CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

MATT ANDERSEN “Honest Man” - DIVERSE ARTIESTEN “The Stockfisch DMM-CD/SACD Vol. 2” - BIRDS OF CHICAGO “Real Midnight” - GENE CLARK “Two Sides To Every Story” - JETBONE “Magical Ride” - SCOTT BRICKLIN “Lost Til Dawn” - CAM PENNER “Sex & Politics” - SIX STRING YADA “Diluted Roots” - VICKY EMERSON “Wake Me When The Wind Dies Down” - PAUL HANDYSIDE “Tide, Timber & Grain” - HEGE BRYNILDSEN “When My Man Comes To Town” - BUDDY MILLER & FRIENDS “Cayamo Sessions At Sea” - BEN ARNOLD “Lost Keys” - CAROLINE AIKEN “Broken Wings Heal” - WEST OF EDEN “Look To The West” - BIANCA DE LEON “Love, Guns & Money” - JOS HOL “Windvogel” - DORI FREEMAN “Dori Freeman”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

MATT ANDERSEN “Honest Man” (True North Records / Bertus)

(4,5*****)

Bij het beluisteren van “Honest Man”, de door de je misschien ook wel van z’n werk met onder anderen Amy Winehouse en Joss Stone bekende Commissioner Gordon geproduceerde nieuwe van blues- & rootsfenomeen Matt Andersen, moest ik onwillekeurig steeds weer denken aan de jarenlang door het Nederlandse biermerk Grolsch gehanteerde slogan “Vakmanschap is meesterschap!” Want een echte vakman, dat is hij wel, die bebaarde Canadees. Dat bewijst hij hier, daarbij quasi en passant nogal wat nieuw territorium verkennend, eigenlijk meer dan ooit.

Afgetrapt wordt er met het zomers luchtige “Break Away”. Zou binnenkort zomaar eens een radiohitje kunnen worden, dat met een bedaard exotisch ritme flirtende poppy R&B-niemendalletje. Iets wat, zo leren we al snel, voor wel meer dingen hier geldt. Zo ook voor het meteen daarop volgende “The Gift” bijvoorbeeld al. Een knappe soulvolle trage, waarin Andersen stemgewijs bij momenten redelijk dicht in de buurt van de door ons allen betreurde Joe Cocker strandt.

Titelnummer “Honest Man” zoekt het vervolgens on the funky side of life, “I’m Giving In” blijkt een echte wolk van een ook al om media-aandacht schreeuwende hitgevoelige pianoballade en “Quiet Company” is bij nader inzicht just that, een fraaie rustige parel ergens op het snijvlak tussen roots pop en Americana. “Let’s Get Back” teert op zijn beurt ongegeneerd op een heerlijke soul groove, “All The Way” doet in het kielzog daarvan bijna onopvallend hetzelfde en “Last Surrender” gaat aansluitend daarop ontegensprekelijk lopen met de titel van best of the lot. Heel veel mooier wordt soul anno nu als u het mij vraagt niet meer gemaakt. Heeft echt wel aardig wat Otis Redding in de aderen, die prachtdeun!

Resten er dan nog: het lekker wegrockende “Who Are You Listening To?” en de alweer heel erg mooie en z’n titel dus volop waar makende trage “One Good Song”.

“Vakmanschap is meesterschap!” indeed! Met een plaat van dit kaliber verdient Andersen wat mij betreft een doorbraak op héél grote schaal.

Matt Andersen

 

DIVERSE ARTIESTEN “The Stockfisch DMM-CD/SACD Vol. 2” (Stockfisch Records)

(4****)      

Het vanuit het Duitse Northeim actieve Stockfisch Records staat al sinds jaar en dag garant voor klankperfectie. Al bijna veertig jaar lang streven Günter Pauler en de zijnen naar het best mogelijke geluid voor hun klanten. Een gegeven waarvan met name singer-songwriters graag mogen profiteren. En dus belanden er ook regelmatig Stockfisch-albums op onze schrijftafel. Zoals ook nu weer.

Ditmaal betreft het daarbij het uitzonderlijk fijn verpakte “The Stockfisch DMM-CD/SACD Vol. 2”. In een zestig pagina’s tellend en fraai geïllustreerd boekwerk wordt ons heel helder uitgelegd, hoe men er dezer dagen in Northeim alles aan doet om het warme geluid van vinyl zo dicht mogelijk te benaderen. Maar zonder de soms aardig storend werkende tekortkomingen daarvan dan. En zo ontstond de DMM-CD/SACD.

En niets beter om ons te overtuigen van de kwaliteit daarvan dan wat muziekjes natuurlijk. En die komen this time around van recente albums van Carrie Newcomer (“The Slender Thread”), Allan Taylor (“Endless Highway”), Paul Stephenson (“Girl With A Mirror”), Sara K. (live met Chris Jones in “What’s A Little More Rain”), Ranagri (“Tremors”), David Munyon (“Prayers Of Elvis Presley”), Tony Christie & Ranagri (“Wild Mountain Thyme”), David Roth (“Be Kind To Yourself”), Carl Cleves & Parissa Bouas (“Nothing’s Gonna Last Forever”), Paul O’Brien (de Joni Mitchell-cover “Big Yellow Taxi”), Steve Strauss (“Sea Of Dreams”) en Kerstin Blodig (“Out Of The Woods 2 (Impro)”). Noem het maar een soortement best of van het recentere Stockfisch-werk.

