ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2005

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Stewboss “The Places We Meet”Mike Alviano “Radiate” - The Wakefields “Falling Down Blue (EP)”Gin Palace Jesters “Honkytonk Fools”The Duhks “The Duhks” - The Hacienda Brothers “The Hacienda Brothers”Bluerunners “Honey Slides”The Skeeters “Easy For The Takin’” - Radney Foster “And Then There’s Me (The Back Porch Sessions)”Rodney Crowell “The Essential Rodney Crowell” - The Chris Stamey Experience “A Question Of Temperature”The Moaners “Dark Snack”Arno Adams “Kus Mich Dan”Brad Davis “This World Ain’t No Child Anymore” - Red Rooster “Dose”Brian Jay Cline “One For The Road” - Foghorn Stringband “Reap What You Sow”Ricky Calmbach “A Step In The Right Direction” - Emory Joseph “Labor & Spirits”Kate McDonnell “Where The Mangoes Are”Darrell Scott, Danny Thompson & Kenny Malone “Live In NC”Kimberley Rew “Essex Hideaway”Paul Metsa “Texas In The Twilight” - Frog Holler “The High, High’s & The Low, Low’s”Mark Geary “Ghosts” - Markus Rill “The Hobo Companion”Jeff Finlin “Epinonymous”Amy Rigby “Faulkner, Dylan, Heinz & Me” - Louis Ledford “Reverie”Matthew Ryan “These Are Field Recordings” - Ray O’Hara “45 South”The Red Sea Sharks Under The Volcano” - Jill Barber “Oh Heart”Reckless Kelly “Wicked Twisted Road”Richard Buckner “Dents And Shells” - Angel Dean & Sue Garner “Pot Liquor”Australian Blonde “Songs Of Love And Grace” - The Sid Hillman Quartet “Tercero”Michael Weston King “Absent Friends” - Kelly Pardekooper “Haymaker Heart” 

 

 

STEWBOSS

“The Places We Meet”

(Stewsongs Records)

(3,5) J J J J

 

Na een twee jaar durende stilte, waarin zelfs even hardnekkige splitgeruchten de kop opstaken, blijkt Stewboss levendiger dan ooit. Hun nieuwe CD “The Places We Meet” is zelfs een echte crême van een Amerikaanse rock & roll-plaat geworden. Echo’s van melodieuze hoogstandjes van groepen als Counting Crows, Tom Petty & The Heartbreakers, Cake, The Replacements en The Jayhawks kleuren de catchy rockliedjes van de hand van zanger Gregg Sarfaty, die met zijn soulvolle voordracht bovendien ook zowat elk van die kleinoden een zekere hitpotentie toebedeelt. Van het door energieke blazers aangejaagde “Always How It Starts” over volbloed rockertjes als “Your Street” of “Tell The Preacher” tot het betere balladewerk à la “Come On Take Me Back” of superaanstekelijke popdeunen van het kaliber van “Losing A Girl”, je voelt je hier als luisteraar echt op elk moment volledig thuis. Interesse gewekt? Zoveel te beter! Maar bereid je wel voor op een instant knock-out…

Stewboss

CD Baby

 

 

MIKE ALVIANO

“Radiate”

(Busted Flat / Inbetweens Records)

(3,5) J J J J

 

Ondertussen meer dan tien jaar geleden zette de hier nog zo goed als volstrekt onbekende jonge Canadese singer-songwriter Mike Alviano zijn eerste stappen in het vak bij het vooral lokaal enig succes genietende collectief Strange Days om vervolgens het kopstuk daarvan te volgen naar diens soloband The Shannon Lyon Pop Explosion. En dan bevinden we ons eensklaps in stukken bekendere wateren natuurlijk. Alviano zou een bijdrage leveren aan Lyons CD’s “Mods Rule” en “Tales Of A Yellow Heart” alvorens resoluut voor een eigen carrière te opteren. Die keuze resulteerde al in 2002 in zijn debuutplaat “Jubilee”. En met “Radiate” is er dus nu een tweede stap gezet. Dat in de Lage Landen door Inbetweens Records verdeelde en voornamelijk met zijn oud-collega’s Dan Cornelius (drums) en Adam Buschlen (bas) en de van The Miniatures geleende Ian Smith (gitaar) en Kevin Hundt (keyboards) ingespeelde album staat boordevol aangenaam wegluisterende alt.country-liedjes met een behoorlijk hoog popgevoel. Alviano doet dus duidelijk allerminst moeite om zijn muzikale afkomst te verloochenen. En die zet kunnen we gezien het gebodene alleen maar luidop toejuichen. Opener “The Flood” is zo bijvoorbeeld een volop van de (licht) gruizige stem van Alviano zelf en het brisante gitaarwerk van Ian Smith profiterende rocker, “Karmalita” – als je ’t ons vraagt één van de allermooiste liedjes van het geheel – een wel zeer nadrukkelijk tussen pop en alt. country twijfelende ballade die links en rechts wordt opgeluisterd met een spatje mandoline van de hand van multi-instrumentalist Jeff Schneider, “This Is Life” is atmosferische pop opgehangen aan een instrumentatie van akoestische en elektrische gitaren, keyboards, een dobro en een xylofoon, “Anymore”, “Everyman” en “If I Could Find The Words” zijn verbluffend mooie “Canadiana”-deunen, “Better Of Us” is alweer zeer radiorijp balladewerk en “All We Are” een krols, op een bed van rinkelende gitaren rondwoelend de luxe pop-rockliedje. Referenties vroeg je? Springsteen loert hier en daar om het hoekje, maar dat doen ook anderen als een Matthew Ryan, een Tim Easton, een Ryan Adams, een Rod Picott of The Flaming Lips. Goed gezelschap met andere woorden. Feit is in elk geval, dat “Radiate” zonder daartoe bijzonder spectaculair uit de hoek te moeten komen gewoon een heel lekkere plaat is geworden, die het zeker verdiende om hier onder je aandacht te worden gebracht. En da’s bij dezen meteen ook weer gebeurd…

Mike Alviano

Busted Flat Records

Inbetweens Records

 

 

THE WAKEFIELDS

“Falling Down Blue (EP)”

(Eminence Records)

(3,5) J J J J

 

Vijf tracks slechts op “Falling Down Blue”, de het eigenlijke debuut van de Wakefields vooraf snellende EP, maar die volstaan wel volop om je te overtuigen van de in ruime mate aanwezige kwaliteiten van deze vier man sterke (alt.) country band uit Seattle, stilistisch gezien gespecialiseerd in eerder traditioneel aandoende rootsmuziek. Voor de hand liggende referenties zijn in eerste instantie vooral The Mavericks en The Derailers. Titelnummer “Falling Down Blue” zou bijvoorbeeld absoluut niet misstaan hebben op het repertoire van Raul Malo en de zijnen. Met dat twangy niemendalletje hebben de Wakefields naar onze bescheiden mening al meteen een serieuze potentiële hitkandidaat in handen. “Never Me” slaagt er vervolgens op zijn beurt in om Buck Owens een Tex-Mex-jasje aan te meten en bij “What You Do” en “And I Cry” ging hier dankzij het sprankelende snarenwerk van zanger-gitarist Jason Kardong vrijwel meteen luidop een Byrds-belletje aan het rinkelen. “Why (Did You Have To Pick Me)?” tenslotte heeft iets met zowel jazz als swing.

Wij zijn alvast heel erg benieuwd naar de eerste full CD van dit kwartet. Als er immers al één ding duidelijk wordt op deze compacte voorbode daarvan, dan is het wel dat Kardong over een uitstekende pen beschikt en die ook bepaald niet spaart.

The Wakefields

CD Baby

CD Tex

 

 

GIN PALACE JESTERS

“Honkytonk Fools”

(Rhythm Bomb Records)

(4) J J J J

 

The Gin Palace Jesters zijn een uit Chicago afkomstig vijftal rond zanger-gitarist “Pennsylvania” Dave Sisson, dat liefhebbers van authentieke hillbilly, honky-tonk, country boogie en Western swing met z’n debuut “Honkytonk Fools” in no time in vervoering zal brengen. Fans van acts als BR549, de Starline Rhythm Boys, Wayne Hancock, Dale Watson of recentelijk bijvoorbeeld ook nog Moot Davis of de Wailin’ Elroys zijn bij dezen gewaarschuwd. Op dit met vijftien originelen gevulde honky-tonk hoogstandje zullen zij vergeefs op zoek gaan naar ook maar één enkel moment van zwakte. Klassiek vormgegeven honky-tonk verdriet, pittige drinkliedjes, doorleefde love songs, ballades met een duister kantje, de Gin Palace Jesters laten de hoogdagen van de oude Hank en zijn volgelingen met ogenschijnlijk speels gemak weer even een beetje herleven. Gasten die ze daarbij over de vloer krijgen zijn ondermeer Rosie Flores, Colonel J.D. Wilkes van Th’Legendary Shack*Shakers, fiddler Jason Carter van de Del McCoury Band en gitarist Sean Mencher van het Texaanse rockabilly-collectief High Noon. Deze laatste tekende samen met de hier al eerder vernoemde Moot Davis ook voor de productie van het album. Een bijzonder warm aanbevolen schijfje!

