CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

SMUTFISH “Trouble” - STEVE EARLE & THE DUKES “Terraplane” - THE WHISKEY GENTRY “Live From Georgia” - TINY LEGS TIM “Stepping Up” - JOHNNY DOWD “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” - NDROMEDA “Into The Lazy Eye” - NICK EDWARD HARRIS “The Tall Trees” - OWL COUNTRY “Owl Country” - ASLEEP AT THE WHEEL “Still The King” - IAN SIEGAL “One Night In Amsterdam” - MYLES MANLEY “More Songs” - DAVID CORLEY “Available Light” - RODNEY RICE “Empty Pockets And A Troubled Mind” - POINT QUIET “Ways And Needs Of A Night Horse” - DAYNA KURTZ “Rise And Fall” - CHUCK PYLE “Cover Stories” - MADISON VIOLET “Year Of The Horse” - SARAH MCQUAID “Walking Into White” - CAMERON BLAKE “Alone On The World Stage” - 6 STRING DRAG “Roots Rock ‘N’ Roll” - HER & KINGS COUNTY “Raise A Little Hell” - BIBER HERRMANN “Grounded” - ALLISON MOORER “Down To Believing” - VANESSA PETERS “With The Sentimentals” - MATT WATTS “Songs From A Window” - THE PORTER DRAW “The Porter Draw” - RAINA ROSE - REBECCA LOEBE - SMOKEY & THE MIRROR “Three Nights Live” - HAT CHECK GIRL “At 2 In The Morning” - MARY’S LITTLE LAMB “Fortune & Chance” - AWNA TEIXEIRA “Wild One” - RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “Tombstone” - DERROLL ADAMS “Banjo Troubadour, A Live Recording” - DANNY SANTOS Y ¡LOS BLUEGRASS VATOS! “Hogtied” - JIM ED BROWN “In Style Again” - DIFTONG “The Rocket Swing” - ERIN HARPE & THE DELTA SWINGERS “Love Whip Blues” - THE BABOONS “Uptown And Back Again”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

SMUTFISH “Trouble” (Excelsior Recordings / V2)

(5*****)

Het was ergens medio 2004, geloof ik, dat we door de toen nog eigenaar van de ondertussen ter ziele gegane muziekhandel Plato in Den Haag attent werden gemaakt op “een speciaal groepje”. Smutfish was de naam. En “Lawnmower Mind” hun ook nu nog heel erg door ons gesmaakte debuutplaat. Datzelfde bandje onder aanvoering van beeldend kunstenaar-singer-songwriter Melle de Boer dook later nóg tweemaal op voor respectievelijk “The Fish That Couldn’t Swim” en “Through A Slightly Open Door”, alvorens er werd besloten tot een naamsverandering. Als de John Dear Mowing Club ging het vanaf dan verder, met in 2007 opnieuw een album en wat later een tournee doorheen Europa als voorprogramma voor de zielsverwante songsmid Daniel Johnston. En dan werd het allemaal flink wat stiller rond de Boer en co.

Tot nu, that is! Want even plots als gebruikelijk was daar enkele weken geleden ineens de aankondiging, dat we eind februari met “Trouble” een nieuw album zouden voorgeschoteld krijgen van… Smutfish! Opnieuw Smutfish dus! Met twaalf nieuwe, zonder uitzondering weer door Melle de Boer gepende songs, gebracht in een productie van de gerenommeerde Frans Hagenaars en indien gewenst vergezeld door een boekwerkje (“Melleville II”), waarin die liedjes in een reeks tekeningen van hun maker als het ware echt tot leven komen. Met nu alvast ook de belofte, dat we die ook tijdens de voor binnenkort op stapel staande optredens uitgebreid te zien zullen gaan krijgen.

Maar hier en nu concentreren we ons samen eerst gewoon nog even op de muziek. En die is naar goede gewoonte weer van ronduit sublieme makelij. Twaalf nummers lang is het weer zoeken geblazen naar een geschikte vlag voor deze lading om vervolgens twaalf nummers later ook opnieuw vast te moeten stellen, dat wat de Boer (zang en gitaar), Dick Zuilhof (gitaar), Janneke Nijhuijs (bas en zang) en Sean de Vries (drums) doen eigenlijk gewoon volstrekt uniek is. Akkoord, de term alternatieve country of americana mag hier best wel voor van stal, maar echt helemaal dekken doet hij het gebrachte hoe dan ook niet. Daarvoor duiken in de loop van het verhaal wat al te veel vreemde elementen op.

Voor het elegische titelnummer, waarmee de plaat ook wordt afgetrapt, volstaat die omschrijving net wel nog. Dat is gewoon hoogst eigenzinnige Americana. Met een even aparte als beeldrijke tekst als één van z’n voornaamste troeven. En ook voor het meteen daaropvolgende, met wat heerlijk koperblaaswerk opgewaardeerde “A Face Only A Mother Could Love” kunnen we ons nog wel vinden in de term alternatieve country. Deed ons bij momenten een beetje denken aan de classic “Will The Circle Be Unbroken”, dat nummer, dat op de keper beschouwd ook wel iets gospelesks over zich lijkt te hebben.

“Running Downhill” is vervolgens dan weer een pakkende ballade met heel erg knappe vocale ondersteuning van Janneke Nijhuijs, “Golden Hands” solliciteert wat ons betreft nadrukkelijk naar een omschrijving als “country soul op z’n Hollands” en voor “Silver Rabbit” hadden we de omschrijving bevreemdende “moody” rootsrock in het achterhoofd.

Het verhalend sterke, ook al heel erg soulvolle “Angel” situeerden we gelijk al vanaf onze eerste beluistering ervan zonder al teveel nadenken zomaar in de buurt van Leonard Cohens “Hallelujah”, in “Paradise Man” meenden we voorwaar zelfs even iets van een blues touch te mogen ontwaren en “Melleville Park” was door onze bril gezien sympathiek uitgewerkte rammel-rootsrock van het betere soort. Zo’n beetje de antipool van het opnieuw met Nijhuijs gebrachte verstilde luisterliedje “Gving Names To All The Leaves”, dat laatste.

Al tokkelend op de banjo belanden we daarna zo ongeveer in de laatste rechte lijn van het album met de wel heel erg passioneel gebrachte, klaaglijke en wat old-timey aandoende alt.-country van “Heart”, alvorens er ook effectief afgesloten wordt met de sfeervolle, zacht walsende ballade “Be A River” en de extreem catchy, over zo’n markant stokoud Cash-ritme neergelegde countrydeun “I See Myself In Every One’s Eye”.

Voor albums als dit werd ooit de term “moordplaat” uitgevonden! Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen…

Smutfish, Excelsior Recordings

 

STEVE EARLE & THE DUKES “Terraplane” (New West Records / Warner Music)

(4****)

Of hij na z’n recente breuk met de goddelijke Allison Moorer ook effectief de blues heeft, daar hebben we met z’n allen maar het raden naar, maar er zich volledig aan overgeven doet Steve Earle op z’n nieuwe worp “Terraplane” alleszins wel. En da’s toch wel opmerkelijk te noemen voor iemand die zelf ooit nog openlijk toegaf daar niet zo’n kei in te zijn. En voor iemand die je bovendien ook een serieuze ervaringsdeskundige inzake echtscheidingen noemen mag. Hoe je een vrouw moet vinden, kan hij je vertellen als de besten, maar hoe je ze daarna ook effectief kan houden, da’s duidelijk een ander paar mouwen… Het einde aan z’n relatie met Moorer betekende voor Earle gelijk ook het einde van z’n zevende huwelijk.

En dan gaan de mensen over je praten natuurlijk… Ze gaan beweren, dat je het er allemaal niet zo nauw mee neemt en zo. Maar in een recent interview gaf Earle zelf te kennen, dat deze scheiding anders was dan alle voorgaande. Dit laatste huwelijk was om te beginnen al onder een veel beter gesternte aangevat dan elk van z’n voorgangers. En met Moorer was hij ook veel langer samen geweest. Meer dan acht jaar om precies te zijn. En er is natuurlijk ook nog hun gemeenschappelijke zoon John Henry. Voor het eerst had Earle gedacht, dat z’n echtelijke broodje nu wel definitief gebakken was. Maar niet dus…

En dan blijkt zo’n bluesplaat plots niet langer meer een gek idee natuurlijk. Dan valt het immers wel te begrijpen, waarom je – En al zeker als Texaan! – je toevlucht zoekt tot een vintage potje muzikale leedverwerking. Al beperkt Earle zich zeker niet alleen daartoe op het naar een in de jaren dertig populair model van wagenfabrikant Hudson vernoemde “Terraplane”. Akkoord, nogal wat nummers verwijzen duidelijk naar z’n afscheid van Moorer, maar ook andere topics komen in z’n teksten meermaals aan bod. Luister bijvoorbeeld al maar eens naar het grimmige, een deal met de duivel bezegelende “The Tennessee Kid” en je zal ons wellicht meteen in die vaststelling volgen.

Elders, zoals in het schokschouderend openhartige “You’re The Best Lover That I Ever Had”, waart de geest van Moorer duidelijk wel nog doorheen Earle’s wezen rond. En je vraagt je als luisteraar dan ook af, hoe zij zich moet voelen bij het horen van dat liedje. Zou ze het als een compliment ervaren? Of net niet? Het voelt allemaal nogal vreemd aan…

Zeker omdat elders bij momenten een totaal andere wind doorheen “Terraplane” lijkt te waaien. Of wat te denken van dingen als het op bedaarde wijze z’n herwonnen vrijheid bejubelende “Ain’t Nobody’s Daddy Now”, het wel heel erg passioneel neergelegde “Better Off Alone” of de rockende, wat met het merendeel van de rest van de liedjes hier brekende “kiss-off” “Go Go Boots Are Back Again”. Wat ons betreft meteen ook één van de beste songs op “Terraplane”, dat laatste nummer.

Vonden we verder ook nog heel knap: het dartel als een jong veulen tussen Bo Diddley, de blues en bluegrass ronddansende “Acquainted With The Wind”, het als een jazzy aandoend duetje met Eleanor Whitmore van The Mastersons ten gehore gebrachte “Baby’s Just As Mean To Me”, het lang niet enkel tekstueel gezien als eerder klassiek bluesspul te bestempelen “Gamblin’ Blues” en het de feestelijkheden met een dreigende rockende noot afsluitende “King Of The Blues”.

Voor de productie van “Terraplane” tekende “ouwe getrouwe” R.S. Field. En hij zag, dat het al bij al weer maar eens goed was…

Steve Earle, New West Records

 

THE WHISKEY GENTRY “Live From Georgia” (Goose Creek Music)

(4****)

Die van het Amerikaanse countrygezelschap The Whiskey Gentry breien met “Live From Georgia” een logisch vervolgstuk aan hun twee sedert het najaar van 2011 verschenen en ondertussen ook reeds redelijk succesvol gebleken studioplaten “Please Make Welcome” en “Holly Grove”. Logisch in die zin, dat de vanuit Atlanta actieve groep gevormd rond echtelieden Lauren Staley en Jason Morrow een werkelijk uitstekende live-reputatie geniet. En mocht u zich nog afrvragen waarom dat zo is, dan vindt u hier het antwoord op uw vraag. Veertien nummers en ruim eenenvijftig minuten lang spelen Staley, Morrow en co hier namelijk de pannen van het dak. En het betreft daarbij opnames gemaakt tijdens twee optredens medio augustus 2013 in respectievelijk The Georgia Theatre in Athens en Center Stage in Atlanta.

Goed voor een vliegende start blijkt daarbij het bij “good old” Bill Monroe geleende en van flink wat peper in de reet voorziene “White House Blues”. Vervolgens gaat het in één ruk al countryrockend richting “Dixie” en de lekker melodieuze Americana van “Dime Short Of A Dollar Bill”. Aan het repertoire van de New Grass Revival wordt aansluitend daarop het wervelende “Colly Davis” ontvreemd, alvorens men het even wat rustiger aan gaat doen met de ons een heel klein beetje aan Dolly Parton herinnerende “valse trage” “Holly Grove”, het titelnummer van het tweede album van de groep uit 2013.

“Guitars, Whiskey, Guns & Knives” belooft titelgewijs flink wat spannends en weet die belofte middels een catchy streep met wat rock besprenkelde bluegrass ook geheel en al in te lossen. In de ballad “Particles” mag Staley vervolgens nog eens alle vocale registers opentrekken, “Oh Me” staat op zijn beurt dan weer garant voor enkele ogenblikken aantrekkelijk old-timey countryplezier en “One Night In New York” rockt er al twangend lekker een eindje op los.

Vervolledigen de setlist: het op werkelijk wervelende wijze old-time country met rock kruisbestuivende “Eula Mae”, het daar quasi perfect bij aansluitende “Comrade”, de heel wat rustigere meezinger “Here’s Your Song”, het puur voor de smaak met wat folkpunkgevoel besprenkelde “Mary” en een ronduit sublieme Americana-bewerking van de Radiohead-hit “Creep”.