Twaalf mooie liedjes in sublieme geluidskwaliteit, wat heeft een mens nog meer nodig voor een knus winteravondje bij de open haard?

Stockfisch Records

 

BIRDS OF CHICAGO “Real Midnight” (V2)

(5*****)         

Birds Of Chicago zou u ondertussen stilletjesaan mogen kennen als het in 2012 aangegane muzikale huwelijk tussen JT Nero van JT And The Clouds en Alison Russell van Po’ Girl. Mocht dat nog niet het geval zijn, dan zal dat zeker niet aan ons gelegen hebben. Wij lieten ons hier in het verleden immers al aardig lovend uit over zowel hun titelloze eerste samen als over de concertregistratie “Live From Space”. En iets anders zijn we eigenlijk ook nu naar aanleiding van hun zogeheten “moeilijke tweede” absoluut niet van plan. ’t Is maar dat u het weet!

“Real Midnight” is wat je noemt een echte moordplaat. Een elf nummers lang durend muzikaal orgasme, productioneel in goede banen geleid door niemand minder dan Joe Henry, de man die in het recente verleden onder meer ook al de een weinig in de vergeethoek geraakte soulgrootheden Solomon Burke en Bettye Lavette, de Carolina Chocolate Drops en gelegenheidsduo Rodney Crowell-Emmylou Harris van een geweldig geluid wist te voorzien. Iets wat ook hier weer nadrukkelijk het geval is. De driehoek Nero-Russell-Henry staat zo ongeveer voor je reinste magie. Voor een volstrekt uniek iets ook. En dat net geen drie kwartier lang.

Van de bedaarde soulvolle rock van openingsnummer “Dim Star Of The Palisades” tot het ook al van de ingehouden spanning levende “Remember Wild Horses”, van het vertederende, door Russell op indrukwekkende wijze ijle hoogten ingezongen “Kinderspel (Child’s Game)” tot de uitgelaten, bij momenten bijna gospelesk ingevulde roots pop van “Estrella Goodbye”, van de met name door de werkelijk onwaarschijnlijk mooie samenzang tussen beide protagonisten erin opvallende pianoballade “Real Midnight” tot het door Russell met uitzondering van wat percussie volledig a cappella gedeclameerde “Barley”, van de melancholiek soulvolle trage “Color Of Love” tot het maar langzaam z’n geheimen prijsgevende en daar nagenoeg perfect bij aansluitende “Time And Times”, van het wat meer naar de rootsy kant neigende “Sparrow” tot het afsluitende tweetal “The Good Fight” en “Pelicans”, de elf nummers op “Real Midnight” zijn zonder ook maar één enkele uitzondering geweldig. En ik zou het album dan ook nu al bijna een certitude voor m’n jaarlijst van 2016 durven te noemen!

Birds Of Chicago, Lucky Dice Music

 

GENE CLARK “Two Sides To Every Story” (High Moon Records / V2)

(3,5****)

Hoe afhankelijk je als artiest vaak wel bent van externe factoren bleek maar weer eens toen ex-Byrd Gene Clark in 1977, ruim drie jaar na z’n commercieel helaas jammerlijk geflopte magnum opus “No Other”, met “Two Sides To Every Story” op RSO Records belandde. Een echt schoolvoorbeeld van op het verkeerde moment de verkeerde plaats aandoen. Wist men er aanvankelijk sowieso al niet goed hoe een dergelijk album te promoten, dan kon men het enkele maanden later, kort na de release van de soundtrack bij John Travolta’s succesprent “Saturday Night Fever”, al helemaal niet snel genoeg begraven krijgen. En da’s jammer. Doodjammer. Elke liefhebber van country rock met een goed stel oren aan z’n hoofd zal het je immers graag bevestigen: “Two Sides To Every Story” is echt wel een verre van kwade plaat. Geen klassieker zoals “No Other” dat wél is, maar gewoon een lekker geheel. Met tal van ook nu nog volop aansprekende momenten. En dus mogen we mijns inziens met z’n allen ook best tevreden zijn met de actuele heruitgave ervan.

Absolute stand-outs op “Two Sides To Every Story” zijn wat mij betreft het verstilde mijnwerkersverhaal “Give My Love To Marie”, het volop in de melancholie badende “Past Adresses”, een sprankelende uptempo-lezing van de legendarische murder ballad “In The Pines” en de à volonté beelden van een lang vervlogen zomer oproepende afsluiter “Silent Crusade”.

Zij die graag wat meer rock in hun country mogen hebben zullen allicht eerder voor enkele andere nummers hier vallen. Het dartele “Home Run King” bijvoorbeeld, het over een voorzichtig bluesy aandoende groove glijdende “Kansas City Southern” zeker ook en misschien ook wel Clarks benadering van Ronnie Hawkins’ “Marylou”.

(Voor de liefhebbers: “Two Sides To Every Story” wordt geleverd inclusief download card voor wat exclusieve bonus tracks!)

Gene Clark

 

JETBONE “Magical Ride” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Hier gaan we vooral niet al te moeilijk over doen. Het album “Magical Ride” staat immers garant voor exact dat wat z’n titel belooft, een magisch ritje dus. Een magisch muzikaal ritje richting veel betere tijden. Richting de vroege jaren zeventig meer bepaald. Richting de Stones ten tijde van het magistrale “Exile On Main Street”. Richting zo menig een populaire Southern rock act ook. Richting muziekjes, waarin rock, soul en blues er onwaarschijnlijk veel plezier in lijken te scheppen om samen de koffer in te duiken. Richting muziekjes met andere woorden, die je vooral niet van een stelletje twintigers uit de buurt van het Zweedse Sundsvall verwachten zou.

