CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES FEBRUARI 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

JIM LAUDERDALE “London Southern” - NED ROBERTS “Outside My Mind” - MATT HAECK “Late Bloomer” - LOWLANDS AND FRIENDS “Play Townes Van Zandt’s Last Set” - MERCY JOHN “This Ain’t New York” - RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “My Way Or The Highway” - AD VANDERVEEN “Worlds Within” - TOM PAXTON “Boat In The Water” - THE SADIES “Northern Passages” - NIKKI LANE “Highway Queen” - SEAN WEBSTER BAND “Leave Your Heart At The Door” - TINEZ ROOTS CLUB “Have You Heard?!” - TORGEIR WALDEMAR “No Offending Borders” - JUDE JOHNSTONE “A Woman’s Work” - MATT WATTS “How Different It Was When You Were There” - TRICCA MCNIFF “Southern Star” - RIANTO DELRUE “Riding For A Fall” - MATT HANNAH “Dreamland” - MANITOBA HAL “Live In Ghent” - LEVI CUSS “Night Thief”

 

 

JIM LAUDERDALE “London Southern” (Proper Records)

(4,5*****)

Toen ik met het mooie “Sweet Time” zachtjes schuifelend “London Southern” binnengleed, dacht ik onwillekeurig, dit heb ik al eens eerder gehoord. En al vrij snel begon het me vervolgens ook te dagen. Bij Nick Lowe natuurlijk. Daar was het. Dit was country soul à la Lowe. En niet geheel en al toevallig ook zou al snel blijken. Terwijl Lauderdale zich doorheen de sfeervolle piano ballad “I Love You More” croonde, kwamen we er immers achter, dat hij het album opnam in Londen met Lowe’s vaste begeleiders en één van diens producers ook, Neil Brockbank met name, hier voor de gelegenheid bijgestaan door Robert Trehern.

Bij het pennen van nogal wat van de nummers op “London Southern” liet Lauderdale zich bijstaan door gerenommeerde partners. Voor de werkelijk sublieme sleper “We’ve Only Got So Much Time Here” was dat Odie Blackmon, voor het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mede daardoor een onmiskenbare Southern soul flair etalerende “What Have I Got To Lose” en het wat meer countryesk ingevulde “Don’t Shut Me Down” legende Dan Penn, voor het ingetogen sensuele, met wat gebrabbel in het Spaans behangen “If I Can’t Resist” en het van de passie druipende “Different Kind Of Groove Some Time” John Oates, één helft van het ook hier met name in de eighties razend populaire duo Hall & Oates, voor het op een heerlijk lijzige groove en al even zalige blazers terugvallende “I Can’t Do Without You” Kendell Marvell.

De overige zes songs droeg onze man zelf aan. En ook die zijn zonder uitzondering fameus te noemen. Van het al genoemde duo “Sweet Time” en “I Love You More” tot andere bepaald soulvolle kleinoden als “You Came To Get Me” en “Don’t Let Yourself Get In The Way”, het ons een klein beetje aan iets van Manfred Mann in de sixties herinnerende “No Right To Be Wrong” en het afsluitende swingertje “This Is A Door”.

Een zoveelste beauty op het palmares van de hyperactieve Jim Lauderdale!

Jim Lauderdale

 

NED ROBERTS “Outside My Mind” (Aveline Records)

(4,5*****)

Ned Roberts is de naam van een nog relatief jonge songsmid actief vanuit Londen. De beste man debuteerde al in 2014 met een naar zichzelf vernoemd album. Een plaat, die we van hieruit – Zij het dan ook met wat vertraging! – alleen maar van harte kunnen aanbevelen. Volkomen terecht bedolven onder de lovende kritieken. Roberts presenteerde zich daarop immers als iemand met ontzettend veel potentieel. Als iemand, wiens naam je mocht vernoemen ergens heel dicht in de buurt van die van grootheden als een Tim Hardin, een Nick Drake en een Leonard Cohen ook wel. Als iemand van wiens werk een zeker aura van tijdloosheid afstraalde. Geen wonder dat in verband met zijn liedjes regelmatig werd verwezen naar de vermaarde Laurel Canyon music scene.

En wij waren hier dan ook razend benieuwd naar ’s mans tweede, het naar eigen zeggen over een periode van een jaar of drie langzaam gerijpte “Outside My Mind”. Voor de opnames van dat geheel toog Roberts naar LA. Daar liet hij zich productioneel bijstaan door de onder meer ook van zijn werk met Richmond Fontaine en Noah & The Whale bekende Luther Russell. En die zag vooral dat het weer zeer goed was. Dat de tien zich voornamelijk met het thema liefde inlatende liedjes opnieuw dat tijdloze randje hadden. Welke kant van dat gegeven ze ook aandeden. Van de zalige tot de donkere, tot alles daar tussenin.

Roberts’ voornaamste troeven zijn ontegensprekelijk zijn niets minder dan bloedmooie fluwelen stem en de aangeboren gave tot het pennen van piekfijne verhalende liedjes. Die twee, gekoppeld aan de instrumentale hand-en-spandiensten van onder meer producer-multi-instrumentalist Russell, bassist Jason Hiller, pedal steeler Eli Pearl, Luanne Homzy’s L.A. Pop Quartet en backing vocaliste Sarabeth Tucek en een reeks fijne melodieën, leiden tot tien steeds opnieuw om je aandacht bedelende liedjes. Grofweg te situeren ergens tussen folk en luisterpop. Dingen die je als luisteraar al je leven lang lijkt te kennen. Maar dat is dus wel degelijk niet het geval, want het betreft hier uitsluitend nieuwe originelen van de hand van Roberts.

