ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2007

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Spanic Boys “Sunshine”High Rolling Loners “High Rolling Loners”The Possum Trot Orchestra “Harbor Road”Val Esway & El Mirage “Pretend To Believe” - Derek Lee Bronston “Empty River”David Childers “The BackShop Live”John Gorka “Pure Gorka” - Nathan Hamilton “Six Black Birds”The Pones “Dance While You Burn” - Truckstop Souvenir “Leave Nothing Behind”Jerry King & The Rivertown Ramblers “A Date With…” - Rob Lutes “Ride The Shadows”Robert Bobby “Today!”The Brains Behind Pa “Better For The Deal” - Hayward Williams “Another Sailor’s Dream”David Childers & The Modern Don Juans “Burning In Hell”Coco Montoya “Dirty Deal”Chris & Carla “Fly High Brave Dreamers”The Cordwood Draggers “A Starlit Shindig With…”Buddy Holly “Hollybilly – Buddy Holly 1956: The Complete Recordings” - David Munyon “Song For Danko”Jesse Sykes & The Sweet Hereafter “Like, Love, Lust & The Open Halls Of The Soul”Johnny Cash en Neko Case “Live From Austin, TX” - Kim Beggs “Wanderer’s Paean”Martha Berner “Ten Tiny Little Pieces E.P.”Letters To Mary “In The Meantime” - Brigitte London “Like A Phoenix”Jen Crumbacher “Every Sweet Surprise”Kate Mann “Devil’s Rope” - The Salt Miners “The Fifth Of July”Bill Noonan Band “Catawba City” - Chris Allen “Goodbye Girl And The Big Apple Circus”The Brandos “Over The Border”Slipmates “Stranger In My Own World”The Buckshots “Too Hot 2 Handle”Milow “You Don’t Know E.P.” - J. Tex & The Volunteers “Lost Between Clouds Of Tumbleweed And Space”Tom Brosseau “Grand Forks”Angela Harris “Roots” - Thomas Earl “Goldust Magic”Douglas Nelson “The Exact Nature Of Our Wrongs”Adrian Kosky “The High Side Of The Low End”Theo Massop “Choices” - Bob Frank & John Murry “World Without End”Jeff Zentner “Hymns To The Darkness”Meaghan Owens “No Whiskey In A Good Girl’s River”Ian McLagan & The Bump Band “Spiritual Boy – An Appreciation Of Ronnie Lane”Various Artists “Viva! Terlingua! Nuevo! (Songs Of Luckenbach Texas)”

 

SPANIC BOYS

“Sunshine”

(Cinaps Records)

(3,5) J J J J

 

 

Het afgelopen jaar vierden ze hun twintigjarig artiestenjubileum, deze Spanic Boys, en ze worden door velen samen met acts als de Blasters, Los Lobos, Steve Earle en anderen dan ook gezien als grondleggers van wat tegenwoordig bij voorkeur wordt samengevat onder de noemer Americana. Vader en zoon Tom en Ian Spanic debuteerden al in 1990 met “Spanic Boys” en zouden ons door de jaren heen nog vergasten op fraaie platen als “Strange World”, “Early Spanic Boys”, “Dream Your Life Away”, “Spanic Family Album”, “Walk Through Fire” en het in 2001 door heel wat critici bijzonder jubelend onthaalde “Torture”. Hun nieuwste, “Sunshine”, hun achtste al, is hun eerste voor eigen label Cinaps Records. Maar voor de rest verandert er eigenlijk niet zo heel erg veel. Ook deze verse worp is immers weer één enkele gebalde lading melodieuze roots rock, gedragen door die ondertussen welbekende Fendertandem en hun unieke harmonieerwerk. De rol van gastmuzikanten T-Bone Wolk (bas), Brad Elvis (drums) en Matt Meixner (keyboards) blijft daarbij eerder beperkt. Zij mogen als het ware de slagroomspuit vasthouden terwijl de Spanics zelf de taart versieren.

Enkele van de vele hoogtepunten op dit album dat we vooral aan liefhebbers van het werk van een groep als Rockpile of één van de leden daarvan, Dave Edmunds, menen te mogen aanbevelen zijn het retestrak rockende “Honey”, het soulvolle duo “What Will You Do” en “Hold Me”, het Everly-eske “All The World”, het met een flinke snuif psychedelica gekruide titelnummer en het met één van beide voeten ergens stevig in de sixties geplante “Bigger Fool Than Me”. Wat mindere nummers vind je er wat ons betreft echter gewoon helemaal niet op.

Spanic Boys

Miles Of Music

 

 

HIGH ROLLING LONERS

“High Rolling Loners”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

De High Rolling Loners zijn een uit San Diego afkomstig viertal bestaande uit John Verruto (zang, gitaar, harmonica), Eric Boone (drums, tamboerijn), Ryan Bartell (gitaar, zang) en Nat Disaster (basgitaar, zang). De vier leverden bij wijze van visitekaartje zopas een titelloze E.P. af. En daar is eigenlijk maar bitter weinig mis mee. Akkoord, de productie is bij momenten nog wat aan de dunne kant en vijf eenheden is nu niet bepaald echt veel om je mee van hun kwaliteiten te overtuigen, maar toch. Het hapt allemaal best wel aardig weg. Vooral het stomende “Mexico”, dat melodiegewijs weliswaar bij momenten aardig dicht aanleunt bij “Take The Money And Run” van de Steve Miller Band, is een bijzonder catchy song. Het nummer heeft iets van een kruising tussen het jonge Wilco en Southern rockgroten Lynyrd Skynyrd. “She Can Love Me” hoort dan weer eerder thuis onder de hoofding countryrock, “Treetops” koppelt een Spectoriaans motiefje aan zomers lijzige zang en dromerig twangende gitaren en “Walking Away” is gewoon rootsy pop tout court. Blijft nog “That Sound”, dat net als “Mexico” flink overhelt richting Southern rock en mét dát nummer eigenlijk tot de absolute hoogtepunten van de eersteling van de High Rolling Loners behoort. Volgende keer dus graag meer van dattum!

High Rolling Loners

Miles Of Music

 

 

THE POSSUM TROT ORCHESTRA

Harbor Road

(Southern Can CDs)

(3,5) J J J J

 

 

Zowel over John Minton (zang, gitaar, banjo, accordeon, lap steel) als over The Possum Trot Orchestra, de groep waarvan hij samen met Dave Kartholl (mandoline) en Susie (zang, gitaar, keyboards) en Rob Suraci (zang, bas, gitaar, piano, harmonica, drums, percussie) deel uitmaakt, hebben we hier de voorbije jaren al regelmatig mogen schrijven. De man en zijn vrienden houden er dan ook een behoorlijk tempo op na, daar waar het het uitbrengen van platen betreft. Nauwelijks een jaar na hun debuut zijn de Possums er alweer met een nieuwe. En ook dat album, “Harbor Road”, verdient het gehoord te worden. Naast dertien van gewoon goed tot uitstekend variërende nieuwe originelen van Suraci en Minton bevat het ook een cover van Blind Lemon Jeffersons “Bad Luck Blues”. Daarin mag Rob Suraci zich enkele tellen lang uitleven als onvervalste fingerpicker. Maar dat countrybluesje vormt verder absoluut geen indicatie van waar het met dit album heen moet. Variatie is hier immers het sleutelwoord. Zowel thematisch als stilistisch gezien kan het echt zowat alle kanten uit. Van (roots) pop tot folk, van country tot blues, van roots rock tot bluegrass,… You name it, they play it! Zo ongeveer het enige wat deze collectie liedjes nog daadwerkelijk samenhoudt, is hun gemeenschappelijke verbondenheid met het traditionele Amerikaanse muziekerfgoed. Dát en het heerlijk relaxte effect dat ervan uitgaat.

The Possum Trot Orchestra

CD Baby

 

 

VAL ESWAY & EL MIRAGE

“Pretend To Believe”

(Staggering Siren)

(4) J J J J

 

 

Tweede CD van Valerie “Val” Esway en haar groep El Mirage en die biedt – Volkomen terecht! - vooral meer van hetzelfde. Esway is een notoire veelschrijfster en dat stelt haar in staat om bij het kiezen van materiaal voor nieuwe platen grondig te selecteren. Het hoeft dan ook absoluut niet te verwonderen, dat alle tien de eigen songs op “Pretend To Believe” van prima makelij zijn. Net als op haar debuut “Lovers, Losers, Liars” grossiert Esway daarop in liedjes die keurig het midden houden tussen country en de alternatieve variant daarvan, zij het toch wel met een lichte voorkeur voor laatstgenoemd genre. Ook op “Pretend To Believe” vallen alle puzzelstukjes weer keurig in elkaar. Er zijn niet alleen de naar klassieke titels als “Whiskey Trail”, “Bitter Tears”, “Whiskey Lullaby” en “Lowdown Lonesome Lovesick Blues” luisterende, nu eens lekker twangende of rockende, dan weer heerlijk slepende songs, maar ook de verleidelijke stem van La Esway, gesmaakte pedal steelbijdragen van Myles Boisen en Joe Rut en knap gitaarwerk van diezelfde Boisen, Esway zelf, Lucio Menegon en Berge Thomasion. Met z’n allen maken ze van dit schijfje ideaal luistervoer voor fans van artiesten als een Neko Case of een Eleni Mandell ten tijde van haar “Country For True Lovers”. Voor de volledigheid vermelden we ook nog even, dat wordt afgerond met een cover van “Wake Up Little Maggie” van Doc Watson. In al z’n naaktheid is dat meteen één van dé absolute hoogtepunten op “Pretend To Believe”.

Val Esway & El Mirage

CD Baby

 

 

DEREK LEE BRONSTON

Empty River

(Paved Earth Music / Shut Eye Records)

(4) J J J J

 

 

Wat een debuut! Derek Lee Bronston doet op zijn visitekaartje waar de meeste beginnelingen alleen maar kunnen van dromen. De in Detroit geboren singer-songwriter koppelt op “Empty River” een vrijwel meteen aansprekende soulvol gruizige voordracht aan songs die openlijk zijn voorliefde voor grote genregenoten als een Guy Clark, een Townes Van Zandt, een Gram Parsons of recenter een Ryan Adams belijden. Veelal introspectieve liedjes zijn het, die duidelijk onder de noemer Americana of alt. country vallen. Het meest in het oog springende is een cover van Townes Van Zandts “No Place To Fall”, dat de beste man gewoon live met één enkele microfoon opnam in een hal. Of het echter ook het beste nummer van de plaat is durven wij luidop aan te vechten. Daarvoor moet je wat ons betreft toch eerder bij dingen als het bezwerende “Waiting”, het qua sfeer in de verte aan iets van de Jayhawks herinnerende “Woman Like You”, het door merg en been gaande “Rainy Days”, het aparte liefdesliedje “All I Need”, de akoestische versie van “That’s Alright” of het fraaie openingsnummer “What Is Wrong” zijn. Daarin laat Bronston zich immers van zijn beste kant horen. En daarmee bedoelen we die van het enorme aanstormende talent. Zowel stemgewijs, als songsmid, als als muzikant (gitaren, dobro, elektrische bas, harmonica) toont hij zich als een man waarmee we in de toekomst terdege rekening zullen moeten houden.

Derek Lee Bronston

Paved Earth Music

CD Baby

(“Empty River” is er nu verkrijgbaar als “$5 special”. Als je drie items uit een meer dan 10.000 titels omvattend aanbod bestelt, dan betaal je er niet langer de reguliere prijs voor, maar slechts $5.00. Doe er vooral je voordeel mee!)