Wie ze tijdens de voorbije twee edities van het COUNTRYfestival te Sint-Truiden aan het werk zag, had deze bespreking wellicht al lang niet meer nodig. Alle anderen zouden het bij dezen nu echter ook moeten weten: voor liefhebbers van een lekker gevarieerde, van de “joie de vivre” overlopende pot country is dit een heuse aanrader.

The Whiskey Gentry, Goose Creek Music

 

TINY LEGS TIM “Stepping Up” (Sing My Title)

(4,5*****)

Niet dat het nog echt nodig was, maar Tiny Legs Tim bewijst met z’n ondertussen derde cd “Stepping Up” dat hij en niemand anders op dit eigenste ogenblik echt wel het allerbeste is wat ons land op bluesvlak te bieden heeft. Op die opvolger van het vrijwel unaniem extreem lovend onthaalde tweetal “One Man Blues” en “TLT” stampt de jonge Gentenaar enthousiast de laatste restjes deltaklei van z’n boots alvorens z’n blik op de toekomst te richten. Een toekomst die op de keper beschouwd duidelijk wat R&B-getinter blijkt dan het verleden. Zij het dan ook doorspekt met de nodige invloeden uit andere genres, maar daarover hier verderop meer.

Openingsnummer “Heart Of The City” werd zo bijvoorbeeld overduidelijk geconcipieerd met de blik op “Nawlinz". Echt een heerlijk staaltje van blues & roots, die intro tot net geen vijfenveertig minuten muzikaal topvermaak. Vervolgens gaat het via het bij nader inzicht nog wel wat aan TLT’s eerdere werk herinnerende stampertje “Stepping Up” richting het door gast Steven Troch bluesharpgewijs fameus opgewaardeerde streepje grootstadsboogie “I Got Something” en het ook al erg lekkere, volop naar “swamps” allerhande geurende “Keep Me Satisfied”.

“Next up” is “Big City Blues”. Niet die van Big Maceo, Wynonie Harris, Johnny Winter of anderen, maar een werkelijk magistrale TLT-original. Een trage, waarvan hier terstond zo ongeveer elke lichaamshaar rechtop ging staan. Klassiek spul, vraiment… Net als “Get It Back” eigenlijk, dat op z’n Sonny Landreths heel mooi het midden weet te houden tussen blues en bayou rock.

Hadden we dan nog niet gehad: het hypernerveuze, ons gevoelsmatig best wel wat aan Canned Heat herinnerende boogiebeest “Walk With The Devil”, de rete-aanstekelijke foot-tapper “So Long So Long”, het op hoogst bedaarde wijze op de eigen dood vooruitlopende “When I’m Gone” en het afsluitende “If & Why”. En dat laatste vonden wij hier tekstueel gezien misschien wel het allersterkste nummer van het lot. Bijzonder knap, hoe de door het leven lang niet altijd verwende jonge Vlaming de toekomst daarop positief ingesteld tegemoet durft te zien. “All the “if’s” and “why’s” don’t solve the storylines, “ houdt hij ons voor. “If you don’t look back in regret, you will be fine. (…) Like none of these things ever happened at all”.

Hoe “tiny” ook die beentjes, ze dragen wel een verdomd grote meneer… Chapeau!

Tiny Legs Tim

 

JOHNNY DOWD “That’s Your Wife On The Back Of My Horse” (Mother Jinx Records)

(3,5****)

Johnny Dowd is eigenlijk altijd al wel een beetje een buitenbeentje geweest. Maar zó extreem als hier... De door ons ooit heel erg geapprecieerde Norman Bates van Roots Town is duidelijk niet meer. De Dowd van tegenwoordig is een gevaar voor zo ongeveer élk zich op z’n weg aandienend muziekgenre. Blinkend klieft het lemmet van zijn immer vervaarlijk ogende slagersmes hier quasi voortdurend doorheen de lucht. En welk vlees het daarbij in z’n kuip vindt, doet er eigenlijk niet eens toe. Het hogere doel van z’n brutale vilwerk blijft onveranderd vunzige rock& roll. Zo “weird” dat je er bij momenten als luisteraar moet voor opletten om niet de pedalen te verliezen… Intrigerend!

“That’s Your Wife On The Back Of My Horse”, die titel alleen al… Een betere aankondiging had dit door Dowd zo goed als in z’n dooie eentje gebaarde muzikale gedrocht zich niet kunnen wensen. Zelf haalt hij zo ongeveer alles wat er uit een elektrische gitaar, een bas en vooral ook keyboards te halen valt. Anna Coogan is zo nu en dan haar breekbare zelf bij het vertolken van wat ondersteunende zanglijnen, Mike Cook mag een lichtjes krankzinnige gitaarsolo ophoesten in het experimentele “Words Are Birds” en de tandem Mike Edmondson (keyboard) en Willie B (drums) duikt even op in coda “Teardrops”, maar dat is het dan ook qua vreemde inbreng. Bij het creëren van nieuw leven hoeft Frankenstein Dowd duidelijk niet teveel pottenkijkers in de buurt.

Wil je aan “That’s Your Wife On The Back Of My Horse”, wees dan vooral op je hoede! Expect the unexpected! In de donkere uithoeken van Dowds geest kan dezer dagen immers zo ongeveer alles. “A captivating combination of lo-fi meets high tech”, lazen we in het begeleidende schrijven en zo is het maar net. Bevreemdende klankexperimenten, “kick ass dirty rock”, electro, flarden funk en new wave, folky spul, je zegt het maar… Dowd draait z’n hand hier hoegenaamd nergens voor om. En de grens met (geniale) muzikale waanzin, die wordt zodoende almaar dunner.

Duidelijk niks voor op safe spelende watjes dus, dit “That’s Your Wife On The Back Of My Horse”… Zij kunnen Dowd maar beter braafjes uitwuiven, terwijl die er daarbij uitdagend zwaaiend met een gestrekte middenvinger in galop met hun wederhelft vandoor gaat…

Johnny Dowd

 

NDROMEDA “Into The Lazy Eye” (Numoonlab Recordings)

(3,5****)

Ciska Ruitenberg is een al sinds het eind van de jaren negentig aan de weg timmerende artieste uit het Nederlandse Hoorn. Na jarenlange omzwervingen in genres als indierock en triphop bevond ze zich nog niet zo heel erg lang geleden plots tot op kniehoogte in door ons graag gefrequenteerde muzikale wateren. Onder het pseudoniem Ndromeda tekent ze op haar eerste volwaardige langspeler “Into The Lazy Eye” voor een enigszins bevreemdend aandoende mengvorm van elementen uit tal van rootsy muziekhoeken.

Als zangeres komt ze daarbij quasi voortdurend ongeveer even bezwerend uit de hoek als pakweg Joni Mitchell in haar nadagen, een Beth Orton of een Gillian Welch ook wel. Enigszins donker en sensueel tegelijk dus. Precies wat haar muziekjes nodig hebben. Noem het Americana, country noir dan wel trippy rootsmuziek, feit is, dat we hier te maken hebben met creaties met een bij momenten sterk filmisch karakter. Met het element sfeer gelijk vanaf de eerste noten duidelijk in “pole position”.

Voor ons werkte Ruitenbergs aanpak het best in het van een smakelijk bluesy randje voorziene “Little Shepherdess”, de oorstrelend mooie country noir ballad “Rag Dolls”, het op onderkoelde passie drijvende “You Crossed My Mind” en titelnummer “Into The Lazy Eye”. Maar we kunnen ons best wel voorstellen, dat u hier na enkele beluisteringen een stel totaal andere favorieten aan overhoudt.

Wat apart, maar wel héél mooi!

Ndromeda, Bandcamp

 

NICK EDWARD HARRIS “The Tall Trees” (Shifted Fiction Records)

(3,5****)

Bij wie er thuis materiaal op de plank prijkt van knapen als een Richard Thompson en een John Martyn zou er ook wel eens een welwillend oor kunnen worden aangetroffen voor de muziek van de Brit Nick Edward Harris. Die jonge Londenaar besloot een aantal jaren geleden om uiteenlopende redenen om z’n drukke thuishaven te verlaten en naar het verre Nieuw-Zeeland te verkassen. En daar vond hij bij nader inzicht juist alles wat hij nodig bleek te hebben om te kunnen groeien als artiest. In alle rust schaafde hij er z’n gitaartechniek bij, groeide gaandeweg als songwriter en werkte al buskend om geld in het bakje te krijgen ook aan z’n kunstjes als performer.

Bij zijn terugkeer in Engeland een flinke poos later was hij dan ook gewoon een beter artiest geworden. En zijn met wat hulp van onder meer Emma Gattrill van Sons Of Noel And Adrian en Ted Dwane van Mumford & Sons opgenomen debuutplaat “Chimera” van twee jaar geleden mocht mede als een gevolg daarvan bogen op flink wat lovende kritieken. Zodanig veel zelfs dat een nieuwe plaat niet al té lang kon uitblijven. En die is er nu dus ook effectief.

“The Tall Trees” werd ingeblikt met de eveneens vanuit Londen actieve Nick Trepka als producer. Twaalf nieuwe liedjes in akoestische folk(rock)stijl zijn het resultaat. Liedjes, die lang niet allemaal even gemakkelijk weghappen. Net als de eerder al genoemde tandem Thompson-Martyn blijkt immers ook Harris behoorlijk veeleisend voor zijn publiek. Vooral wat betreft het tekstuele aspect van z’n nummers dan.

Word je echter bereid gevonden om je langzaam te laten verleiden door dingen als het hypernerveuze, van de onderhuidse spanning erin levende “Calm Your Demons”, de intimistische folkpareltjes “Unarmed” en “Evening”, het wat Thompson-esk aandoende “The Horse Road”, het instrumentale “Moscow To Beijing” en andere, dan houd je aan “The Tall Trees” een flinke kluif over. Een album, dat je laagje per laagje kan gaan ontdekken. Een geheel, dat bij elke nieuwe luisterbeurt weer wat meer van z’n geheimen zal prijsgeven. Luistervoer voor gevorderden, zoiets…

Nick Edward Harris

 

OWL COUNTRY “Owl Country” (Owl Country Music)

(3,5****)

Owl Country is de naam van een nog gloednieuwe Americana act bestaande uit klassiek geschoolde violiste Yvette Holzwarth en songsmid Dan Imhoff. Die twee ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens een liefdadigheidsevenement in de zomer van 2013. Sindsdien timmeren ze samen aan de muzikale weg. Ze schreven naar eigen zeggen een hele koker vol songs en daarvan belandden er uiteindelijk een tiental op hun enkele dagen geleden verschenen titelloze debuutplaat. En die blijken, aangevuld met een live gebrachte cover van Dylans “I Shall Be Released”, goed voor een alleraardigst visitekaartje.

Vol met verdomd fraaie, stemmige Americana. Gelijk van bij openingsnummer “Light Your Candle” vielen wij er hier voor. In dat zo op het eerste gezicht eerder simpele liefdesliedje viel ons meteen op, hoe mooi de stemmen van Holzwarth en Imhoff elkaar wel aanvullen. Onwillekeurig moesten we daarbij heel even terugdenken aan de Gillian Welch en David Rawlings van in hun begindagen. En dan hadden we het nog niet eens over het lentefrisse vioolgestoei van Holzwarth en de al even knappe finger style gitaarbenadering van Imhoff. Meer moet dat voor ons absoluut niet zijn!

Vervolgens loodsen de twee ons langs twee al even heerlijke, zij het wat donkerder ingevulde ballades, met name “Lost And Found” en “Atonement”. In beide horen we gast David Grisman bij momenten behoorlijk prominent assisteren op de mandoline. Via de opgewekte, door Holzwarth echt de sterren in gezongen countrydeun “Rusted Car” gaat het dan richting wat naar onze bescheiden mening hét absolute hoogtepunt van deze plaat zou moeten zijn, met name de door de legendarische Charlie Musselwhite van wat sfeervol mondharmonicawerk voorziene bluesy gospeldeun “Sacred Ground”.

Ook heel erg mooi is het meteen daaropvolgende “Creek”, opnieuw een wolk van een ballade met andermaal sirene Holzwarth in de hoofdrol. Dat echter ook Imhoff vocaal best z’n mannetje kan staan, maakt hij ons gelijk daarna in het louter muzikaal gezien perfect bij z’n voorganger aansluitende “Looking Waiting” duidelijk. De puntjes op de i zetten, heet dat dan zeker…

Resten er ons dan nog: de opgewekte uptempo bluegrassdeun “I Wanna Know You”, de hoger al even vernoemde Dylan-adaptatie, het ook al ongemeen sfeervolle “Dangerous World” en het afsluitende, heerlijk ouderwets aandoende pianowalsje “Windcatcher”.

