ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2009

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

ISOBEL CAMPBELL & MARK LANEGAN “Keep Me In Mind Sweetheart” - CLAIRE HOLLEY “Hush” - RUSS BROWN “The Fugitive Peace” - RORY BLOCK “Lovin’ Whiskey – A Collection Of Songs From The Rounder Years” - THE REFUGEES “Unbound” - ERIC HISAW “Nature Of The Blues” - GREG COPELAND “Diana And James” - STEVE MEDNICK “Sunset At The North Pole” - BROCK ZEMAN “$100 Difference” - MEGAN MUNROE “One More Broken String” - NO Blues “Lumen” - TED RUSSELL KAMP “Poor Man’s Paradise” - NEAL CASAL “Roots & Time” - DANNY O’KEEFE “In Time” - BIG BOB YOUNG “Hard Way To Make A Dollar” - RICH HOPKINS & LISA NOVAK “Loveland” - THE BRIDGE “Blind Man’s Hill” - SCRAPPY JUD NEWCOMB “Ride The High Country” - BLACK TOP “Rough ’N Gritty” - THE YOUNGERS “Heritage” - THE DEEP VIBRATION “Veracruz” - JOHN PRINE “Fair & Square EP” - LITTLE GREEN “Crossing Lanes” - AMY SPEACE “The Killer In Me” - MABEL MCGEE & PENNSYLVANIA SLIM “Lonesome Lo-Fi Lullabyes” - CHRISTINE ALBERT “Paris, Texafrance” - RALSTON BOWLES “Rally At The Texas Hotel” - ABI TAPIA “The Beauty In The Ruin” - ROB LUTES “Truth & Fiction” - WES CHARLTON “World On Fire”

 

ISOBEL CAMPBELL & MARK LANEGAN “Keep Me In Mind Sweetheart” (V2)

(4****)

Met uitzondering van het titelnummer betreft het op deze nieuwe EP van het duo Campbell-Lanegan uitsluitend leftovers van de sessies voor de vrijwel unaniem lovend onthaalde tweede CD van het duo, “Sunday At Devil Dirt”. En al vrij snel wordt ook duidelijk, waarom de songs erop die plaat niet haalden. Ondanks het feit, dat het stuk voor stuk erg mooie nummers betreft, zou hun toevoeging aan “Sunday At Devil Dirt” die plaat immers een weinig ontwricht hebben. Stilistisch gezien verkennen Campbell en Lanegan hier immers nogal wat uiteenlopende terreinen. In openingsnummer “Keep Me In Mind Sweetheart” tekenen ze voor een subtiele countryballade op z’n Johnny & June’s, “Fight Fire With Fire” plaatst Lanegan als een soort van Cohen-cloon in een berookte bar ergens rond sluitingstijd, “Asleep On A Sixpence” is een vanuit elke porie naar herfst geurende sleper, “Violin Tango” maakt krakend als een oude grammofoonplaat in elk opzicht z’n titel waar, “Rambling Rose, Clinging Vine” is Americana, waarbij de aandacht subtiel verglijdt naar de Lee’s en Nancy’s van deze wereld en “Hang On” is naar Campbell-Lanegan-normen erg lichtvoetige, voorwaar zelfs een weinig naar de sixties lonkende pop.

Isobel Campbell & Mark Lanegan (V2)

 

CLAIRE HOLLEY “Hush” (Claire Holley)

(3***)

Als we haar samenwerking met Caroline Herring voor “Live At St. Andrews” en haar enkel via iTunes verkrijgbare muziek voor Arlene Huttons toneelstuk “See Rock City” mogen meerekenen, is “Hush” reeds het zevende project van zingende liedjesschrijfster Claire Holley. En daarop blijft die als een goede schoenmaakster haar leest andermaal trouw. Met haar kristalheldere, bij momenten echt wel hartverscheurend mooie stem als een onmiskenbare troef waadt ze doorheen een aangenaam warm aandoende poel aan voornamelijk eigen nieuw songmateriaal, dat zich grotendeels tussen fluwelen folkpop, jazz en Americana laat onderverdelen. En haar teksten? Wel, die zijn al even wollig van aard. Knappe verhalen en poëzie met een hoofdletter P, menen wij. Wat hulp kreeg Holley bij het inblikken van “Hush” ondermeer van Don Heffington, Rob Seals en Greg Leisz.

Sympa!

Claire Holley

CD Baby

 

RUSS BROWN “The Fugitive Peace” (Russ Brown)

(4****)

“The Fugitive Peace” is het over werkelijk de gehele lijn overtuigende debuut van Russ Brown, een nog relatief jonge singer-songwriter uit Minneapolis. De beste man weet op die eersteling op bijzonder fraaie wijze het midden te houden tussen overduidelijke invloeden als een Townes Van Zandt, een Steve Earle, een Neil Young en een Ryan Adams. Met songs die beurtelings onder de noemers alt. country en folk rock onderdak vinden treft hij je zodoende elfmaal onverbiddelijk in de hartstreek. Vooral wat intimistischer opgevat spul genre “Dirtroads”, “St. Brigid” en “Joe Lewis” geeft nadrukkelijk aan, dat we van deze nieuwkomer wellicht nog heel wat moois mogen gaan verwachten in de (nabije) toekomst. Zijn motto – “Songs are like poker hands. If they don’t excite you, don’t play them!” – legt hem én ons daarin duidelijk geen windeieren. Zeer goed in het oog te houden dan ook, deze wonderknaap!

Russ Brown op MySpace

CD Baby

 

RORY BLOCK “Lovin’ Whiskey – A Collection Of Songs From The Rounder Years” (CRS / Munich)

(3,5****)

Zo’n twintig jaar geleden scoorde Rory Block totaal out of the blue een flinke hit met het fraaie “Lovin’ Whiskey”. En het is dan ook niet meer dan passend, dat deze bloemlezing uit haar behoorlijk omvangrijke oeuvre voor haar voormalige werkgever titelgewijs precies naar dat ene nummer verwijst. “Lovin’ Whiskey”, de eerste release in de nieuwe CRS-reeks “Roots Collectibles”, focust voornamelijk op de singer-songwriterkant van Block. Vijftien van haar mooiste liedjes, waaronder “Silver Wings”, “Lovin’ Whiskey”, “Gypsie Boy”, “Angel Of Mercy”, “Lovin’ Fool” en “You Deserve The Best” serveert men ons hier, met als toetje een voor Hubert van Hoof ingeblikte live-versie van het titelnummer. Traditionele country blues op z’n mooist en als dusdanig een aardige aanvulling voor elke zichzelf respecterende collectie.

