CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE EARL BROTHERS “The Earl Brothers” - MARK WAYNE GLASMIRE “Life Goes On” - JAKE HOOKER “Lost Along The Way” - J.D. SOUTHER “Rain - Live At The Belcourt Theatre” - HAZY MALAZE “Connections” - THE SOJOURNERS “The Sojourners” - PILGRIM “Harbour Girl” - PATTY GRIFFIN “Downtown Church” - DAN KRIKORIAN “Colors And Chords” - KATY LIED “Echo Games” - JENNY BOHMAN “Coming Home” - K.C. MCKANZIE “Hammers & Nails” en “DryLand” - TERI JOYCE “Kitchen Radio” - RETO BURRELL “Go” - LOS LOBOS “Los Lobos Goes Disney” - VARIOUS ARTISTS “Crazy Heart” (Soundtrack) - LEON BROCK “Ordinary People” - THE COAL PORTERS “Durango” - RICHIE LAWRENCE “Melancholy Waltz” - JAY LINDEN “Under The Radar” - ALLISON MOORER “Crows” - SEAN KERSHAW & THE NEW JACK RAMBLERS “Coney Island Cowboy” - ANDI ALMQVIST “Glimmer” - I SEE HAWKS IN L.A. “Shoulda Been Gold 2001-2009” - JON DEE GRAHAM “It’s Not As Bad As It Looks” - WILLY CLAY BAND “Blue” - SONS OF BILL “One Town Away” - REBECCA RIPPY “Telling Stories” - WILL HOGE “The Wreckage” - PIETA BROWN “Shimmer” - KARYN ELLIS “Even Though The Sky Was Falling” - MARK LENNON “Down The Mountain” - THE MAYFLIES “A Thousand Small Things” - JUBAL LEE YOUNG “The Last Free Place In America” - ANDREW VINCENT “Rotten Pear” - BART DE WIN “The Simple Life” - VIC CHESNUTT “Skitter On Take-Off” - ALISON O’DONNELL “Hey Hey Hippy Witch” - THE BRILLIANT MISTAKES “Distant Drumming” - DESOTO RUST “Highway Gothic” - IAN LANG “The Whisper” - Tift Merritt “Home Is Loud” - WRINKLE NECK MULES “Let The Lead Fly” - JOSEPH PARSONS BAND “Slaughterhouse Live” - ELLIOTT MURPHY “Alive In Paris” - PAUL CURRERI “California” - MICKY & THE MOTORCARS “Native”

 

THE EARL BROTHERS “The Earl Brothers” (Big Hen Music)

(4****)

Voor wie met heimwee terugdenkt aan de hoogdagen van bluegrasscoryfeeën als een Bill Monroe, de Stanley Brothers of de Louvins of het betreurt die periode niet te hebben mogen meemaken vanwege toen nog te jong of nog in de maak is ook de vierde CD van de vanuit San Francisco actieve Earl Brothers weer essentieel luistervoer. Net als op voorgangers “Whiskey, Women & Death” (2004), “Troubles To Blame” (2006) en “Moonshine” (2008) serveren Robert Earl Davis (banjo, leadzang), Danny Morris (gitaar, leadzang), James Touzel (bas, zang) en Tom Lucs (fiddle, zang) immers ook daarop weer een fraai elftal aan hun grote voorbeelden nadrukkelijk naar de kroon stekende songs. Wat de vier brengen klinkt zó heerlijk authentiek, dat het eigenlijk maar amper te begrijpen valt, dat het niet in de jaren veertig of vijftig tot stand kwam. In tegenstelling tot heel wat andere vandaag de dag aan de weg timmerende bluegrass acts verzanden de Earl Brothers echter niet in louter imiteerwerk van hun grote voorbeelden. Hun volgens het principe “Minder is juist meer!” geconcipieerde songs vallen zo bijvoorbeeld meteen op door een wat scherper randje. Hun teksten blijken vaak straffe verhalen. En wat het louter muzikale aspect van hun oeuvre betreft laten “de broertjes” zich maar zelden betrappen op een al té grote voorliefde voor het etaleren van hun skills. Het zijn weliswaar stuk voor stuk virtuozen op hun instrumenten, maar die virtuositeit wordt te allen tijde ten dienste gesteld van het gebrachte songmateriaal. En zo hoort het eigenlijk ook! Het maakt van fraaie kleinoden als “Lightning”, “When The Lovin’s All Over”, “Won’t Be Around Anymore” en andere immers onvoorwaardelijke aanraders. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

Earl Brothers

CD Baby

 

MARK WAYNE GLASMIRE “Life Goes On” (Traceway Muisc)

(2,5***)

Eerlijk is eerlijk, wij hebben het hier niet zo voor singer-songwriters, die zich in hun teksten voornamelijk beperken tot het benaderen van een onderwerp al zoveel behandeld als de liefde. Al valt daar ongetwijfeld veel over te vertellen. Maar dat is dan weer een heel ander verhaal… En dus zit Mark Wayne Glasmire eigenlijk al a priori met een serieus probleem opgezadeld. Zijn nieuwe CD “Life Goes On” bevat immers vooral songs, waarin die liefde centraal staat. Met af en toe, heel af en toe, heel even een zijstapje richting het leven zelve en het fervent najagen van wat geluk daarin. Weinig origineel allemaal, al u het ons vraagt. Wat kan Glasmire dan nog redden? Wel, de man beschikt over een mooie, erg heldere stem, die uitermate geschikt blijkt voor het brengen van zoveel zeemzoet vertier. En het feit, dat er zo nu en dan ook “echte” instrumenten als een banjo, een dobro, een fiddle en een mandoline opduiken in zijn tussen roots pop, folk, Americana en country hun weg naar commercieel succes zoekende liedjes helpt ook wel. Maar wij blijven het toch allemaal net een beetje te weinig vinden om hier echt met volle teugen van te kunnen genieten. Je moet al wel in een heel romantische bui verkeren om hier veel leukere CD’s van collega’s als pak ‘m beet een Rod Picott of een Slaid Cleaves voor te laten liggen. Neen, Glasmire kan zijn pijlen maar beter nadrukkelijk op Nashville beginnen richten. Daar horen platen van het genre van “Life Goes On” naar onze bescheiden mening nu eenmaal thuis.

Mark Wayne Glasmire

CD Baby

 

JAKE HOOKER “Lost Along The Way” (Startex Records)

(4****)

Petje af voor Jake Hooker. Die leverde met “Lost Along The Way” zopas immers andermaal een sluitend bewijs voor de stelling dat traditionele country ook anno nu nog perfect leefbaar blijft. Net als op voorganger “The Outsider” uit 2007 gaat hij ook ditmaal weer ongestoord zijn gangetje met het overvloedig voorhanden zijnde muzikale erfgoed van zijn thuishaven. Daardoor claimt hij nadrukkelijk een eigen stek tussen gelijkgestemde geesten als een Justin Treviño, een James Hand, een Dale Watson en andere contemporaine honky-tonkers. Net als die knapen gaat Hooker op het door hemzelf en Jim Loessberg geproduceerde “Lost Along The Way” voor een oertraditioneel geluid. De melancholische dansvloervuller “Lost Along The Way” biedt daardoor naast het betere croonwerk van Hooker zelve ook uitgebreid fiddleplezier namens Bobby Flores en een sierlijke steel touch signé Paul Franklin. En in een vertolking van Ray Charles’ “Talkin’ ‘Bout You” gaat mede dankzij de vocale inbreng van good old Leon Rausch en zwierig pianowerk van Pig Robbins het dak er al swingend af. En what about “Drowning My Troubles Till They’ve Learned How To Swim”? Daarin wordt Ray Pennington op muzikaal overtuigende wijze bedankt voor een country classic die naam absoluut waardig. Enfin, Hooker steekt duidelijk in de vorm van zijn leven. Hij swingt en zingt hier voortdurend dat een echte lust voor het oor is. En als er toch al eens een mondje hulp nodig blijkt, dan weet hij daarvoor naast de al genoemde Rausch ook nog schoon volk als Jody Nix, supertalent Amber Digby en Tommy Hooker in de buurt. Mogen we dan ook met een gerust gemoed warm aanbevelen, lijkt ons, deze lap onversneden Texaans retro-countryplezier.

Startex Records

CD Baby

 

J.D. SOUTHER “Rain - Live At The Belcourt Theatre” (Slow Curve Records)

(3***)

Met John David Souther gaat het uitstekend, dank u! Met “If The World Was You” maakte de vooral voor zijn bijdragen als stille man achter The Eagles bekende singer-songwriter in 2008 een gesmaakte comeback. En dat succesverhaal krijgt nu met het zeven songs tellende “Rain” een gepast staartje. Het lijkt erop, of Souther het door de eerder genoemde plaat gecreëerde momentum met dit in het historische Belcourt Theatre in Nashville opgenomen live-tussendoortje best nog wel even wil vasthouden. Samen met muzikanten Jeff Coffin, Rod McGaha, Chris Walters, Jim Mayer en Jim White blikte hij er enigszins jazzy aandoende versies van de nummers “Rain”, “A Chorus Of Your Own”, “Journey Down The Nile” en “House Of Pride” van “If The World Was You” in. Aangevuld met vertolkingen van de door hemzelf mee gepende Eagles-hit “New Kid In Town”, het ondermeer in de uitvoering van Linda Ronstadt op haar in ’75 verschenen album “Prisoner In Disguise” bekende “Silver Blue” en zijn eigen grootste hit “You’re Only Lonely” levert dat net geen vijfendertig minuten aangenaam muzikaal vertier op. Een beetje braaf allemaal misschien wel, maar voor de rest best wel o.k., vooral dan die eigen versie van “New Kid In Town” en het immer mooie “You’re Only Lonely”. Zichzelf daarin enkel begeleidend op de akoestische leverde de Amerikaan daarmee toch enkele momenten af, die ons heel even deden opveren.

JD Souther

Amazon

 

HAZY MALAZE “Connections” (Fargo / Munich)

(3,5****)

Toen Ryan Adams himself Neal Casal vrij kort na het verschijnen van “Blackout Love” in 2005 het hof maakte met de vraag om zijn Cardinals te vervoegen als gitarist, leek het nog prille verhaal van Hazy Malaze op nogal abrupt wijze al aan zijn einde te zijn gekomen. Met amper twee albums onder de arm, het al genoemde “Blackout Love” en het twee jaar eerder verschenen titelloze debuut van de groep, ging de stekker er onherroepelijk uit. That is, tot op de dag van vandaag toch. De onvoorspelbaarheid van zijn huidige broodheer blijkt Casal immers nog meer dan voldoende tijd en ruimte te laten om op gezette tijdstippen ook zijn eigen creatieve ei nog kwijt te kunnen. En daartoe behoorde klaarblijkelijk ook een nieuwe worp van Hazy Malaze. “Connections” heet die en hij bevat tien nieuwe volvette happen rootspop en -rock, variërend van eerder lijzig en met een licht psychedelisch randje in “Can’t Just Give It Away” tot (schoorvoetend) flirtend met blues en roadhouse rock in “On The Tarmac” en “My Black Cloud”, van recht-toe-recht-aan (pub)rockend in “Get Free” of “Josephine” tot knipogend richting delta blues in titelnummer “Connections”, van zich wentelend in een wolk van een slow power pop groove zoals in “Secrets Safe” tot aansluiting zoekend bij de “sound of sunny California” zoals in “Time Is Not On Our Side”. Met als absolute hoogtepunt wat ons betreft de ongemeen fraaie en al even soulvol gebrachte trage “Amazing Colors”. Die zou meteen ook als dé ideale brug naar Casals eerstvolgende soloplaat kunnen dienstdoen. En daarna mag Ryan Adams hem dan graag weer even terug hebben. Maar wel niet voor te lang, he!