RIYL: Dave Carter & Tracy Grammer, Gillian Welch & David Rawlings, Carrie Elkin& Danny Schmidt, Beansprouts.

Owl Country

 

ASLEEP AT THE WHEEL “Still The King” (Proper Records / Bertus)

(4,5*****)

“Still The King” is na het in 1993 verschenen “Tribute To The Music Of Bob Wills & The Texas Playboys” en het van een jaar of zes later daterende “Ride With Bob” al het derde eerbetoon van het ondertussen ook zelf tot een heus Texaans instituut uitgegroeide Asleep At The Wheel aan het adres van “The King of Western Swing”. En het concept daarbij is simpel. Ray Benson en de zijnen spelen in de ruime voetsporen van hun idolen uitvoerig ten dans en nodigen daarvoor zoveel mogelijk geïnteresseerde gasten uit.

En fijn is dat ze daarbij behoorlijk “breed” durven te gaan. Zowel verleden, heden als toekomst komen bij de keuze van hun muzikale partners aan bod. Zowel de wat commerciëlere countrysector als de veel meer rootsgeoriënteerde ook. En dat is wat ons betreft een alleen maar toe te juichen uitgangspunt. Zo stoten we “this time around” op de gastenlijst op de namen van Leon Rausch, Amos Lee, The Avett Brothers, Lyle Lovett, Merle Haggard, Emily Gimble, Kat Edmonson, Old Crow Medicine Show, Pokey LaFarge, Willie Nelson, The Quebe Sisters, The Del McCoury Band, The Time Jumpers, George Strait, Elizabeth Cook, Brad Paisley, Buddy Miller, Carrie Rodriguez, Robert Earl Keen, Jamey Johnson, The Devil Makes Three, Katie Shore, Tommie Emmanuel, Brent Mason, Billy Briggs, Shooter Jennings, Randy Rogers en Reckless Kelly.

Samen met hun gastheren serveren zij tweeëntwintig goede redenen om Wills ook in de komende jaren als de onomstreden koning van de Western swing te blijven koesteren. Bekende evenals al wat minder tot de verbeelding sprekende deunen van het repertoire van Wills en de zijnen vonden hun weg richting de mix. Van het door Willie Nelson en The Quebe Sisters zacht heupwiegend richting de sterren gecroonde “Navajo Trail” tot een samen met de onvolprezen Del McCoury en z’n band tot heerlijke bluegrass swing omgetoverd “Silver Dew On The Bluegrass Tonight”. Van een vurige vertolking van het wervelende “Tiger Rag” met die van Old Crow Medicine Show tot een opvallend knap “The Girl I Left Behind Me” met The Avett Brothers. Of het als leuke trage geserveerde “Faded Love” met Vince Gill, de lichtjes fantastische Dawn Landes en de overige Time Jumpers, het jazzy, met Lyle Lovett als een vis in het water agerende “Trouble In Mind” en “Time Changes Everything” met huisfavorietje Buddy Miller.

Ach, er vallen hier zoveel leuke dingen te vermelden. En nog een aantal andere daarvan willen we je zeker ook niet onthouden. “I Can’t Give You Anything But Love”, een zalig krols duetje tussen Kat Edmonson en Ray Benson, bijvoorbeeld al, de rete-swingende Pokey LaFarge-benadering van “What’s The Matter With The Mill” zeker ook, evenals een verrassende Robert Earl Keen in “Ding Dong Daddy From Dumas”, het z’n goede reputatie alle eer aandoend The Devil Makes Three in “Bubbles In My Beer” en de samenwerking met Shooter Jennings, Randy Rogers en die van Reckless Kelly voor het afsluitende titelnummer “Bob Wills Is Still The King”. Zelfs George Straits lezing van het onderussen stilaan suf gecoverde “South Of The Border (Down Mexico Way)” scoorde bij ons verrassend hoge punten.

“Celebrating The Music Of Bob Wills And His Texas Playboys” kreeg het geheel als ondertitel mee en da’s exact wat hier gebeurt ook. Eén groot feest wordt ermee gebouwd. En als er al één ding is waar wij niet vlug neen tegen zeggen, dan zijn het wel straffe feestjes als dit…

Asleep At The Wheel, Proper Records

 

IAN SIEGAL “One Night In Amsterdam” (Nugene Records / Bertus)

(4,5*****)

Wie zei er daar ook alweer, dat het dezer dagen allesbehalve evident is om een plaat tot in de winkel te krijgen? De Britse bluesmaestro Ian Siegal zal het vast niet geweest zijn. Die jaagt zijn nog met elke release flink uitdijende fanschare dezer dagen integendeel net flink op kosten. Met “One Night In Amsterdam” is hij aan z’n derde plaat in amper tien maanden tijd toe. De eerste treffer van die hattrick was het in mei van vorig jaar verschenen “Man & Guitar”, ’s mans eind 2013 door de BBC in de Londense Royal Albert Hall ingeblikte eerste live-cd. Goed en wel een maand geleden was er dan het geweldige “The Picnic Sessions”, een samenwerkingsverband met Alvin Youngblood Hart, Cody & Luther Dickinson en Jimbo Matthus, en nu dus z’n eerste liveplaat mét band.

En die bestaat sinds eind 2013 uit jonge gitaargod Dusty Ciggaar, bassist Danny Van ’t Hoff en drummer Raphael Schwiddessen oftewel de Nederlandse Rhythm Chiefs. En dat drietal mag je wat ons betreft rustig als een godsgeschenk voor Siegal beschouwen. Want – Eerlijk is eerlijk! – zo goed als hier klonk hij eigenlijk nog nooit. En dat tot groot jolijt van allen die in april van vorig jaar de weg vonden richting de North Sea Jazz Club in Amsterdam.

Zij hoorden Siegal een nummer of drie ver in z’n set de avond perfect samenvatten: “We’re going to play some new songs, some old songs, and some songs by great heroes of mine, who were influences on me in my early days, back in the 1930s…” Met de glimlach natuurlijk, maar wel “spot on”!

Geopend werd er destijds met een werkelijk retestrakke versie van het je wellicht ook al wel van het fenomenale “Candy Store Kid” uit 2012 bekende “I Am The Train”. Een album dat onze man later nog eens even zal aandoen voor de ook al geweldige rootsy trage “Early Grace”. Maar voor we zover zijn, gebeurt er eerst nog heel wat anders.

Na “I Am The Train” funken Siegal en de zijnen zo door z’n eigen, van “Meat & Potatoes” geplukte classic “Brandy Balloon”, strutten ze soulvol doorheen “Kingdome Come” van “Broadside” uit 2009, alvorens met de zalige rocker “Writing On The Wall” van z’n landgenoot Harry Stephenson een eerste cover aan te snijden. De eerste van een reeksje, zo blijkt. Met de rootsy slow rocker “Temporary” van z’n maat Ripoff Raskolnikov en Tom Russells “Gallo Del Cielo” volgen er immers snel nog twee. En daarvan springt de tweede al bij al nog het meest in het oog, al was het alleen al maar omdat Siegal en co er ruim negen minuten en drieënveertig seconden lang een vette rootskluif aan blijken te hebben.

Afgesloten wordt er daarna met het van z’n debuut uit 2002 (“Standing In The Morning”) geplukte “Queen Of The Junior Prom”, de misschien wel via een ommetje langs de hardrockers van Nazareth bij de Everly Brothers geleende en wederom van de soul bulkende trage “Love Hurts” en het daar naar ons gevoel werkelijk perfect bij aansluitende en eveneens samen met Joël en Tess Gaerthé van Ashtraynutz gebrachte “Please Don’t Fail Me”.

Wie daarna nog wat meer op zou kunnen, kan zich middels een aan elke cd toegevoegde persoonlijke downloadcode ook nog gratis de bonus track “Hard Pressed” in huis halen. ’t Is maar dat je het weet…

Ian Siegal, Nugene Records

 

MYLES MANLEY “More Songs” (Myles Manley)

(3***)

Onder het motto “kort maar krachtig” jagen we er hier vandaag snel ook nog even de EP “More Songs” van de vanuit Dublin actieve Brit Myles Manley door. Zes nummers, samen goed voor ruim een half uur gestoei met folk, pop en rock – Niet noodzakelijk in die volgorde! – vallen ons daarop ten deel.

Openingsnummer “Pay Me What I’m Worth” is een hypernerveuze, maar tegelijk o zo catchy kruisbestuiving van folk en pop. Je zou denken, dat als de juiste radiomakers hier hun schouders onder willen zetten, Manley wel eens zomaar een hit te pakken zou kunnen hebben.

Het daaropvolgende “January” is dan weer van geheel en al andere orde. In al z’n intimiteit deed het ons enkele tellen lang denken aan knapen als vader en zoon Buckley en Nick Drake. Snedig gerockt wordt er vervolgens in het wat ons betreft juist allesbehalve ordinaire “Ordinary Love” en al even snel opnieuw gas teruggenomen met het mooie, lekker weidse “I Love Her Family”. Het bedaarde, zich eigentijds folky aandienende “Grinding” en het even aparte, als sfeervolle “Slip Into The Sea” vervolledigen het voor ons al bij al net wat te onevenwichtig uitvallende geheel.

Myles Manley

 

DAVID CORLEY “Available Light” (Continental Record Services / V2)

(5*****)

2015 is zich nu al zo stilaan tot een echt Americana-topjaar aan het ontwikkelen. Nog geen twee maanden ver zijn we en het aantal uitzonderlijk knappe releases is al danig hoog opgelopen, dat we nu al durven te stellen, dat het straks aan het eind van de rit weer “one hell of a job” zal gaan worden om een enigszins representatieve jaarlijst samen te stellen. Eens benieuwd, of “Available Light” van de Amerikaan David Corley er uiteindelijk effectief in zal slagen om dat overzichtje te halen. Op dit moment durf ik nog volmondig te beweren van ja, maar op tien maanden tijd kan er natuurlijk nog veel veranderen…

Dat neemt echter niet weg, dat het debuut van die Corley echt een sublieme plaat is. Het soort van geheel waarvoor je eigenlijk zo goed als een volledig leven geleefd moet hebben om het überhaupt te kunnen maken. En precies dat blijkt bij onze man het geval. Op z’n drieënvijftigste heeft die al ruimschoots voldoende “godverdomse dagen op deze godverdomse bol” achter de kiezen voor een heuse eigen “grand cru”. Een door de Canadese multi-instrumentalist Hugh Christopher Brown geproduceerd songtiental, dat je als liefhebber van atmosferische bluesy roots rock na een eerste beluistering ervan compleet verbluft achterlaat. Tegen het canvas moet je gewoon...

Met een zo menig een de tabakshemel ingeholpen sigaret verradende ruwe baritonstem als z’n voornaamste bondgenoot krast Corley à la een Lou Reed, een Tom Waits en een Leonard Cohen z’n eigen zieleroerselen op die van jou. Z’n niet zelden behoorlijk poëtisch uitdraaiende woorden raken je als luisteraar echt tot diep in je wezen. En als je dan leest, dat Corley zelf een verwoede lezer is en zich onder meer liet inspireren door Joyce, Whitman, Blake en Rilke dan weet je gelijk ook waarom. Openingsnummer “Available Light”, het heerlijk atmosferische “Beyond The Fences”, het bedaarde “Easy Mistake”, het meteen daaropvolgende “Dog Tales” en andere, stuk voor stuk zalige lappen rootsmuziek zijn het resultaat.

Voor wie het graag wat meer mag zijn: deze Corley is je man! Zeker weten!

David Corley, Continental Record Services

 

RODNEY RICE “Empty Pockets And A Troubled Mind” (Moody Spring Music)

(4****)

Bijzonder zelfverzekerd lacht de sinds kort vanuit muziekmekka Austin aan een toekomst voor zichzelf timmerende jonge singer-songwriter Rodney Rice ons vanop het hoesje van zijn onlangs verschenen visitekaartje “Empty Pockets And A Troubled Mind” toe. Het is alsof hij er toen, tijdens het maken van die foto, achter z’n donkere zonnebrilglazen al vrij zeker van was, dat het allemaal wel zou gaan loslopen voor ‘m. En dat lijkt nu van langsom ook meer en meer te gebeuren ook. Met alvast de nummer-1-stek in de Freeform American Roots (FAR) Chart van de voorbije januarimaand tot gevolg. De zegen van heel wat voornamelijk Amerikaanse vaklui heeft hij met andere woorden  dus al. En daar mag nu ook die van ons bij.