The Gin Palace Jesters

Rhythm Bomb Records

Bear Family Records

 

 

THE DUHKS

“The Duhks”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

Met zijn vijven zijn ze, die van The Duhks, allemaal twintigers en allemaal bereid tot het nemen van de nodige risico’s als het gaat om de door hen met veel liefde en overgave bedreven muziek. Een gegeven dat maakt dat je je als recensent meermaals achter het oor krabt bij het zoeken naar een passende omschrijving voor wat dit jonge gezelschap uit Winnipeg, Manitoba op zijn titelloze debuut zoal klaarmaakt. In de Amerikaanse vakpers werden ze ondermeer ingehaald als “contemporary acoustic”, “progressive soulgrass” en “a kick-ass rock-folk fusion”. Allemaal labels die weliswaar een zekere kern van waarheid bevatten, maar die tevens geen van alle echt sluitend zijn. Leonard Podolak (banjo, zang), Jessica “Jessee” Havey (zang), Jordan McConnell (gitaar, doedelzak, fluiten, zang), Scott Senior (percussie) en Tania Elizabeth (fiddle) lieten zich tijdens het creatieve proces dat aan de basis lag van hun eersteling immers allerminst beperkingen opleggen. Als hun eigenzinnige folkgrass-liedjes nood hadden aan elementen uit andere genres dan werden die er ook zonder dralen in geïntegreerd. Ierse fiddle-deuntjes, zeemansliederen, Appalachian old-time, dansritmes, salsa, soul, bluegrass, je kan het werkelijk zo gek niet bedenken of het duikt hier vroeg of laat wel ergens op. Het cement tussen de stenen van zoveel verschillende invloeden vormen voornamelijk de ongemeen soulvolle stem van de stevig getatoeëerde Havey en het echt wel onberispelijke en ook behoorlijk aanstekelijke strijkwerk van Elizabeth. In een productie van Bela Fleck en Gary Paczosa zetten zij op indrukwekkende wijze ondermeer traditionals als “Death Came A Knockin’” en “True Religion” en liedjes van anderen als Leonard Cohens “Everybody Knows”, Stings “Love Is The Seventh Wave” en Paul Brady’s “You And I” naar hun hand. De toekomst lijkt dit nog piepjonge vijftal dan ook bepaald breed tegemoet te lachen. Hier horen we ongetwijfeld nog véél, véél meer van.

The Duhks

Sugar Hill

 

 

THE HACIENDA BROTHERS

“The Hacienda Brothers”

(Koch)

(4,5) J J J J J

 

Eenieder die in z’n leven al het genoegen van een liefde op het eerste gezicht mocht smaken zal het met plezier beamen: de mooiste verhalen worden geschreven op de meest onverwachte momenten. Zo ook dat van de Hacienda Brothers. Toen Cold Hard Facts-voorman en Dave Alvin- sidekick Chris Gaffney en zanger-gitarist-songleverancier Dave Gonzalez van de Paladins in het najaar van 2002 de handen in elkaar sloegen om het verjaardagsfeestje van een gemeenschappelijke vriend wat op te vrolijken hadden ze er wellicht geen flauw vermoeden van tot wat die eenmalige performance zou leiden. Dat optreden beviel hen echter beiden zo goed dat ze al snel samen aan het schrijven en als The Hacienda Brothers ook gemeenschappelijk aan het giggen gingen. Een demo van het eerste liedje dat de twee samen penden, het broeierige “I’m So Proud”, belandde vervolgens in de handen van Memphis soullegende Dan Penn, die zich prompt bereid verklaarde om hun titelloze debuut te produceren. Meer nog, met “The Years That Got Away” schreef hij Gaffney zelf een echte country soul classic op het lijf en met Gonzalez schudde hij het later door de van de legendarische Memphis Horns bekende Wayne Jackson leven ingeblazen “Looking For Loneliness” uit de mouw. Andere prachtdeunen zijn de als muzikale eerbetonen aan respectievelijk Ray Price en de jonge Waylon Jennings opgevatte nummers “Walkin’ On My Dreams” – het betere één-tegel-werk - en “Leavin’ On My Mind” – met gitaargewijs terloops ook even een knipoog richting Buck Owens. En dan hadden we het nog niet over de fabuleuze moderne countryklassieker-in-wording “Seven Little Numbers”, waarin enkele vluchtig op een luciferdoosje neergekrabbelde cijfertjes en een zacht jammerende steelgitaar volstaan om je een stevige krop in de keel te bezorgen.

Neen, veel mooier dan dit bijzonder geslaagde huwelijk tussen sixties country en soul verwachten we ze dit jaar eigenlijk niet meer. Hier is immers echt wel sprake van tijdloze klasse. En Chris Gaffney bewijst eens te meer wat we eigenlijk al heel lang wisten, met name dat hij een uitzonderlijk getalenteerd zanger is. Verplichte kost!

Hacienda Brothers

 

 

BLUERUNNERS

“Honey Slides”

(Bayou Vista Records)

(3,5) J J J J

 

Het muzikale concept van de uit het broeierige Lafayette, Louisiana afkomstige Bluerunners vertoont aardig wat raakvlakken met dat van die van Los Lobos in hun jonge dagen. Daar waar “de wolven” het echter moesten hebben van een rootsrock-benadering van het Tex-Mex-genre laten zanger-gitarist Mark Meaux en de zijnen met gulle hand blues- en countryzaaigoed neerdwarrelen over hun muzikale voedingsbodem, zijnde cajun en zydeco. Die aanpak gekoppeld aan een attitude die zich nauwelijks anders als punky laat omschrijven resulteert in onweerstaanbare, bij vlagen knap ruige feestmuziek. Voeg daar nog aan toe, dat Meaux ook met de pen aardig uit de voeten kan en dat gasten als Susan Cowsill (zang, tamboerijn), Zydeco Mike Chaisson (rubboard) en Mitch Reed (fiddle) bereid werden gevonden om een aardige duit in het zakje te komen doen en je zal begrijpen, dat “Honey Slides” het verdient om als een stevige aanrader te worden getipt. En de Bluerunners? Die zouden wat ons betreft absoluut niet misstaan op de affiche van menig een zomerfestival. Ambiance verzekerd!

Bluerunners

Miles Of Music

 

 

THE SKEETERS

“Easy For The Takin’”

(High Gear Music / Free Bound Records)

(4) J J J J

 

The Skeeters zijn een uit Fort Payne, Alabama afkomstig kwartet dat al in 2002 volop over de tongen ging naar aanleiding van een bijzonder knappe debuutplaat, waarop meteen duidelijk werd dat het met de grofgevooisde Bert Newton een ongelooflijk knappe zanger in huis had. Met zijn zwaar aan Waylon Jennings herinnerende stem wist hij gelijk het hart van menig een outlaw country fan van het eerste uur te stelen. En het in een leuk ogend digipack-jasje gestoken “Easy For The Takin’”, het zopas verschenen tweede album van de groep, bevestigt eigenlijk alleen maar al het goede wat nu iets meer dan twee jaar geleden over die eersteling werd verkondigd. Uitstekende covers van Russell Smith’s “The Road” en Billy Joe Shaver’s “Mother Trucker” – met een vocale cameo van de oude grootmeester zelve – en een soulvolle benadering Stephen Bruton’s “After The Fact” worden erop afgewisseld met “Alabama Love Song”, een verdere Shaver original, en tien eigen composities van Bert Newton. En die liedjes illustreren werkelijk zonder ook maar één uitzondering, dat deze extreem getalenteerde zingende songsmid, mocht hij zo’n vijfentwintig jaar eerder geboren zijn, nu wellicht al een hele grote zou zijn. Aanstekelijke lappen outlaw country als “Cut Me Down (And Turn Me Loose)”, titelnummer “Easy For The Takin’” of “I Have Just Begun” zullen aan Waylon ergens hoog daarboven op zijn minst ook wel een gelukzalige glimlach ontlokken. Hij mag voortaan op beide oren slapen, navolging is immers verzekerd…

The Skeeters

Texas Music Round-Up

 

 

RADNEY FOSTER

“And Then There’s Me”

(The Back Porch Sessions)

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Dit vinden wij dus leuke dingen voor de mens! Mooi toch, als zo’n gevestigde waarde als een Radney Foster, die in het verleden hits had in zowel Nashville als Texas, die een stevige reputatie geniet als singer-songwriter en die bovendien ook als producer zijn weg begint te vinden – onlangs bijvoorbeeld nog van het knappe “Rollercoaster” van de Randy Rogers Band -, op vraag van zijn fans gewoon even een stapje terug zet. Zij waren het, die er bij de man op aandrongen om eens in zijn eentje de studio in te trekken en enkel gewapend met de eigen gitaar een album op te nemen. En aan die vraag voldoet Foster nu min of meer met het in eigen beheer uitgebrachte en ook enkel via zijn eigen website verkochte “An Then There’s Me (The Back Porch Sessions)”. En hij kiest daarbij zeker niet voor de gemakkelijkste weg. Met “Easier Said Than Done”, “Making It Up As I Go Along” en “Godspeed” blinkt hij weliswaar enkele klassiekers uit het eigen repertoire op, maar voor de rest bevat het album enkel nieuwe songs. Nummers die hij ondermeer schreef met collega’s als Jack Ingram, Bobby Houck, Danny O’Keefe, Dale Watson, Cory Morrow en Jay Clement. Helemaal in zijn eentje was hij bij het inblikken van “And Then There’s Me” in zijn eigen thuisstudio overigens ook niet. Zelf nam hij naast de vocalen ook de ukelele en wat akoestisch en elektrisch gitaarwerk voor zijn rekening, Mike McAdam stond in voor slide- en tal van andere gitaarbijdragen, Eric Borash bespeelde zijn dobro, Georgia Middleman voorzag “If You Can’t Be Good” van achtergrondvocalen en Casey Wood bracht ondermeer een speelgoedpianootje en wat percussie-instrumenten mee. Ondanks die inbreng van anderen klinkt dit album evenwel precies zoals wat Fosters aanhangers verwacht hadden: naakt, simpel en vooral ook heel erg warm. Van het licht bluesy openingsnummer “Figure It Out” tot de heerlijke, in gepeins verzonken Jack Ingram co-write “Never Gonna Fly” en het uit hetzelfde vaatje tappende “Half Of My Mistakes” of de hartverscheurend mooie ballade “Forever Is Over”, van het ingetogen twangende en met Dale Watson gepende titelnummer tot het een weinig aan Roger “King Of The Road” Miller herinnerende “Little Babies Like To Suck On Their Toes”, het oort allemaal even uitnodigend. En het klinkt dan ook echt als muziek in onze oren om Foster in de liner notes nu al te horen gewagen van een tweede volume. Zelf heeft hij er dus duidelijk ook het nodige plezier aan beleefd…

