ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Patricia Vonne “Patricia Vonne” - Various Artists “Bluegrass All*Stars”Brian Jay Cline “Ready 2 Raveup”The Sundowners “Chicago Country Legends” - Mark Erelli “Hillbilly Pilgrim”Joel Melton “John Bricker’s Journey (1791 – 1836)”Southern Culture On The Skids “Mojo Box”Thomas Leary “TL3” - Various Artists “Finest Kind Insurgent Country”Rachel Harrington “Halloween Leaves EP”Ad Vanderveen “Late Bloomer”Josh Ritter “Hello Starling” - Flatlanders “Wheels Of Fortune”Chris Daniels & The Kings & Friends “The Spark” - Chuckanut Drive “Chuckanut Drive”Caroline Doctorow “Carmel Valley Ride”Lorrie Matheson “You Should Know By Now” en “The Good Intentions EP”Linda McLean “Betty’s Room”Eric Devries “Little Of A Romeo”Rachel Browning “Good Thing Going”The Clumsy Lovers “After The Flood”Ruthie Foster “Runaway Soul”Stephen Clair “Little Radio”Robert Earl Keen “Farm Fresh Onions”Rusty Wier “Under My Hat” - Mike Dekle “Sketches”Kaz Murphy “Devil In The Barn”An American Starlet “The Duchess Of Hazard”Gene Pistilli “I Still Get Dressed On Sundays”Andrew Walker “Floating Shift”Stephanie Urbina Jones “The Spirit Of Christmas” en “Stephanie Urbina Jones” - Sidehill Gougers “Runaway Scrape”Tom Adler “Jenny Where You Going” - Mindy Smith “One Moment More”

 

PATRICIA VONNE

“Patricia Vonne”

(Bandolero Records / CoraZong Records)

(3.5) J J J J

 

Patricia Vonne is een pittige tante, dat zie je zo! Verleidelijk kijkt deze in San Antonio geboren Chicana je vanop het hoesje van haar debuut-cd aan. Felgroene ogen, kersenrood pruilmondje, je zou voor minder bezwijken… Maarrrrr! Terug naar de orde van de dag! De muziek, die zal het ‘m moeten gaan doen! En die mag er eigenlijk ook best wezen! Vonne keerde nog niet zo heel lang geleden naar haar thuishaven Texas (meer bepaald naar Austin) terug na een langdurig verblijf in New York City. En da’s een belangrijk gegeven, want het verklaart allicht de op het eerste gezicht niet zo voor de hand liggende combinatie van vrij commerciële (roots)rock en Tejano- en countrygeluiden.

Catchy rootsrockdeunen met duidelijke popaccenten als “Won’t Fade Away”, “Shine A Light On Me” en “Devotion” hebben echt alles om het zowel in Texas als in Nashville te maken. Met haar krachtige, maar tegelijk ook flexibele stem kleurt Vonne deze songs zonderling attractief in. O zo commercieel, maar op een vreemde manier toch ook voor alt. country-oren erg attractief…

En wat te denken van haar Tejano-kant! Telkens ze een nummer in het Spaans aanheft, zijn wij bij voorbaat verloren. Er is de sfeervolle (rock)ballad “Soledad”, er is de Latino twang van “Bandolera” (een soort eerbetoon aan vrouwelijke bandieten) en er is het schitterende loflied voor haar grootmoeder “Severina”. Meer moet dat voor ons niet zijn… Hoewel, bij nader inzicht, een volledige Spaanstalige Vonne-plaat, dat zou pas echt iets zijn! Maar met dat soort van gedachten doen we dan weer een stel andere songs tekort. Het twangy “Morning After” bijvoorbeeld of de lekkere aan Tito Larriva (van Tito & Tarantula en The Cruzados) opgedragen countryrocker “El Cruzado”. Of “Mudpies And Gasoline”, aanstekelijke honky tonk rock en eigenlijk gewoon het beste nummer van de plaat. Samen met het gedreven “Dead Eyes Shine” dan wel, waaraan Jon Dee Graham (steel) zijn medewerking verleende.

Tot slot nog vlug even dit: het extra snoepje dat op de eerdere Amerikaanse versie aan het geheel werd toegevoegd in de vorm van de video-uitvoering van “Won’t Fade Away” werd op deze gloednieuwe Nederlandse uitvoering door CoraZong Records vervangen door het heel mooie “Traeme Paz” uit de film “Once Upon A Time In Mexico”.

www.patriciavonne.com

http://cdbaby.com/cd/pvonne

www.corazong.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

Bluegrass All*Stars”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J

 

Op het eigenste ogenblik waarop La Belgique zich eens te meer collectief vergaapt aan de verbluffende resultaten van een stel vrouwelijke tenniswonderen van eigen bodem somewhere down under pakt platenlabel Sugar Hill uit met een bijzonder fraaie bluegrassverzamelaar die als ondertitel “Sixteen Grand Slams From Sugar Hill Records” meekreeg. En dan is in het onderbewustzijn de link al snel gelegd natuurlijk…

Het gaat hier trouwens daadwerkelijk om een stel bijzonder mooie liedjes van schoon volk als Nickel Creek, The Gibson Brothers (met het heerlijke “The Open Road”), Alan Bibey (met Del McCoury in “County Fool”), Jerry Douglas (met Alison Krauss tekenend voor “I Don’t Believe You’ve Met My Baby”), Don Rigsby, Jim Mills, Doyle Lawson & Quicksilver, Ronnie Bowman, de Lonesome River Band, Bryan Sutton (met het instrumentale “Daley’s Reel”), Tim O’Brien (met de Dylan-cover “Maggie’s Farm”), The Seldom Scene, Randy Howard, Sam Bush, Byron Berline (met Vince Gill in de Bill Monroe-compositie “Rose Of Old Kentucky”) en Baucom, Bibey & BlueRidge. Kortom de ideale introductie tot een stel recente tot behoorlijk recente albums van huis van vertrouwen Sugar Hill. Maar daarnaast bovenal ook een plaat die je met plezier zal blijven beluisteren, omdat hier eigenlijk gewoon niet één enkel zwak moment op te bekennen valt. De enige bedenking die men zich bij deze compilatie zou kunnen maken, is dat er spijtig genoeg in het geheel geen nieuwe dingen op te rapen vallen. Een tip voor de toekomst misschien?

www.sugarhillrecords.com

 

 

BRIAN JAY CLINE

“Ready 2 Raveup”

(Jam Recordings)

(4) J J J J

 

Wie net zoals ons zijn hart een weinig verloren heeft aan de rijke pop- en rockcultuur van de late jaren ’70, die zal wellicht evenzeer met volle teugen genieten van de nieuwe van Brian Jay Cline als wij dat doen. “Ready 2 Raveup” is na “Twisty Town” uit 2001, “Fast Train To Brooklyn” en “The Big Issue” uit 2002 en het uitstekende, in de tweede helft van vorig jaar verschenen “Quadrophonic Deluxe” zijn vijfde CD in nauwelijks vier jaar tijd. En ze worden verdorie nog met de keer beter ook! Cline verstaat immers als geen ander de kunst om een aanstekelijke rootspopsong in mekaar te draaien. Zijn liedjes horen thuis in hetzelfde laatje waarin u ook die van de jonge Costello, die van Nick Lowe, die van Graham Parker, die van Joe Jackson in z’n beste dagen en die van Marshall Crenshaw pleegt te bewaren. Het handwerk van een specialist met andere woorden, die wars van alle trends gewoon blijft doen waar hij goed in is en dat is het schrijven van vlotte rootsgeoriënteerde popliedjes als “Earthquake”, “Cheatin’ Hearts” of “Feeling Like The Feeling”. Nu eens met een vette knipoog naar de blues (“Lower East Side Blues”), dan weer met een subtiele tip of the hat aan het adres van Motown (“Long Way To Fall” en “Dog”) of gewoon ongegeneerd lonkend naar het beste van de sixties (“Elevator”) en de seventies (“Kiss N Tell” en “There Goes The Neighborhood”) op pop- en rockgebied. Lekker wegjengelende gitaren, aanstekelijk harmonicawerk, intrigerende orgelmotiefjes, gedreven zang – deze plaat heeft in onze ogen alles wat je van een goede rootspopplaat verwachten mag. Ze opzetten betekent zoveel als de zomer al een beetje inluiden…

www.brianjaycline.com

www.jamrecordings.com

 

 

THE SUNDOWNERS

Chicago Country Legends”