 

 

DAVID CHILDERS

“The BackShop Live”

(Running Time Music)

(4) J J J J

 

 

Fans van singer-songwriter David Childers beleven gouden tijden! Nauwelijks een paar dagen geleden bespraken we hier nog ’s mans uitstekende nieuwe CD “Burning In Hell”, zijn derde met de onverbeterlijke Modern Don Juans, en nu is er alweer “The BackShop Live”. Net als op een eerder al aan Greg Trooper gewijd item in die reeks betreft het ook ditmaal een zich volledig op de songsmid Childers concentrerende concertregistratie. “Just the man, his mouth harp and his guitar,” zijn liedjes zodoende herleidend tot hun naakte essentie. Childers praatte de zaak vaardig aan elkaar en kreeg de aanwezigen daar in Spartanburg, SC in april van vorig jaar dan ook geregeld op zijn hand. Grapje hier, lachje daar, maar centraal stond toch vooral zijn muziek. Songs als het vertederende “Lonely Beauty”, “Lucky Stranger”, “The Price I Had To Pay”, de van een fraai streepje mondharmonica voorziene border song “El Grandito”, het aparte, maar o zo mooie liefdesliedje “The Devil Loves To Make My Baby Cry” en de klassieke road song “Northern Highway” herinneren er je als luisteraar nog maar eens aan, waarom je ooit van het werk van Childers bent gaan houden “in the first place”. Er is die rauw-hees-tedere baritonstem van ‘m, er zijn z’n altijd weer even pakkende teksten en natuurlijk ook die melodieën, die zelfs ontdaan van alle franje nog staan als een huis. Net als Troopers BackShop-plaat indertijd kunnen we ook dit kleinood dan ook enkel van harte aanbevelen. Elke liefhebber van het singer-songwritergenre zal er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het nodige luisterplezier aan beleven.

David Childers

BackShop Music

Running Time Music

 

 

JOHN GORKA

“Pure Gorka”

(Windham Hill / Legacy)

(3,5) J J J J

 

 

“Pure John Gorka” is een vijftien tracks tellende collectie die focust op de beginjaren van die uitstekende storyteller. Het album grijpt terug naar nummers van platen als het in 1990 verschenen “Land Of The Bottom Line”, het van een jaar later daterende “Jack’s Crows”, “Temporary Road” uit ’92, zijn doorbraak-CD “Out Of The Valley” uit ’94 en last but not least “Between Five And Seven” uit ’96. Vijftien nummers lang mag Gorka hier bewijzen, dat hij niet alleen een uitstekende songsmid is, maar vooral ook één van de mooiste stemmen van de new-folk scene. Daarbij wordt hij ondermeer bijgestaan door andere zangvogeltjes als Nanci Griffith, Shawn Colvin, Kathy Mattea en Lucy Kaplansky én fantastische muzikanten als John Leventhal, Denny Fongheiser, John Jennings, Darol Anger, Michael Manring en vele anderen. Klinkt dan ook bijzonder af allemaal en kan doorgaan als het ideale inhaalmanoeuvre voor wie de eerste creatieve uitingen van Gorka ooit achteloos aan zich voorbij liet gaan. Toch ook twee minpuntjes. Waarom niet ook iets van het in ’87 verschenen debuut van de man, “I Know”? En waarom je beperken tot net geen 63 minuten? Je had de consument immers ruim een kwartier meer waar voor zijn geld kunnen bieden… Iets waar we bij onze beoordeling natuurlijk ook rekening mee houden!

John Gorka

Windham Hill

Legacy Recordings

 

 

NATHAN HAMILTON

“Six Black Birds”

(Lucky Dice Music)

(3) J J J

 

 

Met zijn eerste twee albums, het in ’99 verschenen “Tuscola” en het van goed drie jaar later daterende “All For Love And Wages”, wist de Texaan Nathan Hamilton zich te profileren als één van dé aanstormende talenten van de Americana singer-songwriter scene van zijn thuisstaat. En ook wij waren er toen als de kippen bij om de man in het hart te sluiten. In 2003 verscheen dan nog de met zijn begeleidingsgroep No Deal opgenomen concertregistratie “Live At Floore’s Country Store” en vervolgens werd het even heel erg stil rond de man. Dat is, tot hij zich in 2005 op het gerenommeerde Blue Highways-festival in het Nederlandse Utrecht plots aandiende in een andere gedaante. Daar presenteerde Hamilton zich tot veler genoegen immers eensklaps als de frontman van een heuse rockband. En die lijn wordt nu ook op plaat doorgetrokken. ’s Mans nieuwe CD “Six Black Birds” hoort dan ook veeleer thuis onder de hoofding roots rock dan onder singer-songwriters. Het blijkt allemaal een flink stuk heftiger wat hij dezer dagen te bieden heeft. En of we daar nu echt gelukkig om moeten zijn, we weten het nog zo niet. Natuurlijk, Hamilton is en blijft een uitstekende songwriter, daar kan je gewoonweg niet omheen. Maar of het bij momenten behoorlijk brutale gitaargeweld van Billy Brent Malkus nu écht áltijd een meerwaarde betekent voor zijn liedjes? In recht-toe-recht-aan-rockertjes als openingsnummer “Sooner Or Later” of het lekker wild molenwiekende “Teeth” zeker wél. Dat zijn alleraardigste lappen plaatgeworden vitaliteit. Maar zelfs die deunen wegen wat ons betreft niet op tegen de wat rustigere momenten op “Six Black Birds” en het vroegere werk van Hamilton. Het herinnert ons allemaal een beetje aan de ommezwaai die ook Steve Earle nog niet zo heel erg lang geleden maakte naar een meer door gitaren gedomineerd geluid. Ook bij hem leverde dat in onze ogen niet altijd het gewenste resultaat op.

Is dit een slechte plaat dan? Neen, dat nu zeker ook weer niet! Ze biedt gewoon niet echt wat we er eigenlijk van verhoopt hadden. En misschien houd jij er wel een geheel en al andere zienswijze op na. (En dat is dan je volste recht ook natuurlijk!)

 

(Tussen 27 januari en 8 februari vertonen Hamilton en de zijnen hun kunstjes op tal van Nederlandse podia. Voor meer info daaromtrent kan je terecht op de webstek van hun platenlabel Lucky Dice Music.)

 

Nathan Hamilton

Lucky Dice Music

 

 

THE PONES

“Dance While You Burn”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Typisch zo’n plaat waarvoor termen als alt. country en Americana op de keper beschouwd eigenlijk absoluut niet volstaan, deze tweede van het vanuit Charlottesville, Virginia actieve collectief rond singer-songwriter George Riser, The Pones. Wat Riser (zang, gitaren), Woody Ward (bas), Debbie Ankney (viool, zang), Ed Lyle (mandoline, mando-banjo) en gastmuzikanten Charlie Bell (pedal en national steel) en Rod Coles (drums, percussie, gitaren, ebow, optagon, floor, keyboards) op de opvolger van het eerder verschenen “Dwell” brengen, valt misschien nog het best te omschrijven als “real American roots music”. Op die manier ben je er tenminste zeker van ál hun songs de gepaste eer te betuigen. Want, maar dat had je ondertussen zelf ook al wel begrepen, aan variatie geen gebrek op “Dance While You Burn”. Riser toont zich een bijzonder vaardige songsmid, die graag van zoveel mogelijk walletjes tegelijk eet, zonder daarbij de coherentie van het beoogde geheel uit het oog te verliezen. Zo kan het, dat je hier het ene moment nog hardnekkig denkt aan knapen als een Bob Dylan of een James McMurtry om het andere alweer even hardnekkig op zoek te zijn naar om het even welke houvast. Openingsnummer “Lost And Found” klinkt zo ontegensprekelijk als Ol’ Bawb gone country, maar wat bijvoorbeeld met het daaropvolgende “Helen Of Troy Virginia”? ‘n Beetje roots rock, ’n beetje blues, ’n beetje pop, het zit er eigenlijk allemaal in. “Well” is vervolgens puike Americana, “Lysurgus Say” een Waitsiaans opgevatte rammelaar van een song, “Uncle Tom’s Cabin”, mede door een knappe national steel-bijdrage van Charlie Bell, bluesy rootsspul van het soort waarin ook Ray Wylie Hubbard regelmatig pleegt uit te blinken en “When Jesus Calls Your Number” gewoon een dot van een luisterliedje. En dan hadden we het nog niet over het gezwind rockende “Ann Landers”, het licht jazzy “Along The Way”, het werkelijk wonderschone, als een soort van border song opgevatte “Sidewalk Cafe”, het ook al in zo’n Zuiders sfeertje badende “Me Gusta”, het zowel verhalend als muzikaal erg sterke “Faulkner’s Ghost”, een ander bescheiden hoogtepuntje hier, en de dromerige afsluiter “Ease”. Stuk voor stuk prima songs die onderlijnen, dat het vertrouwen, dat Rod Coles – De man die ook al de Hackensaw Boys groot maakte! – in Riser en de zijnen stelde door hen gratis zijn studio ter beschikking te stellen en voor de productie van “Dance While You Burn” te tekenen, absoluut en volledig gerechtvaardigd was. Bijzonder sterk geheel, dit!

The Pones

CD Baby

 

 

TRUCKSTOP SOUVENIR

“Leave Nothing Behind”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Truckstop Souvenir is een vanuit Seattle actief akoestisch countryduo bestaande uit echtelieden Dennis James en Lauryn Shapter. Die twee debuteerden onlangs met het onwaarschijnlijk mooie “Leave Nothing Behind”, een in eigen beheer uitgebrachte collectie, voornamelijk eigen songs. Beiden nemen ze er vijf voor hun rekening. Enkel Richard “Dickey” Betts’ “Ramblin’ Man” (Allman Brothers Band) is een vreemde eend in de bijt.

Alles blijkt hier overigens mooi verdeeld. James en Shapter staan immers ook beurtelings in voor de lead vocals en tonen zich verder vooral als ware meesters in het harmoniëren. Net als andere duo’s als Jeff & Vida en Mike & Amy Finders grossieren ze op “Leave Nothing Behind” in countrydeunen die enerzijds nog volop herinneren aan de echte gloriedagen van het genre, maar anderzijds toch ook stevig in het hier en nu geworteld zijn. Daarbij worden ze bijgestaan door door de wol geverfde gastmuzikanten als David Keenan (Ranch Romance, The Buckaroosters / mandoline), Tom Parker (The Starlings / harmonica), Chris Leighton (Laura Love, Randy Bachman, Bill Frissell / drums), Chuck Deardorf (Chet Baker, Larry Coryell, Bud Shank / bas) en Matt Weiner (The Hot Club Of Cowtown, Danny Barnes, The Asylum Street Spankers / bas).

Dingen als het ingetogen “It’s Simple Here”, de op een fraaie wisselwerking tussen de fiddle van Shapter, de mandoline van Keenan en de bas van Matt Weiner geënte spring-in-‘t-veld “The Bootlegger’s Daughter”, de op hemels harmonieerwerk van James en Shapter terende ballade “Pretty Woman (You Walk My Soul)” of het beklijvende “Mama’s Debt” stranden ergens halverwege het werk van Gillian Welch en David Rawlings en dat van de legendarische Carter Family. Old-timey spul dus, maar dan wel met een scherp, enigszins actueel randje.

Samengevat: “Leave Nothing Behind” is een prima showcase van twee uitstekende zangers-songwriters van wie we, als er al zoiets als rechtvaardigheid bestaat, binnen niet al té lange tijd nog héél wat zullen gaan horen.

Stevige aanrader!

Truckstop Souvenir

CD Baby

 

 

JERRY KING & THE RIVERTOWN RAMBLERS

“A Date With…”

(El Toro Records)

(3,5) J J J J

 

 

Net als het Duitse Rhythm Bomb Records staat ook het Spaanse El Toro Records steeds weer garant voor heerlijk authentiek rockabilly- en rock & rollmateriaal. Een verder uitstekend voorbeeld daarvan vormt het zopas verschenen “A Date With Jerry King & The Rivertown Ramblers”. Dat album heeft zo ongeveer alles wat je als liefhebber van die genres van een plaat verwacht.

Zanger-gitarist King en de zijnen trokken ervoor naar Memphis, om daar in de legendarische Sun Studios een aantal van de songs in te blikken. Niet dat dat nu onmiddellijk een garantie is voor kwaliteit, maar toch… Het geeft alleszins al aan, dat de heren zeker het nodige respect tonen voor het verleden. En dat blijkt ook uit de zestien songs op dit schijfje. King toont zich daarop een duidelijke bewonderaar van wijlen Eddie Cochran, maar weet zowel zijn zang als het veelal eigen materiaal van voldoende eigenheid te voorzien om het allemaal lekker spannend te houden. Luister bijvoorbeeld maar een naar heerlijk swingende stampertjes als “Party Line”, “Brown Eyed Baby”, het van een hillbillyrandje voorzien “HonkyTonk Bop” en “She’s A Devils Child”. Dat zijn stuk voor stuk deunen die zo uit de fifties lijken te zijn weggelopen. Een ander hoogtepuntje is de met veel gevoel voor drama gezongen trage “Price Of Love”. Daarin lijkt het voorwaar heel even of je niet King maar wel The King aan het werk hoort. En dat wil al iets zeggen!