Onze luistertips: openingstrio “Drifting Down”, “Through The Arches” en “Hazy Days” en het herfstige, met wat fijn mondharmonicawerk opgewaardeerde “Letter Home”. Het zijn maar enkele van de vele liedjes hier, die duidelijk laten horen waarom Roberts in z’n thuisland door nogal wat connoisseurs als een grote belofte voor de toekomst wordt gezien. Wij schuiven vanaf nu graag mee aan in dat rijtje.

Ned Roberts

 

MATT HAECK “Late Bloomer” (Dollartone Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

De volle vijf sterren voor een debuut? Yep! Zeker weten! We hebben er lang over nagedacht, maar bij elke nieuwe beluistering weer drongen ze zich onwillekeurig op, die vijf sterren. Ongelooflijk eigenlijk, dat een dergelijke sterke eersteling uit de koker stamt van iemand die tot voor kort nog voor een bestaan als geestelijke voorbestemd leek. Dat is tot op het moment dat hij tijdens zijn studies een danige afkeer voor theologie ging ontwikkelen, dat een toekomst als muzikant plots een stuk aannemelijker werd. Danig getekend door het leven kon hij als songsmid alvast terugvallen op de zo ongeveer ideale voedingsbodem. En dat hoor je aan “Late Bloomer” ook. Al heel snel wordt duidelijk, dat deze knaap weet, waar hij het in z’n teksten over heeft.

Onder de productionele hoede van David Mayfield en in de studio bijgestaan door onder anderen Elizabeth Cook, Caitlin Rose, Aaron Lee Tasjan en Critter Fuqua van Old Crow Medicine Show harkt de ruiggevooisde Haeck ruim zesenveertig minuten lang complexloos rond in de weids uitgestrekte tuin die americana heet. Lekker rockend zoals in openingsnummer “Tennessee”, het feestelijke, onder meer door het zomerse kopergeschetter erin ergens dicht in de buurt van de Mavericks strandende “28 Years” en het zalig twangende “Whiskey & Fast Women”, wat meer on the country side of things zoals in het bekoorlijke “Minnie Pearl”, het grappige “Pissing Contest” en de halve Hank Williams-deun “Worst Enemy/Ramblin’ Man” en regelmatig ook in verhalende ballademodus zoals in het pakkende “Belt”, “Cotton Dress”, “Lovin’ Off My Mind”, “Couldn’t Say Yes (‘Till I Learned To Say No)” – Hadden we Johnny Cash zaliger best wel eens willen horen brengen, dat liedje! – en “Wonderful Wild Tennessee Child”.

Nu al zo goed als een zekerheidje voor ons eindejaarlijstje van 2017! Wil je naar onze bescheiden mening echt niet missen.

Matt Haeck

 

LOWLANDS AND FRIENDS “Play Townes Van Zandt’s Last Set” (Route 61 Music)

(4****)

Edward Abbiati, kopstuk van het Italiaanse americanacollectiefje Lowlands, was één van de laatsten om wijlen Townes Van Zandt ooit live aan het werk te zien. Hij was immers één van de uitverkorenen die getuige mochten zijn van het allerlaatste optreden van de ondertussen tot een ware legende uitgegroeide songsmid. Op dinsdag 3 december 1996 meer bepaald, in The Borderline in Londen. Nauwelijks enkele dagen voor zijn dood op nieuwjaarsdag 2017 was dat. Een gig die een zeer diepe indruk op Abbiati heeft nagelaten. Zo diep, dat hij nu, ruim twintig jaar later, uitpakt met een naar die bewuste avond teruggrijpend initiatiefje. Met een reeks vrienden vertolkt hij Van Zandts allerlaatste set in haar totaliteit.

Het betreft daarbij een album dat op eerder speciale wijze tot stand kwam. Een budget was er immers absoluut niet voor. Wat de erbij betrokkenen deden, dat deden ze zonder uitzondering gratis. En… wanneer het hen uitkwam. In studio’s, maar ook op slaapkamers, in livings en keukens, in oefenruimtes, tot zelfs telefonisch. Lijkt zo op het eerste gezicht quasi een garantie voor een weinig samenhangend geheel, maar dat is dit album zeker niet. Integendeel zelfs! Abbiati was immers zo verstandig om de gerenommeerde Barry Marshall-Everitt te vragen om het geheel aaneen te praten. Er als het ware een radiosessie van te maken. En dat werkt wonderwel. Zijn commentaren vormen als het ware het cement tussen de door Abbiati en co aangedragen stenen.

Uiteraard is lang niet alles op deze verzamelaar even sterk. Dat is nu eenmaal eigen aan dit soort van projecten. Je hebt altijd wel dingen die geweldig zijn en andere die veel minder blijken. Gelukkig viel het wat die laatste categorie betreft hier nogal mee. Zelf waren wij heel erg gecharmeerd door de met Rod Picott gedeelde en met een stukje “Dead Flowers” van de Stones verrijkte versie van “Tecumseh Valley”, door de met Stiv Cantarelli gebrachte lezing van “Loretta”, door het samen met huisfavorietje Richard Lindgren gebrachte “Katie Belle Blue” en door een mooie uitvoering van de hit “Pancho And Lefty” met The Lucky Strikes, Sid Griffin en Michele Gazich.