Hazy Malaze

Fargo

 

THE SOJOURNERS “The Sojourners” (Black Hen / CRS / Munich)

(4****)

Na het ronduit sublieme “Downtown Church” van Patty Griffin opnieuw een niets minder dan verslavende gospelplaat! Verantwoordelijken van dienst daarvoor zijn ditmaal Will Sanders, Ron Small en Marcus Mosely oftewel The Sojourners. Die Canadese kleurlingen leerden we zowat een jaar of twee geleden pas goed kennen dankzij hun bijdrage aan Jim Byrnes’ “House Of Refuge”, eind 2007 door ons gebombardeerd tot het beste wat we dat jaar voor de kiezen hadden gekregen en dat in bepaald niet geringe mate door precies de inbreng van The Sojourners. Echte huisfavorietjes sindsdien met andere woorden, deze knapen op leeftijd, en daarin zal met het album “The Sojourners” zeker geen verandering gaan komen. Sanders, Small en Mosely verheffen soulvolle samenzang daarop immers zowat tot kunst. Met een zekere hang naar R&B in het de hoogdagen van platenlabels als Stax en Atlantic in herinnering roepende “Nobody Can Hang Me Around”, “When I Die” en “Strange Man”, tussen bluesy en eerder traditionalistisch in het recitatieve “Brother Moses Smote The Water”, quasi acapella en ongemeen broeierig in “Lead Me Guide Me”, neigend naar Americana in “It’s Hard To Stumble (When You’re On Your Knees)” of gewoon keurig met zijn drieën in lijn swingend godsvruchtige boodschappen over je uitlepelend. Hoe dan ook, je blijft als luisteraar achter met een gevoel vergelijkbaar met dat waarmee in het diepe Zuiden van de States nog wekelijks opgezweepte menigten kerkgangers voldaan weer naar huis worden gestuurd. Godsvruchtig ingesteld zijn of niet, het speelt hier geen rol van betekenis. Dit is gewoon rootsmuziek op z’n puurst! Beschikken over een open ingestelde geest volstaat wat ons betreft ruimschoots om hiervan ten volle te kunnen genieten.

The Sojourners

Black Hen Music

 

PILGRIM “Harbour Girl” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Van een eigenaardige combinatie gesproken! Het dezer dagen uit Karin Forsman (zang), Marcus Svensson (dobro, gitaren, zang), Peter Gran (mandoline, banjo, akoestische gitaar, zang) en Mikael Fahleryd (double bass) bestaande Zweedse viertal Pilgrim ging voor zijn nieuwe CD “Harbour Girl” een alliantie met niemand minder dan Kinks-baas Ray Davies aan. En zeg nu zelf, die had je toch niet meteen als producer van een met akoestische old time country en bluegrass gevulde plaat verwacht, he? Maar dat is dus wel degelijk het geval hier en meer zelfs nog, want met “Aunt Maria” en het titelnummer draagt hij ook twee songs tot het geheel bij. Twee prima liedjes! En zo zijn er hier wel meer te vinden. Ook zonder de vaste steun van haar tweelingzus Maria, die door omstandigheden tijdelijk op non-actief kwam te staan en daardoor rechtstreeks mee aan de basis lag van de naamsverandering van Pilgrim Sisters in Pilgrim, is Karin Forsman hier zanggewijs weer voortdurend goed voor het nodige kippenvel. Mooi het midden houdend tussen traditionele akoestische country en bluegrass wisselen zij en haar extreem getalenteerde kompanen eigen composities af met “grassy” covers van ondermeer het door Johnny Cash de eeuwigheid ingezongen “Ring Of Fire”, David Allan Coe’s “Would You Lay With Me (In A Field Of Stone)”, Eddy McDuffs wellicht via Buck Owens of George Jones ontdekte “Hello Trouble”, “Broadminded” van de Louvins en A.P. Carters “I’m Working On A Building”. Die gang van zaken resulteert andermaal in een prima plaat. Veel beter eigenlijk dan wat heel wat van de Amerikaanse spitsbroeders van het viertal regelmatig durven af te leveren. En dat lijkt ons zo ongeveer het mooiste compliment, dat je nachtegaaltje Forsman en haar maatjes kan maken.

Pilgrim op MySpace

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

PATTY GRIFFIN “Downtown Church” (EMI / CMG)

(5*****)

Patty Griffin heeft zich in het verleden al wel eens vaker op een zekere voorliefde voor gospel laten betrappen. En als dusdanig kwam het nieuws, dat haar volgende plaat een heus gospelalbum zou gaan worden ook niet echt als een verrassing. Net zo min als het een verrassing is, dat het weer een fabelachtig mooie plaat is overigens. “Downtown Church” brengt eigenlijk gewoon de bevestiging van iets wat we al véél en véél langer wisten, namelijk dat Griffin één van dé allermooiste stemmen van het moment heeft. Het is een van de eerste tot de laatste seconde beklijvende plaat, die spelenderwijze elk vooroordeel ten opzichte van het gospelgenre uit de weg zou moeten kunnen ruimen. Vooral haar eclectische benadering van dat gegeven en het inzetten van de juiste mensen op de juiste plaats helpen Griffin om van “Downtown Church” een werkelijk memorabel gebeuren te maken. Haar samen met de grote Emmylou Harris de ballade “Little Fire” horen brengen is zo bijvoorbeeld als kloppen op de poorten van de Hemel. Haar met de McCrarys, Jim Lauderdale en Buddy Miller tekeer horen gaan in het van een shot rockabilly bediende “Move Up” staat dan weer voor diezelfde poorten met geweld open trappen. “Death’s Got A Warrant”, opnieuw met assistentie van de McCrarys, is vervolgens pure gospelgrandeur, zoals die alleen in het Zuiden van de States lijkt te kunnen. Andere hoogtepunten? De in duet met Julie Miller gebrachte trage “Coming Home To Me”, het met de van de Mavericks bekende Raul Malo gedeelde “Virgen De Guadalupe”, het extreem rootsy, tegen een ogenblikkelijk op je trommelvliezen gebrande baslijn neergelegde “Wade In The Water” met gasten Regina McCrary en Mike Farris, het soulvolle, met de steun van Buddy Miller ingeblikte “Never Grow Old” en het lekker “mean” uit de hoek komende “I Smell A Rat”. Stuk voor stuk liedjes, die voor heel wat nieuwe gelovigen zouden moeten kunnen zorgen. En materiaal ook, dat ons voor het eerst in het nog jonge jaar alweer aan onze volgende eindejaarlijst deed denken. Een niets minder dan essentieel album!

Patty Griffin

 

DAN KRIKORIAN “Colors And Chords” (Dan Krikorian)

(3,5****)

“Colors And Chords” is na het in 2008 verschenen “Oxford Street” het tweede album van de vanuit Orange County actieve singer-songwriter Dan Krikorian. En afgaand op de tien liedjes daarop kunnen we stellen, dat de beste man de vergelijkingen met Josh Ritter, Joe Purdy, Damien Rice en Jack Johnson, die je her en der leest, wel rechtvaardigt. Hij brengt een aangenaam wegluisterende mix van pop, rock en folk, waarin voor de eigen wat dromerig aandoende stem voortdurend een hoofdrol weggelegd blijkt. Ze variëren van intimistisch tot voorzichtig soulvol, de kleinoden, waarin Krikorian zijn catchy teksten weet te verpakken. En het zou ons dan ook absoluut niet verbazen, als je op z’n minst enkele van de songs hier vroeg of laat op de achtergrond in de één of andere populaire TV-reeks mocht terughoren. Wat Krikorian in het gezelschap van de van I See Hawks In L.A. bekende Shawn Nourse (productie, drums en percussie), gitarist Bob Boulding van de Young Dubliners, superbassist Taras Prodaniuk en toetsenman Carl Bryson aflevert, klinkt immers ontzettend af. Horen we beslist nog meer van, van deze knaap!

Dan Krikorian

CD Baby

 

KATY LIED “Echo Games” (Katy Lied)

(3,5****)

Katy Lied is een Engels viermanschap, dat zo’n twee jaar geleden debuteerde met de CD “Late Arrival”. En nu is er de opvolger van die plaat, “Echo Games”. In de tien songs daarop focussen de Britten nogal nadrukkelijk op hun voornaamste troeven. In de eerste plaats is dat de heldere stem van frontvrouw Katie Harnett. Die heeft een werkelijk fenomenaal bereik en vertolkt op “Echo Games” met sprekend gemak de meest uiteenlopende gevoelens. Anderzijds vallen ook de gitaarbijdragen van Duncan Hamilton meteen op. Die blaast met eenzelfde gemak het nodige leven in liedjes, die zich onder zo uiteenlopende noemers als pop, roots rock en Americana laten vangen. Die Hamilton is trouwens ook het creatieve brein achter de groep. Hij draagt zo ongeveer al het songgoed aan. Al dient daar ditmaal wél bij te worden vermeld, dat hij zich voor enkele liedjes liet bijstaan door anderen, zoals Thea Gilmore, Dai Smith en multi-instrumentalist Nigel Stonier. Bij het beluisteren van “Echo Games” hebben wij ons hier herhaaldelijk zitten afvragen, waaraan dit ons deed denken, want het klonk bij momenten écht wel vertrouwd. Uiteindelijk schoot ons de naam River City People te binnen, de groep, waarin Siobhan Maher-Kennedy ooit nog het mooie weer maakte. Iets als “Piece By Piece” bijvoorbeeld is best wel vergelijkbaar met het materiaal van die band. Maar dat is maar een momentopname! Het twangy “Watch This Space” is zo al heel andere koek. Daar is duidelijk sprake van Americana. En ook het titelnummer met zijn wat aparte groove richt zijn blikken duidelijk richting andere oorden. Daar zou je durven zweren, dat Harnett zwaar beïnvloed werd door Jefferson Airplane en met name dan door Grace Slick.

Katy Lied

 

JENNY BOHMAN “Coming Home” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Leed blijkt vaak een uiterst interessante voedingsbodem voor muziek. Het is jammer, maar het is wel zo. Dat blijkt maar weer eens naar aanleiding van “Coming Home”, de eerste soloplaat van Jenny Bohman. Die Zweedse verdient al bijna twintig jaar lang haar boterham met het maken van muziek. Ondermeer bij de Monaco Blues Band en Little Jennie & The Bluebeans. Maar net nu ze zich wat meer wilde gaan toeleggen op het verbeteren van haar singer-songwritertalenten en een carrière onder eigen naam sloeg het noodlot tweemaal genadeloos hard toe. Kort voor het beëindigen van de opnames voor haar debuutplaat overleed vriend en producer Thomas Almqvist plots. Bohman werd daardoor danig getroffen, dat ze prompt besliste om de werkzaamheden aan haar visitekaartje voor een half jaar op te schorten. En toen ze de voorbije zomer haar rouwproces uiteindelijk voltrokken wist en opnieuw vol goede moed aan het werk ging, kwam plots een tweede, zo mogelijk nog tragischere boodschap. Bohman werd ernstig ziek. Diagnose: kanker. Een mens zou voor minder het hoofd buigen! Niet echter Bohman. Zij zette alles op alles om haar droom te realiseren. En dus werd “Coming Home” vooralsnog voltooid. En de Zweedse mag er terecht trots op zijn. “Coming Home” is immers een erg knap roots & bluesalbum geworden. Bohman zelf herinnert daarop zanggewijs een heel klein beetje aan Bonnie Raitt. En dat bedoelen we vooral als een compliment! Haar soulvolle strot en ook haar mondharmonicaspel blijken immers twee ontzettend sterke troefkaarten. “Coming Home” is overigens een lekker gevarieerd geheel geworden. “I Just Want Your Money” is zo bijvoorbeeld licht melancholische alt. country à la Lucinda, titelnummer “Coming Home” bluesy Americana met tonnen soul, “Democracy” een funky bluesje, “Billys Walk” blues tout court en “Right By Your Side” het soort van folky benadering van dat genre, waaraan Rory Block zich ook wel eens durft te wagen. De blues is – Begrijpelijkerwijze! – constant prominent aanwezig, maar wordt danig genuanceerd aangeboden, dat je toch nooit het gevoel krijgt van naar een volbloed-bluesalbum te luisteren. Grote klasse! En we kunnen met z’n allen dan ook alleen maar hopen, dat Bohman het belangrijkste gevecht van haar leven als overwinnaar zal afsluiten. Het zou echt doodjammer zijn, als zo’n groot talent ons al na één enkele plaat ontnomen zou worden.

(Je kan je dit album via de link hieronder voor amper 6 euro aanschaffen bij Sonic Rendezvous. Alleen al om Bohman te helpen bij het betalen van haar doktersrekeningen zou je dat eigenlijk op z’n minst moeten overwegen. Het goede nieuws is echter, dat er ook voor jou iets aan vastzit: een ronduit uitstekende plaat namelijk. Vooral doen dus!)

