CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

JOE FLETCHER & THE WRONG REASONS “White Lighter” - HUNGRYTOWN “Any Forgotten Thing” - MY DARLING CLEMENTINE “How Do You Plead?” - MARTY RIVERS “Midnight Sky” - LENNAERT MAES & ANDRIES BOONE “Soundtrack van de Demerbroeken” - MARTYN JOSEPH “Live At The Brook” - BROCK ZEMAN “Me Then You” - I SEE HAWKS IN L.A. “New Kind Of Lonely” - JOSH RITTER “Bringing In The Darlings” - RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “Buried Treasures” - TOM GILLAM “Rustic Beauty” - BETH MCKEE “Next To Nowhere” - LEEROY STAGGER AND HIS BAND “Radiant Land” - US RAILS “Southern Canon” - JIMMY BOWSKILL BAND “Back Number” - JOE LOUIS WALKER “Hellfire” - JUDY COLLINS “Bohemian” - PENELOPE HOUSTON “On Market Street” - MARSHALL MONRAD BAND “Minerals & Mud” - BUTCH WALKER AND THE BLACK WIDOWS “The Spade” - THE KENNETH BRIAN BAND “Welcome To Alabama” - GRETCHEN PETERS “Hello Cruel World” - NANCI GRIFFITH “Intersection”

 

 

JOE FLETCHER & THE WRONG REASONS “White Lighter” (Wrong Reasons Records)

(4****)

Van een verrassing van formaat gesproken! Ik moet eerlijk bekennen, dat ik voor ik zijn tweede cd “White Lighter” in handen kreeg nog nooit van Joe Fletcher gehoord had. En dat bleek bij nader inzicht een serieus gemis! Fletcher blies me immers gelijk al vanaf mijn eerste beluistering van “White Lighter” compleet van de sokken. Zowel van stem als van manier van zingen deed hij me een heel klein beetje denken aan James McMurtry. Maar zijn muziek bleek al bij al een stuk gevarieerder. Fletcher maakt er bij momenten een behoorlijk heftig potje van op die tweede van ‘m. Rock & roll, country, blues en folk – Niet noodzakelijk in die volgorde! – vormen de bestanddelen van dat heerlijk rammelende geheel, dat probleemloos twaalf nummers lang weet te boeien. En dat zeker niet in de laatste plaats door de knappe teksten van Fletcher zelf. De man komt daarin bij momenten behoorlijk grappig uit de hoek, maar dan wel op een nogal zwartgallige manier. Sterkste momenten? Het over een nagenoeg onweerstaanbaar countryritme voortschuifelende “St. Vincent”, het qua ritmiek ook al aan de jonge Cash herinnerende “The Drowsy Surgeon” en de nerveus tegen je trommelvliezen  aanhikkende hybride van country en rock & roll, die “Ambulances” is. Dringend even checken, want dit wil je absoluut niet missen!

Joe Fletcher & The Wrong Reasons op MySpace

 

HUNGRYTOWN “Any Forgotten Thing” (Listen Here! Records)

(3,5****)

Hartje winter 2004 besloten levensgezellen Rebecca Hall en Ken Anderson hun appartement in Manhattan op te zeggen en naar een klein huisje in de heuvelachtige streek rond Vermont te verhuizen. Een nieuwe start, die ze later definitief zouden bezegelen door ook op muzikaal vlak hun lot voortaan te gaan verbinden. Dat resulteerde al in 2008 in een eerste plaat samen. Het mooie, naar zichzelf vernoemde “Hungrytown” leverde hen meteen tonnen aan positieve recensies op. Wie van “Rebecca Hall Sings” en “Sunday Afternoon”, twee eerder verschenen soloalbums van Hall, gehouden had, zat “nach wie vor” duidelijk goed. Het als Hungrytown gebodene was immers minstens even knap. En dat bevestigt het duo nu nog maar eens met het met elke luisterbeurt nog wat beter wordende “Any Forgotten Thing”. Hun nieuwe leefwereld, hun liefdesleven samen, maar ook historische gebeurtenissen als de uitbarsting van de Mt. Tambora-vulkaan in 1815 en de gevolgen daarvan, vormen als het ware het gedroomde decorum voor twaalf knappe luisterliedjes, die beurtelings eerder richting Americana dan wel de rijkgevulde Britse folktraditie neigen. Nachtegaaltje Hall lijkt zich in beide even goed thuis te voelen. Anderson van zijn kant zorgt voor een even simpele als doordachte begeleiding en blijkt ook als tweede stem van grote waarde. Onze luistertips: het louter muzikaal gezien een weinig aan de folkscene van de late jaren zestig schatplichtige “Year Without A Summer”, het naar eigen zeggen niet enkel hun nieuwe woonst, maar ook intermenselijke relaties bezingende titelnummer en het door Anderson van fijne banjobegeleiding voorziene “Just Like A Song”. Laten je stuk voor stuk met een heel erg warm gevoel vanbinnen achter, die liedjes…

Hungrytown, CD Baby

 

MY DARLING CLEMENTINE “How Do You Plead?” (Drumfire Records)

(5*****)

Wat een ongelooflijk mooie plaat! Voor “How Do You Plead?” sloegen de Britse singer-songwriter Michael Weston King en zijn wederhelft Lou Dalgleish voor het eerst de handen in elkaar. Samen tekenen ze voor een plaat, die ongegeneerd teruggrijpt naar de hoogdagen van het countryduet. Naar het fijnste van illustere duo’s als George & Tammy, Porter & Dolly en Johnny & June met andere woorden. Daarbij bijgestaan door de ondermeer van zijn werk met Nick Lowe en Tift Merritt bekende producer Neil Brockbank en met verder ook de nodige studio-hand-en-spandiensten van ondermeer Martin Belmont (gitaar), Geraint Watkins (piano en orgel), Kevin Foster (bas), Alan Cook (pedal steel), Bob Loveday (viool) en Bobby Irwin en Jim Russell (beiden drums) evoceren ze met dertien eigen nummers die gouden dagen van weleer. Een echt “labour of love”! Dertien “songs of love, separation, bitterness and acrimony”, die je als luisteraar in zekere zin een voyeuristisch trekje verlenen. Ze maken je immers deelachtig aan wat er achter gesloten deuren en gordijnen tussen twee mensen gebeurt. En dat levert zo menig een topmoment op! De slows “Put Your Hair Back” en “The Other Half” bijvoorbeeld. Bij dat soort van meeslepende liedjes de zakdoek droog houden is welhaast onmogelijk. Maar ook wat vlottere dingen als het bedaard countryrockende “Nothing Left To Say” of de soulvolle “valse trage” “Going Back To Memphis” gaan er hier in als zoete koek. En wij hopen dan ook nu al, dat het hier binnenkort niet om een eenmalige gebeurtenis zal blijken te gaan. Graag nog veel meer van dat!

