CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

CINDY BULLENS “Howling Trains And Barking Dogs” - LEEROY STAGGER & THE WILDFLOWERS “Live At The Red River Saloon” - PAUL THORN “Pimps And Preachers” - LOS FABULOCOS FEATURING KID RAMOS “Dos” - KASEY ANDERSON AND THE HONKIES “Heart Of A Dog” - JEFF TALMADGE “Kind Of Everything” - CHRIS ALTMANN “Que Paso” - EDDIE SPAGHETTI “Sundowner” - ALICIA MCGOVERN “Words Through The Seasons” - JUDE JOHNSTONE “Quiet Girl” - CEE CEE JAMES “Seriously Raw - Live At Sunbanks” - I CAN LICK ANY SONOFABITCH IN THE HOUSE “The Sounds Of Dying” - SWEETKISS MOMMA “Revival Rock” - RUSTY ROOTS “Something Ain’t Right” - BART DAVENPORT “Searching For Bart Davenport” - THE GREAT RECESSION ORCHESTRA “Have You Ever Even Heard Of Milton Brown?” - JOHAN BORGER “Sometimes” - LORI MCKENNA “Lorraine” - GURF MORLIX “Blaze Foley’s 113th Wet Dream” - JOHN SHIPE “Villain” - RUNAWAY EXPRESS “Howlin’ At The Moon” - BRAD BOYER “I Sat Down And Wrote You A Song” - ELIZABETH COOK “Welder” - AUGIE MEYERS “Trippin Out On Triplets” - PONDEROSA “Moonlight Revival” - CHRISTIAN KJELLVANDER “The Rough And The Rynge” - LUCKY BONES “Together We Are All Alone” - EDIE CAREY “Bring The Sea” - J.R. SHORE “Talkin’ On A Bus” - RON SEXSMITH “Long Player Late Bloomer”

 

CINDY BULLENS “Howling Trains And Barking Dogs” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ergens laat in 1990 besloot zingende liedjesschrijfster Cindy Bullens op een onbewaakt moment de goede raad van enkele bevriende collega’s op te volgen en richting Nashville te trekken. Een beslissing, die ze ook nu nog als één van de beste die ze ooit nam omschrijft. Daar in Tennessee vond ze immers eindelijk het respect, dat ze eigenlijk al zo lang verdiende. Ze ontdekte er naar eigen zeggen als het ware opnieuw haar eigen talenten en goot door samenwerkingen met ondermeer Bill Lloyd, Radney Foster, Matraca Berg, Wendy Waldman, Al Anderson, Jimmy Tittle, Kye Fleming, Maryann Kennedy en anderen de fundamenten voor haar toekomst. Een toekomst, die haar alsmaar meer in de richting van Americana zou duwen. Met als voorlopige hoogtepunt “Howling Trains And Barking Dogs”, haar nieuwe plaat, die vooral teruggrijpt naar de liedjes, die ze indertijd met anderen schreef. Zo treffen we hier ondermeer Bullens’ eigen versie van het ooit al door Radney Foster de hitlijsten in geholpen “Labor Of Love” aan en ook een nieuwe, lekker swingende uitvoering van “Whistles & Bells”, je wellicht bekend van het repertoire van de toen nog piepjonge Dixie Chicks. Voor het eerste kwam Radney Foster zelf graag een handje toesteken, voor het tweede kreeg Bullens het bezoek van haar Refugees-maatjes Wendy Waldman en Deborah Holland. Andere bijzonder lekkere momenten vonden wij het met Al Anderson gepende en door de Ordinaires vocaal ondersteunde rockertje “I Didn’t Know”, de fraaie semi-ballade “Everywhere And Nowhere” en het in de credits met Matraca Berg gedeelde en op een prima bluesy groove leunende “Can’t Stop This Train”. Enkel voor de twee laatste liedjes hier riep Bullens niet de hulp van anderen in. “The Misty Hills Of Tennessee” – Een streepje traditionele country met een bluegrassrandje, waaraan deze plaat ook haar titel ontleende! – en het intimistische, helemaal in haar eentje gebrachte “Good At Being Gone” ontstonden respectievelijk op weg naar en tijdens een recent verblijf in Nashville. Het zijn twee fraaie orgelpunten voor een bij dezen van hier uit van ganser harte aanbevolen plaat!

Cindy Bullens

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

LEEROY STAGGER & THE WILDFLOWERS “Live At The Red River Saloon” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4*****)

“Little Victories”, de zesde van Canadees Leeroy Stagger, was wat ons betreft ontegensprekelijk dé plaat van 2010. En het zal je dan ook absoluut niet verbazen, dat we deze in oktober 2009 in The Red River Saloon in het Duitse Heilbronn, thuishaven van zijn Europese werkgever Blue Rose Records, opgenomen live-dubbelaar hier met open armen ontvangen. Ruim twintig nummers lang bewijzen Stagger en zijn Wildflowers daarop, dat ze ook op een podium meer alleen maar dan hun mannetje kunnen staan. De beste man zelf en zijn je misschien nog wel van de Grapes Of Wrath bekende rechterhand Kevin Kane geven hem daarin doorgaans flink van jetje op hun gitaren. Bassist Tyson Maiko en drummer Ian Browne zorgen voor de rest. De nadruk ligt hier gezien het tijdstip van opname natuurlijk vooral op materiaal van Staggers voorlaatste plaat “Everything Is Real”. Maar ook eerdere albums als “Beautiful House” uit 2005 en “Depression River” uit 2007 worden geregeld aangedaan en met “Atlantic City” van Bruce Springsteen en “Swingin’” van Tom Petty haalden ook enkele covers de setlist. Het resultaat is een goudeerlijke, werkelijk van de allereerste tot de allerlaatste noot uiterst genietbare schijf, die Staggers de laatste jaren sowieso al gestaag groeiende reputatie alleen nog maar een flinke bijkomende boost zal geven. En dat verdient hij ook wel! Zijn steeds weer knap het midden tussen roots rock en alternatieve country houdende songs zijn immers vrijwel constant van uitzonderlijk hoge kwaliteit en ook met zijn aangenaam gruizige, ons een beetje aan Steve Earle herinnerende voordracht weet hij ons keer op keer te bekoren. Warm aanbevolen dan ook, deze dubbelaar!

Leeroy Stagger & The Wild Flowers

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

PAUL THORN “Pimps And Preachers” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Paul Thorn heeft zichzelf op “Pimps And Preachers” flink overtroffen! Dat album bulkt gewoon van de radiogenieke rootsy liedjes. Vertrekkend vanuit de tegenstelling tussen de heilige en de zondaar in zichzelf, in elk van ons eigenlijk, strooit Thorn dertien nummers lang met bijzonder sympathiek verpakte levenswijsheden in het rond. Van het ons op het universele karakter van dagdagelijkse en grotere problemen attenderende, Beatle-eske rootspopdeuntje “You’re Not The Only One” tot het bluesy ingevulde, als een soort van schuldbekentenis aan het adres van zowel zijn vader (de preacher) als zijn oom (de pimp) opgevatte titelnummer, van het op soulvolle wijze traditionele country, blues en classic rock versmeltende “Tequila Is Good For The Heart”, een eigenzinnige drinking song, tot het extreem catchy, van gloedvol toetsenwerk voorziene en her en der best wel een beetje aan The Band herinnerende “Love Scar”, van het lekker doorstomende rootsrockertje “Weeds In My Roses” tot het optimistische, op z’n Subdudes richting New Orleans lonkende “Better Days Ahead”, van het met zo’n typische Southern feel gezegende “Ray Ann’s Shoes”, een soort van “Ryan Adams meets Tony Joe White”-trage, waarin Thorn duidelijk aangedaan het verhaal van een recentelijk door een echtscheiding getroffen vriendin vertelt, tot de tot verdraagzaam geloven oproepende langzame boogie “You Might Be Wrong”, van de funky story song “Buckskin Jones” tot de alweer op een zalige toetsenbijdrage drijvende roots pop van “I Hope I’m Doing This Right”, van het op realistisch-humoristische wijze aangebrachte R&B-stampertje “I Don’t Like Half The Folks I Love” tot de zich in vurig verlangen wentelende pop van “Nona Lisa” of het op een reeks uitspraken van zijn moeder gebaseerde en nadrukkelijk met een Muscle Shoals-geluid flirtende afsluitertje “That’s Life”, hier halen we graag nog eens het label “Alle dertien goed!” voor boven. Echt wel een ijzersterk geheel!

