CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2013

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

THE DEPARTED “Adventus” - JENN GRANT “The Beautiful Wild” - RICH HORNYAK “Marigold” - JEFF BLACK “B-Sides And Confessions, Volume Two” - TOKYO ROSENTHAL “Tokyo’s Fifth” - ALEX MCMURRAY “I Will Never Be Alone In This Land” - JOHN WHEELER “Un-American Gothic” - PI JACOBS “Urbanicana” - RONNIE FAUSS “I Am The Man You Know I’m Not” - MIGHTY SAM MCCLAIN “Too Much Jesus (Not Enough Whiskey)” - JOY DUNLOP “Faileasan (Reflections)” - NELSON WRIGHT “Still Burning” - DAN BERN WITH COMMON ROTATION “Drifter” - DANIEL ROMANO “Come Cry With Me” - MARIA GILLARD “Mending” - GREGORY PAGE & HIS BIG BAND ORCHESTRA “Shine, Shine, Shine” - HAT CHECK GIRL “Road To Red Point” - SLEEPWATER “Sunwritten” - THEA HOPKINS “Lilac Sky” - J SHOGREN + SHANGHAI’D “God Bless These Crooked Little Songs” - JENN RAWLING & BASHO PARKS “Take The Air” - ROB LUTES “The Bravest Birds” - BIRDS OF CHICAGO “Birds Of Chicago” - J. TEX & THE VOLUNTEERS “House On The Hill” - THE MALDIVES “Muscle For The Wing” - CAM PENNER “To Build A Fire”

 

 

THE DEPARTED “Adventus” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Adventus” is het tweede album van Cody Canada sinds z’n vertrek bij Cross Canadian Ragweed. Nu ja, van Canada… Van The Departed eigenlijk! Zo heet ’s mans nieuwe groep nu immers officieel. En het blijft niet enkel bij die verandering van naam! Het element country raakt in de muziek van Canada en de zijnen immers ook verder en verder zoek. Gerockt wordt er op “Adventus”. En nog niet zo’n klein beetje ook! Openingsnummer “Worth The Fight” zet wat dat betreft meteen de toon. Nerveus voortjakkerende gitaren, genadeloos betimmerde drums, “spuwzang”,… Wees vooral welkom! “Burden” is vervolgens wat soulvoller van aard, “Prayer For The Lonely” groeit vanuit een reggae-eske backbeat uit tot een melodieuze stadionrocker van formaat en “Hard To Find” zouden we hier als ronduit freaky durven te bestempelen. Pas met “Hobo” belanden we na vijf nummers – Eindelijk! – weer eens even in Americana-wateren. Naar ons gevoel meteen één van dé absolute hoogtepunten van “Adventus”, die orgelzwangere meezinger. Samen met “Cold Hard Fact” dan, één van de drie enige andere Americana songs hier. Van het overige materiaal bevielen ons verder vooral nog de gruizige knaller “Flagpole” en het behoorlijk funky opgevatte tweetal “Cold Hard Fact” en “Set It Free”. Songs, die je al bij al eerder aan liefhebbers van klassieke hardrock dan aan die van Americana zou durven aan te bevelen. Voor die laatsten bevindt er zich op “Adventus” allicht niet meer genoeg, dat nog naar het Red Dirt-verleden van Canada verwijst.

The Departed, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

JENN GRANT “The Beautiful Wild” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Canada nog maar eens als hofleverancier voor muzikaal moois! We zijn er de jongste jaren zo stilaan gewoon aan geraakt! Meer nog: we zijn de blik zelfs zelf almaar meer richting dat stukje hoge Noorden gaan richten. Wat maakt, dat schoonheden als de vijfde van Jenn Grant nu niet langer meer zomaar aan ons voorbijgaan. Iets wat een dergelijk album op de keper beschouwd ook helemaal niet verdiende. Grant is immers wat je noemt een echt fenomeen. Met een dromerig verleidelijke stem als haar wellicht voornaamste bondgenote vindt ze met het op “The Beautiful Wild” gebrachte moeiteloos aansluiting bij ook in onze kontreien redelijk populaire chanteuses als Leslie Feist en Ane Brun. En haar folk roots blijken daarbij enkel nog als fundament te dienen. Grant mag immers graag experimenteren. Wat ze brengt op “The Beautiful Wild” is even eigenzinnig als uniek. Alleen al de verborgen bonus track ergens helemaal aan het einde van het album onderstreept die stelling wonderwel, want geef toe, een beklijvende pianoballade had ook jij niet achter de Survovor-hit “Eye Of The Tiger” gezocht. Is overigens de enige vreemde eend in de bijt hier, dat nummer. Voor de rest tekende Grant zelve. Of je zou de in- en outro’s ook mee in rekening moeten brengen. Het eigenlijke album wordt immers uitgeluid met “Green Grows The Lilac”, een al in 1958 opgenomen flard traditional. Een beetje een stijlbreuk eigenlijk. In het voorgaande regeren immers behoorlijk unieke benaderingen van folk (rock) en roots pop. Als een volleerde sirene wenkt Grant je daarin met die gloedvolle stem van ‘r op de eigen muzikale klippen. Daarbij soms op het zweverige af uitwijkend richting country, blues, jazz, tot zelfs klassiek. Zonder dat die genres een al té dominante rol binnen het geheel gaan spelen, dat wel. Onze lievelingsmomenten? De hoger al even opgevoerde Survivor-cover, het voorzichtig rockende “In The Belly Of A Dragon”, de sexy kruisbestuiving van Americana en pop “The Fighter” en het al even aanstekelijke “I’ve Got Your Fire”. Aan dat laatste liedje zouden we – Net als aan “Eye Of The Tiger” overigens! – zelfs enige hitpotentie durven toe te dichten. Jenn Grant in navolging van dames als een Lana Del Rey, een Birdy en een Lykke Li weldra in de charts – waarom eigenlijk ook niet?