Rory Block

Continental

 

THE REFUGEES “Unbound” (Wabuho / Sonic Rendezvous)

(4****)

Als drie dames met een muzikale stamboom als die van Cindy Bullens, Deborah Holland en Wendy Waldman besluiten om hun krachten te gaan bundelen, dan mag je er al bijna bij voorbaat van uitgaan, dat er heel mooie dingen te gebeuren staan. En wat dat betreft lost hun debuutplaat “Unbound” ook écht alle verwachtingen in. De songs zijn naar goede gewoonte uitstekend, er wordt geharmonieerd dat het een ware lust is voor het oor en ook op muzikaal vlak klopt alles als een bus. De drie doen dan ook gewoon alles zelf. Gitaren, bas, dobro, mandoline, harmonica, accordeon, dulcimer en percussie-instrumenten worden door Bullens, Holland en Waldman keurig verdeeld en vakbekwaam ingezet in liedjes, waarin Americana, country, folk, blues en in iets mindere mate ook rock naadloos bij elkaar aansluiten. Het betreft daarbij een reeks door de drie in diverse combinaties samen gepende dingen, maar ook een aantal nieuwe lezingen van fanfavorieten uit het verleden, zoals “(Theres’s A Spy) In The House Of Love” van Holland, “Jellico Highway” van Bullens en “Fishin’ In The Dark” en “Save The Best For Last” van Waldman. Al bij al een zeer geslaagde, absoluut voor herhaling vatbare onderneming!

The Refugees

Sonic Rendezvous

 

ERIC HISAW “Nature Of The Blues” (Saustex Media)

(3,5****)

Vijfde CD ondertussen toch ook alweer van de zo’n beetje vanuit de marge de concurrentie regelmatig het nakijken gevende Texaanse singer-songwriter Eric Hisaw. En daarop doet de beste man eigenlijk absoluut niets nieuws. Ook ditmaal weer tracht hij met een sterke collectie eigen liedjes in de maar moeilijk te vullen voetsporen van genregroten als een Steve Earle en een Guy Clark te treden. En, het moet gezegd, hij doet dat met brio. Met de twaalf hun fundamenten voornamelijk in het werkmansleven van alledag hebbende deunen op “Nature Of The Blues” zal hij naar onze bescheiden mening voornamelijk hoge ogen gaan gooien in kringen van liefhebbers van grofgevooisde songsmeden met een groot hart voor de Texaanse traditie op dat vlak. Hij oogstte er alvast enige bijval vanuit prominente hoek mee. Ray Wylie Hubbard – Zelf toch ook niet meteen één van de minsten! – noemde Hisaws songwriting onlangs nog “incorruptible” en “bullet proof”. En Scrappy Jud Newcomb, Chrissy Flatt en Ponty Bone van hun kant lieten zich maar wat graag voor zijn kar spannen, toen het erom ging om “Nature Of The Blues” muzikaal vorm te geven. Het resultaat? Een collectie bijzonder lekker wegluisterende Americana- en countryrocksongs, die in elk van die beide (sub)genres moeiteloos met de besten mee kunnen.

Eric Hisaw

Saustex Media

 

GREG COPELAND “Diana And James” (Inside Recordings)

(5*****)

Voor albums als dit hier raken je superlatieven al gauw uitgeput! Mooier worden ze gewoonweg niet meer gemaakt! En dan te bedenken, dat het al ruim zesentwintig jaar geleden was, dat we nog eens iets van Greg Copeland vernemen mochten! Het was inderdaad in 1982, dat de beste man debuteerde met het door zijn high school buddy Jackson Browne geproduceerde “Revenge Will Come”, een plaat die het tot in de top 10 van tal van jaarlijstjes schopte en waarvoor All Music volkomen terecht de omschrijving “a first-rate singer-songwriter affair” uit de kast haalde. En laat dat nu precies dezelfde woorden zijn, die wij ook voor “Diana And James” in gedachten hadden. Op dat onder de productionele hoede van Greg Leisz ingeblikte tweede album van Copeland staat werkelijk niet één minder nummer. Dertien songs lang houdt hij je à la een Malcolm Holcombe of een Guy Clark in zijn ban. Met die twee deelt hij niet enkel een verweerd warm klinkende stem, maar ook een uitzonderlijk vaardige pen en een geweldig fingerspitzengefühl daar waar het melodieuze aspect van zijn songs gevorderd wordt. Alles klinkt hier even simpel als af. En dat hoeft eigenlijk ook helemaal niet te verwonderen, als je weet, dat Copeland er van in het jaar 2000 tot nu mee bezig is geweest. En al helemaal niet meer, als je ook nog eens in rekening brengt, dat hij werd bijgestaan door een veelheid aan geweldige muzikanten. We denken dan bijvoorbeeld aan de al genoemde Greg Leisz, aan Don Heffington, aan Gabe Witcher, aan Phil Parlapiano, aan Bob Glaub, aan Carla Kihlstedt (van Tin Hat) en aan Heather Waters. Enkele van de allermooiste momenten op “Diana And James” zijn trouwens de in samenzang met deze laatste gebrachte beauties “A Woman & A Man” en “Diana And James”. Een andere primus inter pares is het tekstueel naar Hank Williams op zijn sterfdag verwijzende “The Only Wicked Thing”. Maar, zoals al eerder gesteld, dit is in haar geheel gewoon een verbluffend mooie plaat!

Inside Recordings

CD Baby

 

STEVE MEDNICK “Sunset At The North Pole” (Steve Mednick)

(2,5***)

Vijfde CD in nauwelijks meer dan twee jaar tijd van de vanuit Connecticut aan de weg timmerende singer-songwriter Steve Mednick. En dat blijkt zondermeer “des Guten zu viel”. Van de veertien tussen Americana, roots rock en folk strandende songs op “Sunset At The North Pole” zijn er maar bitter weinig, die uitnodigen tot meer dan één beluistering. Mednick zou er wat ons betreft dan ook goed aan doen om wat kritischer voor zichzelf te zijn. Als hij uit de zondvloed aan materiaal dat de voorbije jaren van ‘m verscheen enkel de beste songs zou hebben overgehouden, dan had hij wellicht met één of twee uitstekende platen kunnen uitpakken. Nu regeert echter Koning Middelmaat.

