CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

DIVERSE ARTIESTEN “Suburban Sleazy Listening: At The Juke Joint” - MIKAEL PERSSON “Marks & Bleeds” - VOODOO SWING “Fast Cars, Guitars, Tattoos & Scars” - GURF MORLIX “Gurf Morlix Finds The Present Tense” - THE BEAN PICKERS UNION “Better The Devil” - ANDI ALMQVIST “Warsaw Holiday” - LARKIN POE & THOM HELL “The Sound Of The Ocean Sound” - ZACHARY RICHARD “Le Fou” - TED RUSSELL KAMP “Night Owl” - EASTWICK “A Moment From Now” - ANDREW STRONG “The Commitments Years And Beyond, Live” - WALTER ROOTSIE AND HIS BLUE CONNECTION “Darkwater” - THE RESENTMENTS “Welcome To Our Living Room - Live At The Lab In Stuttgart” - HEGE BRYNILDSEN “Hege” - TOM GILLAM “Good For You” - US RAILS “Live Europe 2012” - DON RICH “Don Rich Sings George Jones” - SMOKESTACK LIGHTNIN’ “Stolen Friends” - JOHAN BORGER “Wild Geese Calling” - JOSH RITTER “The Beast In Its Tracks” - MADELEINE PEYROUX “The Blue Room” - THE DELTA SAINTS “Death Letter Jubilee” - MARKUS RILL & THE TROUBLEMAKERS “My Rocket Ship” - GUY FORSYTH “The Freedom To Fail” - HEIDI TALBOT “Angels Without Wings” - REBECCA LOEBE “Circus Heart” - RICHARD THOMPSON “Electric” - DIFTONG “Holy Bones” - AMANDA PEARCY “Royal Street” - RICHARD LINDGREN “Grace” - AD VAN MEURS “En Soms” - DIVERSE ARTIESTEN “Trouble In The Fields, An Artists’ Tribute To Nanci Griffith” - BUCK OWENS “Honky Tonk Man: Buck Sings Country Classics” - DICK VAN ALTENA “Flowers From The Moon” - PAAL FLAATA “Wait By The Fire: Songs Of Chip Taylor” - AMELIA CURRAN “Spectators” - CARRIE RODRIGUEZ “Give Me All You Got”

 

 

DIVERSE ARTIESTEN “Suburban Sleazy Listening: At The Juke Joint” (Suburban Records)

(3,5****)

De label sampler: in een almaar meer gedigitaliseerd hier en nu kom je hem amper nog tegen en dat vinden wij van Ctrl. Alt. Country bij nader inzicht eigenlijk best wel jammer. Ooit vonden wij hem immers het zo ongeveer ideale middel om nieuwe dingen mee te leren kennen. Zo ongeveer, omdat er op elk van die spullen nu eenmaal ook altijd wel wat niet meteen aan ons bestede bucht stond. Maar goed, dat namen we er in de dagen nog lang voor het nagenoeg alle muzikale grenzen ontsluitende internet graag bij. Toen waren we nog niet zo veeleisend… Nu wél! En dus wordt het hier door het Nederlandse Suburban aangeboden “Suburban Sleazy Listening: At The Juke Joint” ook gewoon beoordeeld als de doorsnee-, hier vrijwel dagdagelijks wel gratis door de één of andere platenfirma ter beschikking gestelde digitale verzamelaar. En dat betekent strenge concurrentie. Al was het alleen al maar omdat ze met z’n zovelen zijn. Maar zie daar, “Suburban Sleazy Listening: At The Juke Joint” gooit voorwaar hoge ogen! En dat heeft veel, zo niet alles te maken met de onderliggende gedachte. Sleazy listening, da’s waar het hier om draait, vooral niet de easy-variant! Vuig gaat het er hier aan toe. Met één gemene veeg worden de laatste restjes zware dag in de Juke Joint van Suburban van de tafel geveegd. Het stinkt er naar sigarettenrook, verschaald bier en zweet, kortom naar het echte leven. En op de soundtrack daarbij regeren nadrukkelijk Koning Roots en de zijnen. Blues, Southern rock, Americana, boogiewoogie, rockabilly, you name it… Met ons al bekende gezichten als die van T-99 (“Sun”), Boo Boo Davis (“Undercover Blues”), Cuban Heels (“You Groove Me”), The Shiner Twins (“Nothing In This World”), The Backcorner Boogie Band (“My Baby Left Me”), Reverend Peyton’s Big Damn Band (“Something For Nothing”) en de Hillbilly Moon Explosion (“My Love For Evermore”), maar evenzeer een hele rist aan nog te ontdekken acts (Birth Of Joy, Black Bottle Riot, The Pignose Willy’s, Shaking Godspeed, Tenement Kids, The Cyborgs, Giant Tiger Hooch, Automatic Sam). Vijftien tracks op het scherp van de snee. Vijftienmaal vol overgave gaan ervoor. En die nieuwe namen, die we hier zoals eerder gesteld zo graag aan wilden overhouden, dat zijn uiteindelijk die van Tenement Kids en van The Pignose Willy’s geworden. De eersten trokken diepe voren doorheen ons onderbewustzijn met hun manische Americana-opstoot “Diamond In The Dark”, laatstgenoemden dienden zich met de dreigende harmonicablues van “Fuzzbone Slim” als een zo mogelijk nog grotere belofte aan. Great stuff! (En nog goedkoop ook! Je koopt “Suburban Sleazy Listening: At The Juke Joint” immers al voor een euro of zes.)

Suburban Records

 

MIKAEL PERSSON “Marks & Bleeds” (Paraply Records)

(4****)

“I’m impressed, Mr. Persson! Deeply impressed!” Je tweede plaat is echt “killer stuff”! Intelligent singer-songwriterspul, dat van heel wat muzikale markten thuis blijkt. Een album werkelijk bulkend van de hoogtepunten. En louter muzikaal gezien puntgaaf ook! Met dank daarvoor overigens aan producer Peter Holmstedt. Die zag erop toe, dat je liedjes over dromen en ontmoetingen zich zorgeloos konden ontwikkelen tot veritabele oorwurmen. Heel mooi, hoe je quasi voortdurend het midden weet te houden tussen pop, rock en roots. Zoals in “Not A Human In Sight”, waarin je schijnbaar moeiteloos switcht van rock naar folk en terug. Of in je vertolking van collega Greg Copelands “Roughhouse Boys”, die je vaardig ergens tussen Americana en (roots) pop weet te parkeren. Het zijn slechts twee van de vele echte topmomenten op deze tweede van je. Ik hield bijvoorbeeld ook nog heel erg van het me sfeergewijs best wel wat aan de vroege Richard Hawley herinnerende “Room Of The Virgins”, van het wat countryesker ingevulde “Some 50 Roads”, van de enigszins bevreemdend op me inwerkende pop beauty “Scarf Around Your Neck” en van je hartverscheurend mooie, met Luisa Jordan Killoran gedeelde Americana-cover van de Yazoo- en Flying Pickets-hit “Only You”. Ach, eigenlijk gewoon van alles hier…

Mikael Persson, Paraply Records

 

VOODOO SWING “Fast Cars, Guitars, Tattoos & Scars” (Electric Lotus Label)

(5*****)

‘t Is eigenlijk amper te geloven, maar ze staan effectief al ruim twintig jaar in het vak, die van Voodoo Swing. En wat is er sinds hun in 1993 nog bij het Engelse Nervous Records verschenen debuut “We’re Usin’ Code Names!” al ontzettend veel veranderd! Van louter “rip-it-up rockabilly” evolueerde het “powerhouse” trio uit Phoenix, Arizona door de jaren heen steeds meer richting een van wel meer markten thuis zijnd geluid. Met als ontegensprekelijk hoogtepunt so far het zopas uitgekomen “Fast Cars, Guitars, Tattoos & Scars”. Wat een lekkere plaat is dat geworden, zeg! Een uitermate geslaagd huwelijk tussen een vintage en eigentijds geluid. En met zoals al gesteld nogal wat “nods” richting andere rootsmuziekstijlen. Het swingende “Down At The Oak” is zo bijvoorbeeld gezegend met een aanstekelijke hillbilly beat, “When Death Comes A Callin’” wordt banjogewijs een aardig eindje richting bluegrass gestuwd, het ook al wervelende “Seein’ Double Boogie” heeft wat met country, rockabilly en jump blues tegelijk, het door gast Pat Roberts van The Heymakers gecroonde “If You Ever Want To Come Home” is haast meer soul dan rock & roll en met “Damn I’m Dumb” belanden we voorwaar zelfs even in “boom-chicka-boom” Cash Country. Voorts natuurlijk ook ditmaal weer een royale dosis “gasoline fueled rockabilly” hier. En daarvan bevielen ons vooral het over een ronduit hypnotisch werkend ritme heen gedrapeerde titelnummer, het “spacy” “My Rockabilly Martian Girl” en het zo ongeveer een negen op de schaal van Richter veroorzakende tweetal “Chasin’ With The Devil’s Hot Rod” en “The State I’m In”. Voorts ook nog heel erg leuk: het saxgewijs met wat R&B-gevoel besprenkelde “Cruisin’ With My Baby” en het “creepy”, met name van z’n twangend gitaarwerk, duister geprevel en een verkapte Bo Diddley-beat levende “Lost Yesterdays”. Zó en niet anders hoort rockabilly (rock & roll) anno nu dus te klinken! Hell yeah!