(“Pimps And Preachers” is nu ook verkrijgbaar in een gelimiteerde “Deluxe Edition” inclusief de live-DVD “The Paul Thorn Band Live”.)

Paul Thorn

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

LOS FABULOCOS FEATURING KID RAMOS “Dos” (Delta Groove Music)

(5*****)

Aandachtige lezers van deze pagina’s zullen zich misschien nog wel herinneren, hoe wij al in 2008 een flinke lans braken voor Los Fabulocos. De “Cali-Mex” op het debuut van Jesus Cuevas (zang, accordeon, akoestische gitaar en bas), James Barrios (bas en zang), Mike Molina (drums) en Kid Ramos (tal van gitaren, bajo sexto en zang) werd door ons toen al warm aanbevolen aan al wie hield van acts als Los Lobos, The Blazers, Tremoloco en Flaco Jimenez. En dat standpunt kunnen we naar aanleiding van de nóg betere tweede van de heren eigenlijk alleen maar herhalen. Aanstekelijker kan je een plaat ons inziens amper maken! Bijzonder knap is het, hoe rock & roll en Latin-ritmes elkaar hier telkens opnieuw blind weten te vinden. En als dusdanig vormen Los Fabulocos eigenlijk gewoon een verlengstuk voor wat Cuevas en Molina eerder al deden bij The Blazers. En echt verwonderen deed het ons dan ook niet, om hun maats van weleer binnen die groep, Manuel “Big Manny” Gonzales (zang, rubboard en timbales) en Raul Medrano (percussie), hier ook aan te treffen. Net als de verbluffend goede saxofonist Rod Dzibula leveren ook zij enkele heel erg gesmaakte gastbijdragen. En op die manier helpen ze van de muzikale gumbo die “Dos” is een nog groter feest te maken dan z’n voorganger dat al was. Twaalf nummers lang is het hier weer volop zomer! Van de melodieuze, volop aan Los Lobos ten tijde van hun klassieker “By The Light Of The Moon” herinnerende rootsrocker “Everything Will Turn Out Alright” over het energieke, op ingenieuze wijze met zydeco omspringende “The Vibe” tot het country-soulslepertje “I Never Thought”, van het tegen een rumba beat wild met de kont schuddende “Los Chucas Suaves” over het ergens in de buurt van Doug Sahms erfgoed strandende “She Wakes Up Cryin’” tot de onvervalste Tex-Mex van “Una Pura Y Dos Con Sal” of het dat genre met een flinke snuif R&B kruidende “What’s In My Heart”, van de alweer erg bekoorlijke, met een prise nostalgie op smaak gebrachte rootsrocker “The Coffee Song” over “Un Puño De Tierra”, een werkelijk sublieme ranchera “traditional style”,  tot  “My Brother’s Keeper”, een door Kid Ramos gezongen streep withete blues & roots, “Keep A Knockin’”, een deels in het Spaans gebrachte zydeco-bluesversie van die Little Richard-hit met beurtelings hoofdrollen voor het accordeon van Cuevas, de elektrische van snarenbeul Ramos en de sax van gast Dziubla, en het afsluitende “Calmen Su Rollo”, opnieuw zo’n rete-aanstekelijk Tex-Mex-opdondertje, wij hebben hier vergeefs gezocht naar ook maar één enkel minder nummer. En “Dos” behoort dan ook al dagenlang tot onze allerbeste vrienden! Een echte moordplaat gewoon!

Los Fabulocos Featuring Kid Ramos op MySpace

Delta Groove Music

 

KASEY ANDERSON AND THE HONKIES “Heart Of A Dog” (Red River Records)

(3,5****)

Klonk Kasey Andersons vorige, het al bij al eerder somber gestemde “Nowhere Nights”, nog als het werk van een singer-songwriter geruggensteund door een backing band, dan neemt op “Heart Of A Dog”, zijn eerste aan het hoofd van The Honkies, diezelfde rockband meermaals resoluut de touwtjes in handen. Hier wordt bij tijd en wijle flink geknald! In zoverre zelfs, dat bij momenten enkel de als vanouds weer knappe teksten nog de subtiliteit van een door de wol geverfde singer-songwriter verraden. Gelijk van bij het samen met Eric Ambel gepende openingsnummer “The Wrong Light” is het goed raak. Heftige gitaren, een stuwende bas en een flink vervormde stem laten daarin geen spaander heel van welke twijfel dan ook aan Andersons bedoelingen hier en vormen als dusdanig de ideale springplank richting wat volgt. En dat is vooreerst het melodieuze “Mercy”, wat ons betreft een nogal nadrukkelijke knipoog richting het werk van de Stones in betere dagen, compleet inclusief fijne blazers en sfeervol toetsenwerk. (Met “My Baby’s A Wrecking Ball” zal er verderop trouwens nog zo één volgen!) Gelukkig neemt Anderson geregeld ook nog even wat gas terug. Gelukkig, omdat wij precies die wat rustigere momenten nog altijd het meest van ‘m appreciëren. “Exit Ghost” is zo wat ons betreft ontegensprekelijk hét hoogtepunt van “Heart Of A Dog”. Leed wordt daarin zo tastbaar gepresenteerd, dat je het als luisteraar quasi zelf gaat ervaren. Het schrijnende verval van een aan drugs verslaafde ex-vriendin maakt van Anderson in dat liedje een zo goed als compleet hulpeloze toeschouwer. Afgesloten wordt “Heart Of A Dog” met het enige niet-Anderson-nummer hier, het om ons niet meteen duidelijke redenen niet op het hoesje vermelde “Save It For Later”, een cover van het gelijknamige nummer van de Engelse 80’s skagroep The Beat. En die lekker rockende herinterpretatie valt hier absoluut niet uit de toon. Liet Andersons eerdere werk zich nog vooral aanbevelen aan fans van Steve Earle en aanverwanten, dan lijkt ons dit meer iets voor die van Richmond Fontaine, Lucero, The Gaslight Anthem en co.

Kasey Anderson

Red River Records

 

JEFF TALMADGE “Kind Of Everything” (Berkalin Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Kind Of Everything” is ontegensprekelijk het meest ambitieuze Jeff Talmadge-album tot op heden. Onder de productionele hoede van de ondermeer om zijn werk met genregrootheden als een Nanci Griffith, een Mary Gauthier en een David Olney geroemde Thomm Jutz en in het gezelschap van topmuzikanten als Fats Kaplin, Tim O’Brien, Jon Vezner, Pat McKinnerney, Dennis Crouch, Lloyd Maines, Ray Bonneville, Danny Flowers, Ed Pettersen en anderen levert de voormalige advocaat met zijn zevende zijn tegelijk meest toegankelijke en meest uitdagende plaat af. Nog wat meer dan voorheen al in de voetsporen tredend van illustere voorbeelden als collega-Texanen Townes Van Zandt en Guy Clark liet Talmadge zich ook voor de twaalf eigen songs hier weer inspireren door het leven zelf. Zowat alles wat hij onderweg daarin ziet of hoort blijkt op de keper beschouwd vroeg of laat wel eens voor een verhaal in aanmerking te kunnen komen. Iets wat leidt tot een op z’n minst wat het tekstuele aspect ervan betreft bijzonder rijke plaat. “Step By Step” celebreert zo bijvoorbeeld de eeuwig durende liefde. Talmadge schreef het nummer naar aanleiding van z’n bronzen huwelijksjubileum voor en over een Nederlands koppel. Voor het met Kaplin op het instrument uit z’n titel gebrachte “Hamburg Violin” liet hij zich dan weer inspireren door een Hamburgse straatmuzikant en in het knappe, samen met Steve Gray gepende “Summer Road” staan de jeugd en het verliezen van z’n onschuldigheid centraal. Dé absolute toppers hier zijn wat ons betreft echter de met invoelzaam steelwerk opgewaardeerde ballade “He’ll Give Her Back This Town Tonight”, waarin op een wat aparte manier een liefdesbreuk wordt bezegeld, en het met Tim O’Brien gedeelde “Molly”, een wat somberder deuntje opgehangen aan het thema obsessie. En ook de enige cover van de plaat, het bij David Olney geleende en naar Talmadge-normen behoorlijk elektrisch ingevulde “If It Wasn’t For The Wind”, mag er absoluut wezen. Prima schijf zondermeer!