Ook wij kunnen immers onze pret niet op met deze ergens in het kielzog van grote Texaanse voorbeelden als een Robert Earl Keen, een Houston Marchman, een Slaid Cleaves en een Kevin Deal actieve nieuwkomer. Met de veertien nummers op “Empty Pockets And A Troubled Mind” slaat Rice wat ons betreft een nagenoeg perfecte muzikale homerun. Vele daarvan kunnen immers bogen op een voor een nog zo jonge kerel behoorlijk flinke emotionele diepgang. En da’s iets wat uitnodigt tot net wat aandachtiger luisteren natuurlijk. Je wordt als het ware naar binnen gezogen in het door Rice bezongen wereldje. Je ziet wat hij zag, voelt wat hij voelde. Je maakt kennis met de mensen die hij op z’n weg ontmoette, bezoekt dezelfde plaatsen die ook hij aandeed.

Voor de productie van “Empty Pockets And A Troubled Mind” tekende lokale held Andre Moran. En hij hield de teugels zo te horen niet al te strak in handen tijdens de opnames ervan. Zodoende letterlijk alle ruimte latend aan de ruiggevooisde Rice, z’n mondharmonica en z’n akoestische en bekende en minder bekende gasten als Mark Hallman, Jason McKenzie, Haydn Vitera, Vanessa Lively, Andrew Pressman, Katy Rose Cox, Katie Cahn, Tyler Rice en Kim Deschamps.

Het resultaat is een duidelijk op organische wijze tot stand gekomen verzameling ballads en countryrockers, waarvoor wij maar wat graag nog eens de omschrijving “Alle Dertien Goed” zouden bovenhalen, ware het niet, dat het hier zoals hoger al even aangegeven om veertien songeenheden gaat. “Alle Veertien Goed” daarom maar zeker, met speciale vermeldingen voor het in duet met Vanessa Lively gebrachte anti-liefdesliedje “Break Your Heart”, de smeuïge rocker “Texas Moon”, het ons gevoelsmatig wel heel erg aan collega Slaid Cleaves herinnerende “Hills Of Carolina” en het afsluitende “You Don’t Know”, een streepje nu al klassieke trage Americana Texas style.

Hopelijk voor Rice raken z’n “Empty Pockets” hiermee snel gevuld en kan z’n “Troubled Mind” op die manier definitief achterwege worden gelaten…

Rodney Rice

 

POINT QUIET “Ways And Needs Of A Night Horse” (Continental Record Services / V2)

(5*****)

Vijf lange jaren verstreken er sinds het verschijnen van het naar zichzelf vernoemde debuut van het Nederlandse gezelschap Point Quiet. Tijd die men, afgaande op het op “Ways And Needs Of A Night Horse” gebodene, bepaald niet in ledigheid heeft doorgebracht. Net als z’n voorganger blijkt immers ook de nieuwe van Pascal Hallibert en de zijnen weer een echte voltreffer. Elf nummers en net geen veertig minuten lang nemen ze ons ook ditmaal weer op sleeptouw doorheen een muzikaal landschap, waarvoor naar believen de termen Americana dan wel country noir uit de kast mogen. Muziek, waarin vooral het sfeerelement van doorslaggevende betekenis blijkt. En dat is bepaald niet zelden heerlijk melancholisch van aard.

Met Halliberts wat klaaglijk aandoende stem, het daar prachtig bij kleurende harmonieerwerk en de viool van Simone Manuputty, de buitengewoon subtiele snarenbenadering van Jan van Bijnen en wat ingehuurde blazers doorgaans als richtingaangevende elementen. Men denke zo bijvoorbeeld aan enigszins vergelijkbare acts als Calexico, Grant-Lee Phillips, de Willard Grant Conspiracy of Tindersticks. Stuk voor stuk kleppers, waarvoor je als liefhebber van de op deze pagina’s behandelde muziekgenres allicht graag wat tijd vrijmaakt. En dat zou je derhalve ook eens voor Point Quiet moeten doen. Na één enkel “proevertje” is er gegarandeerd geen weg meer voor je terug…

Dingen als het onopvallend als de afhangende twijgen van een wilg onder invloed van een zacht briesje haarfijne golven door de vijver van je luisteraarsbewustzijn trekkende titelnummer, het onder meer met fijnbesnaard strijkwerk van Manuputty opgewaardeerde “Run All You Want”, het net wat vlottere “NY Or Not NY”, het elegische “The Man I Once Was”, de sfeervolle country-noirsleper “Trembling Stars”, de afsluitende instrumental “Maneras Y Necessidades” en andere zijn immers net als zoveel van Halliberts eerdere nummers van niets minder dan internationale klasse. Echte pareltjes! Zonder uitzondering bloedmooi!

Point Quiet, Continental Record Services

 

DAYNA KURTZ “Rise And Fall” (Kismet Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Voor het eerst proeven van “Rise And Fall”, de nieuwe van Dayna Kurtz, dat kwam voor ons zo ongeveer overeen met onverwachts heel even een stukje van de hemel mogen verkennen. Zó mooi… Woorden schoten ons bij momenten gewoon tekort om te beschrijven wat we hoorden…

Vooral het openingstweetal van de plaat is ronduit magistraal te noemen. Als je dingen als het country-soulwalsje “It’s How You Hold Me” en de in vergelijkbare buurten rondhangende trage “You’re Not What I Need (But You’re  All That I Want)” kan beluisteren zonder er tot in het diepst van je wezen door te worden geraakt, dan scheelt er iets met je… Echt! De namen van Otis Redding, James Carr, Dan Penn en Aretha Franklin helpen je bij het zoeken naar een geschikt ijkpunt een aardig eindje op weg!

Vervolgens is er wat Kurtz zelf al omschreef als haar “drinking song for the apocalyps”. Al bij al aardig penetrante gitaarklanken, een zich ongewoon opstandig presenterend accordeon en de meer gedeclameerde dan gezongen woorden van La Kurtz blijken daarin de barkeepers van dienst. Wedden, dat je op eenvoudig eenmalig verzoek ook graag een glas met hen mee zal drinken?

Geheel en al anders van aard is in het kielzog daarvan dan weer “If I Go First”. Noem het wat ons betreft maar atmosferische slow rock. Zoiets… Van een verkillende schoonheid, dat alleszins! Een soort van tussen hier en nu en hiernamaals verwoorde laatste liefdesbetuiging. Word je ogenblikkelijk helemaal stil van…

Dan volgen respecievelijk “Eat It Up”, “Yes, You Win” en “Far Away Again”. Het eerste van dat drietal herinnerde ons bij momenten best wel een beetje aan de behoorlijk opulent georkestreerde (folk)pop van het Britse collectiefje Everything But The Girl ten tijde van hun magistrale derde “Baby, The Stars Shine Bright”, het tweede bleek op zijn beurt opnieuw een streepje buitengewoon fijnzinnige country soul en het derde gewoon een wat apart ingevuld popliedje. De interactie tussen met name stem, piano en strijkers daarin, deed ons heel even de term “late night pop” overwegen.

Bij wijze van drievoudige uitsmijter bedient Kurtz ons daarna ook nog van het sfeerbevorderend van wat banjogewriemel voorziene old-time country-soulduo “A Few Confessions” en “You’ll Always Live Inside Of Me” met daartussen gewrongen het wat sacraal aandoende “The Hole”. Dat laatste schreef Kurtz dan ook over de bij het graven van een gat voor het begraven van het as van haar vader door haar geest dwalende gedachten. En ons deed het heel even weer denken aan de vermaarde woorden van Confucius: “Alles heeft zijn schoonheid, maar niet iedereen ziet haar.”

Kortom: “Rise And Fall” bevat wat ons betreft wederom tien nieuwe redenen om Kurtz nog wat steviger aan de borst te drukken dan we dat hier al sinds tijden deden. Onbegrijpelijk eigenlijk, dat deze geweldige artieste in haar thuisland Amerika nog niet dezelfde successen heeft kunnen laten optekenen als in heel wat delen van Europa. Maar goed, misschien brengt “Rise And Fall” daarin wel eindelijk verandering…

Dayna Kurtz, Lucky Dice Music

 

CHUCK PYLE “Cover Stories” (Zen Cowboy Records)

(4****)

De mooiste albums komen niet zelden eerder toevallig tot stand. Neem nu zo’n plaat als “Cover Stories”, de nieuwste van “Zen Cowboy” Chuck Pyle. Jarenlang al speelde die zoals zoveel anderen geregeld covers van liedjes van door hem zelf bewonderde artiesten. En geregeld werd er aan het eind van een opnamesessie ook wel eens zo’n deuntje ingeblikt. Maar tot op heden gebeurde daar dan eigenlijk niks mee. Ze bleven gewoon met z’n allen op de plank achter. En dat tot Pyle er op zekere dag in een onbewaakt moment met z’n vriend producer John McVey over praatte. Die was meteen zwaar geïnteresseerd en ging op zoek naar het opgenomen materiaal. En de rest laat zich dan wel raden, niet?

McVey was inderdaad zo enthousiast, dat vrijwel onmiddellijk wat studiotijd geboekt werd en een legertje muzikanten werd opgetrommeld. En “the rest”, aldus Pyle zelve, “is history”. Een stukje geschiedenis, dat je je sinds kort onder de vorm van een geweldige singer-songwriter-countryplaat ook effectief kan aanschaffen. Pyle toont hier immers vrijwel voortdurend een uitstekende smaak, een echt neusje voor geweldige songs. Zo covert hij met veel gevoel “Beaumont” van Hayes Carll, “Fearless Heart” van Lynn Miles, “Blanco River” en “Up And On My Way” van Walt Wilkins, “Now Everything Does” van het duo Lou & Peter Berryman, “Southern Music” van Russell Smith, “Forty Days Of Rain” van Jeff Talmadge, Charlie Chaplins evergreen “Smile” en “If I Was Jesus” van Chuck Cannon en Phil Madeira. En tussendoor mogen ook z’n eigen liedjes “Train Of Dreams”, “Good To Be Home” en “I Hear It’s Clear” even van stal. De twee laatste van dat trio schreef Pyle overigens met Larry Joe Taylor.

Om een lang verhaal kort te maken: wij zijn hier helemaal weg van “Cover Stories”. Het is het soort van plaat, dat we zonder ook maar enige vorm van voorbehoud durven aan te bevelen aan liefhebbers van het materiaal van artiesten als een Guy Clark, een Keith Miles en een John Prine. En daarmee zou u eigenlijk genoeg moeten weten…

Chuck Pyle, CD Baby

 

MADISON VIOLET “Year Of The Horse” (India Media Group)

(2**)

Oei, oei, oei… Ze hebben tot onze grote spijt de onlangs op de EP “These Ships” ingeslagen koers dus ook effectief aangehouden, de Canadese schatjes van Madison Violet. Ver weg van de altijd weer door hun heerlijke samenzang gekenmerkte Americana, folk en akoestische pop van weleer gaan Brenley MacEachern en Lisa MacIsaac op hun nieuwe worp “Year Of The Horse” nadrukkelijk op zoek naar popsucces. Synthpopsucces meer bepaald. En – Eerlijk is eerlijk! – daar zaten we hier nu niet echt op te wachten! En wij allicht niet alleen…

De mooie stemmen van de twee zijn natuurlijk wel gebleven, maar tussen zoveel elektronisch geweld als hier vallen ze gewoon heel wat minder op. En hoe goed ook een aantal van de gebrachte deunen misschien wel mogen zijn, dit raakt ons gewoon niet meer zoals bijvoorbeeld wel nog de een jaar of twee geleden verschenen live-cd “Come As You Are Live”. Die raden we hier en nu nog altijd met heel veel enthousiasme aan (4****). Dat in de Kulturkirche in het Duitse Keulen ingeblikte concertmateriaal was immers rootsmuziek “vom Allerfeinsten”. Met een minimum aan instrumentale ondersteuning voor de vocale prachtprestaties van de tandem MacEachern-MacIsaac. Precies zoals het hoorde dus. Maar dit… Mja…

Aan potentiële hits absoluut geen gebrek hier. Dansvloeren zowat overal ter wereld lonken ondertussen reeds! Kassa, kassa? Zou best wel eens kunnen. En is de twee schonen op de keper beschouwd ook wel van ganser harte gegund. Maar ons verliezen ze hiermee wel (Definitief?) als luisterpubliek. Jammer…

Madison Violet, India Media

 

SARAH MCQUAID “Walking Into White” (Waterbug Records)

(3,5****)

Voor de opnames van haar vierde cd “Walking Into White” ruilde Sarah McQuaid gewoon het ene Cornwall voor het andere in. Om er te kunnen samenwerken met co-producers Jeremy Backofen (Frightened Rabbit, Felice Brothers) en haar neef Adam Pierce (Mice Parade, Tom Brosseau, Múm) verliet ze tijdelijk haar geadopteerde Britse thuishaven van die naam voor het gelijknamige stadje in Orange County, New York. Daar in de States ging de Engelse op zoek naar een compleet andere benadering van haar liedgoed. En die vond ze dus onder de vleugels van het normaliter niet in het folkwereldje actieve duo Backofen-Pierce. Dat tweetal slaagde erin om de intensiteit van haar live performances te vatten. Om haar wat ruwere kantje van tijdens die gigs ook op plaat te vereeuwigen. En om als dusdanig haar folkmateriaal ook voor een normalerwijze eerder voor pop en rock vallend publiek aantrekkelijk te maken.