Michael Weston King / My Darling Clementine, Drumfire Records

 

MARTY RIVERS “Midnight Sky” (Amberstar Records)

(3***)

Je zou het hem afgaande op het op “Midnight Blue” gebodene niet meteen geven, maar Marty Rivers werd wel degelijk geboren op Malta. En het was daar ook , dat hij zijn eerste stappen in de muziekwereld zette. Op heel erg jonge leeftijd al. En zijn voorliefde voor country, die was er eigenlijk ook toen al. En die zou hem uiteindelijk ook richting genrehoofdstad Nashville drijven. Dat was ten tijde van zijn tweede cd “Out Of The Blue”. Die verscheen in 2008 en leverde hem met “Made In Mexico” en “Call Colorado” ook enkele knoeperds van countryradiohits op. Genoeg alvast om van hem in de daaropvolgende jaren een behoorlijk druk bezet baasje te maken. En het zou dan ook ruim twee jaar duren voor hij aan materiaal voor een opvolger zou beginnen. Een opvolger, die er nu met “Midnight Sky” eindelijk is. En die opnieuw in Nashville met een stel lokale topmuzikanten ingeblikte schijf laat een gerijpte entertainer horen. Een man die net zo goed zijn weg weet met een (doorgaans nog net) verantwoorde commerciële deun als met één met wat honky-tonk (“Queen Of My Heart”), country rock (“Lora Mae”), Americana (“The Power Of Prayer”), Tex-Mex (“Midnight Sky”) of cajun (“Louisiana Girl”) in de aderen. En als dusdanig laat hij zich zeker aanbevelen aan fans van knapen als bijvoorbeeld een George Strait, een Alan Jackson of een Kenny Rogers. Dat zijn weliswaar stuk voor stuk betere zangers, maar die achterstand compenseert Rivers ruimschoots met de nodige durf inzake zijn songkeuze. En als dusdanig hoeft het ook helemaal niet te verwonderen, dat hij steeds weer een graag geziene gast blijkt in met name tal van charts dichtbij huis, zoals die van de European Country Music Association.

Marty Rivers

 

LENNAERT MAES & ANDRIES BOONE “Soundtrack van de Demerbroeken” (Majestic / Munich)

(4****)

Nostalgie troef op “Soundtrack van de Demerbroeken”. Voor dat het landschap rond de Demer en de boeken van Ernest Claes als uitgangspunt gebruikende conceptalbum bundelden singer-songwriter Lennaert Maes en de hier al wel eens vaker bejubelde multi-instrumentalist Andries Boone hun krachten. Met de hulp van onder anderen Jan De Wilde, Scabs-kopstuk Guy Swinnen, Annelies Brosens van Laïs, Monsieur Paul van Triggerfinger, Joke Delcour van The Fortunate Few en Fanfare De Sint-Jansvrienden van Averbode slagen ze erin de ziel van de door hen bezongen streek zo goed als volledig bloot te leggen. Het machtige landschap om en rond de Demer, de schoonheid ervan vooral, vele ermee vervlochten herinneringen, volkse figuren als Wannes Raps en Pastoor Munte,… Ruimschoots voldoende stof voor één van de mooiste Vlaamse folkplaten van de voorbije jaren! Nostalgisch overigens vooral van karakter en niet zozeer qua muzikale invulling. En als dusdanig ook best geschikt voor een wat ruimer publiek. Een publiek, dat zeker ook de fraaie foto’s van de streek van de hand van Guy Janssens naar waarde zal weten te schatten. Van hieruit warm aanbevolen!

Soundtrack van de Demerbroeken

 

MARTYN JOSEPH “Live At The Brook” (Pipe Records / Lucky Dice Music)

(4****)

“Britain’s best kept secret” noemde het gerenommeerde Mojo hem in een recent verleden al en dat is een stelling, die we hier eigenlijk alleen maar kunnen onderschrijven. Welshman Martyn Joseph is immers daadwerkelijk een zeldzaam singer-songwritertalent. In het verlengde van veel gereputeerdere collega’s als een Luka Bloom, een Bruce Cockburn en een Bruce Springsteen ook wel boeit hij al jarenlang wereldwijd een publiek van ingewijden. Het zopas verschenen “Live At The Brook” is al zijn tweeëndertigste album, kan je nagaan! En ook dat op 7 november 2010 in het gelijknamige etablissement in Southampton ingeblikte geheel is weer een echt plaatje van een plaat. Het belichaamt wonderwel de magie van de artiest Joseph live. Daarbij slechts gewapend met de eigen stem en akoestische streelt de Brit hier ruim vijftien nummers lang de zinnen. Klassiekers op het eigen repertoire als een “Cardiff Bay” en “Vegas” worden daarbij afgewisseld met nog relatief nieuw materiaal genre “On My Way” en “Lonely Like America”. En vooral dat laatste lijkt alles in huis te hebben om ook zelf snel tot een live-favorietje uit te gaan groeien. Zeker als Joseph er zo handig een stukje “Dancing In The Dark” van The Boss in blijft verwerken als hier. Dat zijn immers van die momenten, waar zijn publiek duidelijk van lijkt te houden. Veel van zijn fans mogen nu eenmaal graag zo nu en dan een flardje met hem meezingen. Zonder dat het storend gaat werken overigens! Maar overtuig je daarvan vooral ook zelf even. Wedden, dat je na het beluisteren van “Live At The Brook” maar wat graag getuige zal zijn van één van ’s mans in maart in onze kontreien afgewerkte concerten?

