje en het nodige pushwerk ook op vooralsnog moeilijk te nemen gebleken bastions als Studio Brussel en MTV mee zouden moeten kunnen. Alle ingrediënten voor dergelijk succes zijn alvast in ruim voldoende mate aanwezig. Er is de ongelooflijk krachtige stem van LeBlanc, er is het voortdurende gitaarvuurwerk van het duo John Thomas Griffith en Paul Sanchez, er is de punky benadering van een groot deel van hun materiaal, er zijn de ongelooflijk melodieuze songs… En voor wie het allemaal graag wat diepzinniger heeft zijn er ook nog “Home” en het soulvolle “The Avenue”, twee songs waarin de waterellende die hun thuishaven te beurt viel op eigenzinnige wijze nog eens wordt aangekaart.

Straffe kost! Zo ongeveer dé ideale soundtrack voor als straks onder een loden zon het dak weer van je wagen gaat. Draag er echter wel zorg voor dat je haar goed zit, want een je enthousiasme delende zware voet zou je wel eens meer foto’s kunnen gaan opleveren dan je eigenlijk lief is…

Cowboy Mouth

Sonic Rendezvous

 

 

MARK LEMHOUSE

“The Great American Yard Sale”

(Yellow Dog Records)

(4) J J J J

 

 

Zijn debuut “Big Lonesome Radio” werd in blueskringen danig gesmaakt, dat Mark Lemhouse gelijk al een paar nominaties voor de prestigieuze WC Handy Awards in de wacht sleepte. Wij zullen dan ook wel lang niet de enigen geweest zijn die dachten dat hij het zeer moeilijk zou gaan krijgen om dat werkstuk nog te overtreffen. Maar dat was buiten de waard gerekend. “The Great American Yard Sale”, zijn nieuwste, overtreft echt onze stoutste verwachtingen. Gewapend met een heel arsenaal aan snaarinstrumenten en een stem uit de duizend verkent Lemhouse op die “moeilijke tweede” het grensgebied tussen blues, country, Americana en old-time music.

Opener “Scarlet” is mede door een vette resonator nog blues van het kaliber waarvoor Sonny Landreth en recent nog John Hiatt niet zouden terugdeinzen. Maar vanaf dan speelt Lemhouse vrijwel voortdurend met een veelheid aan stijlen. Het ingetogen “Paper Sack” lijkt zo tegelijkertijd iets te hebben met zowel jazz als blues, maar wordt door twangy gitaarinterventies en een accordeonbijdrage van Scott Bomar ook een aardig eindje richting country geduwd. “I’m Worried” is een akoestisch bluesje met hoog Americana-gehalte, “Leroy Feller’s Blues” is in weerwil van zijn titel gewoon een countryrockertje, “Never Me” is door een banjo aangejaagde old-timey blues, de traditional “Cluck Old Hen” opnieuw zo’n aan Landreth herinnerende lap gitaargeweld, “Salem” een ingetogen ballade met naast gevoelig akoestisch gitaarwerk van Lemhouse zelf ook een zacht huilende lap steel en een cello, “Nothin’ In The World Can Stop Me Worryin’ ‘bout That Girl” lonkt richting delta blues, “The Unofficial Ballad of Story Musgrave” is trad country op z’n Hanks, “The Queen of Easy Street” profiteert al rockend weer van een venijnige pot resonator, “Hazy” is gezegend met wat wij graag dat typische, geheel vrijblijvende back porch-gevoel noemen en het afsluitende “You’re a Bastard” is een spetterende lap country, waarvoor zowel de oude Williams als wijlen Johnny Cash zich niet zouden hebben geschaamd.

What can we say? Indrukwekkend gewoon!

Mark Lemhouse

Yellow Dog Records

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Walk The Line”

(Original Motion Picture Soundtrack)

(2) J J

 

 

Onze eerlijkheid gebiedt ons toe te geven dat we de film zelf nog niet gezien hebben. Wellicht had die ons iets milder kunnen stemmen in ons oordeel over deze soundtrack, maar toch… Deze plaat is wat ons betreft in hetzelfde bedje ziek als de soundtrack van “La Bamba” over het leven van Ritchie Valens een aantal jaren geleden. Toen waren er gelukkig nog de bijdragen van het onvolprezen Los Lobos om de boel een beetje te verbloemen, maar als geheel viel ook dat album grondig door de mand. Net als “Walk The Line” dus. Je vraagt je af, waarom acteurs als Joaquin Phoenix en Reese Witherspoon in godsnaam zelf moesten zingen. Phoenix zou daar naar verluidt zelfs op gestaan hebben. Witherspoon niet. Die had zelfs zanglessen nodig om van haar “als krassende vingers op een krijtbord” klinkende stem – Zie een interview met haar in Het Belang Van Limburg! – iets te maken. Enfin, dan beschik je dus over een schat aan materiaal van twee van de mooiste countrystemmen ooit en dan kies je toch voor ersatz. Misschien dat jij daarin wél volgen kan, wij niet.

Slechts sporadisch komt Phoenix even goed uit de verf. We denken dan bijvoorbeeld aan zijn lezing van “Ring Of Fire”. Maar zelfs op die momenten moet je de grote Cash zelf even vergeten om hem vooral niet te overschatten. Enkel de instrumentale bijdragen van klasbakken als Dennis Crouch, Norman Blake, Cowboy Jack Clement, Jamie Hartford, T-Bone Burnett, Peter Case, Stuart Duncan, Marc Ribot en Tony Gilkyson doen zijn pogingen om de Man In Black te imiteren enigszins een ordinair karaoke-niveau overstijgen. De leukste momenten zijn eigenlijk vooral de door anderen – Echte zangers! - gebrachte nummers. Waylon Payne doet het verre van kwaad als Jerry Lee Lewis in diens “Lewis Boogie”, Jonathan Rice vlamt in “You’re My Baby” en Shooter Jennings levert net als zijn pa een erg mooi “I’m A Long Way From Home” af.

Voor het overige put deze CD vooral een meerwaarde uit de aanwezigheid van niet in de film te zien materiaal. Al worden “Rock ‘N’ Roll Ruby” en “Jackson” dan ook weer door Phoenix en Witherspoon zelf gebracht. Wij zullen de eerstkomende weken dan ook eerder de onlangs verschenen compilatie “Duets” van Johnny en June zelf nog eens opleggen dan dit schijfje. Het zij zo.

Walk The Line

 

 

BOTTLE ROCKETS

“Live In Heilbronn, Germany July 17, 2005

(Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Hier gaat nog zo menig een liefhebber van snedige roots rock uit pure blijdschap een flinke lading voor zijn buren aanleiding tot bezorgdheid gevende vreugdekreten van uitstoten, zeker weten! De Bottle Rockets vullen met “Live In Heilbronn, Germany July 17, 2005” immers de enige nog resterende leemte in de eigen catalogus op. Wat oorspronkelijk bedoeld was als een enkel via de Blue Rose mailorder-only “Official Bootleg”-serie te bestellen live-album, belandt nu toch gewoon als reguliere plaat in de detailhandel. Verspreid over twee CD’s krijgen we op die manier een stuk gemakkelijker toegang tot live-versies van Rockets-hits als “Trailer Mama”, “Alone In Bad Company”, “1000 Dollar Car”, “I’ll Be Comin’ Around”, “When I Was Dumb”, “24 Hours A Day” en andere. Alle tot op heden verschenen albums van de groep werden in de loop van die bewuste juli-avond van vorig jaar keurig even aangedaan. Snoeihard rockend moesten verder ook nog enkele songs van anderen eraan geloven. De jarige Brian Henneman en zijn kornuiten – waaronder de fenomenaal goede nieuwe gitarist John Horton - kozen daarbij voor respectievelijk “At The Crossroads” en “She’s About A Mover” van de Sir Douglas Quintet en voor Neil Youngs “Hey Hey My My” en “Cortez Killer”. Vooral dat laatste is met zijn ruim twaalf minuten ronduit impressionant te noemen. Als bonus krijgen we verder ook nog videootjes van “Get Down River” en “Nancy Sinatra” voorgeschoteld.

In afwachting van hun in mei te verschijnen nieuwe CD “Zoysia” zijn we door de Rockets alvast weer even zoet gehouden. Een stomendere mix van country- en gitaarrock, Southern boogie en cowpunk is immers nauwelijks denkbaar.

The Bottle Rockets

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

SARA HAMILTON

“Call My Name”

(Saricana / Stag / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

 

Als je voor het eerst Sara Hamiltons debuut-CD in handen houdt, dan bestaat nog de neiging om je af te vragen, waar producer Jesse Dayton nu eigenlijk het eerst voor gevallen zou zijn, de knappe looks van de jonge Texaanse, dan wel haar artistieke talenten. Maar één luisterrondje verder wordt die vraag al compleet overbodig. Met acht eigen nummers en een stel goedgekozen covers weet Hamilton immers meteen een behoorlijk diepe indruk na te laten. Saricana noemt ze wat ze doet zelf. Wat je daaronder moet verstaan? Een zwierige mélange van elementen uit country, roots pop en rock. Met een stem die het midden houdt tussen die van Mary-Chapin Carpenter in de vroege nineties en die van de grote Lucinda Williams anno nu weet de jonge schone je daarbij moeiteloos in te pakken. Of het nu is met de dankzij een accordeonbijdrage van Bradley Jaye Williams een weinig naar cajun lonkende country van “Back My Way”, het met een stomende piano cameo van Riley Osbourn gezegende en een weinig aan Rockpile herinnerende rockertje “Better Than I Used To Be”, het ingetogen, nogal poppy aandoende titelnummer, de bloedmooie Hayes Carll-cover “Long Way Home”, de viriele honky-tonk van “Lord Help My Soul”, de pure Americana van “Dry Spell” en het met Heather Morgan gepende “Motel Key”, dan wel met haar knotsgekke, met producer Dayton gedeelde benadering van het bluesje “Ain’t No Use Tryin’ To Tell On Me” van Memphis Minnie, het gebeurt allemaal met een aan het ongelooflijke grenzende vanzelfsprekendheid. De tandem Hamilton-Dayton lijkt er ons dan ook één, waarvan we zeker het laatste woord nog niet hebben gehoord. En al helemaal niet, als ze ook bij een volgende gelegenheid interessant volk als Hayes Carll, Eric Tucker, Brian Thomas, Riley Osbourn, Redd Volkaert, Tom Lewis, Bradley Jaye Harris en DB Harris voor hun kar kunnen blijven spannen.