Jenn Grant, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

RICH HORNYAK “Marigold” (Rich Hornyak)

(3,5****)

Voor een januarimaand is het eigenlijk best al wel druk op onze schrijftafel! En met name in de sectie singer-songwriters dan. Daar wordt er momenteel al zeer vlot geproduceerd! En dat zowel door gevestigde waarden als door nieuwkomers. En tot die laatste categorie behoort ook debutant Rick Hornyak. Die in Fredonia, een klein stadje ten noorden van Pittsburgh opgegroeide, maar ondertussen zijn muzikale geluk in Austin beproevende youngster levert een al bij al behoorlijk sterk visitekaartje af. Met elf eigen liedjes zoekt hij daarop z’n persoonlijke niche als singer-songwriter. Veel van zijn materiaal blijkt geïnspireerd door z’n eigen (levens)ervaringen. En het is dan ook door en door eerlijk. De Texaanse traditie wat dat betreft waardig, zeg maar. En ook mee ingespeeld door een trits aldaar hun sporen al meer dan verdiend hebbende muzikanten. We noemen in dat verband bijvoorbeeld Rich Brotherton, Marty Muse, Lloyd Maines, David Sanger, Cindy Cashdollar en Casper Rawls. Al was het alleen al maar om je een idee te geven van de richting die het hier bijna voortdurend uitgaat. En dat is die van de intelligente countryrock op z’n Texaans. Met zo nu en dan uiteraard ook het nodige balladeske materiaal als tegengewicht. De topmomenten, vroeg je? Dat zijn voor ons het gevoelige “Cigarettes”, het steel-zwangere, ook al in diezelfde emo-buurt residerende “Homesick Blues” en vooral ook de ronduit heerlijke sleper “Foolish Love”. Nummers van dat kaliber maken voor ons van Hornyak een serieuze belofte voor de toekomst. Benieuwd, of hij die op termijn ook effectief zal kunnen inlossen.

Rich Hornyak

 

JEFF BLACK “B-Sides And Confessions, Volume Two” (Lotos Nile Music)

(5*****)

Op zijn vijftigste klinkt Jeff Black eigenlijk gewoon beter dan ooit. De nu toch al een hele poos vanuit Nashville actieve singer-songwriter pakte recentelijk uit met zijn negende cd. “B-Sides And Confessions, Volume Two” heet die en is als dusdanig een soort van verlengstuk op het al in 2003 verschenen eerste volume. Met die voorganger heeft het album alvast één ding gemeen: een titel, waarvan ons het nut op z’n minst ten dele ontgaat. Het gedeelte van die b-sides inderdaad. Niks b-kantjes hier immers, maar twaalf heerlijk voldragen songpareltjes, die zowel qua melodie, qua tekstuele invulling als qua vormgeving amper mooier hadden kunnen uitvallen. Het leeuwendeel van het instrumentarium nam Black daarbij zelf voor zijn rekening. Gitaren, piano, keyboards, banjo, bas, harmonica, diverse percussie-instrumenten, you name it, Black plays it! En als er toch al eens een instrumentale kruimel liggen bleef, dan mochten gereputeerde maten als een Sam Bush (mandoline en fiddle), een Jerry Douglas (resonator en lap steel), een Kenny Wright (drums en percussie) en een Scott Evans (bas) die graag naar zich toe trekken. Voor wat extra stemmenpracht zorgden bovendien ook nog vrouwelijke collega’s Matraca Berg en Gretchen Peters. Klinkt allemaal goed, niet? En zo klinkt ook Blacks nieuwste! Puntgaaf gewoon! En tekstueel weer zó ontzettend rijk ook! Black vermag het als geen ander om je te laten genieten van zijn muziek en je tegelijk ook aan het nadenken te krijgen. Luister bijvoorbeeld maar eens naar veritabele schoonheden van songs als “All Right Now”, “Good Old Days” of “True Love Never Let Me Down” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen. Black verkondigt in deze en andere nummers hier hem door het leven zelve ingefluisterde waarheden. Dingen, die je niet verzinnen kan, dingen, die je gewoonweg zelf ervaren moet hebben. En precies dat maakt van Blacks negende de geweldige plaat die het echt wel is. Ronduit subliem spul! Hogeschool-Americana! En warm, warm aanbevolen derhalve ook!

Jeff Black

 

TOKYO ROSENTHAL “Tokyo’s Fifth” (Rock & Sock Records)

(3,5****)

Ik mag ‘m persoonlijk wel, deze Tokyo Rosenthal. Onopvallend goed zou ik ‘m willen noemen. Alles wat hij doet lijkt zó vanzelfsprekend. Ook op z’n toepasselijk getitelde vijfde weer. Daarop trekt hij schijnbaar moeiteloos tien nummers lang z’n goede vorm van recente voorgangers “Ghosts” en “Who Was That Man?” door. Met als z’n voornaamste bondgenoten z’n melancholieke, bij momenten een weinig aan Chris Isaak en Raul Malo van de Mavericks herinnerende stem en een buitengewoon vaardige pen. Die twee eigen troeven en de helpende handen van collega’s als een Chris Stamey, een John Teer, een Will Rigby en anderen maken dat Rosenthal hier als het ware bij voorbaat gewonnen spel heeft. Van het mede dankzij een gevoelige klarinetbijdrage van David DiGiuseppe ergens in het wel eens vaker door de hier al genoemde Isaak gefrequenteerde retro-landschap strandende “This Ship Will Sail” over het vocaal met Andrea Connolly gedeelde en wat met folkinvloeden stoeiende “Waste Of A Heart” tot het aanstekelijke, met een bescheiden prise cajun op smaak gebrachte “Mulberry Place”, van het wel wat richting pop overhellende “What Did I Used To Be?” over border song “The Immigrant” – Wat ons betreft de absolute primus inter pares hier! – tot een nerveuze Americana-cover van “Helter Skelter” van de Beatles, van het emotionele “Killaloe” over de pianoballade “Smoke And Mirrors” en het opnieuw heel erg Isaak-eske “We Put You Down” tot afsluiter “Thank You, You’re Beautiful”, storyteller Rosenthal – “Toke” voor de vrienden! – toont zich hier opnieuw nadrukkelijk klaar voor een doorbraak op een wat grotere schaal. En vroeg of laat zal die er ook wel gaan komen ook. To be continued!

Tokyo Rosenthal, CD Baby

 

ALEX MCMURRAY “I Will Never Be Alone In This Land” (Threadhead Records)

(5*****)