(Ook verkrijgbaar als DVD!)

Martyn Joseph, Lucky Dice Music

 

BROCK ZEMAN “Me Then You” (Busted Flat Records)

(5*****)

Zondermeer een van dé platen van het moment, deze negende van de Canadees Brock Zeman! De beste man bewijst daarop andermaal tien nummers lang uit het allerbeste singer-sonwriterhout gesneden te zijn. En wie houdt van het materiaal van knapen als een Steve Earle, een Chris Knight, een Hayes Carll, een Robert Earl Keen of een Fred Eaglesmith zou wel gek zijn, mocht hij zich niet blind ook deze schijf aanschaffen. Net als bij die heren draait ook bij Zeman zo goed als alles om met een heerlijke schuurpapieren stem gebrachte, intelligente, je meteen bij je nekvel grijpende liedjes. Canadese Americana, van opzet niet zelden lonkend richting Austin, Texas dus. Lekker swampy rammelend zoals in het werkelijk beresterke “Push Them Stones”, ingetogen de zinnen strelend zoals in het ook al bloedmooie “End Of The World” of gewoon pittig (country)rockend zoals in “Triple Crown”, “Someone For You” en tal van andere songs hier, Zeman slaat eigenlijk gewoon voortdurend spijkers met koppen. Hoog tijd dan ook, als je het ons vraagt, dat een gevestigd Europees rootslabel deze supergetalenteerde knaap onder de vleugels gaat nemen. Met de nodige vakbekwame ondersteuning van instituten als bijvoorbeeld Blue Rose Records, Sonic Rendezvous of Continental Record Services zou Zeman het immers ook hier binnen de kortste keren tot gevestigde Americana-waarde kunnen schoppen. En dat verdient hij eigelijk gewoon al lang… Een echte moordplaat!

Brock Zeman, CD Baby

 

I SEE HAWKS IN L.A. “New Kind Of Lonely” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Rob Waller, Paul Lacques en Paul Marshall hebben zich de voorbije elf jaar in alle rust opgewerkt tot één van de allerbeste roots acts überhaupt. Het vanuit Californië actieve drietal wordt ondertussen door zowel critici als een hele meute liefhebbers van ouderwets lekkere Americana op handen gedragen. En geloof ons vrij, dat zal na “New Kind Of Lonely” alleen nog maar meer het geval gaan zijn. Met dat album krijgen hun vaak memorabele akoestische shows van de voorbije jaren nu immers eindelijk ook een verlengstuk op cd. In het gezelschap van vrienden en collega’s als Gabe Witcher (fiddle), Cliff Wagner (banjo), Richie Lawrence (accordeon), Dave Raven (drums) en Bubba Hernandez (backing vocals) toveren de drie heren weer dertien veritabele pareltjes uit de spreekwoordelijke hoge hoed. Toonbeelden van eenvoud, gedragen door de fraaie gebronsde stem van Waller, heerlijk harmonieerwerk en veelal erg subtiel gehouden akoestisch gitaarwerk. Het merendeel van die songs schreef het duo Waller-Lacques. Slechts onder een vijftal stuks prijken naast minstens één hunner namen ook die van anderen. Onze favorieten hier? Het wel bijzonder sfeervol ingevulde “Bohemian Highway”, het titelnummer, het lang niet enkel met een leuke titel gezegende “I Fell In Love With The Grateful Dead”, het intimistische “Mary Austin Sky” en het resoluut op de kuiten mikkende “Hunger Mountain Breakdown”, waarin gasten Witcher en Wagner volop aan de bak mogen.

I See Hawks In L.A., CD Baby, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

JOSH RITTER “Bringing In The Darlings” (Essential Music & Marketing / Bertus)

(4****)

Met zijn nieuwe EP “Bringing In The Darlings” keert Josh Ritter op de keper beschouwd eigenlijk gewoon op zijn stappen terug. Geen spoor hier meer van het overweldigende geluid, dat zo kenmerkend was voor de voorgangers ervan, “The Animal Years”, “The Historical Conquests Of Josh Ritter” en “So Runs The World Away”, maar gewoon weer veelal akoestisch gehouden niemendalletjes zoals ten tijde van “Golden Age Of Radio” en vooral ook “Hello Starling”. En – Eerlijk is eerlijk! – zo horen wij Ritter eigenlijk nog het liefst van al. De zes liedjes op “Bringing In The Darlings” hebben wat ons betreft zelfs iets regelrecht ontwapenends over zich. Geen wonder, dat Ritter ze zelf “zijn eigen versie van wiegeliedjes” noemt. Simpel, maar sierlijk glijden ze aan je voorbij en herinneren je quasi terloops aan tijden toen alles nog zoveel eenvoudiger was. De hoogdagen van artiesten als een Buddy Holly, een Ricky Nelson, The Everly Brothers en aanverwanten ook, niet toevallig allicht de makers van het luistervoer, dat Ritter naar eigen zeggen voorafgaand aan dit project graag tot zich mocht nemen. Drie dagen lang zonderde hij zich voor het inblikken van de zes liedjes hier met producer Josh Kaufman in een kleine studio in Brooklyn af. Zijn vaste begeleiders van de Royal City Band waren voor één keer niet in de buurt. Voor het heel erg beperkt gehouden instrumentarium tekenden enkel hijzelf en Kaufman. En dat resulteerde bijna als vanzelfsprekend in een soort van intimisme, dat je met een grote bende om je heen gewoon niet voor mekaar krijgt. En in zes liedjes, waarin stuk voor stuk wel ergens het woordje “darling” opdook, vandaar dan ook die enigszins eigenaardig aandoende titel. Eenvoudig, maar melodieus. Behoorlijk naakt, maar warm.Very charming indeed!