Steve Mednick

CD Baby

 

BROCK ZEMAN “$100 Difference” (Busted Flat Records)

(4****)

Huisfavorietje Brock Zeman gooit op zijn nieuwe CD “$100 Difference” het roer flink om. Na het uitermate intimistisch ingevulde “The Bourbon Sessions” met Dan Walsh uit 2007 achtte hij de tijd klaarblijkelijk rijp voor een wat nadrukkelijker gitaargeoriënteerd geluid. En ook dat zit de Canadese twintiger werkelijk als gegoten. Vergelijkingen met übertalenten als een Steve Earle, een Chris Knight en een Fred Eaglesmith – Ze zullen zich in de eerstkomende maanden ongetwijfeld weer her en der aandienen! – zijn wat ons betreft dan ook volkomen terecht. Knappe verhalen, dito melodieën en hooks, een heerlijke stem ook, wat wil je nog meer van een singer-songwriterplaat als deze? Niets toch? Snel aan de boezem drukken en blijvend koesteren, deze ruwe diamant, is dan ook ons voor één keer wél dwingend oordeel. Je zal het je hoegenaamd geen moment beklagen!

Brock Zeman

CD Baby

 

MEGAN MUNROE “One More Broken String” (Diamond Music Group)

(3***)

Amper 25 is ze, deze vanuit Nashville actieve schone, maar dat hoor je absoluut niet aan haar eerste serieus verdeelde plaat! Op “One More Broken String”, de opvolger van het al in 2006 verschenen en enkel wat regionale aandacht oogstende “Married To The Melody”, klinkt ze integendeel juist ongelooflijk zelfverzekerd. Wat een power! Alsof ze haar hele leven lang niks anders gedaan heeft! En dat is nu net niet het geval. Naast voor het schrijven en zingen van liedjes vindt mooie Munroe immers ook nog de tijd om te acteren, modellenwerk te doen, covers van boeken te illustreren en te pennen aan een eerste eigen roman. Bijzonder bezig bijtje met andere woorden!

Maar dé ultieme droom blijft naar eigen zeggen toch een carrière in de muziek, met als absoluut hoogtepunt als het even zou kunnen een doortocht in de gerenommeerde Grand Ol’ Opry. En wie weet, misschien zit die er ook effectief wel voor haar in. Al is haar met elementen uit genres als bluegrass, blues en rock opgewaardeerde countryvariant daartoe wellicht toch net iets té commercieel van aard. Waarmee we overigens absoluut geen negatief oordeel over Munroe en haar muziek willen vellen. Haar voor het merendeel samen met partner in crime Brian Oaks geschreven liedjes en vooral ook haar ongemeen krachtige, erg expressieve voordracht verdienen een veel beter lot dan dat.

Megan Munroe

CD Baby

 

NO Blues “Lumen” (CRS / Munich)

(3,5****)

 

Het Nederlandse collectiefje NO Blues zweert ook op z’n derde CD “Lumen” trouw bij het unieke muzikale ménage à trois, dat van z’n vorige platen “Ya Dunya” en “Farewell Shalabiye” zo’n onbetwiste hoogvliegers maakte en dat vooralsnog z’n gelijke niet kent. Singer-songwriter Ad van Meurs zorgt daarbij andermaal voor de Americana- en folktoets, u’d-speler Haytham Safia draagt elementen uit traditionele Arabische muziekgenres aan en met contrabassist Anne-Maarten van Heuvelen vindt ook de blues een uitlaatklep in deze hoogst uitzonderlijke driehoeksverhouding. Bijzondere gastmuzikanten zijn ditmaal verder Raphaela Danksagmüler van het Atlas Ensemble op duduk en onze landgenote Sophie Cavez op accordeon. Samen met “usual suspects” Osama Maleegi (djembe en bongo’s), Eric van de Lest (drums) en Ankie Keultjes (lead en backing vocals) helpen zij om het begrip “Arabicana” nog net wat meer te rekken. Zo vindt ditmaal bijvoorbeeld ook Oost-Europese muziek bij momenten haar weg naar het sowieso al rijk gevulde NO Blues-palet. Héél erg mooi allemaal!

NO Blues op MySpace

Productiehuis Oost-Nederland

 

TED RUSSELL KAMP “Poor Man’s Paradise” (Dualtone / Bertus)

(4****)

Ted Russell Kamp geniet vooralsnog vooral naambekendheid als bassist van Shooter Jennings. En dat is eigenlijk volkomen onbegrijpelijk. Met name met zijn twee vorige platen, “Nashville Fineline” en “Divisadero”, bewees de man immers al uitgebreid, dat hij ook zelf uit het allerbeste singer-songwriterhout gesneden is. In feite is hij zelfs gewoon véél en véél beter dan zijn broodheer. En dat illustreert hij ook op “Poor Man’s Paradise” weer. Op die gewoon thuis, in hotelkamers en op de tourbus van Jennings opgenomen derde van ‘m staan elf plakken overheerlijke Southern-fried country soul, waarin Kamp hoegenaamd geen moment probeert om zijn grote bewondering voor acts als Gram Parsons, The Band, Steve Earle, Rodney Crowell, Kris Kristofferson en wijlen de oude Jennings onder stoelen of banken te steken. Maar maakt dat nu een epigoon van ‘m? In de verste niet! Hij schrijft absoluut z’n eigen nummers en vertelt daarover originele verhalen. Uitzonderlijk laat hij zich voor het schrijven van zijn liedjes bijstaan door anderen. In dat verband noteren we hier de namen van Robin Wiley, David Serby en Chris Tompkins.