El Toro Records

CD Baby

 

 

ROB LUTES

“Ride The Shadows”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

 

Net als het onlangs elders op deze pagina’s flink bejubelde “Another Sailor’s Dream” van Hayward Williams een album dat liefhebbers van het werk van ondertussen gevestigde singer-songwriterwaarden als een Kelly Joe Phelps, een Peter Mulvey, een Jeffrey Foucault, een Rod Picott of een Chris Smither vooral niet links zouden mogen laten liggen, dit “Ride The Shadows”. Die derde van de Canadees Rob Lutes, een voormalige winnaar van de gerenommeerde Kerrville New Folk Songwriting Competition, is immers ronduit indrukwekkend te noemen. En wij maken ons dan ook sterk dat, als de man het geluk mocht hebben om net als de hier al eerder genoemde Foucault of Picott een platendeal te kunnen landen bij één van de grotere verdelers van Americana in onze kontreien, hij wel eens heel erg snel tot een graag geziene gast alhier zou kunnen uitgroeien. Op “Ride The Shadows” staan alvast twaalf goede redenen om die veronderstelling mee te onderbouwen. Lutes brengt daarop elf eigen songs en een cover van de Otis Redding-hit “That’s How Strong My Love” is. Ergens tussen Americana, folk, pop en blues puurt hij met zijn berookte stem het beste uit elk van die twaalf liedjes. En als je dan ook nog in rekening brengt, dat hij ook tekstueel bijzonder fijn uit de hoek komt en een aardig potje akoestische gitaar speelt, dan weet je gewoon zeker, dat deze man het vroeg of laat gewoon móet gaan maken! Snel even checken is dan ook onze dwingende boodschap aan het adres van elke zichzelf respecterende liefhebber van Americana singer-songwritermateriaal.

Rob Lutes

CD Baby

 

 

ROBERT BOBBY

“Today!”

(I Like Mike Records)

(4) J J J J

 

 

Wat ons betreft nu al dé kandidaat voor de titel van “This Year’s Claude Diamond”, deze Robert Bobby. Net als die man is ook hij immers een meester in het pennen van gemakkelijk toegankelijke Americana-liedjes met teksten om van te snoepen. En net als de inmiddels door Rounder Europe opgepikte Diamond kiest ook hij voor de muzikale invulling ervan voor een aanpak die heel dicht aanleunt bij die van John Prine op zijn laatste platen. Dat zijn nieuwe CD “Today!” een echt hebbedingetje is zal dan ook wel niemand meer echt verbazen.

Geef ‘m een kans, deze singer-songwriter, en je zal merken, dat het heel moeilijk is om niet meteen gecharmeerd te worden door zijn liedjes. “Older Than Old & In The Way” bijvoorbeeld, een hoogst amusante kijk op ouder worden, verpakt in een zwaar richting bluegrass overhellende deun. Of “Feel So Blue”, een met excellent lapsteelwerk gelardeerd bluesy streepje liefdesverdriet. Of “Sweet Potato Vine” ook, een juweel van een old-timey stampertje met mandoline en dobro à volonté. Het zijn slechts drie van de vele echte beauties hier. We hadden het bijvoorbeeld net zo goed kunnen hebben over “Secret Of The Heart”, een akoestische herwerking van dat al in 1981 verschenen liedje van de Speedboys, een groep waarvan Bobby ooit nog deel uitmaakte, over het ingetogen tweetal “Hearts & Diamonds” en “Ask A Man Who Owns One”, over het guitige en voorzichtig Dylaneske “Spend A Little Nighttime” of om het even welk ander nummer hier. Zelfs Bobby’s akoestische versie van de Supremes-hit “Stop In The Name Of Love” blijkt wonderwel te werken.

We kunnen je van achter onze schrijftafel dan ook maar één goede raad meegeven: snel aanschaffen, die plaat, je zal het je absoluut niet berouwen!

Robert Bobby

CD Baby

 

 

THE BRAINS BEHIND PA

“Better For The Deal”

(Grass Magoops Records)

(3,5) J J J J

 

 

Het ís en blijft een geweldige groepsnaam! De vrouw des huizes heeft er alvast steeds weer een brede glimlach voor over… The Brains Behind Pa, je moet er maar op komen!

De groep ontstond in 2000 toen singer-songwriter Bill Price en gitarist Gordon Bonham de handen in elkaar sloegen en even later ook multi-instrumentalist Garry Bole aan boord haalden om samen een akoestisch trio te vormen. In 2001 blikten de drie hun debuut “Old Hat” in. Dat was een zeven songs tellende collectie traditionele folk- en bluesliedjes en je zou die CD kunnen zien als de aanloop naar wat wel volgen móest. We hebben het dan uiteraard over een plaat met (meer) eigen materiaal. Voor die er kwam werden evenwel met Jeff Chapin en Jeff Stone respectievelijk eerst nog een drummer en een bassist aangetrokken.

En met “Better For The Deal” is er nu dus eindelijk die nieuwe plaat. Daarvoor droeg Bill Price alle songs zelf aan. En het moet gezegd, de man heeft een uitstekend liedje in de vingers en blijkt bovendien van heel wat markten thuis. Zijn songmateriaal is een ware smeltkroes van invloeden. Het kan hier bij momenten echt alle kanten uit. Van roots pop (de pianoballade “Silver Spade”) en rock (“Ship Of State”, “Mud Room”) tot Americana (“Look Out Below”), (alt.) country (“The Other Side Of The River”, “Drowning Of Thirst”), blues (“Lookin’ Crooked”, “Those Drier Side Blues”), cajun (“The Point Of Departure”), enfin, je zegt het maar! Het vijftal lijkt echt wel zo’n beetje alles aan te kunnen. En met die Price heeft het niet alleen een geweldige songwriter in huis, maar ook een prima zanger. Dat nasale van z’n stem, het deed ons bij momenten een beetje denken aan Dan Stuart van Green On Red.

Hoogst interessant spul!

The Brains Behind Pa

 

 

HAYWARD WILLIAMS

“Another Sailor’s Dream”

(Machine Records)

(5) J J J J J

 

 

Voilà, de eerste maximumscore voor 2007 is bij dezen een feit. (Kim Beggs was nog een restant van 2006!) En het is er één, die vooral hen die vorig jaar vielen voor Jeffrey Foucaults derde album “Ghost Repeater” aanbelangt. Vanuit dezelfde muzikale hoek is het nu de uit Milwaukee opererende singer-songwriter Hayward Williams die aardig weet te imponeren. Op “Another Sailor’s Dream”, zijn derde plaat na het in 2005 verschenen “Uphill / Downhill” en de hier vorig jaar nog besproken EP “Trench Foot”, voltrekt hij wat zo ongeveer het perfecte huwelijk tussen folk, blues en country (rock) moet zijn. En dat doet hij in het gezelschap van de in onze kontreien vooral van zijn bijdrage aan Redbird bekende singer-songwriter Peter Mulvey en Dan McMahon van de Wandering Sons. Samen doorlopen ze tien nieuwe Williams-originelen en tekenen ze ook voor een beklijvende uitvoering van Bruce Springsteens “Thunder Road”. De hier door Williams geserveerde, zo goed als volledig naakte versie van dat laatste liedje overtreft wat ons betreft spelenderwijze alle andere uitvoeringen die we ervan kennen, inclusief die van The Boss zelve. Het blijkt een waardige afsluiter van een plaat die werkelijk niet één zwak moment kent. Alles klopt hier gewoon! Er is de heerlijke rauw-hees-tedere stem van Williams zelf. Er zijn z’n schitterende teksten en dito liedjes. Er is de prachtige begeleiding van Mulvey en McMahon. Neen, méér moet dat voor ons absoluut niet zijn! Laat je betoveren door prachtsongs als het wonderlijke “The Ballad Of Benson Creek”, de meesterlijke, met een streepje mondharmonica opgewaardeerde bedaarde countryrocker “Redwoods”, het bijna in al z’n weemoedigheid verzuipende “You Were Right”, de soulvolle trage “Doctors”, de bluesy rammelaar “Careful Please”, het introspectieve “Problems With Hemingway”, het onverwacht heftige rootsrockertje “A Glance Back” en andere en noteer deze plaat – Net als ons! – nu alvast voor je volgende jaarlijstje. Het zou immers bijzonder jammer zijn mocht een briljant geheel als dit door een domme vergetelheid daarop geen plaatsje vinden.

(Releasedatum: 6 maart 2007.)

Hayward Williams

Machine Records

 

 

DAVID CHILDERS & THE MODERN DON JUANS

“Burning In Hell”

(Little King / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

 

Overdag leidt hij gewoon een keurig advocatenbestaan, maar ’s avonds gaat David Childers pas echt leven. Dan kruipt hij immers in de huid van het door de wol geverfde countryrockbeest, dat samen met zijn begeleidingsgroep The Modern Don Juans altijd wel ergens een bühne weet te vinden om onveilig te maken. En daarbij kan hij terugvallen op een stilaan indrukwekkende vormen aannemende collectie eigen songmateriaal. “Jailhouse Religion”, zijn laatste CD, stond bijvoorbeeld nog vol met deunen waarvoor heel wat andere songwriters maar wat graag een pink zouden geven. Collega Martin Stephenson verwoordde dat diepe respect misschien nog het treffendst, toen hij stelde: “David Childers is a walking song, not a singer. He is a walking poem, not a poet.” Childers’ liedjes blijken dan ook heel speciaal. Of hij nu ruw rockend uithaalt, dan wel in alle rust een verhaal vertelt, de man wéét waarover hij het heeft, zoveel is wel duidelijk. En hij weet ook als geen ander de boodschap die hij wil overbrengen te verwoorden. Wellicht de gedeelde vrucht van een literaire opleiding en zijn daytime job als advocaat.

Op “Burning In Hell”, z’n nieuwste, pikt Childers de draad daar weer op, waar hij ‘m met “Jailhouse Religion” neerlegde. Het blijkt andermaal te gaan om een aantrekkelijk gevarieerd geheel. En uiteraard leverde Childers’ beroepsleven hem ook ditmaal weer flink wat inspiratie voor zijn teksten op. Getuige daarvan bijvoorbeeld het intro van openingsnummer “Mama”, waarin een ter dood veroordeelde gevangene per telefoon zijn laatste wens de wereld instuurt:

“I want you to dress me up in streetclothes when you take me from my cell

Cos’ I don’t want to meet my maker with that ole nasty prison smell.

And call my mama up, down in hell

And tell her that her lost boy… is comin’ home…”

Bijzonder knap nummer trouwens, dat “Mama”, een soortement kruising tussen de jonge Cash en Dave Edmunds in betere tijden. Countryrock op zijn allerbest dus! En dan blijkt het daarbij nog maar om het topje van de ijsberg te gaan! “Close The Door Lightly” van folkie Eric Andersen, één van de twee covers op “Burning In Hell”, kreeg een bijzonder radiovriendelijk shuffle-jasje aangemeten, “In The Early Morning” chroniqueert over een sober gehouden begeleiding van akoestische gitaar en klarinet ingetogen het niet altijd even fraaie leven bij nacht en ontij, “Your Crime” is vette rock & roll ergens in het kielzog van gezelschappen als de Drive-By Truckers, het van (de hier onlangs nog besproken) Bill Noonan geleende titelnummer “Burning In Hell” een lentefris rondhuppelend Americana-liedje, dat je ondanks zijn sombere boodschap meteen vrolijk weet te stemmen, “Little Summertime Girl” een intrigerende rootsrocksleper, “Ranlo” een old-timey tussendoortje en door “She Used To Be Mine” en “What Will Become Of The Child” waart opnieuw de geest van wijlen Johnny Cash in zijn vroege dagen. Deze en andere songs op “Burning In Hell” beloven nu al het allerbeste voor de eerstvolgende doortocht van Childers door onze kontreien. Opwindende avonden gegarandeerd! Maar in afwachting daarvan nemen we graag nog even genoegen met deze alweer ronduit uitstekende plaat.