(Bloodshot / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Toen enige tijd geleden “The Executioner’s Last Songs Volume 2 & 3” verschenen, werden wij daarop aangenaam verrast door de live-uitvoering van de evergreen “Tom Dooley” die de Sundowners daarop ten beste gaven. En dat aanvankelijke gevoel van verbazing ruimt nu dankzij de nimmer aflatende inspanningen van het sinds jaar en dag van goede smaak getuigende insurgent country label Bloodshot plaats voor grenzeloze sympathie. In het kader van zijn Revival-reeks pakt de platenfirma uit Chicago nu immers uit met het full album “Chicago Country Legends”, waarop we worden getrakteerd op zo maar even 24 songs van de drie heren. Het gaat daarbij om opnamen die werden gemaakt tussen 1960 en 1971. Country & Western-favorieten als het al eerder genoemde “Tom Dooley”, “I Remember You” of “Clementine” komen hier werkelijk bij bosjes voorbij. Maar ook ogenschijnlijk totaal “andere” nummers als het van de Beatles geleende “Something” of “Things” van Bobby Darin krijgen terloops een flinke beurt. Het wordt alleszins al snel duidelijk waarom The Sundowners in de buurt van hun thuishaven als echte legendes gelden. Hun samenzang herinnert weliswaar vaag aan die van acts als The Sons Of The Pioneers, maar in tegenstelling tot het werk van dat gezelschap of latere Western acts als de Riders In The Sky hebben de Sundowners duidelijk een scherp randje. Dat wordt overduidelijk in deze live setting. (Met stuk vallende glazen en luidruchtige diensters als een perfecte illustratie daarvan.) Waar het oeuvre van het merendeel van hun C&W-collega’s zich overduidelijk laat situeren onder een kraakheldere sterrenhemel boven een weidse vlakte, branden bij de Sundowners de neonlichten boven de klapdeuren van grootstedelijke honky tonks. Op die manier komen ook de urban cowboys hier volop aan hun trekken. Geen wonder dan ook, dat ze groten der aarde als een Fats Domino, een Sting, een Don Gibson, een Robert Duvall en een Mickey Mantle tot hun fans mogen rekenen. Hun “ruige” harmonieën laten zich in elk geval warm aanbevelen aan iedereen met een hart voor country. En aangezien dit naar een Robert Mitchum-film uit 1960 vernoemde collectief in z’n lange carrière naar schatting zo’n 15.000 verschillende songs zou hebben vertolkt, kijken wij nu al met plezier uit naar een volgend volume.

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

MARK ERELLI

“Hillbilly Pilgrim”

(Signature Sounds / Bertus)

(4.5) J J J J J

 

Het muziekjaar 2004 is nog relatief jong, maar met “Hillbilly Pilgrim”, het nieuwe album van de 28-jarige, zo’n 100 mijl ten westen van Boston in het bescheiden Northampton, Massachusetts woonachtige Mark Erelli dient zich toch al een eerste echte revelatie aan. Niet dat Erelli een nieuwkomer zou zijn, dat zeker niet. Maar “Hillbilly Pilgrim”, zijn ondertussen toch ook alweer vierde CD, staat voor een serieuze stijlbreuk in vergelijking met de door velen schandelijk over het hoofd geziene voorganger ervan, “The Memorial Hall Recordings”. Waar Erelli daarop zijn heil nog zocht in een muzikaal eerbetoon aan het rootsmuziek-erfgoed van New England, verkent hij op zijn jongste worp ongegeneerd Western swing-wateren. In dat opzicht is het wat verloren lopende, swingende niemendalletje “What’s Changed” (met z’n zalig accordeonnetje) op zijn derde een goede indicatie gebleken voor wat komen zou. Regelmatig komt Erelli op “Hillbilly Pilgrim” immers in het vaarwater van illustere voorgangers als Bob Wills of recenter nog Asleep At The Wheel terecht. Al dient daar onmiddellijk aan toe te worden gevoegd, dat hij zich in het gezelschap van zijn gelegenheidsbegeleiders van The Spurs niet meteen bezondigt aan purisme. Heerlijk swingende liedjes als opener “Brand New Baby” (waarin hij verhaalt hoe hij zijn vrouw leerde kennen), het met Erin McKeown gebrachte “Pretend” en het nog volop naar kerstbomen geurende “Ain’t No Time Of The Year To Be Alone” worden immers afgewisseld met een rockend tussendoortje als “Troubles (Those Lonesome Kind)” of in steelgitaren en fiddles zwelgende trage countrydeunen als “My Best Was Just Not Good Enough (For You)” of “The Farewell Ball”. En dan zijn er nog de twee absolute toppers op dit toch al bepaald niet misselijke schijfje. Enerzijds is dat de bijzonder catchy spring-in-‘t-veld “Troubadour Blues”, waarin Erelli met veel eerbied buigt voor muzikale helden als Townes Van Zandt, Hank Williams, Jimmie Rodgers en Woody Guthrie, anderzijds de ingetogen gospel folk van “Pilgrim Highway”, waarin hij helemaal aan het einde van het album de aansluiting met zijn eerder werk lijkt te willen realiseren.

Al bij al een plaat die je al van bij een eerste beluistering volledig overrompelt en die qua authenticiteit een vergelijking met ruim een halve eeuw oudere soortgenoten moeiteloos doorstaat. Prachtig!

www.markerelli.com

www.signaturesounds.com

www.bertus.nl

 

 

JOEL MELTON

“John Bricker’s Journey (1791 – 1836)”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Het gezaghebbende Amerikaanse blad No Depression schreef onlangs over Joel Melton, dat hij goed op weg was om één van Oklahoma’s beste roots georiënteerde muzikanten te worden. En da’s een stelling die je na het beluisteren van ‘s mans jongste CD “John Bricker’s Journey (1791 – 1836)” eigenlijk alleen maar kan onderschrijven. Melton toont zich daarop immers als een meesterlijke storyteller die feiten en fictie vrijwel naadloos in elkaar te laten overlopen vermag. De CD vertelt het verhaal van Bricker vanaf het moment dat die als vijftienjarige zijn toenmalige thuishaven in Lancaster, Pennsylvania verliet voor een kolonistenbestaan in Austin tot aan zijn onfortuinlijke dood tijdens de Texaanse onafhankelijkheidsstrijd in 1836.

Melton is gezegend met een aangenaam warm overkomende gruizige stem en blijkt bovendien ook een kei op de akoestische gitaar. Met een minimum aan hulp van buitenaf vanwege Tom Bergman op de banjo, Scott Keeton op de dobro en The Brazos River Queens als achtergrondzangeressen tovert hij zodoende “John Bricker’s Journey (1791 – 1836)” om tot een constante bron van luisterplezier, die met name de fans van hier al iets meer gereputeerde collega’s als Slaid Cleaves, Brian Webb en Rod Picott zich eigenlijk niet zouden mogen laten ontgaan. Dit is immers akoestische rootsmuziek van de bovenste plank!

www.joelmelton.com

Amazon

 

 

SOUTHERN CULTURE ON THE SKIDS

“Mojo Box”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Ruim drie jaar was het ondertussen ook alweer geleden, dat we door Southern Culture On The Skids met “Liquored Up and Lacquered Down” voor het laatst op onze wenken bediend werden. En da’s lang… Veel te lang eigenlijk. Maar goed, met hun achtste, “Mojo Box”, leveren Rick Miller, Mary Huff en Dave Hartman wel een album af dat het ellenlange wachten meer dan waard blijkt te zijn. Invloeden van de Cramps, de Creedence Clearwater Revival, de Sir Douglas Quintet, Dick Dale en nog een stuk of wat andere sixties beat- en R&B-artiesten worden hier gebald tot één van de meest aanstekelijke platen van de voorbije maanden.

Middels een bijna Braziliaans aandoende drumroffel worden we via de soulvolle quasi-sixties-deun “Smiley Yeah Yeah Yeah” op voortvarende wijze het album binnengeloodst. Titelnummer “MOJO BOX” biedt vervolgens swamp pop met lekker vet twangende “garbage” gitaren en dito groovy pianospel. “Doublewide” koppelt de country harmonieën van Miller en Huff dan weer aan knallende surfgitaren en een psychedelisch orgeltje dat ver verwant lijkt aan soulhitje “Do You Want To Dance”. Hillbilly surf of zoiets… Het spetterende “’69 El Camino” is aan de Cramps verwante ‘billy en “The Wet Spot” een razendsnelle surfgitaarinstrumental. “Soulful Garage” zwelgt in de pittige hand claps en maakt zo terloops zijn titel helemaal waar, terwijl “Biff BANG Pow” (geleend van 60’s rockers The Creation) staat voor lekkere fuzz rock. Wat rest zijn ondermeer nog de trage garage country van “Where Is The Moon”, de verzengende gitaarrock van “Fire Of Love”, de swamp rock de luxe van “Swamp Fox” en de olijke (lieflijke) gitaarinstrumental (à la Santo & Johnny) “The Sweet Spot”.