Radney Foster

 

 

RODNEY CROWELL

“The Essential”

(Columbia / Legacy / Sony BMG)

(4) J J J J

 

Een erg mooie en bovendien aardig complete compilatie is het onlangs verschenen “The Essential Rodney Crowell”. De plaat bevat een fraaie dwarsdoorsnede uit het oeuvre van de enkele jaren geleden met het album “The Houston Kid” aan een stevige tweede jeugd begonnen zingende liedjesschrijver Rodney Crowell. Het mooie aan deze verzameling is, dat men zich de moeite getroost heeft om bij diverse andere platenmaatschappijen de juiste nummers los te weken om er een echt essentiële collectie van te maken. Van het al uit 1981 stammende tweetal “Stars On The Water” en “Shame On The Moon” – van Crowell maar vooral bekend in de uitvoering van Bob Seger & The Silver Bullet Band – en het twee jaar later verschenen “Oh King Richard” gaat het zo over een royale hap uit zijn succes-CD “Diamonds And Dirt” – met superhits als “I Couldn’t Leave You If I Tried”, “After All This Time”, “The Last Waltz” en “She’s Crazy For Leaving” – en nummers van “Life Is Messy”, “Jewel Of The South”, “The Houston Kid” – het sublieme “I Walk The Line (Revisited)” met wijlen Johnny Cash – en zijn jongste CD “Fate’s Right Hand” tot speciaal voor deze plaat ingeblikte versies van “I Ain’t Livin’ Long Like This” en “’Til I Gain Control Again”. Zeg nu zelf, wat kan een mens in godsnaam meer willen…

Rodney Crowell

Legacy

 

 

THE CHRIS STAMEY EXPERIENCE

“A Question Of Temperature”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

Het kan verkeren, wist Bredero, en gelijk had de beste man. Jarenlang hield dBs-stichter Chris Stamey zich opvallend afzijdig daar waar het het opnemen van nieuw eigen materiaal betrof. Zijn werk als producer voor acts als Whiskeytown, Le Tigre, Yo La Tengo en Alejandro Escovedo zou uiteindelijk echter toch nog voor de door zo goed als niemand meer verwachte déclic dienaangaande zorgen. En zo kan het dat hij nauwelijks een half jaar na het vrijwel unaniem jubelend onthaalde “Travels In The South” alweer met een nieuw project uitpakt. “A Question Of Temperature” nam hij op met Ira Kaplan, Georgia Hubley en James McNew van Yo La Tengo, keyboard wizkid Tyson Rogers, Whiskeytown-goudhaantje Caitlin Cary, voormalig dBs-maatje Gene Holder en enkele leden van Chatham County Line – van wie met “Route 23” op 22 februari ook een nieuw album verschijnt overigens. Voeg daar nog aan toe, dat de gerenommeerde Mitch Easter achter de mengtafel plaatsnam en alle ingrediënten vereist voor een nieuwe uitstekende plaat lijken voorhanden. En “A Question Of Temperature” mag er dan ook best wezen ook. De temperatuur wordt inderdaad constant op peil gehouden, want gitaarrock met zo nu en dan een behoorlijk hoog sixties-gehalte is het sleutelwoord hier. Feedbackgewijs word je al meteen van bij de aftrap klaargestoomd voor gedreven covers van nummers als “Shapes Of Things” van de Yardbirds, “Venus” van Tom Verlaine’s Television of “Compared To What” van Les McCann & Eddie Harris en acht nieuwe Stamey originals. Van die laatste nummers zijn de zomers opgewekte gitaarpopoprisping genre They Might Be Giants van “The Summer Sun”, de qua uitstraling voorzichtig aan “All Day And All Of The Night” van de Kinks herinnerende instrumental “Come On”, de zweverige pop van het tweetal “Sleepless Nights” en “McCauley Street (Let’s Go Downtown)” en het tot in het absurde toe vrolijke “Dr. Strangelove’s Assistant” zowat de meest in het oog – Of was het toch het oor? – springende. De oude vos Stamey is in elk geval duidelijk nog geen van zijn streken verleerd…

Chris Stamey

Yep Roc Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE MOANERS

“Dark Snack”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

The Moaners zijn notoire oudgedienden. Melissa Swingle (zang, gitaren, harmonica, zingende zaag) kennen we nog als het sexy kopstuk van Trailer Bride. Laura King (drums, percussie, gitaar) van haar kant verdiende haar sporen dan weer onder de vleugels van “Ed from Ohio” Crawford’s rocktrio fIREHOSE. Op 25 januari aanstaande verschijnt van de twee bij Yep Roc Records (Sonic Rendezvous) het behoorlijk heavy uitvallende debuutalbum “Dark Snack”. Verwacht daarop vooral geen zuidelijke alt. country gothiek à la Trailer Bride. Als er zich bij het beluisteren van dit schijfje al referenties aandienden, dan waren dat vooral rockende madammen van het kaliber van een PJ Harvey of een Kim Deal (Pixies, Breeders). Swingle gaat vrijwel voortdurend behoorlijk loos op haar elektrische gitaar en King mept er ook allesbehalve langs. Het resultaat van deze aanval van collectieve agressie is een behoorlijk punky totaalgeluid, waarin rock en blues zich als de twee voornaamste ingrediënten laten aanwijzen. Aardigste momenten zijn daarbij naar onze bescheiden mening het flink naar het Fat Possum-label knipogende bluesnummer “Elizabeth Cotton’s Song”, “Paradise Club”, hun door de gelijknamige lokale joint beïnvloede adaptatie van het klassieke “House Of The Rising Sun”, het toch nog even aan Swingle’s verleden herinnerende twangy slepertje “Secret Joy” en de op een zingende zaag terende instrumentale afsluiter “Chasing The Moon”.

The Moaners

Yep Roc Records

Sonic Rendezvous

 

 

ARNO ADAMS

Kus Mich Dan”

(CD-single)

(Inbetweens Records)

(3,5) J J J J

 

Aan recensies van singles wagen we ons hier uit louter tijdsoverwegingen bewust niet al te vaak. Maar als ze zo goed zijn als “Kus Mich Dan”, de eerste afkomstig van “Ich Weit Desse D’r Bus”, het jongste album van de Limburgse dialectzanger Arno Adams, dan maken we graag een uitzondering op deze huisregel. Naast het door de fraaie wisselwerking tussen de viool van Bärbel Ehlert en de piano van Mike Roelofs tot een wonderschoon najaarsminiatuurtje verheven titelnummer bevat dat schijfje immers ook nog twee outtakes van “Ich Weit Desse D’r Bus” en een speciaal voor het radioprogramma L1 Groovetime opgenomen versie van de traditional “St. James Infirmary”. Van de op een heerlijk dromerig gitaarbedje van de onvolprezen BJ Baartmans geënte ballade “Blief Nog Effe Asse Wils” vraag je je meteen af, waarom ze uiteindelijk het album niet haalde. En het snedig rockende - door Adams opnieuw met Baartmans gedeelde - “Digitaal” zou op die plaat al evenmin hebben misstaan. “Sint Maartens Bloez” tenslotte is een knappe Limburgse kijk op de al eerder vermelde klassieker met een tekst van Adams en Lisette Straten en met de medewerking van Holland & Polland (Ivo Roosbeek – accordeon, piano / Emil Szarkowics – viool, klarinet) en Mike Roelofs (piano).

Arno Adams

Inbetweens Records

 

 

BRAD DAVIS

“This World Ain’t No Child Anymore”

(FGM)

(3,5) J J J J

 

 “This World Ain’t No Child Anymore” is de zo op het eerste gezicht wat belerend overkomende titel van de nieuwe CD van manusje-van-alles Brad Davis. Die Davis geniet vooral bekendheid als één van de meest in trek zijnde sessiegitaristen in country- en bluegrassmiddens. Daarnaast belandden ook reeds tal van zijn songs op platen van groten uit die genres. En als muzikant belandde hij ondermeer “on the road” met kanjers als Marty Stuart, Earl Scruggs, Sam Bush en Billy Bob Thornton. Om maar te zeggen, dat we hier niet met wat je noemt een klein visje te maken hebben. Een gegeven dat trouwens ook bevestiging vindt in de indrukwekkende guest list voor zijn nieuwe CD: van Thornton tot Bush, van Rob Ickes tot Bela Fleck, van Tommy Shaw (Styx) tot John Cowan, enzovoort, enzovoort, enzovoort… allemaal droegen ze er graag hun steentje aan bij. Aan de okselfrisse, speelse bluegrass van openingsnummer “All I Need To Know” bijvoorbeeld, waarin met name Sam Bush hem flink van jetje geeft op z’n mandoline en Byron House zijn bas op het strafbare af geselt. Of aan de sfeervolle Americana (country) van “Ain’t That Just Like Love”, waarin John Cowan en Greg Davis tekenen voor fraai harmonieerwerk. En aan het dartele “Love Don’t You Know”, dat Rob Ickes op de hem geheel eigen manier inkleurt op de dobro. En ook aan het in onze ogen absolute prijsnummer hier, het van een ranzig bluesy randje voorziene “Shadows”, waaraan acteur Billy Bob Thornton met z’n schuurpapieren parlando’s een wel heel apart karakter verleent. Het zijn zomaar een paar voorbeelden, want eigenlijk is in elk nummer wel de één of andere bekende naam aan te wijzen die Davis erbij helpt in zijn opzet te slagen. Eén enkele speciale vermelding toch nog. En die gaat naar de knappe instrumental “Lacrosse”, waarin de akoestische gitaar van Davis en de banjo van Bela Fleck elkaar op een zonderling mooie manier weten te vinden. Noem het maar commercieel verantwoorde roots en bluegrass van het betere soort.