Maar wat maakt van “Poor Man’s Paradise” in onze ogen nu precies zo’n uitzonderlijk lekkere plaat? Wel, in de eerste plaats is er de warme, enigszins lijzige stem van Kamp. De man heeft gewoon soul te koop! En dat wordt nog eens extra geaccentueerd door veelvuldig opduikende gloedvolle toetsenbijdragen en uitermate verfijnd snarenwerk. “Poor Man’s Paradise” kreeg daardoor als geheel zo’n warm karakter mee, dat het verdomd moeilijk blijkt om er van af te blijven…

Ted Russell Kamp

Dualtone

Bertus

 

NEAL CASAL “Roots & Time” (Fargo / Munich)

(3***)

Wat Neal Casal op zijn nieuwe CD “Roots & Wings” te bieden heeft oogt – Oort? – op het eerste gezicht – Gehoor? – allemaal nogal braafjes. Songs als “”The Losing End Again”, “Back To Haunt You”, “Signals Fading”, “Traveling Lighter”, “Tomorrow’s Sky” en andere komen al bij al eerder als verplichte nummertjes over en glijden vrijwel onopgemerkt aan je voorbij. Een wat vlottere deun als “So Far Astray” zal het her en der ongetwijfeld wél nog goed doen op de iPod, maar “Roots & Wings” in z’n geheel nuttigen vergt wat ons betreft teveel van een inspanning. Ryan Adams’ rechterhand heeft ditmaal naar ons gevoel immers net iets té goed zijn best gedaan om alle mogelijke scherpe randjes zorgvuldig weg te vijlen. (En daarmee ook zo ongeveer elke vorm van spanning…) Neen, dan luisteren we hier veel liever nog eens naar zijn magistrale debuutplaat “Fade Away Diamond Time” van weleer. Niet kwaad is in het geval van Casal voor ons immers niet goed genoeg…

Neal Casal

Fargo Records

 

DANNY O’KEEFE “In Time” (Road Canon Music / Sonic Rendezvous)

(3***)

Danny O’Keefe wist zich tijdens de voorbereiding van zijn nieuwe CD “In Time” omringd door nogal wat schoon schrijfgraag volk. Van Tim O’Brien tot Beth Nielsen-Chapman, van Tim Krekel tot Viktor Krauss, van Fred Koller tot Michael McDonald en anderen, allemaal vond hij ze bereid om aan één of meerdere van zijn liedjes mee te komen pennen. En dat hoor je eraan ook! Het door Mick Conley geproduceerde “In Time” is immers een puntgave collectie tussen (roots)pop, Americana en jazz heen en weer laverende songs, die door haar maker in de liner notes ervan op bijna onopvallende wijze worden opgedragen aan zijn geliefde New Orleans. Wat ons betreft bijzonder aangenaam gezelschap voor in de late uurtjes. En “When You Come Back Down” moet zelfs dringend op Radio Een!

Danny O’Keefe

Sonic Rendezvous

 

BIG BOB YOUNG “Hard Way To Make A Dollar” (Built On Blues)

(3***)

Wie houdt van de muziek van knapen als een Delbert McClinton en een John Hiatt zou best ook wel eens in zijn nopjes kunnen blijken bij “Hard Way To Make A Dollar”, de eersteling van de door het leven tot een debuut op latere leeftijd veroordeelde Big Bob Young. Op zijn drieënvijftigste profileert die zich als een alleraardigste vertolker van verhalen geplukt uit het leven van alledag van de doorsnee Amerikaanse werkmens. Zijn voornaamste bondgenoot daarbij is een aangenaam verweerd klinkende, duidelijk door een zwaar bestaan getekende stem. Vooral dan in wat tragere songs als het ongemeen soulvolle “Somewhere Tonight”, het countryeske “Bury Me In Dixie” en de sleper “Mississippi Nights”. Dat zijn stuk voor stuk flitsen van grote klasse. Net iets minder vinden wij persoonlijk de wat zwaarder richting blues overhellende stukken. Met iets als “Ship Of Fools” bijvoorbeeld zouden heel wat volbloed-bluesartiesten wellicht een stuk beter uit de voeten kunnen. Wel leuk: de vette roadhouse rockers “Best Of A Bad Situation” en “Hard Way To Make A Dollar”, het relaxt jazzy swingende “Can I Take You Home” en het nadrukkelijk traditioneel geschoolde Americanariedeltje “Green Country Stomp”.

Big Bob Young op MySpace

CD Baby

 

RICH HOPKINS & LISA NOVAK “Loveland” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

A, que c’est beau l’amour! En al zeker als je er zoals gitaarbeul Rich Hopkins in slaagt om een echte soulmate binnen te doen. Hij vond recentelijk immers de gedroomde levensgezellin in Lisa Novak, een hier nog niet zo bekende, maar in haar thuishaven Houston erg gerespecteerde zingende liedjesschrijfster, die bovendien ook zelf een aardig eindje uit de voeten kan op zowel de akoestische als de elektrische. Samen met haar nam Hopkins verspreid over een periode van dertien maanden beurtelings in Tucson en in Houston een handvol songs op, die onlangs onder de veelzeggende titel “Loveland” het daglicht zagen. De taken worden op dat album, zoals het in een goed huishouden hoort, keurig verdeeld. Hopkins neemt weliswaar nog het leeuwendeel van de gitaarsolo’s voor zijn rekening, maar voor het overige is dit heus wel een echte duoprestatie. Met uitzondering van het van de Sand Rubies geleende “What Am I Supposed To Do?” werden alle songs door Hopkins en Novak samen geschreven en ook wat betreft de zangpartijen gunnen ze elkaar duidelijk het licht in de ogen. Het resultaat is een bijzonder lekkere rootsrockplaat, waarin met name door het grote gitaaraandeel de klemtoon regelmatig meer richting indie rock verschuift. Iets waar de inbreng van gastmuzikanten uit illustere collectieven als de Sand Rubies, Greyhound Soul, de Sidewinders, de Woodcocks, Giant Sand en Hopkins’ eigenste Luminarios ook wel niet helemaal vreemd aan zal zijn. Onze luistertips: het aan één van Novaks persoonlijke helden opgedragen “Matthew Sweet”, het van een flinke shot Byrds bediende “Lucky Guy”, het door Novak op bijzonder innemende wijze gebrachte akoestische niemendalletje “The Gospel Song” en de fraaie powerpopper “Somekindagirl”, waarin Hopkins zich over een wolk van een melodie heen minutenlang van zijn vrouwvriendelijkste kant toont.