Om het maar eens met een gevleugelde Vlaamse uitdrukking te zeggen: “Dit swingt werkelijk als een tiet!” Onweerstaanbaar gewoon! Onmogelijk om hierbij stil te blijven zitten.

www.scots.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

THOMAS LEARY

“TL3”

(Mule Dog Records)

(1) L

 

Thomas Leary werd geboren op 8 november 1949 in Rockford, Illinois. Als jongeling studeerde hij muziek aan het plaatselijke college in Milton, Wisconsin. En als een gevolg daarvan belandde hij in de ons totaal onbekende rockgroep Wheezer Lockinger. Een groep waarmee hij aantrad met groten als Fleetwood Mac, The Grateful Dead, Humble Pie en REO Speedwagon, om er maar een paar te noemen. Later verliet hij de groep om een carrière als soloartiest na te jagen. Daartoe stampte hij ondermeer zijn eigen label Mule Dog Records uit de grond. En daarop verscheen zopas zijn derde album “TL3”. En om maar meteen met de deur in huis te vallen, de muziek daarop laat ons volslagen koud. Wat Leary hier in z’n eentje klaarmaakt laat zich trouwens ook nauwelijks definiëren. Bladzijden gescheurd uit het symfonische rockboek worden hier overgoten met een oubollig discosausje. Singer-songwritermateriaal wordt op dezelfde manier gefnuikt. Klinkt allemaal uitermate muf… Trek je conclusie!

www.muledog.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Finest Kind Insurgent Country”

(Bloodshot Records)

(4) J J J J

 

Het al sinds mensenheugenis aan de insurgent country-weg timmerende Bloodshot-label pakt weer eens uit met één van zijn smaakvolle compilaties. Het prettig geprijsde schijfje biedt een fraai staalkaartje van al het moois wat ons de jongste maanden vanuit Chicago bereikte. Met materiaal van ondermeer Kelly Hogan & de Pine Valley Cosmonauts, Trailer Bride, de Waco Brothers, Wayne Hancock, de Legendary Shack Shakers, Jon Langford & de Sadies, Alejandro Escovedo, Sally Timms & de Pine Valley Cosmonauts, Jon Rauhouse, Rex Hobart, Ryan Adams, de Asylum Street Spankers en de Old 97’s weet je bovendien dat je waar voor je geld krijgt. Geen exclusiviteiten weliswaar ditmaal, maar dat kan de pret niet drukken. Als kennismaking met de Bloodshot-stal staat deze aangenaam wegluisterende verzameling immers ook zo garant voor flink wat luisterplezier.

www.bloodshotrecords.com

Glitterhouse Records

 

 

RACHEL HARRINGTON

“Halloween Leaves EP”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Rachel Harrington laat er op haar debuut-EP “Halloween Leaves” maar weinig twijfel over bestaan, waar haar muzikale voorkeur ligt. Het schijfje telt maar vier liedjes, maar meer is er echt niet nodig om deze uitzonderlijk begaafde artieste in de armen te sluiten. Mensen die wel eens een plaatje beluisteren van Stacey of Steve Earle, Townes Van Zandt, Richard Buckner, de Be Good Tanyas en vooral ook Gillian Welch zullen hier zeker het nodige plezier aan beleven. Met als voornaamste bondgenoot een akoestische gitaar vertolkt Harrington op innemende wijze het door Gillian Welch en David Rawlings gepende “My Morphine”, de Gram Parsons evergreen “Hickory Wind” en de soulklassieker “That’s How Strong My Love Is”. Daarbij valt vooral op, hoe ze zich deze liedjes moeiteloos eigen maakt. Het resultaat is akoestische alt. country van een voor een debutant wel zeer hoog niveau.

Eén eigen compositie hier ook, en da’s het titelnummer van het schijfje, “Halloween Leaves”. Daarin leren we Harrington ook kennen als een veelbelovende liedjesschrijfster. Het nummer valt hoegenaamd niet uit de toon tussen het hoger vermelde geleende werk. Wij kijken dan ook al volop uit naar het echte debuut van Harrington. Als ze de belofte van dit fraaie visitekaartje daarop kan inlossen, dan kan ze zeker uitgroeien tot één van de groten van het genre.

www.rachelharrington.net

http://www.cdbaby.com/cd/rachelh

 

 

AD VANDERVEEN

“Late Bloomer”

(Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Ad Vanderveen is een man wiens reputatie tot ver buiten de Nederlandse landsgrenzen reikt. En één beluistering van “Late Bloomer”, of wat hij zelf zijn “Greatest Hits Vol. 1” noemt, is ruimschoots voldoende om te begrijpen waarom deze extreem getalenteerde singer-songwriter door zo velen op handen wordt gedragen. O.K., er zijn natuurlijk de overduidelijke verwijzingen naar Neil Young, daar kan je gewoon niet naast luisteren. Maar de vraag is of dat ook wel echt moet. Als je als artiest je begeleidingsgroep de O’Neils noemt, dan heeft het er toch alle aanschijn van, dat je zelf niet zo zwaar aan die vergelijking tilt, niet?

“Late Bloomer” biedt een heel fraai carrièreoverzicht geput uit zo’n tien CD’s beginnend met “Continuing Stories” van Personnel (de groep die hij in de vroege jaren negentig samen met Philip Kroonenberg bevolkte) tot en met zijn meest recente release, “The Moment That Matters”. Alles samen goed voor zeventien nummers, waaronder ook het gloednieuwe titelnummer, “Late Bloomer”. Binnenkort mogen we trouwens ook nog de DVD “Late Bloomer Adventures” verwachten. Daarop zal Vanderveen naast wat gerearrangeerde oudere stukken niet enkel werk van deze compilatie opdienen, maar ook zes splinternieuwe songs.

Maar laat ons vooral nog even bij het hier en nu blijven. Schitterende liedjes als “Here Now”, “Come What May”, “First Feeling”, “The Moment That Matters” (met Eliza Gilkyson), “Be Your Own Best Friend”, “Emigrant Family” of “Water Under The Bridge” (het absolute prijsbeest van Personnel) nodigen uit tot beluistering na beluistering na beluistering. Wij zijn er dan ook behoorlijk zeker van dat de gemiddelde fan van een Neil Young, een Bob Dylan, een David Olney (van wie hier overigens het nummer “If My Eyes Were Blind” gecoverd wordt) of een Townes Van Zandt die dit schijfje onverwacht onder handen krijgt al snel zal gaan grasduinen naar meer in het verleden van Ad Vanderveen. En terecht ook, want op deze Americana-pionier-liedjesschrijver mag men in Nederland met recht en rede trots zijn.

www.advanderveen.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

JOSH RITTER

“Hello Starling”

(Signature Sounds / Bertus)

(5) J J J J J

 

Nu ook eindelijk effectief in de Lage Landen verkrijgbaar en dus halen we deze werkelijk wonderschone CD graag weer eens wat meer naar de voorgrond. Dit mag je immers in geen geval missen. Dit is wat we er al in september over schreven.

 

B-R-I-L-J-A-N-T !!!

Dat gezegd zijnde misschien toch ook maar een paar woordjes uitleg geven zeker? Josh Ritter is met “Hello Starling” aan zijn derde album toe. De jonge uit Idaho afkomstige singer-songwriter nam het geheel in februari van dit jaar in nauwelijks veertien dagen onder de vakkundige supervisie van de Ierse producer David Odlum (Frames, Gemma Hayes) in de Black Box Studios in La Dionnaie in La Douce France op. Het resultaat van dit korte, maar zeer arbeidsintensieve verblijf op het Europese vasteland is een plaat die verrassend persoonlijk en intimistisch overkomt. Ritter serveert hier elf liedjes die vergelijkingen met Leonard Cohen en de Bruce Springsteen van “Nebraska” oproepen. Dat wil zeggen vaak slechts zeer spaarzaam begeleid en met een licht klagende stem voorgedragen. Nogal wat songs draaien daarbij rond de liefde in al haar mogelijke facetten. Opener “Bright Smile” bijvoorbeeld is gewoon een lieflijk overkomend niemendalletje van een liefdesliedje. En het aansluitende “Kathleen” vertelt over een soulvol orgeltje het verhaal van een goede vriend die, verliefd als hij is, op een afstand wacht tot zijn vriendin van een feestje samen met hem naar huis wil terugkeren. Het regeltje “I won’t be your last dance just your last goodnight,” verwoordt op fraaie wijze het besef van de eigen vrij uitzichtloze situatie. Met “You Don’t Make It Easy, Babe” belanden we vervolgens in het braakland tussen Guy Clark en J.J. Cale – een akoestisch pareltje met als thema wederom een onbeantwoorde liefde. Gelukkig tonen “Man Burning”, een vlotte Americana popsong, en “Rainslicker”, het alweer volgende rustpuntje, ook de andere gezichten van de liefde. Je zou Ritter immers al vlug kunnen gaan verdenken van een wat al té fatalistische kijk op de zaak… “Wings” is vervolgens één van de mooiste nummers van de plaat. In onvervalste Leonard Cohen-stijl walst Ritter doorheen een story song over engelen. En als hij aan Anne, één van de twee hoofdpersonages van het verhaal, de volgende uitspraak ontlokt, krijgt hij je toch wel even heel erg stil:

“I wonder what will happen,

when they find out they’re mistaken

and the land is too changed

to ever change.”

Een ander hoogtepuntje is “Bone Of Song”, alweer zo’n verstild akoestisch moment over een onder een boom opgegraven bot als muze voor een liedje en een verder leven als singer-songwriter:

“…I care not for wealth or fame -

I’ll remember your song -

but I’ll forget your name.”

Afsluitend met een instrumentale flard “Auld Lang Syne” verduidelijkt Ritter nog even zijn droom om een tijdloos liedje te schrijven.

Tenslotte vermelden we ook nog even het aan Ryan Adams’ oeuvre verwante “Snow Is Gone”, het nummer waaraan het album z’n titel ontleende, het liefdesliedje “Baby That’s Not All”, dat wat ons betreft in dezelfde categorie thuishoort als Springsteens “I’m On Fire”, en “The Bad Actress”, één van de meest poppy songs op “Hello Starling” over een gefakete liefde.