Brad Davis

FGM

 

 

RED ROOSTER

“Dose”

(Wondermore Records)

(4) J J J J

 

Als er al één bedenking is die je je bij deze CD zou kunnen maken, dan is het er één die zich ook zo weer weglachen laat, omdat ze eigenlijk gewoon zo belachelijk is als ze groot is. Al is en blijft het natuurlijk wél zo, dat er wel degelijk een zekere kern van waarheid in schuilt… Je plaat “Dose” noemen en dan doodgemoedereerd een dubbele dosis aanbieden is gewoon vragen om dit soort van opmerkingen: de titel klopt niet echt… Voor de rest evenwel absoluut geen kwaad woord over het tweede album van de als Red Rooster door het leven stappende vrienden-sinds-de-crèche Jay Erickson (gitaar en zang) en Nat Zilkha (leadgitaar). Het opzet ervan is op z’n minst zeer origineel te noemen. Op het eerste van de beide gelijktijdig aangeboden schijfjes bedienen de twee zich bij het exploreren van het uitgestrekte territorium tussen country, blues, folk, rock en hip-hop van alle mogelijke moderne snufjes – versterkers, distortion pedals, computers, samples, etcetera etcetera etcetera – die hen tijdens hun verblijf in de opnamestudio ter beschikking stonden. Op het tweede waden ze doorheen de tien zelfde songs zich enkel bedienend van ingrediënten die Moedertje Natuur met een goedkeurend knikje zou begroeten, te weten de eigen stemmen, akoestische instrumenten en een stel microfoons. Het resultaat is een ronduit verbluffende plaat van een stel youngsters die het Americana-genre even open minded benaderen zoals bijvoorbeeld een Tom Waits dat ook doet met rock en pop en aanverwanten. Niks moet, alles kan en mag. Een serieuze bijkomende troefkaart is daarbij de - veel ouder dan ze in werkelijkheid is klinkende - berookte stem van Jay Erickson, die wat heeft van een verjongde Tony Joe White. Bijzonder straffe plaat! (En wat het allemaal nog mooier maakt, is dat je deze dubbelaar voor de prijs van een gewone reguliere CD kan scoren. Doe er je voordeel mee!)

Red Rooster

CD Baby

 

 

BRIAN JAY CLINE

“One For The Road”

(Jam Recordings)

(3,5) J J J J

 

Het blijft echt wel opmerkelijk met welk sprekend gemak de uit Las Vegas afkomstige Brian Jay Cline aanstekelijke rootspopdeuntjes uit de mouw blijft schudden. Ook z’n nieuwe CD “One For The Road” – z’n zesde inmiddels al – puilt er immers weer van uit. Je denkt bij het horen van de liedjes erop opnieuw voortdurend aan vergelijkbare acts als de Smithereens, Graham Parker, de jonge Costello, Squeeze, Andrew Gold en aanverwanten. Net als die confraters verstaat Cline de kunst om je met ijzersterke melodieën ogenblikkelijk in te pakken. Soms neigt hij daarbij voorzichtig richting (alt.) country zoals in het door Larry Jenks van een shot dobro bediende “Last Stop On Your Train”, het door Harvey Stone’s pedal steel van een van weemoed druipend oppervlaktelaagje voorziene “Tonight I’ll Sleep” en het twangy “Mercedes Bends The Rules”, elders lijken omschrijvingen als pub rock (“Sidesteppin’”, “Destiny”), power pop (“Goodbye In Hi-Fi”, “Round And Round”) of gewoon pop tout court (“Get Gone”, “Heartbreaker”, “Who’s Crying Now”) dan weer eerder op hun plaats. Maar welk label je er ook opkleeft, vast staat, dat “One For The Road” een plaat is met een bijzonder hoog “feel good”-gehalte. En is het ons daar eigenlijk niet allemaal om te doen?

Brian Jay Cline

Jam Recordings

 

 

FOGHORN STRINGBAND

“Reap What You Sow”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4,5) J J J J J

 

Het vijfkoppige, uit Portland, Oregon afkomstige gezelschap The Foghorn Stringband staat naar eigen zeggen voor een gezonde dosis “old-time American fiddle tunes and songs”. Maar dan wel gebracht met een scherp randje. En precies daardoor hoort de groep even goed thuis in het rijtje Old Crow Medicine Show – Chatham County Line – Hackensaw Boys als tussen pakweg de Del McCoureys, de Ralph Stanleys of de Open Roads van deze wereld. Stephen “Sammy” Lind (fiddle, zang), Caleb Klauder (mandoline, zang), The Reverend P.T. Grover, Jr. (banjo), Kevin Sandri (gitaar, zang) en Brian Bagdonas (string bass) maken dan ook zeer snel furore. De hier vooral nog van de ijselijk mooie soundtrack bij de film “Cold Mountain” bekende Dirk Powell trommelde hen zo bijvoorbeeld al op om als zijn band te fungeren. En hun beide – overigens in bijzonder fraai geconcipieerde kartonnen hoesjes gestoken – CD’s, “Rattlesnake Tidal Wave” uit 2002 en het onlangs verschenen “Reap What You Sow”, werden in eigen land en tot ver daarbuiten de voorbije weken letterlijk onder de lofbetuigingen bedolven. Nu is het ook bijzonder moeilijk om er niet meteen voor te zwichten. Wat de vijf op hun jongste plaat bijvoorbeeld doen met Kelly Harrells “Dying Hobo”, Dock Boggs’ “Danville Girl”, “Charlie And Nellie” en “Sow ‘Em On The Mountain” van de Carter Family of de G.B. Grayson/Henry Whitter-compositie “Nobody’s Darling” zal gegarandeerd zowel bij bluegrass- en old-time-puristen als bij nieuwkomers in beide genres op de nodige bijval kunnen rekenen. En als de heren het binnenkort ook eens de moeite waard zouden vinden om ook eens in deze kontreien met z’n vijven rond één en dezelfde microfoon te komen plaatsnemen, dan weten wij alvast wie er gefascineerd op de eerste rij zal staan… Zwaar verslavend spul!

The Foghorn Stringband

CD Baby

 

 

RICKY CALMBACH

“A Step In The Right Direction”

(Backporch)

(3,5) J J J J

 

Net als zijn streekgenoot Ed Burleson lijkt de jonge Ricky Calmbach over de juiste troeven te beschikken om in het kielzog van de grote George Strait het blazoen van de Texaanse (mainstream) country scene binnen afzienbare tijd flink op te kunnen poetsen. Met zijn groep Texas Standard Time leverde de youngster onlangs alvast zijn derde CD “A Step In The Right Direction” af. En daarop laveert de met een weinig aan Alan Jackson herinnerende stem gezegende Calmbach behendig heen en weer tussen het soort country waarmee hij ook in Nashville aan de bak zou moeten kunnen komen (“Countin’ On A Barstool”, “Texas Is The Spark”), eigentijds ingekleurde Western swing (“It’s Too Late To Die”, “Dance Time In Texas” en “All The Way To San Antone”), onvervalste honky-tonk (“Honky Tonk Stardust Cowboy”, “Never Meant To Be”, “You’re Not Waitin’ At Home Anymore” en “Drinkin’ About You”) en op de neo-traditionalistische leest geschoeide ballads (titelnummer “A Step In The Right Direction”). De constant vrij hoge kwaliteit van het daarbij gebodene deed een Texaanse radiocollega in een vlaag van euforie al besluiten dat Calmbach de redder van het countrygenre zou zijn. Zo ver willen wij nog niet gaan in onze uitlatingen over deze knaap, maar toegeven dat hij al heel goed is kost ook ons niet de minste moeite.