Zomaar het woordje subliem in verband met een nieuwe release in de mond nemen ligt voor veel van mijn schrijvende collega’s nogal delicaat. Niet echter voor mij, nu ik het hier mag hebben over “I Will Never Be Alone In This Land”, de alweer verbluffend knappe jongste cd van Alex McMurray. Twaalf nummers lang is het daarop weer aankloppen op de poorten van de liedjeshemel. En als u dacht met “Locked Down”, de ook al geweldige laatste van Dr. John, het beste van New Orleans anno nu zo ongeveer wel gehoord te hebben, dan nodigen wij u bij dezen uit om uw mening snel weer bij te stellen, want dit is echt nog zoveel beter! McMurray klinkt als het beste van precies die Dr. John, Tom Waits en Randy Newman in één en dezelfde persoon. De man heeft een heerlijk soulvolle, behoorlijk berookt aandoende stem, hij weet zich steeds weer met uitstekende muzikanten te omringen en schrijft bovenal ook geweldige songs met teksten om vingers en duimen van af te likken. En dat leidt hier echt wel tot het ene hoogtepunt na het andere. Van het door John Mooney van subliem bluesy snarenwerk voorziene titelnummer tot het met beide voeten in de (New Orleans) soul gewortelde “As Long As You Let Me”, van het mede door een gezellig honkende tuba en een fluks bepotelde banjo van zo’n typisch mardi gras-sfeertje voorziene “All My Rivers” tot de als een film noir voorbij glijdende trage “One Step Away From The Hole”, van het funky “Me And My Bad Luck” tot het Zuiders exotisch gevulde “The Get Go”, van het van een geweldige titel voorziene en ook al flink met de kont schuddende “The Man Who Shot The Man Who Shot Liberty Valance” tot de broeierige schuifelaar “Beneath The Rain”, van het fijnzinnige akoestische bluesje “I Can’t Wait (Until They Turn My Baby Loose)” tot het enigszins aparte, door de inzet van onder meer een zingende zaag en een harmonium in andere muzikale richtingen gedwongen “Texas Again”, van het freaky dansbeest “Otis At The Wheel” tot het eerder dromerig het geheel afsluitende “Diamonds In Your Hand”, not a single weak moment in sight! Vijf wat mij betreft meer dan dik verdiende sterren! En als we 2013 niet nog maar net op gang zouden hebben geschoten, dan zou ik zelfs nu al durven te gewagen van mijn “plaat van het jaar”. Maar ja, wie weet wat er ons de komende maanden nog allemaal te wachten staat, he…

Alex McMurray

 

JOHN WHEELER “Un-American Gothic” (Cooking Vinyl / V2)

(3,5****)

John Wheeler geniet hier vooral bekendheid als het kopstuk van het razend populaire rockgrass-collectief Hayseed Dixie. Met van een hartelijke dosis bluegrass voorziene covers van materiaal van onder meer AC/DC, Queen, Aerosmith, Kiss, Motörhead en The J. Geils Band wisten Wheeler en de zijnen zich gelijk van bij hun debuut al snel op te werken tot wereldwijde podiumfavorieten. Viel qua aanstekelijkheid dan ook amper te toppen, die act van hun! Maar goed, that was then and this is now! En het hier en nu staat voor de eerste soloplaat van Wheeler. “Un-American Gothic” heet ze en ze bevat naast een fraaie broze, pianogestuurde versie van “Eton Rifles” van The Jam en een al even geslaagde benadering van Dylans “Masters Of War” uitsluitend eigen materiaal. Tien eigen deunen met name. En daarin bestrijkt Wheeler nogal wat nieuw terrein. Openingsnummer “Down At The Exit”, “Deeper In Debt” en het voorwaar zelfs heel even met een mondje Duits gezegende “Küss Mich Noch Einmal” blijken zo bijvoorbeeld catchy (roots) pop, in “Doomsday Dance” vechten fiddle en gitaar al rockend een aardig robbertje om de suprematie uit, z’n “Little Houses In A Row” trekt Wheeler dan weer nadrukkelijk op een fundament van folk op en “Like I Want You” heeft op de keper beschouwd wel iets van seventies blue-eyed R&B. En dan schreven we nog niets over: “Street Sweeper Lullaby”, een lome bluesy rocker, “Wondering Why I Ever Go Home”, een eerder klassiek opgevatte popdeun, “Black Forest Skies”, een fijne, ons louter gevoelsmatig wel wat aan Randy Newman herinnerende ballad, en “Walk Between The Raindrops”, een zomers vrolijk niemendalletje. “Un-American Gothic” is the sound of John Wheeler taking a big, creative sigh of relief,” aldus ‘s mans persverantwoordelijke en die had daarmee wat ons betreft overschot van gelijk!

John Wheeler, Cooking Vinyl

 

PI JACOBS “Urbanicana” (ThatCrazyChick Music)

(3***)

Voor haar vijfde cd werkte de hier vooralsnog niet erg bekende Amerikaanse singer-songwriter Pi Jacobs samen met de onder meer om zijn werk met chart toppers als Kanye West, Mya en Brandy geroemde producer Eugene Toale. En dat leverde op de keper beschouwd inderdaad het voorafgaand daaraan door de vanuit San Francisco actieve schone beoogde spanningsveld op. Haar eigen rootsy rockbenadering van het hier gebrachte materiaal en de hip-hopaanpak van Toales maken immers dat de songs op “Urbanicana” soundgewijs ergens tussen (funky) rock en Americana stranden. Tussen urbaan en landelijk, als we tenminste Jacobs zelf op haar woord mogen geloven. En vandaar dus ook die plaattitel! De vlag die een met amper zes songs toch eerder magertjes uitvallende lading dekt. Wij onthielden daarvan vooral het sfeervolle, als het ware van z’n ingehouden spanning levende “Got It”. Met name dat liedje en de ongemeen performante stem van Jacobs zouden wij toch nog als verkoopargumenten voor dit schijfje durven te gebruiken.

Pi Jacobs

 

RONNIE FAUSS “I Am The Man You Know I’m Not” (Normaltown Records)

(4****)

Eén van onze absolute lievelingsplaten van het moment, deze eerste volwaardige langspeler van de ruiggevooisde Texaanse alt.-countrysongsmid Ronnie Fauss. Supertitel, superplaat ook! En een echt groeiertje bovendien! Met elke draaibeurt ga je er alleen nog maar meer van houden! Met name van de tien eigen songs van Fauss erop. Een evenwichtige verzameling liedjes, waarin beurtelings aardig gerockt en flink wat gas teruggenomen wordt. En onze voorkeur genieten daarbij met name de ballads. Dingen als het met een groot countryhart gezegende en aan een vindingrijke woordwijsheid opgehangen “I Can’t Remember (What You Can’t Forget)”, het al even bloedmooie “Answers You Already Know” of het soulvolle “With Love”. Van de vlottere spullen vermochten vooral het vinnig (country)rockende “I Don’t See You” en het melodieuze “Good Enough” hier een brede glimlach tevoorschijn te toveren. Bij nader inzicht zouden wij eigenlijk maar één nummer van Fauss’ nieuwe playlist willen schrappen en dat is toevallig dan ook nog de enige cover erop. ’s Mans versie van de Flying Burrito Brothers-klassieker “Sin City” met name. Zelfs wat vocale ondersteuning van Johns dochter Lilly Hiatt kan niet verhinderen dat deze versie van dat nummer toch vooral veel minder uitvalt dan het sublieme origineel. Maar dat willen we gezien de torenhoge kwaliteit van de overige tien songs hier voor één keer nog graag door de vingers zien. Maar… Volgende keer laten, Ron! Beperk je tot je eigen stuff! Jij hebt echt geen materiaal van anderen nodig! Je schopt het ook zo tot één van dé allergrootste beloften voor 2013!