En toch is het precies vanuit die hoek, dat deze verbluffend knappe set is komen aanwaaien. In een met de ons volslagen onbekende Mikael Lyander gedeelde productie rockt het Zweedse vijftal Jetbone er op “Magical Ride” elf nummers lang serieus op los. Elf originele songs zijn het bovendien, aangedragen door de twee leadvocalisten van de band, te weten Alin Riabouchkin en Gustav Sjödin. En die weten duidelijk van wanten. Zowel wat betreft het uitwerken van lekker in het gehoor liggend rootsy rockmateriaal als wat betreft het brengen daarvan.

Raar eigenlijk, dat ze maar liefst drie pogingen nodig hebben gehad om erachter te komen, hoe goed ze wel zijn, die twee. Het voorliggende “Magical Ride” blijkt immers het resultaat van de laatste in een reeks van drie volslagen verschillende opnamesessies. Het album werd de voorbije paar jaren effectief tot driemaal toe opnieuw opgenomen. De eerste versie werd als snel compleet waardeloos toen de toenmalige leadzanger van de groep er plots zomaar vandoor ging. En ook versie twee, met de huidige tandem al wel achter de microfoon, voldeed voor de heren niet. Gewoon te fel geprobeerd om te klinken als hun voorganger, zo klonk het als uit één mond. En dus kwam het uiteindelijk tot de nu voorliggende derde versie. En misschien maar goed ook, want die blijkt op de keper beschouwd echt verdomd lekker!

Heerlijk catchy uitvallende rootsrockertjes à volonté hier! Aardig vaak voorzien van een gezonde dosis soulvol kopergeschetter ook. En met zo’n heerlijk markante rauwe scheurstem als uitgesproken surplus. Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als het echt wel heerlijk uit de speakers knallende “Fifth Time Loser”, het al even smaakvolle titelnummer of het op lekker vette gitaren voorbij knallende tweetal “C’mon” en “Working Hard For Your Money” en je zal meteen begrijpen waar we met die stelling naar toe willen.

Als tegengewicht voor een teveel aan rauw rockgeweld zijn er ook een aantal wat bedaardere momenten. Op hun beurt heel erg soulvol ook. We denken dan bijvoorbeeld aan tracks als de “valse trage” “Mixed Emotions” en de ballads “Woman”, “Rosalie” en “You Are My Love”.

Jetbone Rootsy Bandcamp

 

SCOTT BRICKLIN “Lost Til Dawn” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3***)

Net als z’n maatje Ben Arnold maakt ook Scott Bricklin van een pauze van US Rails gebruik om ons nog eens met solomateriaal te bestoken. En net als diens nieuwe plaat verscheen ook zijn verse worp zopas bij het Duitse huis van vertrouwen Blue Rose Records. Tot zover de gelijkenissen. Muzikaal gezien tapt Bricklin immers uit een geheel en al ander vaatje. Waar op Arnolds nieuwe zo’n beetje alles rond catchy soulvarianten draait, staat bij Bricklin de klok volop op rock.

En ik moet zeggen, dat die aanpak me een pak minder ligt dan die van Arnold. Aan variatie ook hier geen gebrek, dat zeker niet, maar het springt toch allemaal net wat minder in het oog dan dat nieuwe materiaal van Arnold. Het klinkt vooral als dingen die we allemaal al wel eens eerder gehoord hebben. Bij de Beatles en de Stones bijvoorbeeld, bij Tom Petty zeker ook, bij Little Feat, bij de Georgia Satellites. En akkoord, dat zijn zonder uitzondering verre van kwade ijkpunten, maar er ontbreekt naar mijn gevoel gewoon iets…

Dus ja, doe mij maar opnieuw een rondje Arnold… Zijn “Lost Keys” geniet overduidelijk mijn voorkeur. Al vind ik dingen als de melodieuze countryrocker “On The Rock”, het met een aangename dosis slide gekruide swampbeest “Maybe Less Than Before” of het folkpopkleinood “Let Me Go” zeker ook niet slecht. Dat niet. Alleen… Er is die vergelijking, hè… En “Lost Keys” is mijns inziens gewoon beter. Punt uit.

Scott Bricklin, Blue Rose Records

 

CAM PENNER “Sex & Politics” (Cam Penner / Lucky Dice Music)

(4****)

In zee gaan met de multi-getalenteerde Jon Wood heeft de Canadese roots rocker Cam Penner als je het ons vraagt bepaald geen windeieren gelegd. Zijn materiaal is er sedertdien eigenlijk alleen maar avontuurlijker op geworden. Intussen heel ver verwijderd van de door zoveel anderen graag bewandelde veilige singer-songwriterpaden brengt de beste man nog bijna uitsluitend spul dat iets durft te eisen van z’n publiek. Spul, dat een flinke inspanning vraagt van z’n luisteraars, maar tegelijk ook zo lonend blijkt, dat je er die moeite graag voor over hebt.