Sara Hamilton

Sonic Rendezvous

 

 

WAYNE SCOTT

“This Weary Way”

(Full Light Records / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Zo zoon, zo vader! Voor één keer is het niet de zoon die in de voetsporen van zijn vermaarde oude treedt, maar wel omgekeerd. Wayne Scott is de vader van Darrell, de man die ons de voorbije jaren meerdere hemeltergend mooie albums schonk. We denken dan met name aan “Theatre Of The Unheard” en “Real Time” (met Tim O’Brien). Die Darrell was het trouwens ook, die er zijn vader pas na heel lang aandringen van wist te overtuigen om met zijn eigen materiaal de studio in te duiken. Zo’n zes decennia lang had die zich in relatieve obscuriteit bekwaamd in het schrijven van liedjes. Sinds zijn veertigste leidde hij wel zijn eigen bandje, maar tijdens hun optredens beperkten ze zich steeds tot het brengen van andermans materiaal. Een kwestie van het volk te geven wat het wilde.

Toen zijn vader hem bij wijze van kerstgeschenk een songbook met meer dan honderd eigen liedjes overhandigde, realiseerde Darrell Scott zich al vlug, dat de liedjes van zijn ouweheer speciaal waren. Hij drong er dan ook op aan om een plaat met hem te mogen maken. Maar de oude Scott hield de boot nog een poosje af. Zelf vond hij, dat zijn beste tijd voorbij was. Maar zoals wel vaker was het ook ditmaal de aanhouder die aan het langste eind trok. De jonge Scott kreeg uiteindelijk toch zijn zin. En daar mogen we heel erg blij om zijn ook. Het debuut van de 71 jaar oude Wayne Scott is er immers eentje van het kaliber waardoor je binnen de kortste keren met kippenvel bedekt wordt. In het gezelschap van schoon volk als Guy Clark, Verlon Thompson, Dirk Powell, Kenny Malone, Dennis Crouch, zoon Darrell, Dan Dugmore, Casey Driesen, Bill Schleicher, Suzi Ragsdale, Nick Forster en Danny Thompson levert hij een heus meesterwerk af. Dit is traditionele country, waarvan naast een enorm respect voor illustere voorgangers als Hank Williams en Johnny Cash vooral ook een ongelooflijke kennis van zaken afstraalt. Scott begrijpt countrymuziek. Hij weet, hoe je met eenvoudige, vaak alledaagse thema’s bij veel fans van het genre steeds weer de juiste snaar kan raken.

Op “This Weary Way” deed hij ons geregeld denken aan de grote Cash. Niet alleen door zijn door de tand des tijds al flink aangetaste stem, maar ook door het gebrachte materiaal. Van de dertien hier door Scott vertolkte liedjes zijn er liefst elf stuks van eigen hand. Enkel voor het ingetogen rootsliedje “Crash On The Highway” en voor afsluiter “Folsom Prison Blues” – live in Nashville - zocht hij zijn heil elders. Thema’s als zijn geloof (“Since Jesus Came Into My Heart”), hartzeer (“It’s The Whiskey That Eases The Pain”, een duet met Guy Clark), de liefde (“What I Really Need Is You”) en zijn familie (“Sunday With My Son”) vinden een ideale muzikale voedingsbodem in ongegeneerd naar de hoogdagen van het traditionele akoestische countrygenre teruggrijpende liedjes, gemaakt op een manier zoals alleen een man op leeftijd dat lijkt te kunnen. Zo mooi gedaan allemaal, dat we nauwelijks anders dan van een “verplichte aanschaf” kunnen gewagen.

Wayne Scott

Sonic Rendezvous

 

 

DUNCAN SHEIK

“White Limousine”

(Zoë Records / Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Na de vliegende start die hij in 1996 dankzij “Barely Breathing” van zijn voor een Grammy® genomineerd titelloos debuut nam, is het in onze kontreien behoorlijk stil geworden rond de alternatieve Amerikaanse singer-songwriter Duncan Sheik. Nochtans heeft de man bepaald niet op zijn lauweren gerust. Op albums als “Humming” (1998), “Phantom Moon” (2001) en “Daylight” (2002) bleef hij ook in de jaren na dat voortreffelijke visitekaartje kwistig met verfijnde, enigszins etherisch aandoende popliedjes in het rond strooien. Bovendien hield hij zich ook bezig met het maken van de muziek bij films en theaterproducties en produceerde hij tal van platen van collega’s.

“White Limousine”, zijn vijfde CD ondertussen, is zondermeer zijn meest ambitieuze tot op heden. Niet alleen de songs, waarin Sheik op de van hem bekende catchy manier zweverige, experimentele orkestraties beurtelings koppelt aan rockstructuren en een naar folk neigende invulling, vallen op, maar vooral ook de merkwaardige opdeling van het album in twee CD’s met een totaal verschillend doel. Een eerste, “Mine”, bevat gewoon Sheiks versie van de twaalf aangeboden liedjes. De tweede, “Yours”, komt voor zover wij weten met een primeurtje. Dat is immers een DVD-ROM, waarmee de beste man aan zijn fans de gelegenheid wil bieden om hun eigen versies van zijn liedjes te maken. Door hen de aparte audiobestanden en de benodigde software ter beschikking te stellen nodigt hij hen als het ware uit om creatief te zijn met zijn werk. Een opvallend idee, dat zeker, maar of hij er echt veel mensen gelukkig mee zal maken, dat is een ander paar mouwen. De minder technisch aangelegden onder ons zullen wellicht toch vooral weer de songs van Sheik in de armen willen sluiten. Nu de weergoden alweer een flinke poos uitgebreid met grauwe tinten blijven uitpakken vormen ’s mans sfeervolle – hier en daar een weinig aan het werk van die andere perfectionisten, die van Prefab Sprout herinnerende – deunen bijzonder aangenaam gezelschap.

Duncan Sheik

Rounder Europe

 

 

SARA TAVARES

“Balancé”

(World Connection / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Met “Balancé” van de zevenentwintig jaar oude Sara Tavares wagen we ons op door ons – wellicht geheel ten onrechte, maar dat maar even terzijde - minder vaak gefrequenteerde muzikale bodem. Dit is immers wereldmuziek pur. De jonge Tavares is een vanuit Lissabon opererende zingende liedjesschrijfster met Kaapverdische roots, die op haar nieuwe CD met brio het beste van twee werelden combineert. Nergens verloochent ze daarbij haar afkomst, maar al evenmin beperkt ze zich tot het bewandelen van de geijkte paden. Waar ze aanvankelijk in haar huidige thuisland nog vooral bekend stond als componiste en tekstschrijfster van gospel-, funk- en souldeunen, is ze later steeds meer op zoek gegaan naar een verklanking van haar eigen wereldje tussen twee compleet verschillende culturen in. Wat daarbij uit de bus kwam moet zo ongeveer het perfecte huwelijk tussen Afrikaanse ritmes en melodieuze popliedjes zijn. Een plaat alleszins die binnenkort wellicht een hele zomer lang mee zal gaan. Heerlijk lome luisterliedjes als “Lisboa Kuya” en titelnummer “Balancé” en swingende stijloefeningen als het hyperkinetische “Bom Feeling” en het licht funky “Poka Terra” (met Melo D) zouden in een wat rechtvaardigere wereld om de haverklap wel ergens uit de één of andere radio schallen. En wij zouden ons daar alvast héél erg goed bij voelen, zoveel is zeker…

Sara Tavares

World Connection

 

 

JOHNNY CASH & JUNE CARTER CASH

“Duets”

(Legacy / SONY BMG)

(4) J J J J

 

 

Dankzij de de bio pic “Walk The Line” woedt momenteel een heuse Cashmania! En daar zullen we nog wel een poosje de gevolgen van dragen ook. Zo kan je in de betere platenzaak bijvoorbeeld al terecht voor “The Very Best From The Couple That Walked The Line!” Dat is tenminste wat een opvallend stickertje op het CD-doosje van “Duets”, een compilatie van stukjes gemeenschappelijk muziekverleden van Johnny Cash en zijn eega June Carter ons wil doen geloven. Nummers als “It Ain’t Me, Babe”, “Jackson”, “If I Were A Carpenter”, “Oh, What A Good Thing We Had”, “Darlin’ Companion” en “Brand New Dance” belanden hier voor het eerst allemaal samen op één CD. Een vanuit commercieel oogpunt bekeken echt wel op het ideale moment uitgebracht eerbetoon aan het adres van het mooiste koppel dat de geschiedenisboeken van het countrygenre ooit wist te halen. Het ruikt als je het ons vraagt allemaal een weinig naar lijkenpikkerij... Maar van de andere kant is het ook wel weer zo, dat dit allemaal van zo’n ontwapenende schoonheid is, dat je daar graag een oogje voor dichtknijpt. En bovendien wordt het zestien nummers tellende geheel – met naast singles en LP-materiaal ook wat B-kantjes als “’Cause I Love You”, “Help Me Make It Through The Night” en “Far Side Banks Of Jordan” - aangeboden voor een zacht prijsje. Toch maar niet te hard over klagen dus zeker…