Josh Ritter

 

RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “Buried Treasures” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

De door het zich effectief nog fysieke exemplaren van rockalbums aanschaffende publiek bewandelde wegen blijven tot nader order behoorlijk ondoorgrondelijk. En rechtvaardigheid blijkt alleszins geen gids bij het uitstippelen van die paden. Hoe anders verklaren, dat bijvoorbeeld eerder matige schijven van legende Neil Young nog altijd in massaal veel grotere hoeveelheden hun weg richting platencollecties blijven vinden dan het vergelijkbare, vaak stukken betere werk van Rich Hopkins en zijn Luminarios? Die Hopkins heeft ons de voorbije jaren regelrecht bedolven onder de prima platen en lijkt afgaande op het op zijn nieuwe “Buried Treasures” gebodene nog helemaal niet aan het einde van zijn creatieve opstoot. Straffe songs à volonté daarop en uiteraard ook weer het nodige spetterende gitaarwerk. Minstens zo goed als Neil Young en zijn Crazy Horse in hun beste dagen! Wat zeg ik, bij momenten zelfs gewoon stukken beter! Zoals bijvoorbeeld in het nu al als een classic te bestempelen drugsepos “Dark Side Of The Spoon”, het ingetogen energieke “A Stone’s Throw”, de onder de rinkelende gitaren bedolven valse trage “See How They Run” of het in zijn donkere realisme een weinig aan Bukowski refererende “Strutter”. Met nummers van dat kaliber zou Hopkins wat mij betreft nu eindelijk wel eens de poort richting een wat bredere erkenning mogen openbeuken. Mogen samenwerken met zijn wederhelft Lisa Novak doet hem hoorbaar goed! Zijn creativiteit wordt er alvast flink door aangescherpt. En dat resulteert voor snelle beslissers zelfs nog in een extra “treat”. Aan de eerste persing van “Buried Treasures” wordt als bonus immers de nog meer lekkers bevattende cd “A Long Walk Home” – een collectie veelal in Hopkins’ tweede thuishaven Paraguay ingeblikte staaltjes van huisvlijt – toegevoegd. Mag Ome Neil wat mij betreft graag eens een voorbeeld aan nemen…

Rich Hopkins, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

TOM GILLAM “Rustic Beauty” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Voor zijn zesde studioplaat “Rustic Beauty” veranderde Tom Gillam voor ons compleet onverwacht het geweer van schouder. Gedaan is het plots met de gitarendominantie, die zo kenmerkend was voor het geluid van voorgangers “Never Look Back” uit 2007 en “Had Enough?” van twee jaar later. Door zijn akoestische om te gorden legde Gillam “this time around” de nadruk op zijn liedjes meer dan op de sound ervan. En op die manier maakte hij de titel van zijn nieuwste ook helemaal waar. De songs daarop ademen immers daadwerkelijk een zekere rustieke schoonheid uit. En het reflectieve karakter ervan werkt minstens even bedwelmend als het gitaargeweld van voorheen. In een productie van Matt Giles en met de steun van ondermeer The Drakes, Cody Braun van Reckless Kelly (fiddle) en Davis Spencer (steelgitaar) serveert Gillam ons een stel volbloed-love songs en rake observaties van het leven zelve naast een heuse ode aan het adres van de “Crazy Southern Women”. Van negen zelf of met de hulp van anderen geschreven nummers bedient hij zich daarbij, naast van covers van Poco’s “A Good Feeling To Know”, Stephen Stills’ “Change Partners” en “Hand Me Down Blues” van Terri Hendrix. En met name met zijn versie van dat laatste liedje wist hij ons heel erg diep te raken. Heel even waanden we ons daarmee weer in het Californië van de vroege jaren zeventig. Schitterend gedaan! Beter dan hier klonk de zanger Gillam ons inziens alvast nog nooit.

Tom Gillam, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

BETH MCKEE “Next To Nowhere” (Swampgirl Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

Was haar vorige, het begin 2010 verschenen “I’m That Way”, nog een eerbetoon aan haar held, Louisiana-legende Bobby Charles, dan doet Beth McKee het ditmaal uitsluitend met eigen materiaal. En hoe! Jaren aan ervaring, ondermeer opgedaan in de groep Evangeline en in muzikale trekpleisters als New Orleans, Austin en Nashville, resulteren op “Next To Nowhere” in elf liedjes, die haar ongetwijfeld nog meer vergelijkingen met schoon vrouwvolk als Bonnie Raitt en Lucinda Williams zullen gaan opleveren dan in het verleden al. McKee presenteert zich op die plaat immers als een heus multi-talent. Enerzijds blijkt ze een geweldige, stemgewijs inderdaad wel wat aan genoemde dames verwante zangeres, anderzijds een zeer getalenteerde songschrijfster en een kei op zowel accordeon als piano. Wat ze brengt klinkt zonder uitzondering ongemeen swampy en soulvol. Southern roots werkelijk op z’n allerbest! Cajun, country, soul, R&B, blues, jazz en (roots) rock, you name it, McKay ’ll play it! In titelnummer “Next To Nowhere” stoeit ze zo bijvoorbeeld vaardig met een bedaard rockend cajun-motiefje, “On The Verge” is onderhuids soulvol op z’n Bonnie Raitts, “Shoulda Kept on Walkin’” is R&B McKay style, “Not Tonight, Josephine” een swingend boottochtje doorheen in het verleden wel eens vaker door Dr. John bevaren muzikale wateren en “New Orleans To Jackson” een bijna jazzy te noemen trage. Verdere fijne momenten: de zomers lijzige roots pop van “River Rush”, de swampy blues(rock)escapade “Tug Of War”, het lekker rockende “Someone Came Around”, het ons mede dankzij een fijne accordeonbijdrage voorwaar even aan Doug Sahm zaliger herinnerende “Same Dog’s Tail”, de net-niet-ballade “Return To Me” en het met Tommy Malone van The Subdudes gepende en met diezelfde op de slide gebrachte swamprockblijvertje “Already Mine”. Bijzonder straffe kost allemaal! En noem deze McKee wat ons betreft dan ook maar een te duchten nieuwe concurrente voor de binnenkort eindelijk zelf ook weer eens met vers materiaal uitpakkende Raitt.