Voodoo Swing, Electric Lotus Label

 

GURF MORLIX “Gurf Morlix Finds The Present Tense” (Rootball Records)

(4****)

‘t Is ditmaal best wel even wachten geweest op nieuw materiaal van Gurf Morlix. Eigen materiaal bedoelen we dan. Want “Blaze Foley’s 113th Wet Dream”, ’s mans mooie eerbetoon aan z’n in ’89 vermoorde grote voorbeeld, ligt natuurlijk nog niet zo heel erg ver in het verleden. Daarvoor moeten we “maar” twee jaar terug in de tijd. Voor Morlix’ laatste met originelen gevulde schijf, “Last Exit To Happyland”, zijn er dat ondertussen al vier. Maar goed, dat heeft natuurlijk allemaal te maken met het “labour of love” dat Morlix’ tribute aan het adres van Foley eigenlijk was. Twee jaar trok Gurf ervoor uit om met de songs op die plaat de hort op te gaan. En dat met als enige bedoeling om Foley’s songs eindelijk de aandacht te laten krijgen, die ze eigenlijk gewoon al vele jaren verdienden. “It was something I needed to do,” aldus Morlix daarover zelf. “Blaze never got the recognition he wanted, and I wanted to help get his songs out there to some more people.” Wat echter ook weer niet betekende, dat hij daarvoor z’n eigen carrière volledig “on hold” zette. Tussen de bedrijven door bleef hij immers gewoon nieuwe liedjes schrijven. En tien daarvan belandden ondertussen op “Gurf Morlix Finds The Present Tense”. Tien songs over wanhoop en verlangen, veelal (Maar niet uitsluitend!) eerder mismoedig, eerder somber van aard, door Morlix op die toch wel onnavolgbare manier van ‘m gebracht. Meer geneuzeld dan gezongen, als een soort van mannelijke evenknie van Lucinda Williams en Mary Gauthier. En uiteraard ook nu weer ingeblikt met een bescheiden legertje aan topmuzikanten en collegae. We noemen hier in die context graag even Ray Bonneville (mondharmonica), Rick Richards (drums), Ian McLagan (B3), Patterson Barrett (eveneens B3), Gene Elders (viool) en Eliza Gilkyson (harmony vocals). De rest deed Morlix naar goede gewoonte zelf. En dan doelen we natuurlijk in eerste instantie op de snareninbreng en het productiewerk. Want dat ondertussen onmiskenbare Morlix-geluid, dat krijgen we natuurlijk ook op “Gurf Morlix Finds The Present Tense” weer voorgeschoteld. En dat is maar goed zo ook. Precies dat maakt van dingen als “My Life’s Been Taken”, “Series Of Closin’ Doors” en “These Are My Blues” de beautés die het zijn. ’t Is te hopen, dat Morlix ons op een volgende lading ervan niet weer vier jaar laat wachten…

Gurf Morlix

 

THE BEAN PICKERS UNION “Better The Devil” (Inseam Records)

(4****)

Al meer dan twintig jaar lang verdient Chuck Melchin z’n sporen in het “musikgeschäft”. Solo en met z’n band The Bean Pickers Union. En met die laatste levert hij nu eindelijk ook een volwaardige tweede cd af. Eindelijk, want op de eigenlijke opvolger van de nagenoeg onder de lovende woorden begraven eersteling “Potlatch” was het ruim zes jaar wachten. Tussentijds werden we door Melchin en co enkel nog getrakteerd op de EP “Lullabies For Lydia”. En dat vonden we al bij al toch maar wat minnetjes… Maar goed, da’s dus nu verleden tijd! En om daarop aansluitend gelijk maar met het goede nieuws uit te pakken: het lange wachten heeft wel degelijk geloond! Het door Steve Mayone en “veelkunner” Bow Thayer geproduceerde “Better The Devil” is opnieuw een uitstekende Americana-plaat geworden. In totaal elf liedjes staan erop, die je als liefhebber van het genre wellicht net zo moeiteloos zullen inpakken als ons. Beklijvend, vaak behoorlijk moody spul, waarin zich mits wat doorzetten sporen van groten als een Neil Young, de Jayhawks en Uncle Tupelo laten aanwijzen. Let wel: het zijn echt maar sporen! Hier enkel vermeld om aan te geven in welke richting je voor de muziek van The Bean Pickers Union kan denken. Melchin en co beschikken immers wel degelijk over een eigen smoelwerk. En dat is er één waar we hier maar wat graag tegenaan kijken. The Bean Pickers Union maakt immers nog het soort van muziek, waarvoor we bij nader inzicht ooit met deze site begonnen. Alternatieve country, that is! Een anno 2013 toch eerder zeldzaam aan het worden goedje... Een dikke pluim dus voor songs als “Magnolia”, “Burning Sky”, “Numb”, “Jolene”, “Tranquility”, “Sometimes I Just Sits” en andere. En voor een reeks fijne verhalen cirkelend rond universele thema’s als daar zijn hoop en z’n tegenpool, geloof en verlossing ook.

The Bean Pickers Union, CD Baby

 

ANDI ALMQVIST “Warsaw Holiday” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Ook “Warsaw Holiday”, de vierde volwaardige langspeler van Andi Almqvist, is weer een ronduit sublieme plaat geworden. Eens te meer bewijst de Zweedse songsmid daarop een wel heel uitzonderlijk talent te zijn. Elf songs lang weet hij mateloos te boeien. En dat zowel op inhoudelijk als op muzikaal vlak. In zijn teksten neemt Almqvist ons ditmaal mee op een trip de wereld rond. Niet enkel het bar koude Warschau uit de titel ervan, maar verder onder meer ook nog New York en Parijs worden daarop aangedaan. En dat resulteert bijna als vanzelfsprekend ook in nogal wat uiteenlopende moods. “Happy End” is zo bijvoorbeeld een hoogst luguber aanvoelend akoestisch bluesje, “No More Songs For You” spiernaakte Americana à la Johnny Cash in z’n nadagen, “Oh La La” een met een heerlijk vettige sax aangewakkerd rootspopbrandje, “Pornography” een pracht van een pianoballade, “Kinski” een moot Waitsiaanse rockwaanzin en “No” een bepaald niet krenterig met warmbloedige Hammond B3-klanken besprenkelde lap popradiovriendelijkheid. Mensen, die wel eens wat van knapen als de al genoemde Tom Waits, Nick Cave, Johnny Cash of Richard Hawley beluisteren, hebben hier ons inziens een erg vette kluif aan.

Andi Almqvist, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

LARKIN POE & THOM HELL “The Sound Of The Ocean Sound” (Edvins / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ontgoochelen deden de zussen Rebecca en Megan Lovell ons tot op heden eigenlijk nog nooit. En dat doen ze ook nu weer niet! Ook op hun met de in z’n eigen land heel erg gewaardeerde Noor Thom Hell opgenomen nieuwe “The Sound Of The Ocean Sound” strooien de dames immers weer volop met bijna steeds de perfectie benaderende (roots)popliedjes in het rond. En ook ditmaal weer blijkt daarin volop speelruimte voor hun geliefkoosde instrumenten, de dobro en de mandoline. Wat er dan anders is “this time around”, vraagt u? Dat is de inbreng van Hell uiteraard. Diens eerder hoge stem kleurt echt wonderschoon bij de honingzoete klanken van de Lovells zelve. Veel meer dan te contrasteren vullen hun stemmen elkaar eigenlijk aan. En dat levert zo menig een fraai luistermoment op. Wij waren zo bijvoorbeeld heel erg te spreken over het met name aan de fraaie dobrobijdrage van Megan erin een ongelooflijke warmbloedigheid ontlenende openingsnummer “I Belong To Love”, over het lentefrisse Americana-riedeltje “I Can Almost” en over het buitengewoon catchy “Shoulder To Shoulder”. (De video bij het eerste van die drie liedjes werd in de eerste 72 uren na de lancering ervan op YouTube overigens liefst 360,000 maal bekeken. Staan dus duidelijk aan de vooravond van een doorbraak op grote schaal, die Lovells! En dat volkomen terecht ook!)

Larkin Poe, Sonic Rendezvous

 

ZACHARY RICHARD “Le Fou” (Avalanche Productions)

(3,5****)

“Le Fou” is ondertussen ook alweer Zachary Richards twintigste plaat. En net als zo ongeveer al haar voorgangers steekt ook deze nieuwe weer niet onder stoelen of banken waar haar roots liggen. En dat is natuurlijk in Louisiana. In cajun en zydeco met name. Maar naar zo stilaan ook al goede gewoonte gebruikt Richard die beide genres hier enkel nog als uitgangspunt. Veel van wat hij op “Le Fou” ten gehore brengt valt eerder te bestempelen als Americana of folk gekruid met een snuif cajun of zydeco dan wel omgekeerd. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het titelnummer, “Laisse Le Vent Souffler” of “Lolly Lo” en je zal al snel begrijpen wat we daarmee bedoelen. In het eerste is het bijna uitsluitend nog het Creoolse Frans van Richard dat verwijst naar z’n thuishaven Louisiana, het tweede is op de keper beschouwd gewoon Americana tout court en het derde strandt zelfs nog verder van huis ergens tussen (roots)pop en folk. Elders, zoals in het heerlijk funky “Clif’s Zydeco”, “Crevasse Crevasse” en “Bee De La Manche”, kleurt “Le Fou” dan weer wat meer authentiek. De wat ons betreft sterkste momenten hier: het de Deepwater Horizon-milieuramp als uitgangspunt gebruikende titelnummer, het op Katrina en andere stormen focussende “Laisse Le Vent Souffler”, de prachtballades “La Chanson Des Migrateurs” en “La Musique Des Anges” en het hoger al even genoemde en ritmisch ongemeen catchy werkende “Bee De La Manche”. Très sympa allemaal!

Zachary Richard, CD Baby

 

TED RUSSELL KAMP “Night Owl” (PoMo Records)

(4,5*****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: “Night Owl”, de nieuwe van Ted Russell Kamp, is een echte prachtplaat geworden. Heel erg persoonlijk en vol met veritabele songjuwelen. En daarvan blijken er op de keper beschouwd nogal wat geschreven samen met ook door ons heel erg gerespecteerde collega’s van ‘m. We noemen in dat verband onder meer Will Hoge, Katy Moffatt en Dave Gleason. Samen met hen en een rist anderen tekende Kamp ditmaal voor veertien nieuwe liedjes. Nu ja, dertien eigenlijk, want van “Another Love Song” krijgen we liefst twee versies voorgeschoteld. Twaalf van die veertien tracks verdeelde Kamp old school style over een a- en een b-kant. De overige twee, een akoestische soloversie van het door hemzelf voor zijn broodheer Shooter Jennings gepende “When The Radio Goes Dead” en de Tulsa style-benadering van het al genoemde “Another Love Song”, reikt hij ons aan het einde van “Night Owl” als bonusjes aan. Maar laat ons toch vooral nog even tussen de twaalf daaraan voorafgaande songs gaan grasduinen. Wat blijkt er daartussen immers veel aan fraais te prijken! Gelijk vanaf het Wurlitzer-gestuurde openingsnummer “Smile Alone” is het al volop prijs. Heel erg seventies en heel erg soulvol ook, die co-write met Will Hoge. En dat geldt eigenlijk voor nogal wat deuntjes hier. Zoals bijvoorbeeld ook het voorzichtig Springsteen-esk aandoende “Right Down The Wire”, het ons van opzet wel wat aan Tom Petty herinnerende ingetogen rockertje “Another Love Song” en de prachtsleper “Fireflies”. Of het samen met Dylan Altman uitgedokterde “A Whole Lot Of You And Me” ook, waarmee Kamp hier zomaar ergens in de buurt van de grote Rodney Crowell weet uit te komen. Vijf songs so far en vijf keer prijs al! En dan is enkel de kop er nog maar van af, zo blijkt bij nader inzicht. Ook het met Charlie Starr van Blackberry Smoke gepende New Orleans swing-kleinood “The Last Drop”, de stofferige Americana van de Katy Moffatt-samenwerking “Santa Ana Winds”, de zalige trage “At The End Of The Day”, de wel heel erg ingetogen rootsy rocker “My Songs For You”, het best wel wat dreigend aandoende en nadrukkelijk op prominent gitaarwerk van Jason Cope en Bart Ryan leunende “I Been Watching You”, het quasi-walsje “My Heart Has A Mind Of Its Own”, het zwaar melancholische “Where Out West” en de twee hoger al genoemde extraatjes blijken immers zonder uitzondering echte voltreffers. En een echte voltreffer vinden wij derhalve ook deze nieuwe van TRK. En we durven ‘m van hier uit dan ook echt wel van ganser harte aan te bevelen!