Lisa Novak op MySpace

San Jacinto Records (Rich Hopkins)

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

THE BRIDGE “Blind Man’s Hill” (Hyena / Bertus)

(3,5****)

Hun debuutplaat ontsnapte op de één of andere manier aan onze aandacht en dat vinden we na een eerste kennismaking met de opvolger daarvan, “Blind Man’s Hill”, eigenlijk best wel jammer. Het vanuit het Amerikaanse Baltimore volop aan de weg timmerende The Bridge, een zestal met als spilfiguur de erg getalenteerde zanger-songwriter-gitarist Cris Jacobs, komt daarop immers bijzonder soulvol uit de hoek. Met twaalf songs aangedragen door die Jacobs (zang, akoestische en elektrische gitaren, lap steel, dobro) en zijn rechterhand Kenny Liner (mandoline, zang) treedt het verder uit Dave Markowitz (basgitaar, zang), Mark Brown (Hammond B3, Fender Rhodes, piano), Mike Gambone (drums, percussie) en Patrick Rainey (saxen) bestaande sextet met veel brio in de voetsporen van gerenommeerde collectieven als Little Feat en The Grateful Dead. Geen wonder, dat ze in hun thuisland ondertussen al zo’n 250 gigs per jaar afwerken. Deze knapen zijn immers echt wel héél erg goed! Hun aanstekelijke mix van elementen uit Americana, countryrock en -soul en vooral ook New Orleans funk heeft maar één enkele beluistering nodig om volop te bekoren. Hun songs hebben hoegenaamd iets tijdloos over zich. Een gegeven, dat bovendien nog eens extra in de hand wordt gewerkt door het erin tackelen van klassieke Americana-thema’s als treinen, gokken, bedrieglijke vrouwlui, drangebruik en dies meer.

The Bridge

Hyena Records

Bertus

 

SCRAPPY JUD NEWCOMB “Ride The High Country” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Zo’n drie jaren verstreken er tussen Scrappy Jud Newcombs vorige “Turbinado” en zijn nieuwe plaat “Ride The High Country”. Het gewoon even veel té druk gehad! Newcomb had zijn handen meer dan vol met jobs in en voor ondermeer de Resentments, Ian Mclagan, Beaver Nelson en Todd Snider. En dus moet de eigen carrière maar even wijken…

Maar goed, nu is er dus “Ride The High Country”. En de tien nieuwe eigen songs daarop komen als geheel als Newcombs meest rockende plaat tot op heden over. Vooral in “45 rpm”, “State Of Distraction”, “Where Did The Time Go”, “Out Here” en “A Rough Couple Of Days” geeft hij ‘m bij momenten echt wel behoorlijk van jetje. Persoonlijk vinden wij echter net de wat rustigere songs hier de leukste. We denken dan bijvoorbeeld aan het sfeergewijs een weinig aan Bob Seger in z’n hoogdagen herinnerende “Could I Write The Song” (Die piano!), aan de door Ron Flynt van een subtiele orgelachtergrond voorziene beauty “The Night Has Worn You Down” en aan het door een even onopvallende als aanstekelijke melodie gedragen “Maybe I’ll Go”. De zich wat kwetsbaarder opstellende Newcomb uit dat soort van liedjes is ons ook na al die jaren nog altijd het liefst.

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

BLACK TOP “Rough ’N Gritty” (ARR / Sonic Rendezvous)

(3***)

Wie zweert bij lekker vette bluesrock met een twist is bij het Nederlandse trio Black Top duidelijk aan het juiste adres. De muziek van de hun sporen elders al lang nadrukkelijk verdiend hebbende Mick Hup (Noel Redding Band), Anne-Maarten “Hills” van Heuvelen (NO Blues, Tony Vega Band, Marble Tones, Tracy Bonham, Joe Purdy) en Theo Thumper (Speedtwins, Marble Tones, Jenny Kerr Band, T-Model Ford) misstaat absoluut niet tussen die van gelijkgestemde geesten als Joe Walsh, Rory Gallagher of die van ZZ Top en Bad Company. “Rough ’n Gritty” inderdaad! Volop gedomineerd door volvette gitaren en gebracht met het levensnoodzakelijke eelt op de stembanden. Voor de enen wellicht “hard to handle”, voor de anderen even “hard to resist”. Hoe dan ook ideaal om binnenkort het podium van zo menig een zomerfestival onveilig mee te maken. Ambiance verzekerd!

Black Top

Sonic Rendezvous

 

THE YOUNGERS “Heritage” (Obuck / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Heritage” is na het in 2005 verschenen “Output” de tweede van het vanuit Mohnton, Pennsylvania actieve rootsrockkwartet The Youngers. Voor die nieuwe worp gingen kopstuk Todd Bartolo en de zijnen in zee met John Carter Cash. In de legendarische Cash Cabin in Hendersonsville, Tennessee blikten ze onder zijn productionele auspicieën dertien nieuwe songs in, die de titel van hun nieuwe plaat hoegenaamd alle eer aandoen. De weer voornamelijk aan de pen van Bartolo ontsproten liedjes springen immers bijzonder creatief om met een veelheid aan invloeden en blinken bijna voortdurend uit in een respectvolle benadering van het door diens grote voorbeelden nagelaten erfgoed. “Heritage” wordt zo bijvoorbeeld welhaast doorlopend gevoed met rinkelende, beurtelings aan de Byrds en aan Crazy Horse herinnerende gitaren. In combinatie met de enigszins nasaal aandoende zang van Bartolo, gastbijdragen van onder anderen Laura Cash (fiddle), Ronnie McCoury (mandoline), James Harton (Hammond B3 en piano), Ralph Mooney (pedal steel) en John Carter Cash (percussie) en een set onmiddellijk tot de verbeelding sprekende songs levert dat een pracht van een rootsrockgeheel op. Dingen als het over een bedachtzaam hypnotiserende beat neergelegde “Truck Drivin’ Man”, de onmiddellijk verslavingsverschijnselen oproepende meezinger “Heartbreaker”, het nogal nadrukkelijk met het werk van de Byrds flirtende “Seat 24”, de heerlijke countryrocktrage “The Ride” of het met een snuif E-Street gekruide “Middle Of The Night” bijvoorbeeld zijn met melodieën om u tegen te zeggen gezegende heerlijkheden, die je keer op keer opnieuw zal willen blijven horen. Bij ons zal je dan ook absoluut geen kwaad woord over “Heritage” lezen. Warm aanbevolen!