“Sex & Politics” groeide in amper tien dagen uit tot een ware ruw-rauwe diamant. In z’n eigen afgelegen opnameruimte ergens diep in de bossen van British Columbia schuwde Penner bij het inblikken van z’n nieuwe songoogst hoegenaamd geen enkel risico. Samen met Wood tastte hij er tien nummers lang geduldig de grenzen van het rootsrockgenre af. Op inventieve wijze werden elementen uit Americana, folk, blues, gospel en vooral ook vintage rock & roll met elkaar verweven. En dat met “Sex & Politics” als dankbaar (eigentijds) onderwerp.

Het ene moment ongelooflijk beklemmend werkend, het andere juist heel erg aantrekkelijk, bijna verleidelijk eigenlijk, knagen de nummers op Penners nieuwe worp zich gestaag een weg doorheen de harde schors van je onderbewustzijn. Het heeft bij momenten allemaal iets bijna bezwerends over zich. Zoals al gezegd: gemakkelijke kost is het zeker niet. Maar dat hoeft ook niet. Zeker vandaag de dag niet meer. Ook het leven zelve wordt er de jongste maanden immers bepaald niet gemakkelijker op. En precies dat gegeven lijkt Penners muziek op de één of andere manier willen af te stralen.

Not your typical Americana, maar hoogst intrigerend is het allemaal zeker wel.

Cam Penner, Lucky Dice Music                                                                                                                                           

 

SIX STRING YADA “Diluted Roots” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Six String Yada is een Zweeds driemanschap bestaande uit Agnes Brogeby (fiddle, gitaar en zang), Erling Bronsberg (banjo en zang) en Jonas Bleckman (cello en zang) dat er absoluut geen twijfel over laat bestaan: muziek maken doe je op de keper beschouwd enkel en alleen voor je plezier! En onder het motto “Old time or no time!” jassen ze er op hun tweede “Diluted Roots” dan ook vrank en vrolijk de ene na de andere catchy oorwurm door.

Traditionals als “Georgia Railroad”, “Cumberland Gap”, “Tom Dooley”, “Lazy John”, “All Night Long”, “Trouble In Mind” en andere, maar ook eigen dingen als de knappe murder ballad “Until The Devil Knows I’m Dead”, het hyperkinetische “Sweet By And By” en het politieke statement “Bereft And Blind” passeren zo ruim tweeënvijftig minuten lang energiek de revue. En dan hadden we het nog niet over twee opvallende old time covers van wat eigentijdser spul, meer bepaald “No One Knows” van de Queens Of The Stone Age” en “Fear And Trembling” van de crust punks van Disfear. Of over een al even eigenzinnige lezing van de onvervalste New Orleans classic “Iko Iko”. “Diluted” oftewel “verdunde” roots dus ook effectief klaarblijkelijk.

Kunnen we warmpjes aanbevelen aan de liefhebbers van bijvoorbeeld het materiaal van Old Crow Medicine Show, de Hackensaw Boys en de Henhouse Prowlers. En dat zou als referentie eigenlijk ruimschoots moeten volstaan, zo lijkt ons.

Six String Yada, Rootsy

 

VICKY EMERSON “Wake Me When The Wind Dies Down” (Vicky Emerson)

(4,5*****)

De voorbije zes à zeven weken heb ik me reeds meermaals de bedenking gemaakt, dat het Americana-boekjaar 2016 al een ronduit uitstekende start kende. En die vaststelling kan ik eigenlijk alleen maar herhalen naar aanleiding van de zopas verschenen nieuwe van Vicky Emerson. Die dezer dagen vanuit Minneapolis volop aan een nieuw hoofdstuk in haar carrière schrijvende zingende liedjesschrijfster overtuigt daarop immers wederom volop. Persoonlijk vind ik het een echt pareltje. Een plaat, die elke liefhebber van het materiaal van dames als een Lucinda Williams, een Emmylou Harris en een Lynn Miles zich eigenlijk zonder daarover al te lang te moeten nadenken zou moeten aanschaffen.

Tien zelf gepende liedjes staan erop en die blijken werkelijk zonder uitzondering ijzersterk. Met dank daarvoor ook ontegensprekelijk aan producer Matt Patrick. Patrick, die trouwens ook meeschreef aan het openingstweetal van de plaat. We hebben het dan over het als een funky rootsy twangertje aangeboden “Under My Skin” en de erg mooie Americana-trage “Rattle Shake”. Dat laatste liedje en het louter muzikaal gezien enigszins vergelijkbare “Save All My Cryin’ (For Sunday Afternoon)” zijn wat mij betreft dé toppers op een geheel echt vol daarmee. Met name “Save All My Cryin’” is een regelrecht moordnummer.

Verdere heerlijkheden op dit 10-gangen-songmenu: de outlaw country gypsy style van “Long Gone”, het wat meer folkgetinte drietal “Silhouette”, “Lyndale” en “September Midnight”, de nerveuze countryrocker “Runaway Train”, het ergens tussen roots pop en folk uitkomende “Dance Me Into The Night” en de het geheel op een swingende noot afsluitende “Follow The Moon”.

Echt wel een aanrader van formaat, deze nieuwe Emerson-schijf, maar overtuigt u zich daarvan toch vooral zelf!