Geopend wordt er met het in al z’n ijzigheid voorzichtig rillingen over je dan nog argeloze luisteraarslijf jagende “Low Winter Sun”. Vervolgens gaat het richting het met één vitale jump de sixties voor het hier en nu achter zich latende folkrockexperimentjke “Where The Wind Decides To Blow”, net als het ijle, meteen daaropvolgende “The Tide” en het titelnummer gebaseerd op de kinderboeken van Arthur Ransome.

“I Am Grateful For What I Have” blijkt op zijn beurt dan weer een klassieke allures vertonende akoestische gitaarinstrumental, “Sweetness And Pain I” het eerste van een in drie delen opgesplitst a cappella interludium, “Jackdaws Rising” een sfeervolle, met Adele Schulz en Martin Stansbury “three-part round” en “Yellowstone” een voorwaar zelfs even met een bedaard sambaritme flirtend niemendalletje. Uptempo single “The Silver Lining” kenden we hier al een poosje als een moment van pure klasse van McQuaid en het ingetogen, samen met Gerry O’Beirne, de producer van haar vorige drie albums, gepende “Leave It For Another Day”, haar benadering van Drapers “Canticle Of The Sun” en de afsluitende cover van folkicoon Ewan McColls “The First Time Ever I Saw Your Face” zijn al evenzeer intrigerende lappen eigentijds folkvlees.

Kort samengevat: “Walking Into White” is niet enkel McQuaids meest persoonlijke en emotionele plaat tot op heden, het is gewoon ook haar beste. En het zou ons dan ook geenszins verwonderen, mocht de door haar erop ingeslagen weg op termijn ook deze richting succes op wat grotere schaal blijken te zijn.

Sarah McQuaid, Waterbug Records

 

CAMERON BLAKE “Alone On The World Stage” (Silver Slant Records)

(5*****)

Wat mij betreft is het gewoon zonneklaar: als er dit jaar al een betere plaat dan Cameron Blake’s “Alone On The World Stage” verschenen is, dan moet ik ze nog horen. Echt compleet ondersteboven ben ik van de vijfde van die jonge Amerikaanse folkie. De ongekunstelde directheid van de twaalf nummers erop garandeert ruim negenenveertig minuten voor mij nu al als klassiek te bestempelen luistervoer.

Beïnvloed werd Blake daarvoor onder meer door wijlen Nick Drake. En diens vaak door serieuze vlagen van weemoed gevoede modus operandi laat zich derhalve ook op “Alone On The World Stage” regelmatig aanwijzen. Met name die van “Pink Moon”, zou ik zo zeggen, toen hij, zoals Cameron Blake hier, ook alles in z’n eentje deed. De eigen stem, een akoestische gitaar, een piano en een studio, meer niet…

Dat levert, zoals hier hoger reeds gesteld, ronduit beklijvende resultaten op. En of Blake het nu heeft over zo op het eerste gezicht eerder schijnbaar banale, in z’n eigen omgeving opgetekende feiten, dan wel over meer globale topics speelt daarbij zelfs absoluut geen rol. Het is zijn eigen, hoogst aparte manier om z’n onderwerpen te benaderen, die als het ware het cement tussen de losse song-stenen vormt. De niet altijd even evidente invalshoek, bedoelen we dan in de eerste plaats. Maar zeker ook de geweldige poëtische kracht van z’n teksten. Niet zelden heb je als luisteraar het gevoel te maken te hebben met gedichten, die pas op een later tijdstip tot liedjes zijn uitgegroeid. Iets wat voor “Welfare Street” zelfs effectief het geval is geweest, zo blijkt uit de door Cameron zelf in het cd-boekje bij z’n liedjes aangeleverde commentaren.

Laat je net als mij betoveren door bijna onwezenlijke schoonheden van nummers als het de fiscale problemen van de stad uit z’n titel als uitgangspunt voor stil protest gebruikende “Detroit”, het in het conflict tussen Israël en Palestina een dankbaar onderwerp vindende “Rise And Shine”, het zich met het op grote schaal gaan exploiteren van olie en alle directe en indirecte gevolgen daarvan inlatende “North Dakota Oil”, het aan tot gewetensvragen aanzettende liefdesleven van een vriend opgehangen “Wild Blue Garden”, het aan z’n eigen dochtertje Genevieve Elizabeth opgedragen “Ultrasound” en andere, je zal het je absoluut niet beklagen!

Cameron Blake

 

6 STRING DRAG “Roots Rock ‘N’ Roll” (Royal Potato Family / Bertus)

(4****)

Voor albums als dit vonden wij hier ooit eigenhandig de omschrijving “retour de force” uit. Gehoopt hadden we er eigenlijk al lang niet meer op en dus doet het ook eens zoveel deugd om de heren van 6 String Drag weer samen aan het musiceren te weten. Na zestien lange jaren op sterk water hebben ze met “Roots Rock ‘n’ Roll” alvast opnieuw een heel sterk teken van leven gegeven, deze in de jaren negentig van de vorige eeuw meermaals op zich attent gemaakt hebbende pioniers van de No Depression-beweging.

Kenny Roby (zang, gitaren en percussie), Scott Miller (diverse gitaren, waaronder de slide), Rob Keller (diverse bassen en zang) en Ray Duffey (drums en percussie) draaien met deze in een met Jason Merritt gedeelde productie opgenomen comebackplaat de klok gewoon zo’n vijfentwintig jaar terug. De twaalf door Roby ervoor aangeleverde songs herinneren je als luisteraar weer even aan al bij al nog een stuk eenvoudigere tijden. Aan de dagen, waarin de vinylplaat zo stilaan werd uitgewuifd, computers nog lang niet zo gebruiksvriendelijk waren als nu, de GSM en het internet net aan een bescheiden opmars begonnen waren en vooral ook gitaren nog volop regeerden.

En dat, beste vriendjes, doen ze ook hier weer. Hier en daar afgelost door wat sympathiek kopergeschetter dat wel, maar doorgaans zijn het echt wel de gitaren die je de weg wijzen. Richting melodieuze roots rock zoals openingsnummer “Drive Around Town”, het Cochran-eske “Happier Times” en het met heerlijk snarenwerk gelardeerde “Sylvia”, R&B-getinte rock & roll zoals “OOOEEOOOEEOOO” en “Kingdom Of Gettin’ It Wrong” of bedaarde Americana genre de semi-ballade “Give Up The Night”, muzikale “weirdo” “Me & My Disease”, sleper “Precious Things” en het bluesy “Choppin’ Block”. Met als allermooiste nummers wat ons betreft zonder ook maar de minste twijfel de op buitengewoon soulvolle wijze gebrachte tragen “Hard Times, High Times” en “I Miss The Drive-In”.

Welcome back, guys! Glad to have you around again!

6 String Drag, The Royal Potato Family

 

HER & KINGS COUNTY “Raise A Little Hell” (India Records)

(3,5****)

“Raise A Little Hell” is de wel zeer toepasselijke titel van een onlangs verschenen retrospectieve gewijd aan het oeuvre van Monique “HER” Staffile en haar maats van Kings County. Ruim achtenveertig minuten lang bouwen de blonde moordgriet en haar begeleiders hier een bruisend feestje. Vijftien nummers lang laten ze daarbij de grenzen tussen genres als country, bluegrass, Southern rock, rock & roll tout court en hip-hop compleet vervagen. En het resultaat van die lang niet altijd even subtiele inspanningen is bij momenten echt wel onweerstaanbaar! Wie een wild feestje op z’n tijd wel ziet zitten, leest daarom best nog een eindje verder!

Met uitzondering van de nadrukkelijk om een zee van brandende aanstekers smekende rockballade “Heavens Crashing Down”, het melodieuze “My Heart Can’t Take Anymore”, een duetje met de je misschien nog wel uit de entourage van countryster Tracy Lawrence bekende gitarist Rick Huckaby, en het wel heel erg naar de sixties lonkende “Oh My Darlin” zal hij hier zeer aan z’n trekken komen. De rest van “Raise A Little Hell” wordt immers voornamelijk beheerst door een kruisbestuiving van Southern rock, hip-hop en (new) country. Lekker funky met de kont schuddend zoals in “Deep In The Country”, eerder swampy zoals in het knappe “Where Did All The Money Go” of wel heel erg op een jong countrypubliek mikkend zoals in het naar ons gevoel ook buitengewoon radiogeniek aandoende tweetal “White Trash” en “Family Tree”.

Het best bevielen HER & Kings County ons echter in dingen als “Down In Dixie”, het van “If You Wanna Go To Heaven” van de Ozark Mountain Daredevils afgeleide titelnummer “Raise A Little Hell” en het ook al op hoogst aantrekkelijke wijze om zich heen schoppende “My Backyard”. Precies die nummers dus, waarin koning Southern rock nog redelijk ongegeneerd regeren mag.

“City country” noemen Staffile en de haren hun eigenzinnig brouwsel zelf. Iets wat wellicht in niet geringe mate te maken heeft met het feit, dat ze bij nader inzicht uit “of all places” Brooklyn afkomstig blijken. Maar laat die laatste wetenschap vooral je feestje niet vergallen, zouden we zo zeggen!

HER & Kings County, India Records

 

BIBER HERRMANN “Grounded” (Acoustic Music Records)

(4****)

Op de opvolger van zijn goed en wel vier jaar geleden verschenen laatste studioplaat “Love & Good Reasons” gaat Biber Herrmann resoluut voor een minimalistische aanpak. In een met z’n landgenoot Peter Finger gedeelde productie etaleert de Duitse singer-songwriter daarop in z’n dooie eentje veertien nummers lang zijn bepaald niet geringe kwaliteiten. Met zijn enigszins verweerd aandoende stem, een collectie prachtliedjes, wat gitaren, waaronder ook een Resonator, en z’n mondharmonica als enige hulpmiddelen toont hij op “Grounded” andermaal gewoon tot het allerbeste te behoren wat Europa op blues- en rootsvlak te bieden heeft.

Acht van de gebrachte nummers blijken daarbij van eigen makelij, een negende, de fraaie ballade “I Will Find You”, pende Herrmann samen met de hier ook zeer gesmaakte David Munyon, de overige vijf zijn covers van respectievelijk de Muddy Waters classic “Got My Mojo Working”, “Going Up The Country” van Canned Heat, Leadbelly’s “Good Morning Blues”, Bob Dylans “Maggie’s Farm” en Robert Johnsons “Kind Hearted Woman Blues”. Samen goed voor ruim meer dan een uur akoestische rootsmuziek van het werkelijk allerbeste soort. Voor veertien intimistische schoonheden van songs, waarvoor je als liefhebber van het genre maar wat graag je hart zal openstellen. Een geslaagde spagaat tussen traditie en heden. Virtuoos, soulvol, beklijvend!

Onze luistertips: het met een flinke snuif humor gekruide en Herrmanns kunstjes als finger style picker ten volle aan bod laten komende “Sweet Nun”, de eerder al even genoemde pracht-trage “I Will Find You” en de bij nader inzicht uit min of meer hetzelfde vaatje tappende ballade “Leaving Town Blues” en zeker ook het wat levendigere, absoluut niet met het net niet gelijknamige John Hiatt-nummer te verwarren “Have A Little Faith”.

Biber Herrmann, Acoustic Music Records

 

ALLISON MOORER “Down To Believing” (Proper Records / Bertus)

(5*****)

“Down To Believing” is ondertussen ook alweer Allison Moorers negende album. En zoals dat met de beste wijnen nu eenmaal gaat, is ook La Moorer er met de jaren alleen maar beter op geworden. In die mate zelfs, dat we haar nieuwe worp hier als haar voorlopig zonder meer beste durven te beschouwen. Buitengewoon krachtig is het hoe dan ook allemaal! En persoonlijker dan ooit tevoren zeker ook. Ten dele geboren uit twee recente serieuze tegenslagen in haar eigen leven. Haar tijdens het schrijfproces van veel van de liedjes erop nog volop te verwerken scheiding van collega-songsmid Steve Earle natuurlijk. En misschien nog wel meer het wrange lot dat het leven zelve zo’n twee jaar geleden voor haar zoontje John Henry in petto bleek te hebben. Moorer was er immers echt compleet ondersteboven van, toen bij haar spruit autisme werd vastgesteld.

