CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE BRITANNICAS “The Britannicas” - D.B. RIELLY “Love Potions And Snake Oil” - SUSAN CATTANEO “Heaven To Heartache” - JP JONES “Revelation” - M. LUCAS “Dust” - HANK WOJI “There Was A Time” - TWILIGHT HOTEL “When The Wolves Go Blind” - LYNNE HANSON “Once The Sun Goes Down” - JOEL PLASKETT “Three To One” - RAY BARNARD & THE REVERBERATION “Tinted Windows To The Soul” - HT ROBERTS “Spirit Level” - WILLIE NILE “The Innocent Ones” - TED RUSSELL KAMP “Get Back To The Land” - BOB MARTIN “Live At The Bull Run” - DAN MONTGOMERY “You’ll Never Be A Bird” - ANNIE GALLUP “Weather” - RODNEY DECROO “Queen Mary Trash” - VARIOUS ARTISTS “For You 2 - A Tribute To Bruce Springsteen” - BART DE WIN “Little World” - VARIOUS ARTISTS “Louisiana Swamp Stomp” - MISS QUINCY “Your Mama Don’t Like Me”

 

THE BRITANNICAS “The Britannicas” (Kool Kat Musik)

(3***)

The Britannicas zou je zoiets als een virtuele popgroep kunnen noemen. De drie bij het project betrokkenen werkten immers gewoon in hun eigen thuisstudio’s aan de tracks van hun debuut om ze vervolgens langs het internet met elkaar uit te wisselen en op die manier af te werken. Die drie zijn de Zweed Magnus Karlsson (Happydeadmen, The Charade), Aussie Joe Algeri (Jack & The Beanstalk) en Amerikaan Herb Eimerman (Nerk Twins). Samen tekenen ze op hun visitekaartje voor zo’n veertig minuten pop en rock, waarin de nadruk vooral op knap harmonieerwerk en knoeperds van hooks ligt. ’n Beetje Beatles, ’n beetje Byrds en ’n beetje Beach Boys, zeg maar. Eerder “klassiek geschoold” spul dus, dat desalniettemin of net daardoor behoorlijk lekker weghapt. Vooral songs als het op heerlijk ouderwets jengelende gitaartjes geënte “Those Good Vibrations”, het uit datzelfde vaatje tappende tweetal “Don’t Go Back” en “Stars”, het melodieuze garagerockertje “The Girl From Malasaña” en “Baby Say Yeah Yeah”, een streep power pop van het betere soort, konden hier onmiddellijk op de nodige bijval rekenen. Sympa zondermeer!

The Britannicas op MySpace

Kool Kat Musik

 

D.B. RIELLY “Love Potions And Snake Oil” (Shut up and play!)

(4****)

“American roots music artist D.B. Rielly was only six months old when, upon hearing David Hasselhoff sing, he immediately soiled his diaper and vowed to bring good music back to a starving generation. Since then, he has tirelessly pursued his quest, all the while narrowly avoiding work, debt collectors, and liver failure.” Een leuke inleiding tot het plaatdebuut van een man, die voorheen enkel op een veertigtal onafhankelijke releases en in films te horen was. Op “Love Potions And Snake Oil” bestrijkt Rielly nogal wat terrein. Americana, roots pop en rock, zydeco, country, zowel alternatief als eerder traditioneel opgevatte, en blues, ze komen op ’s mans visitekaartje allemaal wel ergens aan bod. Een stilistische weelde, die naast Rielly’s bijzonder lekkere stem, zijn vaardigheden op zowel gitaar, banjo als accordeon en zijn flink uit de kluiten gewassen “fingerspitzengefühl” voor het pennen van melodieuze, instant-aantrekkelijke deuntjes, mag worden gezien als één van zijn sterkste troeven. Zo krijgt verveling immers nergens echt de kans om de kop op te steken. Met de aanstekelijke zydeco-stamper “One Of These Days (You’re Gonna Realize)” wordt een vliegende start genomen om vervolgens via de ons een beetje aan Monte Warden herinnerende Americana van “Don’t Give Up On Me” en de pianoballade “Save All Your Kisses” bij “I Got A Girlfriend” te belanden, nog zo’n accordeongestuurde aanslag op dansgrage benen, waarvoor het motto duidelijk “Laissez les bons temps rouler!” is. Met “Loving You Again” wordt aansluitend resoluut voor roots rock gegaan, “One Day At A Time” is een wolk van een Americana-trage, “Changed My Mind” gaat tegen buitengewoon knap gitaarwerk op zoek naar de blues, “Got A Mind” blijft nog wat in diezelfde hoek rondwaren, maar dan wel al met één oog richting old-time country, “We’re All Going Straight To Hell” barst nagenoeg uit zijn voegen van de vitaliteit en vraagt vrij nadrukkelijk om in het hokje country rock te worden ondergebracht, terwijl in het afsluitende “Love Me Today”, zoals in zoveel (rootsy) liefdesliedjes, de voet weer van het gaspedaal mag en emoties de vrije loop krijgen. Een mooi orgelpunt voor een al even mooie cd, die bovendien ook nog eens heel fraai verpakt aan de man gebracht wordt. Een aanradertje derhalve ook!