Ricky Calmbach

Texas Music Round-Up

 

 

EMORY JOSEPH

“Labor & Spirits”

(Capsaicin Records)

(4) J J J J

 

Onder het motto “Beter laat dan nooit!” buigen we ons hier voor de gelegenheid over een heerlijke debuutplaat, die al een poosje op de markt is, maar pas sinds kort ook via CD Baby te koop aangeboden wordt. Het betreft “Labor & Spirits”, de eersteling van de met een zalige lichtbruine stem gezegende zingende liedjesschrijver Emory Joseph. De man serveert op zijn visitekaartje een tiental ijzersterke verhalende songs en nog enkele verborgen extraatjes. En ook de muzikale inkleding daarvan is op en top verzorgd. In openingsnummer “Carolina Princess”, een soulvol R&B-deuntje, presenteert hij zich meteen als een onvervalste spraakwaterval. “Rhum And Coffee” is dan weer een licht jazzy swingende uiteenzetting over drankgebruik, opgedragen aan de grote Guy Clark. T-Bone Wolk hanteert er de doghouse bass in, Duke Levine streelt de mandoline en Levon Helm en Dave Mattacks namen plaats achter hun drumkits. “The Same” is vervolgens mooi ingetogen rootsy singer-songwriterspul, “Trinkets” een funky kleinood over de waarde van de kleine dingen in het leven, “Early In The Morning” laat zich een fraaie accordeonversiering van Wolk welgevallen en gaat soulvol in op de op een breuk volgende eenzaamheid, “Daddy John” wordt gekenmerkt door een eerder bluesy karakter en “Be Home Baby” klinkt als Steely Dan gone Americana – sfeervolle Wurlitzer- en banjo-bijdragen van respectievelijk John Carroll en Tony Furtado zijn daar wellicht niet geheel vreemd aan. “Work To Do” is dan weer een bijzonder levendige, eerder gospelesk opgevatte R&B-bedoening, “Sweet William” op zijn beurt een rootsy storysong over de zonderlinge Mr. Johnson en “Family Dog” heeft – aldus Joseph zelf – een typische “cathouse swing” feel. Helm en Mattacks opnieuw in z’n buurt wetend, vergelijkt hij zichzelf daarin met een hond. “You can end up like me. A happy family dog,” klinkt het bijna belerend. De eerder vermelde extraatjes zijn een jazzy niemendalletje en wat onvervalste Donald Duck-fun. Een leuke uitsmijter voor een plaat die je absoluut niet missen wil, geloof ons daarin vrij…

Emory Joseph

CD Baby

 

 

KATE MCDONNELL

“Where The Mangoes Are”

(Appleseed / Music & Words)

(3,5) J J J J

 

“Stop doing that, you’re giving me a headache!” liet folkgitaarvirtuoos Leo Kottke zich ooit ontvallen toen hij Kate McDonnell aan het werk zag. Dat was zijn manier om uit te drukken dat hij in grenzeloze bewondering stond voor de wat aparte wijze waarop de rechtshandige McDonnell haar omgekeerd besnaarde akoestische gitaar linkshandig betokkelde. De uit Baltimore afkomstige artieste is echter zoveel meer dan een curiosum voor gitaarfreaks. Het bewijs voor die stelling levert ze andermaal op haar vierde CD “Where The Mangoes Are”. Tien van de twaalf nummers op dat album schreef ze immers zelf of met Anne Lindley. De overige twee zijn een van lentefris pick- en harmonicawerk voorziene akoestische bluesversie van de traditional “Railroad Bill” en een adembenemend mooie lezing van Steve Earle’s “Goodbye Song”. Met dat laatste liedje bezorgt McDonnell je met haar kristalheldere sopraanstem kippenvel over je gehele lijf. Van de eigen songs vallen verder vooral de zwierige road song “Tumbleweed”, het volop naar airplay lonkende folkpopdeuntje “Hey Joe”, het atmosferische “Mercy” en de ingetogen Americana van het door respectievelijk Mindy Jostyn en Scott Petito van een accordeon- en een mandobijdrage voorziene “Luis” en afsluiter “Softhearted Girl” op. Als geheel laat “Where The Mangoes Are” zich vooral aanbevelen aan de liefhebbers van Nanci Griffith, Mary McCaslin en aanverwanten.

Kate McDonnell

Appleseed Recordings

Music & Words

CD Baby

 

 

DARRELL SCOTT, DANNY THOMPSON & KENNY MALONE

“Live In NC”

(Full Light Records)

(3,5) J J J J

 

Darrell Scott, die nu goed anderhalf jaar geleden vriend en vijand verraste met het werkelijk meesterlijke “Theatre Of The Unheard”, opteerde bij het registreren van zijn nieuwe CD “Live In NC” voor een klassieke trio-bezetting. In het najaar van 2003 deelde hij in North Carolina zodoende de planken met baslegende Danny Thompson en sterdrummer Kenny Malone. Die twee stelden Scott in de gelegenheid om - zich in goed muzikaal gezelschap wetend - beurtelings op de akoestische en de elektrische gitaar de sterren van de hemel te spelen. En dan hadden we het nog niet over die doorleefde stem van ‘m en zijn fantastische liedjes. Knappe eigen songs als “You’ll Never Leave Harlan Alive”, “Miracle Of Living” en “River Take Me” worden ondermeer afgewisseld met een ongemeen mooie coverversie van Johnny Cash z’n “I Still Miss Someone”, een in een wat eigentijdser bluesy arrangement gestoken uitvoering van de traditional “Wayfaring Pilgrim” en een ingenieuze medley van “Folsom Prison” (van Cash) en “White Freightliner Blues” (van Van Zandt). U heeft het goed begrepen: “Live In NC” is inderdaad een zeer geslaagde live-plaat, waarop genres als folk, rock, blues, jazz en Americana vrijwel voortdurend verre familie van elkaar blijken.

Darrell Scott

Danny Thompson

CD Baby

 

 

KIMBERLEY REW

Essex Hideaway”

(Nettwerk / Pinnacle)

(3,5) J J J J

 

Bij het horen van de naam Kimberley Rew denken wij nog altijd met veel plezier terug aan een warme zomer in de jaren tachtig, toen zowel de Bangles als Katrina & The Waves met respectievelijk zijn “Going Down To Liverpool” en “Walking On Sunshine” hun eerste echt grote hits lieten optekenen. Maar die Rew is zoveel meer dan alleen maar een vaardige songsmid. Al in de late jaren zeventig deed hij voor het eerst van zich spreken als leadgitarist van Robin Hitchcocks Soft Boys, een job die hij later ook bij The Waves zou waarnemen, en “Essex Hideaway” is inmiddels ook alweer zijn derde solo-CD. En op die plaat lijkt hij een beetje te twijfelen aan welke van zijn twee grote muzikale liefdes hij zich nu eigenlijk totaal moet gaan overgeven. Zo kan het, dat we er enerzijds door sprankelend gitaarwerk aangezwengelde powerpopdeuntjes als het toepasselijk getitelde “Ballad Of The Lone Guitarist” en “Your Mother Was Born In That House” op aantreffen en anderzijds ook een heleboel oer-Britse, aan acts als Squeeze, Nick Lowe en vooral ook Ray Davies en z’n Kinks herinnerende popliedjes als “That’s Soft Boy”, “Short Smart Haircut” of “Tourists Of Insanity”. Vooral met de tot die tweede categorie behorende songs maakt Rew behoorlijk indruk. Met dat soort van aanstekelijke niemendalletjes mag men ons radiogewijs gerust alle dagen komen lastigvallen.

Kimberley Rew

 

 

PAUL METSA

Texas In The Twilight”

(Loudhouse Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 “A live solo performance recorded in October 1990 at Mars Studio, Austin, Texas” staat er te lezen vlak onder de titel van Paul Metsa’s nieuwe CD “Texas In The Twilight” en daarmee is al een groot deel van het verhaal erover verteld ook. “What you see” is in dit geval ook “what you get”. Veel naakter dan dat hier het geval is zal je de ondertussen een stevige reputatie genietende singer-songwriter uit Minneapolis op plaat niet snel te horen krijgen. Een flink verweerde stem en een akoestische gitaar en daarmee heb je het echt wel gehad. “Texas In The Twilight” belandde dan ook eerder toevallig op CD. Het album kwam tot stand toen Metsa naar aanleiding van zijn vijfentwintigste verjaardag als artiest in de eigen archieven op zoek ging naar een passende release. Daarbij stootte hij op een al enige tijd voorgoed verloren gewaande cassette met daarop een in 1990 in Austin onder het toeziend oog van producer Bob Johnson ingeblikte twee uur durende sessie. Het gaat daarbij uitsluitend om in één take vereeuwigde songs. De puurheid die ervan afstraalt is tegelijk het sterkste en het zwakste punt van het album. De één zal het zestien staaltjes van geweldige “American Street Poetry” noemen, de ander zal wellicht juist afknappen op het na verloop van tijd toch wel wat eentonige karakter van deze performance. “Mannetje-met-gitaartje” kan heel mooi zijn als de stem en de songs sterk genoeg zijn, maar zelfs dan zal je er lang niet iedereen mee kunnen bekoren. Voer voor echte fanaten dus.

Paul Metsa

Loudhouse Music

Sonic Rendezvous

 

 

FROG HOLLER

“The High, High’s & The Low, Low’s” (EP)

(ZoBird Records)

(3,5) J J J J

 

Al vrij snel na de release van hun werkelijk excellente vierde CD “Railings” doken die van Frog Holler opnieuw de studio in om er een handvol nieuwe nummers en een stel eerder ook al op hun debuut “Couldn’t Get Along” (1998) verkrijgbare songs te vereeuwigen. Het resultaat van die bewuste sessie uit het voorjaar van 2004, de zeven tracks tellende EP “The High, High’s & The Low, Low’s”, ligt sinds kort in de winkels en bevestigt eigenlijk alleen maar al het goede dat we over de groep al wisten. Darren Schlappich is een fantastische songwriter, die enigszins mysterieuze liedjes schrijft, waarin elementen uit traditionele folk, country en bluegrass regelmatig botsen op elektrische gitaren en die zodoende wat ons betreft zowat als het ideale antwoord op de vraag “Wat is alt. country?” zouden kunnen doorgaan. In Todd Bartolo (gitaren, lap steel en mandoline), Daniel Bower (drums), John Kilgore (gitaren en orgel), Mike Lavdanski (banjo en harmonieën) en Josh Sceurman (bas) beschikt hij bovendien over de ideale begeleiders om van Frog Holler zoiets als de missing link tussen voor het genre quintessentiële acts als The Band en Uncle Tupelo te maken. De stand-outs op “The High, High’s & The Low, Low’s” zijn de door tal van akoestische snaarinstrumenten als een banjo en een mandoline op sleeptouw genomen meezinger “Sleepy Eyes”, het back porch-swingertje “Ask Him Why” en de sfeervolle, wat lijzig aanvoelende Americana van “Glitter” en “Off Course Walking”.