Jenny Bohman op MySpace

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

K.C. MCKANZIE “Hammers & Nails” en “DryLand” (t3 records)

(4****)

We hadden al zeer veel goeds over haar gelezen en gehoord, maar zelf hadden we tot voor kort nog niet mogen kennismaken met de muziek van K.C. McKanzie. En dat bleek na het beluisteren van “Hammers & Nails” (2008) en “DryLand” (2009), haar twee recentste albums, een serieus gemis te zijn geweest! Het fotomateriaal gebruikt voor de hoesjes van die platen deed ons al een beetje denken in de richting van collega’s als Gillian Welch en Rachel Harrington. En ook de muziek van McKanzie situeert zich nadrukkelijk in hetzelfde straatje als die van dat tweetal. Met haar fraaie, bitterzoete stem, een akoestische gitaar en een banjo als haar voornaamste bondgenoten schildert de jonge Duitse op elk van die beide platen in het gezelschap van haar “eigen Dave Rawlings” Budi (bas, banjo en percussie) een dertiental tafereeltjes, die je louter gevoelsmatig ogenblikkelijk lijken te willen meenemen naar meer rurale delen van de zuidelijke States en dan bij voorkeur nog zo’n goede zeventig tot tachtig jaar geleden. Net als de beide hoger genoemde dames slaagt McKanzie er echter in, dat old-time gevoel te vertalen naar een louter muzikaal gezien wat actuelere context. Haar fraaie, beurtelings wat meer naar Americana, folk, bluegrass en country overhellende liedjes moeten het vooral hebben van de atmosfeer, die ze vrijwel ogenblikkelijk creëren. Op delicate wijze, enigszins wrang melancholisch, buigen ze zich over het leven aan de zelfkant van de maatschappij. En daar is het aan de hand van deze uiterst getalenteerde dame aangenaam toeven. Fans van Welch en Harrington raden we deze schijfjes dan ook van ganser harte aan. Maar ook liefhebbers van pak ‘m beet een Alela Diane, een Jolie Holland of de Be Good Tanyas zullen hier wel raad mee weten. Werkelijk bloedmooi allemaal! En wij hebben ons dan ook al voorgenomen om snel op zoek te gaan naar “Weird Tunes From A Wild Mind” en “The Widow Tries To Hide”, de beide eerste platen van McKanzie uit 2004 en 2006. Euro Americana op z’n allerbest!

K.C. McKanzie

K.C. McKanzie op MySpace

CD Baby

 

TERI JOYCE “Kitchen Radio” (Teri Joyce / Cow Island Music)

(3,5****)

We hebben het hier al wel eens vaker geschreven: ons kent ons in Texas. En met name in Austin is het als muzikant bon ton om op het werk van collega’s een handje te komen toesteken. Zelfs als het daarbij relatieve nieuwkomers betreft als deze Teri Joyce. Joyce kenden we vooralsnog enkel van door anderen opgenomen liedjes van haar. Met name Marti Brom, Ted Roddy, Karen Poston, Rick Broussard en Roger Wallace bedienden zich reeds van haar materiaal. En die laatste is wellicht bij wijze van wederdienst ook nadrukkelijk op het visitekaartje van Joyce aanwezig. Hij duikt links en rechts harmoniërend op en brengt ook enkele duetten met de debutante (“Let’s Stop Singin’ This Ol’ Song” en “Fifteen Minutes Of Shame”). Maar Wallace is hier lang niet de enige bekendheid in de buurt. Wij noteerden bijvoorbeeld ook nog de namen van Dave Biller, Jim Stringer, T Jarrod Bonta, Brad Fordham, Lisa Pankratz, Marty Muse, Cindy Cashdollar, Bobby Flores, Eamon McLoughlin, Floyd Domino, Jake Hooker, Justin Trevino en Brennen Leigh. In Austin noemen ze dit wellicht een all-star cast. Feit is, dat het een zeer onderhoudend album heeft opgeleverd, waarop traditionele country ouderwets lekker veertien nummers lang in het middelpunt van de belangstelling staat. En dat het daarbij ook nog eens uitsluitend eigen songs betreft is zeker een pluspunt. Dat Joyce over een gouden “honky-tonkstrotje” beschikt óók. Liefhebbers van het materiaal van dames als Rosie Flores, Susanna Van Tassel en Libbi Bosworth moeten hier wat ons betreft dan ook dringend aan. Zij zullen het zich immers absoluut niet beklagen dit door Joyce samen met Justin Trevino geproduceerde debuut in huis te hebben. “Pure country from a gal with a heart as big Texas” omschreef een fan het in een aanbeveling op online shop CD Baby en daarmee sloeg die eigenlijk spijkers met koppen. Kunnen ook wij ons helemaal in vinden!

Teri Joyce

Cow Island Music

CD Baby

 

RETO BURRELL “Go” (Echopark Music)

(3,5****)

Veel meer nog dan met zijn vorige platen bewijst Reto Burrell met het nieuwe “Go”, dat Zwitserland véél en véél te klein voor ‘m aan het worden is. Gelijk vanaf het openingsnummer van die plaat, de zalige melodieuze rocker “This Is It”, grijpt hij je bij je nekvel om je pas twaalf songs verder hongerend naar meer weer los te laten. Let wel, dit is niet langer de Burrell van zijn eerste platen. Waar daar de link met Americana nog redelijk voor de hand liggend was, hebben heel wat nummers op “Go” amper nog iets met dat genre te maken. Hier regeren nadrukkelijk pop, rock en af en toe de rootsvariant daarop. Maar dat doet uiteraard niets af aan de kwaliteit van Burrells songs. Het keurig de aandacht tussen ’s mans gruizige stem, zwierig pianowerk van Phil Parlapiano - What’s in a name? - en de elektrische gitaren van Burrell zelf en Jonny Polonsky verdelende “Suitcase” is bijvoorbeeld ronduit geweldig. Veel lekkerder rocken kan amper! En dan is er zeker ook nog “Some Days”, een mooie ballade, waarin Rich Mouser steelgitaargewijs toch even het element country wat weet aan te zwengelen. Of het gevoelige “Coming Home” ook, dat eigenlijk gewoon alles heeft om een lang radioleven te gaan leiden. Je ziet de in de lucht gehouden brandende aanstekers bij optredens al zo voor je… Maar - Eerlijk is eerlijk! - wij hebben het toch nog net iets meer voor de wat stevigere nummers hier. We denken dan aan dingen als het perfect bij de al eerder genoemde opener aansluitende “Heart & Bones”, het springerige “Uninvited Honesty”, het door het aandeel van enkele fanatiek gemolesteerde gitaren bijna uit de bocht gaande en met een snuif punk gekruide “Not As Cool As L.A.” of het ons mede dankzij de orgelinbreng van Rich Mouser van opzet een weinig aan Tom Petty herinnerende duetje met Tift Merritt “Dancing To The Rhythm Of The Rain”, nog een gedroomde singlekandidaat!

Reto Burrell

Echopark Music

 

LOS LOBOS “Los Lobos Goes Disney” (Walt Disney Records)

(4****)

Dit moet zowat dé gezinsvriendelijkste plaat in tijden zijn! De onvolprezen wolven tackelen op hun nieuwste immers dertien stukken uit legendarische Disney-producties. Gecoverd worden songs uit films als “Sneeuwwitje En De Zeven Dwergen”, “Jungle Book”, “Robin Hood”, “Pinokkio”, “Toy Story”, “Lady En De Vagebond”, “101 Dalmatiërs” en andere evergreens bij het jonge grut. Van “Heigh-Ho” over “I Wan’na Be Like You” of “Not In Nottingham” tot “The Tiki Tiki Tiki Room”, van “Grim Grinning Ghosts” over “I Will Go Sailing No More” en “The Ugly Bug Ball” tot “Cruella De Vil”, van “Bella Notte” over “Zip-A-Dee-Doo-Dah” en “Bare Necessities” tot “Oo-De-Lally” en de medley “When You Wish Upon A Star / It’s A Small World”. En niet één Disney classic blijkt bestand tegen de Los Lobos treatment. Prachtig gewoon, hoe David Hidalgo, Cesar Rosas, Steve Berlin, Louie Perez, Conrad Lozano en Cougar Estrada erin slagen om van deze door de jaren heen toch compleet grijs gedraaide songs volstrekt nieuwe items te maken. Hun roots & roll-benadering zorgt ervoor, dat deze deuntjes niet langer uitsluitend voor een jeugdig publiek bestemd hoeven te zijn. Deze knaap hier lust er alvast wel pap van!

Los Lobos

 

VARIOUS ARTISTS “Crazy Heart” (Soundtrack) (New West /sonic Rendezvous)

(4****)

Rond deze prent was de voorbije dagen nogal wat te doen in Amerikaanse rootsmuziekminnende middens. Tijdens de jongste uitreiking van de prestigieuze Golden Globe Awards kaapte “Crazy Heart” immers liefst twee van de hoofdprijzen weg. Jeff Bridges ging aan de haal met de trofee voor “Best Performance by an Actor in a Motion Picture – Drama” en Ryan Bingham en T Bone Burnett deden hetzelfde met die voor “Best Original Song – Motion Picture”. Hun thema voor de film, “The Weary Kind”, vertolkt door Bingham zelf, maakte ons alvast razend benieuwd naar het overige materiaal op de soundtrack. En dat blijkt reuze mee te vallen! Naast ouder spul van Buck Owens, The Louvin Brothers, Lightnin’ Hopkins, Waylon Jennings, Townes Van Zandt en Sam Phillips krijgen we ondermeer ook een zestal door Jeff Bridges in de film vertolkte liedjes te horen. En die variëren van gewoon goed tot ronduit uitstekend. Met name de fraaie Americana ballads “Hold On You” en “Brand New Angel”, het van opzet een weinig aan het stevigere materiaal van John Hiatt herinnerende rootsrockertje “”Somebody Else”, het melodieuze, door Stephen Bruton en Gary Nicholson aangedragen “Fallin’ & Flyin’” – Gebracht met Colin Farrell! - en het met ondermeer Buddy Miller, Greg Leisz en Joel Guzman ingeblikte en wat Zuiders aandoende “I Don’t Know” zorgen voor stof tot nadenken. Zou deze Jeff Bridges het op z’n minst eens niet even willen overwegen om ook als Americana act aan de slag te blijven? Zijn vertolking van de countryzanger Bad Blake smaakt immers volop naar meer! Wat een mooie, ontzettend warme stem heeft die man! Andere aandachtstrekkers op “Crazy Heart” zijn een hyperswingend “Gone, Gone, Gone” door Bridges’ collega Colin Farrell, een door acteur Robert Duvall meer vertelde dan gezongen versie van Billy Joe en Eddy Shavers “Live Forever” en Ryan Binghams bijdragen. Er is natuurlijk in de eerste plaats het al genoemde, prijswinnende “The Weary Kind”, een ongelooflijk mooie Americana-trage en wellicht één van de allermooiste songs op het repertoire van de man so far. Maar ook dat andere liedje van ‘m, “I Don’t Know”, is van uitstekende makelijk. Daarin komt hij bedaard countryrockend haast even sympathiek uit de hoek. Al bij al een voorbeeldige soundtrack, die in z’n liner notes door alle betrokkenen wordt opgedragen aan de onlangs overleden Stephen Bruton. Een schone geste!

Crazy Heart – New West Records

Sonic Rendezvous

 

LEON BROCK “Ordinary People” (Saguaro Records)

(3,5****)

Ergens in het voorjaar van 2008 trok Leon Brock een streep onder zijn eigen verleden. Hij doekte The Red Sea Sharks op en vertrok aansluitend daarop met zijn camper richting de States. Zijn rondreizend bestaan aldaar tekende hij nauwkeurig op in een dagboek. En dat laatste zou na zijn terugkeer in Delft al snel aanleiding gaan geven tot een nieuw hoofdstuk in zijn carrière als muzikant. Slechts “gewapend” met een akoestische en een mondharmonica vertaalde hij zijn belevenissen in en observaties van de Verenigde Staten naar een elftal songs, die hij vervolgens in de beste singer-songwritertraditie met de hulp van pianist Guus Westdorp en bassist Martin Vermeer inblikte. In die liedjes treedt hij nogal nadrukkelijk in de voetsporen van knapen als een Townes Van Zandt, een Steve Earle, een Neil Young en een David Munyon. Vaardig heen en weer laverend tussen rootsy folk, Americana en country rock schildert hij ons “zijn Amerika”. En dat levert enkele uiterst fascinerende taferelen op. Het siert Brock overigens, dat hij zich voor het finaliseren van zijn teksten liet bijstaan door Dan McCann, voormalig bassist van Evan Johns & His H-Bombs. Het komt de authenticiteit van zijn materiaal alleen maar ten goede. Absolute topmomenten op deze eigenlijk gewoon in haar geheel bekorende CD zijn wat ons betreft de door gast Ad Vermeer met een streepje dobro opgeluisterde ballade “Eyes Of A Boy”, het op enigszins jazzy wijze “These Boots Are Made For Walking” heruitvindende “A Pair Of Cowboy Boots” en het ook muzikaal gezien zijn titel volgende “Mexican Border”. Vooral dat laatste met gastbijdragen op respectievelijk accordeon en flamencogitaar van Henk de Kat en Theo Blankenstein mag van ons rustig een indicatie vormen voor de door Brock in de toekomst te bewandelen weg. Puik werk, Leon!