Beth McKee, Sonic Rendezvous

 

LEEROY STAGGER AND HIS BAND “Radiant Land” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Het is nog louter een kwestie van tijd, aldus zijn broodheren van het Duitse Blue Rose Records in een optimistische bui, alvorens Leeroy Stagger knapen als een Ryan Adams, een John Hiatt en een Steve Earle zal vervoegen als “ambassador for North American Roots Rock ‘n’ Roll”. En dat is, als je het ons vraagt, een nog veel te bescheiden visie. Dankzij zijn indrukwekkende output van de voorbije jaren hoort Stagger immers gewoon reeds in dat rijtje thuis. Akkoord, wat betreft naambekendheid staat hij nog lang niet zo ver als genoemde heren, maar zijn recente oeuvre mag toch zó langs dat van die drie, niet? Stagger is hoe dan ook een echte crack. En dat bewijst hij met zijn zevende studioplaat andermaal ten voeten uit. In amper drie dagen werd dat geheel in de Club Roar in Nashville vereeuwigd. Een mini-break tijdens zijn jongste zomertournee doorheen de States volstond voor Stagger ruimschoots om andermaal met een bescheiden meesterwerkje op de proppen te komen. Dat album, “Radiant Land”, laat de beste man al bij al net wat meer dan gebruikelijk van zijn ingetogen kant horen. Flink wat introspectievere momenten worden erop afgewisseld met een aantal van de voor hem toch eerder als karakteristiek te bestempelen rockende Americana-songs. Thema’s als liefde, vreugde en succes worden erin aangekaart, net als enkele sociale hete hangijzers. Een mooi voorbeeld bij dat laatste vormt het sfeervolle titelnummer, waarin Stagger zich scherp uit in verband met nucleaire energievoorziening voor zijn thuishaven Alberta. Beresterk liedje, dat “Radiant Land”! En zo treffen we er hier wel meer aan. Elf om precies te zijn. Typisch zo’n geval van “All killer, no filler!” dus. En wanneer konden we dat voor het laatst van een Ryan Adams-album zeggen? Juist, ja…

Leeroy Stagger, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

US RAILS “Southern Canon” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met betrekking tot de US Rails mag je wel stellen, dat de som der opgetelde individuele talenten het geheel zijner delen ruimschoots overstijgt. Wat dat uit singer-songwriters Ben Arnold, Scott Bricklin, Tom Gillam en Joseph Parsons en drummer Matt Muir bestaande collectief op zijn inmiddels tweede cd “Southern Cannon” presteert is immers echt wel van uitzonderlijke klasse. Hier mag de term supergroep wat ons betreft absoluut nog eens voor uit de kast! Vonden we hun eerste al erg goed, dan is deze opvolger ronduit uitstekend! Ouderwets goed eigenlijk. Veel meer dan voorheen klinkt het vijftal op “Southern Canon” als een (h)echte groep. En daar zal het feit, dat men ditmaal met exclusief voor dit album geschreven songs gewerkt heeft, zeker toe hebben bijgedragen. Gelijk van bij het openingsnummer, het door Bricklin gepende “Heart Don’t Lie” is het prijs. Heerlijke gitaarzwangere rootsy folk & roll is dat, waarvoor elk van de heren op zijn beurt een vers voor zijn rekening nam. Een eerste van dertien veritabele hoogtepunten op een rij! Arnold komt vervolgens behoorlijk soulvol uit de hoek in het bedaard rockende “Ring A Big Bell”, Tom Gillams en Matt Muirs “Live Like We Love” twijfelt openlijk tussen Sunny California en vintage roots rock genre Black Crowes, het catchy “Nightbird” presenteert Parsons als sublieme hedendaagse troubadour en Bricklins power ballad “Carry Your Weight” wordt door platenlabel Blue Rose Records volkomen terecht getipt als een potentiële hit. Via het met name door Ben Arnolds rauwe zang gedragen “Do What You Love” belanden we daarna achtereenvolgens nog bij ander fraais als de voldragen rootsrocker “Same Old You (Same Old Me)”, Parsons’ introspectieve “Take A Long Time”, slagwerker Muirs eigen “moment de gloire” “Don’t Take Me Now” en Bricklins zwierige “18 & Lonely”. En ook Parsons’ radiovriendelijke “Heartbeat Away”, een zomers streepje poppy folk rock, Arnolds met een kloeke snuif gospelgevoel gekruide “You’re My Home” en het afsluitende, ondermeer door fraai harmonieerwerk de Eagles op eigen terrein flink het nakijken gevende “Old Song On The Radio” mogen er meer dan zijn. Naar onze bescheiden niet enkel een supergroep maar ook een superplaat dus. Doe er vooral je voordeel mee!

US Rails, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

JIMMY BOWSKILL BAND “Back Number” (Ruf / Munich / V2)

(4****)

Amper 21 is hij, maar ondertussen wel al aan zijn vijfde cd toe. Opmerkelijk toch en al zeker als je bedenkt, dat die nieuwe van ‘m nog een stuk beter is dan de nochtans ook al verre van kwade voorgangers ervan. “Back Number” laat een ondanks zijn nog jonge leeftijd ontzettend rijpe artiest horen. Eentje die duidelijk weet wat hij in zijn mars heeft en niet op zijn lauweren zal gaan rusten voor de rest van de wereld daar ook akte heeft van genomen. Als zanger valt hij wat ons betreft te situeren ergens tussen een Lenny Kravitz en een Jeff Healey, als gitarist mag hij zich graag ophouden in de buurt van grootmeesters genre een Joe Bonamassa. Blues rock dus, maar dan wel van het bij momenten behoorlijk soulvolle soort. En al zeker als hij gas terug gaat nemen, zoals in de met het nodige koperwerk opgewaardeerde excursie richting Southern soul, die “Spirit Of The Town” blijkt. Naar onze bescheiden mening meteen ook het sterkste moment op “Back Number”. Al zal onze hang naar soulvolle toestanden daar zeker ook wel voor iets tussen zitten… Maar goed, de vanuit Toronto al een poosje aan een stevige reputatie timmerende Jimmy Bowskill overtuigt eigenlijk gewoon andermaal over de gehele lijn. Blues rock beauties als “Down The Road”, “Take A Ride” en “Linger On The Sweet Time” maken overduidelijk, waarom deze knaap zowat de gehele wereld rond een graag geziene gast op bluespodia is. Supersterke songs, gekoppeld aan een sublieme gitaarbehandeling en een ongemeen soulvolle voordracht laten aan fans van het genre gewoon geen ruimte voor twijfel. En wij zijn eigenlijk nu al razend benieuwd naar de Bowskill van enkele albums verder, als zijn stem er getekend door “het gruis der jaren” enkel nog maar pakkender op geworden zal zijn. Niet te missen!