Verder gingen die van Lowlands ook nog samenwerkingsverbanden aan met de Gnola Blues Band en Kevin Russell van The Gourds voor “My Starter Won’t Start”, een die bewuste avond in Londen door Van Zandt gebrachte Lightning Hopkins-cover, met Cheap Wine voor “Dollar Bill Blues”, met Antonio Gramentieri van Sacri Cuori, Winston Watson en opnieuw Stiv Cantarelli voor – Wat niet meteen één van onze lievelingsmomenten hier zou worden! – “Buckskin Stallion”, met Will T. Massey voor “Marie”, met Chris Cacavas van Green On Red, Winston Watson en Michele Gazich voor een werkelijk heerlijk desperaat uit de hoek komend “Waiting Around To Die”, met Aussie Tim Rogers van You Am I voor “A Song For”, met Ragsy voor een tweede Lightning Hopkins-cover, met name “Short Haired Woman Blues”, met No Good Sister en Maurizio Gnola Glielmo voor het bij Elvis Presley geleende “Ballad Of The Three Shrimps”, met Will T. Massey, Tim Rogers en Rod Picott voor het bezwerende, in navolging van hun held zelf meer gesproken dan gezongen ten gehore gebrachte “Sanitarium Blues” en met de Zweedse Plastic Pals, andermaal Chris Cacavas en Jonathan Segel van Camper Van Beethoven ten slotte voor “Colorado Girl”.

Is wat je noemt een echt labour of love.

Lowlands, Route 61 Music

 

MERCY JOHN “This Ain’t New York” (Butler Records / Music On CD)

(4****)

Welgeteld één enkel nummer was er nodig om ons te overtuigen van de kwaliteiten van de ons voorheen volslagen onbekende Mercy John. De ongemeen soulvolle single “This Ain’t New York” meer bepaald. Da’s echt een staaltje van topamericana. Een heerlijk, onmiddellijk aanslaand nummer, gedragen door een stem om zowat voor te smelten en ook muzikaal gezien zeer gracieus ingevuld. Moet je wel van houden!

’s Mans eerste album “Five More Days & A Matter Of Somewhere”, indertijd nog uitgebracht onder de naam John Henry, ontsnapte nog volledig aan onze aandacht. Ten onrechte, zo blijkt nu. Wat de overduidelijk door artiesten als Ryan Adams, Bruce Springsteen, Tom Petty en aanverwanten beïnvloede jonge Nederlander hier uit de mouw schudt getuigt immers van grote, grote klasse. Klinkt heel internationaal ook. Kan je probleemloos waar dan ook mee uitpakken, zo lijkt ons.

“Don’t Leave Me Now”, “Better To Be Safe” en “Shock” zijn zonder uitzondering catchy strepen roots rock van formaat, “Break Apart With Me” en “God Made An Awful Mistake” – Een heel erg doorleefd afscheidsliedje voor z’n recentelijk overleden moeder! – op hun beurt soulvolle tragen, “The Rain”, “Lost” en “Endless Summer” echte wolken van ballads en in “Alcohol And Rage” regeren enkele minuten lang de begrippen twang en country, zij het dan ook op ingetogen wijze.

Gaan we beslist nog veel van horen, van deze Mercy John!

Mercy John

 

RICH HOPKINS AND LUMINARIOS “My Way Or The Highway” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Echt veel nieuwe dingen hoeft u van Rich Hopkins en de zijnen ook op “My Way Or The Highway” weer niet te verwachten. Ze doen nu eenmaal wat ze doen en dat doen ze verdomd goed ook.

Op “My Way Or The Highway” betekent dat aftrappen met een milde verhalende roots rock ballad over een gezamenlijk uitstapje van de man zelf en z’n Lisa naar Chiapas, Mexico en de watervallen aldaar. Een soortement van reisverslagje dus eigenlijk. Vervolgens zijn er achtereenvolgens de snedige gitaarrock van “Gaslighter”, de door Lisa Novak gezongen folk rock beauty “Want You Around” en de al even knappe Southern countryrocker “If You Want To”. Om dan via de akoestische gitaarinstrumental “Lost Highway” te belanden bij in die volgorde het bitsige, door Tucson hip-hop maestro Cesar Aguirre van een gastoptreden voorziene “Meant For Mo”, het van flink wat popgevoel getuigende “Hell Or High Water (Married Go ‘Round)”, het als bezeten aan z’n kettingen snokkende “I Don’t Want To Love You Anymore” en de volgende instrumental “Journey To Palenque”.

Afgesloten wordt er met het werkelijk magistrale drietal “Chan Kah”, “Gnashing Of Teeth” en “Walkaway Again”. Met plenty vintage Hopkins. De desert stuff, you know. Ergens dicht in de buurt van Neil Young op z’n best. Met vooral ook weer veel gitaarwerk om vingers en duimen bij af te likken.

Rich Hopkins And The Luminarios

 

AD VANDERVEEN “Worlds Within” (Songsense Music / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Een nieuw album van de Nederlandse singer-songwriter Ad Vanderveen, da’s altijd opnieuw genieten geblazen. Vanderveen is één van de weinige Nederlandse rootsartiesten die tot ver buiten de eigen landsgrenzen bijval oogst en da’s wat ons betreft niet meer dan terecht ook. Op z’n zestigste kan de beste man inmiddels immers terugblikken op een onwaarschijnlijke hoeveelheid prachtliedjes. En hij doet er daar hier en nu met plezier nog eens een tiental bij.

Tien poëtische hoogstandjes, ten tonele gevoerd tegen een volledig akoestisch gehouden achtergrond van zachte folk en americana, met zo nu en dan ook wel eens een poppy, jazzy of klassiek elementje. Met opvallende dienende bijrollen vooral voor z’n muze Kersten de Ligny en toetsenist Rene Kaaij. En opgenomen onder de productionele hoede van Pete Fisher.

Hoogtepunten zoeken doe je op een geheel als dit niet. Da’s onbegonnen werk. Je neemt er keer op keer opnieuw de tijd voor om ervan te genieten in z’n totaliteit. Om mee af te dwalen naar de gedachtenwereld van Vanderveen. Om je over te geven aan het zeldzame momentum van een zichzelf zo goed als volledig blootgevende artiest. Iets waarover het ook lijkt te gaan in de fraaie albumopener “Worlds Within”. Over het afdalen naar het eigen innerlijk als vlucht uit de realiteit.