Leon Brock op MySpace

CD Baby

 

THE COAL PORTERS “Durango” (Prima Records)

(4****)

Met “Durango” voegen The Coal Porters andermaal een heerlijke CD aan hun toch al aardig indrukwekkende oeuvre toe. Ex-Long Ryder Sid Griffin en zijn gezellen tasten op dat nieuwe, door de vermaarde Ed Stasium geproduceerde album verder de grenzen van het bluegrassgenre af. Voor de opnames ervan doken ze allemaal samen de studio in, alwaar ze, elkaar daarbij voortdurend in de ogen kijkend, resoluut op zoek gingen naar een authentieke live sound.  Een weinig assistentie kregen ze daarbij van Tim O’Brien, die zijn mandoline liet spreken in “Roadkill Breakdown”, van Peter Rowan, die zang- en gitaargewijs een duit in het zakje kwam doen tijdens “Moonlight Midnight”, en van Ed Stasium, die her en der wat backing vocals verzorgde. Op “Durango” zal je overigens voornamelijk op eigen materiaal van de Porters stoten. Sid Griffin schreef vijf van de dertien songs erop, Neil Robert Herd droeg er op zijn beurt drie aan en Dick Smith tekende met “Roadkill Breakdown” voor één exemplaar. Voorts boog men zich ook nog over de traditionals “Pretty Polly” en “Sail Away, Ladies!”, die hier een compleet nieuw arrangement aangemeten krijgen, over Neil Youngs “Like A Hurricane” en over Tim O’Briens “Moonlight Midnight”. Het resultaat van dat alles is een van de eerste tot de laatste noot hoogst onderhoudende plaat, die met bluegrass als uitvalsbasis ook tal van andere rootsmuziekgenres aandoet: van Western swing in “The Squeaky Wheel Gets The Oil” tot roots rock in “Like A Hurricane” of Americana in “Permanent Twilight”. Erg lekker en derhalve ook warm aanbevolen! (Als extraatje krijg je bovendien ook nog een korte documentaire over de groep van de hand van Bibi Kangwana.)

The Coalporters op MySpace

 

RICHIE LAWRENCE “Melancholy Waltz” (Big Book Records)

(3***)

De naam Richie Lawrence associëren wij hier vooral met ‘s mans laatste project The Loose Acoustic Trio en met recente bijdragen aan nummers van I See Hawks In L.A., maar zijn muzikaal c.v. reikt eigenlijk al veel verder terug in de tijd. Tot ergens vroeg in de jaren tachtig meer bepaald. Je mag hier dus wel degelijk spreken over een ervaren rot in het vak. Een echte virtuoos is het, zowel op zijn Steinway, als op het accordeon. En dat laat hij duidelijk horen ook op zijn solodebuut “Melancholy Waltz”, een allesbehalve alledaagse rootsplaat. Het werkt bijvoorbeeld bepaald bevreemdend om flarden “Für Elise” doorheen “Bee’s Blues” te horen waaien. En nogal wat, met name van de tragere nummers lijken uitermate geschikt om als late night soundtracks in goedkope hoerententen of bedompte aftandse drankgelegenheden ergens in het diepe Zuiden van de States te fungeren. We denken dan bijvoorbeeld aan het voorzichtig frivole “Cafe Katie”, het met quasi dronken stem gebrachte “Faith Come Back To Me” en het volop de spirit van het New Orleans van weleer evocerende “For A While”. Dat laatste liedje, het old-timey “I Am Weary (Let Me Rest)”, een duetje met Katie Thomas, de fraaie, volop van de eigen goudbruine stem profiterende ballade “My Love” en het schitterende, accordeon- en Franglaisgewijs met een flinke snuif cajun gekruide “Danielle” zijn wat ons betreft meteen de vier absolute hoogtepunten van een plaat, die weliswaar een zekere gewenning vereist, maar daarna met elke beluistering weer een weinig aan charme wint.

Richie Lawrence

Big Book Records

CD Baby

 

JAY LINDEN “Under The Radar” (Jay Linden)

(5*****)

Wie net als ons een exemplaar van Jay Lindens in 2006 verschenen “Satchel” op de plank heeft staan, zal allicht niet erg veel overtuigende woorden nodig hebben om zich met gezwinde spoed ook ’s mans nieuwe “Under The Radar” aan te schaffen. De meningen waren indertijd vrijwel unaniem erg lovend. En superlatieven als “memorabel” en “tijdloos” vatten eigenlijk ook wel erg goed de muziek van Linden samen. Je wist gelijk al vanaf je eerste beluistering van die echt wel essentiële plaat, dat het er één was waar je nog graag en veel zou naar gaan teruggrijpen. En dat is ook het gevoel, dat ons meteen na het eerste rondje “Under The Radar” overviel. Ook dat is immers weer een echte wolk van een singer-songwriterplaat. Een plaat, die weer volop uitnodigt tot vergelijkingen met enkelen van de allergrootsten in het vak, als daar zijn een Townes Van Zandt, een Gordon Lightfoot en een Greg Brown. Net als “Satchel” werd ook Lindens nieuwste weer gewoon in de eigen living ingeblikt. En net als dat album werd ook dit nieuwe weer lekker naakt gehouden. Enkel producer Colin Linden (dobro, mandoline, bas en elektrische gitaar) en Chris Donahue (bas) mogen occasioneel een functionele duit mee in het zakje komen doen. En da’s maar goed zo ook. Alles waar het hier om draait zijn immers die heerlijke, een weinig verweerd aandoende stem van Linden zelf, zijn subtiele akoestische gitaarspel en vooral ook die schoonheden van songs van ‘m. ’s Mans verhalen zijn immer boeiend en het “minder is meer”-principe komt hen alleen maar ten goede. Je wordt zo als het ware gedwongen om te luisteren naar alle boeiends wat Linden te vertellen heeft. Elf van de zestien songs hier zijn overigens van de hand van de beste man zelf. “One Vessel” en “What’s The Matter With You” leende hij van zijn landgenoot Willie P. Bennett, “20 Million Things” van wijlen Lowell George, “Snake Song” van de grote Townes Van Zandt en het ondermeer al in uitvoeringen van Johnny Cash en Merle Haggard bekende “That Lucky Old Sun” van Haven Gillespie en Beasley Smith. Dat laatste liedje vonden wij één van de absolute hoogtepunten hier, samen met het deels biografisch, deels autobiografisch opgevatte “Foot Of Glory”, een indirecte aanmoediging om in het leven vooral je eigen verhaal te schrijven, banjodeun “Some Folks Do”, waarin hetzelfde thema nog wat meer uitgediept en tegelijk subtieler aan bod komt, en het verstilde, van een fraai streepje mondharmonica voorziene “When The Time Is Gone”. Weergaloos spul zondermeer!

Jay Linden

CD Baby

 

ALLISON MOORER “Crows” (Rykodisc)

(4****)

Allison Moorer bewandelt op haar nieuwe CD “Crows” resoluut nieuwe paden. De dertien songs daarop breken stilistisch gezien met de grote meerderheid van haar eerdere materiaal. Onder de vleugels van de in Nashville op handen gedragen producer R.S. Field zet ze de tanden in dertien songs, die vooral tot doel lijken te hebben haar vocale capaciteiten te accentueren. En in dat opzicht herinneren ze wel een weinig aan het latere werk van haar zus Shelby Lynne. Alleen is het wel zo, dat de liedjes op “Crows” veelal dienen te worden gesitueerd tussen pop en folk, hoe soulvol de zang van Moorer bij momenten ook is. Nieuw is ook, dat de songs voor “Crows” voornamelijk achter de piano werden gecomponeerd. En dat levert uiteraard andere resultaten op dan op de akoestische gitaar. “Crows” beluisteren betekent dan ook in eerste instantie even wennen. Zodra je echter op dezelfde muzikale golflengte als Moorer komt te zitten, valt er hier ontzettend veel te beleven. Dan ga je plots met volle teugen genieten van dingen als het ergens in de buurt van de recentere creaties K.D. Lang strandende “Goodbye To The Ground”, de bezwerende en met ongelooflijk veel passie aan de man gebrachte pianoballade “Should I Be Concerned”, het op subtiele wijze voor een onhaalbare liefde waarschuwende “Just Another Fool” en het wel nog tegen een lekker gitaartje schurkende rootspopdondertje “The Broken Girl”, de wat ons betreft volkomen terechte eerste single van de plaat. Maar je bent dus wel gewaarschuwd! Met country en Americana heeft het allemaal véél en véél minder te maken dan vroeger. Amper nog eigenlijk.

Allison Moorer

Rykodisc

 

SEAN KERSHAW & THE NEW JACK RAMBLERS “Coney Island Cowboy” (VCD)

(4****)

Niks zo lekker als een heerlijke lap onvervalste honky-tonk met veel branie vertaald naar het hier en nu op z’n tijd. En dat is exact wat Sean Kershaw en zijn New Jack Ramblers ons vanuit of all places Brooklyn serveren op hun CD-debuut “Coney Island Cowboy”. Kershaw, die als soldatenkind via Californië, Louisiana en het Duitse Heidelberg uiteindelijk in zijn huidige heimat verzeild geraakte, zette zijn eerste stappen in het muziekgebeuren als frontman van rockabilly act The Blind Pharaohs. Dat in het werk van zijn nieuwe groep ook sporen van dat genre opduiken is dan ook allesbehalve vreemd te noemen. Want voor alle duidelijkheid: Kershaw en de zijnen zijn absoluut niet vies van een zijsprongetje. Op “Coney Island Cowboy” vormen traditionele country, de huidige alternatieve variant daarop, rockabilly en swing vier zo goed als onafscheidelijke kompanen. Op dat in augustus van 2008 onder toezicht van Rick Miller van Southern Culture On The Skids in diens studio ingeblikte visitekaartje doen Kershaw en zijn maats het vooral met eigen materiaal. Enige uitzondering op die regel vormt het afsluitende “Six Days On The Road”, een met Miller een handje toestekend op de elektrische ingeblikte, stomende cover van die Dave Dudley-trucker classic. Bijzonder knap is het, hoe Kershaw en zijn troepen er niet enkel daarin slagen om het hoge adrenalinegehalte, dat hun optredens ongetwijfeld moet kenmerken, naar hun eerste album te vertalen. Dat is een kunstje, dat heel wat grote namen zelfs na jaren op de planken en vele uren in de opnamestudio maar niet geflikt krijgen. Wat ons betreft is dit met krassen op de ziel achterlatende zang, wilde gitaren, dito drums, wat jammerende pedal steel op zijn tijd en een met venijn bepotelde doghouse bass gevulde geheel dan ook een aanrader van jewelste. Niets minder dan “the real deal”, zeg maar.