D.B. Rielly

CD Baby

 

SUSAN CATTANEO “Heaven To Heartache” (Jersey Girl Music)

(3***)

De vanuit Boston actieve Susan Cattaneo debuteerde in 2009 met “Brave and Wild”. Een plaat, waar ze gelijk flink wat bijval mee oogstte. Maar nu was die Cattaneo ook niet meteen “een gewone”. Al meer dan tien jaar lang onderwees ze immers aan het gerenommeerde Berklee College of Music het schrijven van liedjes. En daardoor gingen we haar eersteling toch wel een beetje anders bekijken. Al deed dat absoluut niets af aan de kwaliteit ervan. “Brave and Wild” was best wel een aardige plaat en dat is ook de opvolger ervan eigenlijk weer. Waar Cattaneo’s visitekaartje echter nog grossierde in East Coast rock, laat “Heaven to Heartache” een totaal andere kant van haar muzikale persoonlijkheid bewonderen. Dat album is immers beduidend meer country-georiënteerd. Zij het dan ook nog altijd gekruid met een stevige snuif wat pittiger spul op z’n tijd. In twaalf veelal aan leven en liefdes gewijde eigen liedjes etaleert Cattaneo andermaal over een geweldig stel “pipes” te beschikken. Daarmee komt ze beurtelings heel erg passioneel en ongemeen krachtig uit de hoek. En dat levert nogal wat momenten op, die je als ideaal radiovoer zou kunnen bestempelen. Zeker naar Amerikaanse normen dan. Als opvallendste noteerden wij hier “On Again Off Again”, een duetje met haar recentelijk in enigszins vergelijkbare wateren actieve collega Ellis Paul, het rootsy openingsnummer “Gotta Get Gone”, het mede dankzij een fraaie pedal steel-bijdrage van Tommy White heerlijk dromerig aandoende “Baby We Fly” en dé gedoodverfde favoriet voor een rol als toekomstige hit, het catchy countryrockertje “Girls Night Out”. Voor ons net een tikkeltje te commercieel allemaal, maar we kunnen ons heel goed voorstellen, dat anderen zich hier wél volop in kunnen vinden.

Susan Cattaneo

 

JP JONES “Revelation” (Vision Company Records)

(4,5*****)

Enige tijd geleden maakten we je hier al even attent op het feit, dat JP Jones zijn volledige songcatalogus voor korte tijd als gratis download ter beschikking stelde. Een gelegenheid, waar ongetwijfeld velen van gebruik zullen hebben gemaakt om zich wat materiaal van de man toe te eigenen. En de kans is vrij groot, dat ze vervolgens met de mond van verbazing wagenwijd open zijn achtergebleven. Want Jones mag dan al geen al te grote naambekendheid genieten, de man behoort wel zondermeer tot de allerbeste singer-songwriters van de voorbije twee decennia. Al ruim twaalf albums lang strooit hij genereus met pareltjes in het rond. Liedjes met een quasi literair karakter, getuigend van zowel een flink ontwikkeld inzicht in de menselijke psyche, als van een ruime interesse voor ondermeer zijn thuisland, geschiedenis, religie en literatuur. Vijftien daarvan belandden onlangs op de bloemlezing “Revelation”. En dat, beste vrienden, is een onvervalste aanrader. Dingen als “Morning Train” van het in ’94 verschenen “Broken Open”, “Dante’s Highway” en het titelnummer van “Salvation Street” uit 2001, het als Springsteen ten tijde van “Nebraska” werkende “Johnny Golightly” van “Voluntown” uit ’91, het bezwerende “Wreck The Bed” van “Magical Thinking” uit 2006, het ook al ronduit magistrale “Adios Columbus” van “Ashes” uit ’99 en andere zullen niet één liefhebber van “intelligent” singer-songwriterspul onberoerd laten. Integendeel, het zou ons zelfs ten zeerste verbazen, als het kopen van deze knappe schijf er op vrij korte termijn niet zou toe leiden, dat ook andere albums van Jones op je verlanglijstje zouden komen te staan…

JP Jones

 

M. LUCAS “Dust” (Skillet Dog Records)

(3,5****)

“Dust” is het solodebuut van de eerder al in het akoestische duo Lucas & Graham en de rootsgroep Billyblues actieve Mark Lucas. En die toont zich op die eersteling van ‘m een bijzonder getalenteerde songsmid. In tien “kortverhalen met een rijk verleden”, verkent hij de wat donkerdere kantjes van zijn thuisland en z’n inwoners. Slechts twee daarvan blijken niet van eigen hand. We hebben het dan over de traditionals “Lost John” en “Bivouac Of The Dead”. Vrijwel zonder uitzondering voeren Lucas’ liedjes tegen een stilistisch aardig gevarieerde Americana-achtergrond dromers, geesten, krijgers en outlaws op, die bij monde van een aangenaam grof gevooisde gastheer hun verhalen mogen vertellen. Sterkste momenten: de van opzet een heel klein beetje aan Roy Orbison herinnerende trage “Gold”, het schokschouderende rootsrockertje “Whiskey Railroad” en het op een aparte manier soulvolle titelnummer. Lijkt ons wel iets voor de fans van acts als James McMurtry, Guthrie Kennard en het trio Kane Welch Kaplin.

M. Lucas

CD Baby

 

HANK WOJI “There Was A Time” (KZ Records)

(3,5****)

Met “There Was A Time” is singer-songwriter Hank Woji inmiddels toch ook alweer aan zijn derde cd toe. En op die opvolger van “Medallion” uit 2005 en “American Dreams” van zo’n jaar of twee geleden kiest de Texaan resoluut voor een “back to basics-aanpak”. Blind vertrouwend op de eigen lichthese stem, een enkele akoestische gitaar, een mondharmonica en occasioneel wat minimale percussie gaat hij voor een zo puur mogelijke vorm van storyteller Tex-Americana. En dat doet hij met veel brio. Zowel de zeven door hemzelf aangedragen originelen als covers van de traditionals “Deep Ellum Blues” en “My Last Ole Dollar”, Townes Van Zandts “Loretta” en het je vast al wel van Woody Guthrie bekende “Jesus Christ” laten zich omschrijven als bijzonder aangenaam luistervoer. ’n Beetje folk, ’n beetje traditionele country, ’n beetje blues, maar bovenal heerlijk authentiek. Wat ons betreft graag meer van dattum!