The Jimmy Bowskill Band, Ruf Records

 

JOE LOUIS WALKER “Hellfire” (Alligator / Munich / V2)

(4****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: dit is een echte dijk van een plaat! Joe Louis Walker in regelrechte bloedvorm! De bluesveteraan maakt zowel vocaal als instrumentaal indruk hier. Zijn zang is vrijwel voortdurend doorleefd krachtig en de snaren worden als vanouds weer getergd op het strafbare af. Daarbij de nodige speciale effecten absoluut niet schuwend en zodoende regelmatig ook wel even in blanke bluesrockwateren verzeilend gaat Walker echter bovenal voor een heerlijk gevarieerd geheel (Soul, funk, R&B, rock & roll, gospel, blues(rock), etcetera!). Met als absolute stand-outs wat ons betreft de catchy, met een vette knipoog richting New Orleans gebrachte gospel-blues-R&B-hybride “Soldier For Jesus”, de flink onder de huid gaande (Southern) soulsleper “I Know Why”, de in de schemerzone tussen R&B en rock & roll grootgebrachte hipshaker “Too Drunk To Drive Drunk” en het zich zalig funky aandienende titelnummer. Van hier uit warm aanbevolen! (Ondermeer ook door gastbijdragen van de legendarische Jordanaires, Wendy Moten en toetsenvirtuoos Reese Wynans.)

Joe Louis Walker, Alligator Records

 

JUDY COLLINS “Bohemian” (Wildflower Records)

(3,5****)

Al ruim een halve eeuw lang is ze actief, deze Judy Collins, en ook na al die jaren blijft ze zondermeer tot de verbeelding spreken. De oogstrelende schoonheid van weleer mag dan al hebben moeten wijken voor een nog steeds bijzonder stijlvolle, maar almaar nadrukkelijker haar leeftijd verloochende oude dame, die geweldige stem, die is er wel degelijk nog steeds. Geen wonder dan ook, dat het gerenommeerde Mojo onlangs zelfs zo ver ging om haar te bestempelen als “one of the greatest interpreters of modern times”. Als een volleerde sirene laat Collins je ook op “Bohemian” weer op de klippen van eigen songs en materiaal van anderen lopen. Voor dat nieuwe album liet ze zich naar eigen zeggen overigens vooral inspireren door haar herinneringen aan de bloeiende Californische muziekscene van de jaren zestig. Naast vier eigen nieuwe songs vertolkt ze op “Bohemian” ook liedjesmateriaal van onder anderen Joni Mitchell (“Cactus Tree”, met een gastrol voor collega Shawn Colvin), Michael Veitch (“Veteran’s Day”, featuring Kenny White), onze Jacques Brel (“The Desperate Ones”), Woody Guthrie (“Pastures Of Plenty”) en Jimmy Webb (“Campo de Encino”, het naar onze bescheiden mening absolute hoogtepunt hier!). En ook de traditional “All The Pretty Horses” eigende ze zich terloops snel even toe. In totaal elf – Zonder uitzondering erg mooie! – luisterliedjes levert het ons op. Knappe prestatie dus weer van de ondertussen toch ook al ruim 72 lentes op de teller hebbende Collins! Waardig ouder worden, noemen ze zoiets…

Judy Collins, Wildflower Records

 

PENELOPE HOUSTON “On Market Street” (Glitterhouse / Munich / V2)

(3,5****)

Het feit, dat ze in haar jonge jaren een flinke vinger in de pap had bij het baanbrekende punkcollectiefje The Avengers uit San Francisco, zal Penelope “Glad I’m a Girl!” Houston wellicht haar hele leven lang blijven achtervolgen. In zo goed als elk stuk over haar of haar muziek – En dus ook in dit! – wordt er nog naar verwezen. En dat is an sich eigenlijk vrij absurd te noemen. Houston evolueerde door de jaren heen immers steeds meer richting een bestaan als klassieke singer-songwriter. Wat ze dezer dagen doet vertoont zo best wel wat raakpunten met het materiaal van onder anderen een Suzanne Vega en een Shawn Colvin. Zij het, dat Houston in haar teksten vaak nog net wat scherper uit de hoek durft te komen dan die beide dames. Voor het zich louter muzikaal gezien quasi voortdurend ergens op het snijvlak tussen pop, Americana en folkrock situerende “On Market Street” graaft ze zo behoorlijk diep in haar eigen wezen. Haar verziekte huwelijk en de daarop onvermijdelijk volgende scheiding, tal van rechtszaken, haar herwonnen onafhankelijkheid en een terugkeer naar de universiteitsbanken, het zijn slechts enkele van de vele thema’s, die ze er zonder gêne op aansnijdt. De al voor jaren door velen liefdevol als de “Queen of Neo-Folk” in de armen gesloten Houston schuwt het autobiografische hier dus duidelijk niet. In een tiental door haarzelf en Jeffrey Wood geproduceerde eigen nieuwe liedjes en eentje dat ze leende van haar gitarist Pat Johnson (“Come Back To The Fountain”) licht ze een flink stuk van de eigen levenssluier op. Tegen een achtergrond van subtiel rinkelende gitaren, gloedvolle Hammond- en Wurlitzerklanken en dito strijkers levert ze zo een ingetogen beauty van een plaat af, waar met name liefhebbers van dames als het hoger al vermelde tweetal, maar bijvoorbeeld ook een Lucinda Williams, een Amelia White of een Michelle Shocked wel raad zullen mee weten.