David Childers & The Modern Don Juans

Lucky Dice Music

 

 

COCO MONTOYA

“Dirty Deal”

(Alligator / Munich)

(4) J J J J

 

 

De voorbije dagen nooit meer echt ver uit de buurt van onze CD-speler geweest, deze zesde van Coco Montoya. Wat een talent, die man! Dat bewijst hij op “Dirty Deal” andermaal ten volle. Gepassioneerde, bijzonder soulvolle zang. Gitaarwerk, waar je alleen maar met een van verbazing wijd open hangende mond kan naar luisteren. Een uitstekende songkeuze ook. En hier bovendien ook nog eens omringd door de juiste vrienden! En dan denken we alleen nog maar aan Little Feat-leden Paul Barrere, Kenny Gradney, Richie Hayward en Bill Payne.

Een typisch geval van “all killer, no filler” dan ook, deze “Dirty Deal”. En of je het dan hebt over een vurige lap elektrische blues als het titelnummer, een streep New Orleans bluesfunk als John Mooney’s “Three Sides To Every Story”, dampende R&B genre “Love Gotcha”, klassieke slepers als “How Do Sleep At Night?” en Johnny Copelands “It’s My Own Tears”, een furieuze benadering van Otis Rush’ “It Takes Time” of eigen nummers als het over een gesyncopeerd ritme uitgesmeerde “Coin Operated Love” doet absoluut niets terzake. Niet één moment van zwakte te bekennen hier! Oók niet in het Zuiders soulvolle, door Dan Penn, Gary Nicholson en Carson Whitsett gepende “Clean Slate”, het stuiterende “Put The Shoe On The Other Foot”, een gegarandeerde live-favoriet in wording, het broeierige, door Lowell Fulson aangedragen “It’s All Your Fault” en de energieke afsluiter “Ain’t No Brakeman”. Bij dezen van harte aanbevolen dan ook, deze “Dirty Deal”!

Coco Montoya

Alligator Records

 

 

CHRIS & CARLA

“Fly High Brave Dreamers”

(Glitterhouse / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

De Walkabouts worden in onze kontreien al jarenlang gezien als een échte topper binnen de roots rock scene en ook de duoplaten van kopstukken Chris Eckman en Carla Torgerson mogen vrijwel steevast op lovende kritieken rekenen. En toch stelden de twee zich voorafgaandelijk aan de opnames van hun nieuwe CD “Fly High Brave Dreamers” een weinig geïrriteerd op. Ze waren het beu om altijd als een melancholische act te worden afgedaan. Vandaar deze elf songs tellende poging om van dat etiket af te geraken. Op “Fly High Brave Dreamers” draait alles om hoop. En al kan je er nauwelijks om heen, dat sfeergewijs ook nu weer de term “melancholisch” her en der heel mooi vat wat de twee doen, het onderliggende gevoel is er toch één van… hoop. Flink wat van het materiaal klinkt een stuk warmer dan we dat van Chris & Carla gewoon waren geworden. Zeker de vijf nummers, die samen met Al Deloner (Midnight Choir) op piano en harmonica, Jason Victor (Steve Wynn, Willard Grant Conspiracy) op de elektrische en ritmetandem Sergei Randzelovic (drums) en Jani Hace (bas) live in de studio werden ingespeeld. Het opvallendste liedje van dat kwintet is de afsluitende cover van “Salad Days” van gemeenschappelijke favorieten Young Marble Giants. Daarin levert Carla vocaal een echte topprestatie. Wat een beauty! Ook al klinkt het dan allemaal weer heel… melancholisch… Andere topmomenten zijn wat ons betreft de wat zweverig aandoende opener “At The Twilight’s Last Gleaming”, het door Eckman gezongen “Things We Should Have Known”, het zich majestueus voortslepende “Long Slow River” en het voorwaar zelfs voorzichtig soulvolle duet “Whatever It Takes”. Dat soort van liedjes zullen fans van de tandem Eckman-Torgerson zonder ook maar de minste twijfel weer met veel plezier stevig aan de borst drukken.

(Releasedatum: 27 januari 2007.)

Chris & Carla

Glitterhouse Records

 

 

THE CORDWOOD DRAGGERS

“A Starlit Shindig With…”

(El Toro Records)

(4) J J J J

 

 

Op “A Starlit Shindig with… The Cordwood Draggers” staat dat Amerikaanse viertal bestaande uit Mick Cocksedge (zang en slaggitaar), Eddie Potter (leadgitaar en lap steel), Nick Hoadley (bas en backing vocals) en Tony Hillebrandt (drums) twaalf nummers lang garant voor onvervalst muziekplezier 50’s style. En opvallend daarbij is, dat ze dat voornamelijk doen met eigen materiaal. Met uitzondering van de Bill Monroe-hit “Lonesome Truck Driver Blues” en het ondermeer al in de uitvoeringen van Gary U.S. Bonds en Webb Pierce bekende tweetal “Lover’s Moon” en “Where’d Ya Stay Last Night?” vind je hier enkel de namen van Cocksedge en Potter onder de liedjes terug. En vooral de eerste van die twee blijkt daarbij over een gouden pen te beschikken. Hij schudt echt de ene na de andere aanstekelijke rockabilly- en hillbilly bopdeun uit de mouw. Voeg daar nog aan toe zijn eigen gedreven zang, het bij wijlen echt wel spetterende gitaarwerk van Potter en het stevige slap- en mepwerk van Hoadley en Hillebrandt en je begrijpt ongetwijfeld ook wel, dat je hier als vetkuif een uitstekende aanvulling voor je collectie aan overhoudt. Dit is de real thing!

The Cordwood Draggers

El Toro Records

CD Baby

 

 

BUDDY HOLLY

“Hollybilly”

(Buddy Holly 1956: The Complete Recordings)

(El Toro Records)

(3,5) J J J J

 

 

En over de real thing gesproken! Er gaat natuurlijk nog altijd niks boven de echte helden van weleer! Zoals een Buddy Holly bijvoorbeeld. En het Spaanse El Toro Records bewijst ons dan ook een enorm plezier door ons op de dubbelaar “Hollybilly” al het nog beschikbare materiaal aan te reiken, dat de getalenteerde Texaan in 1956 inblikte. Daarbij betreft het opnames gemaakt tijdens drie sessies voor Decca in Nashville, demomateriaal vereeuwigd in Norman Petty’s studio in Clovis, New Mexico en gewoon thuis in Lubbock ingespeelde dingen. Nogal wat obscuur materiaal uiteraard en daardoor erg waardevol voor elke verzamelaar met een groot rock & rollhart. Anderen doen er wellicht beter aan gewoon een “Best Of” van Holly in huis te halen.

El Toro Records

 

 

DAVID MUNYON

“Song For Danko”

(Mobile Home Records)

(4) J J J J

 

 

 

David Munyon moet zondermeer worden gezien als één van de allerbeste nog in leven zijnde singer-songwriters. Helaas voor de man vertaalt zich dat niet in wereldwijde successen en een monsterverkoop van zijn platen. Ondanks een stilaan ontzagwekkende vormen aannemend repertoire blijft het voor Munyon vechten voor zelfs maar het kleinste beetje erkenning. En het is maar zeer de vraag of daarin met deze nieuwe worp verandering zal komen. Al is het hem natuurlijk van hieruit wel van harte gegund.

Voor het voor zijn eigen Mobile Home Records opgenomen “Song For Danko” trok Munyon samen met producer Roger Morrish naar de legendarische Abbey Road Studios in Londen, waar zijn jeugdidolen de Beatles zo menig een juweel aan tape toevertrouwden. En die andere omgeving lijkt hem te hebben geïnspireerd tot verdere grootse daden, want met zijn warm-schorre stem en zijn akoestische gitaar als enige bondgenoten voegt Munyon op die nieuwe schijf van ‘m andermaal een flink stel echte beauties aan de eigen songcatalogus toe. De meest in het oog springende daarvan zijn het titelnummer, waarin hij op gepaste wijze eer betoont aan zijn vriend, de in 1999 overleden Rick Danko van The Band, het met de Brit Roy Bowden gebrachte “World Love”, waarin hij luidop droomt van een betere wereld, “Broken Robot”, een hart onder de riem van z’n gehandicapte medemens, en het door zijn bluesy ondertoon opvallende tweetal “Keep It Rockin’” en “Hare Krishna Blues”. Met nummers als deze en andere profileert Munyon zich hier eens te meer als een werkelijk unieke songsmid en het zou echt jammer zijn mocht je daar geen kennis van (willen) nemen.

Mobile Home Records

 

 

JESSE SYKES & THE SWEET HEREAFTER

“Like, Love, Lust & The Open Halls Of The Soul”

(Fargo / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

“Like, Love, Lust & The Open Halls Of The Soul” is het derde en zondermeer ook meest avontuurlijke album van Jesse Sykes & The Sweet Hereafter. Onder de vakkundige productionele hoede van Tucker Martine (Long Winters, Decemberists) en Martin Feveryear (Mark Lanegan, Kings Of Leon) verbreedt Sykes duidelijk haar muzikale horizonten. Americana is niet langer een keurslijf maar veeleer een kader. En eentje waarin heel wat blijkt te kunnen bovendien. “Aftermath” wordt zo bijvoorbeeld blazersgewijs een aardig eind richting jazz gestuwd, titelnummer “The Open Halls Of The Soul” is sfeervolle nachtbrakerij op z’n Marianne Faithfulls, “LLL” leunt zwaar op gitaren die herinneren aan Neil Youngs Crazy Horse, “You Might Walk Away” is springerige, van een psychedelisch randje voorziene sixtiespop en “The Air Is Thin” lijkt wel iets met soul te hebben. Het zijn gedurfde bewegingen, waarmee Sykes en co hier uitpakken, maar het moet gezegd, het werkt allemaal wonderwel. Benieuwd, hoe haar (alt.-country-)fans van het eerste uur erop zullen reageren.

Jesse Sykes & The Sweet Hereafter

Fargo Records

 

 

JOHNNY CASH

“Live From Austin TX” (CD)

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

NEKO CASE

“Live From Austin, TX

(CD)

(New West / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

Eerder bespraken we hier al de DVD-uitvoeringen van de aan wijlen Johnny Cash en de ravissante Neko Case gewijde delen van de fameuze “Live From Austin, TX”-reeks, nu is het de beurt aan de langverwachte CD-versies ervan. En dat blijken wat betreft de tracklisting exacte kopieën van de eerder verschenen beelddragers. Hieronder vallen we gemakshalve dan ook even in herhaling. Neem je ons vast niet al té kwalijk…

 

 

Zoals dat totnogtoe steeds het geval is geweest, neemt ook dit deel in de “Live From Austin TX”-reeks ons een eindje mee terug in de tijd. Naar 3 januari van 1987 meer bepaald. Lang vóór The Man In Black in de buurt van hippe producer Rick Rubin voorwaar nog een onverhoopte tweede jeugd beleefde. En dat verklaart meteen voor een groot stuk waarom de klemtoon die bewuste avond vooral op een aantal van ’s mans grootste successen lag. Van het door een stel vrolijke blazers aangejaagde “Ring Of Fire” over andere evergreens als “Folsom Prison Blues” en “I Walk The Line” tot “Long Black Veil” of “(Ghost) Riders In The Sky”. Tussendoor tackelt Cash terloops ook nog een hele partij songs van anderen. De prachtige, door zijn Highwaymen-buddy Kris Kristofferson gepende ballade “Sunday Mornin’ Comin’ Down” bijvoorbeeld, het uit de koker van de legendarische Harlan Howard stammende “The Wall” ook, “I’ll Go Somewhere And Sing My Songs Again” van Tom T. Hall, “Let Him Roll” van Guy Clark en het van John Prine bekende “Sam Stone”. Twee van de mooiste momenten trouwens ook, die laatste nummers, samen met “Where Did We Go Right?”, het enige nummer waarvoor wijlen zijn eega June Carter even het podium met Cash mocht delen.

Geluidstechnisch is alles naar goede ACL-gewoonte weer dik in orde. En ook op de kwaliteit van het materiaal valt amper iets af te dingen. Met in het achterhoofd de wetenschap dat het hier om een TV-optreden gaat en geen reguliere live show, houd je hier dus een mooie aanvulling voor je collectie aan over. Eén van de leukste volumes van de “Live From Austin TX”-reeks so far zelfs als je ’t ons vraagt. (Al scoort het zopas verschenen en aan de Texas Tornados gewijde deel toch nog net iets hoger op onze appreciatiemeter.)