Ted Russell Kamp

 

EASTWICK “A Moment From Now” (Union Distribution)

(3,5****)

In afwachting van hun eerdaags uit te komen nieuwe plaat belandde van het Zweedse viertal Eastwick ook hun vorige schijf, het door ons ten tijde van zijn verschijning compleet over het hoofd geziene “A Moment From Now”, onverwachterwijze nog op onze schrijftafel. En ik moet zeggen, dat wat ik daarop te horen kreeg me best wel beviel. Noem het maar folk-pop met af en toe een uitschieter richting (alternatieve) country. Gebracht door een klassiek geschoolde celliste, een bluegrass fiddler, een pop-fusion-gitarist en een behoorlijk satirisch ingstelde songsmid. Een zo op het eerste gezicht al bij al eerder vreemd ogend collectiefje dus. En zo klinkt ook hun muziek bij momenten. Zeker als ze aan het stoeien gaan met wereldwijde hard rock hits als “Dude Looks Like A Lady” van Aerosmith en “You Give Love A Bad Name” van Bon Jovi. Daaruit worden hier twee buitengewoon catchy folkliedjes gepuurd, die je er eigenlijk helemaal niet achter verwachtte. Deed mij allemaal een beetje denken aan wat de Schot Roddy Frame en z’n maats van Aztec Camera jaren geleden ook al deden met “Jump” van Van Halen. En dat mag je als een heus compliment beschouwen, want die onthaaste versie vond ik echt wel bloedmooi. Andere opvallende momenten hier: eigenlijk gewoon zonder uitzondering geslaagd te noemen covers van Buddy Millers “Cruel Moon”, Steve Earle’s “Valentine’s Day”, Mary Chapin Carpenters “Jubilee”, John Prine’s “All The Best” en Randy Newmans “Feels Like Home”. Maar ook eigen spul als het zomerse, met een snuif bluegrass op smaak gebrachte “Leaving Now”, het op een vreemde manier funky aandoende “The Only Way”, de mooie rootsy ballade “Safe Inside That Dream” en het cynische “Rich & Boring” scoorde best wel hoog op onze appreciatiemeter. En onze nieuwsgierigheid met betrekking tot het naar verluidt enkel nog origineel materiaal bevattende nieuwe album van Eastwick werd dan ook flink gewekt. Mission accomplished dus zeker…

Eastwick

 

ANDREW STRONG “The Commitments Years And Beyond, Live” (Dixiefrog / Bertus)

(3,5****)

Al wat oudere jongeren onder ons herinneren zich Andrew Strong allicht vooral nog als Deco uit de succesprent “The Commitments”. In die Alan Parker-film uit ’91 naar het romandebuut van Roddy Doyle begint een groepje kansarme jongeren uit Dublin uit verveling een soulbandje. En genreklassiekers van Otis Redding, Aretha Franklin, Wilson Pickett, Al Green en andere coryfeeën vormen daarbij hun speeltuin. Strong mocht zo bijvoorbeeld zijn tanden zetten in dingen als “Mustang Sally”, “Take Me To The River”, “The Dark End Of The Street”, “In The Midnight Hour” en “Try A Little Tenderness”. En dat doet hij hier en nu nog eens dunnetjes over. Op het toepasselijk getitelde “The Commitments Years And Beyond, Live” stoten we uitsluitend op covers. Vijftien stuks in totaal, met naast het al genoemde vijftal verder ook nog “Gimme Some Lovin’” (Spencer Davis Group), “Hard To Handle” (Otis Redding), “Yolanda” (Kid Creole & The Coconuts), “It’s Your Thing” (Isley Brothers), “I Thank You” (Sam & Dave), “Grits Ain’t Groceries” (Titus Turner), “Show Me” (Joe Tex), “Treat Her Right” (Otis Redding), “Born To Be Wild” (Steppenwolf) en “Fire” (Jimi Hendrix). Ingeblikt in juli van vorig jaar in het Franse Saint-Girons. En daar lustten de aanwezigen er duidelijk wel pap van. Ze gingen alvast volop mee in het hen door Strong passioneel aangereikte. Eén groot feest der herkenning als het ware. Met Strong stemgewijs z’n naam alle eer aandoend. Want een stel krachtige “pipes” heeft hij wel. En dat slaat duidelijk aan ook. Zonder daarbij de torenhoge kwaliteit van de veelal ongemeen fraaie originelen ook maar enigszins te benaderen weet Strong toch een alleraardigst feestje te bouwen. En dat is an sich al een hele prestatie. Het zou hem binnenkort best wel eens een plaats op de affiche van zo menig een zomerfestival kunnen gaan opleveren. Voor een leuk feestje op z’n tijd is tenslotte zo ongeveer iedereen wel te vinden, niet?

(Als extraatje zit er voor vroege kopers bij “The Commitments Years And Beyond, Live” overigens ook nog een EP met daarop door Strong “live in de studio” ingeblikte duetten met Nico Wayne Toussaint (“I Heard It Through The Grapevine”) en Claudia Tagbo (“I Feel Good” en “Soul Man”).)

Andrew Strong, Dixiefrog Records

 

WALTER ROOTSIE AND HIS BLUE CONNECTION “Darkwater” (WRAF Records)

(3,5****)

Hier al een poosje geen onbekende meer, deze Walter Rootsie. Ook wel Walter Hopmans. Afkomstig uit het Zuid-Nederlandse Goes en met onder meer een muzikaal verleden in de groep Geronimo. Daarmee verwierf Hopmans in de periode vervat tussen 1993 en 2001 in eigen land al enige faam. Vervolgens vormde hij in Finland z’n eerste echte eigen groep. Die luisterde aanvankelijk nog naar de roepnaam The Backboners, maar zou later tot later tot The Blue Connection herdoopt worden. En daarmee is Hopmans nu aan zijn tweede cd toe. Een eerste verscheen met “Get Up And Go” al in 2007. Een reeks aardig succesvolle optredens in zowel Finland als z’n thuishaven Nederland volgde, maar toen sloeg het noodlot jammer genoeg behoorlijk hard toe voor de man. “Rootsie” kreeg immers te maken met ernstige gezondheidsproblemen en moest zijn carrière even laten voor wat ze was. Maar nu is hij dus weer volop terug! En aan het hoofd van The Blue Connection fietst hij op “Darkwater” gezwind doorheen veertien eigen composities. En daarmee bestrijken hij en de zijnen nogal wat rootsy terrein. Van lekkere Heartland rock (“Running Down Slow”) tot melodieuze Americana (“Motel Dakota” en “Billy Boys Game” ), van bij nader inzicht behoorlijk gruizig uit de hoek komende roots rock (“Criminal Grain” en “You Worry”) tot klassiek geschoolde R&B (de prachtballade “Heard Silence”) of fanatiek met de kont schuddend bluesy materiaal (“Get Alive”), van pop tout court (“Look Around”, “So Real” en het zomers soulvolle “Two Headed Monster”) tot onstuimige country (het titelnummer) of funky spul met de neus ritmegewijs richting New Orleans (“Down The Line”), aan variatie hoegenaamd geen gebrek hier! En dat is misschien wel net het sterkste punt van “Darkwater”. Vervelen doet die plaat daardoor immers geen seconde!

Walter Rootsie And His Blue Connection

 

THE RESENTMENTS “Welcome To Our Living Room - Live At The Lab In Stuttgart” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Met “Welcome To Our Living Room” valt nu allicht ook definitief het doek over één van de allerbeste live acts die muziekstad Austin ooit wist voort te brengen. Nog één allerlaatste keer krijgen we met deze al uit het najaar van 2006 stammende en in het Duitse Stuttgart ingeblikte live-opnames de originele Resentments-line-up met Stephen Bruton, Scrappy Jud Newcomb, Jon Dee Graham, Bruce Hughes en John Chipman aan het werk te horen en te zien. Verspreid over twee cd’s, in totaal goed voor twee volledige live-sets en liefst negenentwintig songs, en één met twee songeenheden ingekorte dvd mogen de vijf Texanen nog één keer alle mogelijke stilistisch begrenzend werkende muren tussen rock (& roll), blues, folk, country en Americana slopen. En uiteraard komen er daarbij nogal wat songs van het in 2006 actuele album “On My Way To See You” voorbij. We noemen in dat verband hier even “Sole Satisfaction”, “Coming Down”, “Jesse Taylor”, “Just A Fever”, “State Of Distraction”, “Demolition Girl”, “I Do My Drinking On The Weekends”, “Tip Me Over”, “Heart Of Hearts” en de nog altijd even mooie lezing van de door Fred Neil ooit aan Nilsson aangereikte hit “Everybody’s Talkin’” door Jon Dee Graham. Slechts één van wel meer covers hier trouwens, dat nummer. Ook Chuck Berry’s “Too Much Monkey Business” (Ook al van hoger genoemd album!), Adam Carrolls “Ricebirds” (Idem!), Van Morrisons “She Gives Me Religion” en de Mexicaanse traditional “Volver” passeren terloops de revue. En voorts is er natuurlijk nog heel wat materiaal van de andere Resentments-platen en van de soloprojecten van diverse betrokkenen. Al bij al een meer dan waardig eerbetoon aan de op 9 mei 2009 overleden Stephen Bruton, “after all” zo’n beetje de geheime “leader of the gang”. Zijn plaats en die van de al eerder de groep verlaten hebbende Jon Dee Graham worden vandaag de dag ingenomen door de Texaanse veelkunner Jeff Plankenhorn en ex-Fastball-frontman Miles Zuniga. Met de resterende Resentments rocken zij dezer dagen naar goede oude zondagse gewoonte naar verluidt de Saxon Pub in Austin alweer. En een nieuwe plaat zou er ook al in de “pipeline” zitten. Maar – Eerlijk is eerlijk! – helemaal hetzelfde zal het helaas nooit meer echt worden. Volop koesteren daarom dus ook maar, dit drieledige kleinood! Gaan wij alvast ook doen…

Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

HEGE BRYNILDSEN “Hege” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

De kans is vrij groot, dat de naam Hyge Brynildsen je vooralsnog hoegenaamd niets zegt. En dat moet eigenlijk ook niet. De zo ongeveer op de grens tussen haar thuisland en buurland Zweden wonende jonge Noorse is met “Hege” immers pas aan haar debuut toe. En dat is meteen een prima plaat geworden. Allicht mede door de niet bepaald geringe ruggensteun van Fats Kaplin. Die tekende niet enkel voor de productie van Brynildsens eersteling, maar sprong ook bij op de akoestische en de baritongitaar, de steel en de fiddle. En samen met de gerenommeerde Gøran Grimi, die hier nadrukkelijk aanwezig is op tal van toetseninstrumenten, mag hij zodoende als in grote lijnen verantwoordelijk voor de uitzonderlijk warme klankkleur van Hege’s visitekaartje worden gezien. Brynildsen zelf blijkt daarop over twee grote troeven te beschikken. Een eerste is haar enigszins aparte, ons een weinig aan dames als Iris DeMent en haar grote voorbeeld Dolly Parton herinnerende stem, een tweede haar buitengewoon vaardige, een zekere passie voor traditionele country en bluegrass verradende pen. Die twee zorgen ervoor, dat wat Brynildsen op haar visitekaartje aanreikt met name bij liefhebbers van de hoger al genoemde dames, een Gillian Welch, een Rachel Harrington en een Emmylou Harris ook wel in goede aarde zal vallen. Noem het maar “gothic country”. Schone liedjes, die, als we Brynildsen zelf op haar woord mogen geloven tenminste, beïnvloed zijn door de schrijfsels van eigen favorieten als een Dylan, een Cash, een Zevon en een Cave. Acht daarvan schreef ze zelf. “Bad Bad Whiskey” leende ze bij Amos Milburn en “Only A Rose” bij Geraint Watkins. Onze favorieten? De met heel veel passie gebrachte, vrome ballade “I Used To Sing”, het ook al onder de bezieling kreunende “Healing Hands” en de ronduit heerlijke Americana-trage “Don’t Come Back To Me”. “Hege” is echter vooral in z’n geheel een bijzonder aangename verrassing! Moest ook jij dringend maar eens even mee kennismaken!

Hege Brynildsen, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

TOM GILLAM “Good For You” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Good For You” markeert voor Tom Gillam na het akoestische “Rustic Beauty” als het ware een terugkeer naar de vertrouwde eigen leest. Het mag op die negende van ‘m inderdaad weer flink wat meer rocken! En daar lijkt de dezer dagen vanuit Austin actieve “ruigstrot” zich zelf toch nog altijd het beste bij te voelen. Op z’n Joe Walsh lijzig uithalend en vrijwel voortdurend ook kwistig in het rond strooiend met gesmaakte elektrische slideklanken serveert Gillam hier liefst twaalf nieuwe redenen om hem in de toekomst weer wat steviger aan de borst te gaan drukken. Het ene moment eerder gezapig in balladesk en midtempo-materiaal, het andere ouderwets pittig countryrockend of het Americana-genre een stevige instrumentale stroomstoot verkopend. Retro? Dat zeker! Maar wel verdomd lekker! Oubollig? No way! Daarvoor staat Gillam gewoon te stevig met z’n beide voeten in het hier en nu. Enkele nummers die je naar onze bescheiden mening bij gelegenheid zeker eens even moet beluisteren zijn de fiddle-zwangere, eerder traditioneel opgevatte Americana-schuifelaar “Come The Morning”, de “valse trage” “Last Night On Earth”, het hoegenaamd van de soul bulkende “A Train, The Rain & Other Things”, het met een gemene dosis slide opgewaardeerde “Put Me In The Ground” en het voorwaar zelfs voorzichtig hitgevoelige titelnummer “Good For You”.

Tom Gillam, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

US RAILS “Live Europe 2012” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

US Rails, dat is, zoals ondertussen wellicht genoegzaam bekend, het superverbond tussen singer-songwriters Joseph Parsons (akoestische gitaar en zang), Tom Gillam (elektrische en slidegitaren en zang), Ben Arnold (akoestische gitaar, toetsen en zang) en Scott Bricklin (bas en zang). Aangevuld met drummer Matt Muir nestelt dat selecte gezelschap zich nu al enkele jaren comfortabel in de buurt van enigszins vergelijkbare acts als Crosby, Stills, Nash & Young en de Traveling Wilburys. En met name de eerste van die twee dan. Vooral als de heren aan het harmoniëren gaan is die vaststelling wat ons betreft meer dan gerechtvaardigd. Dan doet wat ze brengen – Zonder daarbij overigens al té gedateerd te klinken! – heel erg “seventies” aan. En dat blijkt live zelfs nog net ietsje meer het geval dan op hun twee tot op heden verschenen studioplaten, het naar zichzelf vernoemde “US Rails” van ergens medio 2010 en “Southern Canon” van vorig jaar. Die tweede krijgen we hier met uitzondering van “Take A Long Time” in z’n totaliteit geserveerd. Van het debuut stammen zeven verdere nummers, te weten “Lucky Stars”, “Rainwater”, “Gonna Shine”, “Spell”, “Shine Your Light”, “Good Times” en “Brown Me In The Sun”. In totaal negentien stukken van de beide US Rails-albums dus. En voorts zijn er ook twee covers, met name van Artie Traums “Barbed Wire” en van de John Fogerty-compositie “Almost Saturday Night”. Twee nummers die wonderwel passen tussen het op 8 februari 2012 in het Kulturbahnhof in het Duitse Neuenkirchen-Voerden door het kwintet ten tonele gevoerde. En dat hoeft an sich óók weer niet echt te verwonderen, als je weet, dat Arnold, Parsons, Gillam en Bricklin met hun liedjes zowat het hele Americana-spectrum bestrijken. Ballads, melodieus (midtempo)spul en rockers wisselen elkaar hier op werkelijk voorbeeldige wijze af. En het is aan ons als consument om uit te maken, of daar ook beelden bij dienen te horen of niet. Naar goede Blue Rose Records-gewoonte krijgen we het concert in kwestie immers ook nu weer in twee uitvoeringen aangereikt: als luistervoer tout court verspreid over twee cd’s en mét beeldmateriaal ook nog eens op een bijkomende dvd. Veel (kwalitatief hoogstaand) materiaal voor (relatief) weinig geld dus! En dat kunnen we als Americana-liefhebbers natuurlijk alleen maar hartstochtelijk toejuichen…

US Rails, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DON RICH “Don Rich Sings George Jones” (Omnivore Recordings / EMI)

(3,5****)

Dit is wat je noemt een album met een aardig verhaal erachter. De als kopstuk van Buck Owens’ vermaarde Buckaroos in countrymiddens allesbehalve onbekende Don Rich nam het immers al in 1970 op. Om ons vooralsnog totaal onbekende redenen belandde het toen echter gewoon op de plank. En daar bleef het dus liggen tot nu, ondertussen al ruim meer dan dertig jaar later. En dat is wat ons betreft best wel vreemd te noemen, want de tien hier door Rich gezongen George Jones-nummers mogen wat ons betreft zó langs het (betere) werk van zijn broodheer. Deze laatste tekende trouwens ook voor de productie ervan. En ook de Buckaroos – met Buddy Allan Owens, Jim Shaw, Doyle Curtsinger en Jerry Wiggins – gaven (wij zouden haast zeggen uiteraard) acte de présence. En dus is het op de keper beschouwd ook helemaal niet zo vreemd, dat Rich hier eigenlijk meer als Buck Owens dan als George Jones klinkt. Hij transponeert de hits van die laatste eigenlijk gewoon naar “twangville” Bakersfield. En daar gedijen oorwurmen als “The Race Is On”, “A Girl I Used To Know”, “White Lightning”, “She Thinks I Still Care”, “Love Bug” en een vijftal anderen echt uitstekend. Evenals de vier bonusjes hier overigens. Daarbij blijkt het te gaan om versies van opnieuw “The Race Is On”, “Four-O-Thirty”, “Root Beer” en “Too Much Water”, die de grote Buck Owens zelf ooit opnam voor uitzending tijdens het vermaarde “Hee Haw”. Historisch waardevol materiaal met andere woorden, dat bovendien ook nog eens gewoon heel erg goed is!

Don Rich, Omnivore Recordings

 

SMOKESTACK LIGHTNIN’ “Stolen Friends” (Witchcraft International)

(4****)

Nomen est omen. In het geval van de nieuwe van Smokestack Lightnin’ alleszins toch. Voor die recente worp greep het kwartet uit de buurt van het Duitse Nürnberg immers naar tien graag gehoorde composities van anderen. “Gestolen vrienden” dus… En dat leverde voor ons een heerlijk gevarieerde rootsplaat op. Een echt toppertje in z’n genre! Afgetrapt wordt er met het z’n titel werkelijk alle eer aandoende “Swamp Country” van de ondertussen nagenoeg volledig vergeten rockabillycultfiguur Baker Knight. Broeierig groovy spul van de bovenste plank meteen! Volgende halte is dan een al even bezielde versie van Tony Joe White’s “Groupie Girl”. Voorzichtig twangend trekken Bernie Batke en de zijnen ons daarmee richting het behoorlijk dreigend en op de keper beschouwd zelfs een weinig psychedelisch aanmoedigende rootsrockertje “Wandering Soul”. En dat blijkt op zijn beurt dan weer de voorbode van één van dé topmomenten hier. Met Eddie Angel van Los Straitjackets en de onvolprezen Paul Burch gaat het vervolgens immers deep twangend doorheen het hier onder meer in een uitvoering van Trini Lopez bekende “What Have I Got Of My Own”. Real killer stuff! In een zomers lijzige vertolking van So. Cal.-troubadour Jim Sullivans “U.F.O.” gaat de voet aansluitend even volledig van het gaspedaal. En ook voor het eigenlijk wel behoorlijk sensueel ingevulde “Everglades” – “Geklaut” bij Dale Hawkins! – gaat hij nog niet meteen terug. Wél weer voor de Everly Brothers-hit “Gone Gone Gone”. Want ook dat twangt mede door de inbreng van de heren Angel en Burch weer als de pest. Ingehouden weliswaar nog, maar echt rete-aanstekelijk! En dat geldt zeker ook voor de moordversie van Bobby Darins “Long Line Rider”, die vervolgens aan een heuse rotvaart op ons losgelaten wordt. Een ander uitgesproken hoogtepunt, te situeren ergens tussen alternatieve country, pittige roots rock en moddervette R&B. Resten dan nog: het op hoogst aparte wijze bezwerende “Wondrous Place”, ons voorheen vooral bekend in een uitvoering van Alice Gold, en het psychedelisch-soulvolle, bij 70’s singer-songwriter (Sixto) Rodriguez geleende folkstreepje “Can’t Get Away”. Twee bijzonder lekkere afsluiters voor een al even lekker album!