Penelope Houston, Glitterhouse

 

MARSHALL MONRAD BAND “Minerals & Mud” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als op het hoesje van een cd de naam van het Noorse Rootsy-label prijkt, dan geldt dat voor ons ondertussen stilaan als een soort van kwaliteitsgarantie. Ondanks het feit dat die platenmaatschappij zich voornamelijk over lokaal Americana-talent ontfermt, ontgoochelde ze ons eigenlijk nog nooit echt. En dat is ook met betrekking tot “Minerals & Mud”, de tweede van het vanuit de buurt van Oslo actieve viermanschap van de Marshall Monrad Band, zeker weer niet het geval. Daarop treffen we naast prima vertolkingen van de traditionals “Long Journey Home” en “We Shall Meet Someday” voornamelijk eigen composities aan. En die vallen zonder uitzondering onder de noemers bluegrass en old-time country. Materiaal dus, waarin Cato Monrad (banjo, zang), Joachim Svendsen (akoestische gitaar, zang), Erlend Hølland (akoestische bas, zang) en Bjørn Nilsen (zang, akoestische gitaar) zich volop kunnen uitleven op hun respectieve instrumenten. En bijgestaan worden ze daarbij onder andere ook nog door Stephen Ackles, Tone Silvia Holen, Tore Andersen, Tove Bøygard en Paal Flaata. Het resultaat is een album vol eerder rustiek aandoende muziekjes, dat hoegenaamd in niets hoeft onder te doen voor het gros van het ons dezer dagen vanuit de States bereikende materiaal. Hier wordt immers met zoveel liefde gemusiceerd, dat het maar moeilijk blijkt om er als luisteraar niet mee in op te gaan. Onze luistertips: het met Paal Flaata gedeelde en van een Cash-randje voorziene “We Shall Meet Someday” en “Dunderland Iron Ore Company”, een zomers uitstapje richting muzikale oorden, waar je naast op de gasten van Old Crow Medicine Show ook elk moment op acts als de Bruce Springsteen van ten tijde van zijn “Seeger Sessions” en de Pogues meent te kunnen stoten. “Bluegrass & folk music with a rock ‘n’ roll attitude” dus inderdaad!

Marshall Monrad Band, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

BUTCH WALKER AND THE BLACK WIDOWS “The Spade” (Lojinx / Sonic Rendezvous)

(4****)

Enkele decennia geleden – Haren vochten toen nog om een stekje op een ondertussen stilaan voorzichtig kalend hoofd… – waren wij maandenlang flink in de ban van de muziek van power pop acts als Paul Collins’ Beat, The Rubinoos, Robert Johnson (Remember “Close Personal Friend”, anyone?), The Plimsouls, The Knack, de Joe Jackson Band, The Romantics en andere. Aanstekelijke, met huizenhoge melodieën gezegende liedjes, lekkere meezing-refreinen en als het even kon spetterend gitaarwerk, meer moest dat voor ons toen absoluut (nog) niet zijn. En – Eerlijk is eerlijk! – we houden er ook nu nog erg veel van. Met enige regelmaat belandt er nog wel een heruitgave van een “klassieker” van de late seventies of de vroege eighties op onze rijkgevulde plank. En daar, ergens tussen al dat oude geweld, hebben we nu ook een plaatsje voor “The Spade” van Butch Walker & The Black Widows gereserveerd. Walker, vooralsnog vooral bekend van zijn productiewerk voor vrouwelijke hitmachines als Avril Lavigne, Pink en Katy Perry, blijkt immers net als ons een zekere voorliefde voor power pop en aanverwante genres te cultiveren. En die uit hij bij tijd en wijle in het gezelschap van zijn eigen groepje The Black Widows. Met dat viertal schudt hij hier en nu op “The Spade” schijnbaar spelenderwijs de ene na de andere catchy parel uit de mouw. Melodiezwangere deunen, waarvan je ogenblikkelijk vrolijk wordt, zijn het. De ene al aanstekelijker dan de andere. En als dusdanig mag je “The Spade” naar onze bescheiden mening dan ook een aanrader van formaat noemen. Met name voor van nature nogal nostalgisch ingestelde geesten, die het vroeger allemaal zoveel beter vonden. Wedden, dat ze na het horen van deze nieuwe van Walker en co hun (kortzichtige) mening snel zullen bijstellen?

Butch Walker & The Black Widows, Sonic Rendezvous

 

THE KENNETH BRIAN BAND “Welcome To Alabama” (Southern Shift Rec. / Sonic Rendezvous)

(4****)

Voor wie er nog mocht aan twijfelen: Southern rock is alive and well! Steeds meer jonge acts voelen zich dezer dagen weer geroepen om in de voetstappen van genre-iconen als de Allman Brothers Band, Lynyrd Skynyrd of recenter de Drive-By Truckers te treden. Zo ook Kenneth Brian. Die speelde nog niet zo heel erg lang geleden de rol van wijlen Hank I in de theateropvoering “Hank Williams: Lost Highway”, maar tapt op zijn debuut-cd “Welcome To Alabama” nadrukkelijk uit een door hoger genoemde voorbeelden en andere gelijkgestemde geesten beïnvloed vaatje. Typische “songs of the South” dus, waarin naast het aldaar zo populaire rockelement ook outlaw country, soul en blues bij tijd en wijle een behoorlijk prominente rol mogen spelen. De al van zijn werk voor ondermeer de Allman Brothers en Widespread Panic bekende Johnny Sandlin produceerde en zag Brian  in het gezelschap van gerenommeerde gasten als een Jason Isbell, een Bonnie Bramlett, een David Hood, een Randall Bramblett, een James Pennebaker en anderen bijzonder sterk uit de hoek komen. In negen eigen nummers en een cover van “Nothin You Can Do” van Allman Brothers Band-gitarist Dickey Betts, gebracht in duet met Bonnie Bramlett, toont hij zich een met een bijzonder soulvolle hees-gruizige strot begenadigde zanger, een uitermate getalenteerde gitarist en zeker niet in de laatste plaats ook een beloftevolle songwriter. Topmomenten zijn daarbij wat ons betreft de ronduit heerlijke, samen met gaste Lillie Mae Rische ingezongen trage countryschuifelaar “Last Call”, het ook al vertederende “Cry To The Dark”, het vrijwel meteen tot meezingen uitnodigende rootsrockertje “Texas By Tonight”, het eveneens extreem catchy ingevulde titelnummer en het met name gitaargewijs nogal heftig aan zijn kettingen snokkende “Tonight We Ride”. Een heus deluxe-rockertje, dat laatste liedje! En vergeten te vermelden mogen we hier tenslotte zeker ook niet het ongemeen sfeervolle “Prayer For Love”, waarin ex-Drive-By Trucker Jason Isbell op bijzonder aangrijpende wijze zijn snaren laat spreken. Dat nummer is naar onze bescheiden mening immers de primus inter pares op deze echt wel waanzinnig sterke eersteling van Kenneth Brian.