Geen wonder dan ook, dat één van de pakkendste nummers op naar nieuwe langspeler precies aan die onthutsende diagnose ontsproot. We hebben het dan over de messcherpe countryrocker “Mama Let The Wolf In”, waarin Moorer zich tegen beter weten in verontschuldigt bij haar zoontje voor haar deel van de verantwoordelijkheid met betrekking tot waar hij voortaan verder door zal moeten. Een ander absoluut topmoment is titelnummer “Down To Believing”. In die soulvolle trage heeft Moorer het over de recente ontbinding van haar huwelijk met Steve Earle. Een relatie, waar ze naar eigen zeggen overigens absoluut geen spijt van heeft. Integendeel zelfs. “Hij leerde me heel wat,” aldus Moorer zelf daarover. Zeker met betrekking tot haar grote passie, het schrijven van liedjes. Het verstilde “Blood” gaat dan weer over die andere bepalende factor in haar leven, haar “grote zus” (Shelby Lynne). Over onvoorwaardelijk van iemand houden en er altijd met open armen voor klaarstaan. Iets wat zich gezien hun tragische voorgeschiedenis samen perfect verstaan laat.

Voor de productie van “Down To Believing” viel Moorer net als voor “The Hardest Part” uit 2000 terug op haar oude maatje, gitarist Kenny Greenberg. En die wist net als voor dat geweldige album het beste uit z’n vriendin te puren. Hij laat haar knallen zoals in het veelzeggend getitelde “I’m Doing Fine” en het ook al erg vinnige duo “Like It Used To Be” en “I Lost My Crystal Ball”, maar gunt zo nu en dan zeker ook haar rootsy kant een gepaste uitlaatklep zoals met het voorzichtig hitgevoelige “Back Of My Mind” of met broeierige afsluiter “Gonna Get It Wrong”. En dan hadden we het nog niet over het atmosferische, z’n titel meer dan waarmakende “Thunderstorm/Hurricane”, Moorers bijzonder geslaagde cover van de Creedence Clearwater Revival-hit “Have You Ever Seen The Rain” en de perfect de niet zelden bruisende sfeer van het zuiden van de States vattende roots ‘n’ roll van “Tear Me Apart”.

“Ik ben trotser op deze liedjes dan op eender welk dat ik eerder schreef.” Je hoort het artiesten naar aanleiding van een nieuwe plaat wel eens vaker verkondigen, maar Moorer mag het in tegenstelling tot velen die haar daarin voorgingen wat ons betreft wél. De dertien songs op “Down To Believing” blijken immers evenveel juweeltjes, voorbestemd tot het achterlaten van kleine krasjes op de ziel van iedereen met een stel tot luisteren bereide oren aan z’n hoofd.

Een verplichte aanschaf plegen wij zoiets hier te noemen…

Allison Moorer, Proper Records

 

VANESSA PETERS “With The Sentimentals” (Vanessa Peters)

(4****)

Het moge ondertussen al wel een poosje duidelijk zijn: Vanessa Peters heeft ontegensprekelijk iets met Europa. Met het Italiaanse trio Ice Cream On Mondays leverde de in Dallas, Texas geboren en getogen Amerikaanse eerder al een drietal “Europese” (groeps)albums af en met het in het Deense Kopenhagen gevestigde Americana-gezelschap doet ze er daar nu nog eentje bij. En wat voor één! Die door haar wederhelft Rip Rowan geproduceerde liedjescollectie weet echt van de eerste tot de laatste seconde te bekoren.

De tien songs ervan werden opgenomen tijdens twee verschillende sessies, eentje in april van vorig jaar en eentje in oktober, maar dat hoor je er absoluut niet aan. “Vanessa Peters With The Sentimentals” blijkt op de keper beschouwd integendeel net één heel erg coherent geheel. Een plaat, die je als luisteraar spelenderwijze inpakt door haar warmbloedigheid. Sfeer was duidelijk een sleutelwoord “this time around”. Dat menen we hier tenminste te mogen afleiden van het behoorlijk atmosferische karakter van nogal wat van de gepresenteerde liedjes.

Neem nu zoiets als openingsnummer “Pacific Street”. Gitarist M.C. Hansen ontlokt daarin aan z’n elektrische klanken, die als gestaag op een hete plaat tikkende waterdruppels lijken te verdampen en dat liedje vrijwel ogenblikkelijk in iets van een waas hullen. Voeg daar de beurtelings een weinig aan die van Mary Chapin Carpenter en die van Aimee Mann herinnerende stem van Peters zelve en een knappe songtekst aan toe en je houdt gelijk een prachtdeuntje in handen. Het eerste van een hele reeks, zoals in de volgende eenenveertig minuten uitvoerig blijken zal. Net wat popgetinter dan in het verleden misschien, maar dat kan de pret wat ons betreft absoluut niet drukken. We vonden het juist heel mooi om te horen, hoe Peters en haar Deense kompanen hier een evenwicht weten te vinden tussen Americana, folk, pop en rock.

Dingen als het zachtjes twangende “Call You All The Time”, de ongemeen sfeervolle rootspopschoonheden “Big Time Underground” en “Mostly Fictions”, de intense ballade “The Choice”, het wat meer richting rockwateren wegdrijvende “Fickle Friends” en andere daar naadloos bij aansluitende songs verdienen zonder uitzondering een groot publiek. Eigenlijk vormen ze samen ontegensprekelijk Peters’ beste plaat tot op heden. Dat belooft dus nog voor de toekomst!

Vanessa Peters

 

MATT WATTS “Songs From A Window” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

“Songs From A Window” is de wederom uitstekende derde langspeler van de al op z’n negentiende in Antwerpen neergestreken en daar blijven hangen Amerikaanse songsmid Matt Watts. De elf liedjes erop verraden andermaal een gedegen kennis van en een diepgaand respect voor de folktraditie. Maar Watts zorgt er wel te allen tijde voor, dat z’n liedjes ook anno 2015 leefbaar blijven. In al hun naaktheid herinneren ze je als luisteraar meermaals aan de jonge Dylan, Leonard Cohen en Nick Drake. En da’s bepaald schoon volk, toch?

Daarbij slechts gewapend met zijn enigszins breekbaar aandoende stem en een akoestische gitaar en her en der even bijgestaan door Guido Op de Beeck (basgitaar) en Joan Giménez Flores (slidegitaar) weet Watts elf nummers lang te vervoeren. Hij profileert zich als een echte meester-verteller van verhalen. Eentje die opzettelijk een intimistische setting lijkt te hebben uitgekozen, omdat een zulke nu eenmaal aanzet tot aandachtiger luisteren. Meer door minder, zoiets… En dat pakt hier doorgaans fantastisch uit. Je hangt quasi voortdurend aan ’s mans lippen. En bijna letterlijk ook. Bij momenten lijkt het immers, alsof hij je gewoon ergens van in een hoekje van je eigen living toezingt.

Onze onverbintelijke luistertips: het Dylan-eske protestliedje “Leonard Peltier”, het bluesy “Orphans” en de ingetogen beauty “Unkind”.

Matt Watts, Starman Records

 

THE PORTER DRAW “The Porter Draw” (The Porter Draw)

(4****)

Als er al één ding is, waarmee je mij serieus snel op mijn paard krijgen kan, dan zijn het wel de vaak mijlenver uit elkaar liggende releasedata van albums in de States en in Europa. Nu begrijp ik best wel, dat artiesten graag willen, dat hun tournees of optredens in een bepaalde regio samenvallen met het uitkomen van hun nieuwe plaat. Maar waar ik absoluut niet bij kan, is dat hier een plaat wordt uitgebracht die in de States bijna een jaar geleden het daglicht zag en daar ondertussen reeds aan een opvolger toe is. Ik denk dan specifiek aan het naar zichzelf vernoemde “The Porter Draw”, de derde cd van dat bandje uit Albuquerque, New Mexico. Een fantastische plaat, daar niet van, maar ondertussen wel reeds oud nieuws, aangezien met “More Trouble” via de Bandcamp-pagina van de groep sinds enkele dagen reeds een nieuw album verkrijgbaar is. In door het internet gedomineerde tijden zou het, als je het mij vraagt, eigenlijk niet meer mogen kunnen…

Maar goed: “The Porter Draw” is, zoals hoger al even aangegeven, een fantastische plaat en verdient onze aandacht dus nog wel. Ze staat immers boordevol alternatieve country van het type dat zo ongeveer elke liefhebber van het genre zou moeten kunnen aanspreken. Een negental ijzersterke eigen songs worden erop gekoppeld aan een ook al buitengewoon knappe cover van de Springsteen-hit “I’m On Fire”. En wat daarbij steeds weer opvalt, is dat de heren duidelijk hun geschiedenis kennen. De traditie wordt zo goed als nergens uit het oog verloren, maar krijgt hier wel een hoogst aanstekelijke facelift mee. Catchy alt-country songs met geregeld een uitschuiver richting bluegrassvriendlijkere oorden zijn aan de orde van de dag. Met daarbij opvallende rollen voor de elkaar werkelijk uitstekend aanvullende vocalisten Russell Pyle (gitaar en zang) en Joshua Gingerich (gitaar, harmonica, mandoline en zang). Ben Wood (banjo), Dandee Fleming (bas) en Joey Gonzales (drums en percussie) vervolledigen het groepsplaatje.

Liefhebbers van klassieke acts als Whiskeytown, Wilco, Son Volt en aanverwanten moeten hier beslist even naar luisteren! Dingen als het ingehouden twangy “Judgment Day”, het nadrukkelijk met bluegrass flirtende “Softened Soil”, het aardig uitgelaten “County Lines”, het ingetogen (country)rockende “Out On The Highway”, het ongemeen sfeervolle “One More Night” en andere zullen bij hen vast in goede aarde vallen.

“The Porter Draw” is momenteel via het “name your price”-principe beschikbaar via de Bandcamp-pagina van de heren. Hun nieuwe worp “More Trouble” kost daar ook amper $5.00. Voor de prijs moet je het dus al zeker niet laten…

The Porter Draw, Bandcamp

 

RAINA ROSE - REBECCA LOEBE - SMOKEY & THE MIRROR “Three Nights Live” (Goose Creek Music And Entertainment)

(4,5*****)

Het project “Three Nights Live” herbergt met Raina Rose, Rebecca Loebe en Smokey & The Mirror maar liefst drie uitstekende Americana acts. Het album vormt als het ware een samenvatting van drie aan het eind van 2013 in het zuiden van de States afgewerkte optredens. Meer bepaald gigs in McGonigel’s Mucky Duck in Houston, The Cactus Cafe in Austin en The Blue Door in Oklahoma City. Bij liefhebbers van het betere luisterlied stuk voor stuk hoog aangeschreven “venues”.

Het afgewerkte programma bestond daarbij voornamelijk, maar lang niet uitsluitend uit eigen materiaal. Zo wordt er bijvoorbeeld geopend met een werkelijk oorstrelend mooie versie van “These Days” van Jackson Browne en afgesloten met een al even pakkende lezing van het je vast ook wel in de uitvoering van Smokey Robinson& The Miracles bekende “Tracks Of My Tears”. En tussendoor moeten ook “California Stars” van Jeff Tweedy, Jay Bennett en Woody Guthrie - En hier gebracht als deel van een medley met de Loebe-compositie “Marguerita”! - , “Dublin Blues” van Guy Clark en “Loretta” van wijlen Townes Van Zandt nog eraan geloven.

Voorts stoten we enkel nog op eigen materiaal, waaronder nog enkele exclusiviteitjes. Rebecca Loebe’s vertederende “Lie” is bijvoorbeeld nog nagelnieuw en ook het soulvolle “Goodnight Lorena” van de Hembrees (Smokey & The Mirror) en de full-band-versie van Raina Rose’s “Act Of God” zal u elders vergeefs zoeken. En laat dat nu toch net drie van de echte topmomenten van “Three Nights Live” zijn zeker…

Van Rose horen we verderop ook nog het prachtige “Swing Wide The Gates” en de ook al zeer mooie ballade “Bluebonnets”, van Loebe het fraaie duo “California” en “The Chicago Kid” en van Bryan en Bernice Hembree “Somewhere In The Middle”, “Rag And Bone” en “St. Alban’s Day”. Samen met het al eerder opgesomde songmateriaal goed voor net geen uur buitengewoon geslaagd Americana-vertier. “Live music” van de bovenste plank! In een productie van Rebecca Loebe zelve ook overigens.

Warm aanbevolen!

Raina Rose, Rebecca Loebe, Smokey And The Mirror, Goose Creek Music And Entertainment

 

HAT CHECK GIRL “At 2 In The Morning” (Gallway Bay Music)

(4****)

Ik heb hier nog maar zelden een album mogen bespreken, waarvan de vlag de lading zozeer dekte als deze van “At 2 In The Morning” van het duo Hat Check Girl. De titel van die ondertussen toch ook alweer vijfde worp samen van Peter Gallway en Annie Gallup blijkt immers bepaald niet willekeurig gekozen. In de liner notes wordt ons meteen duidelijk gemaakt, waar het tijdens de opnames van de elf songs erop allemaal om draaide: twee stemmen en twee instrumenten. “The way we would play these songs at 2 in the morning.”