The Youngers

Sonic Rendezvous

 

THE DEEP VIBRATION “Veracruz” (EP) (Dualtone / Bertus)

(4****)

“In der Beschränkung zeigt sich der Meister,” we hebben het ons hier al wel eens vaker laten ontvallen en doen dat naar aanleiding van de EP “Veracruz” van The Deep Vibration graag opnieuw. Liever uitpakken met “maar” vijf songs, maar dan wél met vijf echt steengoede, dan met een volwaardige debuutlangspeler die dat eigenlijk niet echt is, moeten de vier heren van dat vanuit Nashville actieve en zijn naam aan Lou Reed dankende kwartet hebben gedacht. En overschot van gelijk hadden ze! De vijf liedjes op hun door Niko Bolas (Neil Young, Warren Zevon, My Morning Jacket) geproduceerde eersteling maken immers meteen zo’n overweldigende indruk op je, dat je welhaast niet anders kan dan nu al reikhalzend uitkijken naar wat volgen zal. De vier kennen duidelijk hun klassiekers! Zonder daardoor als epigonen hoeven over te komen verwerken ze invloeden als Dylan, The Band, Springsteen, de Stones in hun topjaren en vooral ook Neil Young in hun muziek. In openingsnummer “Oklahoma City Woman Blues (Veracruz)” klopt daardoor gelijk een ongemeen groot rootsrockhart. Messcherpe gitaren, de meer gelalde dan gezongen bijdrage van frontman Matt Campbell en een in zijn geheel moddervet geluid maken van dat nummer een echte killer. In “Third Of July” gaat vervolgens het tempo aardig naar beneden. In die ingehouden folkrocker waart behoorlijk nadrukkelijk de geest van Ome Neil rond. Héél erg knap is aansluitend ook “Thanks To You”, dat mede dankzij knappe blaaspartijen van Scott Kenny (trompet) en Mike Foster (sax) en de piano van de legendarische Spooner Oldham bulkt van de soul. Even goed als de Black Crowes in de vorm van hun leven, moet je maar denken. En diezelfde vibe wordt nog even vastgehouden in “Mississippi Women”, al is dat nog net een weinig broeieriger. En dan moet het absolute klapstuk nog komen! Dat is wat ons betreft immers zondermeer het afsluitende “Tennessee Rose”. Een lekker streepje mondharmonica, uitermate subtiele gitaarspielereien en harmonieerwerk van “the divine” Gillian Welch helpen dat volop in melancholie badende deuntje uitgroeien tot een wis en waarachtige Americana-diamant. Bijzonder straffe toebak!

The Deep Vibration

Dualtone

Bertus

 

JOHN PRINE “Fair & Square EP” (Download only! / eMusic)

(3,5****)

Wil je als verzamelaar dezer dagen je collectie enigszins compleet houden, dan volstaat het al lang niet meer om uren snuffelend tussen de CD-rekken door te brengen. Naast een veelheid aan te pas en te onpas opduikende deluxe-uitvoeringen van albums met altijd wel weer het nodige “onmisbare” nieuwe materiaal erop is immers ook nog een ander fenomeen aan een bijzonder steile opmars bezig. We hebben het dan over de zogeheten digitale E.P. Steeds meer artiesten maken dankbaar gebruik van de stilaan alomtegenwoordige digitale snelweg om ons met enige regelmaat van kleine hoeveelheden elders niet verkrijgbare liedjes te voorzien. Zelfs de allergrootsten der aarde! Zo is sinds kort via sites als iTunes en eMusic van John Prine de E.P “Fair & Square” verkrijgbaar. Daarop bevinden zich vier songs, die om uiteenlopende redenen het album met dezelfde titel net niet haalden. Vier prima songs overigens! “Dual Custody” is zo een bedaard streepje countryrock, waarin beurtelings mooie herinneringen áán en de al bij al toch eerder wrange nasmaak ván een stukgelopen relatie overheersen. “That’s How Every Empire Falls” is vervolgens in diepzinnige overpeinzingen verzonken atmosferische folky Americana met zalig gitaar- en accordeonwerk als absolute meerwaarde. Nummer drie is naar Prine-normen behoorlijk snedig uit de hoek komende rootsrock. Dat maakt van “That’s Alright By Me” echter zeker geen mindere bijdrage. En tenslotte is er ook nog “Carousel Of Love”. Dat laatste deuntje sluit allicht nog het best aan bij het op de CD “Fair & Square” gebodene. Het betreft daarbij immers bezadigde Americana van precies hetzelfde type, waarmee dat album haast tot de nok toe gevuld was.

John Prine

eMusic

 

LITTLE GREEN “Crossing Lanes” (Rootsy)

(3,5****)

Aan de schier eindeloze stroom aan nieuwe rootsreleases vanuit het Hoge Noorden van de voorbije jaren lijkt zo stilaan een einde te zijn gekomen. Scandicana is duidelijk niet langer de “flavour of the month”. Maar dat neemt natuurlijk niet weg, dat er ginder wel degelijk nog Americana wordt gemaakt. Zoals door Little Green bijvoorbeeld. Dat vijftal opereert vanuit het Zweedse Göteborg en heeft duidelijk heel goed geluisterd naar The Band. Wat Andreas Johannesson (akoestische gitaar en zang), Thomas Pontén (mandoline, akoestische en elektrische en achtergrondzang), Karl Wassholm (akoestische en elektrische bassen), Fred Sörenson (fiddle en backing vocals) en Johan Hjalmarsson (drums en percussie) brengen, is een al bij al eerder brave variant op hoger genoemd genre, zoals die voornamelijk in de jaren zeventig in de States erg populair was. De elf liedjes op “Crossing Lanes” zouden indertijd radiogewijs zeker stukken hebben gemaakt. Vooral dan dingen als de melodieuze countryrockertjes “Merry- Go-Round” en “Cool Down”, die vrijwel ogenblikkelijk uitnodigen tot meeneuriën. Veel leuker vinden wij echter persoonlijk een stel andere songs. We denken dan bijvoorbeeld aan het nadrukkelijk Robbie Robertson en kompanen in herinnering roepende “Call Me”, aan het met wat leuk koperwerk opgewaardeerde stampertje “The Bells Are Ringing Their Last Call”, aan het net-niet-Americanawalsje “Don’t Make Me Dance” en vooral ook aan de erg mooie trage “Give Me A Reason”.