Jeff Talmadge

Sonic Rendezvous

 

CHRIS ALTMANN “Que Paso” (Ridin’ High Records)

(4****)

Dat hij zijn lot “on the road” tijdelijk aan dat van Joe Pug verbond, had voor Aussie Chris Altmann alvast het prettige gevolg, dat ook wij hem zo leerden kennen. Via zijn album “Que Paso” meer bepaald. Een plaat, waarop voor ons vrijwel ogenblikkelijk duidelijk was, dat Altmann iets met rock moest hebben. Een bedenking, die na wat googelen ook al snel werd bevestigd. In en om Melbourne geniet de man immers vooral bekendheid als zanger-gitarist van het voorlopig op non-actief geplaatste collectiefje The Vandas. Maar begrijp ons vooral niet verkeerd: “Que Paso” is absoluut geen rockplaat. Integendeel! Altmann en zijn maats gaan op die schijf resoluut voor een country rock sound, zoals die vooral in de jaren zeventig van de vorige eeuw in was. Zonder daardoor als een loutere doorslag van helden van weleer te gaan klinken evoceren ze met veel gevoel die lang vervlogen tijden. Altmann zelf tekende daarbij voor alle songs, zong en ging bovendien ook aan de slag op drums, gitaar, piano, banjo en pedal steel. Gastbijdragen op de Resonator, lap steel, accordeon, mandoline, sax en trompet vervolledigen het muzikale plaatje. En dat is er één, dat absoluut gehoord mag worden! Doorgaans herinnert Altmann flink twangend aan groepen als de Faces, de Stones of de Black Crowes, elders gaat het vizier wat meer richting Southern rock, Tex-Mex tot zelfs R&B. Excellent luistervoer met andere woorden voor muziekliefhebbers, die net als ons graag het verleden mogen blijven omarmen. Al klinkt dit, zoals eerder al gesteld, hoegenaamd nergens echt gedateerd. Onze luistertips: het soulvol rockende “Bad News” (Met z’n heerlijk rollende pianootje!), de knappe trage “There’s A Fire”, het ongegeneerd met Tex-Mex flirtende “Muchos Grandes” en het werkelijk roodhete openingsnummer “Who Knows Where”. Wat ons betreft een bijzonder interessante ontdekking, deze knaap. Maar overtuig je daarvan vooral ook even zelf, je zal het je beslist niet beklagen!

Chris Altmann

 

EDDIE SPAGHETTI “Sundowner” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

Fans van Supersucker Eddie Spaghetti zijn met ’s mans derde soloplaat weer volop aan het feest. Die nieuwe worp “unapologetically wears the love of the good times on its greasy flanel sleeve”, zoals de recensent van dienst bij platenlabel Bloodshot Records het mooi weet te verwoorden. Met een handvol originelen en een karrenvracht aan covers verzekert Spaghetti zich spelenderwijze van een plaatsje in de cd-speler van onze wagen de komende weken. Als naar goede gewoonte weet hij ook op “Sundowner” weer heel goed het midden te houden tussen “all things rock” en traditionele country. Zo zet hij bijvoorbeeld Del Reeves’ “Girl On The Billboard” volledig naar zijn hand, tackelt met brio Steve Earle’s “If You Fall In Love”, verleent aan “Everybody’s Girl” van punkrockers The Dwarves een intraveneuze shot twang, neuzelt zich ouderwets lekker een weg doorheen “What Do I Care” van Johnny Cash, gaat zelfs even aan het croonen in “Always On My Mind” van zijn ouwe gabber Willie Nelson, rockt nerveus doorheen “Jesus Never Lived On Mars” van cult act de Lee Harvey Oswald Band, zingt Dave Dudley’s “Cowboy Boots” alsof het speciaal voor hem geconcipieerd werd en perst zelfs uit Dean Martins “Party Dolls And Wine” een ogenblikkelijk een goed humeur veroorzakende lap alternatieve country. En van zijn eigen nieuwe materiaal hier lieten vooral de aangenaam gruizig aandoende road song “Never Thought I Would” en het heerlijk lijzige, ons qua vibe een weinig aan de Travelin’ Wilburys herinnerende “Marie” een uitstekende indruk na.

Bloodshot Records

Bertus

 

ALICIA MCGOVERN “Words Through The Seasons” (Alicia McGovern Music)

(3,5****)

Vanuit het verre Utah mochten we onlangs een bijzonder aangename verrassing in onze brievenbus begroeten. “Words Through The Seasons” meer bepaald, de tweede van de van daar uit flink aan de weg timmerende jonge zingende liedjesschrijfster Alicia McGovern. Die doet het daarop met tien eigen liedjes, die vooral bij fans van dames als IrisDeMent, Lucy Kaplansky en Dar Williams in goede aarde zouden moeten kunnen vallen. Vakbekwaam bijgestaan door producer Mark Thayer en begeleid door multi-instrumentalist Duke Levine (op gitaar, sitar, banjo, ukelele, lap steel, mandoline en mandola), percussionist Brad Wentworth, bassist Rob Jost en strijkster Daisy Castro gaat ze daarin voor een ontwapenend eerlijke aanpak, daarbij voortdurend zowel de wereld rondom haar als haar eigen hart als inspiratiebron gebruikend. Extreem delicate liedjes (zoals “A Night On The Town”, “I’ll Keep Tryin’” en “Heavy As The Wing”) afwisselend met wat wulpser ingevuld spul (genre “Ruby Red Sky”, “Our Tiny Little Hearts” en het aparte liefdesliedje “You Do Not Bring Me Flowers”) houdt ze zich met sprekend gemak staande op het slappe koord tussen Americana, folk, old-time en roots pop. Geen wonder, dat ze het met materiaal van dat kaliber reeds tot in de bovenste regionen van de Euro Americana Chart schopte! Een mooie, wat aparte stem, leuke liedjes, sterke teksten… Gaan we beslist nog veel meer van horen!

Alicia McGovern

CD Baby

 

JUDE JOHNSTONE “Quiet Girl” (BoJak Records)

(3,5****)

Met “Quiet Girl” blijft Jude Johnstone nadrukkelijk in het vaarwater van eerdere cd’s als “Coming Of Age” en “On A Good Day”. En dat betekent dat ze ons ook nu weer tien nummers lang onderdompelt in een bad van bijzonder aangenaam wegluisterende singer-songwriter Americana. Iets waarvoor ze ditmaal op nogal wat hulp van bekende vrienden mocht rekenen. Zo komt de grote Emmylou Harris herself bijvoorbeeld voorbij in titelnummer “Quiet Girl”, een heerlijk soulvol deuntje, waarin verder met name ook het mooie mandolinewerk van David Mansfield opvalt. Voor het daaropvolgende “I Don’t Wanna Go Home” mocht Johnstone dan weer Jimmy LaFave begroeten. En ook diens stem blijkt goed voor een zowat perfecte match. Het resultaat is een erg mooie pianoballade. Andere opgemerkte gasten: de uit de entourage van Bruce Springsteen bekende Clarence Clemons en zijn tenorsax in het melancholisch warme “Don’t Wake Me Up”, Rodney Crowell en Susan en David Cowsill in het zijn titel alle eer aandoende “Cry For New Orleans”, Maxayn Lewis in het alweer zeer soulvol gebrachte “Angel At Your Door” en John David Souther in de knappe trage “On That Train”.

Jude Johnstone

CD Baby

 

CEE CEE JAMES “Seriously Raw - Live At Sunbanks” (FWG / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met een stem als die van Cee Cee James lijkt er hoegenaamd geen ontkomen aan: je moet en zal gewoon in de blues belanden! Heerlijk gruizig, in staat tot zowel onmetelijk diepe uithalen als het op ongemeen soulvolle wijze vertolken van gevoelens, meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!  En dat je daarbij als luisteraar regelmatig onwillekeurig moet gaan denken aan de grote Janis Joplin, dat nemen we d’r dan maar wat graag bij. En wij niet alleen klaarblijkelijk! Zoveel wordt duidelijk bij het beluisteren van de opvolger van James’ debuut “Where The Snakes Crawl”, het zopas verschenen “Seriously Raw”. Het betreft daarbij een op het Sunbanks Rhythm & Blues Festival in Washington ingeblikte set, die door de aanwezigen duidelijk naar waarde geschat werd. Met een James, die ook bijzonder goed op dreef was. Duidelijk beter in haar element “on stage” dan in een studio. En dat resulteert dan ook in prima vertolkingen van materiaal van ondermeer Robert Johnson (“Crossroad Blues”), Willie Dixon (“I Ain’t Superstitious” en “I Just Want To Make Love To You”), Hound Dog Taylor (“Give Me Back My Wig”), Janis Joplin (“Mercedes Benz”), Kris Kristofferson (“Me And Bobby McGee”), B.B. King (“Rock Me Baby”), Ike & Tina Turner (“Nutbush City Limits”), Luther Allison (“Living In The House Of The Blues”) en Don Nix (“Going Down”). Met een viertal eigen originelen als toegevoegde waarde. Daardoor wordt dit toch nog net wat meer dan een louter eerbetoon aan hen die haar voorafgingen op het pad van de blues. Met speciale vermeldingen tenslotte nog voor straffe leadgitarist Jason Childs en z’n rhythm & slide-secondant Rob “Slide Boy” Andrews, die van James regelmatig ook hun moment de gloire mogen meepikken.