Sean Kershaw & The New Jack Ramblers

CD Baby

 

ANDI ALMQVIST “Glimmer” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

“Glimmer”, de nieuwe CD van de Zweed Andi Almqvist, staat voor bijzonder intrigerend gezelschap. Het is er één, die je besluipt, bekruipt en meteen ontzettend diep in je ziel treft. Meer dan op z’n vorige platen staat hij hier open voor invloeden van dichter bij huis. In het gezelschap van Bebe Risenfors (ondermeer akoestische bas, tuba, sax, accordeon, harmonica, mellotron, omnichord en glockenspiel), Pelle Ossler (gitaar), Sara Jefta (viool) en Conny Städe (drums) verzeilt hij daardoor dertien nummers lang in muzikale uithoeken, waar ook schoon volk als Tom Waits, Nick Cave en die van Tindersticks of Woven Hand wel eens pleegt te buurten. Het is er op een aangename manier beklemmend. Het doet er somber aan, maar je mag er wel graag vertoeven. Het heeft iets troosteloos, maar het blijft aantrekken. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met het gevoel, dat je overvalt, telkens wanneer je tegen sluitingstijd – Lees: bij het krieken van de dag! – met een aardig teveel aan geestrijk vocht achter de kiezen een naar bier, zweet en andere overtollige lichaamsvochten stinkende bruine kroeg verlaat voor nog van elke menselijke activiteit ontdane achterbuurtstegen. Een sfeertje, waarmee ook Bertolt Brecht en Kurt Weill wel raad zouden hebben geweten. Negen van de dertien songs droeg Almqvist in z’n eentje aan. Voor twee andere, met name “Merlin Hotel” en “She Lost The Sea But Found The Ocean”, liet hij zich bijstaan door respectievelijk Bebe Risenfors en Mirjam Timmer. Voor nog eens twee andere, in casu “My Birthday, The Moon Festival” en “Ich Geh’ Mit Meiner Laterne”, zocht hij zijn heil helemaal elders. Dat laatste is een Duitse traditional, voor het eerste ging hij in de leen bij Steve Kilbey (The Chuch). En het door de hypernerveuze banjo van Svante Sjöblom aangejaagde “Krumlov”, dat willen we je toch ook nog even meegeven, nam hij op voor een levend publiek in het Nederlandse Groningen. Het is één van dé absolute hoogtepunten op een wat ons betreft echte moordplaat. Een plaat, waarmee Almqvist onder alternatief ingestelde muzikale geesten flink wat nieuwe fans aan zich zou moeten kunnen binden.

Andi Almqvist op MySpace

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

I SEE HAWKS IN L.A. “Shoulda Been Gold 2001-2009” (American Beat Records)

(4****)

Het kleine Amerikaanse, vooral in heruitgaven van nog maar moeilijk verkrijgbare albums gespecialiseerde label American Beat Records is er verdomd vlug bij om die van I See Hawks In L.A. aan hun eerste “Greatest Hits” te helpen. Tussen aanhalingstekens die omschrijving, omdat de groep bij ons weten nog niet één echte hit wist te scoren. “Shoulda Been Gold” is overigens überhaupt geen klassiek opgevatte verzamelaar. Negen van de zeventien tracks erop werden van de drie laatste platen van het collectief, “Grapevine” (2004), “California Country” (2006) en “Hallowed Ground” (2008), geplukt. De overige acht liedjes omvatten niet eerder uitgebracht ouder materiaal (“Sexy Vacation”, “Soul Power” en lijflied “I See Hawks In L.A.”), een live-opname (“The Mystery Of Live”) en enkele speciaal voor de gelegenheid ingeblikte deuntjes. Tot die laatste categorie behoren ondermeer twee duetten met Carla Olson, de met een flink vleugje cajun besprenkelde countryzwaaier “Laissez Les Bon Temps Roulet” en de op eerder ingetogen wijze gebrachte Americana story song “Bossier City”. Ook nieuw is het titelnummer, “Shoulda Been Gold”. En voor dat laatste zouden de Eagles wel eens model kunnen hebben gestaan. Al bij al maar weinig op aan te merken, op deze collectie. Met hun uitermate verzorgde vertaling naar het hier en nu van cosmic country genre The Burrito Brothers en anderen gooien de Hawks hier bij Ctrl. Alt. Country alvast andermaal erg hoge ogen. Op naar “Deel 2” zouden we zeggen…

I See Hawks In L.A.

 

JON DEE GRAHAM “It’s Not As Bad As It Looks” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

De vastberadenheid, waarmee Texaans singer-songwriterinstituut Jon Dee Graham elk zich op zijn levensweg aandienend obstakel weglacht, is bewonderenswaardig. Alsof de aanslepende gezondheidsproblemen van zijn zoon al niet erg genoeg waren, trof het noodlot hem in juli van 2008 andermaal verschrikkelijk hard. Een zwaar verkeersongeval op de vermaarde I-35 plaatste hem toen opnieuw voor een reeks niet te onderschatten medische kosten. We hebben er al voor veel minder het hoofd zien buigen. Maar niet Jon Dee Graham dus. Amper een maand na dat ongeval stond de beste man alweer op de planken van de Continental Club in Austin. En nu, goed anderhalf jaar later, is er ook alweer een nieuwe CD van ‘m. En die kreeg de bijzonder veelzeggende titel “It’s Not As Bad As It Looks” mee. Muzikaal gezien doet Graham op deze nieuwe schijf amper iets nieuws. Maar je kan je de vraag stellen, of dat ook wel echt nodig was. Zijn vorige platen waren immers stuk voor stuk van uitstekende makelij. En dat geldt ook voor “It’s Not As Bad As It Looks” weer. Met die vertrouwd lekker aandoende gruizige scheur van ‘m gidst Graham ons vaardig doorheen een elftal aan songs, waarin hoop, nieuwe kansen en zonde en vergiffenis vrijwel voortdurend centraal staan. Nu eens stevig rockend, dan weer met de voet flink op het rempedaal brengen hij en zijn Fighting Cocks precies dat, wat je van hen verwacht. Die “vechthaantjes” zijn overigens Michael Hardwick, Andrew Duplantis, Joey Shuffield en Darren Hess. Voorwaar geen slecht gezelschap dus! En dat vindt ook Graham zelf, want die noemt deze nieuwe worp zijn beste sinds zijn debuut “Escape From Monster Island”. En daarmee was hij ons maar net voor…

Jon Dee Graham

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

WILLY CLAY BAND “Blue” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Jammer, jammer, jammer… Had deze plaat ons nog voor de jaarwisseling bereikt, ze zou zonder enige twijfel erg hoog in onze eindejaarslijst hebben geprijkt. Op z’n minst top vijf, zeg maar. Dit is immers ronduit briljant spul! Vier lange jaren hebben ze ons laten wachten op een volwaardige opvolger voor hun debuut “Rebecca Drive”, maar dat is bij deze snel vergeven en vergeten. De dertien originelen en de fraaie countrycover van “Never Never” van The Assembly, die de vijf heren van de Zweedse Willy Clay Band ons hier presenteren, zijn immers volstrekt tijdloos van aard. Dit materiaal kan wat ons betreft zo naast het allerbeste van The Band. Dit is Americana “the way it was always meant to be”. Alles klopt hier gewoon! Er is de gloedvolle zang van kopstuk Tony Björkenvall, er is het fraaie harmonieerwerk van enkele van zijn kompanen, er zijn de zonder uitzondering zacht als honing naar binnen glijdende melodieën, er zijn de mooie teksten en last but not least is er ook nog de onvoorstelbaar gave muzikale invulling van al die prachtsongs. Met naast akoestische gitaren, bas, drums en wat percussie-instrumenten ook harmonica, mandoline, dobro, pedal en lap steel à volonté. Niet te geloven eigenlijk, dat dit fraaie album gewoon in een oud schuurtje aan de rand van thuishaven Kiruna werd ingeblikt. En een dikke pluim dan ook op de hoed van producer Ollie Olson, die hier echt fantastisch werk heeft geleverd. Onze luistertips: de werkelijk huiveringwekkend mooie ballade “Solid Ground”, aardig opgewaardeerd met een gastbijdrage op de keyboards van David Lindgren Zacharias, de hoger al even vermelde cover van het door de vooral van zijn bijdragen aan synthpop acts Depeche Mode en Yazoo bekende Dave Clarke gepende “Never Never” en het melancholische kleinood “A Little More”. Het zijn slechts drie van de lekkerste krenten in een pap vol daarmee.

Willy Clay Band

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

SONS OF BILL “One Town Away” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Nummer twee voor James, Sam en Abe, de drie oudste zonen van Bill Wilson, en hun maats Seth Green en Brian Caputo en wat een verdraaid lekkere plaat alweer. ’t Is dat ze actief zijn vanuit Charlottesville, Virginia of je zou zo een vaatje Texaanse vergelijkingen aanboren. En waarom ook niet eigenlijk? Wat de Wilsons en kompanen doen vertoont immers nogal wat raakpunten met de muziek van acts als Reckless Kelly, Micky & The Motorcars, Jason Boland & The Stragglers, Robert Earl Keen en aanverwanten. De twaalf songs op “One Town Away”, de door de van zijn werk met ondermeer Whiskeytown, Wilco en Tom Petty bekende Jim Scott geproduceerde opvolger van het al in 2006 verschenen debuut van de groep “A Far Cry From Freedom”, rangeren van fraaie, door schuurpapieren stemmen gedragen tragen tot “Texicana story songs” en behoorlijk kloeke, aan gitaren absoluut geen gebrek tonende rockers. Net als de hoger genoemde acts verloochenen ook de Sons Of Bill nergens hun roots. In concreto betekent dat, dat het element country in hun liedjes altijd behoorlijk nadrukkelijk aanwezig blijft. De ene keer als iets alternatiever dan de andere. Hulp krijgen de vijf in enkele van hun op hoopvolle wijze de moeilijkheden waarvoor het leven van alledag je constant plaatst bezingende liedjes van virtuoos Greg Leisz. Zijn pedal steel waart zo rond doorheen het titelnummer en het zich volop in liefdesverdriet en weemoed wentelende “Charleston”, zijn lap steel hoor je in “In The Morning” en op de elektrische springt hij bij in het zijn naam absoluut niet gestolen hebbende “Rock And Roll”. Fraaie accenten zijn het op een album, waarop knappe stemmen, excellente muziek en intelligente teksten voortdurend voorbeeldig hand in hand gaan. En dat dit gezelschap zich binnen de kortste keren knus tussen de echte genretoppers van het alternatieve countrygebeuren zal gaan nestelen staat voor ons dan ook nu al als een paal boven water.

Sons Of Bill

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

REBECCA RIPPY “Telling Stories” (Shut Eye Records)

(3***)

Van een toepasselijke titel gesproken! De lading van deze door de hier wel vaker aan bod komende Jamie Hoover geproduceerde nieuwe plaat van Rebecca Rippy wordt nagenoeg perfect door de ervoor uitgekozen vlag gedekt. In de twaalf ergens tussen Americana en folk rock strandende liedjes erop komt de Amerikaanse al vertellend aardig persoonlijk uit de hoek. Haar verhalen over haar familie, over zij die gingen en zij die kwamen, over levens, over afgelegde wegen, ze staan zo kort bij het leven van alledag, dat je er je als luisteraar vrij gemakkelijk mee kan vereenzelvigen. En dat is zondermeer een pluspunt te noemen. Ook muzikaal gezien is “Telling Stories” dik in orde. Maar dat kon eigenlijk ook moeilijk anders met iemand als Jamie Hoover achter de knoppen. Als we toch al een puntje van kritiek op het album mogen hebben, dan zouden we Rippy willen aanraden om voor haar volgende voor een wat avontuurlijkere aanpak te durven kiezen. Het quasi perfecte geluid van “Telling Stories” ten spijt komt dat schijfje na verloop van tijd immers een weinig eentonig over. Voornaamste oorzaak van dat euvel lijkt ons een gebrek aan variatie. En dat werkt voor een eerder hoge stem genre die van Rippy moordend. Best wel jammer eigenlijk!

Rebecca Rippy

CD Baby

 

WILL HOGE “The Wreckage” (Rykodisc)

(4****)

Het heeft verdomd lang geduurd voor deze knaap eindelijk wat erkenning begon te oogsten, maar met zijn nu goed twee jaar gleden verschenen laatste studioplaat “Draw The Curtains” begon het tij zich eindelijk wat te keren. En terecht ook! Je kan het immers draaien of keren zoals je wil, Will Hoge heeft gewoon één van de allermooiste rockstemmen van het moment, punt uit. En ook zijn songs zijn steeds weer van dezelfde uitstekende makelij. Een gegeven, dat ook door ’s mans op 25 januari te verschijnen nieuwe plaat weer volop bevestigd wordt. De twaalf nieuwe songs daarop balanceren andermaal voortdurend op het slappe koord tussen schuurpapieren rock met een groot hart en van de emoties bol staande ballades, waarin Hoge het uiterste vergt van zijn gouden stembanden. Nummers als het gitaarzwangere “Favorite Waste Of Time”, het van opzet voorzichtig een weinig aan Springsteen en de E Street Band en Bob Seger herinnerende Heartland rockertje “Hard To Love”, het heerlijk strak ingespeelde “Long Gone”, het op ingetogen wijze neergelegde titelnummer, de met Ashley Monroe gebrachte trage “Goodnight / Goodbye” en het constant tussen semi-ballade en ingehouden roots rock twijfelende “Even If It Breaks Your Heart” zijn weer zó ontzettend goed, dat je ze eigenlijk gewoon op elk moment van de dag graag op de radio zou willen horen. Maar aangezien dat wel weer geen optie zal blijken, koop je “The Wreckage” best gewoon meteen. Net als zijn voorgangers is het een wat je noemt “no risk disc”. Alles wat erop staat is van één en dezelfde hoge kwaliteit. Een echte voltreffer dus, als je ’t ons vraagt.