Smokestack Lightnin’, Witchcraft International

 

JOHAN BORGER “Wild Geese Calling” (Cane Goose Records)

(5*****)

Ik heb in dit nog jonge jaar echt al een heleboel schitterende platen op mijn bord gekregen. Richard Thompson, Rob Lutes, Markus Rill, Amelia Curran, Paal Flaata, Richard Lindgren, Mary Gauthier, Jeff Black, The Delta Saints,… 2013 belooft nu al een zeldzaam goede jaargang te gaan worden! En toch is er voor mij één plaat die nog net dat beetje boven al dat moois uitsteekt. En dat is “Wild Geese Calling”, de tweede van onze jonge noorderbuur Johan Borger. Zijn vorige, het ook al heel fraaie “Sometimes”, nam die Borger nog gewoon in een huiskamer op. Wat meteen ook betekende, dat hij zichzelf met betrekking tot de manier van opnemen toch wel wat belangrijke beperkingen oplegde. En dat wilde hij ditmaal te allen koste vermijden. “Wild Geese Calling” moest en zou een organisch geheel worden. Door alle betrokkenen tegelijk ingespeeld als het even kon. En dat kon! In een laat-negentiende-eeuwse boerderij vond Borger immers precies wat hij nodig had. Daar, quasi verscholen tussen de hooibalen, in gedachten ver weg van de bewoonde wereld, konden de songsmid zelve (diverse gitaren, tamboerijn, Fender Rhodes en harmonica) en z’n begeleiders Mischa Porte (drums en percussie), Rients Kuik (bassen), Jaromir Fernig (pedal steel) en Floris de Vries (banjo en mandoline) gewoon allemaal samen musiceren. Een kwestie van het creëren en vervolgens vangen van een moment, aldus Borger daarover zelve. Die kreeg in “Studio 1883” overigens ook nog wat vocale bijstand uit z’n directe omgeving – Van Mariecke en Jesse Borger met name! – en van gelegenheidskoor “The Humming Birds Boy Choir”. Met z’n allen vonden zij ergens tussen pop, folk en Americana de geknipte niche voor de tien nieuwe liedjes van Borger. Die blijken op de keper beschouwd bijzonder radiovriendelijk. En met name tekstueel valt er ook weer heel wat te beleven. Wat Borger doet zou je eigenlijk zo’n beetje kunnen bestempelen als “growing up in public”. Hij maakt ons deelachtig aan z’n eigen volwassenwording. Soms kijkt hij daartoe achterom, soms put hij uit het hier en nu en zo nu en dan wordt er ook al vooruit gekeken. De eigen jeugd wordt aangedaan, maar evengoed het leven anno nu. Oftewel: onschuld versus het gestage teloorgaan daarvan, het simpelweg plukken van de dag versus het leren begrijpen van een al lang niet meer zo gemakkelijke wereld. Langzaam helende groeipijnen, die hier op veelal eerder weemoedige wijze een plaatsje toegedicht krijgen. Weemoedig, maar hoopvol! Onze favorieten hier? Het op sprankelende gitaartonen tot een ware roots pop beauty uitgroeiende titelnummer, de het stilaan nakende einde van de al genoemde eigen volwassenwording aankondigende trage “Nothing Comes For Free”, de ronduit heerlijke Americana-deun “When The Lightning Strikes”, de prachtballade “Small Town”, het ergens in de buurt van Neil Young strandende “Goodnight My Friend”,… Ach, eigenlijk gewoon het hele nest! “Wild Geese Calling” is één en al top! Internationale klasse gewoon!

Johan Borger

 

JOSH RITTER “The Beast In Its Tracks” (V2)

(4****)

De Josh Ritter van zijn vroege platen is ons door de jaren heen eigenlijk gewoon altijd het liefst geweest. Muzikaal moeilijk doen was er toen hoegenaamd nog niet bij. En precies dat maakte voor ons van albums als “Golden Age Of Radio” en “Hello Starling” de sympathieke pareltjes die het waren. De kracht van de eenvoud ten voeten uit, zeg maar. En het is dan ook met het nodige plezier, dat wij hier vaststellen, dat Ritter op zijn nieuwe studioplaat “The Beast In Its Tracks” teruggrijpt naar precies die aanpak. Op zijn eerste na zijn recente scheiding zijn het opnieuw de eigen stem en liedjes die het volop voor het zeggen hebben. Ze moesten er gewoon uit, aldus Ritter zelve daarover. Ze voelden als “rocks in the shoe, hard little nuggets of whatever they were, be it spite, remorse, or happiness,” liet hij er zich onlangs over ontvallen, “scrawled down, just trying to keep ahead of the heartbreak.” Dertien muzikale hulpmiddeltjes bij het verwerken van de breuk met zijn vrouw dus. En die zijn vrijwel zonder uitzondering bloedmooi van aard. Dingen als “Evil Eye”, “A Certain Light”, single “Joy To You Baby” en vooral ook “New Lover” behoren wat ons betreft zelfs gewoon tot het allerbeste op het repertoire van Ritter tot op heden.

Josh Ritter

 

MADELEINE PEYROUX “The Blue Room” (Decca)

(4****)

Het idee voor haar nieuwe plaat werd top-chanteuse Madeleine Peyroux aangereikt door Larry Klein. De man die haar in 2004 met zijn werk aan het ondertussen meer dan twee miljoen keer verkochte “Careless Love” mee een beslissende zetje richting een internationale doorbraak gaf, drong er bij zijn beschermelinge immers op aan haar licht eens te laten schijnen op het net zijn gouden jubileum gevierd hebbende “The Modern Sounds Of Country And Western Music” van Ray Charles. En zo geschiede ook. Alleen ging Peyroux zelfs nog iets verder dan dat. Ze beperkte zich immers niet enkel tot nummers van dat klassieke Charles-album, maar vertolkte ook een reeks liedjes van anderen, die louter gevoelsmatig perfect daarbij aansloten. Leonard Cohens “Bird On A Wire” bijvoorbeeld, Randy Newmans “Guilty” ook, en “Changing All Those Changes” van Buddy Holly, John Hartfords “Gentle On My Mind” en “Desperadoes Under The Eaves” van Warren Zevon. Die liedjes vertolkte Peyroux met zoveel gevoel, dat ze hier als het ware als lange tijd ontbrekende puzzelstukjes op hun plaats lijken te vallen. Ze vallen alvast absoluut niet uit de toon naast heropgeviste Charles-schoonheden als “Take These Chains From My Heart”, “Bye Bye Love”, “Born To Lose”, “I Can’t Stop Loving You”, “You Don’t Know Me” en “I Love You So Much It Hurts”. Ergens tussen pop, jazz, country en blues vindt Peyroux die liedjes op de haar volstrekt eigen manier quasi terloops gewoon even opnieuw uit. Naast Charles zelve fietsten bij het beluisteren ervan in onze gedachten alvast ook andere legendes als Billie Holiday, Patsy Cline en Edith Piaf voorbij. Très joli allemaal! En als dusdanig uitermate geknipt luistervoer voor in de zogeheten “wee small hours”.

Madeleine Peyroux

 

THE DELTA SAINTS “Death Letter Jubilee” (Dixiefrog / Bertus)

(5*****)

Als er al zoiets als gerechtigheid bestaan zou, dan sluiten deze vijf knapen uit Nashville straks het jaar af als dé revelatie van 2013. Hun derde, na de in Europa tot één album gebundelde EP’s “Pray On” uit 2009 en “A Bird Called Angola” van een goed jaar later, is immers een regelrechte moordplaat geworden. “Death Letter Jubilee” grijpt je als luisteraar gelijk vanaf het heerlijk funky rockend uit de speakers knallende “Liar” stevig bij de ballen. Welk een power gaat er van dit jonge collectiefje uit! Die zang (Ben Ringel)! Dat harmonicaatje (Greg Hommert)! Die gitaar (Dylan Fitch)! Om het met een Amerikaans modewoord samen te vatten: “Awesome!” En dat geldt voor absoluut alles op deze schijf! Van de Delta swamp rock van “Chicago” tot het op catchy wijze uit diverse muzikale vaatjes tegelijk tappende titelnummer, van het al “hollerend” aangeboden “Jezebel” tot het echt als de beesten (roots)rockend net niet uit de bocht gaande “Boogie”, van het ingetogen bluesje “Out To Sea” tot het zenuwachtig aan z’n kettingen snokkende “Sing To Me”, lijflied “Drink It Slow, het aanstekelijke “The Devil’s Creek” en andere. De dertien songs op “Death Letter Jubilee” lieten op ons een haast even verpletterende indruk na als pakweg de eerste platen van de Black Crowes of de Red Devils. En dat, beste vrienden, mogen jullie als een serieuze aanbeveling beschouwen!