Ronnie Fauss, Normaltown Records

 

MIGHTY SAM MCCLAIN “Too Much Jesus (Not Enough Whiskey)” (Continental Blue Heaven)

(4****)

Intrigerende titel voor een bij nader inzicht al bijna even intrigerende plaat! Met daarop een nadrukkelijke hoofdrol voor één van dé allermooiste ons nog restende deep soul-stemmen überhaupt: die van Mighty Sam McClain met name. Vocalen van het kaliber van groten der aarde als een Bobby “Blue “ Bland, een Bobby Womack en een Solomon Burke. Het soort van stem waarmee je zelfs het voorlezen van een telefoonboek iets soulvols zou kunnen meegeven. En al zeker materiaal van het op “Too Much Jesus (Not Enough Whiskey)” door McClain gebrachte dus. Die bestrijkt daarop nogal wat terrein. Openingsnummer “I Wish You Well” stoeit zo bijvoorbeeld zomers bezield met een reggaemotiefje, “Missing You”, met knap ingetogen snarenwerk van Sams vaste “partner in crime” Pat Herlehy, gaat vervolgens balladegewijs heerlijk “deep” en “Can You Feel It?” verkent hyperkinetisch de grenzen tussen funk en rock. Laid back groovend gaat het er aansluitend aan toe in “Feel So Good – Feel So Right”, “Tears” blijkt een echt juweel van een soultrage, “Stand Up!” op zijn beurt dan weer een kruisbestuiving van gospel en zweterige slow funk en “Real Thing” een mede dankzij fijne blazers zijn stamboom alle eer aandoende samenwerking met de legendarische Allen Toussaint. Resten dan nog: de innemende ballads “Use Me” en “So Into You”, nog meer funky stuff met “Rock My Soul”, “Hey Baby” en het duidelijk niet voor niets die titel dragende “Dance”, het best wel wat poppy aandoende en rustig voorbij schuifelend nadrukkelijk naar radio airplay hengelende “Wake Up Call” en natuurlijk nog het titelnummer. Daarin stelt McClain met verbazing vast, dat het achter zich laten van een met drank gevuld bestaan hem het merendeel van zijn zogeheten vrienden gekost heeft. Het al té regelmatig benadrukken van de helpende rol die z’n geloof bij het succesvol afwerken van “de eigen drooglegging” gespeeld heeft, werd velen van hen allicht teveel, aldus nog de soulman. Ons leverde het achteromkijkend gewoon nog één geweldig nummer meer op!

Mighty Sam McClain, Continental Record Services

 

JOY DUNLOP “Faileasan (Reflections)” (Sradag Music)

(4****)

“Faileasan (Reflections)” is de opvolger van Joy Dunlops debuutalbum “Dùsgadh (Awakening)”. De plaat is een bijzonder lovenswaardige poging om de bedwelmende schoonheid en de ongelooflijke rijkdom van de songtraditie in het Gaelic bij een groter publiek aan te kaarten. Een traditie die de in Argyll opgegroeide, maar dezer dagen in Glasgow wonende Dunlop als het ware met de paplepel ingegeven kreeg. Maar toch besloot ze in de aanloop naar haar tweede in haar rurale geboorteoord nog de nodige research te doen naar traditioneel songgoed in het Gaelic. De daar aangetroffen liedjes aangevuld met nieuwe songs opgehangen aan lokale poëzie vormden uiteindelijk het materiaal voor “Faileasan (Reflections)”. Een verbluffend mooie eigentijdse folkplaat die Dunlop andermaal uitgebreid in de gelegenheid stelt om vocaal te excelleren. Zich daarbij als het ware behoedzaam neervlijend op een uitnodigend gespreid bedje van doedelzak, fluit, harmonium, fiddle, accordeon en andere laat ze je als luisteraar als een volleerde sirene op de klippen van het gezongen culturele erfgoed van haar eigenlijke thuisbasis lopen. Betoverend is het wellicht juiste woord voor haar zang! (En al zeker als ze helemaal a capella gaat!) Het heeft allemaal iets quasi mystieks over zich! Echt wel bloedmooi!

Joy Dunlop

 

NELSON WRIGHT “Still Burning” (Fetching Grace Music)

(3,5****)

Gelijk van bij het volop van een bluesy ondertoontje profiterende “Worse Things” weet je dat je als luisteraar helemaal goed zit bij Americana-songsmid Nelson Wright. Daar al is immers duidelijk, dat de beste man als geen ander de kunst verstaat om een knap verhaal ook naar een passend deuntje te vertalen. Iets wat hij op “Still Burning” liefst tien nummers lang doet. In eenvoudige bewoordingen creëert hij z’n “stories” om ze vervolgens in quasi even eenvoudige melodieën te vatten. De liefde – Al uitgebluste naast nog in alle hevigheid woedende, goede naast kwade! – loopt er zo’n beetje als een rode draad doorheen. Nu eens op smaak gebracht met een bescheiden prise cajun (“Five Feet Under”, “Trouble In Mind”), dan weer met wat rootsy rock (“Time To Choose”) of country (“Red Wing”, “Unfinished Business”). Elders gewoon verpakt als Americana pur (“No Second Chances”, “Burnin’”, “February Thaw”) of folk (“It Ends With My Longing For You”). En zodoende boeiend van begin tot einde!