Cee Cee James

Sonic Rendezvous

 

I CAN LICK ANY SONOFABITCH IN THE HOUSE “The Sounds Of Dying” (Suburban Home / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Dit is duidelijk geen luistervoer voor watjes! Op hun eerste nieuwe plaat in drie jaar tijd tasten Michael Dean Damron en de zijnen onverminderd verder “the hard edge” van het Americana-genre af. Hier wordt gemusiceerd met een attitude vergelijkbaar met die van zo menig een groepje jonge punkwolven nu bijna vier volle decennia geleden. Met een stem die klinkt alsof ze opgeborreld komt uit een keelgat, dat dagelijks met een handvol nieuwe scheermesjes gespoeld wordt, tegen een achtergrond van al even meedogenloos getormenteerde gitaren, hels scheurharmonicawerk en met schuim om de mondhoeken bepotelde bas en drums. Dit is dan ook roots rock waarin de nadruk nog nadrukkelijk op de tweede helft van die omschrijving ligt. Uitermate geschikt wellicht voor liefhebbers van enigszins vergelijkbare acts als de jongere Replacements, Drag The River en Two Cow Garage. En als dusdanig hoeft het ook absoluut niet te verwonderen met “Postcards And Apologies” hier iets van die laatste groep te zien opduiken. En al evenmin dat Micah Schnabel en Shane Sweeney daar dan ook nog eens hun stemmen komen aan lenen. (Ook verkrijgbaar als LP!)

I Can Lick Any Sonofabitch In The House

Sonic Rendezvous

 

SWEETKISS MOMMA “Revival Rock” (SweetKiss Momma / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het minste wat je kan zeggen over de titel van deze plaat is dat hij wel heel erg op z’n plaats is. Wat de vanuit Puyallup, WA, een plaatsje op een klein half uur rijden ten zuiden van Seattle, actieve knapen van SweetKiss Momma op “Revival Rock” brengen, zou immers zo van een medio de jaren zeventig verschenen LP kunnen stammen. Zanger Jeff Hamel, drummer Tyson Lickert, gitaristen Waid Hoyt en Aaron Arnold en bassist Randy Jackson tonen zich op dat debuut duidelijk beïnvloed door klassieke rock acts als Lynyrd Skynyrd, The Allman Brothers, of wat recenter The Black Crowes ook wel. “Revival Rock” kreunt over grote delen dan ook onder vurig gitaarwerk, met daarbij een hoofdrol voor snarengeweldenaar Arnold. Die blijkt verantwoordelijk voor zo menig een killer riff hier. Het tekstuele en melodieuze aspect van het merendeel der songs zijn echter voor rekening van leadzanger Hamel. Die trekt het geheel verder ook met z’n bijzonder performante stem. Hij herinnert je aan zo menig een grote rockstrot uit de seventies. En net als veel van die heren koppelt ook hij rock en blues hier aan een gezonde dosis Southern soul. Nu eens lekker funky uithalend, dan weer overhellend richting klassieke blues en broeierige soul. Al bij al echter vooral heftig rockend en je achterlatend met een plaat, waarvoor je komende zomer graag de autoruit naar omloog zal laten om er iedereen in je buurt volop van te laten meegenieten.

SweetKiss Momma

Sonic Rendezvous

 

RUSTY ROOTS “Something Ain’t Right” (Tub Thumper Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Et voilà, het eerste Belgische blues & roots-toppertje van het nog jonge 2011 is bij dezen ook reeds een feit. Het betreft daarbij “Something Ain’t Right”, de nieuwe van het vanuit blues town Peer actieve vijfmanschap Rusty Roots. Op die opvolger van “100 Miles” uit 2006 en het twee jaar later verschenen “Electrified” gaan de heren onder de bezielende productionele hoede van Marc “Tee” Thijs voor een heerlijk gevarieerd geluid. Afgetrapt wordt er met het de hoogdagen van CCR in herinnering roepende lekkere swamprockertje “Wiggle”. Vervolgens gaan rock en blues een a priori geslaagd huwelijk aan in het duidelijk in diverse Amerikaanse Zuidstaten gewortelde “Wake Up”, flirt de op knap gitaarwerk terende zomerse R&B-spring-in-‘t-veld “Too Tight” onopvallend met de sixties, doet “Country And Wagons” ons qua ritmiek een heel klein beetje denken aan het stuiterende karakter van zo menig een Bo Diddley-hit en mag in het pompende “Get Down”, met voor de zoveelste keer lekker vet “smoelschuifwerk” van de Rev’ Hotrod, het dak er definitief helemaal af. En dan zijn er ook nog “Thing”, opnieuw een heerlijk twangende knipoog richting John Fogerty en de zijnen, “Easy”, een streep sensuele witte soul van de bovenste plank, “Money Train”, een wild schokschouderende blues train song, “Let Her Down”, een groovy streep rootsrock, en de overheerlijke afsluiter “Something Ain’t Right”, waarin tegen een aanstekelijk ska-ritme al skankend de eindmeet wordt gehaald. Wat ons betreft tienmaal stevig prijs dus! En als we het hier voortaan over de top van de Belgische rootsscène zullen hebben, dan zal Rusty Roots dan ook in één adem worden genoemd met de door ons al een kleine eeuwigheid geadoreerde Seatsniffers. Een veel mooier compliment kunnen we deze klasse-band niet maken, lijkt ons!

Rusty Roots

Sonic Rendezvous

 

BART DAVENPORT “Searching For Bart Davenport” (Tapete / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik Bart Davenport na zijn dagen als kopstuk van The Loved Ones, met wie hij in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw de bijzonder knappe albums “The Price For Love” en “Better Do Right” afleverde, zo goed als volledig uit het oog ben verloren. En het kwam dan ook als een serieuze verrassing, toen ik naar aanleiding van het me eerder toevallig in de handen gevallen “Searching For Bart Davenport” vernam, dat het daarbij al ’s mans vijfde soloplaat sinds 2002 betrof. Om nog maar te zwijgen over de daarop gebrachte muziek! Dit is duidelijk niet meer de Davenport van weleer. De ruige, rete-aanstekelijke R&B van in zijn jonge jaren heeft plaats moeten maken voor een heel wat fijnbesnaardere aanpak. Wat hij op deze opvolger van “Bart Davenport” uit 2002, “Game Preserve” uit 2003, “Maroon Cocoon” uit 2005 en het afgaande op kritieken van anderen briljante “Palaces” van een jaar of twee geleden brengt, is zuiver akoestisch gehouden spul, dat met name bij liefhebbers van bijvoorbeeld de er ook op gecoverde Kings Of Convenience, Jack Johnson, Matt Costa en aanverwante acts in goede aarde zou moeten kunnen vallen. Davenport zingt en tokkelt zich op zijn vijfde op wel bijzonder intimistische wijze een weg doorheen materiaal van Broadcast (“Come On, Let’s Go”), de hier hoger al vermelde Kings Of Convenience (“Cayman Islands”), Caetano Veloso (“Maria Bethania”), Sandycoates (“I Think I Had No Arms”), de Incredible Stringband (“You Get Brighter”), Bridget St. John (“Autumn Lullaby”), Arthur Lee & Love (“Wonder People (I Do Wonder)”), Talking Heads-baas David Byrne (“Everyone’s In Love With You”), Schotse legende Bert Jansch (“Ramblin’s Gonna Be The Death Of Me”), cultheld Jackson C. Frank (“Blues Run The Game”), The Changes (“In The Dark”) en Gill Scott-Heron (“Better Days Ahead”). Het resultaat is een plaat, waarbij het heerlijk wegdromen is. Enkele decennia muziekgeschiedenis glijden hier en passant bijna geruisloos aan je voorbij. Voor mij alleszins een uitnodiging om met hoogdringendheid een inhaalbeweging met betrekking tot Davenports eerdere solomateriaal in te zetten. En de omschrijving “Warm aanbevolen!” mag je voor één keer dan ook echt letterlijk opvatten!