Frog Holler

Miles Of Music

CD Baby

 

 

MARK GEARY

“Ghosts”

(Signature Sounds)

(4) J J J J

 

Voor de Ierse singer-songwriter Mark Geary lijkt 2005 het jaar van de waarheid te moeten gaan worden. Hij werd onlangs getekend door het al enige tijd flink aan de weg timmerende Signature Sounds-label – in de Lage Landen verdeeld door Rounder Europe – en het eerste resultaat van die samenwerking, het album “Ghosts”, zal vanaf 25 januari in de winkelrekken aan te treffen zijn. De al sinds zijn negentiende (1992) in New York verblijvende Geary presenteert zich daarop als een veelbelovende jonge songsmid die met een geslaagde hybride van elementen uit traditionele folk, pop en rock - met een icing van elektronica – zijn plaats lijkt te hebben tussen collega’s als de onlangs overleden Elliot Smith, de ook al wijlen Jeff Buckley en nog springlevende talenten als David Gray en Josh Ritter. Die laatste is trouwens ook van de partij hier. Hij brengt samen met Geary het verleidelijke, rond het thema spijt opgetrokken titelnummer “Ghosts”. Een andere gast is Glen Hansard. Met hem doet de Ier het verstilde akoestische folkdeuntje “Midnite Sun” uitgroeien tot één van de absolute hoogtepunten van het album. En daartoe behoort verder zeker ook het volop aan Bowie in z’n beste dagen herinnerende “Beautiful”.

“Ghosts” zou voor Geary wel eens van hetzelfde belang kunnen gaan blijken als het ook tot op zekere hoogte ermee vergelijkbare “Hello Starling” van zijn maatje Ritter. Het is in elk geval een even straffe plaat.

Mark Geary

Signature Sounds

Amazon

 

 

MARKUS RILL

“The Hobo Companion”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Als een soort van bedankje voor allen die door het kopen van zijn uitstekende jongste CD “Hobo Dream” en door het bezoeken van zijn optredens hielpen om van 2004 een fantastisch jaar voor ‘m te maken heeft Duitslands bij uitstek beste singer-songwriter Markus Rill een CD gecompileerd die als aanvulling op dat laatste album serieus kan tellen. “The Hobo Companion” telt dertien tracks, waaronder knappe covers van liedjes van Townes Van Zandt (“Waiting Around To Die”, evenals de met de hier eerder ook al bejubelde Amerikaanse Rachel Harrington opgenomen Van Zandt-Earle-medley “If I Needed You / Ft. Worth Blues”), Gillian Welch & David Rawlings (“One More Dollar”), Robert Earl Keen (So I Can Take My Rest”) en Johnny Cash (het live op de Orange Blossom Special 2004 ingeblikte “Folsom Prison Blues”), één enkel ouder nummer, met name het moeilijk verkrijgbare “No Penitentiary”, tal van kwalitatief hoogstaande live-opnames (“A Girl Called Jo”, “Hobo Dream”, “Nowhere Begins”, “Run, Run, Run” en “Where Do We Go From Here?”, een ander, tijdens het Hillbilly Guesthouse-herfstfestival van vorig jaar opgenomen duetje met zijn partner Rachel Harrington) en een aantal demo’s (“To Kill A Mockingbird” en “Wild Blue Heart”). In z’n totaliteit blijkt het te gaan om een album zonder echt zwakke momenten. Je bent daardoor nooit geneigd om het als een louter tussendoortje te beschouwen.

“The Hobo Companion” is voor de belachelijk lage prijs van 10 euro enkel verkrijgbaar tijdens ’s mans optredens, via zijn eigen webstek en langs de online mail order shops Glitterhouse en Blue Rose. Wie met een e-mailtje één van de oudere albums uit de web shop van Rill bestelt kan bovendien tijdelijk genieten van een bijzondere promotie. Dan kost het album immers slechts drie euro. Een aanrader van jewelste!

Markus Rill

Glitterhouse

Blue Rose

 

 

JEFF FINLIN

“Epinonymous”

(Bent Wheel Records)

(4) J J J J

 

 “Epinonymous” is Jeff Finlins vierde CD so far en wat ons betreft meteen ook met ruime voorsprong zijn beste. En dat wil in dit geval heel wat zeggen. Net zoals dat bijvoorbeeld ook voor een Randy Newman of een Tom Waits – om er maar enkelen te noemen – het geval is, was de naam Finlin hier immers al enige tijd een synoniem voor een ijzersterk oeuvre. Met die o zo markante gruizige stem van ‘m smeert hij op hoogst eigenzinnige wijze zijn - vaak aan zijn eigen ervaringen ontsproten – verhaaltjes over doordachte arrangementen uit. Daarbij mag hij ondermeer rekenen op de hulp van Will Kimbrough en Pat Buchanan. Dat levert muzikaal gezien zo uiteenlopende resultaten op als het op een licht psychedelisch aandoend synthesizerlijntje rockende “Postcard From Topeka”, het als een schimmig walsje verpakte “The Long Lonesome Death Of The Traveling Man”, het Waitsiaanse tweetal “Nothing’s Enough” en “Hallelu”, het dromerige Americana-riedeltje “Bringin’ My Love” en de zwierige – radiovriendelijke – poprockertjes “American Dream #109” en “Soho Rain”.

Met betrekking tot deze plaat kunnen we je dus eigenlijk maar één advies meegeven en dat mag je gerust als bindend beschouwen: “Kopen die handel!” Je zal het je beslist niet beklagen…

Jeff Finlin

Miles Of Music

 

 

AMY RIGBY

“Faulkner, Dylan, Heinz & Me”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 “Faulkner, Dylan, Heinz & Me” mag je beschouwen als een tussendoortje van The Mod Housewife. Het betreft immers een in eigen beheer en in een gelimiteerde oplage uitgebrachte collectie voornamelijk live opgenomen liedjes - zowel originelen, als covers. De geluidskwaliteit van het gebodene is helaas lang niet altijd om over naar huis te schrijven. Daar staat echter tegenover dat heel wat van de songs hier een zekere zeldenheidswaarde hebben. Een vlugge blik op de tracklijst zal dat bevestigen:

Bob Dylans “Hurricane”/ “I Miss His Truck” / “Faulkner's Maalox” / het met collega Duane Jarvis gepende en ook bij hem thuis opgenomen “The EZ Life” / “Needy Men” / “Yankee Wheels” / “Against The Law” / “Questions I Can't Answer” / “Third Wheel Theme” / “Don't Know Nothin’” / Warren Zevons “Reconsider Me” / “I Don't Envy Us” / Kirsty MacColls “They Don't Know About Us” / “The Purgatory Principle” / “The Last Time I Saw Bob” / Bob Dylans “Silvio”

Het wachten op een nieuw studio-album van La Rigby wordt er op deze manier in elk geval een stuk aangenamer door gemaakt.

Amy Rigby

Miles Of Music

 

 

LOUIS LEDFORD

“Reverie”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4,5) J J J J J

 

Zij die zich al wat langer in het alt. country-gebeuren verdiepen zullen zich Louis Ledford vast nog wel herinneren als de voorman van Used Carlotta. Met die groep nam de met een uit de duizenden herkenbare licht nasale stem gezegende Ledford in de jaren negentig immers de albums “Wasted Words” en “Reckless Wheels” op. In 2003 besloot men echter collectief om er het bijltje bij neer te leggen. En dat was voor Ledford meteen het teken om zich voortaan intensief op een solocarrière toe te gaan leggen. En van die inspanningen is “Reverie” nu het eerste tastbare resultaat. En wat voor één! Met de daarop aangeboden naar rurale folk, bluegrass en Americana overhellende liedjes deelt Ledford zonder dralen een muzikale uppercut van jewelste uit aan iedereen die daarvoor openstaat. Binnenkomer “All Of My Dreams / Most Of The Time” is al meteen een echte beauty. We hebben het hier over beeldschone Americana, rootsy country of countryeske bluegrass – hoe je het ook noemen wil – met glansrollen voor Ledford zelf op de mondharmonica, Ned Henson op de akoestische gitaar, Rusty Farmer op de akoestische bas en vooral ook Chris Fuller op de mandoline. “Make It Home”, een anti-oorlogsliedje waarin camaraderie een bijzonder betekenisvolle speelt in het streven om te overleven, neigt vervolgens nog wat meer richting het bluegrassgenre. “Belle Isle” is van ingehouden spanning zinderende rootsrock over een op het eerste gezicht vreedzame locatie, maar dan wel met een stevig oorlogsverleden, “Are You Listening” onversneden country, “Lonesome Road” een als rootsy singer-songwriter stuff verpakte short story over achterom kijken, “Maury St. Cemetery” een jazzy gore-achterbuurten-in-het-holst-van-de-nacht-deun met een intrigerende double bass-bijdrage van Farmer, “Lately” een Dylanesk akoestisch bluesje over verslaving, ontgoocheling, woede en geweld, “Strange Dangerous Flower” een Americana-uiteenzetting over slechte gewoontes, foute keuzes en niet weten wat er goed voor je is - zelfs als het al té laat is – en “September” tenslotte een ingetogen post-9/11-ballade.

Het kan je misschien nog wat vroeg lijken om daar nu al opnieuw aan te gaan denken, maar dit is in onze ogen een echte jaarlijstjesplaat van een storyteller van formaat.