Nee, “Golden Age Of Radio”, zijn vorige, was goed, maar wacht tot je dit gehoord hebt! Vijf sterren a.u.b. - de ene al meer verdiend dan de andere…

www.joshritter.com

www.signaturesounds.com

www.bertus.nl

 

 

THE FLATLANDERS

“Wheels Of Fortune”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Het kan verkeren, wist Bredero, en of de man met die uitspraak gelijk had… Goed en wel dertig jaar deden Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock erover om elkaar te vinden voor een opvolger voor hun legendarische plaatdebuut uit 1972. Maar de impact van die plaat, het in 2002 afgeleverde “Now Again”, en het toeren ter promotie ervan dreef de drie heren een stuk dichter naar elkaar toe, met als niet onaangenaam gevolg, dat we dit keer geen dertig jaar hoeven te wachten op nieuw plaatwerk. Verrassend snel komen de drie ditmaal zelfs op de proppen met wat je in dit geval nauwelijks de moeilijke derde kan noemen.

In maart van 2003 dook het trio samen met Robbie Gjersoe (zang, gitaren, banjo), Steve Wesson (zingende zaag), Tony Pearson (zang), Gary Herman (bas) en Chris Searles (drums) Joe Ely’s studio in om er zo’n dertig songs in te blikken, waarvan er uiteindelijk veertien op “Wheels Of Fortune” belandden. Voor de productie tekende opnieuw Ely zelf. En hij zag ondermeer hoe bekende gasten als Lloyd Maines (steelgitaar), Mitch Watkins (gitaar) en Joel Guzman (accordeon) mee instonden voor wederom een erg fraai album.

Heel wat van de nummers op deze derde worp gaan al jaren mee in de respectievelijke repertoires van Ely, Gilmore en Hancock. Hier ondergaan ze echter voor ’t eerst een gemeenschappelijke muzikale knuffel. Let wel, het gaat niet uitsluitend om opgewarmde kost! Naast die vele al in de één of andere versie bekende songs staan er ook een aantal totaal nieuwe dingen op de plaat.

Het leuke aan “Wheels Of Fortune” is, dat de heren voortdurend elkaars songs aanpakken. Van de rustig voortkabbelende Americana van opener “Baby Do You Love Me Still?” over de onvervalste nasale twang van Jimmie Dale Gilmore in het titelnummer van de plaat tot het afrondende “See The Way” levert dat vrijwel continu het ene hoogtepuntje na het andere op. Er is bijvoorbeeld al de trage, zich als een oude loco voortslepende bluesy country rock van “Midnight Train”. Of het met het gezoem van de zingende zaag van Wesson ingekleurde “Eggs Of Your Chickens”. Of de enigszins spooky aandoende country van “I’m Gonna Strangle You Shorty”. Maar al bij al zitten de echte krenten wat ons betreft toch verborgen in de tweede albumhelft. De twangy trage “Neon Of Nashville” is er zo eentje, met werkelijk prachtig steelgitaarwerk van Lloyd Maines. En ook de door Jimmie Dale Gilmore op de hem geheel eigen manier gezongen benadering van Hancocks “Once Followed By The Wind” is heel erg fraaie singer-songwriter country. Terwijl “Go To Sleep Alone” en “Indian Cowboy” respectievelijk een spetterende countrydeun met een hoog meezinggehalte en een pakkende Tex-Mex border song blijken, met een speciale vermelding voor de gevoelvolle accordeonbijdrage van Joel Guzman aan dat laatste nummer. Hét moment suprème bewaren de drie echter voor het slot. Dat is met name het ongelooflijk mooie, samen gezongen slepertje “See The Way”. Een veel betere manier om deze CD mee te besluiten ware nauwelijks denkbaar geweest.

Weinig op af te dingen weer dus op deze “Wheels Of Fortune”. Het enige bezwaar dat je tegen platen als deze zou kunnen hebben, is dat het nu wellicht een stuk langer zal gaan duren voor de heren weer eens met solowerk op de proppen zullen komen. Maar ja, dat zullen we er maar bij nemen zeker…?

http://www.theflatlanders.com/

www.sonic.nl

 

 

CHRIS DANIELS, THE KINGS AND FRIENDS

“The Spark”

(Moon Voyage Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

Alstublieft, dankuwel! Eindelijk ook verkrijgbaar in de Lage Landen: de nieuwe cd van Chris Daniels en zijn Kings, “The Spark”. Daniels en de zijnen bevinden zich voor hun jongste worp in werkelijk excellent gezelschap. Sonny Landreth, Tony Furtado, Bill Payne van Little Feat, Richie Furay van Poco, Sam Bush, Mollie O’Brien, Steve Conn uit de band van Bonnie Raitt, Steve Riley en nog een trits anderen, ze waren allemaal van de partij om hun steentje eraan bij te dragen. Geen wonder dan ook, dat “The Spark” een uitstekend album is geworden. Vanaf de met een fraaie slide-partij van Sonny Landreth opgeluisterde opener “50/50” is het meteen goed raak. Zo hoort de perfecte kruising tussen blues, soul en reggae dus te klinken… En ook het aansluitende titelnummer weet onmiddellijk te bekoren. Met alweer een opvallende slide-bijdrage, ditmaal van Tony Furtado, terwijl Sam Bush hem serieus van jetje geeft op zowel de mandoline, als de fiddle. Wat daarbij uit de bus komt is heel erg fraaie roots rock. Het volgende hoogtepunt is “Biggest Heartache On The Block”, waarin Daniels met wat vocale bijstand van Mollie O’Brien relaxt swingend naar New Orleans neigt. Iets wat hij wat verderop trouwens nog een paar keer herhaalt in met name “In The Night” (gesigneerd Henry Roeland Byrd oftewel Professor Longhair en met een bijzonder lekkere accordeonbijdrage van Steve Riley) en “Tuesday Man” (met knap National steel-spel van Daniels zelf). En dan hadden we ’t nog niet over het door Dave Steen geschreven “Jump” dat zijn titel echt alle eer aandoet en over het zomerse rootsdeuntje “Kelly Jean” waarin Sam Bush zich nog eens lekker speels mag laten gaan op de mandoline. Of over een paar rustigere momenten, als daar zijn “At Last” of “If I’d Only Taken You Dancing”.

Op school zou je hier een dikke 8 op 10 voor krijgen! Zeer goed dus…

www.chrisdaniels.com

 www.musicwords.nl

 

 

CHUCKANUT DRIVE

“Chuckanut Drive”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

Chuckanut Drive is een viertal uit Bellinham, Washington bestaande uit Steve Leslie (lead vocals, gitaar), Loren Huggins (leadgitaar, zang), Aaron Ansley (bas) en Erik Anderson (drums, harmonica, zang). Op hun titelloze debuutplaat brengen die heren een soort van aangename, lekker ouderwets aandoende alt. country / Americana / roots rock. En dat hoeft eigenlijk ook geenszins verwondering te wekken als je weet dat ze The Band, The Rolling Stones, Old 97’s, Whiskeytown, Wilco, Willie Nelson, Johnny Cash en Bob Dylan als hun voornaamste invloeden opgeven.

Let wel, dat ouderwets staat hier zeker niet voor oubollig. Die indruk zou immers gemakkelijk kunnen ontstaan bij het lezen van het voorgaande lijstje. Het is gewoon zo, dat wat Chuckanut Drive doet allemaal heel erg vertrouwd klinkt. Het gezelschap maakt muziek die in zekere zin iets tijdloos over zich heeft. Country rock die net zo goed in de 70s, de 80s, de 90s, als nu gemaakt had kunnen zijn, met als voornaamste pluspunten het twangy gitaarwerk van Huggins, de aangename (wat lijzige) zang van Leslie en de no nonsense-benadering van de even eenvoudige als aangenaam wegluisterende nummers. Liedjes als het pittige rockertje “Mexican Daydream” (opgetrokken rond de gevleugelde woorden “Half drunk, with another half to go”), het passioneel gebrachte “Can’t Stand” en het zich traag op een dominante baslijn van Ansley voortslepende “Dry” zijn gewoon prima stuff – niks meer, niks minder – van een bandje dat nog een flinke groeimarge lijkt te hebben.

Slechts één minpuntje: met acht nummers is het geheel aan de eerder korte kant. En dat is best jammer te noemen, want als het zo goed is als dat hier het geval is, dan kijken wij al snel uit naar meer…

www.chuckanutdrive.net

http://www.cdbaby.com/cd/chuckanutdr

 

 

CAROLINE DOCTOROW

Carmel Valley Ride”

(Narrow Lane Records)

(4) J J J J

 

 “Carmel Valley Ride” is na “Passing Through Tulsa” uit 1996 en “That Changes Everything” uit 2001 de derde CD van Caroline Doctorow. En – laten we daar van bij het begin maar niet de minste twijfel over laten ontstaan – het is er eentje geworden om in te lijsten. Wonderschoon gewoon. Doctorow baseerde zich voor de plaat enigszins op de levens van de in 2001 overleden sixties folk-heldin Mimi Farina en haar liedjesschrijvende echtgenoot Richard, die op eerder tragische wijze om het leven kwam bij een motorongeval exact op haar eenentwintigste verjaardag. Caroline Doctorow raakte geïntrigeerd door het leven dat Farina leidde na de plotse dood van haar wederhelft.