Nelson Wright, CD Baby

 

DAN BERN WITH COMMON ROTATION “Drifter” (Continental Record Services)

(4****)

Rare snuiter toch, die Dan Bern! Laat hij je als fan van zijn werk eerst enkele jaren volledig op je honger zitten, om vervolgens volslagen onverwacht met liefst drie nieuwe studioplaten binnen nauwelijks een paar maanden uit te pakken! Te weten “Wilderness Song”, de soundtrack bij een documentaire, “Doubleheader”, een songcyclus gewijd aan baseball, en het voorliggende “Drifter”. Misschien wel z’n allerbeste plaat tot op heden! Een hele fijne alleszins, zoveel is wel zeker! Tekstueel weer bijzonder rijk en ook muzikaal aangenaam gevarieerd. Folkgeoriënteerd, met zo nu en dan duidelijke uitschuivers richting pop, rock en Americana. Vaardig mee ingekleurd door Common Rotation oftewel Adam Busch (autoharp, harmonica, glock, sax, drums en zang), Jordan Katz (banjo, trompet, trombone en zang) en Eric Kufs (dobro, gitaar en zang). En nog een heel legertje anderen eigenlijk, waarvan we je hier de namen uit zich aandienend plaatsgebrek gemakshalve maar even onthouden. Enkel die van Emmylou Harris en Candy Butcher Mike Viola droppen we wel nog even, vanwege van het eigenlijk gewoonweg niet te overziene type. Harris is als duetpartner nadrukkelijk van de partij in de innemende Americana-trage “Swing Set”, Viola van zijn kant in het een stuk vlottere (roots)popdeuntje “Home”. Allicht niet toevallig twee van de opvallendste liedjes van deze vijftien eenheden tellende set. Andere topmomenten zijn wat ons betreft het veel minder country aandoende dan zijn titel vooraf doet vermoeden “Luke The Drifter”, de met fijn mondharmonicawerk gezegende, bitterzoete moderne folk(rock)deun “Party By Myself”, het zich met tal van geloofsvormen anno nu inlatende “Holy House” en de prachtballade “Rainin’ In Madrid”.

Dan Bern, Continental Record Services

 

DANIEL ROMANO “Come Cry With Me” (Normaltown Records)

(4,5*****)

Welk een uitmuntende plaat! Country met een hoofdletter C! Klassiek uit hoegenaamd elke porie. Heel erg Gram vooral. En dat laatste is wat ons betreft zowat het ultieme compliment, dat je een countryartiest maken kan. Maar dat verdient Daniel Romano dan ook echt. Zijn derde soloplaat is er immers één om duimen en vingers van af te likken. Heerlijk huilerig all the way! “Come Cry With Me” inderdaad. Met een zwaar getormenteerd aandoende stem en een al even desolaat agerende pedal steel bijna voortdurend in het middelpunt van de belangstelling. En met bovenal een ijzersterke collectie songs. Enkele veritabele classics in wording zelfs. We noemen in dat verband onder meer het ons volop aan Porter en Dolly herinnerende duetje “Just Between You And Me”, het sublieme “I’m Not Cryin’ Over You” en vooral ook “Middle Child”, het aangrijpende verhaal van een op jonge leeftijd door z’n ouders in de steek gelaten man. Warm aanbevolen!

Daniel Romano, Normaltown Records

 

MARIA GILLARD “Mending” (Maria Gillard)

(3***)

Ons zei de naam Maria Gillard tot voor kort niet bepaald veel. Helemaal niets zelfs eigenlijk. Tot we eerder toevallig op haar album “Mending” stootten. Dat bleek tot onze grote verbazing al haar vierde te zijn. Eerder verschenen immers ook al “Bound To Happen” (1997), “Little Rose” (2000) en “Live OnStage” (2009). Drie platen waarmee de uit de zogeheten Finger Lakes-regio van New York afkomstige zingende liedjesschrijfster zich vooral in en rond haar eigen thuishaven al van een aardige reputatie wist te verzekeren. Gillard, in het dagelijkse leven aan de slag als gediplomeerde muziekinstructrice, weet duidelijk, waarmee ze bezig is en waar ze uiteindelijk naartoe wil. En dat resulteert ook op haar vierde weer in een aangenaam weg luisterende, zich als een open invitatie tot haar eigen leefwereld aandienende set aan liedjes. Met haar echt wel hartverwarmend mooie altstem beschikt Gillard daarbij alvast over één bepaald niet te onderschatten troefkaart. En nog een verdere blijkt haar ook al niet misse songschrijftalent. Niet voor niets schopte ze het ooit nog tot in de finale van de gerenommeerde Kerrville New Folk-competitie. In 1997 was dat. Zelfs toen al charmeerde ze dus met haar honingzoete mix van folk, country, bluegrass, blues en jazz. En dat doet ze nu, goed en wel vijftien jaar later, nog steeds: zacht swingend zoals in het licht jazzy openingsnummer “Must Be I’m In Love” of “Imagine My Surprise”, je gemoed behoedzaam besluipend en vervolgens genadeloos inpalmend met kleine (folk)liedjes als “Just Ain’t Right” of het afsluitende “You Sent The Moon”, stoeiend met bluegrassmotiefjes zoals in het speelse tweetal “Wish I Could Find You” en “Bird With A Broken Wing” of country en blues in het die twee termen allicht niet zomaar in z’n titel duldende “Country Gal With The City Blues”. In totaal negen liedjes, door Gillard geschreven in een periode toen in haar eigen bestaan een weinig “mending” oftewel herstel effectief nodig bleek. Zoals hoger al gesteld, behoorlijk persoonlijk spul dus.

Maria Gillard, CD Baby

 

GREGORY PAGE & HIS BIG BAND ORCHESTRA “Shine, Shine, Shine” (Continental Coast)

(4****)

Willen of niet, hier moet je wel van houden! Dat vinden wij althans. En we zijn lang niet de enigen, zo bleek onlangs. Toen songsmid Gregory Page zich al twijfelend over de financiële haalbaarheid van z’n nieuwe project aan online fundraising waagde, overtrof het resultaat immers al snel z’n stoutste verwachtingen. En dus kon hij ook daadwerkelijk met de vooraf door hem gedroomde big band aan de slag. Met onder meer muzikanten van het Brad Steinwehe Jazz Orchestra en een aanvullende batterij strijkers. En het is in dat selecte gezelschap dat hij op “Shine, Shine, Shine” een hoogsteigen versie van de muzikale jaren dertig en veertig van de vorige eeuw tot leven wekt. Beurtelings innemend croonend en heerlijk swingend gaat Page elf nummers lang heerlijk retro. En hij doet dat op danig overtuigende wijze, dat men zich als luisteraar in no time effectief driekwart eeuw terug in de tijd in de één of andere chique bar waant. Tussen de elegante pakken en de (pot)sierlijk verpakte dames. Zalig gewoon! Heavy rotation hier in het bijzonder voor het ingetogen swingende “Nothing But Trouble”, de sublieme ballade “Here To Stay” en het volop tot zwierig dansvloerplezier aanzettende titelnummer.