Vicky Emerson, CD Baby

 

PAUL HANDYSIDE “Tide, Timber & Grain” (Malady Music)

(3,5****)

Vele jaren geleden, ergens medio de eighties moet het geweest zijn, volstond het aantreffen van het label van het vanuit Newcastle upon Tyne actieve Kitchenware Records op een plaat een poosje ruimschoots om mijn aandacht te trekken. Schuld daaraan hadden vooral de eerste platen van het onvolprezen Prefab Sprout en de ook nu door me nog op handen gedragen Martin Stephenson en z’n Daintees. Eigenlijk was het met name onder invloed van hun “Swoon” en “Boat To Bolivia” dat Britse indie darlings Hurrah! hier ook een kans kregen. En door hen maakte ik dus ook kennis met Paul Handyside, indertijd het trotse kopstuk van die groep.

Die Handyside zou later bij het begin van het nieuwe millennium plots opnieuw opduiken aan het hoofd van de Britse alternatieve countrygroep Bronze, waarmee hij tijdens haar korte bestaan ook twee albums zou afleveren. En vanaf 2007 ging hij dan uiteindelijk solo aan de slag. Eindelijk, want Handyside is dus echt wel een geweldige singer-songwriter. Dat bewees hij in 2007 en 2013 al met respectievelijk z’n solodebuut “Future’s Dream” en de opvolger daarvan “Wayward Son” en dat doet hij dezer dagen opnieuw met z’n derde, het binnenkort te verschijnen “Tide, Timber & Grain”.

Daarop houdt Handyside (zang, akoestische en elektrische gitaren, Fender Rhodes, harmonium, autoharp, harmonica en percussie) in het gezelschap van Rob Tickell (elektrische gitaar, lap steel, dobro, weissenborn, basgitaar, banjo en percussie) en David Porthouse (double bass en melodeon) quasi voortdurend mooi het midden tussen enerzijds pop, anderzijds folk en Americana. Met daarbij als voornaamste bondgenoot z’n eigen doorleefde stem tekent hij hier voor tien even mooie als beklijvende liedjes.

Van nadrukkelijk wat meer folkgeoriënteerde dingen als het aanstekelijke duo “Woodcutter’s Son” en “A Whaler’s Lament” tot al even duidelijk countrygetint spul genre “Flowers Won’t Bloom” of “True Love”, van de met wat Brits flegma opgewaardeerde Americana van “Fond Farewell” tot de fijne, de Richard Hawley-liefhebber in ons echt op z’n wenken bedienende singer-songwriter pop van “Let Me Down Easy” of het ons al croonend uitwuivende “Goodnight Lover”, aan “schone liedjes” hier absoluut geen gebrek! Handyside toont zich op “Tide, Timber & Grain” wat mij betreft in de vorm van zijn leven.

Paul Handyside

 

HEGE BRYNILDSEN “When My Man Comes To Town” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Over haar in 2011 verschenen debuutplaat “Hege” waren wij hier heel erg te spreken, over het goed en wel twee jaar later daarop volgende “Till Harry” eigenlijk wat minder. En dat had zo goed als alles te maken met het feit dat de Noorse die plaat volledig in het Zweeds bracht. Een taal die ze voorheen zelfs nog nooit gesproken had, zo leerden we later. Laat staan, dat ze er al eens in gezongen gehad zou hebben… Maar goed: onze kennis van het Zweeds is wat je noemt ook aan de eerder geringe kant. En het was dus vooral een kwestie van niet verstaan, die er ons op termijn van weerhield om een langdurige relatie met het aan Brynildsens grootvader opgedragen geheel aan te gaan. Meer nog, wij spraken hier in 2013 al de nadrukkelijke wens naar meer Brynildsen in het Engels uit. En die wens werd verhoord!

Op “When My Man Comes To Town” pakt de Noorse onder de productionele hoede van Gøran Grini immers opnieuw uit in de al bij al toch een stuk universelere taal van Shakespeare. Ruim zevenendertig minuten en tien nummers lang lijkt ze op zoek naar een eigen niche tussen illustere voorbeelden als een Gillian Welch, een Iris DeMent en een Dolly Parton. En niet zelden baden de daartoe door haar gebruikte liedjes in een enigszins bevreemdend, überhaupt best wel wat duister aandoend sfeertje.

Als uitgesproken luistertips zouden we hier durven aan te bevelen: de melancholieke alternatieve country van dingen als “If You Have To Cry” en “Please Remember Me”, het naar onze bescheiden mening nergens minder dan bezwerende titelnummer “When My Man Comes To Town” – Iets voor fans van de Walkabouts? – en de fraaie dramatische country noir van “Baby, I Told You (Not To Drink)”.

A real thing of beauty voor wie houdt van wat apartere stemmen!

Hege Brynildsen, Rootsy

 

BUDDY MILLER & FRIENDS “Cayamo Sessions At Sea” (New West Records / PIAS)

(4****)

Een nieuwe Buddy Miller-plaat? Ja én neen. Wél Miller, maar vooral ook heel veel vrienden van ‘m. Hier en nu uitpakkend met een soort van muzikale prentbriefkaart verstuurd van op zee. Ingeblikt, zoals de titel dat al duidelijk laat blijken, tijdens de door Miller en z’n buddy (Ha!) Jim Lauderdale jaarlijks gedirigeerde “Cayamo Sessions At Sea”. Een soort van muzikale all-star cruise, zeg maar. En de resultaten zijn er dan ook naar!