New West Records

Austin City Limits

Sonic Rendezvous

 

 

In augustus 2003 trad Neko Case voor het eerst aan in Austin City Limits. En het resultaat van die sessie is nu dus eindelijk ook op CD verkrijgbaar. In het uitgelezen gezelschap van haar toenmalige Bloodshot-collega’s Kelly Hogan (zang), Jon Rauhouse (pedal steel, banjo, gitaar) en Tom V. Ray (bas) bracht Case die bewuste avond in de Lone Star State voornamelijk materiaal van haar derde soloplaat “Blacklisted”. De nadruk lag daarbij vanzelfsprekend op de ijle, enigszins beklemmende countrydeuntjes, die de mooie roodharige aan een recordtempo een flinke aanhang hadden bezorgd binnen zowel country- als Americanakringen. Met haar verleidelijke stem als voornaamste bondgenoot tekende ze ondermeer voor mooie versies van een aantal van de ondertussen bekendere songs op haar repertoire als “Deep Red Bells”, “Outro With Bees”, “”Look For Me (I’ll Be Around)”, “Ghost Wiring” en het titelnummer van haar tweede CD, “Furnace Room Lullaby”. Daarnaast vergastte ze de aanwezigen ook nog op enkele nieuwe nummers (w.o. “Maybe Sparrow”) en een stel prima covers, waarvan ons vooral een mooie benadering van “Hex” van Catherine Irwin van Freakwater en al even doorleefde uitvoeringen van de Lisa Marr-sleper “In California”, de traditional “Wayfaring Stranger” en de Dylan- en Williams-songs “Buckets Of Rain” en “Alone And Forsaken” bijbleven. Al bij al maar bitter weinig op af te dingen dus, op dit geheel, of het zou moeten zijn, dat het met zijn speelduur van amper 43 minuten wat aan de korte kant uitvalt. Maar hey, dat is detailkritiek, of niet soms?

New West Records

Austin City Limits

Sonic Rendezvous

 

 

KIM BEGGS

“Wanderer’s Paean”

(Caribou Records)

(5) J J J J J

 

 

Wat een fantastische plaat! Vanaf de eerste noten van openingsnummer “Walking Down To The Station” grijpt de jonge Canadese Kim Beggs je bij je nekvel om je vervolgens pas goed tweeënveertig minuten later weer los te laten. En dan nog! Haar immer jeugdige stem genre Kasey Chambers laat je eigenlijk gewoon helemaal niet meer los! Met tien eigen songs en covers van de traditionals “Ain’t Gonna Work” en “All The Good Times” en de Bill Monroe-Robert Van Winkle-compositie “Close By” brandt ze ogenblikkelijk een gaatje in je ziel. Haar songteksten zijn volstrekt tijdloos. Haar muziek is dat ook. Americana werkelijk op z’n allermooist. Mede dankzij de inbreng van muzikanten en artiesten als Annie Avery (harmonium, orgel), John Showman (viool, zang), Anne Louise Genest (zang - Wanneer eindelijk nog eens nieuw werk van haar?), Rick Fines (slide, zang), Natalie Edelson (zang), Kim Barlow (banjo), Burke Carroll (pedal steel), Keitha Clark (viool) en Patrick Hamilton (banjo) en de werkelijk loepzuivere productie van Bob Hamilton (ook bas, mandoline, lap steel, rayco, zang) is “Wanderer’s Paean” één van de fraaiste albums die wij de voorbije jaren in handen mochten houden. Een bijzonder geslaagd huwelijk tussen elementen uit roots, country, bluegrass en folk. Onnodig om hierop te gaan zoeken naar highlights, het hele album is er gewoon een! Voor ons een zulke openbaring, dat we al met gezwinde spoed op zoek gingen naar “Streetcar Heart”, het debuut van Beggs uit 2004. Laat deze muzikale schatkist vooral niet aan je voorbijgaan!

Kim Beggs

Caribou Records

CD Baby

 

 

MARTHA BERNER

“Ten Tiny Little Pieces E.P.”

(Machine Records)

(3,5) J J J J

 

 

Soms is er niet echt veel nodig om van deze jongen hier een gelukkige mens te maken. Op druilerige momenten zoals we er de voorbije dagen al aardig wat gekend hebben volstaan bijvoorbeeld enkele mooie liedjes vaak al om me “in the mood” te brengen. Zoals de vier op het een beetje bedrieglijk getitelde “Ten Tiny Little Pieces” van Martha Berner. Die tegenwoordig vanuit Chicago actieve chanteuse weet daarmee het wachten op haar in de zomer van dit jaar te verschijnen nieuwe CD, de opvolger van haar ijzersterke debuut “…This Side Of Yesterday”, een flink stuk draaglijker te maken. In nog geen kwartier tijd gaat het daarop van mooi naar mooier en mooist: via de fraaie, een weinig aan het werk van Natalie Merchant herinnerende pianoballade “Ten Tiny Little Pieces”, waarvoor ze zich liet inspireren door het verlies van enkele geliefden, over een knappe cover van Velvet Undergrounds “Sunday Morning” en de intelligente en ó zo catchy folk-pop van “Down And Out In San Francisco” in één vlotte beweging door tot “Wait For Me”, een springerig niemendalletje waarin folk en indie pop iets heel moois met elkaar hebben. De vier songs op deze E.P. bevestigen met andere woorden niet alleen al het goeds wat zich na het verschijnen van haar (bij momenten toch nog net iets meer richting Americana overhellende) visitekaartje “…This Side Of Yesterday” (4 J J J J) over Berner liet optekenen, ze doen nu al met hangende pootjes uitkijken naar die volwaardige nieuwe CD van ‘r.

Martha Berner

Machine Records

CD Baby

 

 

LETTERS TO MARY

“In The Meantime”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Letters To Mary is een vier man sterk rootsrockbandje uit Atlanta, dat met “In The Meantime” zopas een alleraardigst debuut heeft afgeleverd. Spil van de groep is Mary Delaney, die tekent voor zowel de songs als voor de zang. Voor het schrijven van haar liedjes focust ze voornamelijk op haar eigen ervaringen, die vervolgens in catchy, countryeske rockdeuntjes worden gevat, die zich al na één enkele beluistering ervan aandienen als oude bekenden. De overige leden van de groep zijn dan ook vaardige oudgedienden van de Atlanta roots scene. Het betreft gitarist Jimmy Galloway, bassist Greg Partridge en drumster Linda Bolley. Allison Adams doet dan weer een duit in het zakje op de concertina. Samen helpen zij de stemgewijs een heel klein beetje aan Stevie Nicks herinnerende Delaney om van lekker wegrockende songs als “In The Meantime” en “The Only Thing”, het licht funky “The Yeah-Yeah Song”, de soulvolle ballades “Don’t Add Up” en “What’s My Heart Supposed To Do?” (Dat orgeltje!) en het aanstekelijke “Home” hapklare radiobrokken te maken. Het zou ons dan ook absoluut niet verbazen, mocht Delaney en de haren weldra in de Amerikaanse media een warm onthaal staan te wachten. Wij lusten er alvast wel pap van!

Letters To Mary

CD Baby

 

 

BRIGITTE LONDON

“Like A Phoenix

(GypsyWing Records)

(3,5) J J J J

 

 

Derde CD van deze toch wel lichtjes fantastische Texaanse zingende liedjesschrijfster na haar al van 2000 daterende debuutplaat “Modern Day Mae West” en het vorig jaar verschenen “Untraveled Road”. De recentelijk van Texas naar Nashville verkaste blauwogige schone presenteert daarop een bijzonder aantrekkelijke hybride van country, blues en soul. Het ene moment verzeilt ze daarmee ergens in de onmiddellijke buurt van dames als een Bonnie Raitt en een Susan Tedeschi, het andere sluit wat ze doet eerder aan bij de rijke outlaw-countrytraditie van haar voormalige thuisstaat. “Way I Loved You” is zo bijvoorbeeld lijzige zaterdagochtendsoul, het door Pat Severs van fraaie dobro-accenten voorziene “The Phoenix” Americana van het betere soort, “Nothing To Say” gewoon heel erg mooie ingetogen singer-songwritercountry met een poprandje en zeker niet zonder commerciële potentie, “Sending You My Angels” een broeierige trage van het genre waarop ook La Raitt dezer dagen wel een patent lijkt te hebben en met dingen als “On My Lips”, “Waiting For The One” en de Jennings-Shaver-cover “You Ask Me To” ontpopt London zich tot een waardige evenknie van Jessi Colter. Dat laatste nummer nam ze overigens op Richie Albright, Fred Newell en Bee Spears, die ooit allen ruimschoots hun sporen verdienden in de Waylon Jennings Band.

Brigitte London

CD Baby

 

 

JEN CRUMBACHER

“Every Sweet Surprise”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Jen Crumbacher is gezegend met het soort van stem dat vrijwel niemand onberoerd zal laten. Engelachtig is het woord dat men met betrekking tot dat orgaan misschien nog het best hanteert. De Amerikaanse zal bij liefhebbers van andere “mooizingers” als een Alison Krauss of een Claire Lynch dan ook wel de juiste snaar kunnen raken, al is haar repertoire dan ook niet meteen in hetzelfde hokje onder te brengen als dat van de genoemde dames. In het gezelschap van Scott Wylie (gitaar, mandoline, zang), Mary Pitchford (fiddle), Chris Kee (bas), Barry Phillips (cello), Julia Harrell (drums, percussie), Charlie Natzke (gitaar) en Sid Lewis (gitaar, dobro) danst Crumbacher op haar solodebuut “Every Sweet Surprise” vrijwel voortdurend op het slappe koord tussen genres als Americana, folk en bluegrass. En dat levert bij momenten zinnenprikkelend mooie resultaten op. Opener “The Boat Song” is er al gelijk zo eentje. Prachtige folkgrass is dat, met naast een hemels samengaan van de stemmen van Crumbacher zelf en Scott Wylie ook een stevig dobro-fiddle-mandolinepigment om ons al meteen tot op het puntje van onze stoel te krijgen. “My Love” blijkt vervolgens een catchy streepje folk-pop, “Into The Void” een erg knappe Americana ballad, “Sweetheart (Waitress In A Donut Shop)” een leuk akoestisch swingertje, “Match” een a capella gebracht liefdesliedje en “Love Is Gonna Get You” een lijzige zomerse popdeun. Met “Full Moon Full Of Love” trekt Crumbacher dan heel even resoluut de countrykaart, “If We’re Ever OK Again” mag aansluitend daarop weer in hetzelfde vakje als het eerder al genoemde “The Boat Song”, net als “Thanksgiving” en afsluiter “Loch Lomond”, een werkelijk adembenemend mooie versie van die overbekende folk traditional.

Très sympa allemaal!

Jen Crumbacher

CD Baby

(Koop er nu meer dan één exemplaar van het album en geniet van een korting van liefst 50%.)

 

 

KATE MANN

“Devil’s Rope”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

“Devil’s Rope” is de tweede van de uit Portland, Oregon afkomstige zingende liedjesschrijfster Kate Mann en daarop tapt die uit een geheel ander vaatje dan op haar in 2005 verschenen debuutplaat “November Songs”. Waar ze op die plaat nog voornamelijk in de weer was met herfstige, heel erg spaarzaam geïnstrumenteerde akoestische liedjes staat “Devil’s Rope” vol met wat ze zelf noemt “desert gypsy rock – southwestern songs of the nighttime world with snapshots of lost love and dangerous encounters”. En die koerswijziging zou haar wel eens geen windeieren kunnen gaan leggen. De tien songs op haar nieuwe plaat klinken immers gewoon een flink stuk intrigerender dan die op haar eersteling. Een gegeven, waaraan vooral de elektrische gitaarbijdragen van Chris Robbey en Rob Stroup, de man die samen met Mann ook voor de productie van de plaat tekende, ons niet geheel vreemd lijken. Die vaak messcherpe interventies vormen samen met ook al behoorlijk agressief aandoende slidegitaarstoten, hier en daar een flard mondharmonica, accordeon of Spaans snarenwerk en bijna voortdurend dreigend rommelende drums het kwalitatief uitstekende cement, waarmee Mann de bouwstenen van haar muzikale constructie op hun plaats weet te houden. Die stenen zijn in de eerste plaats haar louter gevoelsmatig her en der een weinig aan Neil Young en Concrete Blonde herinnerende songs, maar zeker ook haar tot de verbeelding sprekende teksten, haar ongemeen krachtige voordracht en haar akoestische gitaarspel. Zowel dreigend rockende liedjes als het titelnummer, het bluesy, over een pulserend ritme neergelegde “Fall Or Fly” of “Orange Dress” als rustigere deunen genre het bevreemdende quasi-walsje “Random Observations”, het zich mede door de sfeervolle klassieke gitaarinbreng van Arturo Viloria aardig richting de zuidelijke grens van de States oriënterende “Polly’s Song” of de voorzichtig twangende bekentenis “Cowboys Are My Weakness” spreken ogenblikkelijk aan. Het lijkt ons dan ook nog louter een kwestie van tijd voor deze erg getalenteerde artieste carrière gaat maken. En het doet ons nu al plezier, als we eraan denken, dat we dan zullen kunnen schrijven, dat we er als één van de eersten bij geweest zijn om je op haar attent te maken.