Hank Woji

CD Baby

 

TWILIGHT HOTEL “When The Wolves Go Blind” (Cavalier Recordings / V2)

(4,5*****)

Er zijn zo van die platen, waar je als recensent net iets meer naar uitkijkt dan naar andere. Zoals naar deze opvolger van het onvolprezen “Highway Prayer” van het Canadese duo Brandy Zdan en Dave Quanbury bijvoorbeeld. Eind 2009 trok dat als Twilight Hotel door het leven stappende tweetal vanuit z’n nieuwe thuisbasis in Austin richting L.A. om er tijdens een driedaagse sessie z’n nieuwe album vrijwel geheel en al live in te blikken. In een met John Whynot (ook keyboards) gedeelde productie en verder met hulp van Stephen Hodges (drums, percussie, timpani en conga’s), Jeff Turmes (elektrische en akoestische bas, banjo, bariton- en tenorsax) en Andrew Lynch (bugel) knutselden ze in Californië twaalf nieuwe liedjes in elkaar, die zo ongeveer al het al over hun voorganger vertelde goede alleen maar zullen bevestigen. Zdan (zang, lap steel, elektrische gitaar en accordeon) en Quanbury (zang, elektrische, akoestische en baritongitaren, piano, mountain dulcimer en ukelele) doordrenkten die nieuwe songs nogal nadrukkelijk met een gevoel van voortdurend in beweging zijn. Openings- en titelnummer “When The Wolves Go Blind” zet wat dat betreft meteen de toon. De quasi hypnotiserende “tzigane-feel” (Dat accordeon vooral!), die dat nummer beheerst, geeft ogenblikkelijk aan, dat hier andermaal op zeer creatieve wijze met het begrip rootsmuziek zal worden omgesprongen. En dat aanvankelijke gevoel wordt later meer dan alleen maar bevestigd! Door “What Do I Know About Love?” bijvoorbeeld, dat klinkt als een soort van kruisbestuiving tussen Tom Waits en Calexico, door “The Master” ook, dat ontegensprekelijk filmische kwaliteiten bezit, door het rijkelijk met lap-steelklanken bediende en zeer winters aandoende “Frozen Song” of door het zowat in elk opzicht hoogst bevreemdend uit de hoek komende “The Darkness”. Neen, deze Zdan en Quanbury zijn duidelijk “geen gewone”! En dat uit zich bijna als vanzelfsprekend in een erg fraaie alternatieve rootsplaat, die we nu alvast op ons lijstje met kandidaten voor onze volgende jaarlijst durven te zetten. Ze horen is ze ook kopen, wedden?

Twilight Hotel

Cavalier Recordings

 

LYNNE HANSON “Once The Sun Goes Down” (Weatherbox / Bertus)

(4****)

Net als haar vorige twee platen, haar debuut “Things I Miss” uit 2006 en het twee jaar later verschenen “Eleven Months”, is ook “Once The Sun Goes Down”, de derde van de Canadese Lynne Hanson, weer een echte voltreffer geworden. “Porch music with a little Texas red dirt” noemt ze het daarop gebrachte zelf. Een omschrijving, die perfect aangeeft in welke richting je in verband met de elf nieuwe liedjes erop denken mag. Maar het lijkt ons toch zeker zo handig om ook wat niet meteen in die hoek te situeren namen te droppen. Want liefhebbers van collega’s van Hanson als een Lucinda Williams, een Pieta Brown, een Mary Gauthier, een Caroline Herring of een Lynn Miles moeten hier beslist ook even aan. Ze zullen het zich absoluut niet beklagen! Hanson speelt hier immers op bijzonder innemende wijze met elementen uit Americana, country, folk en blues. Met haar bij momenten licht onderkoelde manier van zingen weer als één van haar absolute “fortes” weet ze onder de productionele hoede van de ondermeer van zijn werk voor Justin Rutledge bekende David Baxter een wat scherper randje aan haar materiaal te verlenen. Het klinkt daardoor allemaal nog net iets spannender, nog net wat beklijvender dan voorheen. Daarbij weet Hanson zich bij diezelfde Baxter, drummer Blake Manning (Blue Rodeo), bassist Brian Kobayakawa (Creaking Tree String Quartet) en toetsenman Jason Sniderman (Blue Peter) en gasten als de al genoemde Jason Rutledge (banjo), Paul Reddick (harmonica), Gilles Leclerc (mandoline en zang), Lynn Miles (zang) en anderen in uitstekend gezelschap. Haar vaak aan liefdesperikelen opgehangen liedjes ontwikkelen zich tegen een beurtelings wat meer richting Americana, country, folk, blues dan wel roots rock overhellende achtergrond tot echte oorwurmen. En je hoeft je geen zorgen te maken! Hanson omzeilt werkelijk alle zich met die thematiek potentieel aandienende clichés met brio. Geen plaats voor sentimenteel gedoe hier! Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als het op een bezwerende swampy groove rustende “Riptide”, de knappe mid tempo rootsy country van “Just For The Tide” of de Americana pur van “Mary Mary” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Wat ons betreft andermaal een absoluut niet te missen plaat!