Met Lee Ann Womack tackelt Miller met brio de Conway & Loretta classic “After The Fire Is Gone”, met youngster Kacey Musgraves laat hij Buck Owens’ “Love’s Gonna Live Here” eraan geloven, met legende Kris Kristofferson legt hij een bloedmooie versie van diens klassieker “Sunday Morning Coming Down” neer en met stalgenote Nikki Lane swingt hij bedaard doorheen de je wellicht vooral in de uitvoering van Dolly Parton en Porter Wagoner bekende ‘Cowboy’ Jack Clement-compositie “Just Someone I Used To Know”.

Lucinda Williams mag op haar beurt mee het (Heel!) mooie weer komen maken in Gram Parsons’ “Hickory Wind”, Richard Thompson doet op de hem geheel eigen manier iets vergelijkbaars in Hank Williams’ “Wedding Bells” en ook Elizabeth Cook toont zich in prima vorm in het zwierige, veel gecoverde Carl Butler-nummer “If Teardrops Were Pennies”. En wat te denken van de heerlijk lijzige Shawn Colvin-lezing van “Wild Horses” van de Stones, Jill Andrews’ fijne bijdrage aan Bob McDills meervoudige hit “Come Early Mornin’”, Doug Seegers’ ronduit zalige romp doorheen z’n eigen “Take The Hand Of Jesus” en het afsluitende “Angel From Montgomery”, met een gedeelde hoofdrol voor Brandi Carlile en die van The Lone Bellow?

Elke rechtgeaarde liefhebber van country en Americana zal het wellicht met me eens zijn, als ik stel, dat het niet bij dit ene volume van de Cayamo Sessions hoeft te blijven. Het tegendeel zou me alvast flink verbazen.

Buddy Miller, New West Records

 

BEN ARNOLD “Lost Keys” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Mocht ik de voorbije dagen voor elke nieuwe luisterbeurt van ’s mans verse worp een biljetje van vijf euro voor Ben Arnold opzij hebben gelegd, hij zou met het inmiddels vergaarde potje verdorie al een flinke stap in de wereld kunnen zetten. Het begint voorwaar een beetje op een verslaving te lijken… Tien nummers lang betokkelt de songsmid hier wat mij betreft steeds weer de juiste snaar. Zo catchy! Niet normaal meer!

Zelf heeft Arnold het in verband met “Lost Keys” over een hommage aan de gouden jaren van Motown, Stax, Philly soul en doo wop. Geen wonder dan ook, dat het er bijna doorlopend heel erg soulvol aan toe gaat. En da’s, zoals al eerder aangegeven, wel spek naar onze bek. Van het zalige, vier minuten lang het beste van The Boss aan Motown en Philly koppelende “Stupid Love” over het op z’n Joe Cockers funkende “Cannonball” of de Memphis style blue-eyed soul van “Don’t Wanna Lose Ya” tot het in al z’n ingetogenheid heel even Randy Newman oproepende “Nobody Hurtin’ Like Me”, van het heerlijk energieke R&B-opstootje “Detroit City” over de fijne soul pop van “One Heart” en ballad “Forbidden Drive” tot het de feestelijkheden zo ongeveer op z’n Hall & Oates afsluitende afsluitende “When Love Fades Away”, ’t is hier echt ruim veertig minuten lang volle bak genieten geblazen!

Persoonlijk zou ik in verband met “Lost Keys” zelfs durven te spreken van Arnolds allerbeste plaat so far. En dat wil in zijn geval echt al wel wat zeggen! Voorgangers “Soar”, “Almost Speechless” (Heerlijke plaat ook!), “In Case I’m Gone Tomorrow”, “Calico”, “Solo”, “Never Mind My Blues” en “Simplify” waren immers ook al allesbehalve kneusjes. En ook zijn werk bij groepen als 4 Way Street en US Rails stelde eigenlijk nog nooit teleur. Vooral je voordeel mee doen dus, da’s de voor één keer bijna dwingende boodschap!

Ben Arnold, Blue Rose Records

 

CAROLINE AIKEN “Broken Wings Heal” (Caroline Aiken)        

(3,5****)

Nog net geen vijftig stuks prijken er op de carrièrejarenteller van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Caroline Aiken, maar wat een lange weg heeft ze sinds 1968 toch al afgelegd. Hoogst eigenaardig eigenlijk, dat ze hier nog niet meer bekendheid geniet. Aan haar songs, haar stem en haar gitaarspel zal het alleszins niet gelegen hebben! Die rechtvaardigen immers zonder uitzondering een flink uitgebreide schare aan fans.

Maar goed, in afwachting daarvan doen wij hier toch gewoon nog net even wat flinker ons best om Aiken onder die wat ruimere aandacht te krijgen. Met een bespreking van haar nieuwe cd bijvoorbeeld al. “Broken Wings Heal” heet die en ze bevat twaalf erg fraaie progressive folk & roots songs American style. Tien van eigen hand en een tweetal interpretaties van materiaal van anderen. Onder titelnummer “Broken Wings Heal” prijken zo de namen van Boo Ray en Steve Ferrone en het z’n titel en passant echt alle eer aandoende “Fragile” kent u misschien al wel in de uitvoering van de hier ook op handen gedragen Ralston Bowles.