Johnny Cash

Walk The Line

 

 

VARIOUS ARTISTS

“The Southern Sessions”

(Popunie Records)

(3) J J J

 

 

Elk jaar pakt de Zuid-Hollandse Popunie uit met een promotie-CD rond een welbepaald thema. Dit jaar viel de keuze daarbij op Americana. Twaalf Zuid-Hollandse acts mogen op “The Southern Sessions” bewijzen dat dat genre in Nederland echt leeft. Al wat “grotere” namen als The Ragtime Wranglers (met de flitsende instrumental “The Man Hunt”), Smutfish (met het zwaar aan de alt. country van Green On Red herinnerende “Tear Factory”), Remmelt, Muus & Femke (met de zalige 70’s Americana van “Here Comes The Sun”) , Dyzack (met het verbeten stompende “A Thousand Days” van hun jongste CD “Somewhere There’s A Monkey Laughing”), El Pino And The Volunteers (met de knappe Americana van “Cougar”) en Miss Mary Ann (met het rockabillyeske swingertje “Don’t Lie To Me”) worden erop afgewisseld met voor ons nobele onbekenden als JumboDollars, White Sands, Jim Wake & Sleepwalker, La Kidda, The Polar Exploration Ship en Templo Diez. Van dat laatste groepje vielen vooral de lo-fi alt. country-ballade “Calavera” van White Sands, het bezwerende – aardig richting desert rock overhellende - “Summer Storm” van La Kidda en het Waitsiaanse “Dark Cafe” van Jim Wake & Sleepwalker ons in positieve zin op.

Een lovenswaardig initiatief! Zouden wij in België best ook wel eens willen zien gebeuren…

Zuid-Hollandse Popunie

 

 

GRAND THEFT

“Lucky”

(Parsifal)

(4) J J J J

 

 

Ze zijn helaas nog altijd niet met velen, de Americana acts van eigen bodem, die er in slagen om in een oogwenk een brede glimlach om onze mondhoeken te toveren. Gelukkig is er Antwerpenaar Michel Van Montfort, die onder zijn pseudoniem Grand Theft wél tot grootse daden in staat blijkt. De beste man bewees in 2004 met zijn debuut “Time Passed On The Switchback” al een onwaarschijnlijk goede singer-songwriter te zijn en dat doet hij met zijn nieuwe worp “Lucky” nog eens uitgebreid over. Dat in de ondermeer ook van recent werk van Sioen en Moiano bekende On The Moon-studio opgenomen album klinkt als geheel een stuk toegankelijker – radiovriendelijker zeg maar – dan zijn voorganger. Nummers als de met rinkelende gitaren opgewaardeerde opener “Doreen”, een de luxe countryrocksong, het met een mede door de blazersinbreng van Bart Maris van een voorzichtig R&B-randje voorziene “Nowhere”, het licht funky “Ballad Of A Banker”, de droomballade “Single Mother” en de zich op bijzonder broeierige wijze richting een climax slepende titelsong zijn stuk voor stuk liedjes waar zo menig een Amerikaanse tegenvoeter alleen maar van kan dromen. Tekstueel sterk, muzikaal af. En wat dat laatste betreft willen we vooral niet nalaten om hier ook een pluim op de hoed van Nick Jury, Lazy Horse en Niels Verheest te steken. Op respectievelijk gitaar, dobro en Hammond plaatsen die drie immers zo menig een accent waardoor deze tweede van Grand Theft enorm aan warmte wint.

Elke vorm van chauvinisme blijkt dus totaal overbodig. Dit is gewoon een ijzersterke plaat. Punt uit!

Grand Theft

Parsifal

 

 

THE COTTARS

“Forerunner”

(Rounder Europe / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

In de States worden de Cottars nu al gezien als één van dé folk acts voor de toekomst. Hun nog relatief jonge leeftijd belet de vier uit Nova Scotia dan ook niet om op zo ongeveer elk vlak uit te blinken. De broers en zussen Ciarán (zang, piano, gitaar, fluit, bodhrán, accordeon) en Fiona MacGillivray (zang, fluit, bodhrán) en Roseanne (harmony Vocals, fluit, percussie) en Jimmy MacKenzie (gitaar, tenor banjo) demonstreren op “Forerunner” – Hun derde plaat al! - een hun leeftijd ruimschoots overstijgende instrumentbeheersing. En dan die samenzang! Heerlijk gewoon hoe de youngsters elkaar voortdurend blindelings weten te vinden.

Bovendien bleken ze ook nog eens verstandig genoeg om de nodige variatie in hun repertoire in te bouwen. Van oertraditioneel (hun zwierige “Miss Casey Medley”, het gedeeltelijk a capella gebrachte “Byker Hill” en “Pat Works On The Railroad”) tot popgetint (openingsnummer “Waterlily” en de zalige Sinéad Lohan-ballad “Send Me A River”) of voorzichtig naar het alternatieve overhellend (een cover van “Georgia Lee” van Tom Waits), ze brengen het allemaal met éénzelfde verve. De spelvreugde spat hier gewoon uit elke noot. En precies dat laatste maakt van de Cottars zo’n sexy collectiefje. Hun jeugdig enthousiasme zou er wel eens kunnen voor gaan zorgen, dat ook een wat jonger publiek massaal zijn weg naar het folkgenre gaat vinden. En dat zou voor alle betrokkenen een zeer goede zaak zijn.

The Cottars

Rounder Europe

 

 

ISOBEL CAMPBELL & MARK LANEGAN

“Ballad Of The Broken Seas”

(V2 Records)

(4) J J J J

 

 

“Ballad Of The Broken Seas” is de titel van een verrassend samenwerkingsverband tussen de vooral van haar bijdrage aan het Schotse cultbandje Belle & Sebastian bekende Isobel Campbell en singer-songwriter Mark Lanegan. Een ronduit beklijvende CD! Heerlijk gewoon hoe de angelieke stem van de Schotse en het schorre gekras van de Amerikaan samen kleuren. Wat op papier een eerder onwaarschijnlijke combinatie van tegengestelden leek, blijkt in werkelijkheid op een heus dream team uit te draaien. De schone en het beest, zoiets. Denk bijvoorbeeld aan Lee Hazlewood vs. Nancy Sinatra, aan Gainsbourg vs. Bardot of Birkin, aan Cave vs. Minogue of aan David McComb en Jill Birt van de betreurde Triffids.

Het leeuwendeel van het gebrachte materiaal schreef Campbell. Als de meest memorabele momenten dringen zich daarvan vooral het wel heel erg op de “Where The Wild Roses Grow”-leest van Nick Cave en Kylie Minogue geschoeide titelnummer “Ballad Of The Broken Seas”, de schimmige, een bezopen film noir-ochtend oproepende instrumental “Dusty Wreath” en de toepasselijk getitelde uitsmijter “The Circus Is Leaving Town”, waarin Lanegan een hoofdrol opeist, op. Van de niet-Campbell-songs bleven met name de met een flinke shot Waits en Ribot opgewaardeerde Hank Williams-cover “Ramblin’ Man” – ook op single verkrijgbaar by the way -  en het royaal van strijkers voorziene “Revolver” van Lanegan hangen.

Erg straffe toebak!

Isobel Campbell

Mark Lanegan

V2 Records

 

 

JULIA P

“Making Up For Lost Time”

(Rosa Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

“Making Up For Lost Time” van Julia P is de maiden release van het nieuwe Nederlandse platenlabel Rosa Records. Dat laatste mogen we zo’n beetje zien als een uitgekomen jongensdroom van twee eminente personaliteiten uit het muziekwereldje boven de Moerdijk. De ene is journalist en Alt. Country NL-medewerker Frans Lomans, de andere de wellicht populairste rootsmuziekpromotor aldaar, Robbie Klanderman. Voor hun visitekaartje gingen die twee een samenwerkingsverband aan met de in de jaren negentig vooral in eigen land aardig populaire zangeres Julia P. Hersheimer. Haar in ’94 verschenen debuut “Crazy Scenes With… Julia P. Hersheimer” behoort dan ook zondermeer tot de mooiste platen die wij al van over de landsgrens mochten begroeten. En ook “Making Up For Lost Time” is – om maar meteen met de deur in huis te vallen – weer erg mooi. De Amsterdamse kan nog altijd terugvallen op die heerlijke kristalheldere stem van haar en haar songwriting is er met de jaren alleen maar beter op geworden. Luister bijvoorbeeld maar eens naar de rinkelende gitaarpop van de met één been ergens in de sixties steken gebleven tweeling “Hideaway” en “Count Me In” (een duet met Robert Mütter), het folky “Hope For The Good” of het zweverig-melancholische “Last Bet”, dat zijn stuk voor stuk liedjes van uitzonderlijke klasse, echte oorwurmen. En het goede nieuws is, dat dat dan nog maar een paar voorbeelden zijn, “Making Up For Lost Time” staat er gewoon vol van. Heen en weer laverend tussen zachte acid folk en licht psychedelische pop maakt Hersheimer onderweg niet één slippertje. Ze verkeerde tijdens de opnames van dit album dan ook in goed gezelschap. Gastbijdragen waren er ondermeer van de fantastische Phantom Frank (sitar, gitaar), Don van Dongen (banjo, 12-string Rickenbacher), Frank Sloos (drums) en – zoals al eerder vermeld – van de van The Kliek bekende Robert Müter.