In het werkelijk bloedmooie ingetogen kleinood “The Garden Of Gone Glory” is het vervolgens aangenaam toeven tussen herinneringen aan weleer. “No place else on earth that I would rather be than right here, right now in the garden of gone glory,” luidt het daarin. Elke al wat oudere jongere knikt dan wellicht voorzichtig instemmend even mee. Vervolgens wentelen we ons enkele minuten lang in twijfel in het ook al erg fraaie “Sinking In Doubt”. Heerlijk, hoe de Ligny haar stem daarin tegen die van Vanderveen aanschurkt. En ook dat streepje koperblaaswerk van Frans Cornelissen konden we hier best wel appreciëren.

Andere erg fijne momenten op “Worlds Within” zijn bijvoorbeeld ook nog het wel heel bedaard rockende “Mystery”, de ronduit heerlijke ballad “Impossible Love” en vooral ook het in een vlaag van uitzonderlijk positivisme vereeuwigde streepje americana “Affirmation Blues”. Als Vanderveen en de Ligny daarin op harmonieuze wijze verkondigen “Everything is always working out for me!”, dan ben je als luisteraar al snel geneigd om hen daarin te volgen.

Heerlijke plaat!

Ad Vanderveen

 

TOM PAXTON “Boat In The Water” (Pax Records / V2)

(3,5****)

Al vroeg in de jaren zestig kroonde Tom Paxton zich tot één van dé stemmen van z’n generatie. Met z’n nochtans redelijk traditioneel vormgegeven folkliedjes maakte hij werkelijk fans bij bosjes. Onder meer ook de later zelf tot een icoon uitgegroeide Guy Clark, die hem tot aan zijn dood graag als één van z’n grote voorbeelden mocht opvoeren.

En als dusdanig is het eigenlijk best wel een beetje raar, om Paxton hier op z’n negenenzeventigste bij momenten te horen klinken als precies die Clark. ’n Beetje folk, een beetje americana. In een door de tandem Cathy Fink en Marcy Marxer gestuurde productie. Marxer zorgt ook voor bij momenten erg fraaie harmony vocals en voor bijdragen op respectievelijk resonatorgitaar, mandoline, ukelele, gitaar en wat percussie-instrumenten, Fink van haar kant zingt eveneens een alleraardigst mondje mee en bracht ook een gitaar en een banjo mee naar de studio. Als bassist fungeerde Ralph Gordon.

De nieuwe kleine liedjes op “Boat In The Water” schreef Paxton voor de gelegenheid in samenwerking met een stel in Nashville actieve songwriters. Meer bepaald Jon Vezner, Pat Alger en Don Henry viel die eer te beurt. Hij valt op z’n inmiddels drieënzestigste plaat echter ook geregeld terug op z’n eigen verleden. Onder meer voor deunen als “The Last Hobo”, “Ev’ry Time” en “Home To Me”.

Zeker niet ’s mans beste plaat, maar wel weer een hele mooie. Zo eentje waarmee je graag een avondje languit genieten inzet…

Tom Paxton

 

THE SADIES “Northern Passages” (Yep Roc Records / V2)

(4****)

Hun nieuwe cd namen de Sadies in de winter van 2015 op in de kelder van het ouderlijke huis van broers-kopstukken Dallas en Travis Good ergens ten noorden van Toronto. Daar, in een hun vertrouwde omgeving en ver weg van elke verleidelijke vorm van afleiding, slaagden de Canadezen erin één van hun allerbeste platen tot op heden te vereeuwigen. Heerlijk gevarieerd als steeds. Heerlijk heftig bij momenten ook. Eén wilde acid-folk-country-punk trip om hier even klakkeloos de woorden uit het gebruikelijke promopraatje te herhalen. Voor één keer blijken die immers spijkers met koppen te slaan.

De relaxte psych-folk van “Riverview Fog”, de punky uitbarsting “Another Season Again”, het ook al bepaald vinnig gebrachte “There Are No Words”, het onder meer door het gitaargebruik erin best wel wat met de Byrds gemeen hebbende “It’s Easy (Like Walking)”, met z’n gastoptreden van Kurt Vile, het ook al in een wolk van psychedelica badende “The Elements Song”, de aanstekelijk rammelende countryrocker “Through Strange Eyes”, het al helemaal country vormgegeven “God Bless The Infidels”, de atmosferische folk rock van “The Good Years”, het als iets uit de late sixties klinkende “As Above, So Below”, de Youngiaanse rocker “Questions I’ve Never Asked” en de daar perfect bij aansluitende, knallende afsluiter “The Noise Museum”, elf tracks en ruim vijfendertig minuten lang herinneren de Sadies er ons hier nog eens aan, waarom we hen eigenlijk altijd al een warm hart hebben toegedragen.

Eclectisch ingestelde liefhebbers van roots rock en Americana zullen hier een bepaald vette kluif aan hebben.

The Sadies

 

NIKKI LANE “Highway Queen” (New West Records / PIAS)

(4****)

Een vlugge blik op de bovenste regionen van de meest recente AMA Chart leert genoeg: De bekoorlijke Nikki Lane is dezer dagen hot in Amerikaanse americanakringen. De muziek van de vanuit Nashville actieve jonge hipster geldt zowat als het nieuwe prototype van outlaw country. En wat ons betreft volkomen terecht ook. Waren haar debuut “Walk Of Shame” en het zo’n twee jaar geleden onder de productionele auspiciën van Dan Auerbach opgenomen “All Or Nothin’” al niet te versmaden, dan is “Highway Queen” zelfs nog beter. Nog een stuk zelfverzekerder alleszins. Iets wat onder meer ook al blijkt de cover ervan. Daarop heeft Lane the bull letterlijk by the horns. Imposant!