Will Hoge

 

PIETA BROWN “Shimmer” (Red House / Music & Words)

(4****)

Dat er niet altijd veel nodig is om een uitstekende plaat te maken, bewijst Pieta Brown met dit tussendoortje. Zeven tracks telt “Shimmer”, niet meer. Maar wat is dit allemaal ongelooflijk mooi! Zelden klonk Greg Browns dochter beter dan hier! Met haar betoverende stem steelt ze vrijwel voortdurend de show. Wat akoestische gitaarbegeleiding, zo nu en dan een subtiele noot op de elektrische namens Bo Ramsey, producer Don Was aan de akoestische bas, het volstaat ruimschoots om Brown wederom enkele sporten op de ladder richting de top van het actuele rootsgebeuren te laten klimmen. Met deze eerder gevoelige, doorgaans erg zacht uit de hoek komende liedjes, geworteld in alt. country, folk en een enkele keer blues, slaat Brown spijkers met koppen. In die mate zelfs, dat de term “tussendoortje”, die we eerder in dit stukje in de mond namen, op de keper beschouwd nogal oneerbiedig overkomt. In dit geval betekent minder immers duidelijk meer.

Pieta Brown

Red House Records

Music & Words

 

KARYN ELLIS “Even Though The Sky Was Falling” (Mathilde’s Home Productions)

(4,5*****)

Haar in 2005 verschenen CD “Hearts Fall” vonden we hier al een echte beauty en deze nieuwe is voorwaar nóg beter! Deze vanuit Toronto actieve jongedame heeft wat ons betreft dan ook écht alles in huis om op vrij korte termijn een zeer breed publiek te kunnen bekoren. Op “Even Though The Sky Was Falling” stoeit ze nog manifester dan voorheen met klanken en woorden. Zonder daardoor in oeverloze experimenteerdrift te verzanden etaleert ze op die derde het soort van vocale lenigheid, dat alleen aan de allergrootsten gegeven is. En haar eclectische benadering van haar eigen, veelal teloorgegane liefdes en verzengend verlangen bezingende liedjes biedt haar daartoe de zo ongeveer best denkbare speeltuin. Van de door Michael Holt fraai op zijn piano begeleide folkpop van “Be My Girl” tot de strijkersgewijs van een zweempje klassiek voorziene ballade “Not Looking For Love”, van de geweldige, introvert twangende rootspop van “Bitter Grasses” tot de door de Illustrious Horn Section mee naar eenzame hoogten gestuwde alternatieve folk van “Low”, van het werkelijke bloedmooie, als een krakende plaat op je losgelaten titelnummer, opnieuw zo’n zalige gevoelige sleper, tot “Little Grey Sparrow”, een fraai staaltje van speelse zomerse Americana, van het z’n naam absoluut niet gestolen hebbende “Beauty” tot de afsluitende trilogie “Ten Stories”, “Shooting Star” en “Motorcycle Ride”, dit is werkelijk van de eerste tot de laatste noot genieten geblazen! Puntgave songs, een ronduit fantastische stem, zich volop ten dienste van de liedjes stellende muzikanten en met Don Kerr bovendien ook nog eens een prima producer aan boord, we zien niet in, wat een mens zich nog meer zou kunnen wensen. Fantastische plaat!

Karyn Ellis

CD Baby

 

MARK LENNON “Down The Mountain” (VTR)

(3,5****)

Eigenlijk is het best wel frustrerend te noemen. Dan ben je al dag in dag uit bezig met Americana en aanverwante genres en nog zijn er artiesten, die erin slagen om laag bij de grond blijvend enkele albums lang onder je immer actieve radar door te vliegen. En soms zelfs zeer interessante ook. Neem nu bijvoorbeeld de vanuit het zuidelijke deel van Californië aan de weg timmerende Mark Lennon. Die eigenlijk uit Los Angeles afkomstige rootsy singer-songwriter is met “Down The Mountain” al aan zijn derde worp toe. En wij moeten eerlijk bekennen, dat we zijn in 2004 verschenen debuutplaat “Back To The Roots” en “Broken”, de in 2007 opgehoeste opvolger daarvan, gewoonweg niet kenden. Shame on us! Lennon is immers een bijzonder interessante verschijning. Hij laat zijn voorliefde voor hippiemuziek en bluegrass, de twee genres die zijn jeugd beheersten, duidelijk binnensijpelen in een eigentijds geluid, dat verder ook een nadrukkelijke knipoog naar “sunny California” in zich mee draagt. De eigenzinnige, bijzonder warmbloedige folkrock van Lennon durven we daardoor zonder enige vorm van gêne aan te bevelen aan een bijzonder breed publiek. Zowel de fans van een Ryan Adams, als die van pak ‘m beet een Gram Parsons, een Neil Young, een John Gorka, als een Bob Dylan zullen zich hier beslist geen buil aan vallen. Lennon beschikt immers over een aangenaam warme stem en schrijft pakkende liedjes met knappe teksten, die bovendien zodanig catchy blijken, dat ze die van heel wat van z’n collega’s en concurrenten vrijwel meteen het nakijken geven. Straffe voorbeelden daarvan zijn het van sfeer heel erg “seventies” aandoende “I’m Doin’ Fine”, de uiterst breekbare, in duet met - De ons ook al onbekende! - Simone Stevens gebrachte ballade “Wildside” en het met sprankelend gitaarwerk opgewaardeerde streepje zomerse rootspop “Down The Mountain”. Een inhaalbeweging van onzentwege dringt zich dan ook nadrukkelijk op, zo lijkt het…

Mark Lennon

CD Baby

 

THE MAYFLIES “A Thousand Small Things” (Mud Dauber Records)

(3,5****)

Met “A Thousand Small Things” zijn Stacy Webster (zang, gitaren, theremin), David Lumberg (bas, zang) en James Robinson (drums, zang) oftewel The Mayflies, een drietal uit Iowa, al aan hun derde CD toe. In 2003 deden ze immers al van zich spreken met “American Gothic” en in 2007 volgde ook nog “Jerusalem Ridge”. Voor de productie van deze derde tekende zanger Webster samen met Luke Tweedy. En voor het songmateriaal erop ging men vooral in de leen bij anderen. Vijf van de songs werden zo bijvoorbeeld aangedragen door Ctrl. Alt. Country-huisfavoriet en ex-bandlid Patrick Bloom. “In My Time Of Dying” ken je bovendien als een traditional en “Shit Creek” wellicht ook als een nummer van Danny Barnes (Bad Livers, CD “Delusions Of Banjer”). Tot zover de naakte feiten. Maar wat vinden wij nu eigenlijk van deze nieuwe van The Mayflies? Wel, het is een verre van kwade roots(rock)plaat geworden. En er staan op z’n minst enkele zeer goede tot ronduit uitstekende songs op. Tot die laatste categorie rekenen wij bijvoorbeeld zeker Blooms “Petaluma”, een voorbeeldige, door de banjo van gastmuzikant Jon Eric flink aangejaagde kruisbestuiving tussen bluegrass en rock. En ook het aan die twee ingrediënten met R&B nog een derde toevoegende “Spooky” is een verdomd aanstekelijk liedje.  En dan is er nog de trage “Flying”. Daarin valt pas echt goed op, welk een uitstekende zanger Stacy Webster eigenlijk wel is. Noem het maar gecroonde Americana. Prima is voorts ook nog “Maybe Maybelline”, een wederom mooi de gouden middenweg tussen bluegrass, Americana en rock bewandelende wolk van een song. Electrograss lazen we ergens als omschrijving en die vlag dekt deze lading inderdaad wonderwel.

The Mayflies

CD Baby

 

JUBAL LEE YOUNG “The Last Free Place In America” (Reconstruction Records)

(4,5*****)

Als je zoals Jubal Lee Young het voorrecht hebt genoten om op te groeien tussen een aantal van de beste country-, bluegrass- en folkartiesten van de jaren zeventig en tachtig, omdat die toevallig het vriendenkransje van je gerenommeerde pa - Steve! - bevolkten, dan moet dat vroeg of laat wel zijn vruchten gaan afwerpen. En dat is dan ook exact wat aan het gebeuren is. De jonge Young bloeit langzaam maar zeker open tot één van dé interessantste Texaanse nieuwkomers van de voorbije jaren. Zijn nieuwe CD “The Last Free Place In America” is daarvan al het zoveelste bewijs. Wat een plaat alweer! Zowel op tekstueel als op louter muzikaal vlak valt hier andermaal ontzettend veel te rapen. Van het rustige, als het ware à la  Steve Earle ingevulde titelnummer tot het vettig bluesy, heftig met het bekken schuddende “Boom, Boom, Boom”, van de met swing, R&B en rockabilly tegelijk flirtende country rock van “Uh, Let’s Go!” tot de naar het hier en nu vertaalde old-time stringband music van “Justice Or Death”, van de bloedmooie Americana story song “Bloom, Lily, Bloom” tot het bezwerende “Dead Miners”, van de innemende rootsy ballade “Whatever You Do” tot de zwierige, eerder klassiek opgevatte country van “I Refuse”, van de werkelijk uitmuntende Richard Dobson-cover “Piece Of Wood And Steel” tot de verliefdheid tot een kunst verheffende trage “Falling For You”, van het met een rocksausje overgoten “Animal Farm” tot de enigszins nerveuze, bijna Springsteeneske afsluiter “One And One Is One”, Jubal Lee Young scoort met de liedjes van zijn nieuwe collectie wat ons betreft een dikke twaalf op twaalf. Waarom hem dan toch geen vijf sterren toekennen? Wel, gewoon omdat we denken, dat hij nog beter kan… De toekomst zal het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid spoedig uitwijzen. Daar kan je nu al van op aan!

Jubal Lee Young

CD Baby

 

ANDREW VINCENT “Rotten Pear” (Kelp Records)

(3,5****)

“Rotten Pear”, geef toe, het is een niet meteen alledaagse titel voor een rootsalbum. En je vraagt je dan ook af, wat de Canadees Andrew Vincent ertoe heeft aangezet om zijn inmiddels vijfde CD er dan toch mee op te zadelen. Vincent nam dat album onder het waakzame oog van de ondermeer van zijn werk voor Jim Bryson en The Acorn bekende Jarrett Bartlett in zijn nieuwe thuishaven Toronto op. Samen gingen ze resoluut voor een lo-fi aanpak, waarin verder enkel nog ruimte was voor wat drumwerk van Shayne Cox en wat additionele zang van Andy Swan. En die spaarzame inkleuring past eigenlijk perfect bij het songgoed van Vincent. Ze accentueren niet enkel diens breekbare stem, maar gaan ook wonderwel samen met de in zijn liedjes vertelde verhalen, waarin getroebleerde medemensen je zo goed als om elke straathoek staan op te wachten. Het best bevielen ons daarvan eerder ingetogen momenten als “Ruffian”, “Diane”, “Sleep To Dream” en “Hi Lo”. Die zijn tegelijk een stuk lichtvoetiger dan hun rockende tegenvoeters en erg charmant. Als Vincent aan het rocken gaat, dan dwalen de gedachten door de wat rommelige aanpak op “Rotten Pears” al vlug richting de late jaren zeventig af, toen een dergelijke benadering van het eigen materiaal een must voor in de marge van het in alle hevigheid woedende punkgebeuren opererende singer-songwriters was. We denken dan bijvoorbeeld aan een Wreckless Eric of aan de jonge Costello ook. Vermelden we tenslotte ook nog, dat “Rotten Pear” slechts twee niet door Vincent geschreven nummers bevat. Het ene is het al vermelde “Sleep To Dream” van de hand van gastvocalist Andy Swan, het andere en meest in het oog springende een cover van “Hounds Of Love” van Kate Bush. Dat nummer zet Vincent op een danig eigenwijze manier naar zijn hand, dat het niet zou misstaan tussen iets van pakweg Damien Rice, Jeff Buckley en zijn landgenoot Ron Sexsmith.