Julia P

Sonic Rendezvous

 

 

THE DUHKS

“Your Daughters & Your Sons”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Nadat hun titelloze debuutplaat voor het gereputeerde Sugar Hill Records – vooral in de States – insloeg als een bom in kringen van liefhebbers van akoestische rootsmuziek, was het nogal voor de hand liggend dat ook “Your Daughters & Your Sons”, de in 2002 op eerder beperkte schaal verdeelde plaat waar het voor het jeugdige viertal uit Winnipeg, Manitoba eigenlijk allemaal mee begon, een herkansing zou krijgen. En dat gebeurt bij dezen terecht dus ook. Het door Leonard Podolak met een speciale missie voor ogen gerecruteerde collectief deed ook op dat album al heel mooie dingen met een brede waaier aan invloeden. Keltische en Schotse folk, Americana, bluegrass, pop, country, cajun, jazz, de vier gaan in hun poging om een nieuw geluid met traditionele roots te creëren amper een stilistische uitdaging uit de weg. De term “contemporary acoustic”, die in de States regelmatig gebruikt werd om hun muziek mee te omschrijven, dekt ons inziens als vlag haar lading dan ook niet helemaal. Anderzijds is een term als “experimentele wereldmuziek” niet alleen veel té vaag, maar tegelijk ook aardig misleidend. Misschien dragen de youngsters zelf nog de beste definitie aan door in verband met hun spetterende muzikale mélange eenvoudigweg te spreken van “what we like”. Hoe weinig zeggend ook op het eerste gezicht, ze geven er alleszins mee aan, dat ze niet echt wakker liggen van een onderverdeling in wat voor vakje dan ook. Zo lang we maar willen inzien, dat ze op hun akoestische instrumenten naast folk, bluegrass en Americana ook gewoon een (rootsy) popdeuntje kunnen spelen.

(The Duhks - spreek uit als “ducks” - zitten ondertussen overigens alweer gewoon in een studio in Nashville om er met Tim O’Brien en Gary Paczosa als co-producers hun derde CD in te blikken.)

The Duhks

Sugar Hill Records

 

 

PATTY HURST SHIFTER

“Too Crowded On The Losing End”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

 

“Too Crowded On The Losing End” is de nieuwe CD van het uit Raleigh, NC afkomstige bandje Patty Hurst Shifter. Dat viermanschap rond zanger-gitarist J. Chris Smith laat er op z’n nieuwe plaat – de opvolger van het ook al verre van misselijke “Beestinger Lullabies” - geen seconde twijfel over bestaan welke richting het hier uit zal gaan. Gelijk van bij het openingsnummer “She’s Like A Song” wordt er stevig in gevlogen. Vette gitaren, rauwe zang, melodieuze song. En als toemaatje is er een vocale cameo van Caitlin Cary en Tonya Lamm van Tres Chicas. De toon is daarmee gezet voor de rest van het album. Heerlijke rockertjes als “Never Know”, “When You Lie” en “For The Road” ontstonden ergens op het kruispunt der paden van de Replacements, de Stones ten tijde van “Exile On Main Street” en de Flying Burrito Brothers. Marc E. Smith mag daarbij voortdurend als bezeten zijn gitaar geselen, Skillet Gilmore springt al evenmin zachtzinnig om met de drumvellen en Jesse Huebner zorgt voor de nodige ruggensteun op zijn bas. Roots Rock met een dubbele hoofdletter R is het resultaat. En dan hadden we het nog niet eens over de opvallendste nummers van de plaat. Daarvoor moet je bij de broeierige sleper “Sadder Side” en het met zijn net geen tien minuten epische proporties aannemende “Acetylene” zijn. Het eerste profiteert van knap Hammond B-3-werk van ex-Face Ian McLagan en opnieuw erg bezielde achtergrondvocalen van het duo Cary-Lamm, bij het tweede waan je je op een godverlaten snelweg ergens in het diepe Zuiden van de States, wagenraampje naar beneden, mijmerend het voorbij glijdende landschap in je opnemend. Zeer straffe kost! De ingetogen, heel erg aan Paul Westerberg refererende verborgen bonus track “Sincerely” is een afsluiter op niveau voor een ijzersterke plaat.

Patty Hurst Shifter

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE GREAT CRUSADES

Four Thirty

(Glitterhouse / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Met “The First Spilled Drink Of The Evening” uit ’97, “Damaged Goods” uit 2000, “Never Go Home” uit 2002 en “Welcome To The Hiawatha Inn” uit 2004 had het vanuit Chicago actieve kwartet The Great Crusades in het verleden al een aantal keren uitgebreid de aandacht op zich weten te vestigen, maar vergeleken met wat de heren op hun nieuwe CD “Four Thirty” presteren was dat nog maar klein bier. Met een stem die zo menig een sigaret en glas whisky teveel verraadt ploegt singer-songwriter Brian Krumm zich daarop een weg doorheen een akker bezaaid met roots rock originals van het allervetste soort. Vuige blues, groovy swamp en vunzige rock (& roll) zijn hier elkaars beste vrienden. Moddervette gitaarerupties en een bij momenten als bezeten tekeergaande Krumm garanderen een geluid dat live amper te overtreffen zal zijn. Het is dan ook zó, dat amper drie sessies van 12 uur volstonden om deze lillende lap rauw rock & rollvlees te vereeuwigen. Hét absolute prijsbeest van de plaat is wat ons betreft het sombere, naar Great Crusades-normen behoorlijk bedaard aandoende “She Walked Alone”. Maar zelfs dan, met de handrem op, klinkt Krumm nog altijd als een soort van Tom Waits op amfetamines.

The Great Crusades

Glitterhouse Records

 

 

STEVIE RAY VAUGHAN

“Collections”

(SONY BMG Music Entertainment)

(3) J J J

 

 

 

Het rijtje aan wijlen Stevie Ray Vaughan bestede compilaties begint stilaan ontzagwekkende afmetingen aan te nemen. Je kan je dan ook serieuze vragen stellen bij alweer een nieuw exemplaar. En al zeker als het daarbij blijkt te gaan om het soort supermarktspul à la het zopas verschenen “Collections”. “This CD contains previously released material,” waarschuwt het hoesje in kleine lettertjes (aan de binnenzijde). En daarbij is zeker geen sprake van een “Best Of” of een “Greatest Hits”. Met nummers als “Look At Little Sister”, “Scuttle Buttin’” en “Texas Flood” krijgen we wat dat betreft immers slechts het topje van de ijsberg. Geen “Love Struck Baby” bijvoorbeeld hier, geen “Pride And Joy” ook, geen “Mary Had A Little Lamb”, geen “Couldn’t Stand The Weather”, geen “Tin Pan Alley”, geen “The Sky Is Crying”, en we vergeten er ongetwijfeld nog een heel stel. In plaats daarvan nummers als “Tightrope”, “Boot Hill”, “Dirty Pool”, “Scratch-N-Sniff”, “Ain’t Gone ‘N’ Give Up On Love”, “Wham” en “Change It”. Neen , dan maar beter een eurootje of drie bovenop de vijf waaraan dit schijfje gesleten wordt neertellen en “The Essential Stevie Ray Vaughan And Double Trouble” mee naar huis nemen, lijkt ons een veel betere koop. Al willen we ook weer niet té negatief overkomen. Er valt op het hier aangeboden materiaal van de overleden bluesgod immers al bij al weinig aan te merken. Echt slechte liedjes heeft de Texaan gewoon nooit afgeleverd.

Stevie Ray Vaughan

 

 

DANA COOPER

“Made Of Mud”

(King Easy Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

 

Ondanks het feit dat hij al meer dan dertig jaar lang aan de weg timmert is singer-songwriter Dana Cooper allesbehalve wat de Amerikanen “a household name” noemen. De beste man debuteerde al in ’73. Maar een eerste min of meer geslaagde zet richting naambekendheid vormen toch eerder een reeks van vijf albums die hij samen met zijn maatje Shake Russell inblikte nadat hij vanuit Los Angeles naar Texas verkast was. Later zou hij de Lone Star State opnieuw de rug toekeren om vanuit Nashville zijn droom na te jagen. CD’s als “Miracle Mile” en het in 2002 verschenen “Harry Truman Built A Road” waren het resultaat.