Kate Mann

CD Baby

 

 

THE SALT MINERS

“The Fifth Of July”

(Woodshed Records)

(3,5) J J J

 

 

The Salt Miners zijn een uit Detroit afkomstig vijftal bestaande uit Tim Pak (banjo, resonator), Mark Paul (mandoline), Brian McCarty (gitaar), Dan Tennant (banjo) en Joe Bakatis (bas), dat zich op zijn derde release, de EP “The Fifth Of July”, écht uitslooft om old school bluegrass en old-time stringband music ook voor een jong publiek aantrekkelijk te maken. Door die genres te bedienen van een kloeke injectie punk, blues en country belanden de vijf op dezelfde straathoek waar ook acts als de Hackensaw Boys en Old Crow Medicine Show graag niets vermoedende voorbijgangers van hun sokken durven te blazen. En songs als het met een stukje kazoo opgevrolijkte “I Wrote A Letter”, de deels jodelend, deels jolig zingend gebrachte Cisco Houston-cover “Dollar Down” (Zie ook Woody Guthrie!), het als They Might Be Giants gone bluegrass klinkende “You Don’t Recognize Me”, hun lezing van het ondermeer ook in uitvoeringen van The Flaming Lips en Billy Idol bekende “Plastic Jesus” en de op een leuke woordspeling berustende McCarty-compositie “Mr. Right For Now” hebben zo ongeveer dezelfde uitwerking op je als een rode peper in je… Juist, ja!

The Salt Miners

CD Baby

 

 

BILL NOONAN BAND

Catawba City

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Bill Noonan, Bill Noonan, Bill Noonan…? Was dat niet de drijvende kracht achter de Rank Outsiders? Yep! Welnu, díe Bill Noonan is terug met een nieuwe, naar zichzelf vernoemde groep, waarvan naast hij zelf (zang, gitaren, mondharmonica, mandoline) ook Bill Walpole (slide en pedal steel), Ray Mitchell (drums), David Kroening (bas) en Dillard Richardson (percussie) deel uitmaken. En zopas verscheen van het vijftal ook reeds een eerste album. “Catawba City” staat vol met wat Noonan zelf omschrijft als “Carolina roots rock”. En onder die noemer vallen zowel sfeervolle Americana ballads van het genre “Greener Pastures” of het aardig Youngesk overkomende “The Moon Is Full” als al bij al eerder bezadigd aandoende countryrockers type “Big River”, “Breakin’ Even”, “He Was Mine” en “Get Off My Land”. In het middelpunt van de belangstelling staat daarbij de behoorlijk nasale zang van Noonan zelf, een soort light-uitvoering van James McMurtry moet je maar denken. Onder een wollig-warme deken van akoestische en elektrische gitaren vindt die hier in instrumenten als een fiddle, een Cajun-accordeon, een pedal steel, een mandoline, een slidegitaar en andere voldoende muzikale partners voor één nacht om twaalf nummertjes lang geboeid te kunnen blijven. Vooral dingen als het radiovriendelijke meezingertje “Melanie Melanie”, het maatschappijkritische “Get Off My Land”, het titelnummer, een straffe ingetogen old-timy countrydeun, en het eerder al genoemde “She Only Comes Around When The Moon Is Full” vallen daarbij in zeer positieve zin op. Ze maken van deze plaat een echt groeiertje. Je gaat er bij elke beluistering weer wat meer van houden!

Bill Noonan Band

CD Baby

 

 

CHRIS ALLEN

“Goodbye Girl And The Big Apple Circus”

(Rosa Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Op basis van eerder plaatwerk met zijn band Rosavelt had deze knaap zijn ultieme moment de gloire wat ons betreft al lang geleden mogen beleven. Dat uit Cleveland, Ohio afkomstige gezelschap stond met een uit gelijke delen seventies Stones, Wilco en Replacements bestaande rootsrockmix immers steeds weer garant voor de nodige opwinding. En dat ze het in no time tot perslievelingen schopten was dan ook niet echt een verrassing te noemen. Dat commercieel succes uitbleef wél. Het zette zanger-liedjesschrijver Chris Allen er dan ook toe aan om de groep op non-actief te plaatsen en eieren voor zijn geld te kiezen door te opteren voor een solocarrière. En het eerste resultaat van die beslissing, zijn door Don Dixon geproduceerde debuut “Goodbye Girl And The Big Apple Circus”, ligt nu voor ons. Een bijzonder lekkere plaat is dat, die onze gedachten regelmatig doet afdwalen naar ijzersterke Replacements-platen als “Don’t Tell A Soul” en “All Shook Down” en de eerste soloschijven van het kopstuk van die groep, Paul Westerberg. Net als deze laatste zingt ook Allen immers met zo’n lekker hese, van pijn en passie doordrongen scheur. En net als de ex-Mats-voorman weet ook hij zijn liedjes te laten teren op onderhuidse spanning. Vooral dan de wat meer ingetogen spullen als “The Gold Rush”, “The Girls Of ‘91”, “Sweet Lorraine” en “Back To Normal”. Dat zijn zonder uitzondering pareltjes. Maar ook als Allen aan het rocken slaat, is daar absoluut niks mis mee. Het stuiterende “Shotgun Shells With One Good Love” bijvoorbeeld heeft dezelfde verbetenheid die ook veel van Graham Parkers beste liedjes kenmerkte, titelnummer “Goodbye Girl And The Big Apple Circus” is een vette, even simpele als effectieve knipoog naar het werk van de hier eerder al vernoemde Stones, de Faces en de Crowes, “Tilt-A-Whirl” een na een keer of twee drie perfect meebrulbare midtempo-stamper en “Year Of The Horse” profiteert volop van een broeierige toetsenbijdrage van Chris Hanna om ongestraft tegen het R&B-genre te mogen aanschurken zonder daarbij ook maar iets aan rockeigenheid in te boeten.

Het begeleidende schrijven heeft het in verband met “Goodbye Girl And The Big Apple Circus” over “a very special record” en daar is als je ’t ons vraagt geen woord van gelogen. Deze eersteling voor eigen rekening van Allen is gewoon een dijk van een plaat!

Chris Allen

Rosa Records

Sonic Rendezvous

 

 

THE BRANDOS

“Over The Border”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Lange tijd zag het er naar uit, dat we van deze fantastische groep niet veel meer zouden vernemen. Voor “Nowhere Zone”, de laatste studioplaat van The Brandos, moesten we immers al terug in de tijd tot in 1998. Het kwam dan ook als zeer aangenaam nieuws, toen we ergens halverwege het voorbije jaar vernamen, dat zanger-gitarist Dave Kincaid, bassist Ernie Mendillo en drummer Frank Funaro toch weer in de studio gesignaleerd waren. We mochten opnieuw hopen!

Het moge duidelijk zijn, dat wij dit gezelschap altijd al een warm hart toegedragen hebben. Vooral hun debuutplaat “Honor Among Thieves” uit ’87 belandt hier nu nog altijd geregeld onder de naald. Met messcherpe (roots)rocksongs als “Gettysburg”, “Honor Among Thieves” en vooral ook “Strychnine” was dat voor ons een album voor de eeuwigheid.

Of ook hun nieuwe CD “Over The Border” een even lange houdbaarheid zal waard blijken, zal de tijd moeten uitwijzen. Feit is echter alvast, dat een aantal van de songs erop zich al meteen van bij de eerste beluistering ervan tot huisfavorietjes ontpopten. We denken in dat verband bijvoorbeeld al aan het machtige titelnummer “Over The Border”. Gitaargewijs door Kincaid aanvankelijk van een Zuiders tintje voorzien bloeit dat nummer gaandeweg open tot een wolk van een melodieuze rocker, die onmiddellijk het beste laat vermoeden voor de rest van de plaat. En dat is ook daadwerkelijk geen Einzelfall hier. Ook in songs als “Walking Home”, het stuiterende “The Only Love I Can Get”, het epische “The Triangle Fire” en het zwaar naar de sixties lonkende stampertje “Dino’s Song”, een Quicksilver Messenger-cover, om er maar enkele te noemen, blijkt de combinatie van Kincaids immer ruige stem en grootse gitaren nog even aanstekelijk als weleer. En dan hadden we het nog niet over “Merrily Kissed The Quaker / The New York Volunteer”, een geslaagde kruisbestuiving tussen Ierse folk en rock inclusief Uillean Pipes van Jerry O’Sullivan, over het spitante “He’s Waiting” en over een eigenzinnige, maar bovenal ook sfeervolle benadering van de evergreen “Guantanamera”.

Blij ze in deze vorm terug te hebben, die Brandos! Dat ze vooral nog lang mogen mogen…

The Brandos

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

 

SLIPMATES

“Stranger In My Own World”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Je dacht dat na het plotse verscheiden van Hètten Dès het alt. country- en rootsrockgebeuren hier te lande zich beperkte tot het wachten op de zoveelste nieuwe schijf van de Seatsniffers? Wel, think again! De jongste maanden duiken er steeds meer jonge bandjes op die met plezier de fakkel van het genre brandende willen houden. Als zondermeer strafste van het lot willen we hier graag wijzen op de uit Arendonk afkomstige Slipmates. Dat in de zomer van 2002 uit het as van rockabillygroep Granny’s Rooster en surf-garagecombo The Famous Fantastix verrezen viertal bestaande uit Koen Meeus (zang, gitaren), Kurt Maas (bas), Marc Daems (drums) en Hans Maes (leadgitaar en orgel) leverde onlangs met “Stranger In My Own World” immers een debuut af om van te snoepen. De vier pakken daarop uit met een bijzonder geslaagde crossover tussen rockabilly, country, roots rock en Americana. Het meest in het oog springende nummer erop is een met een dosis jonge Cash gekruide cover van “Whole Lotta Rosie” van AC/DC. Het meest in het oog springend betekent in dit geval evenwel zeker niet het beste. Tussen de resterende, met uitzondering van het door Jaap Slijk aangedragen hillbillystampertje “Cold Feet” stuk voor stuk door voorman Meeus geschreven nummers zitten voor die eer kandidaten zat. De twangy alt. country-opener “After All” bijvoorbeeld. Of de nerveuze, door Sven Bollen (Bedford Green) van een bijzonder pittig streepje mondharmonica voorziene R&B van het gevoelsmatig een weinig bij “Baby Please Don’t Go” in de uitvoering van Van Morrison & Them aanleunende “You Gotta Go”. Of het groots swingende “Desperation”, waarin Meeus vocaal, het uithuilend als een weerwolf bij volle maan, mag uitblinken. En zet ook de op een traditionele leest geschoeide schuifelcountry van “Gone” maar bij op het lijstje. Aan authenticiteit daarin immers absoluut geen gebrek! En wat te denken van het aanstekelijk stuiterende “Burt Reynolds’ Pants”, de fraaie Hankeske sleper “About A Girl” of het al even knappe titelnummer? Met songs van dat kaliber schep je verdomd hoge verwachtingen naar je volgende toe! Het benieuwt ons dan ook nu al of deze knapen dit huzarenstukje nog eens zullen kunnen herhalen. In afwachting daarvan houden we ons evenwel graag nog een tijdje onledig met dit erg geslaagde visitekaartje!

(“Stranger In My Own World” is voorlopig enkel verkrijgbaar tijdens optredens van de Slipmates en in een beperkt aantal op hun webstek vermelde shops. Kopen kan je het schijfje verder ook door per e-mail contact op te nemen met zanger Koen Meeus.)