The Kenneth Brian Band, Sonic Rendezvous

 

GRETCHEN PETERS “Hello Cruel World” (Scarlet Letter Records / Proper / Rough Trade)

(5*****)

Na “One To The Heart, One To The Head”, haar samenwerking met Tom Russell uit 2009, had het leven voor Gretchen Peters amper nog wat goeds in petto. Zo wist ze zich achtereenvolgens rechtstreeks geconfronteerd met de desastreuze gevolgen van de natuurramp in de Golf van Mexico, de zelfmoord van een 30 jaar jonge vriend, de overstroming van haar geadopteerde thuishaven Nashville en haar zoons outing als transgenderist. Vandaar ook de bijzonder veelzeggende titel van haar nieuwe plaat: “Hello Cruel World”. “Ik wilde songs schrijven, die pijn deden. Songs, op het brutale af eerlijk,” aldus Peters zelf over het materiaal daarop. “Ik wist, dat het een behoorlijk donker album zou worden,” wou ze ook nog kwijt. En dat is het uiteindelijk dan ook geworden. Vol met eigen composities, die volop genieten van de in royale mate aangereikte hand-en-spandiensten van extreem getalenteerde collega’s als een Will Kimbrough, een Doug Lancio, een Barry Walsh, een Viktor Krauss, een Kim Richey, een Rodney Crowell en anderen. In een productie van het duo Lancio en Walsh en Peters zelve tekenen zij mee voor een geheel, dat luidop schreeuwt om het predikaat “meesterwerk”. Met z’n allen zorgen ze voor een eerder spaarzaam ingevuld, maar bijzonder sfeervol kader, waarin Peters op poëtische wijze op zoek gaat naar lichtpuntjes in een alsmaar complexer wordend leven. Erin overleven an sich al beschouwt ze eigenlijk als een soort van triomf. En reflecteren over het wezen van kunst, God en religie en spiritualiteit dienen daarbij ogenschijnlijk een louter therapeutisch doel. Elf buitengewoon mooie liedjes vormen het uiteindelijke resultaat. Stuk voor stuk pareltjes, die het eigenlijk gewoon niet verdienen, dat je probeert om hier krenten uit de pap te vissen. Maar dat doen we – Slecht als we zijn! – natuurlijk toch weer. En we komen daarbij uit bij het uitermate evocatieve “Natural Disaster”, het met Rodney Crowell gedeelde “Dark Angel” en vooral ook het samen met Tom Russel gepende “St. Francis”, waarin collega Kim Richey in haar dooie eentje verantwoordelijk blijkt voor een heus engelenkoor. Werkelijk bloedmooi allemaal en derhalve ook van ganser harte aanbevolen!

Gretchen Peters, Proper Records

 

NANCI GRIFFITH “Intersection” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Noem dit gerust maar een verrassing van formaat! Ondertussen twintig albums ver in haar briljante carrière als singer-songwriter levert Nanci Griffith met “Intersection” eindelijk weer eens een echte topplaat af. En niet zomaar één in het rijtje ook! Zo boos als hier bij momenten hoorden we haar immers nog nooit! En het gaat er op “Intersection” ook ongemeen persoonlijk aan toe. Zo laat bijvoorbeeld het ergens in de voetsporen van wijlen Buddy Holly en zijn Crickets zwierig rockend uit de hoek komende “Hell No (I’m Not Alright)” nog maar bitter weinig aan de verbeelding over. Zowel tekstueel als stilistisch gezien een breuk met zo ongeveer alles wat ze eerder al deed, dat liedje. Iets wat verderop bijvoorbeeld ook nog geldt voor het swingende “Bad Seed”, waarin ze zonder daarbij een blad voor de mond te nemen “haar hele waarheid” voorschotelt aan haar vader, met wie ze al zo’n vijftien jaar in onmin leeft. Voorts natuurlijk ook heel wat “vintage Griffith” hier. Fraaie luisterliedjes op de flinterdunne breuklijn tussen folk en Americana, volop profiterend van de intimistische aanpak resulterend uit gewoon bij Griffith thuis afgewerkte opnamesessies. Daarbij werd ze vooral bijgestaan door multi-instrumentalist Pete Kennedy, diens wederhelft Maura en percussionist Pat McInerney. Voorts bij tijd en wijle ook even in de buurt: het duo Eric Brace en Peter Cooper (harmony vocals in “Just Another Morning Here”, een herwerkte versie van dat al in 1991 voor het eerst op “Late Night Grande Hotel” opgedoken nummer!), Richard Bailey van The Steeldrivers (banjo in “High On A Mountain Top”), Robbin Bach (backing vocals in “Davey’s Last Picture”) en de vooral als road manager bekende en geprezen Phil Kaufman (bas in “Come On Up, Mississippi”). Enkele covers werden daarmee al even aangeraakt, maar er staan er op “Intersection” nog enkele: een heel fraaie lezing van Blaze Foley’s “If I Could Only Fly” bijvoorbeeld ook nog, een eveneens buitengewoon mooi “Never Going Back” van Mark Seliger, het bij wijlen Ron Davies geleende “Waiting On A Dark Eyed Gal” en Robbin Bachs “Davey’s Last Picture”. In deze en de al eerder genoemde liedjes laat Griffith andermaal horen niet enkel een geweldige songsmid te zijn, maar ook een grote vertolkster van het materiaal van anderen. Maar goed, dat wisten we na haar bewerkingen van liedjes van onder anderen Julie Gold, Kate Wolf en Lyle Lovett in het verleden ook al wel. Welcome back, Nanci!

Nanci Griffith, Proper Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home