Op zijn nieuwe, “Made Of Mud”, doet Cooper iets hoogst ongewoonlijks. Hij groepeert daarop immers een reeks songs die uit verschillende tijdens zijn carrière doorlopen stadia stammen. “Step Into The Light”, het oudste nummer van het geheel, schreef hij zo bijvoorbeeld ruim drie decennia geleden nog samen met Shake Russell. “Sit This One Out”, het recentste, ontstond tijdens de opnamesessies voor de plaat zelf. Knap is, dat ondanks het feit dat de liedjes op zo diverse momenten ontstonden, je hier nooit de indruk krijgt dat het om een samengeraapt geheel gaat. “Made Of Mud” klinkt integendeel juist zeer coherent. Een pluim op de hoed van producer Richard McLaurin dus maar, die dat huzarenstukje voor mekaar kreeg. En thumbs up ook voor muzikanten als Dave Jacques (akoestische en elektrische bas), Paul Griffith (drums en percussie) en Eric Fritsch (piano, clavinet, B3, slide en samples), die naast diezelfde McLaurin (elektrische gitaar, steel, mandoline, synth, percussie en zang) en Cooper zelf (akoestische gitaar, harmonica en zang) bijdragen tot een zeer organisch klinkend geheel. Dit is folky Americana met een grote bonte strik errond. Nu eens waait een wolkje blues voorbij – vooral dan als Cooper zijn mondharmonica gaat bezigen -, dan weer neigt het voorzichtig naar pop, rock en andere. Sfeervol en heel erg af klinkt het echter te allen tijde. Bijzonder straf vonden wij Coopers eerste op plaat belandende cover ooit, een zalige versie van Woody Guthrie z’n tijdloze klassieker “Pretty Boy Floyd”, de geslaagde symbiose van blues en roots die “Empty Glass” is, en het bevreemdende “Death Is A Door”.

Als Cooper zelf stelt, dat hij vooral platen wil maken die bij hun luisteraars op het emotionele vlak iets losmaken, platen waarin ze hun eigen levenservaringen herkennen, dan mag je wel zeggen, dat hij daarin met brio slaagt. “It’s a journey through life, from song to song,” aldus nog Cooper. Veel beter hadden wij het hier zelf niet kunnen verwoorden. Knappe schijf!

Dana Cooper

King Easy Records

Sonic Rendezvous

 

 

VARIOUS ARTISTS

“A Case For Case”

(A Tribute To The Songs Of Peter Case)

(Hungry For Music)

(4,5) J J J J J

 

 

Het vanuit Washington, DC actieve Hungry For Music is een organisatie, die zich tot doel heeft gesteld minder fortuinlijke kinderen te inspireren en zo mogelijk een beter lot te verschaffen door de drempel richting muzikale en andere creatieve ervaringen aanzienlijk te verlagen. Dat gebeurt ondermeer door schenkingen van muziekinstrumenten, door het inrichten van speciaal op deze doelgroep afgestemde concerten en door het organiseren van zogeheten creativity workshops. Dat kan uiteraard allemaal niet zonder de nodige financiële armslag. En die wordt ondermeer bekomen door de verkoop van speciale project-CD’s. Zoals nu met het bijzonder ambitieus opgevatte “A Case For Case – A Tribute To The Songs Of Peter Case”. Het betreft daarbij een drie CD’s en ruim achtenveertig songs beslaand eerbetoon aan (de songs van) één van de beste folk-blues troubadours van de jongste decennia. Vrijwel alle betrokkenen werden gerecruteerd in de Americana-hoek. En dat levert een bepaald indrukwekkend lijstje op: Hayes Carll, Maura O’Connell, Tom Russell, Sam Baker, Chuck Prophet, Chris Smither, Richard Buckner, Kim Richey, Victoria Williams, Dave Alvin, Joe Ely, Todd Snider, James McMurtry, Ronny Elliott, Pieta Brown, Peter Mulvey, Gurf Morlix, Chris Gaffney, Steve Wynn, John Prine, Kevn Kinney, Jeffrey Foucault, and so on, and so on. Afsluiten mag Case zelf met het live opgenomen “Beyond The Blues”.

We willen ons hier voor één keer niet bezondigen aan het opsommen van de hoogtepunten. Het zou ons gewoon te ver voeren. Hier wordt met zoveel liefde en respect gemusiceerd, dat je nauwelijks een minder moment kan aanwijzen. Als je het ons vraagt is dit gewoon één adembenemend mooi geheel. En wie in de toekomst nog met plannen voor een eerbetoon zou rondlopen geven we de goede raad hier eerst even zijn licht te komen opsteken. Een veel beter voorbeeld is immers nauwelijks denkbaar.

 

Disc 1

1. Hayes Carll - Beyond the Blues
2. Maura O’Connell - Blue Distance
3. Lester Chambers - Walking Home Late
4. Tom Russell - A Little Wind (Could Blow Me Away)
5. Sam Baker - Still Playin’
6. Chuck Prophet - Three Days Straight
7.Jackie Greene - Ice Water
8. Susan Cowsill - Honeychild
9. Mark Winsick Band - Rise and Shine
10. Chris Smither - Cold Trail Blues
11. Jode Manross & Laith Keilany - Green Blanket
12. Bob Neuwirth - Power, Lust, & Money
12. Richard Buckner - Poor Old Tom
13. Kim Richey - First Light
14. Timothy Bracken - Turnin’ Blue
15. Victoria Williams - Drunkard’s Harmony

Disc 2

1. Dave Alvin - On My Way Downtown
2. Joe Ely - Put Down the Gun
3. Todd Snider - Travelin’ Light
4. James McMurtry - Old Part of Town
5. Ronny Elliott - Horse and Crow
6. Mary Battiata - Paradise, etc
7. Last Train Home - Baltimore
8. Amy Rigby - Beautiful Grind
9. Will Kimbrough - Moves Me Deeply

10. Pieta Brown - Spell of Wheels
11. Gurf Morlix - Evening Raga
12. Amilia K Spicer - Never Coming Home
13. Jesse DeNatale - I Hear Your Voice
14. Claire Holley - Two Angels
15. Peter Mulvey - Hidden Love
16. Gary Heffern - I Shook His Hand

Disc 3

1.Timothy Bracken Three-Way - Everyday Things
2. The Kennedy’s - Great Big World
3. Chris Gaffney - Zero Hour
4. Western Electric - When You Find Out
5. Brindley Brothers - Oldest Story in the World
6. Steve Wynn - Million Miles Away
7. Brad Rice - Something’s Coming
8. Mark Mulcahy - Small Town Spree
9. John Prine - Space Monkey
10. Steven Jackson - Crooked Mile
11. Bill Kirchen - This Town’s a Riot
12. Mike Martt - Wake-up Call
13. Kevn Kinney - Walk in the Woods
14. Marvin Etzioni - Old Blue Car
15. Jeffrey Foucault - Entella Hotel

BONUS:

16. Peter Case - Beyond the Blues (live)

 

Hungry For Music

 

 

HAYES CARLL

Little Rock

(Highway 87 / Me & My / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

 

Zijn debuut “Flowers And Liquor” uit 2002 was een danig sterke plaat, dat velen Hayes Carll sedertdien beschouwen als één van de allergrootste aanstormende singer-songwritertalenten binnen het huidige Americana-landschap. Bevestigen zou dan ook een aartsmoeilijke klus worden voor de jongeling. Maar Carll slaagt met brio in dat opzet. Zijn door RS Field (Billy Joe Shaver, Allison Moorer, Sonny Landreth, Webb Wilder en vele anderen) geproduceerde tweede CD “Little Rock” mag dan in haar geheel gezien wat minder focussen op de singer-songwriter-kant van Carll, het is wel opnieuw een kanjer van een plaat geworden. Iets wat gezien het lijstje betrokkenen overigens ook allerminst hoeft te verbazen. Zo is “Rivertown”, een in een country-folk-jasje gestoken verhaal over een man op zoek naar verlossing voor hij sterven zal, bijvoorbeeld een co-write met de grote Guy Clark. En in “Take Me Away”, een knappe Americana ballad van de hand van gerespecteerde collega’s John Evans en Adam Carroll, en “Good Friends”, een vrijblijvend countrydeuntje met jazzy ondertoon over het uit het oog verliezen van zijn vrienden, is de fantastische Allison Moorer zeer nadrukkelijk vocaal van de partij. “Chicken”, een op het ritme van Chuck Berry’s “Memphis, Tennessee” geënte meezinger, schreef Carll dan weer met die andere Texaanse songwriterlegende, zijn mentor Ray Wylie Hubbard, en voor het twangy “Sit In With The Band” sloeg hij ook zelf de handen in elkaar met de al eerder genoemde Evans. Andere opvallende liedjes zijn het countryrockertje “Hey Baby Where You Been”, de in niet geringe mate naar Steve Earle’s rustigere momenten verwijzende tweeling “Leave Here Standing” en “Long Way Home”, de thematisch gezien overvolle springerige Dylan meets The Boss roots rock van “Down The Road Tonight”, het door energieke gitaren aangevuurde “Little Rock” over het gelijknamige plaatsje in Arkansas en het knappe, op de Texaanse leest geschoeide “Wish I Hadn’t Stayed So Long”, waarin Carll al rockend terugkijkt op de plaatsen waar hij de jongste jaren “for the sake of the song” zoal rondhing.

 

Hayes Carll treedt op 22 april aan op het BLUE HIGHWAYS-festival in Zaal Vredenburg in Utrecht.