En Gallway imponeert daarbij eens te meer met z’n heerlijke goudbruine stem en z’n subtiele snarenbenadering. In de van hem ondertussen welbekende stijl tovert hij voortdurend op zowel de akoestische, als de elektrische gitaar. Gallup van haar kant beperkt zich niet enkel tot engelachtige gezongen bijdragen en wat spielereien op tal van gitaren, ze mag waar nodig ook graag de banjo, de lap steel of de dobro bovenhalen.

Het resultaat? Een album, dat wij hier nog vaak met veel plezier op het in zijn titel voorgestelde tijdstip zullen tot ons nemen. Een album, dat ons vooral sfeermatig regelmatig deed terugdenken aan het werk van Joni Mitchell en in iets mindere mate ook Leonard Cohen. Je zal er hoegenaamd geen noot teveel op horen. Alles lijkt op het voortdurend rond het thema “connection” draaiende “At 2 In The Morning” zo z’n redenen te hebben. Zelfs de stiltes lijken functioneel. Ze accentueren als het ware het net uitgesprokene. Prachtig gewoon!

Als we hier nog snel enkele luistertips mogen geven, dan wel deze: het door de Texaanse songsmid Eric Taylor geïnspireerde openingsnummer “Texas”, het met een vertederende melodie gezegende en door Gallup gedragen “Three Wives” en het over sec banjogepingel en ijzige gitaarklanken uitgestreken resumé van een zo te horen weinig bevredigend liefdesleven “Leaving”.

Mocht u het ondertussen nog niet begrepen hebben: in het gezelschap van Gallway en Gallup is minder effectief meer. Prachtplaat!

Hat Check Girl

 

MARY’S LITTLE LAMB “Fortune & Chance” (Mary’s Little Lamb)

(4****)

Goede wijn behoeft naar verluidt geen krans, maar toch… Met Mary’s Little Lamb heeft Vlaanderen er een alternatief countrygezelschap bij om trots op te zijn. Wat dat zestal uit Keerbergen op z’n debuutplaat “Fortune & Chance” presteert, getuigt immers van grote, grote klasse. Met elf eigen nummers en een verdomd eigenzinnige cover van het door Leon Payne gepende, maar al bij al vooral in de uitvoering van de grote Hank Williams bekende “Lost Highway” laten Bart Hendrickx (zang, gitaar en banjo), Bert Cuypers (contrabas en basgitaar), Mike Van Daele (drums en percussie), Bart Geens (cornet en bugel), Michaël De Weerdt (cornet) en Sander Augustynen (trombone) er niet de minste twijfel over bestaan: hier staat een groep waar we nog heel veel plezier aan zullen gaan beleven.

Zo ongeveer alles op dit visitekaartje doet nu al volop hunkeren naar meer. Zo is er om te beginnen bijvoorbeeld de heerlijke zang van kopstuk Hendrickx. Het is absoluut niet overdreven om te stellen, dat er wat Cash door diens aderen stroomt. Iets wat vooral in de wat tragere nummers op “Fortune & Chance” behoorlijk opvalt. We denken dan bijvoorbeeld aan de omineuze sleper “Lift The Curse” of aan het donkere, met Jorunn Bauweraerts van Laïs gebrachte afsluitende duet “Don’t Let The Day Break”.

De jonge Cash blijkt verder ook geregeld nadrukkelijk aanwezig in de aan heel wat van de liedjes hier ten grondslag liggende ritmes. Zo is het bijvoorbeeld heel erg moeilijk om naar dingen als openingsnummer “Pariah” en het meteen daaropvolgende en met swingende blazers opgewaardeerde “Sugar Coat” te luisteren zonder ogenblikkelijk aan de Tennessee Two te gaan denken. Maar het siert die van Mary’s Little Lamb dat ze niet blijven steken in louter epigonisme, want – Laat dat vooral duidelijk zijn! – daarvan is hier absoluut geen sprake. Je in ons land aan alternatieve country en americana wagen houdt quasi per definitie in terugvallen op Amerikaanse voorbeelden. Maar dat hoeft geen minpunt te zijn, zolang je maar creatief met die invloeden om weet springen. En daarin tonen Bart Hendrickx en zijn maats zich echte meesters. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar de schitterende trage “It Can’t Go Wrong” en je zal meteen weten wat we daarmee bedoelen. Ritmegewijs denk je aan Cash, subtiel blaaswerk verwijst op zijn beurt dan weer naar Calexico en tal van andere elementen herinneren aan de soundtrack bij zo menig een klassieke western uit onze jeugd. Echt bloedmooi! En geen wonder dan ook, dat het door de makers van de Eén-reeks De Ridder reeds werd opgepikt voor de soundtrack van hun tweede seizoen.

En als we het hier dan toch al hebben over de filmische kwaliteiten van de muziek van Mary’s Little Lamb, dan kunnen we zeker ook niet voorbij aan het tweetal “The Outlaw” en “Mirage”. Het eerste hengelt mede door een alweer zalige blazersbijdrage nadrukkelijk naar een stek op de soundtrack van een spaghettiwestern genre die van wijlen Sergio Leone, het tweede blijkt een tot de verbeelding sprekende instrumental, die je als luisteraar op sleeptouw neemt doorheen de verzengende hitte van de één of andere niets ontziende woestijn.

In “Little Worries” gaat het vervolgens ook even de jazzy toer op, ”Cursed City” is een op een even simpele als aanstekelijke melodie geënte streep old school country en in “Fire In The Core” mag het bluesverleden van enkele van de bandleden heel even een woordje mee komen spreken. Eén van dé absolute hoogtepunten van het geheel blijkt aansluitend nog “A Long Way From Home”. Gedane dingen nemen geen keer, leren we weer maar eens uit die ongemeen sfeervolle, bij momenten nogal excentriek uitgevallen “creeper”.

’t Is dat die van Calexico met The Barr Brothers al een voorprogramma blijken te hebben voor hun eraan komende Europese tournee, wij hadden er anders wel eentje geweten…

Mary’s Little Lamb

 

AWNA TEIXEIRA “Wild One” (Lucky Dice Music)

(3,5****)

“Wild One” is de opvolger van het ondertussen zo’n twee jaar geleden verschenen “Where The Darkness Goes”, het solodebuut van Awna Teixeira. De naam van die Canadese met Portugese roots zal bij de meesten wellicht nog wel een belletje doen rinkelen vanwege haar gesmaakte bijdrage aan het project Po’ Girl.

Op “Wild One” doet Teixeira het met elf eigen liedjes. Veelal behoorlijk persoonlijk van aard. En niet zelden geworteld in haar eigen leven. Een heel mooi voorbeeldje daarvan is ontegensprekelijk “Blue Heart On Your Sleeve”. In die fraaie ballade vraagt Teixeira immers om onze aandacht voor geestelijke ziektes. Een onderwerp, dat haar heel nauw aan het hart ligt, omdat haar eigen oma er al jaren mee worstelt. En hoe nauw dan wel, dat bewijst wel het feit dat ze een deel van de inkomsten van haar op stapel staande tournee doorheen Nederland zal doneren aan De Jutters, een locale organisatie, die zich inzet om hulp te bieden aan mensen met psychische klachten.

Andere momenten van vertederende schoonheid hier: het buitengewoon sfeervolle titelnummer, de liefdesliedjes “Little Ghost Of A Whale” en “Away We Go”, het voor het pasgeboren dochtertje van haar vrienden Allison Russell en Jeremy Lindsay van Birds Of Chicago geschreven “The Light In You” en vooral ook “In The Wintertime”. Dat schreef Teixeira ter nagedachtenis aan een goede vriend, die jarenlang met een depressie worstelde. Door erin gebruik te maken van spreekwoorden afkomstig uit diverse Native American-talen verleent ze aan dat liedje een nog net wat specialer gevoel dan aan heel wat andere hier.

Samen met Dave MacKinnon tekende Awna Teixeira ook zelf voor de productie van “Wild One”. En op de gastenlijst ervan treffen we verder onder meer ook nog de namen van Suzie “Oh Susanna” Ungerleider en JT & The Clouds-toetsenist Drew Lindsay aan.

Awna Teixeira, Lucky Dice Music

 

RICH HOPKINS & THE LUMINARIOS “Tombstone” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ondertussen al ruim meer dan een kwart eeuw lang staat hij garant voor desert rock van het werkelijk allerbeste soort, deze Rich Hopkins. Hijzelf (zang en gitaren) en zijn anno 2015 verder ook nog uit wederhelft Lisa Novak (zang, gitaar en percussie), Jon Sanchez (gitaren, sitar, keyboards, synthesizer en harmonica) en George Duron (drums) bestaande Luminarios ploegen op het onlangs verschenen “Tombstone” doorheen twaalf nieuwe liedjes, waarvan de overgrote meerderheid van het eerder beenharde type blijkt. En in dat opzicht is het ook echt wel de opvolger van voorganger “Buried Treasures” geworden. Ook die plaat verkende immers al uitgebreid terug Hopkins’ stevigere kant.

In een met Lars Goransson gedeelde productie en met waar nodig bijkomende studiohulp van bassisten Duane Hollis, Paul Beebe en George Reiff, gitaristen Larry Cooper en Damon Barnaby en drummer Alan Anderson knallen Hopkins en co hier als in hun beste momenten. De nieuwe songs, waaronder zonder uitzondering de naam Hopkins prijkt, al dan niet in combinatie met die van Novak en/of Sanchez, gaan naar aloude Hopkins-traditie ook nu weer graag op de wat grotere vraagstukken van het leven in. Met onder meer moraal, waarden en deugden meermaals als leidraad.

Tussen de behoorlijk catchy uitgevallen opener, het gelijk maar alle gitaarsluizen openzettende “Don’t Worry”, en de voor het geheel enigszins atypische afsluiter, het aan Novaks moeder, de je misschien wel van haar rol binnen de Southernaires bekende Leona Novak, opgedragen alternatieve countrywalsje “Leona’s Waltz” – Gezongen door haar toenmalige “band mate” Arnold Parker! – gebeurt er rijkelijk veel interessants. Met name het ook al aardig radiogenieke, door een werkelijk meesterlijke riff van Sanchez gedragen “Everything”, het bijna voortdurend door liefst drie elektrische gitaren aangejaagde titelnummer, het melodieuze “Home Of The Brave” en het monumentale, een aardig eind richting de acht minuten uitdeinende “Top Of The World” bevielen ons werkelijk uitstekend.

Straffe kost!

Rich Hopkins & The Luminarios, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

DERROLL ADAMS “Banjo Troubadour, A Live Recording” (LP + CD) (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4****)

Met “Banjo Troubadour, A Live Recording” krijgt de een groot deel van zijn leven in ons land doorgebracht hebbende Amerikaanse folklegende Derroll Adams vijftien jaar na z’n dood postuum een muzikaal gedenkteken. En eigenlijk had men daarvoor geen beter moment kunnen uitkiezen. Nooit was de banjo hier immers zo populair als nu. Onder invloed van acts als Mumford & Sons, de Avett Brothers en aanverwanten lijkt ons land meer dan ooit klaar voor een rootsmuziekboom.

Het betreft hier een tiental door de Belgische openbare omroep – Toen nog gewoon BRT! – gemaakte live-opnames. Vier daarvan werden op 28 februari 1973 ingeblikt tijdens de “Troubadoursavond” in de Aula van het Maria-Theresiacollege in Leuven. Meer bepaald de door Adams zeer onderhoudend ingeleide traditional “Darling Corey”, de zijn vaardige vingers op de vijfsnarige banjo alle ruimte latende eigen compositie “The Sky” en twee verdere overgeleverde stukken, te weten “Blue Ridge Mountain” en “900 Miles”. De overige zes stukken zijn een weinig jonger. Zij werden in april 1980 door Omroep Antwerpen vereeuwigd tijdens de elfde editie van de Country Evening in de plaatselijke zaal Elckerlyc. Afgetrapt wordt er met een werkelijk van de vitaliteit bruisende versie van “Rich & Rambling Boy” van A.P. Carter en verderop stoten we ook nog op Jimmie Rodgers’ “Muleskinner Blues”, Woody Guthrie’s “Ain’t Got No Home In This World Anymore” en overgeleverde stukken als “Columbus Georgia”, “Freight Train Blues” en “Wildwood Flower”.

Tien liedjes, die als u het ons vraagt uitermate geschikt zijn om Adams te introduceren bij een potentieel nieuw publiek. De combinatie van ’s mans gloedvolle voordracht, zijn kwaliteiten als verteller, zijn vingervlugge behandeling van zijn banjo en zijn rootsvriendelijke, nadrukkelijk in bluegrass en old-time country en folk gewortelde songkeuze zijn immers ook zoveel jaren na datum nog steeds serieuze troeven. Maar overtuigt u zich daarvan vooral zelf! U zal het zich absoluut niet beklagen!