Bart Davenport

Tapete Records

Sonic Rendezvous

 

THE GREAT RECESSION ORCHESTRA “Have You Ever Even Heard Of Milton Brown?” (New Tex)

(4****)

Net op het moment dat grote delen van de States kreunen onder een ongemeen heftige winterprik bereikte ons vanuit Texas één van de warmbloedigste platen die we in tijden van daaruit mochten begroeten. Eentje die qua opzet zo naast “What Makes Bob Holler”, de jongste van de onvolprezen Hot Club Of Cowtown, kan. Net als bij die plaat betreft het ook bij “Have You Ever Even Heard Of Milton Brown?” van The Great Recession Orchestra immers een bijzonder geslaagd eerbetoon aan het adres van één van de allergrootsten van het Western Swing-genre. Samen met Bob Wills lag Milton Brown nog aan de basis van de gerenommeerde Lightcrust Doughboys. En later zou hij als kopstuk van de Musical Brownies Wills zelfs voorafgaan als speerpunt van het Western Swing-gebeuren. Pas na zijn dood zou Wills de fakkel effectief van hem overnemen en uitgroeien tot de onomstreden koning van dat genre. Maar, aldus die van The Great Recession Orchestra, “Milton got there first! He invented Western Swing”. En vandaar dus ook deze bijzonder liefdevolle “tip of the hat” te zijner ere. Op heerlijk authentieke wijze en ongemeen swingend waden Frank Gilligan, Damon Gray en Buddy Whittington (zang), J.D. Smith (fiddle), Warren Bubba Stephens (gitaar), Ray Austin (dobro), Michael Hamilton (keyboards), Michael Holleman (drums), Gary Bristol (bas) en gastmuzikanten Rusty Burns (aanvullend gitaarwerk), Jeff Jacobs (piano in een aantal nummers) en Grace Taylor Vozelgang (extra vocals) doorheen bekende en minder bekende nummers als “Corrine Corinna”, “Yes Sir”, “Sitting On Top Of The World”, “Harvest Moon” en “I’ll Be Glad When You’re Dead”. En ze doen dat met zoveel overgave en liefde, dat het zo goed als onmogelijk wordt om hierbij stil te blijven zitten. Bijzonder knap, hoe songgoed daterend uit de periode 1934-1936 hier vertaald wordt naar het hier en nu en zo ook na al die jaren nog leefbaar wordt gehouden. Onze favorieten: het op wel heel erg krolse wijze gebrachte “Sitting On Top Of The World”, het werkelijk supersonisch swingende “I’ll Be Glad When You’re Dead” en het ondermeer door ongemeen lekker fiddlewerk van Smith ook al flink aangezwengelde en hier ook al eerder vermelde “Corrine Corinna”. Een absolute aanrader!

New Texas Swing

 

JOHAN BORGER “Sometimes” (Cane Goose Records)

(4,5*****)

Zelden zo geraakt geweest door iemands eersteling als door “Sometimes” van de jonge Nederlander Johan Borger. Op dat debuut klopt hoegenaamd alles. In het gezelschap van een schare bevriende muzikanten en familieleden blikte Borger zijn “maiden release” verspreid over een aantal weekends in een tot opnamestudio omgetoverde living in Ermelo in. Een gegeven, dat wellicht deels de ongemeen warme sfeer die ervan uitgaat verklaart. Al mogen we in dat verband zeker ook niet de gloedvolle stem van Borger zelf, zijn ontwapenend mooie samenzang met zijn zus Mariecke en de te allen tijde louter ten dienste van de liedjes geleverde bijdragen van gastmuzikanten als Bertolf Lentink, Mischa Porte en anderen vergeten. Al die elementen dragen bij tot een volstrekt tijdloos geheel, aansluitend bij het oeuvre van tal van grote singer-songwriters uit de late sixties en de vroege jaren zeventig. Ergens tussen folk, Americana en pop neemt Borger ons mee op een tijdsreis langsheen zo menig een belangrijke halte in zijn nog jonge bestaan. En hij maakt ons dusdanig als het ware deelachtig aan zijn eigen volwassenwording. “Sometimes” drijft dan ook op gevoelens. In veelal uitermate intimistisch aandoende liedjes denkt Borger na over zichzelf en het leven, staat stil bij teloorgegane liefde en gaat op zoek naar blijvend geluk. Zelf verzorgt hij daarbij bijdragen op zowel de akoestische als de elektrische gitaar, lap steel, piano, Wurlizer en mandoline, Bertolf Lentink tekent voor enkele gesmaakte passages op dobro en lap steel en Mischa Porte zorgt voor onwaarschijnlijk subtiel drumwerk. Akoestische en elektrische bas, Hammond B3, viool en banjitar vervolledigen waar nodig het klankbeeld. Onze lievelingsmomenten op een plaat tot de nok toe gevuld met echte beauties: het al mijmerend de scheurtjes in het behang van het eigen liefdesleven afdekkende titelnummer, het al evenzeer onder de huid gaande “Traveling On” en het met een ronduit heerlijke lap steel-bijdrage opgewaardeerde Americana-kleinood “On My Way Now”. Als Borger het in die deunen gehaalde niveau ook in de toekomst weet aan te houden, dan zal Nederland al snel te klein voor ‘m gaan blijken. Sure thing! Echt onwaarschijnlijk goed, dit album!

Johan Borger

 

LORI MCKENNA “Lorraine” (Signature Sounds)

(4****)

Heel even mocht zingende songsmid Lori McKenna in 2005 op de poort naar groot succes kloppen. Toen liedjes van haar kort na elkaar op albums van respectievelijk Faith Hill en Sara Evans belandden, bleek ze immers ook zelf plots interessant genoeg voor Warner Bros om haar aan een serieuze platendeal te helpen. Wat begon als een soort van hedendaags sprookje kreeg echter niet meteen het gedroomde vervolg. Na één enkel album, het in 2007 verschenen en van een bij nader inzicht wel erg toepasselijke titel voorziene “Unglamorous”, was de liefde van de major immers alweer over. Een zegen of een vloek? Wij zijn alvast geneigd om eerder in de richting van het eerste te denken. Voor McKenna betekende die breuk immers het herwinnen van haar artistieke vrijheid. En dat heeft haar hoorbaar goed gedaan. Haar nieuwe worp, het naar zichzelf vernoemde “Lorraine”, is wat ons betreft oneindig veel beter dan z’n voorganger. In een productie van Barry Dean toont McKenna zich daarop in een bij momenten opnieuw veel bescheidener gehouden muzikale setting dertien nummers lang als een vis in het water. Aftrappen doet ze het geheel met de fraaie ballade “The Luxury Of Knowing”. In dat eerder ook al eens door Keith Urban gebrachte nummer laat ze zich op innemende wijze klaaglijk uit over een liefde, gedragen eerder door verslaving dan door affectie. En daarmee is de toon meteen gezet. McKenna mag zich in haar teksten hier immers graag over de kleine en vooral ook wat grotere obstakels op de weg van vrouwen in “small-town America” buigen. Een gegeven, waar ze als moeder van vijf, wellicht meer dan wie ook inzicht in heeft. En liedjes als de trage “The Most”, de pianoballade “If He Tried”, titelnummer “Lorraine” of het wat vlottere, zich schoorvoetend rockend ergens in de buurt van de Dixie Chicks neervleiende “You Get A Love Song” komen dan ook uitermate geloofwaardig over. Vooral de rustigere nummers genieten op de keper beschouwd onze voorkeur. Met name het met een ouderwets lekkere snik in de stem gebrachte “Buy This Town”, het met Andrew Dorff gepende “That’s How You Know” en het werkelijk weergaloze “Sweet Disposition”. Dankzij dat soort van deuntjes kan je haast niet anders dan Lori McKenna ogenblikkelijk weer stevig in de armen sluiten. En dat is bij dezen meteen ook gebeurd!