Lynne Hanson

 

JOEL PLASKETT “Three To One” (Blue Grace Music / Rough Trade)

(3,5****)

“Three To One”, de “nieuwe” cd van Joel Plaskett, is eigenlijk gewoon een soort van vereenvoudigde, speciaal voor de Europese markt bestemde uitvoering van zijn laatste album, het in zijn thuisland Canada ondertussen erg succesvol gebleken “3”. Een plaat die  overigens niet zomaar die titel opgeplakt kreeg. Je bent al snel geneigd om te gaan denken, dat dit het geval is, omdat het hier ’s mans derde release betreft. Maar eigenlijk zit er veel en veel meer achter. In de aanloop naar zijn nieuwe worp stelde Plaskett immers vast, dat hij met drie nieuwe nummers zat, waarvan de titel bestond uit één enkel tot driemaal toe herhaald woord: het volop naar hillbilly geurende stampertje “Rollin’, Rollin’, Rollin’”, de soulvolle pianoballade “Rewind, Rewind, Rewind” en de folkpopdeun “Gone Gone Gone”. Het deed bij hem meteen het idee rijzen, om een volledig album met dergelijke nummers te maken. Maar aangezien hij ook nog met een stel andere nummers zat, die niet meteen aan dat concept beantwoordden en die hij toch ook graag vereeuwigd wou zien, stapte hij van zijn aanvankelijke voornemen af en ging hij voor een driedubbelaar, op die manier – Ongewild? – toch weer trouw blijvend aan het getal drie. Maar zoals al eerder gesteld, Europa moet het doen met een compilatie met – Het beste? – van die drie schijven. En die kreeg ook al een toepasselijke titel mee: “Three To One”. De vanuit Halifax, Nova Scotia actieve zingende songmid toont zich daarop als een moeilijk voor één gat te vangen artiest. Openingsnummer “Deny, Deny, Deny” blijkt zo dartele, door een zwierige viool met wat zomergevoel bezwangerde pop, “Through & Through & Through” neigt mede door z’n gesmaakte blazersinbreng voorzichtig richting R&B, “You Let Me Down” is intelligente (pop)rock genre XTC in betere tijden, “Rewind, Rewind, Rewind” heeft zoals al eerder gesteld op enigszins aparte wijze iets met soul, “Precious, Precious, Precious” en “Sailors Eyes” horen thuis onder de noemer roots rock, “Run, Run, Run” herinnerde ons gevoelsmatig voorzichtig aan Crowded House, “New Scotland Blues” is in tegenstelling tot wat zijn titel doet vermoeden folky spul en “Rollin’, Rollin’, Rollin’” wordt banjogewijs klaargestoomd voor een bestaan als puur countryliedje. Variatie troef hier met andere woorden en het is eigenlijk een klein wonder te noemen, dat Plaskett er toch in slaagt om deze dertien songs als één enkel geheel te laten werken. Met ons heeft hij er alvast één fan mee bij gewonnen.

Joel Plaskett

 

RAY BARNARD & THE REVERBERATION “Tinted Windows To The Soul” (Bartered Soul)

(3,5****)

Van Ray Barnard wisten we al wel langer dan vandaag, dat hij een flinke boon had voor soul. Als moesten we daar dan in zijn dagen als kopstuk van het onvolprezen collectiefje The Copperheads nog wel steevast de term country vóór denken. En precies dat is op ’s mans eerste plaat onder eigen naam niet langer het geval. Daarop gaat hij resoluut en zonder ook maar de minste vorm van schroom voor een “zwart geluid”. We hebben het dan over R&B, funk en vooral ook veel soul van het genre, waarmee met name knapen als een Curtis Mayfield en een Bill Withers van zich deden spreken tijdens de jaren zeventig van de vorige eeuw. Met een opvallend gemak vindt Barnard op “Tinted Windows To The Soul” aansluiting bij de ondermeer dankzij nogal wat fraai plaatwerk van die beide heren door velen gecultiveerde traditie. Als andere, wat recentere ijkpunten noteren we hier verder ook nog het materiaal van Dan Penn & Spooner Oldham en actuele cultfavorieten Sharon Jones & The Dap Kings. Wat maakt, dat u ondertussen al wel begrepen zal hebben, dat wij hier behoorlijk hoog oplopen met het door Barnard op z’n eersteling aan het hoofd van The Reverberation aangebodene. Met name ’s mans ongemeen soepele voordracht en zijn ijzersterke originelen doen het hem daarop voor ons. Songs als het vrij onopvallend met een snuif reggae gekruide “Classified”, de zomers lome sleper “Letter From Houston”, het groovy “Crying On The Inside” en het lekker funky uit de hoek komende en bovendien ook nog eens aan een scherpe tekst opgehangen “Talking To God (With A Gun In My Hand)” vonden ondertussen al probleemloos hun weg naar onze iPod en er zullen er binnen afzienbare tijd ongetwijfeld nog wel enkele volgen. Dingen als het wat radiovriendelijkere “Carolee” bijvoorbeeld of het volop met soulvoorbeelden uit de late jaren zestig flirtende “Deportation Day”. Al bij al een aangename verrassing van formaat, dit “Tinted Windows To The Soul”. En wat ons betreft dan ook warm aanbevolen!

Ray Barnard

CD Baby

 

HT ROBERTS “Spirit Level” (Parsifal / Coda)

(5*****)