Voorts uitsluitend nog eigen materiaal. We noemen hier in dat kader onder meer nog de mooie pianoballades “Hello Cruel World” en “Everything Can Change”, het ook al heel erg rustig uitgevallen “Saving Grace”, het ongemeen groovy, heel even de Bonnie Raitt in Aiken van haar kettingen latende “Cry Wolf”, het door Ike Stubblefield B3-gewijs op sleeptouw genomen bluesy kleinood “Razor Wire” en de fraaie folk pop van “Mission Of Angels”.

Liedjes van dat kaliber zullen mits voldoende aandacht ervoor ongetwijfeld heel erg in de smaak vallen bij liefhebbers van het materiaal van dames als een Dar Williams, een Shawn Colvin of de hoger al even genoemde Bonnie Raitt. Medeverantwoordelijk daarvoor zijn onder meer producer-multi-instrumentalist John Keane en bekende gasten als Indigo Girl Emily Saliers, Randall Bramblett en Michelle Malone.

Caroline Aiken

 

WEST OF EDEN “Look To The West” (West Of Music)

(4****)

Met “Look To The West” leveren die van het Zweedse zesmanschap West Of Eden andermaal een dijk van een album af. Hun negende ondertussen al. En sleet zit er op hun beproefde formule so far alleszins niet. Het blijft wat mij betreft een heus voorrecht om te mogen luisteren naar het wonderlijke samengaan van de engelachtige stem van frontvrouwe Jenny Schaub (zang en accordeon) en het vakmanschap van haar collega’s Lars Broman (viool, altviool en backing vocals), Martin Holmlund (double bass, elektrische bas en backing vocals), Ola Karlevo (bodhrán, drums, percussie en backing vocals), Henning Sernhede (elektrische en akoestische gitaren en mandoline) en Martin Schaub (zang, akoestische en tenorgitaren, mandoline, dobro, piano, harmonium en celesta).

De zes uit Göteborg buigen zich ditmaal dertien nummers lang over een historisch gegeven dat hun nauw aan het hart ligt. Met name de gigantische emigratiegolf die aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw vele duizenden Zweden richting een hoopvollere toekomst in Amerika zag vertrekken. Met uiteraard alle gevolgen van dien. Grote gevoelens zat alleszins voor een uitermate fraaie set aan liedjes. Liedjes, die naar goede West Of Eden-gewoonte ook nu weer redelijk nauw aansluiten bij de Keltische folktraditie. Iets wat het zestal in het verleden terecht al zo menig een pluim vanuit die hoek opleverde.

En dat lot zal allicht ook “Look To The West” wel weer beschoren gaan zijn. Met ware songschoonheden als de nadrukkelijk aan de stem van nachtegaaltje Schaub opgehangen ballad “Going To Hull”, het net wat speelser opgevatte en door Martin Schaub gezongen “Rainy Town”, het uit pure weemoed opgetrokken “Oh, I Miss My Home”, het lekker wegrockende “Wilson Line”, het met opvallende gasten Karla-Therese en Christian Kjellvander gedeelde “Sweet Old Country” en vele andere zou dat alleszins niet meer dan logisch zijn. Onthoudt u dit album dan ook maar als een echte aanrader!

West Of Eden

 

BIANCA DE LEON “Love, Guns & Money” (Lonesome Highway Music)

(4****)

Er zijn zo van die dingen waarmee u ons altijd wel even lastig mag komen vallen. Dingen als een nieuwe cd van de “queen of the border ballad” bijvoorbeeld. Van wie, vroeg u? Van de “queen of the border ballad”! Van Bianca DeLeon! De Texaanse liedjesschrijfster waarover de legendarische Guy Clark jaren geleden al orakelde “A voice from Texas that does it right!” En zo is het wat ons betreft maar net!

Met “Love, Guns & Money” is DeLeon inmiddels al aan haar vierde album toe. En net als op de voorgangers ervan overtuigt ze ook op die nieuwe weer volop. In de voetsporen van collega’s als Willie Nelson, Townes Van Zandt, Tom Russell, de al genoemde Guy Clark en anderen verkent ze tien nummers lang het grensgebied tussen haar thuisstaat en Mexico. En dat levert in het gezelschap van begenadigde medereizigers als een John Inman (gitaren), Stuart Adamson (akoestische gitaar), Radoslav Lorkovic (piano, B3 en accordeon), The East Side Flash (resophonic), Paul Pearcy (drums en percussie) en nog wat anderen ook nu weer flink wat muzikale hoogstandjes op.

Van het voorwaar even op een rock vibe surfende “Independence Day” over het lentefrisse rootspop-opstootje “I Sang Patsy Cline (The Night Noriega Fell)” tot border ballad (A ja, he!) “Buscando Por Ti”, van de twangy honky-tonker “Guns & Money” over het zich walsgewijs traag een weg over een hardhouten dansvloer banende “Stale Wine And Roses” tot de “tranen in je biertje” van “The Bottle’s On The Table”, van de sfeervolle Americana van “This Time” en “Garden In The Sun” over het zachtjes, bijna bedeesd voorbij schuifelende “Silence Speaks Louder Than Words” tot de afsluitende medley van “Nothin’” van wijlen Townes Van Zandt en Hank Williams’ “Ramblin’ Man” en de op de valreep nog als bonus track aan het geheel toegevoegde radio cut van “I Sang Patsy Cline”, wij kunnen ons hier probleemloos overal in vinden.

Love it!