Lori McKenna

Signature Sounds

 

GURF MORLIX “Blaze Foley’s 113th Wet Dream” (Rootball Records)

(5*****)

Als eerbetoon kan dit al tellen! Niet enkel bestormen dankzij Gurf Morlix de liedjes van z’n vermoorde vriend Blaze Foley nu ook eindelijk de AMA Chart en andere rootshitlijsten, neen, de beste man levert met dit geweldige album meteen ook zijn allerbeste plaat tot op heden af. Met uitzonderlijk veel gevoel tackelt hij de songs van een muzikale zonderling, die eigenlijk al Americana was lang voor er van dat genre sprake was. Vijftien stuks om precies te zijn. Daaronder natuurlijk al wat bekendere dingen als “If I Could Only Fly”, hier gebracht als een ogenblikkelijk voor het nodige kippenvel zorgend duet met nachtegaaltje Kimmie Rhodes, “Clay Pigeons” en “Cold Cold World”. Maar vooral veel bij een wat groter publiek wellicht minder bekende liedjes toch. En die laten eens te meer horen, waarom Foley door nogal wat actuele Americana-groten als één van hun voornaamste inspiratoren genoemd wordt. Met zijn heerlijk laid-back werkende gromstem als één van zijn voornaamste troeven, naast uiteraard zijn als naar goede gewoonte werkelijk impeccabele snarenspel, trekt Morlix met tonnen aan respect Foley’s liedjes omzichtig naar zich toe. En dat levert nogal wat ronduit heerlijk te noemen luistermomenten op. Materiaal, dat een plaatsje in elke zichzelf respecterende platencollectie verdient, naast eerder door Morlix geproduceerd spul van bijvoorbeeld Mary Gauthier, Slaid Cleaves en Lucinda William, of naast andere groten als daar zijn wijlen Townes Van Zandt, John Prine of door z’n stem Jon Dee Graham ook wel. Werkelijk bloedmooi allemaal, met speciale vermeldingen wat ons betreft vooral voor het hoger al even genoemde “If I Could Only Fly”, toch wel zo’n beetje Foley’s “signature tune”, het ingetogen “Picture Cards” en het atmosferische, ook verhalend erg sterke “Down Here Where I Am”. De eerste échte topper van 2011!

Gurf Morlix

CD Baby

 

JOHN SHIPE “Villain” (Involushun Records)

(4****)

Op zijn nieuwe cd “Villain” combineert de Amerikaan John Shipe het beste van meerdere werelden. Net zoals bijvoorbeeld ook een Josh Rouse, een Josh Ritter of wat dichter bij huis een Richard Hawley dat zo goed kunnen, weet hij in de elf nieuwe liedjes daarop op bijzonder fraaie wijze een brug te slaan tussen Americana en roots pop of zelfs gewoon pop tout court. Alleen durft hij daarin nog net wat verder te gaan dan dat drietal en zorgt hij ervoor, dat niet enkel zijn teksten maar ook hun muzikale verpakkingen getuigen van een zeker raffinement. ’n Beetje Beatles, ’n beetje Crowded House, ’n beetje Costello, zoiets. Lichtvoetig rootsy popmateriaal, maar dan wél met de nodige onverwachte muzikale twists om het voortdurend spannend te houden. En daar was wellicht een belangrijke rol weggelegd voor producer Ehren Ebbage. Die zorgde er immers voor, dat bij zoveel ijver de essentie, te weten het liedje, nooit uit het oog werd verloren. De aankleding mocht muzikale haute couture zijn, maar het moest wel “draagbaar” blijven. Geen “art for art’s sake”, maar verfijning ter vervolmaking. En dat is een gezond uitgangspunt gebleken, want de songs op “Villain” zijn er stuk voor stuk als echte beauties uitgekomen. Ongelooflijk af klinken ze. Echt tot in de puntjes verzorgd, zonder daardoor te zwaar op de hand te gaan klinken. Glockenspiel, ukelele, trompet, accordeon, cello, viool en andere, ze verlenen aan het gebrachte een zekere sonische meerwaarde. Het op z’n Nick Lowe’s ingehouden soulvol twangende en heerlijk humoristische “Villain”, de weelderige pianoballade “Love Belongs To Everyone”, “Hard To Believe”, een onwaarschijnlijk mooi (alternatief) countryduetje met Halie Loren, het aantrekkelijk stuiterende rootspop-opdondertje “Another Disaster”, het zijn slechts enkele voorbeelden van de vele hier de pop-perfectie aardig dicht benaderende kleinoden. En deze John Shipe mag wat ons betreft dan ook met hoogdringendheid onder de aandacht van trendsettende radiomakers hier te lande worden gebracht. Zouden wel eens mooie dingen voor ‘m kunnen van komen…

John Shipe

CD Baby

 

RUNAWAY EXPRESS “Howlin’ At The Moon” (Raven Records)

(3,5****)

‘t Is dat we ons hier niet bezighouden met het uitreiken van prijzen voor fraai artwork en dergelijke, want anders zou deze cd echt wel onwaarschijnlijk hoge ogen gooien. Veel mooier verpakt kom je ze immers nog maar hoogst zelden tegen. Een fraaie, met veel oog voor detail uitgewerkte klaphoes, als toemaatje een boekje met gedichten van Charles John Quarto, wiens werk je bekend zou mogen zijn dankzij onder anderen Waylon Jennings, Michael Martin Murphey en Don Williams, neen, wat dat betreft blijven we hier absoluut niet op onze honger zitten. En dat geldt bij nader inzicht tot op zekere hoogte eigenlijk ook wel voor de muziek. Daarbij blijkt het immers te gaan om een tot in puntjes verzorgde collectie liedjes, die vallen onder de noemer bluegrassgetinte Americana. Eigenlijk betreft het daarbij zelfs een conceptalbum. “All the songs celebrate the driving force that motivate artists and musicians,” aldus het begeleidende schrijven. En dat doen ze op bijzonder liefdevolle wijze. Zowel de eigen nummers van Jim Ratts, de drijvende kracht achter het project, als covers van materiaal van onder anderen Guy Clark en Rodney Crowell, Iris DeMent, John Sebastian en Bob Dylan. Hier wordt echt onwaarschijnlijk hecht gemusiceerd. En ook het samengaan van de verschillende stemmen is bij momenten ronduit verbluffend te noemen. Ondermeer John McEuen, de heren van het gerenommeerde Kingston Trio en Ramblin’ Jack Elliott maken daarvoor hun opwachting. Namen, die vooral bij al wat oudere lezers van deze pagina’s goed zullen zijn voor een brede glimlach. En met name aan hen willen we dit warmbloedige geheel dan ook van ganser harte aanbevelen. Dit is traditionalisme pur sang!

Runaway Express

CD Baby

 

BRAD BOYER “I Sat Down And Wrote You A Song” (Brad Boyer)

(3,5****)

Een nieuwkomer waar wij hier bijzonder veel van verwachten, is de vanuit Houston, TX actieve Brad Boyer. Die zingende songmid deed voor het eerst serieus van zich spreken tijdens het voorbije Kerrville Folk Festival, toen hij het tot in de finale van de daaraan verbonden gerenommeerde jaarlijkse wedstrijd schopte, die in het verleden al zo menig een grote naam opleverde. In de categorie “New Folk” meer bepaald. Maar als je het ons vraagt hoort wat hij brengt toch eerder thuis onder de noemers country en Americana. De liedjes op Boyers debuut “I Sat Down And Wrote You A Song” getuigen veelal van een ontwapenende schoonheid. In een productie van Rich Brotherton serveert hij elf regelrechte beauties van luisterliedjes. Songs, die het vooral moeten hebben van hun opvallende helderheid. (Denk wat dat betreft bijvoorbeeld nog maar eens even terug aan wijlen Jim Croce, diens materiaal had dat ook!) Met zachte stem vertelt de Texaan zonder schroom zijn verhalen. En da’s iets wat er ogenblikkelijk een hoge mate van herkenbaarheid aan verleent. Ze beluisteren is ze als het ware zelf mee beleven. Luister bij gelegenheid maar eens naar het door Allen Huff van een zalig streepje melancholisch accordeonwerk voorziene “West Texas Wind”, het heerlijk swingende “Carney’s Pub Blues”, het op z’n Slaid Cleaves gebrachte “Tonight I’m Gonna Lose” of het onder de huid gaande titelnummer, de oorstrelend mooie ballade “I Sat Down And Wrote You A Song”, en je zal ogenblikkelijk begrijpen wat we daarmee bedoelen. Dit is muziek van een bij momenten bijna tijdloze schoonheid. En wij vragen ons dan ook nu al af, waar het verhaal van Boyer moet gaan eindigen. Als je dit toch wel erg hoge niveau al weet te halen op je “maiden release”, dan lijkt er eigenlijk niets nog een geweldige carrière in de weg te kunnen komen staan…