Voor allen, die het na zijn zes voorgaande albums, waarvan minimaal drie van een kaliber dat zo menig een Amerikaanse confrater er terstond zijn ziel voor aan de duivel zou verkopen om ze te kunnen maken, nog steeds niet begrepen zouden hebben, vallen we hier met plezier in herhaling: onze landgenoot HT Roberts is een echte meester-verteller. Een singer-songwriter, die, mocht hij vanuit de States actief zijn, wellicht allang in één adem zou worden genoemd met genregrootheden als een Townes Van Zandt, een Guy Clark en een John Prine. Net als die grootmeesters verstaat ook hij de kunst om uit alledaagse gegevens de prachtigste liedjes te puren. Veelal erg persoonlijke songs, waarin je wordt meegenomen op een trip langsheen eigen herinneringen, overpeinzingen en dromen. In “Like A Leaf In The Wind” wordt zo bijvoorbeeld op bijzonder subtiele wijze ingegaan op een vraag, die we ons met het ouder worden allemaal wel eens durven te stellen. Als we er nog eens opnieuw aan zouden mogen beginnen, zouden we dan met alle ondertussen opgedane levenswijsheid dezelfde weg bewandelen of zouden we toch voor een ander traject kiezen? Innemend en enig mooi tegelijk! Bijzonder knap, hoe het persoonlijke hier op eerder onopvallende wijze in het meer universele overgaat. Een bedenking, die overigens in grote lijnen ook wel opgaat voor het enigszins vergelijkbare “The Rest”. Roberts daarin tegen zijn eigen verlangens in horen vaststellen “All the good times are gone, all that’s left is the rest.” zal ook jou ongetwijfeld met de nodige vragen over de kwaliteit van de je nog resterende dagen achterlaten. Opnieuw bijzonder straf spul! En dat geldt zeker ook nog voor ”Brother Wind Sister Rain”, een adaptatie van z’n maatje Lieven Taverniers “Regen en Mist”, voor het speels swingend ingevulde “Picasso On The Beach”, voor het herfstige “Linoleum Floor”, voor de intimistische Europese road song “Down To My Last Euro Blues” en voor het voorzichtig richting Woody Guthrie neigende crisisliedje “The Promised Land”. Dat zijn wat ons betreft de dikste krenten in de pap hier. Al vinden we eigenlijk gewoon weer alle twaalf nummers ronduit uitstekend. Met dank ook aan Gijs Hollebosch (op mandoline, dobro, slide gitaar en lap steel), Arne Van Dongen (contrabas), Niels Delvaux (drums en percussie), Gabriela Arnon en Sarah D’hondt (zang) en Luiz Marquez (mondharmonica en sopraansax). Top-Americana made in Belgium, al zullen ze dat, hiermee op een onbewaakt moment geconfronteerd,  aan de andere kant van de Atlantische Oceaan allicht “hard to believe” vinden…

HT Roberts

Parsifal

 

WILLIE NILE “The Innocent Ones” (River House Records / Rough Trade)

(4****)

Het krijgt er zo stilaan alle aanschijn van, dat rock & roll-beest in hart en nieren Willie Nile zijn zaakjes eindelijk allemaal op een rijtje heeft. Zo’n veertig jaar heeft hij erover gedaan om zoiets als consistentie in zijn productiviteit te krijgen, maar de laatste paar jaren gaat het plots allemaal een flink stuk vlotter. En dus lijkt niets een heuse glorietocht van de man die in The New York Times jaren geleden al als “one of the most gifted singer-songwriters to emerge from the New York Scene in years” bestempeld werd nog in de weg te staan. Iets wat hij zelf ook wel lijkt te beseffen, want beter als op zijn nieuwe worp klonk hij eigenlijk nog nooit. Gelijk van bij de bruisende opener “Singin’ Bell” is de toon gezet. Met het heilige vuur van een debutant knalt Nile hier doorheen een reeks veelal behoorlijk gitaarzwangere deluxe-rockertjes, waarin de geesten van zowel Joe Strummer (The Clash) als Bruce Springsteen vrijwel voortdurend acte de présence lijken te willen geven. Op zijn eenenzestigste laat de beste man in tal van heerlijk melodieuze rootsy rocknummers zo menig een youngster nog een flink poepje ruiken. Aan energie duidelijk nog geen gebrek hier. Enkel de broodnodige variatie ter wille lijken enkele rustigere momenten te worden ingelast. En ook die blijken erg knap! Over lekkere deuntjes als “Song For You”, “My Little Girl” en “Sideways Beautiful” hebben we het dan, die in een wat rechtvaardigere wereld om de haverklap hun weg richting de ether zouden weten te vinden. In afwachting daarvan zullen wij er hier echter wel zorg voor dragen, dat Nile en z’n “Innocent Ones” regelmatig een beurt blijven krijgen…

Willie Nile

 

TED RUSSELL KAMP “Get Back To The Land” (POMO / Dualtone / Bertus)

(4,5*****)

Ted Russell Kamp mag duidelijk graag van twee walletjes eten. Als vaste bassist in de band van Shooter Jennings verdient hij wellicht ruimschoots het beleg op zijn dagdagelijkse boterham. Maar het interessantst blijft wat ons betreft toch vooral wat hij in z’n vrije tijd zoal doet. Daarin profileert hij zich immers almaar vaker als een geweldige singer-songwriter. Als stille getuigen daarvoor herinneren we hier graag nog eens even aan het al in 2007 uitgebrachte “Divisadero” en het van een goed jaar later daterende “Poor Man’s Paradise”, twee platen die door “roots connoisseurs” over vrijwel de gehele wereld onder de superlatieven bedolven werden. En datzelfde lot wacht ongetwijfeld ook ’s mans nieuwe worp “Get Back To The Land”. Een eerste plaats in de Euro Americana Chart van deze maand lijkt ons daarvoor alvast een goede indicatie. En of die terecht is!  “Get Back To The Land” is immers zo mogelijk nog beter dan de genoemde voorgangers. Kamp komt op dat nieuwe album bij momenten ongelooflijk soulvol uit de hoek en bewijst ruim dertien nummers lang ook als songwriter tot de sterksten van zijn generatie te moeten worden gerekend. Gelijk van bij de door zomers rinkelende gitaren aangejaagde opener “California Wildflower” had hij ons onmiddellijk bij de les. En ook de rest van de plaat zouden we met plezier als gemotiveerde leerlingen met een meer dan gemiddelde aandacht uitzitten. Iets wat bij nader inzicht nogal wat verplichte leerstof zou opleveren. Van de ons wat aan het latere werk van Rodney Crowell herinnerende roots rock van “Don’t Look Down” tot het twangy “If I Had A Dollar”, van de broeierige country soul van “Right As Rain” tot het radiovriendelijke, voorzichtig met pop flirtende “Lonelytown”, van de oorstrelend mooie Americana van het met wat subtiel koperwerk opgewaardeerde tweetal “(Down At The) 7th Heaven” en “Georgia Blue” tot de over een zalige pedal steel-bijdrage van Eric Heywood gedrapeerde melancholische country van “Half Hearted” of de heerlijke Southern-fried rock van afsluiter “Bottles On The Table”, stuk voor stuk zijn het liedjes die tot herhaaldelijk luisteren aanzetten. Mission accomplished dus duidelijk voor Kamp, die met deze nieuwe schijf nadrukkelijk toont klaar te zijn voor een stek in de hoogste regionen van het actuele Americana-wereldje.