 

Met verder ook:

Be Good Tanyas * Marah * Thad Cockrell & Caitlin Cary * Dar Williams * Scott Miller & The Commonwealth * The McKay Brothers * The Drams * Jeffrey Foucault * Adam Carroll * Stillhouse

 

Hayes Carll

Rounder Europe

 

 

RAINRAVENS

“The Best Of The Rainravens”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Samen met groepen als Wagon, Nadine, Lou Ford, Tandy en Hazeldine behoren de uit Austin, Texas afkomstige Rainravens tot het selecte clubje acts dat ons definitief tot Americana-adepten wist te bekeren. De groep rond singer-songwriter/gitarist Andy Van Dyke mag dan al niet de grote bekendheid genieten van bands als Whiskeytown, Wilco, Son Volt en de Jayhawks, hun bijdrage tot het genre was wat ons betreft toch aanzienlijk. Niet altijd even stille getuigen daarvan zijn de albums “Rainravens” uit ’96, “Diamond Blur” uit ’97, “Rose Of Jericho” uit ’99 en “One Last Saturday Night” uit 2001. Daarop zochten én vonden Van Dyke en de zijnen zo ongeveer het ideale evenwicht tussen toegankelijke pop (en rock) songs en aan genres als country en blues ontleende elementen. De voornaamste troef daarbij bleek de zalige berookte stem van de man zelf. Naast zijn ijzersterke liedjes natuurlijk. Want ook voor het leeuwendeel van de productie op dat vlak was hij verantwoordelijk.

Met “The Best Of The Rainravens” biedt hun huidige werkgever Blue Rose Records de ideale gelegenheid voor het inzetten van een inhaalbeweging, voor zover die noodzakelijk is natuurlijk. Die compilatie bevat naast een achttien nummers tellende selectie uit hun vier albums tot op heden (waaronder de heerlijke Stones-cover “Coyote Moon”) en twee “nieuwe” nummers (“Left Undone” en “Sunday Blue”) immers ook een bonus disc met daarop in oktober van 2001 in Duitsland opgenomen live-materiaal. Dat betekent nog eens tien nummers extra voor je zuurverdiende centen.

Het beste nieuws moet evenwel nog komen. Deze collectie is als het ware slechts een opwarmertje voor een nieuw album van Van Dyke en co, dat nog in de zomer van dit jaar zou moeten verschijnen.

Rainravens

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

SARAH HARMER

“I’m A Mountain”

(Zoë / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Op “I’m A Mountain”, haar vierde solo-CD na haar in ’99 in eigen beheer verschenen “Songs For Clem”, het een jaar later geloste “You Were Here” en haar “doorbraakplaat” “All Of Our Names” van twee jaar geleden, kiest de Canadese Sarah Harmer vastberaden voor een quasi volledig akoestische aanpak. De pop folk van de drie voorgangers moet daardoor wijken voor een veel puurder geluid zoals we dat bijvoorbeeld ook kennen van een Gillian Welch, een Adrienne Young of een Iris DeMent. Bijzonder ontspannen bewandelt Harmer een hoofdzakelijk met akoestische gitaren, mandoline, banjo, fiddle en contrabas bezaaid mountain folk- en bluegrasspad. Daarbij kan ze ondermeer terugvallen op de hulp van graag geziene gasten als een Luther Wright, een Willie P. Bennett en een John Dinsmore. Voor de productie tekende ze zelf.

De grootste moot van het gebrachte materiaal pende ze naar goede gewoonte ook weer zelf. Enkel een doorleefde versie van Dolly Partons “Will He Be Waiting For Me?”, de ergens in de buurt van de zusjes McGarrigle strandende Creoolse beauté “Salamandre” van Kate Fenner en Chris Brown en het countrybluesje “Luther’s Got The Blues” van haar maatje Luther Wright mochten ook mee in het mandje. Dat drietal is samen met de acht ijzersterke nieuwe liedjes die Harmer ditmaal voor ons in petto heeft goed voor haar zondermeer sterkste plaat tot op heden.

Sarah Harmer

Rounder Europe

 

 

ALANA LEVANDOSKI

“Unsettled Down”

(Manitoba / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Als je zoals ons wekelijks geconfronteerd wordt met een ware zondvloed aan nieuw material, dan worden échte muzikale Aha-Erlebnisse alsmaar schaarser. En toch was het onlangs weer eens zo ver. Verantwoordelijke van dienst voor die heuglijke gebeurtenis was de jonge Canadese Alana Levandoski. Haar enige optreden in ons land kon enkele weken geleden helaas niet doorgaan, maar haar fabelachtige debuutplaat “Unsettled Down” ligt inmiddels gelukkig wel in de rekken van elke zichzelf respecterende platenzaak.

Levandoski’s visitekaartje weerspiegelt stilistisch gezien het muzikale erfgoed waaraan ze al op zeer jonge leeftijd werd blootgesteld. En al dekt de term Americana als vlag hier zijn lading uitstekend, toch laten zich nog heel duidelijk elementen uit country, folk en in mindere mate ook gospel onderscheiden. Levandoski klinkt daarbij als het iets minder kwetsbare zusje van de jonge Nanci Griffith. Net als deze laatste schuwt ook zij het persoonlijke in haar teksten absoluut niet. Emotionaliteit en passie zijn eigenlijk zowat voortdurend de sleutelwoorden. En als je daar nog aan toevoegt, dat Levandoski gezegend is met een soort van zesde zintuig waar het de keuze van haar woorden bij het oproepen van beelden en gevoelens betreft, dan weet je gewoon zeker dat je hier goed zit. Een aanrader van de eerste orde dus, zeker voor liefhebers van dames als de al eerder genoemde Nanci Griffith, Eliza Gilkyson en Emmylou Harris.

Alana Levandoski

Rounder Europe

 

 

De maanden rond de jaarwisseling zijn traditioneel zo ongeveer de kalmste daar waar het de aanvoer van nieuw werk betreft. Handige platenlabels spelen daar graag op in door je precies dan met een vernieuwd aanbod aan budgetproducten te overstelpen of door met compilaties van hun boegbeelden uit te pakken. Zo ook Capitol. Die Amerikaanse firma stelde zopas twee in de traditionele countryhoek te situeren releases voor.

 

LINDA RONSTADT

“The Best Of Linda Ronstadt”

(The Capitol Years)

(Capitol / EMI)

(4) J J J J

 

 

De eerste neemt ons mee naar de beginjaren van Linda Ronstadts carrière als soloartieste. Verspreid over twee schijfjes worden ons de albums “Hand Sown… Home Grown” uit ’69, “Silk Purse” uit ’70, “Linda Ronstadt” uit ’72 en “Heart Like A Wheel” uit ’74 aangeboden. En alsof dat nog niet volstond werden aan het geheel ook nog eens een vijftal bonus tracks toegevoegd. Wat we daardoor in handen houden is een vrij compleet overzicht van de eerste jaren van La Ronstadt na het uiteenvallen van de Stone Poneys, waarmee ze een jaar of twee eerder voor het eerst van zich deed spreken met “Different Drum”.

De minstens evenveel indruk met haar verschijning als met haar muziek makende zangeres – Die prachtige reeënogen ook! – wist ook toen al te imponeren met een zorgvuldige repertoirekeuze. Ze beperkte zich daarbij zeker niet tot country tout court. Met nummers van artiesten als Bob Dylan, Randy Newman, Fred Neil, Mickey Newbury, Paul Siebel, Jackson Browne, Neil Young, Lowell George, Eric Andersen en James Taylor zocht én vond ze eveneens aansluiting bij de zachtjes uitdovende folkbeweging van de sixties en de wat popgerichtere Amerikaanse uitlopers daarvan in de seventies. Daardoor behoren deze vroege albums ontegensprekelijk tot haar beste materiaal. En een welgemeend “Merci!” aan het adres van de brave borst die op het idee van deze compilatie kwam lijkt ons dan ook op zijn plaats.

Linda Ronstadt

Capitol Records

 

 

KENNY ROGERS

“21 Number Ones”

(Capitol / EMI)

(3) J J J

 

 

Nummer twee in het rijtje is de verzamelaar “21 Number Ones”, waarop ons aan de hand van een aantal van zijn grootste hits een overzicht wordt verschaft over de carrière van grijze country-eminentie Kenny Rogers. Daarbij worden spijtig genoeg zijn dagen als kopstuk van de First Edition over het hoofd gezien. Geen “Ruby Don’t Take Your Love To Town” dus hier, geen “Reuben James” ook, geen “Something’s Burning” of “Take My Hand”. Maar niet getreurd, ook zonder dat viertal valt hier voor de liefhebber van commerciële country flink wat te genieten. Hits als “The Gambler”, “Lady”, “Lucille”, “Coward Of The County”, “We’ve Got Tonight” (met Sheena Easton), “Crazy”, “Islands In The Stream” (met Dolly Parton), “She Believes In Me”, “Daytime Friends” en “Buy Me A Rose” (met Alison Krauss en Billy Dean) staan ook jaren na datum nog steeds garant voor menig een aangenaam moment.