Brad Boyer

CD Baby

 

ELIZABETH COOK “Welder” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Schone Elizabeth Cook is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. De verre-van-countrydiva heeft meer ballen aan haar lijf dan de gemiddelde in Nashville ruim zijn boterham verdienende vent. En in dat opzicht was “Balls”, de titel van haar vorige plaat, eigenlijk een zeer toepasselijke keuze. Net als “Welder” trouwens, die van haar nieuwe worp. Ook daarop doet Cook immers weer allerminst toegevingen. In plaats van haar goddelijke lijf uit te spelen voor wat snel verdiende bucks, blijft ze ook onder de auspiciën van sterproducer Don Was gewoon zichzelf. Als een volleerde lasser verbindt ze zo tussen de vervaarlijk rondvliegende vonken songs met wortels in respectievelijk traditionele en alternatieve country, Americana, bluegrass, rock & roll en zelfs pop. Openingsnummer “All The Time” blijkt zo bijvoorbeeld hoekige bluegrass “featuring Buddy Miller”, het humoristische “El Camino” knalt uit de speakers drijvend op een onmiskenbare rock vibe, “Not California”, één van de hoogtepunten van het album, is een ronduit zalige rootspopballade, “Heroin Addict Sister” een erg persoonlijke story song en “Yes To Booty” rete-aanstekelijke country met een groot rock & roll-hart. “Blackland Farmer” valt dan weer onder de noemer Americana pur sang, “Girlfriend Tonight” is kwetsbare soulvolle countrypop, “Rock N Roll Man” onderschrijft tussen luide gitaren volop zijn titel, het door haar recent overleden moeder gepende “Mama’s Funeral” is gewoon een heel mooi afscheidsliedje, de sleper “I’m Beginning To Forget”, gebracht samen met Rodney Crowell, “country as traditional as it gets”, “Snake In The Bed” een op het belachelijke af aanstekelijk rootsy niemendalletje, “Follow You Like Smoke” broeierige lome alt. country, “I’ll Never Know”, een duet met de actuele “Mr. Country himself” Dwight Yoakam, een “tip of the hat” aan het adres van Bakersfield en het afsluitende “Til Then”, met z’n buitengewoon knap gitaarwerk van wederhelft Tim Carroll, opnieuw een bijzonder sfeervolle verhalende lap roots pop. Kortom, variatie andermaal troef hier! En dat mogen wij dan al als een serieus pluspunt ervaren, het zal haar wellicht ook nu weer flink wat verkochte exemplaren gaan kosten. Maar precies dat lijkt La Cook al jarenlang geen zier te kunnen schelen…

Elizabeth Cook

Proper Records

 

AUGIE MEYERS “Trippin Out On Triplets” (El Sendero / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wat zou een mens hier nu in godsnaam op tegen kunnen hebben? Niets, toch? Dit is gewoon een muzieklegende op leeftijd, die zich, zoals hij dat eigenlijk al z’n hele carrière lang doet, even geweldig amuseert. In het gezelschap van de West Side Horns eigent de ondermeer uit de entourages van Doug Sahm en de Texas Tornados bekende toetsenist Augie Meyers zich een dozijn favorieten uit zijn eigen jonge jaren toe. Klassieke R&B-deunen uit de jaren vijftig en zestig “done the San Antonio way with LOTS of triplets”. Eén groot feest der herkenning is het resultaat. Twaalf lekkere muziekjes, weliswaar weinig of niets toevoegend aan de originelen, maar wel goed voor zo’n zevenendertig minuten intens luisterplezier. Gecoverd worden hier zo “Something Wrong”, “Think It’s Over”, “Leave Me Something”, “Last Night I Cried”, “What Am I Living For”, “Sittin’ Up At Night”, “Crazy Crazy Baby”, “I Cried A Tear”, “Pleading My Love”, “I’m Not A Fool”, “Matilda” en “Do You Like I Do”. Noem het maar een “labour of love”. Echte “feel good music” alleszins!

Augie Meyers

Sonic Rendezvous

 

PONDEROSA “Moonlight Revival” (New West / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Wat een geweldige schijf is dit toch! Een debuut om gelijk vingers en duimen bij af te likken! Dat kunstje wordt ons geflikt door het vanuit Atlanta, GA momenteel serieus van zich doen sprekende viermanschap Ponderosa. Met “Moonlight Revival” levert dat kwartet een echte zaligheid van een retro-rockplaat af. Een album, waarop men weliswaar nergens probeert de eigen Southern Rock roots onder stoelen of banken te steken, maar deze laatste duidelijk ook niet als een terminus ziet. En dus valt er hier in de schemerzone tussen Zuiderse rock, blues, soul en zelfs pop veel meer te beleven dan op heel wat ons uit vergelijkbare hoek bereikende platen. Een beetje zoals op “Shake Your Money Maker”, het volkomen terecht tot genreklassieker uitgegroeide visitekaartje van de Black Crowes van ondertussen toch ook alweer zo’n twintig jaar geleden. (Al is “Moonlight Revival” beduidend gevarieerder!) Zeker een invloed ook die groep, net als wellicht ook de Stones in betere tijden, de Faces, Tom Petty & The Heartbreakers en Lynyrd Skynyrd. En net als de Crowes met Chris Robinson heeft ook Ponderosa in de persoon van Kalen Nash een onwaarschijnlijk soulvolle rockstrot in huis. Ideaal voor het dragen van dingen als het op melodieuze wijze flink aan zijn ketting snokkende stampertje “Old Gin Road”, de sublieme rootsy rocker “I Don’t Mind”, het zich wat meer richting country oriënterende “Pistolier”, de ons vrijwel ogenblikkelijk aan de Free herinnerende schreeuwballade “Hold On You” of het stomende “Pretty People”, het soort van kuitenbijtertje, dat de Stones al in geen jaren meer wisten voort te brengen. Samen met de ook al van geen kleintje vervaarde leadgitarist Kris Sampson vormt die Nash de spil van Ponderosa. Jonathan Hall op bas, John Dance achter de toetsen en gelegenheidsdrummer Darren Dodd vervolledigen het muzikale plaatje. Voor de productie van “Moonlight Revival” tekende de ondermeer van zijn werk met kleppers als de White Stripes en My Morning Jacket bekende Joe Chiccarelli. Wie haalt deze revelatie AUB zo vlug mogelijk naar ons land?

Ponderosa

New West Records

Sonic Rendezvous

 

CHRISTIAN KJELLVANDER “The Rough And The Rynge” (Startracks / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ik ben een fan van Christian Kjellvander. Altijd al wel geweest eigenlijk. Met name zijn “Songs From A Two-Room Chapel” vind ik een echte moordplaat. En op basis daarvan heb ik de Zweed ook al aan zo menig een liefhebber van het materiaal van wat bekendere knapen als een Richard Buckner en een Will Oldham proberen te slijten. Maar ik moet wel toegeven, dat ik na zijn laatste wapenfeit, het van 2007 daterende “I Saw Her From Here / I Saw Here From Her”, toch even serieus aan het twijfelen ben gegaan. Daarop bleek de magie immers zo goed als volledig weg. Dat album pakte me niet meer echt. En een volgende Kjellvander-release zou ik me dan ook niet zomaar blind meer aanschaffen. Gelukkig bleek het daarbij echter maar om een eenmalige misstap te gaan. Voor “The Rough And The Rynge”, zijn nieuwe worp, hield Kjellvander het weer gewoon lekker simpel. Voor de opnames ervan trok hij zich met een stel maten terug in Rynge Slott, eigenlijk gewoon een vervallen boerderijtje ergens op de Zweedse buiten, en blikte er in amper vier dagen tijd de tien liedjes in. Op die manier naadloos weer aansluiting vindend bij het zo betoverende karakter van zijn vroegere werk. Tien ijzersterke nummers, weer volop cirkelend rond die fraaie, zwaar melancholische stem van ‘m, grossierend in sfeer van de allereerste tot de allerlaatste noot. En in dat verband verdienen zeker ook de snarenbijdragen van Tias Carlson een aparte vermelding. Die blijken immers uitermate functioneel en dragen in hoge mate bij tot het welslagen van dit album. Mede dankzij zijn spel groeit “The Rough And The Rynge” uit tot de herfstige parel die het is. Bij momenten bijzonder vitaal, dan weer eerder ingetogen uit de hoek komend bevaren Kjellvander, Carlson en de andere bij het project betrokkenen een zee aan emoties, waarop elke liefhebber van doorleefd singer-songwritermateriaal graag even mee de stoere zeebonk zal willen uithangen. Bijzonder straf spul is het, waarmee Kjellvander vast niet enkel onze twijfels weer helemaal weet te verbannen. Welkom terug, man!