The Delta Saints, DixieFrog Records

 

MARKUS RILL & THE TROUBLEMAKERS “My Rocket Ship” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Wat is deze man toch ontzettend goed in wat hij doet! Bij elk nieuw album weer van Würzbürger Markus Rill kan je er niet naast: inzake Euro Americana bestaat er amper wat beters! En de naam van de Duitser op een plaat aantreffen geldt hier dan ook al een poosje als een heuse kwaliteitsgarantie. En toch wist Rill ons ditmaal een weinig te verrassen. Veelzijdiger als op “My Rocket Ship” klonk hij immers nog nooit. Met zijn uit gitarist Felix Leitner, bassist Chris Reiss, drummer Aggi Berger en toetsenist Jan Reinelt bestaande Troublemakers en een handvol muzikale gasten bestrijkt Rill hier zo ongeveer het hele America-spectrum. Swampy stompend gaat het zo bijvoorbeeld van start doorheen “Free To Fly”, rockend treden we vervolgens in de voetsporen van Tom Petty in “Edge Of Nothing”, om aansluitend met “The Facts About My Life” op een eerste vintage-Rill-rustpuntje te stoten. In “Never Come To Know” wijzen de neuzen dan met name door het snarenwerk nadrukkelijk richting de Byrds, titelnummer “My Rocket Ship” is een met dobroklanken besprenkelde wolk van een Americana-trage en in “When The Night Calls” klopt zowaar even een blauwogig soulhart. En dan hadden we het nog niet over de prachtballade “God Believes”, het old-timey “One Fix Or Another”, het voorzichtig Springsteen-esk aandoende “For The Stars”, het ingetogen “In My Bones”, de gruizige rootsrocker “Way Down”, de pure countrydeun “Far Too Long Too Far”, het weemoedige “A Braver Smile” en het afsluitende “The Late Great TVZ”, een ronduit subliem eerbetoon aan het adres van wijlen Townes Van Zandt. Veertien maal volop prijs hier! Kongratuliere, Markus!

Markus Rill, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

GUY FORSYTH “The Freedom To Fail” (Blue Corn Music / Rough Trade)

(3,5****)

Al sinds jaar en dag een graag geziene gast in blues- en rootsmiddens hier te lande, deze Guy Forsyth! Zij het in z’n eentje, dan wel met de Asylum Street Spankers. En die status heeft hij door de jaren heen meer dan verdiend ook! De ondertussen 43 jaar jonge Texaan is immers wat je noemt “a triple threat”: een dijk van een zanger, een al even vaardige songsmid en zeker niet in de laatste plaats ook een echte kanjer van een multi-instrumentalist. En elk van die drie troeven worden door de man op z’n nieuwe ook weer volop uitgespeeld. Een heerlijk gevarieerd potje Americana is dat daardoor geworden! Bij wijze van inleiding is er zo bijvoorbeeld de eigentijds soulvolle gospeldeun “Red Dirt”. Vervolgens gaat het sympathiek rockend doorheen Heartland in “The Hard Way”, slaat “our man Forsyth” aan het “holleren” in “Sink ‘Em Low”, aan het “sliden” ook in de mooie valse trage “The Things That Matter”. Dan knalt hij al (blues)rockend doorheen “Econoline”, zoekt muzikale zigeunermiddens op in het zonderling aanstekelijke “Can’t Stop Dancing” en gaat voor Americana pur met het ingetogen “Balance” en het al even innemende “Thank You For My Hands”. “Played Again” is vervolgens een flinke moot catchy roots pop, “Should Have Been Raining” een portie bluesy sentiment van het betere soort, “Old Time Man” aantrekkelijk gestoei met old-time country en het afsluitende “Home To Me” gewoon een hele mooie rootsy trage tout court. Breedband-Americana zeg maar…

Guy Forsyth

 

HEIDI TALBOT “Angels Without Wings” (Navigator Records)

(4****)

Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker! En dat zeker niet in de laatste plaats door de engelachtige zang van Heidi Talbot zelve. Op haar nieuwe album “Angels Without Wings” – What’s in a name? – kreeg de schone Britse de nodige bijstand van een reeks speciale gasten uit zo diverse genres als folk, pop, rock en bluegrass. We noemen in dat verband onder meer graag samenwerkingen met ex-Dire Straits-kopstuk Mark Knopfler, bluegrass-groten Tim O’Brien en Jerry Douglas, de onvolprezen King Creosote en Karine Polwart. Samen met een handvol anderen helpen zij om de ster van de hier eigenlijk vooral als onderdeel van de Iers-Amerikaanse supergroep Cherish The Ladies bekend staande Talbot nog wat meer aan het schijnen te krijgen. Zanggewijs valt dat nachtegaaltje te situeren ergens in de buurt van Fairground Attraction-frontvrouwe Eddi Reader. Ze klinkt alvast even betoverend en koestert een vergelijkbare voorliefde voor eenvoud en subtiliteit. En precies daarin schuilt naar onze bescheiden mening de grote kracht van veel van haar liedjes. Dingen als het al walsend van een vleugje “lichtstadromantiek” voorziene titelnummer, de ook al heerlijke verhalende eigentijdse folkdeunen “Wine And Roses” en “Dearest Johnny”, het ingehouden sprankelende “New Cajun Waltz”, het voorzichtig met Americana flirtende en met een gitaarbijdrage van de hoger al even genoemde Mark Knopfler en duetzang van Tim O’Brien opgewaardeerde “When The Roses Come Again”, het even breekbare als mooie duo “I’m Not Sorry” en “My Sister The Moon”, het aflsuitende “Arcadia” en andere, je zal ze daardoor keer op keer opnieuw willen beluisteren! Zelfs mensen die normaliter niet zo folk minded zijn!

Heidi Talbot

 

REBECCA LOEBE “Circus Heart” (Continental Coast / CRS)

(4****)

Met haar “Mystery Prize” wist ze ons ondertussen zo’n jaar of twee geleden genadeloos in te pakken. De twaalf liedjes daarop bleken ondertussen echte blijvertjes. En de mooie Rebecca Loebe passeert hier dan ook nog steeds regelmatig de revue. En dezer dagen zelfs nog net iets meer dan in de maanden ervoor. De vanuit Austin actieve zingende liedjesschrijfster heeft met “Circus Heart” immers net weer een nieuwe uit. En ook die staat weer bol van de onmiddellijk aansprekende (folk)popdeuntjes. Negen daarvan blijken van eigen makelij. Het tiende, een even eigenzinnig als catchy “Bad Reputation”, werd geleend bij Joan Jett en haar Blackhearts. Opnieuw een behoorlijk royale dosis “post-brontosaurus, indie folk-crunk” dus, zoals Loebe zelf haar kunstjes graag mag omschrijven. En wat dat dan ook precies moge zijn, het smaakt opnieuw buitengewoon lekker! Iets wat allicht in niet geringe mate ook de verdienste van producer Matt Sever is. Sever, je wellicht beter bekend als Matt The Electrician. Hij was echt wel de geknipte man om Loebe te helpen bij het vereeuwigen van haar frivole pop- en intimistische folkliedjes. “We were a perfect fit,” aldus Loebe zelf over hun eerste samenwerking. En daar moest u zich ook snel zelf maar eens van overtuigen! Met het ingehouden “Darlin’”, het lentefrisse “Circus Heart”, de mooie trage “Mercy”, het naar onze bescheiden mening in een ver gevorderd stadium hitzwangere “Swallowed By The Sea”, het zomers aanstekelijke “High & Lonesome” – Nog zo’n supercatchy deun! – en andere zal Loebe zich in no time ongetwijfeld ook knus tussen uw oren nestelen. Gegarandeerd het begin van iets heel moois! Wedden?

Rebecca Loebe, Continental Record Services

 

RICHARD THOMPSON “Electric” (Proper / Rough Trade)

(5*****)

De namen van Richard Thompson en Buddy Miller gelden hier ten huize beide al een hele poos als kwaliteitsgaranties op zich. En je zal je dan ook wel kunnen voorstellen, dat het feit die van Miller aan te treffen als producent op de nieuwe van Thompson hier op enkele spontane vreugdedansjes onthaald werd. Wat ons betreft: the stuff that dreams are made of! En het eerste nummer bewijst meteen ook al ons grote gelijk. Het indringende “Stony Ground” draagt immers duidelijk het stempel van Miller, zonder daartoe evenwel ingrijpend te moeten raken aan de legendarische eigenheid van Thompson. Met name diens markante stem en wervelende gitaarspel zijn het immers die de opener meteen naar ijzingwekkende hoogten stuwen. En dus zijn de verwachtingen vervolgens alleen nog maar wat meer hooggespannen. Maar geen nood! Thompson, bassisten Taras Prodaniuk en Dennis Crouch, drummer Michael Jerome, fiddler Stuart Duncan en de ondertussen al meermaals genoemde Miller op gitaar lossen ze quasi spelenderwijze meer dan alleen maar in! En dan hadden we het nog niet over de gezongen bijdragen van bluegrass-nachtegaaltje Alison Krauss en ex-River City People-frontvrouwe Siobhan Maher Kennedy. Enkele bijkomende kersen op een zo al royaal versierde taart! Vooral Krauss is weer echt goddelijk in de fraaie ballade “The Snow Goose”. Samen met een andere trage, het bluesy intimistische “Salford Sunday”, het door Thompson zelf als folk-funk omschreven “Stuck On The Treadmill”, het soulvolle “My Enemy” en het radiogenieke “Good Things Happen To Bad People” één van de vele hoogtepunten op het z’n titel allesbehalve gestolen hebbende “Electric”. U koopt daarvan overigens best de deluxe-uitvoering met z’n zeven extra tracks tellende bonus-cd. Ook nummers als het countryesk swingende “Will You Dance, Charlie Boy”, de bekoorlijke Americana-ballade “I Found A Stray”, de onheilspellende folkpopescapade “The Rival”, het een weinig naar old-time stringband music neigende “The Tic-Tac Man” en andere wil u immers absoluut niet missen! Na “Dream Attic” van nu goed en wel twee jaar geleden opnieuw een echte dijk van een Thompson-plaat! Warm aanbevolen!

Richard Thompson, Proper Music

 

DIFTONG “Holy Bones” (Diftong)

(3,5****)

Never judge a book by its cover! Je weet best dat het niet hoort en toch doe je het onbewust steeds opnieuw… Zo gingen wij onlangs eerst nog gewoon achteloos voorbij aan “Holy Bones” van de ons tot hiertoe volslagen onbekende Nederlander Diftong. Op basis van diens naam meenden we het immers met de één of andere hip-hop-act van doen te hebben. En het al bij al eerder futuristisch aandoende hoesje van ’s mans derde solo-cd was al evenmin van die aard, dat we er zomaar uit eigen beweging een (knappe) Americana-plaat gingen achter zoeken. En toch is het precies dat wat Hans Willers, zeg maar Diftong dus, ons hier presenteert: een bekoorlijke, liefst tien nummers lange verkenning van de schemerzone tussen folk en country. Daarvoor liet hij zich bijstaan door multi-instrumentalist Alex Akela (viool, mandoline, dobro, diverse gitaren en accordeon), “Berliner” Budi (staande bas en drums), Jeewee Donkers (dobro, lap steel en zang) en Monique Vermeer (zang). Samen met dat viertal transporteert Willers hier de eigen poëtische overpeinzingen naar doorgaans erg mooie, veelal eerder ingetogen Americana-deunen, die heel wat buitenlandse spitsbroeders spontaan het nodige schaamrood op de wangen zouden bezorgen. We noemen als blijvertjes in dat verband bijvoorbeeld het door Alex Akela met een wel erg lekkere accordeonbijdrage opgewaardeerde openingsnummer “Bitter As Bile”, het intimistisch-melodieuze “Red Rose & White Knight”, het tegen een sympathieke banjolijn aanhikkende “The Great Mystery” en het z’n titel op aanstekelijke wijze de nodige eer bewijzende “Fisherman’s Blues”. Hoe dan ook een serieuze ontdekking, deze grofgevooisde Nederlandse bard!