En imposant is ook het op het album zelf gebodene. Gelijk van bij het openingsnummer, het met iets van een ondertoon van swamp rock opgewaardeerde “700,000 Rednecks” is het alweer volop prijs. Het eerste van een reeks heerlijke oorwurmen, zo zal al snel blijken. Van het bedaard rockende, haar als het ware op het lijf geschreven titelnummer, de haar door een Facebook-berichtje van Levon Helms vrouw ten tijde van diens gevecht met kanker ingegeven valse trage “Lay You Down” en het wervelende, met de blik richting Vegas ingeblikte “Jackpot” – Een geheide hit in wording! – over het dromerige, best wel wat aan de Everly Brothers herinnerende “Companion”, het ons lekker wild van achter de piano in de één of andere bar toegeworpen “Big Mouth” en het als Kirsty MacColl gone country klinkende “Foolish Heart” tot de onder zacht rinkelende gitaarklanken bedolven milde rootsrocker “Send The Sun”, het behoorlijk persoonlijke “Muddy Waters” en het aan haar eigen stukgelopen huwelijk gewijde “Forever Lasts Forever”, zelden zoveel americana met commerciële potentie op één enkele plaat gehoord! En van een dergelijke hoge kwaliteit dan nog…

Geen twijfel mogelijk: met dit derde album zal Lane het nog heel ver gaan schoppen. Mainstreamsucces lijkt eigenlijk alleen nog maar een kwestie van tijd.

Nikki Lane

 

SEAN WEBSTER BAND “Leave Your Heart At The Door” (Cadiz Music / Bertus)

(3,5****)

Ik ben normalerwijze niet echt wat je noemt een liefhebber van blues rock, maar voor de in Nederland woonachtige Brit Sean Webster maak ik graag een uitzondering op die regel. Ik vind de beste man immers een fantastische stem hebben en wat hem voor mij zo mogelijk nog aantrekkelijker maakt, is dat hij niet in de valkuilen van het genre trapt. Schijnbaar oeverloze gitaarsoli worden door de nochtans alleraardigst op de snaren uit de voeten kunnende Webster tot een absoluut minimum beperkt en stilistisch gezien schuwt hij de nodige risico’s absoluut niet.

“Leave Your Heart At The Door”, ’s mans eerdaags te verschijnen nieuwe worp, is mede daardoor een behoorlijk toegankelijk album geworden. Er staan zelfs een aantal liedjes op die zó op de radio kunnen. We denken dan bijvoorbeeld aan de in duet met PennyLeen Krebbers gebrachte power ballad “I Don’t Wanna Talk About It” (Niet de door onder meer Rod Stewart de eeuwigheid ingezongen Danny Whitten-compositie!), het ook al in slowmodus gebrachte tweetal “Wait Another Day” en “’Til Summer Comes Around” of het Joe Cocker in z’n hoogdagen op het lijf geschreven titelnummer. Niet geheel en al toevallig net de wat rustigere nummers.

Maar rocken doet Webster als vanouds natuurlijk ook. Onder meer in het zwaar op groovy toetsenwerk van Bob Fridzema leunende “Give Me The Truth” en het jachtig-soulvolle “You Got To Know”.

En dan is er hier ook nog plaats voor een speciale vermelding voor het op een soort van stuiterritme naar aandacht hengelende “Hands Of Time”. Mede door Websters lekkere hese stem opnieuw een deun met een hoog Cocker-gehalte. Maar ditmaal wel de commerciëlere uitvoering van in z’n nadagen.

Sean Webster Band

 

TINEZ ROOTS CLUB “Have You Heard?!” (Rootz Rumble / Donor / Sonic Rendezvous)

(4****)

Over lekkere platen gesproken, dit is er weer eens één, zie! Een kruidig dampende gumbo van bruisende R&B, swing en rock & roll. Een dertien tracks lange adrenalineopstoot, swingend als de spreekwoordelijke tiet. Met in de hoofdrol vooral twee saxen. De tenor van kopstuk Martijn “Tinez” van Toor en de bariton van Evert Hoedt. Al valt zeker ook de rol van Rob Geboers en Andreas Robbie Carree zeker niet te onderschatten. De eerste tekent Hammond-gewijs voor een heerlijke groove, de tweede houdt er van achter z’n drumstel het ritme lekker in.

Van het vrijwel meteen ongegeneerd op dansgrage benen mikkende openingsnummer “JL Boogie” en het soulvolle “Please Tell Me” in het kielzog daarvan over het rockende titelnummer “Have You Heard” en de vinnige retro van “Cast Away Your Spell”, één van de weinige gezongen nummers hier, tot het net niet uit de bocht swingende “This Cat” en het opnieuw met tonnen soul overladen, een weinig jazzy aandoende “Ant Eater” (Dat orgeltje!), van het ongemeen sfeervolle “Goin’ To The Church” over het z’n titel werkelijk allesbehalve gestolen hebbende “Rock Baby Rock” en het onder lekker rollende drums van een heuse jungle groove bediende “What You Do To Me” tot de knappe slow “So Hard To Love You”, van het echt rete-aanstekelijke “Chimpanzee” over het titelgewijs opnieuw maar weinig meer aan de verbeelding overlatende “We’re Gonna Rock” tot de in sensuele modus het licht uitdoende afsluiter “Indeed I Do”, dit is zo ongeveer van begin tot einde een echt feest van een plaat.

Wat ons betreft dan ook een aanrader van formaat, deze grotendeels instrumentaal gehouden derde van Tinez van Toor en de zijnen. Zien we binnenkort gegarandeerd ook terug op zo menig een zomerfestival! Wedje?