Little Green op MySpace

Rootsy

 

AMY SPEACE “The Killer In Me” (Wildflower Records)

(4****)

Met elke nieuwe CD weet de bekoorlijke Amy Speace de kloof tussen haarzelf en de absolute leading ladies van de alternatieve country scène weer iets meer te dichten. En écht veel is er afgaande op haar jongste worp “The Killer In Me” al niet meer nodig om ook zelf dat hoogste trapje te bereiken. Op dat door haar gitarist James Mastro geproduceerde en verder door de gerenommeerde Mitch Easter afgewerkte album laat het bastaardzusje van Lucinda Williams en Chrissie Hynde ons immers weer alle hoeken van het rootscanvas zien. Het met veteraan Ian Hunter gebrachte “I Met My Love” is zo een bijzonder geslaagde hybride van folk op z’n Iers en roadhouse rock, titelnummer “The Killer In Me” een dot van een Americanaballade, “Dog Days” lekker atmosferisch aandoende rootsrock, “Blue Horizon” alt. country soul van het betere soort, “Haven’t Learned A Thing” een fraai, volkomen akoestisch gebracht singer-songwriterniemendalletje en “Would I Lie” nerveus van de ene voet op de andere balancerende alt. country. Met veel overgave en uitzonderlijk lekker gebracht allemaal!

Amy Speace

Wildflower Records

 

MABEL MCGEE & PENNSYLVANIA SLIM “Lonesome Lo-Fi Lullabyes” (Proud Mountain Records)

(3,5****)

Bij de namen Mabel McGee en Pennsylvania Slim gaat er niet meteen een belletje bij je rinkelen? Geen nood! Het betreft hier immers een alias voor twee ook onder hun eigen namen nog relatief onbekende jonge Amerikaanse singer-songwriters. David Bavas deed hier vorig jaar al wel even van zich spreken met zijn zeer geslaagde tweede CD “Songs Of Love, Death, And Trains”, maar Willow Scrivner was óók ons ondanks drie eerdere platen totaal vreemd.

Op “Lonesome Lo-Fi Lullabyes”, hun eerste plaat samen, tackelen de twee youngsters voornamelijk klassieke countrythema’s. Dat betekent echter hoegenaamd niet, dat we hier ook te maken zouden hebben met een traditionele country-CD. Wel integendeel! Scrivner en Bavas situeren zich muzikaal gezien ergens op het kruispunt tussen illustere gezelschappen als Chris & Carla, Isobel Campbell & Mark Lanegan en de Cowboy Junkies. Hun muziek laat zich allicht nog het best omschrijven als alt. country noir. Iets waaraan de inbreng van snarenvirtuoos Kevin Wood absoluut niet vreemd is. Zijn twangy contributies op de elektrische, lap steel en banjogitaar verlenen aan het geheel bij momenten bepaald Lanois-eske trekjes. Maar dé echte trekpleisters hier zijn én blijven toch de stemmen van Scrivner en Bavas: die van haar te allen tijde warm en uitnodigend, die van hem eerder donker en krachtig. En da’s een combinatie die werkt. Denk in dat verband bijvoorbeeld ook maar aan enkele van de hoger al genoemde acts of recent ook nog Rod Picott & Amanda Shires.

Op “Lonesome Lo-Fi Lullabyes” treffen we in eerste instantie zeven eigen songs van het duo aan. Verder zijn er ook nog een fraaie cover van de Loretta Lynn-Conway Twitty-klassieker “After The Fire Is Gone” en een als hidden track de festiviteiten afsluitende alternatieve benadering van de standard “Amazing Grace”. Bepaald apart!

David Bavas - Willow Scrivner - Mabel McGee & Pennsylvania Slim

CD Baby

 

CHRISTINE ALBERT “Paris, Texafrance” (Moonhouse records)

(3,5****)

“Europe is in my blood and Texas is in my soul,” aldus Christine Albert in de liner notes van haar nieuwste worp en dus is het niet meer dan logisch ook, dat die twee op het eerste gezicht totaal verschillende werelden elkaar geregeld vinden in haar muziek. Dat gebeurde voor het eerst in 1992, toen ze met een stel bevriende muzikanten “Texafrance” inblikte. Een album, dat elf jaar later met “Texafrance – Encore!” een eerste vervolg kreeg en onlangs met “Paris, TexaFrance” ook een tweede. Daarop tackelt Albert beurtelings door-en-door Frans chansonmateriaal en door landgenoten en muzikale zielsverwanten van haar geschreven of gebrachte liedjes. Om zomaar voor de vuist weg wat namen te noemen: Charles Trenet, Lucille Starr, Edith Piaf, Jesse Winchester, Nicolette Larson en Walter Hyatt passeren ondermeer de revue. Hun liedjes vallen bij de met een stem van een engel gezegende Albert in een productie van Chris Gage in bijzonder goede aarde. Het is ronduit aandoenlijk om haar hier afwisselend in het Frans en het Engels bezig te horen. En met de al genoemde Chis Gage (gitaren, piano en accordeon), David Carroll (akoestische bas), Eddie Cantu (drums en percussie), Paul Pearcy (drums en percussie), Paul Glasse (mandoline) en Shawn Sanders (cello) is ze bovendien ook nog eens uitstekend omringd ook. Hier wordt met zoveel liefde voor het gebrachte materiaal gemusiceerd, dat je – Of je dat nu wil of niet! – vroeg of laat wel voor de bijl moet. Behendig laverend tussen Americana, folk, jazz en chanson is “Paris, Texafrance” wat ons betreft echt ideaal luistervoer voor in de late uurtjes. Een goed glas wijn binnen handbereik schaadt dan ook absoluut niet…