Gregory Page, Continental Record Services

 

HAT CHECK GIRL “Road To Red Point” (Waterbug Records)

(4****)

“Road To Red Point”, de nieuwe van Hat Check Girl, is een album dat bij momenten klinkt alsof Daniel Lanois er zich mee gemoeid heeft. Maar niets blijkt op de keper beschouwd minder waar. Het waren immers Peter Gallway en Annie Gallup zelf die tekenden voor de productie ervan. En ook al de rest deden ze ook ditmaal weer zelf. Ze schreven de songs samen, deelden de zangpartijen en bestreken met z’n beiden een ronduit indrukwekkende veelheid aan instrumenten. In het geval van Gallway uiteraard vooral de meest uiteenlopende gitaren, al staat hij hier occasioneel ook z’n mannetje op keyboards en accordeon. Gallup voegt daar onder meer een banjo, een dobro, een lap steel en een Weissenborn aan toe. Samenvattend: een instrumentarium dat het onze twee protagonisten toeliet om de tien door hen in het najaar van 2011 in een kleine hut in Oregon gepende liedjes ook op gepaste wijze te verklanken. De winderige stilte van een zo laat op het seizoen volslagen verlaten strand kon zo bij tijd en wijle z’n weg richting de buitengewoon sfeervolle sound van “Road To Red Point” vinden. Een titel die de plaat trouwens ontleende aan een ook haar hoes sierende foto van Julie Cleveland. Een foto waaraan Gallway en Gallup naar eigen zeggen ten dele de inspiratie voor het materiaal op hun nieuwe schijf te danken hadden. Deze foto en tal van andere die ze bewonderden op een tentoonstelling in het Santa Barbara Museum of Art. Foto’s van ten tijde van de grote depressie. Het beeldmateriaal daarop zorgde voor de sepia lens waardoor ons tweetal op hun tocht richting Oregon het leven in talloze kleine stadjes registreerde. En die ervaring kleurde vervolgens op volledig organische wijze de liedjes op “Road To Red Point”. Nummers die het voornamelijk moeten hebben van een op sierlijke wijze samengaan van vorm en inhoud. “Breedbeeldmuziek” als het ware. Ongemeen sfeervol en quasi filmisch van karakter. Atmosferisch op z’n Lanois, vandaar onze eerdere bedenking…

Hat Check Girl, Waterbug Records

 

SLEEPWATER “Sunwritten” (Sleepwater)

(4,5*****)

Hadden we het hier naar aanleiding van het titelloze debuut van het Nederlandse Sleepwater nog voorzichtig over een band met een geweldig potentieel, dan mogen we nu zonder schroom stellen dat opvolger “Sunwritten” probleemloos al die twee jaar geleden gemaakte beloftes inlost. En nog zoveel meer ook eigenlijk! Wat is dit immers een ongelooflijk goed klinkende plaat geworden! En welk een vooruitgang hebben de broers Ad (zang en gitaren) en Wil (bas, gitaren, backing vocals) Opstals en hun maatjes Martin de Ruijter (drums, percussie en backing vocals) en Ernst van Nieuwenburg (gitaren, bas en keyboards) tussentijds geboekt! Buitengewoon zelfverzekerd gaan zij hier voor een volslagen eigen geluid. En dat levert quasi terloops de ene na de andere tijdloze alternatieve countryparel op. Hoewel, alternatieve country? Eigenlijk werkt die omschrijving ondertussen gewoon veel en veel te beperkend voor wat Ad Opstals en de zijnen doen. Dingen als het mede door fraai koperwerk en de zacht huilende pedal steel van Peer Desmense ongemeen sfeervolle openingsnummer “A Room Full Of Sparrows”, het desolate duo “Noisesleeper II” en “…Are Blue” en andere laten zich weliswaar nog met recht en rede onder de noemer Americana vangen, elders, zoals in rustpuntje “The Shadow Of A Smile” en het op een zonderlinge manier op de voeten mikkende “She Dances The Wire” om gelijk maar enkele voorbeelden te noemen, klopt een minstens even groot pop- of rockhart. En dat is maar goed zo ook! Het maakt immers dat de muziek van Sleepwater eensklaps ook voor een veel groter publiek toegankelijker wordt. Het gebodene krijgt er bij nader inzien zelfs iets internationaals door mee. En ons zou het alvast helemaal niet verbazen als dit viertal binnenkort in de voetsporen van zo nu en dan enigszins vergelijkbare en ook tot ver buiten de States succesvolle acts als Calexico of Lambchop zou kunnen treden. Eigenlijk vind ik “Sunwritten” zelfs gewoon beter dan de laatste platen van die twee bands! En dat moet je dan vooral niet als kritiek aan het adres van de heren Convertino, Burns, Wagner en co zien, maar als een serieus compliment voor onze noorderburen. Zowel “Algiers” van Calexico, als “Mr. M” van Lambchop krijgen hier immers nog geregeld een luisterbeurt…

Sleepwater

 

THEA HOPKINS “Lilac Sky” (Thea Hopkins)

(3,5****)

Wat beweerde Goethe ooit ook alweer? Juist, ja… In der Beschränkung zeigt sich der Meister. En precies dat uitgangspunt lijkt de vanuit Boston al een poosje flink aan de weg timmerende zingende liedjesschrijfster Thea Hopkins zich voor ogen te hebben gehouden naar aanleiding van haar nieuwe worp “Lilac Sky”. Liever uitpakken met een bescheiden handvol goede liedjes, dan met een tot de nok toe gevulde cd met tussen het koren nogal wat kaf, lijkt ze vooraf te hebben gedacht. En dus prijken er op haar tweede cd maar zes liedjes, samen goed voor net geen tweeëntwintig minuten muziek. Vier daarvan schreef ze zelf, de twee overige blijken covers. Van de heerlijke, al in een uitvoering van Linda Thompson bekende countrysleper “Do Your Best For Rock And Roll” meer bepaald en van het door Marianne Faithfull en Barry Reynolds gepende “When I Find My Life”. Twee songs, waarin Hopkins met name haar geweldige talenten als zangeres etaleert. Over een werkelijk kristalheldere stem blijkt ze daarin te beschikken. Heel erg performant ook! En dat laatste geldt beslist ook voor haar schrijfhand. Ten getuige daarvan: met haar “Native Americana” wist ze onlangs de eerste plaats weg te kapen in de door het gezaghebbende blad American Songwriter uitgeschreven liedjescompetitie. Een bijzonder knap resultaat! En eentje dat zich laat rechtvaardigen ook met dingen als de catchy countrydeun “Might’ve Stayed In Memphis”, het al even vlot uit de startblokken schietende “Lilac Sky”, het bij nader inzicht wat meer op sfeer inzettende “Down By The Water” en vooral ook de net wat meer folkgeoriënteerde beauty “Whatcha Gonna Do?”. Stuk voor stuk liedjes die absoluut gehoord mogen worden!

Thea Hopkins

 

J SHOGREN + SHANGHAI’D “God Bless These Crooked Little Songs” (JAHA!)