Diftong

 

AMANDA PEARCY “Royal Street” (Amanda Pearcy)

(4****)

Ik stond net op het punt om haar op basis van het op haar nieuwe cd gebodene tot nieuwkomer van de maand te bombarderen, toen ik er achter kwam, dat “Royal Street” eigenlijk al de tweede van Amanda Pearcy is. Voorganger “Waiting On Sunday” uit 2009 was me dus klaarblijkelijk gewoon ontgaan. Iets wat me gezien het alsmaar groter wordende Americana-aanbod dezer dagen overigens helaas steeds meer gebeurt. Maar goed, dat haal ik wel in! En ondertussen buigen we ons samen gewoon over Pearcy’s nieuwe cd. Want dat, beste vrienden, is een echt plaatje van een plaat! Americana op z’n origineelst! “Royal Street” staat echt vol van de liedjes die je al na één enkele beluistering probleemloos met Amanda Pearcy zal blijven associëren. Op een wat vreemde manier werkt wat de Texaanse doet immers heel erg herkenbaar. En het klinkt alleszins anders dan de meeste anderen. Mede door haar enigszins aparte voordracht. Die herinnerde me beurtelings een weinig aan Katy Moffatt en aan Margot Timmins van de Cowboy Junkies. En soms zelfs aan beide dames tegelijk. Pearcy klinkt passioneel dus. Sensueel zelfs. En dat doet haar songs goed. Daarin speelt de liefde immers geregeld een behoorlijk prominente rol. “L’amour” in tal van z’n vele gedaanten, maar ook de eigen thuishaven, vriendschappen en het collectieve menselijke geheugen. Twaalf liedjes hangt Pearcy aan deze en andere thema’s op. De resterende twee zijn een beklijvende, zo goed als compleet onthaaste Americana-cover van “No Expectations” van de Stones en een lezing van de meestal aan Mississippi Fred McDowell gelinkte spiritual “Wish I’s In Heave Settin’ Down”, compleet inclusief de karakteristieke kraakgeluidjes van een flink door de tand des tijds aangevreten stukje vinyl. Ik onthield van dat alles vooral de prachtballades “Bring You Home” en “Royal Street”, het muzikaal gezien een weinig richting Mexico lonkende “Barking Dogs”, het net wat vlotter dan het gros van de rest hier aandoende “The Story Of My Heart”, de rootsy countrydeun “Unbind” en het met Jon Byrd gebrachte, sfeervolle walsje “Lackin’ In Nothin’”. Deze en andere deunen zorgden er ondertussen al voor, dat Pearcy terecht heel erg hoog in de Euro Americana Chart van deze maand debuteerde. Enkel Rob Lutes blijft haar daarin nog voor. En dat zegt best wel iets over de kwaliteit van het door de onder meer van zijn werk met Walt Wilkins bekende Tim Lorsch geproduceerde “Royal Street”…

Amanda Pearcy

 

RICHARD LINDGREN “Grace” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Dat deze man vooralsnog niet op grote schaal wist door te breken – compleet onbegrijpelijk! Andere woorden vind ik er niet voor… De Zweed Richard Lindgren is immers een echte woordgeweldenaar. Een singer-songwriter hors catégorie! Een songwriters’ songwriter, zegt men dan wel eens. En in het geval van Lindgren klopt dat alvast ten dele. Met collega Mary Gauthier heeft de beste man alvast één bekende fan om die uitspraak aan te toetsen. Maar dan wel een hele grote! En tot dat selecte clubje van hondstrouwe volgelingen, waartoe Gauthier behoort, reken ik mijzelf ondertussen ook. Na het heerlijke “A Man You Can Hate” uit 2008 en het al even sublieme verzameldoosje “Memento” heeft Lindgren hier hoegenaamd niets meer te bewijzen. Voor mij is hij ontegensprekelijk één van de allerbeste liedjesschrijvers van het laatste decennium. En dat onderlijnt z’n nieuwe, het onlangs verschenen “Grace”, alleen nog maar meer. Een vrolijke plaat is dat allerminst geworden. In de elf nummers erop verwerkt Lindgren immers publiekelijk een verlies. Dat wordt meteen al in het Waits-iaanse, tegen een sfeervol dronkemanspianootje aanleunende openingsnummer duidelijk. “Reconsider Me” luidt daarin gelijk de behoorlijke wanhopige hamvraag. En ook in heel wat van de volgende nummers resideert Lindgren in wat hij zelf in één van de mooiste liedjes hier de “Hopeless Side Of Town” noemt. Hij heeft onlangs rake klappen gekregen, zoveel is wel duidelijk. En zoals zo vaak resulteert dat op “Grace” in de allerfraaiste muziekjes. Van het bedrieglijk opgewekt aanmoedigende akoestische bluesje “I Came, I Went, But I Don’t Know Where I’m Going Now” tot het loom rockende “She’s Already Gone”, van de uit pure wanhoop opgetrokken Americana-ballade “If Only She Came Walking By” tot het atmosferische “Sunday Tea Blues”, van de met heerlijk ingetogen koperwerk opgewaardeerde trage “Silver” tot het met een snuif mariachi gekruide “A Slow Walk Of Dreams” of het afsluitende “New Year’s Eve 2009” en andere, een songelftal voorbestemd tot een lang, lang leven ten huize Metten! Is werkelijk bloedmooi allemaal!

Richard Lindgren, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

AD VAN MEURS “En Soms” (Interlokaal / Continental Record Services)

(3,5****)

Na JW Roy en BJ Baartmans opnieuw een door ons heel erg gewaardeerde Americana-Nederlander in z’n eigen taal! Ditmaal is het de beurt aan Ad van Meurs, je wellicht beter bekend als The Watchman, om die gewoonlijk als heel erg gewaagd beschouwde stap te zetten. En hij doet dat met ongemeen veel brio! Het lijkt wel alsof hij nooit wat anders gedaan heeft, zo natuurlijk komt wat hij op “En Soms” brengt over. Hij speelt echt met het Brabants en puurt er bij voortduring de allermooiste kleinoden uit. Van het gekund op de eigen jonge jaren terugblikkende bluesy rockertje “Easy Riders Van De Peel” tot het verontrust ingetogen tot meer voorzichtigheid aanmanende folkpopkleinood “Ga Niet Te Ver In Zee”, van het behoorlijk maatschappijkritische titelnummer tot de zich volop in de liefde en het leven wentelende Americana-parel “Aan De Rand Van Het Bos”, van het licht funky “Dronken In De Tijd” tot het verstild naar die paar nog resterende echt belangrijke dingen des levens op zoek gaande “Terug Naar De Hei” en andere, van Meurs weet hier aan zo ongeveer elk zich op zijn weg aandienend onderwerp wel een mooi liedje te ontvreemden. En veel meer nog dan in het Engels weten die je als luisteraar in het Nederlands bijna onmiddellijk echt te raken. Je gaat gemakkelijk mee in ’s mans beelden en associaties, je herkent. En zoiets schept natuurlijk een band. Wat ons betreft snel graag meer van dat dan ook! (En deze recensie mag je by the way ook beschouwen als een open invitatie gericht aan de programmatoren van alle culturele podia hier te lande om van Meurs snel voor een optreden te boeken. Bewonderende blikken gegarandeerd!)

Ad van Meurs, Continental Record Services

 

DIVERSE ARTIESTEN “Trouble In The Fields, An Artists’ Tribute To Nanci Griffith” (Paradiddle Records)

(4,5*****)

Nanci Griffith een rolmodel voor veel jongere collega’s noemen is ons inziens amper overdrijven. Haar invloed als zingende Americana- en folkliedjesschrijfster valt immers nauwelijks te overschatten. Al ruim vijfendertig jaar lang trekt ze een spoor van prachtliedjes achter zich. En veel van die kleinoden duiken nu op “Trouble In The Fields” in de versie van anderen op. Met z’n allen leveren zij een geslaagde “tip of the hat” aan het adres van Griffith af. Sommigen als een soort van bedankje voor de eer die onze protagoniste van dienst hen zelf ook ooit bewees door een nummer van hen op te nemen. Tom Russell brengt zo bijvoorbeeld een betoverende versie van “If I Were A Child”, Jerry Jeff Walker doet hetzelfde met “Talk To Me While I’m Listening”, John Stewart gaat voor een “fluistercover” van het ondertussen klassieke “Last Of The True Believers” en Julie Gold probeert van “Anyone Can Be Somebody’s Fool” een even betoverende uitvoering te brengen als Griffith eerder van haar “From A Distance”. Voor ons meteen één van dé absolute hoogtepunten hier, dat laatste liedje. Andere memorabele songbijdragen zijn er onder meer nog van Stacy Earle & Mark Stuart, die echt schitteren in “Love At The Five And Dime”, Sara Hickman met een buitengewoon radiovriendelijke rootspopbenadering van “Listen To The Radio”, Caroline Doctorow in een het origineel van Griffith voorzichtig naar de kroon stekende lezing van “Trouble In The Fields”, de Kennedys met een leuke folkrock-kijk op “I’m Not Drivin’ These Wheels” en Tracy Grammer en haar nieuwe duetpartner Jim Henry met een echt door merg en been gaand “Gulf Coast Highway”. En dan vergaten we nog bijna Carolyn Hester met “I Don’t Wanna Talk About Love”, de dames van Red Molly met “Lookin’ For The Time”, de nog piepjonge, door Griffith zelve “the sweetest voice in England” genoemde Britse Edwina Hayes met “It’s A Hard Life Wherever You Go”, Amy Rigby met “The Flyer” en Eric Brace en z’n groep Last Train Home voor de gelegenheid aangevuld met Alice Despard voor “I Wish It Would Rain”. Ruim veertien nummers lang is het hier volop genieten geblazen! Je hoort echt wel, dat het hier voor alle betrokkenen om een heus “labor of love” ging. En dat alle daarmee gegenereerde inkomsten ook nog eens naar een goed doel blijken te gaan, dat maakt het allemaal alleen nog maar mooier. Al fijnproevend zorgen we zo met z’n allen immers voor de nodige fondsen voor de MAG, oftewel de Mines Advisory Group, een internationale non-profit-organisatie die zich ontfermt over slachtoffers van landmijnen en aanverwanten.