Bianca DeLeon

 

JOS HOL “Windvogel” (Jos Hol Music)

(3,5****)

In 2014 schreef de vanuit Nederlands Limburg al een poosje aan de weg timmerende Jos Hol muziek voor de door Annechien de Vocht geregisseerde toneelvoorstelling “Windvogel” van Toneelgroep Maastricht. De hoofdrol in dat stuk werd indertijd vertolkt door Marie-Louise Stheins. En dat was ergens maar logisch ook, aangezien “Windvogel” zich boog over het aangrijpende levensverhaal van een tante van haar, die ruim vijftig jaar in de psychiatrie had gezeten. Een gegeven dat op zijn beurt ook al de voor ons toch wel enigszins eigenaardig aandoende titel van het stuk en van Hols nieuwe cd verklaart. “Een windvogel hebben” betekent in ‘s mans dialect immers zoveel als “ze niet allemaal op een rijtje hebben”.

Hol nam z’n nieuwe album, de opvolger van het in 2011 verschenen dialectgeheel “Verlange”, op in de gerenommeerde studio Wild Verband in Boxmeer. In een productie van duiveltje-doet-al BJ Baartmans en begeleid door diezelfde snarenvirtuoos en verder ook Mike Roelofs (toetsen en percussie), Sjoerd van Bommel (percussie) en Emil Szarkowicz (viool en klarinet) gaat hij ditmaal z’n gang in standaard-Nederlands. Die talen-switch werd hem naar eigen zeggen ingegeven door de vaststelling dat het leeuwendeel van z’n albums buiten Limburg werd gesleten. En je zou het dan ook een logische reactie kunnen noemen.

Ons doet Hol met name door z’n omfloerste manier van zingen een beetje denken aan Frank Boeijen. En net als deze laatste en collegae als de onlangs overleden Zjef Vanuytsel, Wim de Craene, Stef Bos, Boudewijn de Groot en z’n producer BJ Baartmans grossiert Hol op “Windvogel” ook in liedjes voor de eeuwigheid. Deuntjes waarvoor hier ooit zonder nadenken de term kleinkunst uit de kast zou zijn gehaald. Songs die aan het leven zelf een dankbare inspiratiebron hebben. Poëtische kleinoden die graag in de eigen leefwereld mogen grasduinen, niet zelden opgehangen aan (grote) gevoelens.

Enkele luistertips: het door Roelofs van erg fijn toetsenwerk voorziene “In Je Schoot”, het inhoudelijk aan een eigen jeugddroom refererende “De Droom”, titelnummer “Windvogel” en vooral ook “De Rivier”, een werkelijk onwaarschijnlijk mooie ballade waarin Hol zich graag laat meeslepen door de liefde.

Wat ons betreft ontegensprekelijk een aanradertje, dit geheel!

Jos Hol

 

DORI FREEMAN “Dori Freeman” (Free Dirt Records / Music & Words)      

(4****)

Het verhaal achter deze plaat leest bij nader inzicht weg als een soort van modern sprookje. Anders kunnen we het amper omschrijven. Het was immers via Facebook dat Teddy Thompson – u weet wel de zoon van Richard en Linda – debutante Dori Freeman leerde kennen. En louter op basis van wat hij via die weg over haar stem en liedjes te weten kwam, bood hij haar meteen aan om haar eersteling te produceren. Iets waar Freeman uiteraard niet weigerachtig tegenover stond. Hoe zou u zelf zijn, he?

En dus mogen we ons hier en nu buigen over de door die Thompson richting een veilige haven geloodste, ijzersterke maiden release van de youngster uit het kleine Appalachenstadje Galax in Virginia. Een plaat waarop ze bij ons tien nummers lang herinneringen aan good old Loretta Lynn wist op te roepen. Al dient daar dan wel onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat Freeman zich wat betreft haar muzikale voorkeuren lang niet zo gemakkelijk in één enkel hokje laat wringen als die Lynn. De term Americana blijkt op zo’n moment maar weer eens erg handig. Die zegt immers alles en toch ook niks. Die vindt het goed als het ene moment richting country gezeild wordt, het andere richting rootsy pop. Die kan het wel hebben als er links of rechts wat jazz-invloeden opduiken, of als Freemans Appalachen-afkomst gaat opspelen. Het maakt van “Dori Freeman” alleszins een voor een behoorlijk ruim publiek geschikt geheel. Een plaat die zich lang niet enkel aan de fans van de al genoemde Loretta Lynn laat aanbevelen, maar bijvoorbeeld ook aan eenieder die graag een oor te luister mag leggen bij madammen als een Lucinda Williams, een Iris DeMent, een Emmylou Harris, een Norah Jones of een Gillian Welch.

Bij wijze van introductie stellen we u graag enkele luisterbeurten naar het volgende viertal voor. Eerste halte: de erg Emmylou-esk aandoende schuifelcountry van “Song For Paul”. Volgende stop: de ook al erg fraaie trage “Where I Stood”. Dan spoorslags richting het eerder traditioneel uitgevallen “Go On Lovin’”. Country op maat van elke traditionalist met het hart op de juiste plaats, zo lijkt ons. En tenslotte moest u bij wijze van afwisseling zeker ook maar even het met wat pop- en rockgevoel opgewaardeerde “Tell Me” aandoen. Dat laatste deuntje zouden we hier tot op zekere hoogte zelfs hitgevoelig durven te noemen.

Teddy Thompson wist als u het ons vraagt echt wel verdomd goed waar hij aan begon…

Dori Freeman

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home