Slipmates

 

 

THE BUCKSHOTS

“Too Hot 2 Handle”

(Heptown Records)

(3,5) J J J J

 

 

Het eerste wat ons opviel bij het bekijken van de cover van “Too Hot 2 Handle” van het Zweedse trio The Buckshots was de opvallende gelijkenis daarop tussen het kopstuk van die groep, zanger-gitarist Jörgen Westman, en Dave Alvin van de Blasters. En laat – Het zal wel toeval zijn zeker? – het geluid van het drietal nu net met dat van dát legendarische collectief behoorlijk wat gelijkenissen vertonen. Westman en zijn maats Peter Brylde (bas) en Gustav (drums) vertrekken óók vanuit rockabilly en rock & roll om via genres als country, jazz en garage rock tot een geheel eigen sound te komen. Met veertien nummers van eigen hand illustreren ze hier, waarom ze momenteel tot de opwindendste live acts van hun land worden gerekend. Lillende lappen rood rock & rollvlees als de instant-meebruller “The Devil Is A Woman”, de speedbilly van “Get Hot Or Go Home”, “Headin’ Home” of “Don’t Say Nothing Bad About My Baby”, het als een bezetene rond een hypnotisch tekeergaand orgel heen kronkelende “Red Ta2’s Back In Town” of het mondharmonicagewijs met een royale snuif R&B gekruide “Marie” – Niet die van de Blasters, neen! – vragen luidkeels om liters vet, zweet en bier. En “tussendoortjes” als het jazzy tweetal “Lovesick” en “In The Mood For Love” of de met veel gevoel voor pathos gebrachte slepers “An Old Fashion Kind Of Love” en “Wedding Bells”, een gitaarinstrumental om u tegen te zeggen, zijn bij zoveel bruut geweld niet enkel bijzonder welgekomen rustpuntjes, maar bewijzen vooral ook, dat de Buckshots honden met meer dan één truukje in huis zijn. Wie o wie haalt deze geweldenaars snel naar onze kontreien voor wat optredens?

The Buckshots

Heptown Records

 

 

MILOW

“You Don’t Know E.P.”

(Munich Records)

(3,5) J J J J

 

 

Voor recensies van singles is hier doorgaans weinig of geen plaats, maar voor een getalenteerde medemens uit eigen buurt als Jonathan Vandenbroeck maken we op die regel maar wat graag een uitzondering. Onder het pseudoniem Milow verraste de Leuvenaar vorig jaar vriend en vijand met het werkelijk ijzersterke debuutalbum “The Bigger Picture”. En met “You Don’t Know” verschijnt één van de sterkste nummers van die plaat nu ook eindelijk op single. Niet abnormaal, als je bedenkt, dat de juryleden van Humo’s Rock Rally editie 2004 er al de mond vol over hadden.

Wat deze E.P. echter pas echt aantrekkelijk maakt voor ’s mans fans zijn voor het Radio 1-programma “Shuffle” ingeblikte akoestische versies van datzelfde “You Don’t Know” en de niet op zijn visitekaartje voorkomende single “More Familiar” en zijn kippenvelvertolking van Bruce Springsteens “Thunder Road” tijdens de hoger genoemde Rock Rally. Alleen al voor zijn breekbare kijk op die klassieker verdient dit schijfje wat ons betreft bij elke liefhebber van “het betere singer-songwriterwerk” werkelijk alle aanbeveling.

Milow

Munich Records

 

 

J. TEX & THE VOLUNTEERS

“Lost Between Clouds Of Tumbleweed And Space”

(Heptown Records)

(4) J J J J

 

 

“Lost Between Clouds Of Tumbleweed And Space”, het debuut van J. Tex & The Volunteers, is het soort van plaat die bij momenten klinkt alsof ze gemaakt werd in de hoogdagen van het hillbilly countrygenre ergens in het diepe Zuiden van de States. Wie beschrijft dan ook onze verbazing, toen we vernamen, dat J. Tex eigenlijk gewoon een pseudoniem is voor Jens Einer Sørensen, een weliswaar in Detroit, Michigan geboren, maar gewoon in Kopenhagen getogen Deen, die aan dat koosnaampje kwam toen hij op latere leeftijd opnieuw naar de States trok om er als muzikant aan de slag te gaan. Samen met de Volunteers, zijn begeleidingsgroep bestaande uit Frank Borgaard (bas, banjo, backing vocals), Jens Jones (percussie, drums, backing vocals) en Peter Knudsen (lap steel, gitaar, backing vocals), slaagt Sørensen (lead vocals, gitaren, banjo, mandoline) erin om een geluid neer te zetten dat qua authenticiteit zo menig een Amerikaanse act het schaamrood op de kaken zal jagen. Heerlijk hoe hij met zo’n lekker ouderwetse snik in de stem het mooie weer maakt in aanstekelijke deunen als het instant-meezingertje “Day By Day” of de weemoedige, bijna Hankiaanse sleper “Nine Pound Hammer”. Knap ook, hoe hij een vleugje Tom Waits binnensmokkelt in het donkere “White Paper Plane”, hoe hij radiovriendelijk uit de hoek komt in de lijzig countryrockende, meer gereciteerde dan gezongen eerste single “What A Bummer” en de louter gevoelsmatig een weinig aan G. Love herinnerende opvolger daarvan “Going Back To Memphis”, hoe hij aan het ondertussen suf gecoverde “Me And Bobby McGee” toch net voldoende eigenheid weet mee te geven om het nummer spannend te houden, hoe hij in de tragen “My Kind Of Town” en vooral ook “Sometimes I Feel Like An Angel” verdriet wel op zeer geloofwaardige wijze weet te verklanken of hoe hij in het door z’n kurkdroge banjo-accenten opvallende “Bring U Down, Down” de old-time toer opgaat. Met liedjes van dat kaliber dient J. Tex zich aan als een echte revelatie.

J. Tex & The Volunteers

Heptown Records

CD Baby

 

 

TOM BROSSEAU

Grand Forks

(Loveless Records)

(4) J J J J

 

 

Voor zijn nieuwe CD “Grand Forks” werkte up and coming singer-songwriter Tom Brosseau ondermeer samen met producer Gregory Page en ex-X-kopstuk John Doe. En dat negen songs tellende geheel bevestigt eigenlijk alleen maar al het goede wat al naar aanleiding van zijn eerdere platen over de man werd geschreven en verteld. Brosseau is wat je noemt een muzikale zonderling. Niet alleen door zijn wat aparte, ijle, hier en daar zelfs een weinig vrouwelijk aandoende stemgeluid, maar vooral ook door zijn modus operandi. Schitterend gewoon, hoe de man met elementen uit door velen gebezigde genres als pop, folk en country toch tot een volstrekt eigen geluid weet te komen. En wat het allemaal nog een beetje bevreemdender maakt, is dat het klinkt alsof het ruim vijftig jaar geleden opgenomen werd. Enerzijds roept hij met zijn liedjes eigentijdse lo-fi helden als een Sam Beam (Iron And Wine) of een Bill Callahan (Smog) in herinnering, anderzijds neigt hij her en der naar het muzikale spectrum van Tom Waits en heeft hij vooral ook veel gemeen met wat dezer dagen liefdevol als old-school folk wordt afgedaan. Met deze collectie deuntjes over zijn thuishaven Grand Forks in North Dakota presenteert hij zich wat ons betreft eigenlijk nog net iets nadrukkelijker als voorheen als één van dé in het oog te houden talenten voor de nabije toekomst.

(Releasedatum: 23 januari 2007.)

Tom Brosseau

Loveless Records

 

 

ANGELA HARRIS

“Roots”

(Maximum / Rounder Europe / Munich)

(4,5) J J J J J

 

 

Het zijn platen als deze waardoor je je zo nu en dan weer even gaat realiseren waarom je überhaupt ooit over muziek bent beginnen te schrijven. De Canadese Angela Harris is immers typisch zo’n talent, dat je gewoonweg niet voor jezelf wíl houden. Met haar kristalheldere stem imponeert ze op haar nieuwe CD “Roots” werkelijk van de allereerste tot de allerlaatste noot. De tien eigen songs daarop houden prachtig het midden tussen folk, country en bluegrass en vallen als dusdanig zonder uitzondering onder de hier inmiddels erg populaire gemeenschappelijke noemer Americana. Ideale referentiepunten, voor wie daarop zat te wachten, zijn ondermeer de jonge Nanci Griffith, Kate Campbell, Lori McKenna, Caroline Herring en recentelijk nog Alana Levandoski. Net als die dames beschikt Harris niet alleen over een fantastische stem, maar verstaat ze ook de kunst om een beklijvend liedje te schrijven. Luister bij gelegenheid maar eens naar het met veel gevoel gebrachte titelnummer van deze tweede plaat van ‘r, naar andere ingetogen rootspareltjes als “Takes Me There”, “Power In Opinion”, “He Kissed Her”, “Way Down Deep” of “Her Wisdom”, naar de okselfrisse folkgrass van “Livin’ Life”, en je zal het er snel met ons over eens zijn, dat dit een album is dat vooral niet in je collectie mag ontbreken.

Angela Harris

Rounder Europe

 

 

THOMAS EARL

“Golddust Magic”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(2,5) J J J

 

 

Thomas Earl kampt op “Golddust Magic” met een probleem dat al heel wat singer-songwriters gefnuikt heeft. De elf nieuwe songs daarop situeren zich ergens tussen pop, rock, folk en Americana en blinken vooral uit door hun onopvallendheid. Met z’n weliswaar aangename zachte stem illustreert Earl ons inziens immers net iets te duidelijk, dat hij als liedjesschrijver flink beïnvloed werd door grote acts van weleer als Crosby, Stills, Nash & Young, Simon & Garfunkel en James Taylor. Niet dat we daar iets op tegen hebben of zo, maar de factor originaliteit raakt er wel een beetje door zoek. En laat dat nu net één van de criteria zijn die wij hier bij het beoordelen van platen graag hanteren. Zo’n dertig jaar geleden hadden we dit geheel wellicht uitbundig onthaald, nu houden we het op gedegen, maar wat al té voorspelbaar vakmanschap. Vooral wat té braafjes allemaal ook.

Thomas Earl

CD Baby

 

 

DOUGLAS NELSON

“The Exact Nature Of Our Wrongs”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3) J J J

 

 

Bijzondere muzikale storytellers als Johnny Cash, Bruce Springsteen, John Mellencamp, Bob Dylan, Lucinda Williams, Leonard Cohen en Nick Cave noemt hij als zijn grote voorbeelden, deze Douglas Nelson. En het minste wat je kan zeggen, is dat hij daar inderdaad goed naar geluisterd heeft. Alvorens je de man er echter van gaat verdenken een epigoon te zijn, willen we daar snel aan toevoegen dat hij al die invloeden keurig heeft verwerkt in een geheel eigen geluid. En dat neigt bij momenten behoorlijk richting blues. Met name liedjes als opener “Dollar Bill”, “A Misdemeanor Or Two”, “End Of The Line” en “Call My Name” leven van een geslaagde botsing tussen elementen uit blues, rock en Americana. Naast de gruizige zang van Nelson zelf zijn het daarin vooral de gitaarpartijen van Chuck Jennings en de gloedvolle bijdragen van backingvocalisten Christie Allen en Shin Ok Chung die opvallen. Dat hij echter ook met andere genres een aardig eindje uit de voeten kan bewijst Nelson ondermeer met de “Americana pur” van “Nobody Knows” en het sfeervolle, van een streepje viool voorziene “Here To Stay”, met het jazzy, met een knap stukje trompet opgeluisterde “American Dream” of met de heupwiegende gospelcountry van “In The Moment”.

Een leuke CD zondermeer dus!