Derroll Adams, Starman Records

 

DANNY SANTOS Y ¡LOS BLUEGRASS VATOS! “Hogtied” (Brambus Records)

(4****)

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten, dat we de Texaanse songsmid Danny Santos hier al sinds tijden een warm hart toedragen. Met albums als “Sinners & Saints”, “Headaches & Heartaches”, “Say You Love Me Too” en het vorig jaar verschenen “This Old World” wist hij ons in het verleden eigenlijk steeds weer op onze wenken te bedienen. En dat is ook met het nieuwe “Hogtied” überhaupt weer niet anders. Al is dat dan ook een totaal andere plaat geworden dan we van Santos door de jaren heen gewoon zijn geraakt.

Op “Hogtied” belijdt de songsmid immers zijn aangeboren voorliefde voor het bluegrassgenre. Samen met Eddie Collins (akoestische gitaar, banjo, mandoline en staande bas), Wes Green (mandoline en harmony vocals) en Seymour Guenther (staande bas en harmony vocals) oftewel ¡Los Bluegrass Vatos! troont hij ons daarop doorheen acht eigen composities, een viertal deuntjes van de hand van z’n gelegenheidssecondanten Eddie Collins en Wes Green en twee ondertussen onder de noemer “Public Domain” terug te vinden liedjes (“Sittin’ On Top Of The World” en “Rider”).

Santos’ benadering van dit voor hem nieuwe gegegeven verschilt vooral daarin van de doorsneebluegrassplaat, dat hij vrijwel nergens verbergen kan, dat hij van nature uit een singer-songwriter is. Iemand die graag mag focussen op het inhoudelijke van een liedje, iemand met een voor het genre eigenlijk net wat te rauwe stem. Zie voor een vergelijkbaar verhaal bijvoorbeeld ook de bluegrassplaten van collega’s Fred Eaglesmith en Robert Earl Keen.

Maar goed, laat dat vooral geen punt van kritiek lijken, want dat is het zeer zeker niet. Het verleent integendeel juist dat extra iets aan dit geheel, wat veel bluegrassalbums missen. En verhalen als dat over de het door “l’amour” versnelde einde van de outlaw uit de titel ervan bezingende “Billy The Kid Died For Love”, het zich ook al met de liefde inlatende “Any Kind Of Love” en al wat oudere dingen op Santos’ repertoire als daar zijn “Josephine”, “Hungry For Love”, “Tellin’ Me Things I Need Her To” en “Before You Turn Around And Go” vonden hier dan ook een graag tot luisteren bereid oor. En her en der opduikende instrumentaaltjes als “Snake Eyes”, “The Night Watchman” en “Hobo’s Hubub” namen we er al bij al ook graag bij als geslaagde muzikale intermezzo’s.

Dit hoeft wat ons betreft absoluut niet tot iets eenmaligs beperkt te blijven!

Danny Santos, Brambus Records

 

JIM ED BROWN “In Style Again” (Plowboy Records)

(3,5****)

Als we het hier over Jim Ed Brown hebben, dan hebben we het over echte “country royalty”. Met zijn zussen Maxine en Bonnie scoorde hij onder de naam The Browns al in de jaren vijftig tal van grote hits, waaronder “I Heard The Bluebirds Sing”, “Scarlet Ribbons” en de millionseller “The Three Bells”. En later zou hij het ook in z’n eentje en gekoppeld aan Helen Cornelius verre van kwaad doen. Dingen als “Pop A Top”, “Southern Loving”, “Morning”, “I Don’t Want To Have To Marry You” en “Lying In Love With You” zouden zo bijvoorbeeld gekende leerstof mogen zijn. Vooral dan het eerste liedje van dat vijftal.

En die Jim Ed Brown is sinds kort weer helemaal terug van weggeweest. Ruim drie decennia was het ondertussen geleden, dat hij nog eens een soloplaat inblikte, maar met “In Style Again” is het eindelijk weer zover. En het is een heel erg fijne geworden ook. Liefhebbers van traditionele country zullen er een vette kluif aan hebben.

Mooi, hoe in de dertien liedjes erop eigenlijk alle haltes uit ’s mans omvangrijke carrière weer even worden aangedaan. Openingsnummer “When The Sun Says Hello To The Mountain” – Hier vooral bekend als “The French Song” in de Franstalige uitvoering ervan uit 1964 door de Canadese Lucille Starr! – blijkt zo een hernieuwde samenwerking met z’n zus Bonnie, “Tried And True”, een samenwerking met Vince Gill, grijpt terug naar de hoogdagen van het honky-tonkgenre en de klassieke sleper “Don’t Let Me Cross Over” koppelt Brown opnieuw aan z’n voormalige duetpartner Helen Cornelius.

En ook tussen al die nummers door en erna valt er hier heel wat te genieten. Zo zijn er bijvoorbeeld het als een stijlvolle, Don Williams-achtige ballade verpakte titelnummer, het zachtjes swingende “Watching The World Walking By”, het met The Whites gedeelde en heel erg “seventies” aandoende “You Again”, het enigszins jazzy uit de hoek komende “Older Guy”, liefdesliedje “Laura (Do You Love Me)” en de aan een wat ons betreft met betrekking tot de binnenkort tachtig wordende Brown compleet overbodige vraag opgehangen afsluiter “Am I Still Country?”.

Voor de productie van “In Style Again” tekende Don Cusic. Studiohulp was er voor Brown naast van de al genoemde gasten onder meer ook nog van Michael Baker (gitaar), Glen Duncan (gitaar, mandoline en viool), John Hobbs (piano en orgel), John McTigue (drums), Dave Roe (bas) en Chris Scruggs (gitaar en pedal steel).

Jim Ed Brown, Plowboy Records

 

DIFTONG “The Rocket Swing” (Come Undone Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Voor de opnames van z’n vierde cd, het naar een door z’n vader van een versleten zijspan van een motorfiets gefabriceerde en wel wat van een raket hebbende schommel uit zijn jonge jaren vernoemde “The Rocket Swing”, zakte de Nederlandse songsmid Diftong naar het verre Canada af. Naar Nova Scotia meer bepaald. In een productie van Dale Murray en bijgestaan door tal van lokale muzikanten, waaronder verder onder meer ook nog Christina Martin, nam hij er de tien liedjes van de opvolger van het twee jaar geleden verschenen “Holy Bones” op.

En vonden we dat hier al een goede plaat, dan vinden we “The Rocket Swing” gewoon nog een heel stuk beter. Een echt groeibriljantje eigenlijk. Een album, dat je met elke nieuwe beluistering ervan weer wat meer naar binnen zuigt. Tot de nok toe gevuld met werkelijk puntgave Americana opgetrokken uit min of meer gelijke delen folk, country en rock. En bovenal ook gezegend met erg knappe teksten. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het banjogestuurde en aan de woorden van legende Dylan Thomas opgehangen “Dying Of The Light”, waarin onze protagonist ons oproept ons leven vooral ook tot het einde toe echt te blijven leven. Of het volledig akoestisch gebrachte niemendalletje “Jubilee” ook. In het gezelschap van Christina Martin maakt Diftong ons daarin deelachtig aan de weg richting z’n eigen zilveren huwelijksjubileum. Knap, hoe hij je met een voorzet uit z’n persoonlijke levenssfeer telkens ertoe weet aan te zetten om ook over die van jezelf na te gaan denken.

Andere veritabele prachtsongs hier: het door Dale Murray van lekker wegrockend gitaarwerk voorziene “Vintage Van”, het als een ogenblikkelijk tot kippenvel aanleiding gevende ballade verpakte titelnummer, het old-timey “A Storyville Blue Note” en het afsluitende, wat ons betreft aardig radiovriendelijk uitgevallen “One For The Road”. Maar eigenlijk staat op “The Rocket Swing” gewoon niets minders op, hoor! ’t Is een plaat, waar Diftong terecht fier op mag zijn.

Diftong, Sonic Rendezvous

 

ERIN HARPE & THE DELTA SWINGERS “Love Whip Blues” (Vizztone / Sonic Rendezvous)

(4****)

Veel aanstekelijker dan dit worden ze mijns inziens niet (meer) gemaakt. Al dagenlang nu begeleiden deze Erin Harpe en haar Delta Swingers me op weg naar m’n werk en terug. Bijzonder knap, hoe de vanuit Boston actieve Amerikaanse en haar band op hun debuutalbum “Love Whip Blues” Missississippi delta blues kruisbestuiven met tal van andere genres, als daar zijn onder meer funk, soul en reggae.

Het resultaat van hun noeste arbeid is regelrecht onweerstaanbaar. Gelijk van bij het openingstweetal, hun “signature song” “The Delta Swing” en het door een extreem catchy mondharmonicaatje aangejaagde titelnummer, is het volle bak prijs. “Delta swing” indeed! Zo swingend als de spreekwoordelijke tiet. En eigen nummers bovendien ook nog eens. Twee van de vier hier zoals later blijken zal. Voor het overige een trits redelijk unieke interpretaties van materiaal van anderen. We noemen in dat verband onder anderen Willie Brown, William Moore, Lucille Bogan en “good old” John Prine. Van die laatste brengt Harpe op buitengewoon funky wijze de klassieker “Angel From Montgomery”. Nooit vermoed, dat daar zo’n catchy dansdeuntje – Delta country soul? – achter schuilging eigenlijk…

Andere absoluut ook niet te versmaden momenten hier: een hypernerveuze lezing van Willie Browns “Future Blues”, het soulvolle, door Harpe samen met haar secondanten Richard Rosenblatt en Jim Countryman gepende en op buitengewoon subtiele wijze van een reggae-ondertoontje voorziene “Good Luck Baby” en het lang niet enkel met een veelzeggende titel gezegende “Virtual Booty Blues”. Nummers als deze en andere maken van Erin Harpe en haar kompanen een collectiefje om in de toekomst nauwlettend in de gaten te houden. Gaan we ongetwijfeld nog heel veel goeds van en over horen!

Erin Harpe & The Delta Swingers, Vizztone, Sonic Rendezvous

 

THE BABOONS “Uptown And Back Again” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(5*****)

Vijf sterren? Yep! Abso-zeker-weten-luut! Deze derde van The Baboons is immers gewoon ronduit verbluffend. Wat het Turnhoutse bandje op “Uptown And Back Again” presteert, mag wat mij betreft zonder nadenken naast het beste van The Blasters in hun hoogdagen. Dit is – Om het met de woorden van good old Dave Alvin zelve te omschrijven! – “American music” van het werkelijk allerbeste soort. Een dermate “spicy gumbo” van rock & roll, R&B, country en blues, dat zelfs de meest luie kont er spontaan van aan het shaken zal gaan.

Gelijk van bij openingsnummer “Let Me Be”, werkelijk rete-aanstekelijke New Orleans style R&B, hebben Arthur De Winter en de zijnen je als luisteraar stevig bij je nekvel. En lossen zullen ze je pas ruim drieënveertig minuten later weer, als ze met “No Way Out” een fameus laatste salvo hebben afgevuurd. Johnny Cash onder de steroïden, zoiets. En eindelijk een opvolger voor hun “hit” “Drinkin’ Gasoline”.

Tussentijds zijn er echter nog elf andere kostelijkheden de revue gepasseerd. Om te beginnen het ook al geweldige titelnummer, een moddervette kruisbestuiving van “Diddley” rock & roll, rockabilly en R&B. Een echt “monster”! Vervolgens zijn er de onder meer door leadgitarist Kristof Koyens met een tot de verbeelding sprekende snarenbijdrage richting exotischer oorden gestuwde rock & roll-hybride “Where Do You Get Your Love”, de ondertussen als eerste single uitgebrachte countryrocker “Devil Moon”, de bluesy “late night creeper” “Rain”, de nadrukkelijk een plaatsje in het kielzog van de legendarische Blasters opzoekende rock & roll-opstoot “Texas Sun” en “I’m Just A Fool To Care”, de enige cover op “Uptown And Back Again”, een prima versie van die zalige R&B-trage van de hand van Neville Brother Art.

In de schemerzone tussen roots rock, rock & roll en R&B stoten we vervolgens op de gelijk tot een fanatiek potje meemuilen uitnodigende stamper “Hard To Cool Down”. Gegarandeerd een toekomstige live-favoriet, dat nummer. “Deepest Shade Of Blue” zou op zijn beurt dan weer wonderen moeten kunnen verrichten in de ether. ’n Beetje country, ’n beetje soul, ’n beetje rock & roll, wie zegt er daar nu in godsnaam nee tegen? En al zeker, wanneer het zo knap midtempo gebracht wordt als hier. Resten dan nog: de schokschouderend je dag kleurende twangy rockers “She’s Sweet” en “Hangin’ On” en het streepje muziekgeworden verleiding “Love U Right Tonight”, met De Winter op z’n allerzwoelst.

The Baboons, Starman Records

  

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home