Louis Ledford

CD Baby

 

 

MATTHEW RYAN

“These Are Field Recordings”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 “These Are Field Recordings” is een eenentwintig songs tellende en over twee CD’s uitgesmeerde collectie liedjes, die je enkel via Matthew Ryans eigen webstek bestellen kan. Het betreft hier flink wat live opgenomen materiaal, een tweetal niet eerder verkrijgbare songs in demovorm en één van de allereerste door de man gepende en opgenomen nummers. Uiteraard zijn het vooral deze laatste liedjes die een aanschaf van “These Are Field Recordings” interessant maken. Het eerste schijfje opent meteen al met één daarvan, het ergens in ’93 gewoon thuis op zijn vaders 4track opgenomen “Oneday The Everclear”, een in al z’n prille naaktheid al erg overtuigend ingetogen singer-songwriterdeuntje, waarvoor de eigen stem en een akoestische gitaar ruimschoots volstonden. Vervolgens is er het live opgenomen “Fathers & Compromise”, een tot dusverre onverkrijgbaar passioneel rockduetje met Kim Richey. Een ijzersterk nummer is dat! Nog zo’n eerste kennismaking geldt “Dragging The Lake”, een demo voor de plaat waaraan Ryan momenteel werkt. Dat is een eigenzinnige, enigszins verkillend overkomende alt. pianoballade. En tenslotte is er ook nog het on stage ingeblikte “Bone Of Truth”, een pittig rockertje inclusief een gedreven spoken word-passage, dat z’n album “East Autumn Grin” indertijd net niet haalde. Voor het overige vooral veel live-materiaal, dat – ondanks z’n lang niet altijd even geslaagde geluidskwaliteit – nog maar eens onderlijnt dat de grofgevooisde Ryan tot de beste zingende liedjesschrijvers van het moment dient te worden gerekend en dat wat meer erkenning - om het op z’n Engels te zeggen – long overdue is. Mooi hoe hij erin slaagt om zijn liedjes telkens weer van een zekere ingehouden spanning te laten leven. En laat ons dat nu net heel erg weten te waarderen…

Matthew Ryan

 

 

RAY O’HARA

“45 South”

(Handsome Bob Records)

(3,5) J J J J

 

Een nieuwe naam in Americana-land – voor ons althans – is die van Ray O’Hara. Deze via Chicago in Austin verzeild geraakte singer-songwriter kan weliswaar bogen op een verleden bij de Orange Hunters, maar ook die groepsnaam deed hier niet meteen een belletje rinkelen. Dat belet de man echter niet om met zijn solodebuut “45 South” een uitstekende plaat af te leveren. Zelf noemt hij de muziek daarop Americana rock, een hybride van elementen uit rock, folk, blues en country zeg maar. En die omschrijving blijkt in grote mate op te gaan ook. Titelnummer “45 South” bijvoorbeeld is aangename Americana met prominente gastrollen voor Trish Murphy (zang), Mike Hardwick (dobro) en Michael Ramos (accordeon). Het op een sexy ritme rockende “Hole In My Pocket” deelt O’Hara dan weer met de onvolprezen Jimmy LaFave. En verder valt daarin vooral de bijzonder functionele banjobijdrage van Louis Meyers (The Bluegrass Nibblers) op. “Honk If You’re Jesus”, één van de mooiste liedjes van het album, is vervolgens erg knappe ingetogen Americana en het wederom met Trish Murphy vastgelegde “We Belong (In A Little Country Song)” is zijn titel getrouw een vlot rootsy countrydeuntje compleet met tamboerijn, fiddle en akoestische bas. “Talk Tough” rockt op zijn beurt een aardig eindje weg ergens in het braakland tussen John Mellencamp en de Stones anno “Honky Tonk Women” en de muzikale bijdragen van Stewart Cochran (piano) en Mike Hardwick (lap steel) stuwen “Easy” richting sfeervolle Americana(rock). Wat rest zijn een stel als rootsy singer-songwritermateriaal vermomde liedjes als “Gettin’ On”, “Still Looking” en “On My Mind” en het speelse countryriedeltje “Your Mom’s Tattoo”. Alles samen goed voor een debuut dat kan tellen.

Ray O’Hara

CD Baby

 

 

THE RED SEA SHARKS

“Under The Volcano”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

The Red Sea Sharks zijn een uit het Nederlandse Delft afkomstige Americana-groep bestaande uit Léon Brok (zang, gitaar, mandoline, mondharmonica en whistles), Martin Vermeer (bas, zang), Peter Visser (drums) en Peter Scova Righini (gitaar). De groep, die al sinds het voorjaar van 1990 aan de slag is, leverde onlangs met “Under The Volcano” al haar derde CD in eigen beheer af. En die plaat staat vol met aangenaam weg luisterende countryrock met een hoog jaren-zeventig-gehalte. Nummers als de vlot rockende opener “Don’t Hurt Yourself”, het met een fraai streepje mondharmonica opgeluisterde, ingetogen titelnummer en het nogal desolaat aandoende “Please Forgive Me” geven aan, dat songwriter Léon Brok een meer dan aardig liedje in de pen heeft. Enige minpuntjes zijn wat ons betreft de Little Feat-cover “Willin’” - een nummer dat we al veel beter hebben horen brengen – en de al bij al toch wat vlak overkomende productie. Desalniettemin een best wel aardige plaat.

The Red Sea Sharks

 

 

JILL BARBER

“Oh Heart”

(Dependent Music)

(4) J J J J

 

Wie het kleine niet eert… Amper drieëntwintig minuten – besteed aan zes eigen liedjes – heeft de jonge Canadese Jill Barber nodig om je middels haar tweede EP “Oh Heart” te overtuigen van haar rijkelijk voorhanden zijnde kwaliteiten. Allereerst vloert ze je met een dijk van een stem: tegelijk glashelder, met een twangy randje en ontzettend warm overkomend. En daarnaast beschikt ze over een wel bijzonder vaardige pen, die in heel wat muzikale inktpotjes thuis blijkt. Titel- en openingsnummer “Oh Heart” is zo een hartverwarmend mooie, in een zee van strijkers gedrenkte folkballade, “In Perfect Time” heeft iets met zowel folk, country als bluegrass, “Measures & Scales”, A7th Minor” en “Nothing On Me” zijn jazzy op z’n Leonard Cohens en “Somewhere Else” is op lijzige strijkers en subtiel accordeonwerk voorbij deinende folkpop van een alweer bijzonder hoog niveau. Het is wat ons betreft dan ook nu al reikhalzend uitkijken naar de eerste volwaardige langspeler van deze uitzonderlijk getalenteerde tante.

Jill Barber

Dependent Music

Miles Of Music

 

 

RECKLESS KELLY

“Wicked Twisted Road”

(Sugar Hill / Munich)

(4,5) J J J J J

 

2004 mag dan al een uitstekend Americanajaar geweest zijn, 2005 lijkt daar in eerste instantie zeker niet voor onder te willen gaan doen. De voorbije dagen passeerden hier al erg leuke op stapel staande releases van Kelly Pardekooper, The Sid Hillman Quartet, Angel Dean & Sue Garner en Australian Blonde de revue en nu is het alweer de beurt aan een volgende heuse topper. Met name “Wicked Twisted Road” (Ook wel “A saga of love lost, love found and the wicked twisted road along the way.”), het nieuwe album van de Texaanse countryrockers van Reckless Kelly. Onder aanvoering van hun grofgevooisde voorman Cody Braun trokken de vijf opnieuw naar Nashville om daar onder de productionele hoede van Ray Kennedy – zie bijvoorbeeld ook Steve Earle, Lucinda Williams, Jack Ingram en Nanci Griffith – hun vijfde CD in te blikken. En dat blijkt al bij al een veel toegankelijkere plaat dan haar voorgangers. Een stuk gevarieerder vooral ook. “Motel Cowboy Show” is zo het soort van feel good country-op-dreef waarop ook streekgenoten Pat Green en Jack Ingram wel een patent lijken te hebben, “Nobody Haunts Me Like You” is een stukje donkere stoute-meiden-fantasie à la Steve Earle (Wat te denken bijvoorbeeld van een zinsnede als “You’re… bitter and sweet as a death row last meal…”?), titelnummer “Wicked Twisted Road” en “Dogtown” zijn ingetogen, enigszins folky - noem het maar typisch Texaans - singer-songwriterspul, “Seven Nights In Eire” incorporeert op voorbeeldige wijze de muzikale traditie van het eeuwig groene eiland in het eigen groepsgeluid en het dampende “Wretched Again” herinnert zowel qua power als qua geluid aan rockgoden de Stones in hun topdagen. Ons hoor je dan ook helemaal niet klagen! Wij hebben onze eerste échte favoriet voor 2005 immers alweer te stekken. Ijzersterke plaat is dit gewoon!

Reckless Kelly

Sugar Hill

Munich

 

 

RICHARD BUCKNER

“Dents And Shells”

(Fargo / PIAS)

(3,5) J J J J

 

Bij het benaderen van zijn nieuwe CD “Dents And Shells” zocht Richard Buckner zijn heil in beproefde technieken. De liedjes schreef hij als vanouds natuurlijk weer in zijn dooie eentje en bij het inblikken ervan omringde hij zich ook ditmaal weer met een stel klassemuzikanten uit één welbepaalde scene. Die van Austin met name, waar hij schoon volk als King Coffey, Eric Conn, Andrew Duplantis, Gary Newcomb, Mike Hardwick, Morales en Brian Standefer uit recruteerde. “Dents And Shells” is dan ook in heel wat opzichten wat je een typische Richard Buckner-plaat zou kunnen noemen. Veelal introverte liedjes dus die door de singer-songwriter op de van hem bekende neuzelende manier de wereld worden in geslingerd. Zelfs wat vlottere spulletjes als “A Chance Counsel” of het radiogenieke “Rafters” – met hun iets prominenter aanwezige drums en gitaren – passen perfect in dat plaatje. Aangenaam luistervoer luidt dan ook het even simpele als adequate verdict hier.