Kenny Rogers

Capitol Records

 

 

ROWWEN HEZE

“Kilomeaters”

(’t Beste van 20 Joar)

(HKM / CNR Music)

(4) J J J J

 

 

Via de website van de groep kon iedereen de voorbije maanden zijn drie favoriete nummers van Rowwen Hèze opgeven. Uit alle inzendingen werd een top twintig samengesteld, die uiteindelijk onder de titel “Kilomeaters – ’t Beste Van 20 Joar Rowwen Hèze” zopas als CD werd uitgebracht. Niks nieuws onder de zon dus – een live ingeblikte en als verborgen bonustrack aan het geheel toegevoegde humoreske schlageruitvoering van “Bestel Mar” gemakshalve even buiten beschouwing gelaten dan - , maar wel een zeer geslaagde dwarsdoorsnede van het repertoire van Nederlands beste dialectband überhaupt. Door de jaren heen groeide het zeskoppige collectief uit America rond de ronduit fantastische singer-songwriter Jack Poels uit van louter een feestbandje tot één van de allersterkste acts van de huidige Nederlandse roots scene tout court. En van alle klippen die daarbij onderweg dienden te worden genomen vinden we hier getuigen terug. Feesten kan ondermeer op de tonen van deunen als “Bestel Mar”, “Limburg” (in de live-uitvoering met Het Metropole Orkest), “’t Roeie Klied”, “Zondag In Het Zuiden”, “Rowwen Hèze”, “Henk Is Enne Lollige Vent”, “De Lamp Ging Oet” of “En Dan Is ’t Mar Dom”, gewoon genieten geblazen is het met liedjes als “De Peel In Brand”, “November”, “Auto, Vliegtuug”, “Vlinder” en “Eiland In De Reagen”. Het ene moment drukken Poels en co je zorgeloos aan de (schijnbaar licht) beschonken borst en wijzen je een eigen plaatsje in de meterslange polonaise aan, het andere ontwapenen ze met aan het leven van alledag ontleende onderwerpen, die door hun herkenbaarheid vrijwel ogenblikkelijk een band voor het leven weten te scheppen.

Hoe populair deze knapen ondertussen wel geworden zijn bewijzen elf bladzijden in het CD-boekje vol met namen van mensen die mee stemden om tot dit eindresultaat te komen. Op de cover daarvan prijkt als extraatje overigens ook opnieuw een fraai schilderij van Poels.

Rowwen Hèze

 

 

NORMAN & NANCY BLAKE

“Back Home In Sulphur Springs”

(Western Jubilee / Dualtone / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Veel nieuws onder de zon hoef je van dit koppel niet te verwachten. Als je één plaat van Norman en Nancy Blake in je bezit hebt, dan weet je perfect wat er je te wachten staat op elke volgende. Net als op hun vorige, het mooie “The Morning Glory Ramblers”, grijpen de man die ooit nog met wijlen Johnny Cash en Bob Dylan de studio deelde (zang, gitaren, dobro, fiddle, mandoline) en zijn echtgenote (zang, gitaren, cello, mandoline) terug naar lang vervlogen tijden. Veertien nummers lang serveren ze old-time country op z’n best. Het betreft daarbij voornamelijk eigen versies van traditionals als “Columbus Stockade Blues”, “We Parted By The Riverside”, “Ella Ree”, “Star Spangled Banner” en “Katy Cline”. Enkel het bij Patty Bryan gehaalde “The Empress Of Ireland”, het titelnummer en “Seaboard Airline Rag” – twee nummers van Norman Blake zelf – vormen wat dat betreft uitzonderingen.

Norman & Nancy Blake

Dualtone

 

 

JOHN MCCUTCHEON

“Mightier Than The Sword”

(Appalsongs)

(3,5) J J J J

(Releasedatum: 4 april 2006)

 

 

John McCutcheon produceert al zo’n vijfendertig jaar lang kwalitatief hoogstaande albums. Daarbij concentreert hij zich beurtelings op een specifiek op kinderen afgestemd repertoire en op folkmuziek, al dan niet politiek getint.

Voor zijn negenentwintigste album vertrok de heel erg belezen McCutcheon vanuit een speciaal concept.Toen hij Barbara Kingsolvers “Small Wonder” las, stootte de man op het essay “Our Flag Was Still There”. Hij was zodanig onder de indruk daarvan, dat hij de schrijfster opbelde om haar mee te delen, dat daar een prachtsong in schuilde. Hij stelde haar voor de keuze: ofwel laat je me je idee stelen, ofwel schrijf je gewoon mee. Ze koos voor het laatste. De daaruit resulterende samenwerking viel McCutcheon zo goed mee, dat hij ook andere schrijvers ging contacteren. Lee Smith, Wendell Berry, Rita Dove, kinderauteur Carmen Agra Deedy en de van “Dead Man Walking” bekende Helen Prejean volgden. Daarnaast dook hij uit de archieven van Woody Guthrie twee van diens onafgewerkte liedjes op en voorzag hij enkele gedichten van Nobelprijslaureaat Pablo Neruda en Jose Martí van muzikale arrangementen.

Vooral deze laatste bijdragen zijn zeer speciaal. De in het Spaans gebrachte nummers “Cultivo Una Rosa Blanca” (Martí) en “Para Mi Corazón Basta Tu Pecho” (Neruda) en het half Engels, half Spaanse “La Mujer De Don Mijuel” (Agra Deedy) zijn liedjes die bijvoorbeeld ook niet zouden misstaan op het palmares van Tom Russell. Een ander hoogtepuntje is “Old Cap Moore”. Dat met de toestemming van Nora, de ondertussen een bijna even grote bekendheid als haar vader zelf genietende dochter van Woody Guthrie, uit diens archieven ontleende, onafgewerkte nummer groeit hier uit tot een heuse folkparel. Iets wat met evenveel recht ook gezegd kan worden over het bluesy, onmiddellijk na het lezen van Helen Prejeans gelijknamige boek geschreven “Dead Man Walking”.

Muzikale bijstand kreeg McCutcheon – zelf een virtuoos op tal van instrumenten – ondermeer van John Jennings, Julie Wolf en Rani Arbo. Voor de productie tekende hij samen met diezelfde John Jennings.

John McCutcheon

 

 

MARSHALL CHAPMAN

“Mellowicious!”

(Tallgirl Records)

(Releasedatum: 18 april 2006)

(3) J J J

 

 

Als een soort van vrouwelijke Roy Orbison, verscholen achter grote donkere zonnebrilglazen, blikt Marshall Chapman de toekomst vanop het hoesje van haar nieuwe CD “Mellowicious!” – haar eerste studioplaat in negen jaar tijd – enigszins mijmerend tegemoet. Marshall draait dan ook al een aardig poosje mee in de Amerikaanse muziekwereld. Toen ze in de jaren zeventig verkaste van South Carolina naar Nashville werd ze daar al vrij snel met open armen ontvangen. Als songwriter dan toch. Collega’s als Emmylou Harris, John Hiatt, Irma Thomas, Jimmy Buffett, Wynonna, Joe Cocker, Jessi Colter en Sawyer Brown voelden zich geroepen om door haar geschreven songs in te blikken. Wat later zou ze ook zelf scoren. Vooral haar in 1978 verschenen album “Jaded Virgin” oogstte nogal wat lovende kritieken.

Ondertussen is Chapman een dagje ouder geworden. En dat is een gegeven waar je op “Mellowicious!” niet langs kan luisteren. Wat ze erop brengt is allemaal niet kwaad, daar niet van, maar het klinkt tegelijk ook nogal bezadigd. Noem het radiovriendelijk pop- en rockmateriaal met geregeld een knipoog naar genres als country en Americana. Tot de betere momenten behoren het voorzichtig rootsrockende “Have A little Faith”, het op een commercieel verantwoord Diddley-esk ritme voorthuppelende zomerhitje in spe “Island Song II”, het als eerbetoon aan Johnny Cash gebrachte “Railroad Track”, de mooi bij haar lichthese stem kleurende ballads “I’m Just Pitiful That Way”, “Bright Red Sunset” en “I Fell In Love Again This Morning” en het van opzet aan Bobbie Gentry’s “Ode To Billy Joe” verwante rootsy kortverhaal “Now The Rain Is Falling”. Wat meer liedjes van het kaliber van dat laatste zouden hier een echte topper van hebben gemaakt.

Marshall Chapman

 

 

BR549

“Dog Days”

(Dualtone / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

 

Ondanks het feit dat hij zijn team weer gevoelige wijzigingen zag ondergaan slaagt Chuck Mead er toch weer in om met een meer dan behoorlijke plaat op de proppen te komen. Onder de hoofding “exit” treffen we ditmaal de namen van gitarist Chris Scruggs – met zijn inbreng nog voor een groot stuk mee verantwoordelijk voor het welslagen van de vorige BR549-plaat “Tangled In The Pines” – en bassist Geoff Firebaugh aan. Hun vervangers heten respectievelijk Mark Miller en John Keane. Multi-instrumentalist Don Herron (fiddle, steel, pedal steel, elektrische mandola, mandoline, Hammond B-3, banjo en zang) en drummer Shaw Wilson bleven gewoon op hun post.

Met z’n vijven werken de heren onder de productionele hoede van John Keane een bijzonder gevarieerd parcours af. Opener “Poison” is zo bijvoorbeeld een vinnig stukje old-timey bluegrass, het aansluitende “After The Hurricane” – een Tim Carroll-cover – verzeilt in Everly-eske Americana-wateren, het door Mead samen met Guy Clark gepende “Lower Broad St. Blues” heeft iets met jazz en blues, “Leave It Alone” is een lekker stevige countryrocker en “Bottom Of Priority” lonkt countrygewijs volop naar de hits van de vroege sixties. Het absolute klapstuk van “Dog Days” is evenwel de swingende, met de legendarische Jordanaires gebrachte gospeldeun “The Devil & Me”. Vooral de prachtige samenzang van alle betrokkenen blijft daarin hangen. “I’m Goin’ Down” is dan weer typisch Depression Era-spul, “You Are The Queen” mengt op subtiele wijze country en Hot Club-jazz, “Cajun Persuasion” doet iets moois met het gelijknamige genre, Dave Edmunds’ “A-1 On The Jukebox” blijft ook in zijn nieuwe uitvoering een zwierige countryrocker en het afsluitende “Let Jesus Make You Breakfast” is een verdere revérence richting gospel.