Muzikaal gezien laat ze zich met dit derde album situeren ergens tussen pakweg Nanci Griffith en de twee Williamsen – Victoria en Lucinda bedoelen we dan, niet de tennissende zussen. Doctorow staat immers voor folky Americana van overwegend rustige makelij. Voor “Carmel Valley Ride” deed ze een beroep op de diensten van Frank Carillo, een man die we nog kennen van zijn werk aan de zijde van de altijd kauwende Annie Golden in het duo Golden Carillo, dat in de jaren negentig enkele uitstekende, maar helaas ook door velen over het hoofd geziene platen afleverde. Carillo tekende niet alleen voor de productie, hij nam ook een groot deel van het snarenwerk voor zijn rekening en droeg terloops ook enkele songs aan. Eentje daarvan, het ingetogen “Blame All My Troubles (On The Moon)”, een stukje onvervalst getoonzet liefdesverdriet, behoort zelfs tot de allermooiste momenten van het album.

Andere erg fraaie nummers zijn de onder een weldadige hoeveelheid pedal steel- en akoestisch gitaarwerk kreunende titeltrack, het met warm Hammond-werk van Tony Perrino onderbouwde “Baby Blue Eyes (Annabelle)” en de heerlijke (een weinig aan Lucinda Williams’ rustigere momenten verwante) Americana van “Memory Tattoo (Long Time Gone)”. Of de bijzonder sfeervolle covers van Bob Dylans “I Want You” en Richard Farina’s “A Swallow Song” (in duet met Michael Hennessy), die hier beide een eigentijds folkkleedje krijgen aangemeten.

Het absolute hoogtepunt van de plaat vormt echter “Saved”. Da’s tegelijk het somberste en het mooiste liedje van de CD. Spaarzaam begeleid geeft Doctorow zich er in onvervalste sixties folkstijl in over aan een obsessieve liefde. Eén van die typische kippenvelmomentjes…

www.carolinedoctorow.com

http://cdbaby.com/cd/doctorow3

 

 

LORRIE MATHESON

“You Should Know By Now” “The Good Intentions EP”

(Western Famine Recordings) (In eigen beheer uitgebracht!)

(2 X 3.5) J J J J

 

 “You Should Know By Now”, het solodebuut van de uit het Canadese Calgary afkomstige ex-voorman van National Dust staat barstensvol met oorvriendelijke roots rock. Al ligt het accent in vergelijking met zijn vroegere werk dan ook eerder aan de poppy kant. Zo schoten ons vrijwel meteen de namen van Matthew Sweet, Pete Droge en de Smithereens te binnen bij het beluisteren van met heerlijke hooks opgeluisterde nummers als opener “(I Got My) Blinders On”, het meteen daaropvolgende “The Escapegoat” en het ingetogen “Darken My Door”. Heel erg conventioneel van opzet allemaal (met vooral een glansrol voor de aanwezige gitaren), maar o zo catchy. En dan hadden we ’t nog niet over het wel bijzonder radiovriendelijke titelnummer, dat zich al dagenlang niet meer uit ons hoofd laat bannen. Da’s ingetogen pop-perfectie van het niveau dat bijvoorbeeld ook een John Wesley Harding geregeld serveert.

En ook het recent (volledig losstaand van die CD) verschenen kleinood “The Good Intentions EP” laat zich over dezelfde kam scheren. Catchy roots rock / pop die ondanks een akoestische low budget-benadering volop overtuigt. Prachtige liedjes als “Gun Metal Grey”, “Wishing Well” of “Falling Down Sober” – om er maar een paar te noemen - deden de Elvis Costello- en Graham Parker-fan in ons geregeld breed glimlachen.

Prima stuff dus!

www.lorriematheson.com

 

 

LINDA MCLEAN

“Betty’s Room”

(Mandolin Records / CRS)

(3.5) J J J J

 

De Canadese liedjesschrijfster Linda McLean toog tijdens het voorbije najaar nog kort door Nederland om op die manier het rootsmuziekminnende publiek aldaar warm te maken voor haar debuut-CD “Betty’s Room”. Da’s een plaat die een al bij al zeer gerijpt overkomende zangeres op zoek naar haar eigen persoonlijke niche ergens tussen folk, pop en (roots)rock aan het werk laat horen. Met haar lekker sexy lichthese stem tilt ze daarop eigen (regelmatig een weinig autobiografische) composities als het titelnummer, het ingetogen rockende “Choose That Road”, pakkende popliedjes als “Mandolin” en “Waiting For The Sky To Fall” en het zijn titel helemaal waar makende “Beauty” op naar een bovenmodaal niveau. Net als haar hier al enige bekendheid genietende landgenotes Kathleen Edwards en Lynn Miles mag ze dan ook rekenen op onze onvoorwaardelijke sympathie. Vooral het ingetogen twangende (qua sfeer een beetje naar iets van Chris Isaak neigende) “Who Will Say” mogen wij echt wel bijzonder graag horen voorbijkomen.

http://www.continental.nl/

 

 

ERIC DEVRIES

“Little Of A Romeo”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Americana made in Holland. En van een meer dan behoorlijk niveau ook! Maar Eric Devries is dan ook niet bepaald een groentje te noemen. In ’82 stond hij met de groep Dance Stance al in het voorprogramma van The Jam in Paradiso. Tien jaar later werd hij met The Big Easy tweede in de finale van de Grote Prijs van Nederland –te vergelijken met de Rock Rally hier. En via de Nederlandstalige rootsband Bengels en een samenwerking met de dezer dagen regelmatig in de kijker lopende BJ Baartmans kwam het uiteindelijk tot ’s mans solodebuut “Little Of A Romeo”. Een album dat qua diversiteit menig een buitenlands product van de tafel veegt. Devries noemt zelf Gram Parsons, Lyle Lovett, Steve Earle en landgenoot Ad Vanderveen als invloeden. En enkel en alleen al op basis van die namen weet je eigenlijk al dat je hier goed zit.

Devries trapt het album af met “Start A New”, een wolk van een melodieus Americanaliedje dat je volop weer naar de zomer doet verlangen. En van dat kaliber treffen we er hier wel meer aan. De springerige rootspop van “Driving Down The Blacktop” bijvoorbeeld of het fraaie “Ballad Of A Jilted Man” ook. Ook mooi, zij het op een geheel andere manier, zijn enkele puike ballades over “uithuilen en opnieuw beginnen” zoals Devries het zelf noemt. En dan hebben we ’t met name over het buitengewoon fraaie tweetal “Walk Back In The Rain” en de samen met Marjolein van der Klauw gezongen afsluiter “That Was All She Wrote”. Hier hoor je pas echt goed, welk een klasse-singer-songwriter Devries wel is.

Terloops serveert de man ook nog aan het akoestische werk van Steve Earle verwant materiaal als “Sweet Little Girl Blue”, lekker ouderwetse countryrock als “Me And My Love”, een bluesy deun als “Some Unlucky Star” en zelfs een moot pure country. “Remains Of The Day”, het nummer in kwestie, is echt een droom van een liedje, dat qua sfeer heel dicht in de buurt komt van het recente werk van grootmeester Johnny Cash. Een veel mooier compliment kan je iemand nauwelijks maken, lijkt ’t ons…

Enfin, de conclusie is voor de hand liggend: Devries’ samen met Stephan van der Meijden geproduceerde debuutschijf “Little Of A Romeo” is er een die de concurrentie met veel buitenlandse producten zeker aankan. En dan is een beetje chauvinisme eigenlijk best wel op zijn plaats!

www.ericdevries.info

 

 

RACHEL BROWNING

“Good Thing Going”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Rachel Browning zal bij sommigen wellicht nog wel een belletje doen rinkelen als de zangeres van het vanuit Portland opererende collectief demi-dryer (Remember de CD “Empty Space”!). Qua stemgeluid valt deze uitstekende liedjesschrijfster te situeren in de buurt van andere enigszins onderkoeld voordragende sirenes als een Lucinda Williams, een Gillian Welch of een Margo Timmins. Met haar band The Do Right Boys tekent ze op haar solodebuut “Good Thing Going” voor tien lappen van het puurste Americana-plezier. Negen daarvan schreef ze zelf. Enkel de hartverscheurend mooie (alt. country) versie van de hymne “Amazing Grace” aan het eind van de CD breekt met die regel.