(3,5****)

Leuke titel voor een op de keper beschouwd ook best wel leuke plaat! Ook op z’n nieuwe weer grossiert de z’n tijd keurig tussen Wyoming en Stockholm verdelende en muzikaal zo onderlegde professor J Shogren immers in wat hijzelf “Pulp Americana” noemt. Ook wel “hard acoustic roots music”. En dat naar eigen zeggen eigenlijk met slechts één doel voor ogen: zijn luisteraars aan het dansen krijgen. Klinkt simpel en dat is het in wezen ook wel. Al bedienen Shogren en z’n band Shanghai’d zich daartoe dan ook van een buitengewoon bont allegaartje aan traditionele rootsmuziekvormen. Eigenlijk is wat ze brengen een soort van muzikale gumbo op smaak gebracht met elementen uit onder meer (old-time) country, bluegrass, folk, blues, rockabilly, polka, vaudeville en jazz. Een boek zo oud als de straat dus, maar dan wel gelezen door een eigentijds brilletje. Een geslaagde vertaling van een rijke moot Amerikaans muziekverleden naar het hier en nu alleszins. En dus krijgen deze twaalf nieuwe Shogren-songs effectief ook onze zegen! Onze luistertips: het funky met de kont schuddende Americana-opdondertje “Holding Tank”, het met een royale shot bluegrass in de aderen door het leven wervelende “A Long Line”, het nadrukkelijk op een old-time countryleest geschoeide “Broken Every Vow”, het wel bijzonder creatief met een bluesgegeven omspringende en mede daardoor rete-aanstekelijk uitpakkende “Rolls Her Own”, de sfeervolle trage “Exit In Flames” en het op eigenzinnige wijze in het rond walsende “Thief River Falls River Thief”. En dan vergaten we bijna nog de als hidden bonus track aan het geheel toegevoegde rootsy lezing van de Radiohead-hit “Creep”! Catchy stuff indeed!

J Shogren

 

JENN RAWLING & BASHO PARKS “Take The Air” (Waterbug Records)

(4****)

Het verhaal van Jenn Rawling en Basho Parks leest eigenlijk zo ongeveer hetzelfde als dat van hun collega’s Gillian Welch en bijna-naamgenoot David Rawlings. Ook hier is er immers sprake van een hoogst aparte stem (met occasionele snik) en een vaardige, in vintage folk American style en old-time country ondergedompelde pen gekoppeld aan een ware meester op z’n instrument(en). En dat die laatste bovendien ook nog eens over een complementaire stem blijkt te beschikken, dat is alleen maar mooi meegenomen. Rawling (be)tovert vrijwel voortdurend vocaal, Parks van zijn kant gaat volledig mee op in het momentum. Rawling onderbouwt haar zang op de eigen akoestische, Parks schildert fraaie klanklandschappen op de viool en altviool. Verder een snuifje banjo hier, wat trompet, bas en percussie daar. Een enkele keer ook keys en drums. En met ronduit zalig gevolg! (Appalachen)folk, country zo oud als de straat en hedendaagse kamermuziek vallen elkaar hier totaal ongegeneerd in de armen. En Rawling die fladdert daarbij met ongemeen veel gevoel voor authenticiteit richting de respectievelijke grenzen van elk van die drie genres. Nu eens het ene, dan weer het andere. Ze heeft daardoor wat ons betreft ook echt alles om het tot voor een heel ruim publiek te brengen. Zowel folk- en country-diehards als wat alternatiever ingestelde geesten zullen zich hier vingers en duimen bij aflikken. Bewijzen daarvoor nodig? Je vindt er op “Take The Air” liefst tien! Van het stemmige “Big Old Lake” over het met wat popgevoel opgewaardeerde “Whistle Birch” en het door Utah Phillips’ zoon Brendan van een fijne banjotoets voorziene kleinood “Oh Delia” tot het afsluitende “Leaving So Soon” en andere, er valt hier echt heel wat te genieten!

Jenn Rawling, Waterbug Records

 

ROB LUTES “The Bravest Birds” (Bear Records)

(5*****)

De eerste echte Americana-toprelease van 2013 is naar onze bescheiden mening bij dezen reeds een feit. Verantwoordelijk daarvoor is Rob Lutes. De vanuit Montreal actieve Canadees bedient ons ook op z’n zesde weer vrijwel voortdurend op onze wenken. In twaalf eigen nieuwe liedjes illustreert Lutes andermaal ten voeten uit wat zijn drie “fortes” zijn. Te weten een onwaarschijnlijk vaardige pen, soepele, als het ware voor het liefdevol bepotelen van gitaarsnaren gemaakte vingers en een heerlijk soulvolle, een weinig berookt aandoende stem. Een drieëenheid die op het kruispunt tussen blues, Americana en eigentijdse liedkunst natuurlijk absoluut niet te versmaden valt. Evenmin als een gezonde dosis goede smaak trouwens. En daarover te beschikken bewijst Lutes ook met de keuze van de enige cover op “The Bravest Birds”, Loudon Wainwrights “Natural Disaster” met name. Past gewoon perfect bij de rest hier. Meer nog: is een absoluut toppertje. En dat geldt al evenzeer voor tal van andere songs hier. We noemen in dat verband bijvoorbeeld de door Lutes samen met z’n landgenoot Dale Boyle geschreven en “live in de studio” gebrachte ballade “Look Out Boy”, het ongemeen sfeer- en soulvolle duo “The Ship That Sails Today” en “It’s Not Over”, het ongemeen relaxte, dartel fingerpickend neergelegde niemendalletje “Take It Nice”, het alleen al sfeergewijs z’n titel alle eer aandoende, schimmige “Still Dark”, het eveneens met Boyle gepende Americana-pareltje “Ithaca Waterfall” en het lekker swingende (akoestische half-bluesje) “Turning Point”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niets minders op! Echt top!