Ted Russell Kamp

 

BOB MARTIN “Live At The Bull Run” (Riversong Records)

(4,5*****)

Bob Martin mag gerust worden beschouwd als één van de best bewaard gebleven (Amerikaanse) singer-songwritergeheimen überhaupt. Zijn eerste stappen als muzikant zette hij nochtans reeds bij het begin van de jaren zestig. Omstreeks dezelfde tijd als ene Bob Dylan deed ook Martin al van zich spreken als één van de vele exponenten van de vermaarde Cambridge folkmuziekscène. Waar die Dylan het echter tot een onvervalste wereldster zou schoppen, kwam Martins carrière nooit echt helemaal van de grond. Net als bijvoorbeeld ook een Willis Alan Ramsey groeide hij uit tot een in kennerskringen op het devote af gekoesterde cultheld. Een status, waarvoor op basis van meesterlijke platen als “Midwest Farm Disaster” uit ’72, “Last Chance Rider” uit ’82, “The River Turns The Wheel” uit ’97 en “Next To Nothin’” uit 2000 absoluut iets te zeggen valt. Met zijn wat rasperige stem en een subtiele gitaarbehandeling als zijn voornaamste bondgenoten vertolkt hij daarop op z’n Woody Guthrie’s en zeker ook beïnvloed door de grote Jack Kerouac de in de laatste jaren een weinig doorprikte Amerikaanse vrijheidsmythe. De manier waarop hij zijn verhalen aan de man bracht en nog steeds brengt, is ronduit meesterlijk te noemen. Als geen ander slaagt Martin erin om met behulp van precies gekozen woorden welbepaalde sferen te evoceren. Het lijkt allemaal heel simpel, maar dat is het dus absoluut niet, he. Vraag het maar eens aan allen die na hem kwamen en zich de tanden stuk beten op vergelijkbare opdrachten. Alles draait effectief om de eenvoud en die wordt hier ogenschijnlijk spelenderwijze verheven tot ware kunst. Op de grens tussen genres als folk, country en blues moet dit zondermeer tot het allerbeste wat op de markt verkrijgbaar is behoren. En het doet daarom ook ontzettend veel deugd om vast te stellen, dat dezer dagen met name vanuit Nederlandse rootskringen een serieuze inspanning wordt geleverd om Martin eindelijk te geven, waar hij al zo lang recht op heeft. Zo kan je hem in de volgende weken niet enkel live gaan bewonderen tijdens een reeks concerten in België en Nederland, maar wordt ook zijn laatste cd “Live At The Bull Run” uitgebreid onder de aandacht gebracht. Op dat in november van 2008 in Shirley, Massachusetts ingeblikte schijfje ben je getuige van één van de vele om hun speciale sfeer geroemde optredens van de man. Zowel in zijn songs als ertussen toont die zich daarop uiterst onderhoudend. Een echt snoepje voor al wie houdt van zingende storytellers. En derhalve van hier uit ook warm aanbevolen!

Bob Martin

CD Baby

 

DAN MONTGOMERY “You’ll Never Be A Bird” (Fantastic Yes Productions)

(4****)

Als we door de jaren heen één ding hebben geleerd, dan is het wel, dat artiesten een nieuwe plaat doorgaans graag als hun beste so far mogen bestempelen. Logisch gevolg: een dergelijke uitspraak nemen wij zonder uitzondering met een flinke korrel zout. Zelfs al betreft het dan ook acts, die ons nog nooit echt ontgoocheld hebben. Zoals een Dan Montgomery bijvoorbeeld. Maar die had verdomme wel overschot van gelijk, toen hij ons onlangs mailde, dat “You’ll Never Be A Bird”, zijn derde tot op heden, ruimschoots het beste was, wat hij al op de wereld had losgelaten. En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan wordt die nieuwe schijf van ‘m spoedig ook opgepikt door een Europese verdeler en treffen we de man binnen de kortste keren ook op podia wat dichter in de buurt aan. De opvolger van het hier ook al uitvoerig bejubelde “Rosetta, Please (A Love Story)” is opnieuw een onwaarschijnlijk mooie plaat. Zondermeer ’s mans best afgewerkte en meest gevarieerde totnogtoe alleszins. En dat ligt wellicht niet in geringe mate aan de bijzonder verzorgde bijdragen van Robert Mache (Continental Drifters, Steve Wynn) op gitaar en mandoline, Louis Jay Meyers op pedal steel en banjo, Andrew Simons op akoestische bas en Jesse Williams achter de drums. Om nog maar te zwijgen van het vocale weerwerk geleverd door Candace Mache. Samen zorgen zij voor een veel rijker geluidspalet dan dat voorheen het geval was. En dus kan Montgomery zich hier naar hartenlust uitleven in genres als country, Americana, roots rock, folk tot zelfs gospel toe. Genres, waarin zijn de vaak keiharde realiteit absoluut niet schuwende liedjes zich zonder uitzondering thuis voelen. Hoogtepunten à volonté dan ook hier. We noemen zo bijvoorbeeld de fraaie weemoedige countrysleper, die het titelnummer is, het dromerige “Girl With A Broken Bell”, het breekbare “I’m Lost”, het voorzichtig (country)rockende “Tomorrow This Time” en het de eerste helft van zijn titel op wel erg fraaie wijze invullende “Waltz For Charlie”.