Werkelijk schitterende liedjes zijn het weemoedige pareltje “Good Thing Going” dat zo lijkt te zijn weggelopen van één van de vroege Cowboy Junkies-platen, het al even desolaat aanvoelende, (tekstueel gezien een beetje à la Chris Knight) over een tragisch aflopende non-love story handelende “15 Years, 7 Months” en het voorzichtig voortschuifelende “Don’t Leave Me, Daddy” over een schijnbaar onafwendbaar afscheid. Maar ook wat vlotter aandoende deunen als het voorzichtig rockende “Any Old Reason”, het folkbluesje “Sugar Down Blues” en het dartele, als een vrouwelijke John Prine afgehaspelde “Good As Some” zijn meer dan de moeite van het beluisteren waard. Deze Browning verdient dan ook echt elk greintje aandacht dat ze maar krijgen kan!

http://rachelbrowning.com/

http://www.cdbaby.com/cd/browning

 

 

THE CLUMSY LOVERS

“After The Flood”

(Clumsy Lover Records)

(4) J J J J

 

Het Canadese vijfmanschap The Clumsy Lovers telt met Chris Jonat en Andrea Lewis twee werkelijk voortreffelijke songwriters in z’n rangen, die als geen ander de kunst verstaan om hun liedjes ondanks een hoog nu-gevoel te doorspekken met knipogen naar traditioneel songerfgoed. Dat en de virtuoze instrumentbehandeling van de vijf maakt dat wat ze zelf hun “Raging Celtic Bluegrass Rock” noemen er van bij de eerste luisterbeurt weer als zoete koek in gaat. Bluegrass, roots rock en Ierse folkinvloeden vormen daarbij voortdurend de voedingsbodem voor een hybride die zo infectueus overkomt als maar zijn kan. Het feestgevoel wordt hier vrijwel zonder ophouden gecultiveerd middels virtuoos banjo- en fiddlegeweld, waardoor je bij momenten het gevoel krijgt met een soort Americana-uitvoering van de Levellers te doen te hebben.

Van bij de op de traditional “Katy Hill” geënte opener “Everything’s Okay” en het instrumentale naspel daarvan, de medley “Groove Set”, is meteen duidelijk dat de Clumsy Lovers ditmaal een muzikale homerun geslagen hebben. Hoe de krols rondhossende fiddle van Andrea Lewis en de elke speed limit aan flarden jakkerende banjo van Jason Homey elkaar complementeren is werkelijk bewonderenswaardig. En dat geldt trouwens niet enkel voor de feestelijke nummers op dit album. Ook als het tempo wat naar beneden gaat zoals in het mooie “Mercy”, de Beatle-eske proporties aannemende Americana (Canadiana?) van “After The Flood” en de ingetogen afsluiter “Rest” is het vaak adembenemend genieten geblazen van het samenspel van deze bende.

Eén uitschietertje willen we je verder zeker ook niet onthouden. En dat is het wulpse “Scarce”. In die bijzonder opgewekte deun sluipt vrijwel ongemerkt een ska-ritme naar binnen, waardoor het sowieso al onweerstaanbare brouwsel dat de Clumsy Lovers serveren plots ook heel radiogeniek blijkt.

Een feest van een plaat gewoon!

www.clumsylovers.com

 

 

RUTHIE FOSTER

“Runaway Soul”

(Blue Corn Music)

(4) J J J J

 

 “Runaway Soul” is het derde album van de uit de buurt van Austin afkomstige zwarte singer-songwriter Ruthie Foster. Haar producer Lloyd Maines gaat zover haar één van de allerbeste zangeressen te noemen waarmee hij ooit samenwerkte en tal van gerenommeerde critici vergeleken haar vocaal bereik al met dat van grootheden als een Etta James, een Ella Fitzgerald en vooral ook een Aretha Franklin. Om maar te zeggen, dat Foster echt wel een supertalent is.

Op “Runaway Soul” pakt ze uit met een aanstekelijke mélange van singer-songwritermateriaal en soul, gospel en blues, daarbij als vanouds geassisteerd door haar muzikale partner Cyd Cassone (voor zang en percussie). Andere prominente gasten zijn naast het al genoemde duiveltje-doet-al Lloyd Maines ook nog bassist Glenn Fukanaga, organist Riley Osborn, Gary Primich op zijn harmonica en Terri Hendrix voor wat vocale bijstand.

Het mooiste nummer van deze als geheel bepaald niet misselijke plaat is trouwens ook van haar hand. In een rechtvaardige wereld zou het aanstekelijke “Hole In My Pocket” al lang zijn uitgegroeid tot een Americana-superhit. Andere hoogtepunten zijn het een weinig aan Bonnie Raitt herinnerende titelnummer, het werkelijk van gospel doordrongen “Woke Up This Mornin’” en de wel bijzonder soulvolle, samen met Paul Guzzone geschreven pianoballade “Give You My Love”.

www.ruthiefoster.com

 

 

STEPHEN CLAIR

“Little Radio”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

Welgeteld zes jaar heeft deze knaap erover gedaan om een vervolg te breien aan zijn veelbelovende debuut “Altoona Hotel” uit 1997. Hij heeft in de tussen beide albums gapende periode dan ook allesbehalve stilgezeten. Letterlijk bedoelen we dan. Zo verbleef hij in respectievelijk Austin, New Orleans, San Francisco en het zuiden van Frankrijk, alvorens zich (voorlopig althans) te settelen in NYC. En het was daar ook, dat hij de laatste hand legde aan zijn nieuwste, “Little Radio”. Da’s een plaat geworden die evenveel gemeen lijkt te hebben met een Lou Reed als met pakweg een James McMurtry. Er is om te beginnen enerzijds de werkelijk frappante stemgelijkenis met die twee, maar anderzijds ook het aan beiden verwante repertoire van Clair. Ballades en midtempo rockertjes als respectievelijk “Lemonade”, culthitje “Jen In Her Underwear” en opener “Blame It On Your Town” zouden als dusdanig dan ook zowel de liefhebbers van alt. country en roots rock, als die van meer urbane singer-songwriter stuff moeten kunnen bekoren.

www.stephenclair.com

 

 

ROBERT EARL KEEN

“Farm Fresh Onions”

(Audium / Koch)

(4) J J J J

 

 “Farm Fresh Onions” is het ook alweer tiende album van Robert Earl Keen, het Texaanse singer-songwritericoon dat dezer dagen even vaak van platenlabel lijkt te wisselen als anderen van sokken. Voor zijn jongste worp belandde hij zo bij Audium Records. En het moet gezegd, dat de voedingsbodem hem daar wel lijkt te bevallen. “Farm Fresh Onions” klinkt muzikaal gezien immers een stuk gevarieerder dan zijn voorgangers. Er zijn natuurlijk nog steeds de vertrouwde Keen-ballades als “Furnace Fan” en “These Years”, maar verder nu ook heerlijk rinkelende gitaarpop als “All I Have Is Today”, bijna-cajun als (onze persoonlijke favoriet hier) “Gone On”, Texaanse roadhouse rock als “Train Trek” en zelfs regelrechte blues zoals in het adequaat getitelde “So Sorry Blues”.

Blind aanschaffen dus maar weer die handel! Want ook al staat er hier niet meteen een klassieker van het type van een “The Road Goes On Forever” op, het luistert allemaal weer bijzonder aangenaam weg.

www.robertearlkeen.com

 

 

RUSTY WIER

“Under My Hat”

(Harlequin Records / Icehouse Music / UMG)

(3) J J J

 

Met “Under My Hat” van Rusty Wier als onderwerp hebben we ‘t hier eigenlijk over een heus stukje Texaanse muziekgeschiedenis. Wier geldt immers als een echte legende in de Lone Star State. De man wordt gezien als één van de grondleggers van de zogeheten Cosmic Cowboy- (of Country Outlaw-) beweging. Een eer die hij deelt met ander schoon volk als een Willie Nelson en een Jerry Jeff Walker.

“Under My Hat” (ondertitel: “The Original Recordings”) bevat een dwarsdoorsnede uit lang moeilijk verkrijgbaar plaatwerk van de man als “Fly Away”, “Don’t It Make You Wanna Dance”, “Stoned, Slow, Rugged” en “Black Hat Saloon”. Materiaal dat ondertussen weliswaar een weinig gedateerd overkomt, maar daarom zeker niet minder aangenaam of interessant. Country folk, soulvolle rock en Texaanse blues vallen mekaar hier liefdevol in de armen en liggen op die manier mee aan de basis voor heel wat muziek die de dag van vandaag onder de noemer “Texas music” valt.

Al bij al een best wel leuke hernieuwde kennismaking met deze Texaanse troubadour.

http://www.texascookin.com/CookinMusic.html

 

 

MIKE DEKLE

“Sketches”

(Parlay Records)

(3.5) J J J J

 

“Sketches” is het derde door gerenommeerde Nashville producer Byron Hill geproduceerde album van de vooral als liedjesschrijver enige bekendheid genietende Mike Dekle. Hill schreef trouwens ook negen van de zestien hier aanwezige songs samen met zijn protégé. En dat zijn stuk voor stuk schoolvoorbeeldjes van voortreffelijke akoestische countrymuziek. Geen wonder eigenlijk ook, als je weet dat uitstekende werkkrachten als Glen Duncan (fiddle en mandoline), David Hungate (staande bas), Smith Curry (dobro), Jelly Roll Johnson (harmonica), Larry Beaird (akoestische gitaar en banjo) en Paul Scholten (drums en percussie) tekenden voor de muzikale invulling ervan.

Liedjes als “’Til They Came Home” of “Singletown” hadden zo van David Ball kunnen zijn. Denk daarbij bij wijze van vergelijking bijvoorbeeld maar aan iets als het bijzonder succesrijke “Riding With Private Malone”. En met de prachtige, samen met de hier een stuk bekendere Rhonda Vincent gebrachte ballade “Too Fast” bewijst Dekle aansluitend daarop moeiteloos dat sentimenteel en melig niet per definitie synoniemen hoeven te zijn.