Douglas Nelson

CD Baby

 

 

ADRIAN KOSKY

“The High Side Of The Low End”

(Sound Vault Records)

(4) J J J J

 

 

Volslagen ten onrechte enkele weken op onze schrijftafel blijven liggen in afwachting van een recensie, deze derde van de Australische singer-songwriter Adrian Kosky. “The High Side Of The Low End” blijkt immers een erg sterk geheel te zijn. De man valt in bijzonder positieve zin op in het alsmaar verder uitdijende legertje zingende en liedjesschrijvende Americana-artiesten. De elf liedjes op z’n nieuwe CD vallen grotendeels te rangschikken onder de noemer country blues, al valt de invloed van folk en bluegrass dan ook absoluut niet te ontkennen. Wat Kosky onderscheidt van heel wat anderen is het creatieve proces dat aan z’n deuntjes voorafgaat. Want zeg nu zelf, zou jij zomaar uit het blote hoofd nog een artiest kunnen opnoemen die z’n liedjes componeert op de dulcimer? Wij dus niet. Samen met z’n producersmaatje Richard Pleasance (Boom Crash Opera) neemt Kosky ook het volledige gebezigde instrumentarium voor zijn rekening. Hij doet het op tal van dulcimers, de blues harp, de banjo, de basharmonica en nog wat “junk”, Pleasance tekent voor de backing vocals, gitaar-, drum-, percussie-, bas- en marimbawerk.

Voor de thematiek van z’n songs zocht Kosky zijn heil in reizen. Enerzijds de verre wereld in, anderzijds het eigen hart. Hij presenteert zich als een échte zoeker. “It’s time to make a stand, change the scene, redefine the dream, before I end up middle aged bland,” luidt het wat dat betreft erg toepasselijk in het nummer “Dodgy Train”. En een zinsnede als “I’m all out of answers, a middle aged man looking for help from ‘Hair In A Can’” uit het gelijknamige nummer laat al evenmin veel aan de verbeelding over. Het klinkt allemaal heel herkenbaar. En precies dat gegeven zal Kosky wellicht veel “vrienden” gaan opleveren. Al volstaat de muzikale kracht van “The High Side Of The Low End” daartoe wat ons betreft ook al ruimschoots. Een aanrader dus, maar dat had je al begrepen…

Adrian Kosky

CD Baby

 

 

THEO MASSOP

“Choices”

(Moonshadow Music Co.)

(3,5) J J J J

 

 

Over sommige platen moet je vooral niet te veel lullen, gewoon de muziek zelf haar werk laten doen volstaat ruimschoots. “Choices”, de tweede van de Canadese singer-songwriter Theo Massop, is er zo eentje. Wat hij daarop doet omschrijft de man zelf zeer toepasselijk als “Roots rock for thinking folks”. En ons doet hij daarbij erg aan John Hiatt denken. Niet alleen door een enigszins vergelijkbare stem, maar ook door zijn aanpak. Massop schrijft net als Hiatt immers songs die maar één of enkele draaibeurten nodig hebben om te blijven hangen. Getuige daarvan ook het feit dat ’s mans debuut “The Voyager” hem in zijn thuisland al meteen drie hitsingles opleverde. En op “Choices” staan ook wel wat songs die het best wel eens zo ver zouden kunnen schoppen. De melancholische en bijzonder soulvolle ballade “Goodbye” bijvoorbeeld al. Of het energieke “Canada” ook, waarin Massop al rockend tot zijn grote spijt moet vaststellen dat zijn land goed op weg is om te verworden tot een tweede Amerika. Dat nummer roept mede dankzij gloedvol toetsenwerk van Joel Spilette de betere momenten van Tom Petty en zijn Heartbreakers in herinnering. En dan hadden we het nog niet over het catchy, van ingehouden spanning levende “The Light Within”, het rootsy “Hummingbird” of het ingetogen “In My Dream”, waarin Massop je uitnodigt om samen met hem te dromen en te werken aan een betere wereld. Een uitnodiging waar wij alvast graag op ingaan.

Theo Massop

CD Baby

 

 

BOB FRANK & JOHN MURRY

“World Without End”

(Bowstring Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Ik moet eerlijk bekennen, dat eerdere platen van singer-songwriter Bob Frank mij nauwelijks of niet wisten te bekoren, maar dat is met deze samenwerking met de veel jongere John Murry wel even anders. Het door de ondermeer van zijn werk voor de American Music Club bekende Tim Mooney geproduceerde en door Matt Pence van Centro-Matic gemasterde “World Without End” is een beklemmend meesterwerk, dat zich qua intensiteit zo kan meten met het beste van Nick Cave en Sixteen Horsepower. Het is een tien eenheden tellende collectie murder ballads, stuk voor stuk gebaseerd op waargebeurde verhalen. Verhalen over geweld, vernieling, dood en heel vaak ook wraak, temporeel gesitueerd tussen 1796 en 1936. Amerika op z’n donkerst, zeg maar. En dat wordt nog eens extra dik in de verf gezet door de muzikale omlijsting. Dit is Southern gothic van het allerbeste soort. Gitzwarte zang, een bezwerende zingende zaag, een zich quasi dronken voortslepende piano, beurtelings krijsende en sombere strijkers, een Glockenspiel en tal van andere vreemde geluidjes dragen allemaal bij tot het aparte karakter van dit uitzonderlijke conceptalbum. Op de gastenlijst stoten we ondermeer op de namen van Brad Postlethwaithe, Becky en Quinn Miller, Nate Cavalieri, David Manning, Kate Howser, Tim Mooney, Jen Daunt, Kira Lynn Cain, Brian Hendrix, Joshua Walker, Mac Martine en The Pinebox Tabernacle Choir.

Aanrader!

Bob Frank & John Murry

Bowstring Records

CD Baby

 

 

JEFF ZENTNER

“Hymns To The Darkness”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Vanuit Asheville, North Carolina bereikte ons onlangs “Hymns To The Darkness”, het debuut van singer-songwriter Jeff Zentner. En dat blijkt een plaat waarvan de vlag de lading volkomen dekt. De liedjes van Zentner laten zich immers vrijwel zonder uitzondering categoriseren als sombere, enigszins zwaarmoedige Americana. Met omfloerste stem waadt de man doorheen een stel herfstige deunen, waarin naast wat akoestisch gitaargetokkel verder ook slide-, dobro-, lap steel-, mandoline- en vooral ook banjobijdragen opvallen. Allemaal door Zentner zelf bespeeld trouwens, die instrumenten. Nog eens een écht DIY-product dus. En die aanpak werpt hier duidelijk zijn vruchten af. Zentner positioneert zich met liedjes als “Rusty Town”, “The Wind Can Have You” en “Fire & Memory” immers keurig tussen knapen als een Matt Bauer, een Nels Andrews en een Bonnie “Prince” Billy. En daar is het zoals geweten bijzonder aangenomen toeven!

Jeff Zentner

CD Baby

 

 

MEAGHAN OWENS

“No Whiskey In A Good Girl’s River”

(Chicory Moon Records)

(3,5) J J J J

 

 

“No Whiskey In A Good Girl’s River” is het behoorlijk sterke debuut van de vanuit Milwaukee, WI actieve roodharige zingende liedjesschrijfster Meaghan Owens. Zelf geeft die aan thuis te horen onder de noemers folk, alt. country en Americana, al zegt ze daar wel maar wat graag bij, dat Indie misschien wel beter past, want daar valt zo ongeveer alles wat ze doet onder.

Het eerste wat je opvalt bij het beluisteren van Owens’ visitekaartje is het eigenzinnige karakter ervan. Zowel tekstueel als muzikaal gezien komt ze erg origineel uit de hoek. En het is dan ook aangenaam luisteren naar songs als de hartverscheurende ballade “Sweet Memories”, “Farewell Avenue”, haar folky hommage aan het adres van rondreizende collega’s zangers en dichters, het met name door de elektrische pianobijdrage van Bob Friedman behoorlijk soulvol uitvallende “Love Is Burning”, het lekker rauw rockende “Oh Lord”, een donker sprookje over kleine meisjes in de ban van verkeerde types, het (alt.)countryeske “1954” en het wat zweverig aandoende, maar o zo catchy titelnummer, waarin Owens zich eerst de vraag stelt “How come there ain’t no whiskey in a good girl’s river?”, om daar dan vervolgens snel aan toe te voegen “When I’m good, I’m good but when I’m bad I am better”.

Gaan we ongetwijfeld nog veel meer van horen!

Meaghan Owens

CD Baby

 

 

IAN MCLAGAN & THE BUMP BAND

“Spiritual Boy”

(An Appreciation Of Ronnie Lane)

(Maniac Records)

(3) J J J

 

 

Een mooi gebaar is het, tegelijk getuigend van diep respect en een mooie vriendschap. Op “Spiritual Boy” is Ian McLagan druk in de weer met het songerfgoed van zijn overleden (Small) Faces-maatje Ronnie Lane. In het gezelschap van z’n uitstekende, uit “Scrappy” Jud Newcomb (elektrische en akoestische gitaren, mandoline en zang), Mark Andes (bas en zang) en Don Harvey (drums) bestaande Bump Band tackelt Ian McLagan (zang, piano, B3, bas, elektrische en akoestische gitaren) elf bekende en minder bekende Lane-liedjes als “Spiritual Babe”, “Itchycoo Park”, “Nowhere To Run”, “Annie”, “Debris”, “Show Me The Way” en “Hello Old Friend”. Alle goede bedoelingen ten spijt slaagt hij er daarbij regelmatig niet in om ons de originelen te doen vergeten. Nu zal dat wellicht ook wel niet zijn bedoeling zijn geweest, maar toch… Neem nu zoiets als “Itchycoo Park”. De ingetogen lezing die “Mac” en co daarvan hier ten beste geven mag dan best aardig zijn, de enige échte definitieve versie zal voor ons toch altijd die van de Small Faces blijven. En het volop tegen reggae aanschurkende “Spiritual Babe” is zelfs ronduit slecht. Wél heel knap: het door McLagans gloedvolle orgelspel aan een enigszins soulvol cachet geholpen “Nowhere To Run”, een herfstig aangekleed “Debris”, het meer gelalde dan gezongen “April Fool”, de volop van ‘s mans hese scheur profiterende, broeierige ballade “Glad And Sorry”, het op fijn pianogetokkel gestoelde barrockertje “You’re So Rude” en het met veel gevoel gebrachte afsluitende eigen nummer “Hello Old Friend”, waarin Lane door zijn oude gabber liefdevol wordt toegesproken – très sympa!

Ian McLagan

CD Baby

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Viva! Terlingua! Nuevo!”

(Songs Of Luckenbach Texas)

(Palo Duro / Fontana)

(4) J J J J

 

 

 

“Viva! Terlingua! Nuevo!” bevat een royaal verslag van twee op 19 en 20 januari 2006 in de vermaarde Luckenbach dancehall even ten westen van Austin gehouden concerten, waarmee platenstal Palo Duro Records een eerbetoon wou brengen aan Jerry Jeff Walkers klassieker uit ’73, “¡Viva Terlingua!”. Alle negen de liedjes van die plaat worden op deze verzamelaar dan ook hernomen. “Gettin’ By” door de originele Lost Gonzo Band, “Desperados Waiting For The Train” door Brian Burns, “Sangria Wine” door Two Tons Of Steel, “Little Bird” door Walt Wilkins, “Get It Out!” door Ed Burleson, “Up Against The Wall Red Neck Mother” door Cory Morrow, “Backsliders Wine” door Tommy Alverson, “Wheel” door The McKay Brothers en “London Homesick Blues” door The Derailers. Verder zijn er nog bijdragen van Morrison-Williams (“What I Like About Texas”), John Arthur Martinez (“Viva! Luckenbach!”), Kent Finlay (“Luckenbach Daylight”), Jimmy LaFave (“I’ll Be Here In The Morning”) en de Gonzos de Casa met Radoslav Lorkovic op accordion (“Gonzo Compadres”). Het resultaat van zoveel schoon volk op een kluitje bijeen is een plaat die leeft van haar typische jaren ’70 country-ambiance, die schaamteloos teruggrijpt naar de begindagen van de vermaarde Texaanse outlaw country scene.

Eigenaardig genoeg stelde het feestvarken van dienst, Jerry Jeff Walker, zijn veto tegen het verschijnen ervan. Hij vond, dat men hem best wat eerder op de hoogte had mogen brengen van het voornemen om van de twee avonden ook een weerslag op plaat te laten belanden. De beste man schakelde dan ook prompt zijn advocaten in om een release ervan te beletten. Bij Palo Duro wil men echter van geen wijken weten, temeer omdat men het album ziet als het eerste van een hele reeks in Luckenbach in te blikken schijven. En dat is een gedachte waarmee wij ons afgaande op de kwaliteit van deze CD alvast graag verzoenen.

Luckenbach, Texas

Palo Duro Records