Dan Montgomery

CD Baby

 

ANNIE GALLUP “Weather” (Waterbug Records)

(3,5****)

Erg, erg fraai geheel is dit! Uitermate geschikt voor de tijd van het jaar ook, als je het ons vraagt. Het betreft hier een enigszins onverwacht te noemen samenwerking tussen de Amerikaanse Annie Gallup, een singer-songwriter ons in het verleden aan het hart gegroeid door haar veelal poëtische songs, haar spoken word performances en haar innovatieve gitaarbehandeling, en toetseniste Asia Mei (Meirovich), normaliter vooral actief in de art rock-hoek. Deze laatste mocht voor de twaalf nieuwe Gallup-composities de arrangementen uitwerken en deed daarbij een beroep op de “vaardige handen” van Benjamin Russell, Yuki Numata, Caitlin Lynch, Brian Snow en Loewi Lin. Het resultaat is een eerder herfstig aandoend geheel, waarop Gallup op subtiele wijze haar miniatuurtjes schildert tegen een achtergrond van violen, altviool en cello. Heerlijk poëtisch andermaal, maar ditmaal eerder vallend onder de ruime noemer kamerfolk dan wat anders. En praten over het weer blijkt daarop, zoals Gallup zelf het in de liner notes al even aangeeft, heus niet altijd alleen maar over het weer te gaan. Apart, maar hoogst intrigerend!

Annie Gallup

Waterbug Records

 

RODNEY DECROO “Queen Mary Trash” (Northern Electric)

(3,5****)

Met een familienaam als de zijne is in ons land de kans vrij reëel te noemen, dat je het vroeg of laat ver weet te schoppen in liberale politieke kringen, maar dat zal deze Canadese veelschrijver wellicht worst wezen. Zijn ding blijken immers “nach wie vor” bijzonder lekkere rootsy rock en Americana ditties, gezegend met door de band genomen ook wel prima teksten. Zo’n beetje op het gouden kruispunt tussen artiesten als een Bob Dylan, een Neil Young en een Tom Petty, zeg maar. En daarmee zijn we meteen ook bij DeCroo’s zwakke plek aanbeland. Net als die drie heren blijkt immers ook hij “gezegend” met een als wel erg apart te bestempelen stem. Eigenlijk ook zo’n beetje een kruising tussen die van de drie genoemde grootheden. Op de keper beschouwd geen van allen geweldige zangers, maar geen hond die zich daaraan stoort, omdat de kwaliteit van hun materiaal doorgaans erg hoog is. En misschien moeten we dat gegeven wel in het achterhoofd houden bij het beoordelen van deze vijfde van DeCroo. Nogmaals, zijn songs zijn werkelijk uitstekend, maar met name in de wat stevigere nummers durft hij er met zijn scherp-hoge stem wat ons betreft toch wel een beetje over te gaan. En dat vonden wij vooral jammer, omdat hij ons met rustigere stukken als het titelnummer, het soulvolle “Out Of This World” en “Van City” wél volop wist te bekoren. En daarom gunnen we de beste man hier ook nog het voordeel van de twijfel. Ga “Queen Mary Trash” vooral eens beluisteren, zouden we zo zeggen. Als DeCroo’s stem geen bezwaar voor je vormt, dan houd je er een puike collectie liedjes aan over. Echt veel te verliezen heb je dus niet echt…

Rodney DeCroo op MySpace

Northern Electric

CD Baby

 

VARIOUS ARTISTS “For You 2 - A Tribute To Bruce Springsteen” (Route 61 Music)

(3***)

Over een gebrek aan aandacht hoeft The Boss deze winter absoluut niet te klagen. Er waren al de opulente box set “The Darkness On The Edge Of Town Story” en de daarmee samenhangende, net iets beursvriendelijkere dubbelaar “The Promise”, er was ook al het ’s mans zeven eerste platen als vinyl replica’s aanbiedende doosje “The Collection: 1973-1984” en nu is er “For You 2”, een onder de auspiciën van Ermanno Labianca ingeblikt eerbetoon, waarop voornamelijk Italiaanse medemensen zich aan het oeuvre van de man wagen. Het resultaat? Om het met het op het hoesje afgebeelde label samen te vatten: Americana made in Italy! En zoals dat met dit soort van compilaties wel vaker het geval blijkt, worden daarbij behoorlijk aangename met flink wat mindere momenten afgewisseld. Best wel bekoorlijk vonden wij zo bijvoorbeeld wat Riccardo Maffoni, de Modena City Ramblers, Lorenzo Bertocchini & Elizabeth Lee, Francesco Lucarelli, Andrea Parodi & JT Van Zandt (De zoon van inderdaad!), Luigi Mariano en nogmaals Lorenzo Bertocchini met respectievelijk “It’s Hard To Be A Saint In The City”, “The Ghost Of Tom Joad”, “Be True”, “Tomorrow Never Knows”, “Racing In The Street” (Een duetje en ten dele in het Italiaans gebracht!), “Matamoros Banks” (Volledig in het Italiaans!) en “Sherry Darling” deden. Elders bleven ons, alle goede bedoelingen ten spijt, de originelen van Springsteen zelve té nadrukkelijk voor de geest komen. En dat is natuurlijk niet echt een goed teken. Eigenlijk hadden we op de keper beschouwd best wel wat meer in het Italiaans gebrachte versies van Boss-songs willen horen. Tot onze grote verbazing werkten die hier immers uitstekend. En de Luigi Mariano-bijdrage aan “For You 2” belandde ondertussen zelfs al op de iPod.