De man geeft zelf aan door zo uiteenlopende grootheden als een John Prine, een Bob Dylan en een John Denver beïnvloed te zijn. En dat hoor je ook! Met zijn honingzoete stem vertelt hij op pakkende wijze zijn intrigerende verhalen over opgroeien, de liefde en het leven in zijn algemeenheid. Het leukste nummer van dit werkelijk prima album vonden wij het up tempo, van een lekker ouderwetse radio-intro voorziene “Stone Cold Country”. En laat die drie woorden nu toevallig ook heel mooi samenvatten waar het op dit album eigenlijk allemaal om begonnen is…

www.mikedekle.com

http://www.cdbaby.com/cd/dekle2

 

 

KAZ MURPHY

“Devil In The Barn”

(Barn Wall Records / Burnside)

(4) J J J J

 

“Devil In The Barn” is de tweede solo-CD van de dezer dagen in Los Angeles residerende Americana singer-songwriter Kaz Murphy. Op deze opvolger van het (naar eigen zeggen) relatief succesvolle “One Happy Camper” uit 1997 strooit de man opnieuw kwistig in het rond met vakkundig als liedjes verpakte verhalen. Daarbij nu eens neigend naar folky roots rock, dan weer eerder countryesk of bluesy overkomend maakten de geesteskinderen van Murphy een bijzonder sympathieke indruk op ons. Songs als het mede door Cliff Wagners banjo gedragen rootsy countryriedeltje “Sunrise”, de met heel veel passie gezongen ballade “Livin’ For The Grave” en de zacht swingende opener “Dirty Ol’ Town” zullen dan ook gegarandeerd in goede aarde vallen bij de aanhangers van artiesten als John Wesley Harding, Joe Henry (ten tijde van zijn glorierijke samenwerkingen met de Jayhawks) en de hier onlangs nog bejubelde Canadese songsmid Jim Bryson.

Om het in wijntermen uit te drukken: dit is voortreffelijke Americana van een uitgelezen jaar!

www.kazmurphy.com

http://www.cdbaby.com/cd/kazmurphy

 

 

AN AMERICAN STARLET

“The Duchess Of Hazard”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Wie zich goed voelt bij de muziek van artiesten als de Cowboy Junkies, Gillian Welch en Richard Buckner (zo circa “Bloomed”) die zal zich beslist ook geen buil vallen aan dit tweede album van An American Starlet. Net als op de voorganger ervan, “Sweet Country Lullabies”, staat ook op “The Duchess Of Hazard” alles in het teken van breed uitwaaierende, vaak wat dromerig overkomende en veelal op een akoestische leest geschoeide alt. country. Wat evenwel niet meteen hoeft te betekenen, dat uit deze beklijvende mélange van elementen uit country, rock en blues alle elektrische instrumenten zondermeer zouden zijn geweerd. Integendeel! Majestueus rockende hoogtepunten als “Starstruck Brother” of “Queen Elizabeth” onderlijnen dat al snel ondubbelzinnig. Op z’n best vinden wij An American Starlet echter als Liz Green achter de microfoon gaat postvatten. Zoals bijvoorbeeld in het in pedal steel-gehuil zwelgende “Half A Heart” of in het samen met collega Ian Parks gezongen en door diezelfde ook van ijzig mooie mandolineaccentjes voorziene lapje verdriet “Maker’s Lament”. Dat zijn liedjes die echt onder de huid gaan. Heel eenvoudig van opzet, maar wel van een duizelingwekkende schoonheid.

“The Duchess Of Hazard” kan al bij al dienen als het ideale achtergrondmuziekje in tijden van emotionele laagconjunctuur. Als muziek al een liefdesziek gevoel kan uitstralen, dan komt dit aardig dicht in de buurt!

www.starletsweb.com

http://store.milesofmusic.com/prodinfo.asp?number=28691

 

 

GENE PISTILLI

“I Still Get Dressed On Sundays”

(Memphis International Records / MerLess Records)

(3.5) J J J J

 

Het muzikale c.v. van Gene Pistilli, zeg maar The Hoboken Saddletramp, is een flinke hap aangenaam weglezende lectuur. Zijn meest in het oog springende wapenfeiten waren lang een kortstondige samenwerking met de Manhattan Transfer en door hem aangedragen hit songs voor Bette Midler, Harry Belafonte en Mama Cass. Maar Pistilli zag de dingen groter en trok naar Nashville. Hij ging ervan uit dat daar voor mensen met zijn schrijverskwaliteiten een mooie toekomst in het verschiet zou liggen. En alles wat er daarbij meer uit de bus zou komen was mooi meegenomen. Maar aanvankelijk wou het niet echt vlotten met het realiseren van zijn dromen. Pas toen Randy Travis in 1988 zijn “Too Gone Too Long” naar de top van de country hitlijsten zong was het hek van de dam. Plots was Pistilli’s materiaal wel gegeerd. En één van zijn songs, “How The West Was Swung”, belandde zo bij Asleep At The Wheel. Het begin van een mooie relatie zo zou later blijken…

Ray Benson van datzelfde Asleep At The Wheel werd dan ook graag bereid gevonden om de liner notes te schrijven voor “I Still Get Dressed On Sundays”, Pistilli’s CD-debuut. Da’s een plaat waarop de beste man probeert te klinken als een combinatie van Tommy Duncan (van Bob Wills’ Texas Playboys) en de eveneens uit Hoboken, NJ afkomstige Frank Sinatra. Oorspronkelijk liep hij zelfs een poosje met het idee rond om zich het pseudoniem Hank Sinatra, Jr. aan te meten om wat meer in de kijker te lopen, maar dat heeft men hem gelukkig uit het hoofd kunnen praten. Nu kunnen we tenminste met een uitgestreken gezicht ingaan op de stijlvolle swingcocktail die Pistilli hier serveert. Met zijn werkelijk adembenemend mooie stem croont hij het ene moment klassiekertjes als “Mexicali Rose” of “Waltz Across Texas” de sterren in, om je enkele ogenblikken later genadeloos op de dansvloer te dwingen met de aanstekende swing van eigen nummers als “I Still Get Dressed On Sunday”, “Pearl River Turnaround” of “Too Gone Too Long”.

Het is deze context een wat al te gemakkelijke conclusie natuurlijk, maar toch… Als je wel eens een plaatje oplegt van vitale gezelschappen als Asleep At The Wheel of de Hot Club Of Cowtown, dan moet je dit beslist ook eens proberen. Het zou je immers wel eens heel goed kunnen bevallen, wat Pistilli hier opdient…

http://www.memphisinternationalrecords.com/index.php?target=muisgdos&mode=mu

 

 

ANDREW WALKER

“Floating Shift”

(Heise Hill Records)

(4.5) J J J J J

 

Net zoals dat bij de laatste van zijn naamgenoot Jason het geval was raakten wij ook stevig onder de indruk van “Floating Shift”, het solodebuut van Andrew Walker, het voormalige kopstuk van de Canadese rootsrockers The Mumbleducks. Die ontpopt zich op die eersteling voor eigen rekening tot één van de beste singer-songwriters van zijn land. En daarbij komt hij regelmatig aardig dicht in de buurt van het werk van Ryan Adams in betere dagen. Walker werkte goed en wel twee jaar aan dit album en dat is eraan te horen ook. “Floating Shift” heeft iets van een bonte puzzle, waarbij elementen uit alt. country, country, folk, pop en rock nagenoeg perfect in elkaar schuiven.

Het geheel wordt afgetrapt met het met een zalig twanggitaartje gezegende, lekker wegjengelende rootsrockertje “Charity”. Vervolgens trakteert Walker ons op een fraai streepje lome alt. country met Kim Deschamps (Blue Rodeo) in een glansrol op de pedal steel. “Slow Turn Around” doet qua aanpak dan weer sterk denken aan het oeuvre van Rod Picott: een verstild liedje waarin slechts plaats blijkt voor de eigen akoestische gitaar en de cello van Kevin Fox. Ook “Land Of No Goodbyes” is trouwens zo’n fraai nummer, maar daarin zorgt het elektrische gitaarwerk van Duncan Swain voor een volop aan Chris Isaak refererend sfeertje. “The Fence” en “Finesse” zorgen vervolgens voor de rocknoot waarvan eerder al sprake.

En dan gaat Walker er nog vier keer helemaal voor. “Old 81” is een wat zweverige akoestische ballade over een stadje waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht, “Seven Years” een schaamteloos emotioneel liedje (met een zeer mooie piano-aankleding) waarin hij op zoek gaat naar zichzelf, “Still Coming On” twangy Americana met een hoog countrygehalte en het ingetogen “My Heart Wanders” een folky ballade.