Tinez Roots Club

 

TORGEIR WALDEMAR “No Offending Borders” (Ja. Jansen Plateproduksjon / PIAS)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met de Noor Torgeir Waldemar moeten we ondertussen al iets meer dan een jaar of twee terug in de tijd. Met zijn titelloze debuutplaat blies de beste man ons in 2014 zo ongeveer compleet van onze sokken. Een echt akoestisch meesterwerkje was dat. Een werkelijk tijdloos geheel, zoals die in de late sixties en prille seventies door wel meer folktroubadours werden afgeleverd.

Op ’s mans nieuwe worp “No Offending Borders” maken we ook kennis met een andere kant van ‘m. Waldemar heeft een verleden als gitaarbeul in tal van rock bands en dat laat hij hier bij momenten horen ook. Naast liedjes die bij nader inzicht perfect ook op z’n eersteling hadden kunnen staan als “Falling Rain (Link Wray)”, “Island Bliss” en “Souls On A String” presenteert de Noor ons ditmaal her en der ook flink wat steviger materiaal. Het op oerdegelijke gitaarfundamenten opgetrokken “Summer In Toulouse” en het überhaupt wat zweverig aandoende “Sylvia (Southern People)” bijvoorbeeld herinneren volop aan Neil Young, zowel met als zonder Crazy Horse, en “Among The Low” koppelt old-time stringband music aan ogenschijnlijk compulsief rockersgedrag.

Waldemars yin en yang als het ware verenigd op één enkele plaat. En het resultaat daarvan is andermaal niks minder dan verbluffend goed.

Torgeir Waldemar

 

JUDE JOHNSTONE “A Woman’s Work” (BoJak Records)

(3,5****)

Als Jude Johnstone hier al enige naambekendheid geniet, dan toch vooral als songleverancier voor anderen. Onder meer Emmylou Harris, Bonnie Raitt, Jennifer Warnes, Stevie Nicks en Trisha Yearwood bedienden zich in het verleden reeds van haar liedjes. Maar voor hét moment de gloire van Johnstone zorgde toch vooral Johnny Cash. Toen The Man in Black in 1996 haar “Unchained” als titelnummer voor z’n nieuwe cd koos, maakten plots wel heel erg velen tegelijk kennis met de liedjesschrijfster Johnstone. En financieel gezien zal ze er ook wel niet slechter van geworden zijn, zeker?

Van die Johnstone is er nu het nieuwe album “A Woman’s Work”. Haar zevende al. En daarvoor schreef ze als het ware haar eigen recente scheiding van zich af. Hartzeer is alleszins het centrale thema. Ze gaat niet enkel in op het mislukken van haar huwelijk, maar vraagt zich ook openlijk af, hoe het nu met haar verder moet. Behoorlijk persoonlijk spul dus. En dat maakt van “A Woman’s Work” best wel een intrigerend geheel. Doorgaans eerder somber, eerder moody van aard natuurlijk, maar dat mag gezien de achtergrond niet echt verwonderen.

Stilistisch gezien houdt Johnstone het op materiaal waarvoor bij voorkeur de omschrijvingen luisterpop en folk uit de kast mogen. Niet zelden in ballademodus. Ontstaan achter de piano.

Onze luistertips: de werkelijk zonder gêne de diepste gevoelens en vragen van een gebroken vrouw benaderende pianoballade “A Woman’s Work” en het zachtjes swingende “People Holding Hands”. Hoe ze zich in dat laatste liedje ergert aan voorbij wandelende mensen die middels bescheiden tekenen van affectie als het vasthouden van elkaars handen hun liefde voor elkaar tonen, moet een voor eenieder die ooit met een gebroken hart worstelde bekend gevoel zijn.

Jude Johnstone

 

MATT WATTS “How Different It Was When You Were There” (Starman Records / Suburban / Bertus)

(4,5*****)

Met z’n nieuwe worp “How Different It Was When You Were There” zet de al een poosje in ons land verblijvende Amerikaanse songsmid Matt Watts nadrukkelijk enkele stappen vooruit. Was de voorganger ervan, het ook al erg mooie “Songs From A Window”, in essentie nog een echte soloplaat, dan laat de jonge storyteller zich this time around nogal wat hand-en-spandiensten van bekende vrienden welgevallen. En precies dat gegeven zou er wel eens voor kunnen gaan zorgen, dat zijn muziek eindelijk de wat ruimere aandacht krijgt, die ze al zo lang verdiende.

De heerlijke schuifelaar “Joanne” en het ons van mood op de één of andere manier een weinig aan Leonard Cohen herinnerende “How Many Years” werden zo bijvoorbeeld vereeuwigd met wat gezongen hulp van Nathalie Delcroix, datzelfde duo en het ook al ronduit magistrale “Time Turns As An Engine” – Een vaderlandse folk pop classic in wording? – mogen daarnaast ook rekenen op de aanwezigheid van Bjorn Eriksson en lijzige radiohit in spe “Many A Friend Too Kind” blijkt een duet met Stef Kamil Carlens van de Zita Swoon Group.

Verder onder meer ook nog aan boord: snarenvirtuoos Geert Hellings (Stanton, Guido Belcanto), drummer Maarten Moesen (Admiral Freebee, Guido Belcanto) en bassist en tevens producer van het album Nicolas Rombouts (Dez Mona, Stef Kamil Carlens, The Colorist, Guido Belcanto). Zij zorgden samen als het ware voor de muzikale fundamenten van “How Different It Was When You Were There”.

Wat ondanks al dat muzikale vakmanschap vooral in de kijker springt, zijn en blijven echter de teksten van Matt Watts. Die blijven nach wie vor bijzonder intrigerend. Heel erg veeleisend ook. Ze doen je als luisteraar niet echt iets cadeau. Laagje per laagje maar geven ze hun vele geheimen prijs. Maar net zo mogen wij het toevallig graag hebben.

Als we hier even heel eerlijk mogen zijn: voor een plaat als “How Different It Was When You Were There” is België eigenlijk gewoon al te klein geworden. Songmateriaal van dit kaliber verdient immers een veel en veel ruimer publiek!