(Andrew Vincent doet deze maand kort Nederland aan. Op dinsdag 19 januari staat hij in de Nieuwe Anita in Amsterdam, op woensdag 20 januari in de Sub071 in Leiden en op donderdag 21 januari in de Exit in Rotterdam.)

Andrew Vincent op MySpace

Kelp Records

 

BART DE WIN “The Simple Life” (Double Click Music / Rough Trade)

(4****)

Al sinds mijn eerste beluistering van dit ongelooflijk knappe debuut worstel ik met één enkele vraag. Waarom heeft deze getalenteerde noorderbuur er in godsnaam zó ontzettend lang over gedaan om uit de schaduw van zijn broodheer Gerard van Maasakkers te treden? Bart de Win geniet immers vooral bekendheid als één van diens begeleiders, de Vaste Mannen. Een gegeven, waar met “The Simple Life” echter wel eens definitief verandering in zou kunnen gaan komen. Dat is immers zo’n voldragen, zo’n ontzettend rijpe plaat geworden, dat er de Win eigenlijk geen andere opties meer resten dan een eigen carrière na te jagen. In een productie van Gilad Atzmon, bekend als saxofonist van Ian Dury’s Blockheads, en met verder wat hulp van ondermeer Gerard van Maasakkers, Izaline Calister, Bart-Jan Baartmans en Erik Spanjers, om enkel de bekendsten maar even te vernoemen, haalt de Win op “The Simple Life” vijftien nummers lang een ontzettend hoog niveau. Met zijn ongemeen warme baritonstem als zijn voornaamste bondgenoot durft hij onbevreesd voor een aardig eclectische benadering te gaan. Hier en daar hoor je wel, dat hij als songschrijver beïnvloed werd door groten der aarde als een Randy Newman, een Tom Waits en een James Taylor, maar dat stoort hoegenaamd nergens. De Win vertaalt die invloeden immers te allen tijde naar een eigen geluid. Hij dwaalt in zijn liedjes vaardig heen en weer tussen zo uiteenlopende genres als pop, folk, jazz en Americana. Zo waan je je bij het beluisteren van het door Hein Offermans met een fraai streepje tuba opgewaardeerde “They Told Me” heel even in het hartje van New Orleans, lijkt het sfeervolle “Johnny” mede dankzij een gevoelige accordeontoets op eigenzinnige wijze toenadering te willen zoeken met de Franse chansontraditie, is titelnummer “The Simple Life” groovy, voorzichtig met blues flirtende Americana, “The Beauty Within” rootspop van het allerbeste soort en “As Long As I Live” tussen pop en folk strandend liedvermaak zoals we dat bijvoorbeeld ook wel eens door John Gorka geserveerd krijgen. Dat “The Simple Life” ondanks die stilistische diversiteit toch uitgroeide tot één, bijzonder lekker wegluisterend geheel is ons inziens vooral de verdienste van de Win zelf. Want, zonder ook maar even de verdiensten van de bij dit project betrokken muzikanten in twijfel te willen trekken, het is toch vooral die gloedvolle stem, die het hem doet.

Bart de Win

 

VIC CHESNUTT “Skitter On Take-Off” (Vapor Records)

(4****)

Wat eigenlijk gewoon een zoveelste lofzang op Vic Chesnutt had moeten worden, krijgt door een enigszins vreemde speling van het lot een bepaald wrange nasmaak mee. Een lovende recensie, die plots iets weg heeft van condoleances aan het adres van ’s mans nabestaanden, zoiets… Wisten wij echter toen we “Skitter On Take-Off” voor het eerst beluisterden veel… Het nieuws, dat de beste man op kerstavond het leven gelaten had, kwam echt wel als een donderslag bij heldere hemel. Enfin, een wat rare bedoening allemaal… Je wordt er eigenlijk een heel klein beetje stil van… Maar goed, dat doet natuurlijk hoegenaamd niets af van de kwaliteiten van ’s mans jongste worp. “Skitter On Take-Off” staat tjokvol met fraaie, herfstige toestanden evocerende melancholiedjes. Geproduceerd door collega-vriend Jonathan Richman en Tommy Larkins. Vic Chesnutt op z’n best eigenlijk. Van alle overbodige franje ontdaan, broos, lekker naakt en vooral ook heel erg diepgaand. Ideaal luistervoer voor de (sombere) tijd van het jaar. En een plaat, waar we met z’n allen wellicht ook in de toekomst nog vaak zullen blijven naar teruggrijpen. Jammer, dat Chesnutt het zelf allemaal niet meer zal mogen meemaken… Zo wordt zijn nieuwe labelbaas Neil Young tegen zijn eigen zin allicht één van de weinigen, die hier nog enig profijt zal uit puren…

Vic Chesnutt

 

ALISON O’DONNELL “Hey Hey Hippy Witch” (Freeworld / Bertus)

(3***)

“Hey Hey Hippy Witch” is de eerste soloplaat van Alison O’Donnell, lang het gezicht en de stem van Mellow Candle, een Iers folkrockgezelschap, dat het vooral door het feit dat het met “Swaddling Songs” maar één album uitbracht tot een zekere cultstatus schopte. En O’Donnell doet daarop hoegenaamd niets, waarmee ze het bijna blinde vertrouwen van haar vroegere fans ook maar enigszins zou kunnen beschamen. Met haar mooie, een weinig ijl aandoende stem brengt ze een stel folkdeunen, die ons beurtelings aan Sandy Denny, de Fairport Convention of recenter het werk van Kate Rusby deden denken. Wél mooi, maar tegelijk ook nogal braafjes van aard allemaal. En dat geldt helaas ook voor de beide bonus tracks, waarmee het geheel wordt afgesloten, het al in 2006 ingeblikte “To The Brow Of The Hill (And Back)” en het van 2007 daterende en door een quote van een muziekrecensent geïnspireerde “Dated But Still Lovely”. Dat laatste omschrijft eigenlijk best wel accuraat de muziek van O’Donnell.

Alison O’Donnell

Floating World Records

Bertus

 

THE BRILLIANT MISTAKES “Distant Drumming” (Aunt Mimi’s Records)

(4****)

“Distant Drumming” is al de derde volwaardige langspeler van het momenteel uit Alan Walker, Erik Philbrook en Paul Mauceri bestaande en vanuit New York actieve collectiefje luisterend naar de spitsvondige naam The Brilliant Mistakes. En die laten er daarop geen seconde lang twijfel over bestaan, waar we hun roots dienen te gaan zoeken. Gelijk van in het door z’n fraaie samenzang en rinkelende gitaren opvallende openingsnummer “The Day I Found My Hands” leer je, dat het universum van de Mistakes zich uitstrekt ergens tussen de werelden van acts als de Jayhawks, Wilco, de Byrds, Tom Petty, Michael Penn, de vroege Elvis Costello, de Rubinoos, Paul Collins’ Beat en Squeeze. De muziek van het drietal bulkt echt van de catchy hooks en de fijne melodieën en bedient zich schijnbaar achteloos uit de grabbeltonnen met respectievelijk alt. country, power pop en de pure Britse variant daarvan erin. Het resultaat van die creatieve benadering zijn zich ogenblikkelijk knus tussen je oren nestelende muziekjes, die je keer op keer opnieuw wil beluisteren. Onweerstaanbaar gewoon! Hapklare melodieuze brokken als het pianogestuurde “The Words”, het uptempo “Time In The Night”, het radiogenieke “Let’s Pretend” en andere zullen zelfs op de meest sombere dag even een straaltje zon in je leven laten schijnen. En een afrondende dooddoener als “Warm aanbevolen!” is dat dus voor één keertje echt niet.

The Brilliant Mistakes

CD Baby

 

DESOTO RUST “Highway Gothic” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

De van zijn werk met ondermeer Tom Gillam, Joseph Parsons en Ben Arnold bekende Joe Carroll tekende voor de productie van “Highway Gothic”, de ondertussen toch ook alweer derde CD van het vanuit Philadelphia van zich doen sprekende viertal DeSoto Rust. Misschien herinnert u zich nog wel hun titelloze debuut uit 2004 of “Greene Country Towne” uit 2006? Daarover liet Paul Kerr, een schrijvende collega van het onvolprezen Americana UK, zich indertijd ontvallen “sounds like a cross between Creedence and Steve Earle”. En in die uitstpraak schuilt wel een zekere kern van waarheid. Het bij momenten zalig twangende en vrijwel te allen tijde vaardig rootsrockende materiaal van Ray Hunter (zang, gitaren, percussie), David Otwell (zang, leadgitaren, mandoline), Steve Savage (bas, slidegitaar, percussie, backing vocals) en Dave Reeve (drums, percussie, backing vocals) roept inderdaad regelmatig herinneringen aan die twee acts op. Maar wat ons betreft mag je daar gerust ook nog de naam van Bruce Springsteen aan toevoegen. Al was het alleen al maar omdat de stem van Hunter bij momenten wel een weinig aan die van The Boss doet denken. Maar laat je door al dat naamdroppen vooral niet misleiden! Deze groep doet eigenlijk gewoon twaalf nummers lang haar eigen aanstekelijke ding hier. Soms heerlijk (roots)rockend, zoals in het van lekker vette gitaren voorziene “Open Road” of het twangy “Two Loads Overweight”, soms met de handrem op zoals in de knappe Americana-tragen “Six Appeals” en “Calgary”. In elk van beide gevallen echter met een gedrevenheid, die op de keper beschouwd erg infectueus blijkt te werken! Als toemaatje covert het viertal bij wijze van afronder ook nog vaardig Dylans “New Morning”. En dat meestampertje is meteen ook de enige vreemde eend in de bijt hier.

DeSoto Rust

CD Baby

 

IAN LANG “The Whisper” (Nursery Records)

(4****)

Om een potentieel lang verhaal kort te maken: “The Whisper”, na de periode 1979-1986 bestrijkende verzamelaar “It Was What It Was” (Met Small Change!), “Primitive” uit 1997, “Radio Days” uit 1998, ”Blood On A Pale Moon” uit 2003 en “Tight Lines” uit 2006 de zesde van de Britse bard Ian Lang, is een voortreffelijke CD geworden. In het uitgelezen gezelschap van ondermeer Gavin Sutherland (Sutherland Brothers), Chris Parks (Any Trouble), Ollie Collins (Angie Palmer), Zak Borden (Rachel Harrington), Paul Elliott (Michelle Shocked) en Nancy K. Dillon (Zichzelf!) toont de vanuit de Midlands actieve Lang daarop andermaal amper nog onder te moeten doen voor invloeden als Eric Taylor, John Prine en Bob Dylan. Net als zijn inspiratoren schrijft de beste man niet alleen erg mooie liedjes, hij weet ze bovendien net als hen ook keer op keer van fraaie kortverhalen te voorzien. Over een bijna “pensioengerechtigde” bokser bijvoorbeeld in het veelzeggend getitelde “Between The Bells”. Of over een ver van huis het leven latende soldaat en diens geliefde ver weg, in “Button”, om maar even bij enkele van de vele hoogtepunten hier stil te staan. Sublieme luisterliedjes gewoon, waarin Lang op elegante wijze een uitgesproken voorliefde voor het importproduct Americana koppelt aan ontegensprekelijk Britse invloeden. Het resultaat, noem het maar Anglo-Americana, is van een hoegenaamd tijdloze schoonheid. Een echte aanrader derhalve ook!