Al bij al een plaat die je – net als onlangs nog “The North Side Benches” van zijn landgenoot Jim Bryson - gehoord moet hebben.

www.andrewwalkermusic.com

 

 

STEPHANIE URBINA JONES

“The Spirit Of Christmas” “Stephanie Urbina Jones”

(V-Tone Music / Compendia)

(4) J J J J

 

Stephanie Urbina Jones is een werkelijk adembenemend mooie Texaanse die daarenboven gezegend blijkt met een dijk van een stem. Luister maar eens naar “The Spirit Of Christmas” en je zal ons wat dat betreft al snel gelijk moeten geven. De manier waarop ze volledig stuk gezongen kerstklassiekertjes als “The Little Drummer Boy”, “Santa Claus Is Coming To Town”, “Winter Wonderland”, “The Christmas Song” en “Silent Night” nieuw leven inpompt bewijst dat ten voeten uit. Vooral dat laatste, dat mede door de prima accordeoninbreng van David Lee Garza duidelijk in “a Texas state of mind” verkeert, is echt wel groots. Nooit gedacht, dat wij dat liedje ooit nog eens graag zouden gaan horen…

Maar écht speciaal wordt het eigenlijk pas als Jones haar eigen pennenvruchten brengt. Het ingetogen “One Little Boy” en het deels in het Engels, deels in het Spaans gezongen titelnummer “The Spirit Of Christmas (Espiritu De Navidad)” zijn wat ons betreft met lengtes voorsprong de mooiste kerstliedjes die we dit jaar te horen kregen. En de funky opener “Hallelujah Chorus”, het al even swingende “You Light Me Up (Like A Christmas Tree)” en het verleidelijk gecroonde “Sexy, Saucy, Sometimes Naughty Time Of The Year” doen eigenlijk niet veel anders dan al het positieve uit het voorgaande bevestigen. Een bijzonder prettige eindejaarsplaat!

O en by the way, als je op zoek zou gaan naar deze plaat, probeer dan vooral ook even een exemplaar van haar titelloze debuut-CD op de kop te tikken, want die is eigenlijk minstens zo goed en wél het hele jaar door bruikbaar. Pittige countrydeunen als “Shakin’ Things Up” en “Down To Mexico” worden daarop afgewisseld met buitengewoon mooie Texicanariedels als “He Reminds Me Of Texas”, “Over The Borderline”, “La Reina De Los Angeles”, “Ayayay” en “Adios Mi Amigo”. Met als absolute hoogtepunt de superaanstekelijke single “God Loves It When We Dance”, waarin een snuifje cajun, een scheutje Tex-Mex en een flinke portie country uitmonden in een gedroomde dansplaat. Warm aanbevolen!

www.stephanieurbinajones.com

 

 

THE SIDEHILL GOUGERS

“Runaway Scrape”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4.5) J J J J J

 

The Sidehill Gougers zijn Jamie Griffin (zang en akoestische gitaar), Brian Beken (fiddle) en Shane Walker (zang, gitaren en harmonica). Drie jonge mensen die klinken alsof ze nooit iets anders gedaan hebben dan muziek gemaakt. Je zou het folk kunnen noemen wat ze brengen, maar anderzijds is het zeker ook country. Feit is in elk geval dat het allemaal wel heel erg speciaal klinkt door de werkelijk fabelachtig mooie countrystem van Jamie Griffin - een beetje Kelly Willis-achtig eigenlijk, zeg maar.

Maar muzikaal gezien worden dus wel degelijk andere paden bewandeld, waarbij beurtelings die fraaie stem van Griffin, het al even verbluffende fiddle-werk van Brian Beken en het subtiele gitaargetokkel van Brian Walker de show stelen. Subliem zijn ook de momenten waarop Griffin en Walker gaan samenzingen, zoals in “Take A Look Around”, in de zalige afsluiter “Riding In A Lincoln Continental With Sylvia Plath” of in de fraaie rootsy Gram Parsons-cover “Return Of The Grievous Angel”. Da’s trouwens niet de enige vreemde eend in de bijt hier. Ook het van Emmylou Harris bekende “Boulder To Birmingham” en het door Townes Van Zandt gepende “Don’t You Take It Too Bad” krijgen bloedstollend mooie nieuwe jasjes aangemeten. En wat het allemaal nog mooier maakt, is dat de eigen composities van Griffin en Walker in niets hoeven onder te doen voor die van deze bekende voorbeelden. Hier wordt gemusiceerd met respect voor het verleden, maar met de blik volop op de toekomst gericht. En die ziet er voor The Sidehill Gougers wel bijzonder rooskleurig uit. Dit is immers zondermeer één van de meest getalenteerde jonge groepjes die in 2003 met plaatwerk debuteerden. Heel straffe kost! Als je deze maand nog één plaat koopt, laat het dan deze zijn! Je zal er ons snel dankbaar voor zijn…

www.sidehillgougers.com

http://lonestarmusic.com/artists.asp?id=896

 

 

TOM ADLER

“Jenny Where You Going”

(Coal Holler Music)

(3.5) J J J J

 

Ergens in de buurt van het kruispunt tussen stijlen als folk, Americana en alt. country musiceert ook Tom Adler. Deze vanuit Santa Fe, New Mexico afkomstige singer-songwriter met een verleden in de Fast Peso String Band is met het mooie “Jenny Where You Going” al aan zijn derde CD toe. En da’s een album dat staat als een huis. Van bij de knappe, samen met Elliott Rogers geschreven opener, de moordballade “Without A Fight”, is het onmiddellijk smullen geblazen. Heerlijk dobrowerk van Sally Van Meter en al even prachtige mandolineaccentjes van John Egenes laten dat nummer al meteen uitgroeien tot één van de absolute hoogtepunten hier. En ook het daaropvolgende “Weather Woman” is opnieuw zo’n droomsong. Rustige Americana verhalend over een verliefdheid - meer bepaald op de weervrouw op de buis – met Van Meter ditmaal fraai in de weer op de lap steel en met een subtiele accordeontoets van Janet Dows om het geheel af te ronden. En dan is er het werkelijk oorstrelend mooie titelnummer, waarin de lokroep van oude liefde muziek sterker blijkt dan een huwelijksband. Een echt wel buitengewoon mooi country folk liedje, van het kaliber dat ons eerder dit jaar bijvoorbeeld ook al door Chris Stuart & Backcountry werd geserveerd.

En zo gaat het maar door: via het ingetogen “Handing Down” (over het nakende afscheid van een mijnwerkerszoon van zijn geboortestad) over de zachte countryrocker “Until I Slip Away” (met ondermeer wat vocale hulp van John Eddie) of het spetterende snarenvuurwerk van “Hell’s Half Acre” tot de akoestische, van Atlanta bluesman Peg Leg Howell in bruikleen genomen bluesdeun “Skin Game Blues” – het klinkt echt allemaal even aanstekelijk.

Knappe lyrics, aanstekelijke songs, doorleefde zang, geweldig snarenwerk, wat wil een mens eigenlijk nog meer?

http://www.cdbaby.com/cd/tomadler

 

 

MINDY SMITH

“One Moment More”

(Vanguard Records)

(4) J J J J

 

Terwijl momenteel vrijwel overal volop achterom wordt gekeken om aan de hand van jaarlijstjes (terecht) nog eens even te resumeren welk een voortreffelijk rootsmuziekjaar 2003 wel gebleken is, kijken wij alvast met gretige blik vooruit. Voor eind januari van volgend jaar (de zevenentwintigste om precies te zijn) kondigt zich immers de eerste sensatie van 2004 aan. En die luistert naar de naam Mindy Smith. Je kent ze wellicht al van haar uitvoering van “Jolene” op de Dolly Parton-tribute CD “Just Because I’m A Woman”. Kon ze ons daarmee nog niet echt bekoren, met haar debuut-CD “One Moment More” is het wel onverbiddelijk prijs!

De uit Long Island, NY afkomstige, maar sedert 1998 in Nashville een carrière in de muziek najagende Smith doet ons op haar eersteling stemgewijs afwisselend denken aan Patty Griffin, Alison Krauss, Shawn Colvin en vooral ook Harriet Wheeler van het lichtjes fantastische Britse groepje de Sundays. Prachtige verstilde pareltjes als “Falling”, “Raggedy Ann” en “Train Song” pakken je net als de songs van Alison Krauss al van bij een eerste beluistering genadeloos in. En net als de muziek van die Krauss moeten ook de liedjes van Smith in staat worden geacht om zowel in alt. country-kringen als in een meer commercieel georiënteerde omgeving aan te slaan. Haar optredens doen wat dat betreft trouwens het allerbeste vermoeden, want zowel op South By Southwest, op Kerrville, als op diverse gelegenheden in Nashville liet ze het aanwezige publiek verbijsterd achter.

Dit met Steve Buckingham als producer ingeblikte debuut teert voornamelijk op een stel ijzersterke akoestische songs. Toch is Smith best wel in staat om af en toe knap stevig uit de hoek te komen. Dat bewijst ze bijvoorbeeld op het beklemmende “Hard To Know”, een rockertje zoals je dat na al het voorgaande niet meteen meer verwacht hier. Op haar best klinkt Smith echter als ze volop mag tonen welk een voortreffelijke zangeres ze is, zoals bijvoorbeeld nog in het afsluitende titelnummer. Een akoestische gitaar en haar nachtegalenstemmetje volstaan dan volop om de rillingen over je ruggengraat te jagen.

Noteer ‘m dus alvast maar die naam… Je zal er nog veel van gaan horen!

http://mindysmith.net