Christian Kjellvander

Startracks

Sonic Rendezvous

 

LUCKY BONES “Together We Are All Alone” (Lucky Bones Promotions)

(3,5****)

In zijn thuisland Ierland haalde de uit Dublin afkomstige singer-songwriter Eamonn O’Connor de voorbije paar jaren met de regelmaat van een klok de pers. Daar zien sommigen in hem nu reeds “the next big thing”. Om het met de woorden van de recensent van dienst in de Sunday World te zeggen: “Headed for David Gray levels of stardom!” Een stelling, waarmee hij alvast onze aandacht wist te trekken. En daar zijn we op de keper beschouwd niet echt rouwig om. Wat O’Connor onder de groepsnaam Lucky Bones op “Together We Are All Alone” brengt, is immers verre van kwaad. In het voorjaar van 2010 trok hij ervoor naar Texas om daar tijdens een intensieve werkmaand onder de hoede van producer Stephen Ceresia de elf songs in te blikken. Liedjes, waarin je onmiskenbaar de invloed van voorbeelden als Townes Van Zandt, Bruce Springsteen, Tom Waits, The Waterboys en zeker ook Bob Dylan terughoort en waarin Americana, country en folk op aantrekkelijke wijze op rock & roll botsen. Pluspunten: een lekker “hoekige” stem, emotioneel geladen teksten en een redelijk gevarieerd aanbod. Of die echter ook zullen volstaan om de hooggespannen verwachtingen volledig te kunnen inlossen, dat zal de toekomst moeten uitwijzen. O’Connor en co verdienen het wat ons betreft alleszins om gehoord te worden.

Lucky Bones

 

EDIE CAREY “Bring The Sea” (Edie Carey)

(4,5*****)

Ondanks een stilaan behoorlijk indrukwekkende staat van dienst is de vanuit Chicago aan de weg timmerende zingende liedjesschrijfster Edie Carey er in tegenstelling tot in vergelijkbare muzikale vaarwateren actieve collega’s als een Shawn Colvin, een Krista Detor of een Sarah McLachlan vooralsnog niet in geslaagd om ook in Europa tot een wat groter publiek door te stoten. En da’s eigenlijk best wel jammer te noemen. Carey is immers een echt fenomeen. Als zangeres hoeft ze geenszins onder te doen voor de genoemde dames en ook haar je steeds weer diep in het hart treffende teksten en al even weergaloze liedjes verdienen keer op keer weer een speciaal kwaliteitslabel. Ook die op haar door Evan Brubaker geproduceerde zevende cd “Bring The Sea” weer. Daarop zuigt ze ons als naar goede gewoonte met haar honingzoete sirenenzang weer haar eigen leefwereld binnen en maakt ons quasi terloops deelachtig aan haar diepste (verhalende) gedachten. Hulp krijgt ze daarbij ditmaal ondermeer van Shawn Mullins, Glenn Phillips, Sarah Sample en Julie Wolf. Het resultaat? Een dozijn folkpopdeunen van een ronduit ontwapenende schoonheid. Poëtische overpeinzingen, op liefdevolle wijze verpakt in zich als een warme deken bij winterse temperaturen om je heen sluitende melodieën. Ideaal gezelschap voor in de late uurtjes met name, als bij het geknetter van het vuur in de open haard met een heerlijk glaasje wijn bij de hand weer eens een dag van je af glijdt.

Edie Carey

CD Baby

 

J.R. SHORE “Talkin’ On A Bus” (J.R. Shore)

(4****)

Zelf mag de Canadees J.R. Shore zich graag omschrijven als “equal parts storyteller, social commentator and performer” en dat blijkt afgaande op zijn tweede cd “Talkin’ On A Bus” best wel een treffende samenvatting. Tussen 2004 en 2007 brachten de man en zijn vrouw enkele jaren door in Nashville. Daar bekwaamde hij zich tussen genregroten als een Guy Clark, een Buddy Miller en een Chip Taylor in het edele vak van songsmid. En dat resulteerde in 2008, vrij kort na hun terugkeer in Alberta, in een eerste soloplaat, het onder lovende kritieken bedolven “An Impeccable Shine”. En het met die plaat opgedane vertrouwen in zichzelf leidde onlangs op zijn beurt dan weer tot de wat ons betreft nog sterkere opvolger “Talkin’ On A Bus”. Daarop baant Shore zich onder de arm van producer Barry Allen en in het gezelschap van tal van gerespecteerde locale muzikanten met zachtruige stem een weg doorheen twaalf eigen originelen en een cover van Blaze Foley’s “Christian Lady Talkin’ On A Bus”. Die met name door hun buitengewoon levendige teksten opvallende eigen liedjes verraadden niet enkel een uitermate vinnige pen, maar ook een het risico absoluut niet schuwende componist. Shore bestrijkt hier immers muzikaal gezien nogal wat terrein. Bij momenten waan je jezelf even in New Orleans, dan weer eerder in Texas of andere meer zuidelijk gelegen delen van de States. Van de ene roots town gaat het onvervaard verder richting de andere. Het resultaat is een heerlijk organisch aandoend geheel, dat alleen maar het allerbeste laat verhopen voor de toekomst. Want zoveel is voor ons nu al wel zeker, van deze man hebben lang nog niet het laatste gehoord! Hij herbergt het beste van voorbeelden als een Tom Waits, een Randy Newman, een Tom T. Hall, een Steve Earle en de al genoemde Blaze Foley in zich! Onze luistertips: de in duet met veritabel nachtegaaltje Jan McKitrick gebrachte en in een Tex-Mex-sfeertje badende ballade “Conversos”, het heel erg Waitsiaans aandoende stukje nachtlawaai “Top Of The Order”, het tubagewijs een eindje richting Dr. John-territorium geblazen “Two Strike Foul” en de lijzige rootsrocker “Over The Brazos”. Beklijvend spul zondermeer!

J.R. Shore

CD Baby

 

RON SEXSMITH “Long Player Late Bloomer” (Cooking Vinyl / V2)

(4****)

Het niet met je volle verstand bij de zaak nuttigen van “Long Player Late Bloomer” zou al snel tot de volstrekt foutieve conclusie kunnen leiden, dat je hier te maken hebt met de meest opgewekte plaat van Ron Sexsmith tot op heden. Louter muzikaal gezien is dat misschien wel zo, maar in zijn teksten klinkt de Canadese singer-songwriter bij momenten juist allesbehalve vrolijk. Voor dat scherpe contrast tussen muziek en lyrics zijn zo op het eerste gezicht twee redenen aan te wijzen. De eerste van die twee luistert naar de naam Bob Rock. Die je ondermeer van zijn werk met Metallica, The Cult en recent nog Michael Bublé bekende topproducer hielp Sexsmith voor zijn elfde aan een “verkoopbaar” geluid. Beduidend meer pop- en rockgetint dan normaal. Hier en daar als je ’t ons vraagt zelfs effenaf met hitpotentie flirtend. We noemen in dat verband bijvoorbeeld het ronduit heerlijke popliedje “The Reason Why”, het als een kruisbestuiving tussen Coldplay, The Beatles en Elvis Costello in een romantische bevlieging klinkende “Love Shines” en het aan weldadig warm aandoende gitaren opgehangen rockertje “Believe It When I See It”.

Voor een reden voor de niet altijd even vrolijke inhoud van de deunen op “Long Player Late Bloomer” moeten we even terug in de tijd. Naar 2008 meer bepaald, toen Sexsmith met het verbluffend knappe “Exit Strategy Of The Soul” goud in handen dacht te hebben, maar dat op termijn tegengesproken zag door zwaar tegenvallende verkoopscijfers. Daardoor compleet gedesillusioneerd raakte hij het vertrouwen in eigen kunnen zo goed als volledig kwijt. En dus werd “Long Player Late Bloomer” zoiets als een therapeutische plaat. Een middel om alle twijfel aan zichzelf, alle zorgen van zich af te schrijven.

Klinkt behoorlijk zwaar allemaal en dat is het in zekere zin natuurlijk ook wel, maar - Zoals hoger al gesteld! - de muziek zet je flink op het verkeerde been. Die is bij momenten immers lekker upbeat en leidt de aandacht dan grotendeels af van alle kommer en kwel in de teksten.

Ron Sexsmith

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home