Matt Watts

 

TRICCA MCNIFF “Southern Star” (Dell’ Orso)

(3,5****)

De Britse songsmid Jason McNiff kenden we hier al van goede tot zelfs ronduit uitstekende platen als “Off The Rails”, “Nobody’s Son”, “Another Man”, “In My Time” en “April Cruel”. De in Italië geboren, maar dezer dagen in Londen woonachtige Emma Tricca was voor ons tot voor kort een nobele onbekende. Nochtans is ze al lang niet meer aan haar proefstuk toe. Met “Gypsies And Red Chairs”, “Minor White” en “Relic” heeft ze immers al drie volwaardige langspelers op haar actief staan. ’t Lag deze keer dus echt wel aan ons…

Op de EP “Southern Star” gaan de gelijkgestemde geesten Tricca en McNiff een vooralsnog eenmalig samenwerkingsproject aan. Van beiden staan er drie liedjes op het schijfje. Van Tricca zijn dat het als duet gebrachte titelnummer, het door McNiff vertolkte “Middletown” en het afsluitende “Paris Rain”, van McNiff op zijn beurt de door Tricca ingepalmde ballad “New York”, het net wat lichtvoetigere, maar daar toch daar perfect bij aansluitende “Hills Of Rome” en het weer samen uitgevoerde “Southbound Train”.

Een fraai setje kleine liedjes is het, waarin het verlangen om te reizen en daarmee gepaard gaande emoties bijna voortdurend centraal staan. Met twee stemmen die elkaar wonderwel weten te vinden. Die complementair zijn, heet dat dan. Die van hem lekker gruizig, die van haar aangenaam breekbaar. En dat alles tegen een akoestische gitaarachtergrond die een duidelijke voorliefde voor schoon volk als een Bert Jansch en een John Renbourn verraadt.

Van beide artiesten verschijnt overigens binnenkort nog ander nieuw materiaal ook. Van McNiff is dat alvast de dubbele verzamelaar “Rain Dries Your Eyes”, die op 28 april boven de doopvont zal worden gehouden. Aan dat van Tricca wordt momenteel naar verluidt nog volop gesleuteld in de Big Apple.

Jason McNiff, Emma Tricca

 

RIANTO DELRUE “Riding For A Fall” (Rianto Delrue)

(4****)

De ons stemgewijs beurtelings een weinig aan James McMurtry en Bruce Cockburn herinnerende jonge Gentenaar Rianto Delrue pakte onlangs uit met zijn eerste volwaardige langspeler. “Riding for a Fall” is de opvolger van zijn al in maart 2013 verschenen debuut, de EP “An Awful Lot of Hearts”. En we gaan hier niet al te lang rond de pot draaien: het is een verdomd sterke plaat geworden. Een album dat her en der duidelijk de invloed van groten der aarde als een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een Bob Dylan en een Leonard Cohen laat doorschemeren, maar dat is natuurlijk allesbehalve een bezwaar. Temeer daar Delrue ergens tussen americana, country en folk toch quasi voortdurend vooral zijn eigen ding doet.

Daarbij productioneel begeleid door Teun De Voeght en in de studio bijgestaan door onder meer Bruno Deneckere (gitaar, banjo en mandoline), diezelfde De Voeght (bas, gitaar, piano, percussie en backing vocals), Steven Sarrazyn (harmonica en backing vocals), Ries De Vuyst (gitaar en dobro), Tom De Wulf (drums) en Antje Cochuyt en Iris Thissen (backing vocals) presenteert Delrue (zang en gitaar) ons in net iets meer dan veertig minuten elf eigen liedjes die ongelooflijk af klinken. Verhalend sterk spul, even simpel als doeltreffend.

Het door de banjo van Bruno Deneckere mee de goede kant uit geduwde openingsnummer hadden we zo bijvoorbeeld graag eens door wijlen Johnny Cash horen brengen op één van diens laatste platen. En ook het meteen in het zog daarvan schijnbaar achteloos voorbij schuifelende titelnummer “Riding for a Fall” maakte vrijwel onmiddellijk een verpletterende indruk op ons. Met liedjes van dat kaliber hijst Delrue zich wat ons betreft vlotjes naast andere groten van het Vlaamse americana- en folkwereldje als de al genoemde Bruno Deneckere, HT Roberts en Lieven Tavernier.

En het goede nieuws is, dat hij dat niveau schijnbaar moeiteloos lijkt vol te kunnen houden. Van het folky “Lady Walking in the Snow” over het over voorzichtig speels gitaargetokkel neergelegde “Let Me Be Your Pride and Joy” of het door Steven Sarrazyn met een fijn streepje mondharmonica opgewaardeerde “Taking My Responsibility” tot het zachtjes rockende “The Night Mare”, het in onvervalste fingerpickin’ style opgediste “Don’t Cry Me No Canada Dry”, de hypernerveuze, wellicht flink door zijn eigen levensverhaal geïnspireerde story song “Solitary Baby” en andere, Delrue wist ons echt wel moeiteloos bij de les te houden. De hele rit lang zaten we nu al meermaals met plezier uit. En er zullen er nog flink wat gaan volgen ook, geloof ons vrij!

Tot slot ook nog even een pluim voor het fijne artwork van Maarten Dings. Door te werken met foto’s uit de oude doos weet die immers perfect het op de één of andere manier wat aparte sfeertje dat van “Riding for a Fall” afstraalt te vatten. En da’s een kunstje op zich!