Paradiddle Records, CD Baby

 

BUCK OWENS “Honky Tonk Man: Buck Sings Country Classics” (Omnivore Recordings / EMI)

(4****)

Aan Buck Owens-verzamelingen ondertussen hoegenaamd geen gebrek. Sinds ’s mans dood in het voorjaar van 2006 verschenen er al aardig wat. En helaas lang niet allemaal even hoogstaand van kwaliteit. Om nog maar te zwijgen over het aantal overlappingen erop. Het leek wel, alsof er van Buck Owens überhaupt geen exclusief materiaal meer bestond. Tot nu, that is! Wat het Omnivore-label ons hier serveert zijn immers liefst achttien niet eerder op plaat verschenen Owens-vertolkingen. Covers, oorspronkelijk enkel en alleen bedoeld voor gebruik in de Amerikaanse tv-show “Hee Haw”. Zo goed als allemaal ingespeeld met The Buckaroos. En dat ergens tussen 1972 en 1975. Vertolkt wordt er materiaal van Johnny Horton (“Honky Tonk Man”), Merle Haggard (“Swinging Doors”), Hank Williams (“Hey, Good Lookin’”, “My Bucket’s Got A Hole In It” en “Jambalaya (On The Bayou)”), Waylon Jennings (“Only Daddy That’ll Walk That Line”), Ray Price (“My Shoes Keep Walking Back To You”), Bob Wills (“Stay A Little Longer”), Faron Young (“Live Fast, Love Hard, Die Young”), Stonewall Jackson (“I Washed My Hands In Muddy Water” en “Waterloo”), Jack Guthrie (“Oklahoma Hills”), Jimmie Rodgers (“In The Jailhouse Now”), Charley Pride (“Is Anybody Goin’ To San Antone”), Webb Pierce (“I’m Walking The Dog”), Hank Snow (“I’m Moving On”), Warner Mack (“The Bridge Washed Out”) en Johnny Russell (“Rednecks, White Socks And Blue Beer”). Hier gaan stellen, dat Owens die nummers allemaal beter zou brengen dan hun oorspronkelijke vertolkers, zou schromelijk overdrijven betekenen. Dat is immers zeker niet het geval. Wat we echter wel mogen concluderen, is dat hij ze zich op hoogst aanstekelijke wijze weet toe te eigenen. Je hoort hier een reeks onvervalste klassiekers, dat wel, maar je hoort evengoed Buck Owens. Of wat ruimer genomen zelfs: onvervalste Bakersfield twang! En wij kennen eerlijk gezegd dan ook niet één liefhebber van nog op de traditionele leest geschoeide country, die hier niet met het nodige plezier aan zal willen. Onverwacht lekker!

Buck Owens, Omnivore Recordings

 

DICK VAN ALTENA “Flowers From The Moon” (Interlokaal / Continental Record Services)

(3,5****)

Het liefst van al mogen wij Dick van Altena bezig horen in z’n eigen Overbetuwse dialect, maar dat neemt absoluut niet weg, dat er ook van ’s mans nieuwe, volledig Engelstalige cd weer volop genoten kan worden. Twaalf nummers lang illustreert het ex-Major Dundee-kopstuk daarop immers weer, waarom hij en niemand anders de titel van mooiste countrystem van Nederland verdient. Negen daarvan zijn eigen composities, voor de overige drie ging de Oosterhoutenaar in de leen bij Don Williams (“Some Broken Hearts Never Mend”), Cowboy Jack Clement (“I Guess Things Happen That Way”) en Jim Reeves (“Distant Drums”). En die nummers geven eigenlijk al een beetje aan, welke richting het hier uitgaat. Net als Williams en Reeves moet ook van Altena het immers vooral hebben van zijn ongemeen warmbloedige voordracht. En net als die heren weet ook hij zijn materiaal prima daarop af te stemmen, waardoor dingen als het in duet met Hilde Vos gebrachte “I Guess Things Happen That Way”, de knappe ballades “Juanita” en “All My Love”, het bedaard countryrockende “Foolish Heart”, de tranentrekker “The Bottom Of The Bottle”, het van een fijn streepje mondharmonica voorziene titelnummer en andere bijna als vanzelfsprekend uitgroeien tot hoogst aangenaam laatavond-countryluistervoer. En daarvoor laten we hier op de valreep graag ook nog even een pluim uitgaan naar begeleiders Joost van Es (fiddle), Patrick van Gerven (gitaren en dobro) en Johan Jansen (pedal steel), die met hun voortdurend verzorgde “spel ten dienste van het liedje” zorgen voor een geknipte muzikale voedingsbodem.

Dick van Altena, Continental Record Services

 

PAAL FLAATA “Wait By The Fire: Songs Of Chip Taylor” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Er zijn zo van die dingen die wel voor elkaar gemaakt lijken. Je weet wel, die van het potje en het dekseltje… En precies in die richting dwaalden onze gedachten af bij onze eerste beluistering van “Wait By The Fire”, de nieuwe soloplaat van Midnight Choir-kopstuk Paal Flaata. Daarop brengt de Noor op werkelijk onnavolgbare wijze tien nummers van songsmid Chip Taylor. En ja, die lijken echt wel gemaakt voor die grootse stem van ‘m. Ronduit magistraal, hoe hij zich dingen als “Angel Of The Morning”, “I Can Make It With You”, “Wait By The Fire” en andere toe-eigent. Met de nodige pathos, een weinig duister ook wel en veelal niet gespeend van een zekere tristesse. Je gaat als luisteraar onwillekeurig aan groten der aarde als een Leonard Cohen, een Nick Cave en een Mickey Newbury denken. Qua intensiteit steekt Flaata die heren hier alleszins probleemloos naar de kroon. Geen wonder dan ook, dat Chip Taylor zo geweldig content bleek met het door hem afgeleverde. Onze lievelingsmomenten: het heerlijk soulvolle “If I Stop Loving You”, een Orbison-eske lezing van “I Can Make It With You”, het tot een werkelijk bloedmooie pianoballade omgetoverde “Angel Of The Morning” en vooral ook het afsluitende “This Dark Day”. Dat laatste nummer schreef Taylor heel erg kort op de bal spelend naar aanleiding van de dramatische gebeurtenissen op het eiland Utøya nu goed anderhalf jaar geleden. Flaata en producer Gøran Grini (piano en harmonium) tekenen hier en nu voor de definitieve versie ervan. Zo mooi, dat het haast pijnlijk wordt! En als dusdanig opnieuw een plaat, die je straks naar alle waarschijnlijkheid ergens hoog in onze jaarlijst over 2013 mag verwachten. We worden dezer dagen echt wel flink verwend…

Paal Flaata, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

AMELIA CURRAN “Spectators” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Welk een buitengewoon fijne plaat alweer, deze derde van de nog piepjonge Canadese Amelia Curran. Deden voorgangers “War Brides” uit 2008 en “Hunter Hunter” van een goed jaar later ons hart al wat sneller voor haar slaan, dan gingen we ditmaal echt wel compleet overstag. Gelijk van bij het op lijzig rockende gitaren geënte openingsnummer “Years” greep schone Curran ons op “Spectators” bij ons nekvel, om ons vervolgens pas negen nummers later weer terug los te laten. Het op een batterij verstild agerende blazers leunende en ons best wel wat aan Lucinda Williams en Mary Gauthier herinnerende “What Will You Be Building”, het atmosferische “The Great Escape”, de catchy rootspopdeun “Blackbird On Fire” en de met Suzie Ungerleider (Oh Susanna) gebrachte Americana beauty “Strangers” zijn er daarvan slechts enkele. Met nummers als dat viertal toont Curran hier zo ongeveer alles in huis te hebben om het ooit op grote schaal te gaan maken: ze heeft een prachtige stem, speelt een alleraardigst potje akoestische gitaar en schrijft bovenal veritabele heerlijkheden van songs. Kan wat ons betreft zó in het rijtje Williams-Gauthier-Gilkyson-Kaplansky!

Amelia Curran, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

CARRIE RODRIGUEZ “Give Me All You Got” (Ninth Street Opus / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Voor de het hoesje van haar ondertussen toch ook alweer vijfde soloplaat sierende foto nam de bevallige Carrie Rodriguez een behoorlijk uitdagende pose aan. En die onderstreept het an sich al veelzeggende “Give Me All You Got” uit de titel daarvan eigenlijk alleen nog maar wat meer. Bijzonder zelfverzekerd troont de dochter van singer-songwriter David Rodriguez en voormalige duetpartner van Chip Taylor ons ditmaal haar eigen muzikale leefwereld binnen. In een productie van de je onder meer ook van z’n werk met Kelly Joe Phelps en Loudon Wainwright bekende Lee Townsend serveert ze elf nieuwe liedjes. Daaronder eigen nieuwe songs als de speels vingerknippend voorbij glijdende rootspopdeun “Lake Harriet” en het ons met name sfeergewijs wel een weinig aan iets van Norah Jones herinnerende “Whiskey Runs Thicker Than Blood”, wat co-writes met haar mentor Chip Taylor en haar gitarist Luke Jacobs en wat nummers van diezelfde Taylor en haar eerdere duetpartner Ben Kyle. Liedjes, waarin Rodriguez niet enkel een ruim palet aan min of meer diepe gevoelens verkent, maar ook behoorlijk wat muzikale wateren doorzwemt. Openingsnummer “Devil In Mind” blijkt zo funky grootstads-Americana, “Sad Joy” een ingetogen rootsrockertje, “I Cry For Love” atmosferisch spul, soundgewijs strandend ergens tussen Buddy Miller en Daniel Lanois, “Get Back In Love” nog zo’n streepje – Zwaar op de lap steel van Luke Jacobs leunende! – breedband-Americana, “Tragic”, net als “Brooklyn”, singer-songwriterpop tout court en het afsluitende “I Don’t Mind Waiting” eindelijk ook nog eens even (pure) country. Kleine meisjes worden duidelijk groot…

Carrie Rodriguez, Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home