Richard Buckner

Fargo

 

 

ANGEL DEAN & SUE GARNER

“Pot Liquor”

(Trocadero / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

In de Verenigde Staten was dit schijfje al een poosje verkrijgbaar via Diesel Only, maar dankzij het Duitse Trocadero Records en Sonic Rendezvous, de Nederlandse verdeler van dat label hier, is er nu ook eindelijk in deze kontreien wat makkelijker aan te raken. En dat is maar goed ook! “Pot Liquor” is immer folk-pop annex (alt.) country en mountain music van prima makelij. Angel Dean (The Zephyrs) en Sue Garner (The Shames) harmoniëren er op die plaat op los dat het een echte lust is voor het oor. Maar in tegenstelling tot wat bijvoorbeeld op heel wat bluegrassplaten het geval is, levert dat hier bepaald geen melige taferelen op. Liedjes zoals deze over een oude begraafplaats (“Old Graveyard In The Woods”), een vijver waarin onlangs een stel jongens kwamen te verdrinken (“Quarry Pond”) en dies meer verlenen aan het geheel een soort van luguber, enigszins naar het gotische overhellende karakter. Ergens tussen de Carter Family, de Louvin Brothers, de Indigo Girls en Freakwater vinden Dean en Garner zo hun eigen niche. En dat is er één die bij aandachtige consumptie van dit album steeds intrigerender gaat blijken.

Sue Garner

Trocadero Records

Sonic

 

 

AUSTRALIAN BLONDE

“Songs Of Love And Grace”

(Astro / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 “Songs Of Love And Grace” is tot onze grote verbazing het alweer zevende album van het in weerwil van zijn naam gewoon uit het Noorden van Spanje afkomstige drietal Australian Blonde. Daar werd er al in 1992 tot samenwerken besloten. Geen wonder dan ook dat deze groep bestaande uit Fran Fernandez (zang, gitaar, bas), Paco Martinez (drums) en Pablo “R.A.” Errea (bas, gitaar, zang) bijzonder hecht klinkt. Als hun voornaamste wapenfeit tot dusverre mogen we het in 2000 met Steve Wynn opgenomen album “Momento” beschouwen.

Op hun nieuwste worp laten de drie horen nu niet bepaald voor één gat te vangen te zijn. Als een fiere pauw spreiden ze een brede waaier aan (roots)pop- en rockveren tentoon. Van de qua invloedssfeer openlijk tussen de Beatles, de Byrds en de Zombies twijfelende rootsy pop van opener “Control” over de op mooie harmonieën gestoelde catchy rock van “When I Look Around” tot de ingetogen – met Gary Louris van de Jayhawks gebrachte – alt. country van “Sweet Lullaby”, van de prettig in het gehoor liggende, een weinig aan de Posies herinnerende power pop van “A Perfect Smile” tot de met een heel bataljon strijkers en een bijzonder doeltreffend ingezet pianootje opgeluisterde singlekandidaat in de eigen landstaal “Almas De Metal” of de al even radiogenieke soulvolle popballade “Happy Here”, het luistert eigenlijk allemaal wel bijzonder makkelijk weg. Een aanschaf van “Songs Of Love And Grace” valt dan ook zeker te overwegen. Je hebt daarbij trouwens de keuze uit twee verschillende formaten: een goedkopere slim pack-versie en een wat luxueuzer uitgevoerd digipack, dat naast een boekje met alle teksten ook vier nummers extra bevat.

Australian Blonde

Astro Discos

Sonic Rendezvous

 

 

THE SID HILLMAN QUARTET

“Tercero”

(Trocadero / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

Sid Hillman, de excentriek ogende kaalhoofdige en gebrilde zingende liedjesschrijver van het naar hem vernoemde viermanschap, mag de bassende grootheid die ooit haar sporen verdiende bij voor het hele huidige alt. country-gebeuren toch wel quintessentiële acts als de Byrds en de Flying Burrito brothers gewoon aanspreken als ome Chris. Naast die familieband zijn er verder echter maar weinig raakpunten. En al zeker niet als het over de muziek van de twee gaat. Met Jack Faith (gitaar), Jim Cheydleur (bas) en Michael Taklender (drums en percussie) grossiert déze Hillman immers voornamelijk in intrieste, behoorlijk zwaarmoedige liedjes. Droef tot op het bot is eigenlijk het juiste woord – gedragen door Hillmans enigermate nasale stem en muzikaal ingekleed met voorzichtig gestreelde gitaren, al even subtiel beroerde drumvellen, een sfeervol zoemende bas en occasioneel ook wel een piano, orgel, cello, lap steel, trompet of accordeon – allemaal ten dienste van de door de songs geëvoceerde gevoelens. Qua sfeer beland je daardoor nogal eens in de buurt van groepen als de Cowboy Junkies, Clem Snide, Calexico en Spain. En daar is het – zoals naar we mogen aannemen algemeen geweten – aangenaam toeven. De productie van “Tercero” – hun derde inderdaad - was overigens in handen van Hillman zelf en die andere treurwilg, Neil Halstead (Mojave 3).

The Sid Hillman Quartet

Trocadero Records

Sonic Rendezvous

 

 

MICHAEL WESTON KING

“Absent Friends”

(MWK)

(3,5) J J J J

 

Met The Good Sons groeide Michael Weston King door de jaren heen uit tot één van de speerpunten van de Britse alt. country-beweging, iets wat onlangs nog treffend geïllustreerd werd met de voorbeeldige dubbele carrière-retrospectieve “Cosmic Fireworks – The Best Of The Good Sons 1994 – 2001”. Maar met “Absent Friends” is er nu weer nieuw werk van de man zelf. Nu ja, nieuw, het gaat eigenlijk om een collectie rarities en live-opnamen. Een soort van tussendoortje dus zeg maar. Maar wel een zeer leuk tussendoortje! Zo serveert Weston King ons ondermeer pakkende, doorheen zowat heel Europa ingeblikte live-uitvoeringen van “Lay Me Down”, “Mother Tongue”, “Celestial City”, “Reserved For Me And You”, “Only Seven Days”, “Endless Wandering Stars”, “Black Sheep Boy / Tim Hardin ‘65”, “Always The Bridesmaid”, “An Englishman’s Obsession With America (Part 2)”, “The Wooden Hill”, “Angels In The End” en “Blues Around Me Now”. Daarop wordt hij bijgestaan door respectievelijk zijn Decent Men, The Brundby Rock Quartet, Mick Thomas, Jackie Leven, Mike Cosgrave, Rob Noakes, Andy White en de onvolprezen Lou Dalgleish. Die laatste levert met Alan Cook ook een substantiële bijdrage aan de rariteit “I Fall Behind”, waarmee het album wordt afgetrapt. Maar het is toch vooral het met haar in Denemarken gebrachte “Gram & Emmy-duetje” “Reserved For Me And You” dat hier de show steelt. Alleen daarvoor al zou je deze plaat kopen. Ook knap: die andere zeldzame track, het van rinkelende gitaartjes voorziene, met The Good Sons ingespeelde rootsrockertje “Teenage Kicks”. Al bij al een leuk eindejaarsgeschenk voor liefhebbers van het betere (alt. country) singer-songwriterwerk.

Michael Weston King

CD Baby

 

 

KELLY PARDEKOOPER

“Haymaker Heart”

(Trocadero / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Na zijn Europees debuut met het door Teddy Morgan geproduceerde “House Of Mud” in de zomer van 2003 leek er voor Kelly Pardekooper geen vuiltje meer aan de lucht. Het leek allemaal nog slechts een kwestie van tijd alvorens hij de alt. country-gemeenschap in deze kontreien uitgeteld aan zijn voeten zou hebben liggen. Straffe songs, intelligente teksten, vakkundig gebracht bovendien, die plaat had het gewoon allemaal. Privé verging het de man ondertussen echter een stuk minder voor de wind. Zo zag de kalende mid-dertiger om te beginnen zijn huwelijk stuk lopen, moest hij noodgedwongen zijn woonst in Iowa verkopen en belandde hij uiteindelijk na een tijdelijk verblijf in een woonwagen in of all places Nashville. Maar zoals dat dan wel vaker gaat, resulteerde al die ellende net in de prachtigste muziekjes. Z’n nieuwe CD “Haymaker Heart” is er tot de nok toe mee gevuld. Van bij de zwaar melancholische opener, het door een werkelijk van weemoed druipende accordeonbijdrage van Dave Moore flink aan het allerbeste van Calexico herinnerende desert bluesje “Not In Iowa” over de door Teddy Morgans uit-de-duizenden herkenbare gitaarspel gedragen, echt hartverscheurend mooie Americana-ballade “Tell Me (You’re The One)” of het op dezelfde leest geschoeide en met Amy Finders gebrachte “Draw The Line” tot de van een wel bijzonder adequate titel voorziene, enigszins Dylaneske gezondheidswandeling doorheen de geschiedenis van de folkmuziek “Folk This” of de afsluitende, breed uitwaaierende rocker “Take Me 2 My Home” – een soort van Oasis meets Chuck Prophet, zoiets… - is het hier voortdurend genieten geblazen. “Haymaker Heart” is dan ook zo’n plaat waarvan je al na één beluistering met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid durft te stellen dat het een blijvertje wordt. Warm aanbevolen derhalve ook!

Kelly Pardekooper

Trocadero Records

Sonic Rendezvous