Rianto Delrue

 

MATT HANNAH “Dreamland” (Gamine Records)

(4,5*****)

Matt Hannah is een in Michigan geboren en getogen, maar dezer dagen in Minneapolis residerende Americana singer-songwriter, die al in 2014 solo debuteerde met het knappe, grotendeels akoestisch gehouden album “Let The Lonely Fade”. Een plaat waarvoor als referentie regelmatig de grote Townes Van Zandt werd opgevoerd. Vol met melodieuze folk en Americana. Heerlijk down to earth. En dus keken we hier ook al reikhalzend uit naar wat volgen zou. En dat blijkt nu “Dreamland”.

Dat onder de productionele auspiciën van Matt Patrick ingeblikte geheel krijgt mede door de inbreng Erik Koskinen een net wat elektrischer randje mee. Diens gitaarspel kleurt immers zo menig een nummer een weinig rauwer. Maar ook de oude vertrouwde Hannah blijft aan de beurt komen, hoor. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het verstilde “Banks Of The Mississippi” zonder daarbij in gedachten naar Townes Van Zandt af te dwalen. Lijkt ons bijna onmogelijk. Diezelfde directheid. Diezelfde eerlijkheid ook. Nu al een blijvertje in de ons dagdagelijks begeleidende oortjes.

Met “Dreamland” belandt Hannah voor het overige regelmatig ook in het vaarwater van Jay Farrar. Ook liefhebbers van diens werk zullen hier een vette kluif aan hebben, zo lijkt ons. Iets als “Set Free” zou wat dat betreft een serieuze indicatie kunnen vormen.

Op inhoudelijk vlak doet “Dreamland” zo op het eerste gehoor eerder zwaarmoedig aan, ondermeer door de constante wrijving erop tussen wat we ons herinneren en wat we ons inbeelden. Tussen waar we waren en zijn en waar we diep in ons binnenste naar verlangen. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar titelnummer “Dreamland” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen.

Dit is een blijvertje. Zeker weten!

Matt Hannah

 

MANITOBA HAL “Live In Ghent” (Hal’s Kitchen)

(3,5****)

De Missy Sippy Blues& Roots Club in de buurt van de Korenmarkt in Gent geniet al lang niet alleen meer in ons land een uitstekende reputatie. En dus tref je er met enige regelmaat ook buitenlandse kleppers op de planken aan. Op 28 april van vorig jaar deed zo bijvoorbeeld de Canadese ukelelevirtuoos Manitoba Hal Brolund Klein Turkije aan. En een verslag daarvan krijgen we nu middels de over twee cd’s uitgesmeerde concertregistratie “Live In Ghent”.

Een enthousiaste menigte was die avond getuige van een ronduit uniek te noemen blues event. Ze ging ons inziens volledig terecht echt helemaal mee in Brolunds verhaal. En dat omvatte onder meer covers van klassieke blues songs van onder anderen Mississippi John Hurt, Bukka White en Robert Johnson, tal van eigen originelen en zelfs een interpretatie van iets van Tom Waits.

In z’n dooie eentje zorgt Brolund voor het ene akoestische hoogstandje na het andere. Daarbij slechts gewapend met z’n ukelele en de eigen warme tenorstem strooit hij kwistig in het rond met pareltjes. Van “Come On In My Kitchen”, “Automobile”, “Baby Please Don’t Go”, “Evangeline Blues”, “Sweet Home Chicago” en “St James Infirmary” over “My Babe”, “Ain’t No Grave”, het grappige “Tastes Like Chicken” en “They’re Red Hot” tot “Dig Me A Grave”, “My Creole Belle”, “Who Do You Love” en “The Thrill Is Gone” en vele, vele anderen. Blues entertainment van het betere soort zonder meer.

Een geslaagd aandenken aan een ogenschijnlijk meer dan geslaagde avond daar in Gent. Zeg, dat wij het gezegd hebben…

Manitoba Hal

 

LEVI CUSS “Night Thief” (Levi Cuss)

(3,5****)

Hoogst interessant schijfje, deze tweede van de ons tot voor kort nog volslagen onbekende Canadees Levi Cuss. Die wist op basis van de kwaliteit van zijn vier jaar geleden verschenen debuut “It’s War” voorwaar de gerenommeerde Steve Dawson te strikken als producer voor zijn nieuwe plaat “Night Thief”. En het resultaat van hun samenwerking – Dat moet gezegd! – mag absoluut gehoord worden. Een heerlijk gevarieerd Canamericana-geheel is het geworden, waarover Cuss zelf graag mag spreken in termen van “an honest look at struggle”. Iets waarin hij zelf zowat een ervaringsdeskundige is. Zijn vader stierf immers toen hij vijf was. En z’n moeder, een hard werkende, maar ook hard feestende single, kon alleen duidelijk niet de moeite opbrengen vereist voor het opvoeden van een knaap als Levi. Overdadig drankgebruik op jonge leeftijd, drugs en criminele feiten waren het resultaat. En van dat laatste, doing crime, kwam uiteindelijk ook doing time.

Ondertussen heeft Cuss ondanks een scheiding echter alles weer keurig op een rijtje. En in de muziek vond hij tot zijn eigen grote opluchting een immer attente bondgenoot. Een uitlaatklep voor alles wat zijn ooit zo getroebleerde geest maar kwijt zou kunnen willen. En dat resulteert hier in ruim driekwartier intrigerend luistervoer. Ons soms gevoelsmatig best wel wat herinnerend aan acts als de Jayhawks (de knappe trage “Tecumseh”) of Green On Red (story song “Pills”). En da’s goed gezelschap natuurlijk.

Al kan het ook compleet anders. “Bringing It Back” is zo bijvoorbeeld een vette opstoot van boogie-itis, “Saturday Night” strandt ergens dicht in de buurt van het doorgaans groovy spul van Tony Joe White en “Murder Of Crows” doet iets moois met wat rock input.

Gaan we ongetwijfeld nog veel van horen, van deze Levi Cuss. En da’s maar goed ook.

Levi Cuss

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home