Ian Lang op MySpace

Nursery Records

CD Baby

 

TIFT MERRITT “Home Is Loud” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een oude bekende, dit schijfje. Kort na haar vertrek bij Lost Highway Records in 2005 bracht Tift Merritt het voor het eerst uit in eigen beheer. Zij die gelukkig genoeg waren om er indertijd net als ons een exemplaartje van te scoren kennen het album al als een uitstekende live-CD. Voor alle anderen is er dankzij het Duitse Blue Rose Records nu een met de prachtballade “Bramble Rose” als toemaatje en van veel mooier artwork voorziene tweede kans om de al een poosje uitverkochte registratie van Merritts optreden op 4 juni van 2005 in het North Carolina Museum of Art in Raleigh alsnog in huis te halen. De alternatieve countrydiva toont zich op “Home Is Loud” in uitstekende vorm. In het gezelschap van haar vaste begeleiders Brad Rice (elektrische gitaar), Greg Readling (pedal steel), Danny Eisenberg (keyboards), Jay Brown (bas) en Zeke Hutchins (drums) werkt ze zich doorheen een lekker gevarieerde set met materiaal van haar beide eerste albums. Van “Bramble Rose” krijgen we zo naast de al genoemde bonus track ook nog “When I Cross Over”, “Neighborhood” en “Supposed To Make You Happy”, van “Tambourine” het machtige titelnummer, “Write My Ticket Home”, “Your Love Made A U Turn”, “Ain’t Looking Closely”, “Laid A Highway” en “Shadow In The Way”. Absolute stand-outs in deze als geheel heerlijk warm aandoende set zijn wat ons betreft de hartverwarmend mooie ballade “Supposed To Make You Happy” en de werkelijk wervelende uitvoering van het inmiddels zo’n beetje tot Merritts lijfnummer uitgegroeide “Tambourine”.

Tift Merritt

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

WRINKLE NECK MULES “Let The Lead Fly” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Het onder aanvoering van de multi-getalenteerde Andy Stepanian al een aantal jaren flink aan de weg timmerende vijfmanschap Wrinkle Neck Mules wordt door heel wat insiders terecht beschouwd als één van dé hotste acts in het land waar Koning Alt. Country regeert. Het vanuit Virginia actieve collectief presenteert zich ook op zijn vierde CD “Let The Lead Fly” weer als waardige erfgenaam van acts als The Band en The Gourds. Dertiens songs lang zoekt én vindt men een vrijwel perfecte synthese tussen enerzijds rock, anderzijds country, bluegrass en folk. Als het hete lood van de kogels uit de titel van de plaat vliegen de rete-aanstekelijke deunen je hier ruim drie kwartier lang om de oren. Van het door de krolse fiddle van gast Dennis Elliott aangejaagde en heel erg richting Levon Helm en The Band neigende titelnummer tot het op eerder ingetogen wijze country en bluegrass versmeltende en zich aangenaam in weemoed wentelende “Fortune Fades”, van het over een lekkere elektrische neergelegde rootsrockertje “Medicine Bow” tot het bedachtzamer ingevulde kleine broertje daarvan “Dopamine Dream” met z’n Southern rock feel, van de “old-time anno nu” van “Pleasure Is The Absence Of Pain” tot het gezapig over een aangenaam banjolijntje voortkabbelende “One Hand In The Furnace” en andere, dit is rootsmuziek van het allerbeste soort. Om eerlijk te zijn: wij vinden dit eigenlijk gewoon één van de beste platen die we in 2009 voor de kiezen kregen. Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen…

Wrinkle Neck Mules

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

JOSEPH PARSONS BAND “Slaughterhouse Live” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

We hebben het hier al wel eens vaker verkondigd: wij zijn altijd weer heel erg te spreken over de live releases van Blue Rose Records. Edgar Heckman en de zijnen presenteren op die platen hun artiesten immers gewoon zoals ze zijn. Niet teveel technische poespas – een act, een – Veelal bescheiden! – bühne, een publiek van connoisseurs en that’s it. En dat levert zo goed als altijd erg interessante resultaten op. Iets wat zeker ook weer geldt voor “Slaughterhouse Live”, de in de herfst van 2008 tijdens zijn uitgebreide Europese tournee van dat jaar in het Altes Schlachthaus in het Duitse Schwäbisch Hall ingeblikte nieuwe van singer-songwriter Joseph Parsons en z’n band. Daarop bevestigt de Amerikaanse singer-songwriter zo ongeveer al het goede dat we hier al naar aanleiding van zijn laatste drie platen “The Vagabond Tales”, “The Fleury Sessions” en “Heavens Above” over hem schreven. Daarbij vakkundig geassisteerd door Ross Bellenoit (elektrische gitaar, lap steel en zang), Freddi Lubitz (bas en zang) en Sven Hansen (drums) illustreert Parsons (zang en akoestische en elektrische gitaren) hier voor een select publiek uitgebreid welk een schat aan songs hij door de jaren heen al samen pende. Met dingen als “Heavens Above”, “King Of Baltimore”, “Sky Boys”, “Skipping Stone”, het met Elliott Murphy uitgewerkte “Sitting On Top Of The World” en “Falling” verdient hij ons inziens al lang z’n plaatsje in de eerste klasse der zingende songsmeden. Een twintigtal van die eigen deunen brengt hij hier, aangevuld met een bezielde, z’n eigen sociale engagement weer even aan het oppervlak latende cover van de Marvin Gaye-hit “What’s Going On”. “Thanks for letting us do these kind of songs,” leidt Parsons dat laatste nummer bijna bedeesd in. Een typisch geval van totaal misplaatste bescheidenheid, als je ’t ons vraagt. Tussen pop, folk en roots rock kan je immers amper beter aan de slag dan de Amerikaan hier doet. Erg mooie plaat zondermeer!

Joseph Parsons

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

ELLIOTT MURPHY “Alive In Paris” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Voor ons dé absolute topper in het behoorlijk indrukwekkende najaarsoffensief van het Duitse Blue Rose Records is “Alive In Paris”, een over één CD en één DVD uitgesmeerd muzikaal verslag van de tussen 10 en 26 september van 2008 in Parijs aan Elliott Murphy gewijde retrospectieve “Last Of The Rock Stars”. Het combo baseert zich op een concert dat ter afsluiting daarvan werd gegeven in de feestzaal van het stadhuis van het zesde arrondissement aldaar. Onder impuls van initiatiefnemer Gilles Pidard werd die feestelijke afsluiter ook gefilmd. En maar goed ook, want dit is echt van de eerste tot de laatste noot genieten geblazen! Een zicht- en hoorbaar genietende Murphy trakteert ons op knappe uitvoeringen van songs als “Sonny”, “Green River”, “Ophelia”, “You Never Know What You’re In For”, “On Elvis Presley’s Birthday”, “A Touch Of Kindness”, “And General Robert E. Lee”, “Diamons By The Yard” en uiteraard ook “Last Of The Rock Stars”. Hij zingt met veel gevoel en weet zich daarbij uitstekend geruggensteund door The Normandy All Stars en met name dan Olivier Durand. Wat een geweldige gitarist toch, die man! Fantstisch gewoon, hoe hij zijn virtuoze talenten altijd weer keurig in toom weet te houden als Murphy’s vaste rechterhand. En als hij als eens even van de ketting mag, dan speelt hij ook echt alle sterren van de hemel naar beneden. Subliem gewoon! Maar dé blikvanger hier is en blijft natuurlijk Murphy zelve. Voor wie na al die jaren nog niet van ’s mans talenten als zingende songsmid overtuigd mocht zijn is er na “Alive In Paris” absoluut geen weg meer terug! Hier ben je immers getuige van een avondje pure magie. Je voelt hier echt aan alles, dat bij Murphy een gevoelige snaar geraakt werd. En precies dat gevoel lijkt hij ook op alle aanwezigen te hebben willen overbrengen. Mission accomplished, El!

Elliott Murphy

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

PAUL CURRERI “California” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dat de vanuit Charlottesville, Virginia actieve Paul Curreri nog niet veel bekender is, mag eigenlijk een klein wonder heten. Met “California” is de beste man ondertussen immers reeds aan zijn zesde album onder eigen naam toe en ook met zijn wederhelft Devon Sproule blikte hij al aardig wat platen in. Actief baasje dus, die Curreri, en extreem getalenteerd ook. Zo speelde hij, met uitzondering van wat elektrische gitaar en piano van zijn eega in “Wildegeeses”, ook ditmaal weer alle instrumenten zelf in en tekende hij terloops ook zelf nog voor de productie. En ook de songs zijn zo goed als allemaal van eigen hand. Enkel het in duet met zijn vrouw gebrachte “Wildgeeses” en “Stephen Crane” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Voor het eerste tekende Michael Hurley, voor het tweede Brady Earnhart. Curreri bewandelt hier overigens aardig wat verschillende muzikale paden. Het maakt van “California” een echte luistertrip van de allereerste orde. En fans van enigszins verwante muzikale geesten als een Jeffrey Foucault, een Rob Lutes, een Peter Mulvey en een Chris Smither zullen zich hier dan ook wel in kunnen vinden. Zij zullen naar alle waarschijnlijkheid ergens op het puntje van hun stoel gaan zitten voor prachtsongs als de soulvolle rootspopdeun “Now I Can Go On”, het volop aan de vroege J.J. Cale refererende laidback bluesje “Once Upon A Rooftop”, het lijzige “Stephen Crane”, het door zowel zijn aparte groove als zijn bevreemdend gitaargeluid opvallende “Here Comes Another Morning”, de als champagne van een goed merk parelende pianoballade “Tight Pack Me Sugar”, het als een verfrissend lentebriesje door het leven trekkende slome “popdondertje” “Off The Street, Onto The Road”, het sfeervol “gehuilde” bluesje “The Line” of het hier hoger al genoemde duetje met de vrouw van zijn leven. Om het met één enkel Engels woord samen te vatten: “Gorgeous!”

Paul Curreri

Tin Angel Records

Sonic Rendezvous

 

MICKY & THE MOTORCARS “Native” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Pa Braun moet een bijzonder trotse mens zijn! Met zijn zoons Willy en Cody al jarenlang aan het roer bij het gerenommeerde Reckless Kelly en youngsters Micky en Gary in een vergelijkbare positie bij het die groep de jongste jaren inzake populariteit flink op de hielen zittende Micky & The Motorcars lag hij mee aan de basis van een alleraardigst stukje Texaanse muziekgeschiedenis. En dat succesverhaal lijkt nog lang niet te zijn afgesloten! Als we mogen afgaan op “Naive”, de vierde van Micky & The Motorcars staat ons vanuit die hoek integendeel nog heel wat moois te wachten. De broertjes Braun en hun maatje Mark McCoy konden zich in de aanloop naar dat album voor het eerst in alle rust voorbereiden en dat hoor je eraan ook. Alles klinkt hier eigenlijk gewoon even af. En dat zou wel eens iets te maken kunnen hebben met het feit dat songwriter Micky voor het materiaal ervoor allerhande schrijfallianties aanging. Het bedaard rockende “Long Enough To Leave”, een liedje over de op heel wat vlakken vaak oncomfortabele gevolgen van een leven “on the road”, schreef hij zo bijvoorbeeld met Randy Rogers. Voor “Don’t Be Sad” en “Everything I’ve Got” tekende ondermeer Kevin Welch mee en voor de kar van “Amber” , “Seashell” en “Bloodshot” lieten zich naast James Harrison ook diens kinderen Savannah en Dustin Welch spannen. En dan is er nog het met twangend rinkelende gitaren opgewaardeerde “Misunderstood”. Daarvoor was Jack Ingrams bassist Robert Kearns medeverantwoordelijk. Een beetje een kwestie van “ons kent ons” binnen de Texaanse muziekscène, zo lijkt het. Louter muzikaal gezien verandert er eigenlijk niet zo heel erg veel op “Naive”. Net als Reckless Kelly blijven ook Micky & The Motorcars precies dáár hangen, waar Steve Earle eind jaren tachtig, begin jaren negentig furore maakte. Ze maken het soort van gruizige country rock, dat ooit alleen in Texas leek te kunnen. Maar met dien verstande dan wel, dat de gitaren hier net iets vaker op scherp staan dan bij Earle indertijd. En misschien is het wel net dat element, dat deze knapen aan hun immense populariteit in hun thuisstaat heeft geholpen. Ondanks enkele wat rustigere momenten is dit immers toch vooral muziek, waarop je live ook lekker uit de bol kan gaan. En dat helpt in studentenmilieus in de Lone Star State natuurlijk flink vooruit. Maar begrijp ons vooral niet verkeerd! Micky Braun is wel degelijk een zeer goede singer-songwriter, hoor! Luister bijvoorbeeld maar eens naar de ingetogen beauties “Seeds” en “Seashell” en je zal dat maar wat graag volmondig beamen. Samen met een knappe cover van Jon Dee Grahams “Twilight” vormen die nummers voor ons dé onbetwiste hoogtepunten op “Naive”, dat in z’n door Blue Rose Records aan de man gebrachte Europese versie vergezeld wordt door “Which Way From Here”, het in 2002 in eigen beheer uitgebrachte en al een poosje niet meer verkrijgbare debuut van Micky & The Motorcars. Tel uit je voordeel!

Micky & The Motorcars

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home