For You 2

 

BART DE WIN “Little World” (Munich Records)

(4****)

Met zijn debuut-cd “The Simple Life” liet Bart de Win hier ondertussen zowat een jaar geleden een behoorlijk verpletterende indruk na. Compleet “out of the blue” wist de voordien vooral als één van Gerard van Maasakkers’ Vaste Mannen bekende Brabander zich daarmee in één klap een plaatsje tussen de allerbeste Nederlandse singer-songwriters te verwerven. Een “voldragen, ontzettend rijpe plaat” noemden we die eersteling van ‘m indertijd hier. En het kwam voor ons dan ook absoluut niet als een verrassing, te vernemen dat hij op basis van het daarop gebrachte onder de vleugels van de gerenommeerde producer Walt Wilkins in Austin, Texas belandde voor de opnames van een opvolger. Samen met die ondermeer om zijn werk met Sam Baker geroemde veelkunner en zijn begeleiders van The Mystiqueros en andere gastmuzikanten als Kim Deschamps (pedal steel, banjo en dobro), Scrappy Jud Newcomb (gitaar) en Gilad Atzmon (klarinet) tekent De Win daarop ontegensprekelijk voor een nieuwe “Alle dertien goed!”-ervaring. En het pleit wat ons betreft serieus in het voordeel van onze Noorderbuur, dat hij ondanks de aanwezigheid van zoveel schoon volk toch te allen tijde zijn eigen ding gedaan lijkt te hebben. Nergens kreeg Wilkins de kans om al té nadrukkelijk zijn stempel op de werkzaamheden te drukken en precies daardoor is “Little World” naar ons gevoel de radiovriendelijke plaat geworden, die ze is. Net als op voorganger “The Simple Life” laveert De Win ook nu weer met als voornaamste bondgenoten zijn eigen gloedvolle baritonstem en dito toetsenspel handig heen en weer tussen genres als (roots)pop, Americana en folk. En dat levert nogal wat beklijvende momenten op. Erg mooi vonden wij zo bijvoorbeeld het op bijzonder soulvolle wijze neergelegde “Shine A Little Light”, het gevoelsmatig zijn titel alle eer aandoende “Summer Dresses”, het pianogestuurde en ons een heel klein beetje aan JW Roy herinnerende “Bigger Than Anything”, het ingehouden rootsrockertje “Easter Bunnies”, het “rather folky” aanvoelende “They Still Dance” (Met een erg knappe tekst!) en de in duet met Arianne Knegt gebrachte Americana beauty “Call You In The Morning”. Benieuwd, of zoveel vakmanschap mede door de inbreng van Wilkins ook in de States voor wat deining kan gaan zorgen. De Win zou het naar onze bescheiden mening alvast meer dan verdienen!

Bart de Win

 

VARIOUS ARTISTS “Louisiana Swamp Stomp” (HoneyBee Entertainment / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Pas in nood kent men zijn echte vrienden. Dat mocht ook blues man Buddy Flett onlangs nog ondervinden, toen hij geveld door encefalitis in een comateuze toestand geraakte. Toen hij daaruit ontwaakte, bleek hij niet meer in staat om te wandelen en te spreken, laat staan gitaar te spelen. Dankzij een ongelooflijke vechtersmentaliteit en de hulp van zowat de halve muziekgemeenschap van Louisiana kwam hij veel sneller dan verwacht terug. Enkele maanden later speelde Flett zelfs alweer gewoon mee op een benefiet ten voordele van zichzelf. Maar het besef, dat niet iedereen even vlot aan een dergelijke ervaring voorbij komt, leidde tot het in het leven roepen van de Northern Louisiana Brain and Spinal Cord Injury Foundation, die tot doel heeft het helpen financieren van neurowetenschappelijk onderzoek in Louisiana. En het vergaren van fondsen daartoe gebeurt ondermeer middels de verspreiding van de verzamelaar “Louisiana Swamp Stomp”. Daarop zetten gerenommeerde plaatselijke acts als Sonny Landreth, Lil Buck Sinegal (Met Buckwheat Zydeco!), Little Freddie King, Percy Sledge, Carol Fran, Dwayne Dopsie, Henry Gray, Charlene Howard, Omar Coleman en Larry Garner hun beste beentje voor om geld in het bakje te krijgen. En natuurlijk ontbreekt ook Buddy Flett zelve hier niet! Van hem krijgen we het wel bijzonder veelzeggende “Livin’ Ain’t Easy” voorgeschoteld. “A fun romp through the sounds of the Bayou State - you can almost smell the crawfish etouffee cooking,” aldus het promopraatje over dit swampy kleinood en zo is het maar net. Een fraaie staalkaart alleszins van waar muzikaal Louisiana anno 2011 zoal voor staat.

Northern Louisiana Brain and Spinal Cord Injury Foundation

Sonic Rendezvous

 

MISS QUINCY “Your Mama Don’t Like Me” (Miss Quincy)

(3,5****)

“Your Mama Don’t Like Me” is het erg geslaagde debuut van de jonge Canadese Miss Quincy. Die zonderde zich tijdens een flinke winterprik samen met een uitgelezen schare aan lokale muzikanten in haar eigen blokhut in het noorden van British Columbia af om er een achttal eigen liedjes, het instrumentale “Reno’s Song” van de haar op de mandoline begeleidende Reno Fitch en een cover van “Bad Luck Woman” van Memphis Minnie in te blikken. Uit die tien liedjes blijkt een flink uit de kluiten gewassen voorliefde voor Americana, het erfgoed van tal van vrouwelijke bluesgroten uit de jaren dertig, vaudeville, bluegrass en old-time. Het feit dat ze het vooral niet al te nauw neemt met de grenzen tussen die genres maakt dat “Your Mama Don’t Like Me” als geheel eigenlijk zeer verfrissend overkomt. Quincy beschikt bovendien over een even knappe als performante stem en tilt daarmee liedjes als de fraaie trage “Record Store”, het met een fikse snuif vaudeville gekruide titelnummer en het “grassy” “Wild Mountain Flower” moeiteloos naar een hoger niveau. En ook haar verhalen staan door de band genomen als een huis. De bio heeft het wat dat betreft over “equal parts edgy frontier woman and risqué saloon woman” en die omschrijving lijkt ons best wel treffend. Een aanradertje!

Miss Quincy

Miss Quincy op MySpace

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home