In vergelijking met hun vorige plaat verheerlijkt “Dog Days” over het algemeen veel meer de akoestische kant van BR549. ‘t Is wel even wennen, maar toch. Het feit dat Mead en kompanen er in no time richting de top van de AMA Chart mee stormden, bewees ondertussen al hun grote gelijk.

BR549

Dualtone

 

 

ROBYN LUDWICK

“For So Long”

(Late Show Records)

(4,5) J J J J J

 

 

 

Wellicht onder invloed van de gebruikelijke eindejaarsdrukte bij de posterijen heeft deze plaat er een stuk langer over gedaan om op onze schrijftafel te belanden dan voorzien. Maar ach, wat geeft het ook. Ons geduld wordt rijkelijk beloond. “For So Long”, het plaatdebuut van Robyn Ludwick, laat ons kennismaken met één van de indrukwekkendste nieuwe singer-songwriters van de laatste jaren. Onder de productionele hoede van multi-instrumentalist Danny Barnes (elektrische en akoestische gitaren, banjo, resonator en mandoline) en in het selecte gezelschap van Warren Hood (fiddle), Chip Dolan (B-3), Marty Muse (pedal steel), Jon Dee Graham (lap steel), Rich Brotherton (mandoline), Mark Thomas Peterson (drums), John “Lunchmeat” Ludwick (bassen, harmony vocals), Kelly Willis (harmony vocals) en Bruce Robison (harmony vocals) nam de Texaanse (zang en akoestische gitaar) in de Premium Sound Recorders-studio van laatstgenoemde in Austin, Texas een album op dat het beste van Mary Gauthier, Eliza Gilkyson en Kelly Willis in zich verenigt. Stemgewijs herinnert ze daarbij een weinig aan de eerste van die drie dames. Muzikaal gezien verenigt ze het beste van Americana, country, bluegrass, old-time, folk en roots rock om tot een geheel eigen geluid te komen. Wat haar teksten betreft graaft ze daarbij vooral autobio, al zijn thema’s als het leven over het algemeen en de liefde en andere zorgen in het bijzonder haar zeker ook niet vreemd.

Veel beter dan dit worden ze maar héél zelden gemaakt…

Robyn Ludwick

Lucky Dice Music

 

 

JACKIE MORRIS

“Where The Legends Grow Like Weeds”

(Button Box Records)

(3) J J J

 

 

 

De bevallige Jackie Morris solliciteert met “Where The Legends Grow Like Weeds” nogal nadrukkelijk naar een eigen stek in het legertje artiesten waarvan ook knapen als een Ian Tyson, een Gary Fjellgaard en een Jerry Jeff Walker deel uitmaken. Het album is eigenlijk één langgerekte aaneenschakeling van liedjes die de hoogdagen van het traditionele C&W-genre in herinnering roepen. Al doet Morris dat dan ook met elementen uit zowel country, bluegrass, folk als blues. Mede dankzij haar glasheldere stem en het fraaie snarenwerk van multi-instrumentalist David West weet ze uit al die stijlen een geheel eigen geluid te distilleren, waar zich op de keper beschouwd eigenlijk maar bitter weinig laat op aanmerken, behalve misschien dan dat het allemaal nogal braafjes aandoet. Maar dat hoeft niet echt een kritiek te zijn.

Jackie Morris

CD Baby

 

 

KENNY ROBY

“The Mercy Filter”

(Pulp Recordings)

(4) J J J J

 

 

 

Een bezige bij kan je Kenny Roby bezwaarlijk noemen. Na de split van zijn groep Six String Drag in 1998 leverde de man die door Ryan Adams genoemd wordt als een belangrijke invloed op zowel zijn eigen werk als dat van Whiskeytown nog amper drie albums af. (Als we zijn samenwerking met Neal Casal voor “Black River Sides” (2000) gemakshalve even buiten beschouwing mogen laten tenminste.) In 1999 verscheen zijn voortreffelijke solodebuut “Mercury’s Blues” (Hier nog altijd verkrijgbaar voor een prikje via Glitterhouse Records!), in 2002 volgde het al even knappe “Rather Not Know” en nu is er dus nummer drie, “The Mercy Filter”. Daarop bewandelt Roby niet langer uitsluitend Americanapaden. Daarbij bijgestaan door de ondermeer van de Two Dollar Pistols bekende tandem Scott McCall (gitaren) en Mark O’Brien (bas), David Kim (drums, percussie) en Justin Faircloth (toetsen) van de Houston Brothers, Matt Faircloth (mandoline) en Shawn Lynch (eveneens gitaren en orgel) opteert Roby ditmaal voor een veel openere rootsrockaanpak, vergelijkbaar bijvoorbeeld met het recentere werk van Dan Israel. Op zijn best is hij daarbij in soulvolle ballades als “Not For You”, “Bettin’ On The Blues”, “Foot Soldier” en “Everything Goes Black” of melodieuze midtempo-rockertjes à la “The Liver” en “New Days”, die gekoppeld aan zijn hees-nasale voordracht steeds weer een winnende combinatie garanderen. Maar ook meer recht-toe-recht-aan-werk als “Bein’ Alone”, Beatle-esk spul à la “On The Wind” en iets experimentelere happen genre “The Committee” of het afsluitende “Still Breathin’ At The King’s Motel” gingen er hier weer in als zoete koek. “The Mercy Filter” verdient daarom ons inziens aanbeveling aan zowel de liefhebber van het betere roots rock singer-songwriterwerk als aan de fans van lui als een Elvis Costello, een Joe Henry en een John Wesley Harding. “The best songwriter that not many people have heard of,” noemde Ryan Adams Roby recentelijk nog in het gerenommeerde Rolling Stone en misschien wordt het wel stilaan tijd om daar met z’n allen voorgoed verandering in te brengen. Deze man verdient het!

Kenny Roby

CD Baby

Miles Of Music

 

 

WILL T. MASSEY

“Alone”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

 

Platen als “Alone”, de jongste van de uit San Angelo, Texas afkomstige singer-songwriter Will T. Massey, laten zich het best genieten langs de koptelefoon. Dan pas ga je je immers ten volle realiseren welk een meesterlijke liedjesschrijver de man eigenlijk is. Daarbij slechts gewapend met een akoestische gitaar stort Massey met zijn vrijwel doorlopend een zekere tristesse afstralende lichthese stem zijn hele ziel en zaligheid uit in tien eigen liedjes, die nooit minder dan beklijvend zijn. Ongelooflijk eigenlijk, hoe hij erin slaagt om je met dergelijk door en door introspectief materiaal ruim tweeëndertig minuten lang geboeid bij de les te houden. Ook zonder de hulp van kleppers als Roy Bittan, Mike Campbell en Kenny Aronoff – die op zijn debuut voor MCA indertijd nog wél nadrukkelijk aanwezig waren – kan Massey dus duidelijk zijn mannetje staan.

Will T. Massey

CD Baby

 

 

Opgelet!!!!! Voortaan recycleren we onze eerdere besprekingen in een archief!!!!!

 

Klik hier voor de recensies van de maand januari.

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums van:

 

Steve Mayone “Unfortunate Son”James Talley “Got No Bread, No Milk, No Money, But We Sure Got A Lot Of Love”James MacDonald “Naked Soul” - Cari Lee & The Contenders “Scorched”Julia Baucke “Never Too Soon”John Allaire & The Campistas “Thank You Waitress!” - Tony Gilkyson “Goodbye Guitar”J.P. McDermott & Western Bop “Last Fool Here” - Steep Canyon Rangers “One Dime At A Time”Beth Garner “Addictions”Ray LaMontagne “Live From Bonnaroo 2005”Marisa Yeaman “Pure Motive”Micky & The Motorcars “Ain’t In It For The Money” - Frog Holler “Haywire”Sid Griffin “As Certain As Sunrise”Chris Thile & Mike Marshall “Live Duets”Graham Lindsey “Hell Under The Skullbones” - White Hassle “Your Language”Darden Smith “Field Of Crows”Lauren Hoffman “Choreography”Emily Loizeau “L’Autre Bout Du Monde” - Th’ Legendary Shack*Shakers “Pandelerium”Myrddin “Novar” - Dayna Kurtz “Another Black Feather…”Hayward Williams “Trench Foot”Ygdrassil “Easy Sunrise”Milow “The Bigger Picture”Coal “Let’s Build Us A Rocket”Danny Schmidt “Parables & Primes” - Karen Savōca “In The Dirt”Various Artists “13 Ways To Live”Happy Traum “I Walk The Road Again”Robert McEntee “Looking For A Good Sign” - Linda McLean “No Language”Mike Silver “Heaven In Mind” - Tift Merritt “Home Is Loud”The Loose Acoustic Trio “Brand New Mind”Donal Hinely “Giants”Jerry Hensley “Cool Breeze Blowin’” - Bobby Earl Smith “Turn Row Blues”Hank Williams “Live Fast – Die Young: Hank Williams, The King Of Hillbilly Music” (4CD Box Set)Mick McAuley & Winifred Horan “Serenade”Tom Ovans “Honest Abe And The Assassins” - Nancy Apple & Rob McNurlin “River Road Or Rail”Colin Brooks “Blood And Water”Bill Isbell “The Good Woman Waltz”