Christine Albert

Moonhouse Records

CD Baby

 

RALSTON BOWLES “Rally At The Texas Hotel” (Wildflower Records)

(4****)

“Carwreck Conversations”, ’s mans vorige CD, blies ons letterlijk compleet van de sokken en dat is ook met “Rally At The Texas Hotel” weer niet anders. Onder de productionele hoede van Marvin Etzioni en met de nodige hulp van onder anderen Gurf Morlix, Radoslov Lorkovic en Charlie Sexton knijpt Ralston Bowles ook op die tweede van ‘m weer het beste uit genres als (roots)rock, Americana, folk en pop samen en serveert vervolgens “shaken not stirred”. Tien nummers lang weet hij je zodoende met z’n rasperig-nasale voordracht weer probleemloos bij de les te houden. Met als dé absolute hoogvliegers wat ons betreft de samen met Charlie Sexton gebrachte deluxe rootsrocker “Velvet Elvis” en de uitermate passionele sleper “Breathe You In”, twee volvette krenten in een smakelijke pap al bij al behoorlijk goed gevuld daarmee. Warm aanbevolen als je houdt van knapen als een James McMurtry, een Dave Alvin, een Bob Dylan en een Lou Reed!

Ralston Bowles

Wildflower Records

 

ABI TAPIA “The Beauty In The Ruin” (Moonhouse Records)

(3,5****)

“The Beauty In The Ruin” is na het in 2001 verschenen “This Life Will Be Mine” en het van vier jaar later daterende “One Foot Out The Door” Abi Tapia’s derde CD. En de sinds 2002 in Austin residerende voormalige collegedocente bewijst daarop andermaal uit het juiste hout gesneden te zijn. Met haar honingzoete stem ook nu weer als haar voornaamste bondgenote brengt ze op “The Beauty In The Ruin” twaalf eigen liedjes, waarin ze met een hoopvolle glimlach om de mondhoeken ondermeer thema’s als verdriet en frustratie verkent. In een productie van Chris Gage en verder met de hulp van kleppers als onder anderen Glenn Fukunaga, Eleanor Whitmore, Bill Small, Buzz Evans en Christine Albert belandt ze op die manier bijna terloops in het kielzog van hier op handen gedragen collega’s als een Caroline Herring en een Lynne Hanson. En dat laatste zou als aanbeveling eigenlijk al ruimschoots mogen volstaan, zo lijkt ons…

Abi Tapia

Moonhouse Records

CD Baby

 

ROB LUTES “Truth & Fiction” (Rob Lutes)

(5*****)

U had zijn “Ride The Shadows” (2006) al in huis? Of de voorgangers daarvan, “Gravity” (2000) en “Middle Ground” (2002) misschien? Wel, dan kan u zich zonder verwijlen ook “Truth & Fiction” aanschaffen! Dat is immers zondermeer Rob Lutes’ beste tot op heden. Of u had nog helemaal niks van de Canadese troubadour op de plank staan? Dan wordt het verdorie wel hoog tijd om hem eindelijk eens een luisterend oor te gunnen! En dat kan het best met die vierde van ‘m. Een echte vijfsterrenplaat is dat immers geworden. Een open invitatie om met eigen oren te komen vaststellen, dat Lutes echt alles heeft, wat een heel grote singer-songwriter onderscheidt van een gewoon heel erg goede. De man schrijft songs die vrijwel zonder uitzondering het predikaat beklijvend verdienen, hij beschikt over een ongemeen warme en soulvolle stem en is daarnaast ook nog eens een begenadigde fingerpicker. Luisteren naar “Truth & Fiction” is je dan ook ogenblikkelijk gewillig laten verleiden door prachtspul als het bluesy tweetal “I Know A Girl” en “Constancy”, zalige Americana van het genre “A Small Reminder” of heerlijk atmosferische rootspop type “The Blues Don’t Shake You”. Zó mooi allemaal, dat je enigszins verwilderd achterblijft na het aanhoren ervan en keer op keer opnieuw eraan zal willen. En dan hadden we het nog niet eens over ‘s mans uitermate geslaagde cover van Warren Zevons “Mutineer”. Dat nummer wordt door Lutes op zeer vakkundige wijze naar de eigen hand gezet. In die mate, dat het voor ons eigenlijk gewoon een Lutes-song wordt. En da’s voorwaar geen gering compliment!

Een regelrechte aanrader wat ons betreft dan ook voor liefhebbers van het materiaal van knapen als Jeffrey Foucault, Peter Mulvey, Kelly Joe Phelps, Greg Brown en Rod Picott, dit door David Goodrich geproduceerde album.

Rob Lutes

CD Baby

 

WES CHARLTON “World On Fire” (Wildflower Records)

(3,5****)

Het nog relatief jonge Amerikaanse platenlabel Wildflower Records (van Judy Collins) verraste ons de voorbije weken met enkele ronduit uitstekende nieuwe releases. We noemen in dat verband bijvoorneeld Amy Speace, Ralston Bowles, Ali Eskandarian en vooral ook Wes Charlton. Diens debuut dienen we volgens zijn MySpace-pagina te rangschikken onder de noemers indie, folk rock en rock. En dat klopt in grote lijnen ook wel, al willen we daar voor dingen als het bezadigd tegen een streepje banjo aanschurkende “Daytime Blues” of het op z’n Ryan Adams intimistische “Red Eyes, Blue Lights” toch ook graag de term Americana aan toevoegen. “Still Here” rockt echter wél uitzonderlijk scherp, net als het vervaarlijk grommende en uit alle macht aan z’n kettingen snokkende “Jenny X-17” en voor “Black Alice” mag inderdaad de term indie uit de kast. “TV Girl” is op zijn beurt dan weer folk rock en zo is de cirkel helemaal rond. Luister echter vooral ook eens naar “Before I Die”, weer met zo’n markante banjolijn erin, hier in al z’n bedaardheid uitgroeiend tot een echte moordsong, en het volop aan de jonge Tom Waits herinnerende “The Wait”! Dat soort van liedjes maken van Virginian Charlton duidelijk een man voor de (nabije) toekomst! Wij kijken er nu alvast reikhalzend naar uit!

Wes Charlton op MySpace

Wildflower Records

 

Home