Rob Lutes

 

BIRDS OF CHICAGO “Birds Of Chicago” (Birds Of Chicago / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Echt warm kan je het buiten momenteel bezwaarlijk noemen, maar ach, wat geeft het! Met “Birds Of Chicago”, het naar zichzelf vernoemde debuut van dat collectiefje rond JT Nero (JT & The Clouds) en Allison Russell (Po’ Girl), binnen handbereik lijkt het immers binnen alvast weer heel even zomer. Zó aanstekelijk allemaal! Je houdt het gewoonweg niet voor mogelijk! En volstrekt uniek ook! Wat Nero en Russell en kompanen hier brengen hoorde je werkelijk nog nergens! Het heeft bijna iets maagdelijks over zich. De twaalf songs zijn van een ronduit ontwapenende eenvoud en dito schoonheid. Gedragen door twee elkaar op werkelijk wonderbaarlijke wijze aanvullende stemmen en bevolkt door een indrukwekkende veelheid aan louter in functie van het liedje opduikende instrumenten. Naast tal van gitaren bijvoorbeeld ook een banjo, een ukelele, een klarinet, een accordeon, een piano, diverse bassen en een handvol blazers. Kan misschien heel erg druk overkomen allemaal, maar dat is het net niet. De muzikanten lopen elkaar hier immers nergens voor de voeten. Ze laten Nero en Russell hoegenaamd in alle rust hun zonnige pareltjes uit genres als roots pop, mountain gospel, cajun, klassieke soul en straathoek-doo-wop puren. En dat hoor je eraan ook! Louter gevoelsmatig deed het ons allemaal heel even denken aan de Paul Simon van ten tijde van “Graceland”, aan de youngsters van Vampire Weekend en aan songwriter-revelatie Jeremy Fisher ook wel. Maar dan hebben we het echt wel enkel over het door de twaalf songschoonheden hier verbreide gevoel. Muzikaal gezien zijn dingen als “Trampoline”, “Cannonball”, “Sans Souci”, “Flying Dreams” en andere immers redelijk uniek te noemen. Je zal ons inziens niet vlug een hokje vinden om ze allemaal samen in onder te brengen… Laat je er net als ons door betoveren! Je zal het je heus niet beklagen!

Birds Of Chicago, Lucky Dice Music

 

J. TEX & THE VOLUNTEERS “House On The Hill” (Heptown / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“House On The Hill” is na “Lost Between Clouds Of Tumbleweed And Space” uit 2006, “One Of These Days” uit 2008, “Misery” uit 2009 en “Merry Christmas” uit 2011 al de vijfde van J. Tex, een zoals ondertussen wellicht genoegzaam bekend in het Amerikaanse Detroit geboren, maar in Denemarken opgegroeide “urban cowboy”. En op die nieuwe worp van ‘m serveert “de Deen uit eigen wil” zeven eigen nieuwe songs en herinterpretaties van “I Still Miss Someone” van wijlen Johnny Cash, “Willin’” van Little Feat, het iets minder voor de hand liggende ”Ben McCulloch” van Steve Earle, de Mel Tillis-klassieker “Detroit City” en de traditional “I Always Knew You Were The One”. Samengevat: Euro Americana van het betere soort zonder meer! Met duidelijk roots in het rijke folk- en countryverleden van de States, maar zich lang niet uitsluitend daartoe beperkend. Wij hoorden in Tex’ pennenvruchten echo’s van respectievelijk “The Man in Black”, Dylan, Waits en Earle. Wellicht in niet geringe mate ook door ’s mans hese geneuzel. Rasperig en met een ruig randje, echt ideaal voor verhalende escapades! Iets wat eigenlijk nog het meest opvalt in leenstuk “Willin’” en het daaropvolgende “Carnival Girl”. Het eerste mede door klarinetgetoeter, een eigenzinnige mondharmonica, een bongo en een mellotron verworden tot jazzy late night Americana met sterk filmisch karakter, het tweede onder meer dankzij een dronken agerend pianootje en een mondvol “dik” Frans het soort van spul waarmee bars in de vroege uurtjes worden gesloten. Héél apart! En héél mooi ook! En dat willen we ook nog wel gezegd hebben over een aantal andere dingen hier. Over het op z’n Tom Waits voorbij stuiterende “Coalminers Daughter” bijvoorbeeld, over het tot een beklemmende lome rootsrocker omgetoverde “Detroit City” zeker ook, of over de deze collectie haar titel verschaffende ballade “Home On The Hill”. En dan is er nog een speciale vermelding voor het volledig instrumentale “I Always Knew You Were The One”! Knap spul tout court!

J. Tex & The Volunteers, Heptown Records, Sonic Rendezvous

 

THE MALDIVES “Muscle For The Wing” (Spark & Shine / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Wie zich hun vorige, het ondertussen toch ook al van 2009 daterende “Listen To The Thunder” aanschafte en daar het nodige plezier aan beleefde, kan eigenlijk zonder daarover al te lang na te hoeven denken ook deze tweede van The Maldives aan z’n collectie toevoegen. Ondanks een andere producer (Shawn Simmons) en dientengevolge ook een andere aanpak blijven immers alle in het verleden voor de rootsrockers uit Seattle zo karakteristiek en attractief gebleken elementen in ruimschoots voldoende mate aanwezig. En dat betekent onder meer ook, dat singer-songwriter Jason Dodson ook ditmaal weer zijn lusten als geheime cinefiel volop mag botvieren. Iets wat voor de door hem opgehoeste liedjes al bij al nogal verstrekkende gevolgen heeft. En dat zeker niet enkel wat betreft het louter inhoudelijke aspect ervan. Ook de arrangementen gaan bijvoorbeeld regelmatig uitgesproken voor breedbeeld. Dat blijkt gelijk al in het behoorlijk atmosferisch ingevulde openingsnummer “I’m Gonna Try”. Samen met dingen als het mede onder invloed van sfeervol toetsen- en accordeonwerk ronduit bezwerend overkomende “Go Back To Virginia”, de quasi lethargisch rockende eerste single “Blood On The Highway” en het op aparte wijze toch melodieus “orende” “Sallie May” als het ware het ideale tegengewicht voor meer recht-toe-recht-aan gebrachte rockers genre het radiogenieke “Come On, Come On” en het op een onbewaakt moment schijnbaar uit hetzelfde vaatje gedruppelde tweetal “Raven Riley” en “Lately I”. Heel lekker! Wil je eigenlijk gewoon alle dagen op de radio horen, zo’n pittige liedjes…

The Maldives, Spark & Shine Records, Sonic Rendezvous

 

CAM PENNER “To Build A Fire” (Rawlco Radio / Lucky Dice Music)

(4****)

Op “To Build A Fire”, zijn vijfde tot op heden, verkennen Cam Penner en z’n muzikale “partner in crime” Jon Wood met veel zin voor avontuur voor hen voorheen onbekende territoria. En dat maakt van die nieuwe van het tweetal een plaat die best wel enkele rondjes nodig heeft voor je ze als luisteraar echt volledig doorgronden gaat. “To Build A Fire” lokt je eerst behoedzaam weg uit je eigen “comfort zone” en dwingt je vervolgens als het ware om mee op te gaan in de occasionele experimenteerdrift van Penner en Wood. Je weet wél nog waar je aan begint, maar niet meer waar het eindigen zal. Het kan immers voortdurend alle kanten uit. Lekker spannend dus! Al is dat allicht niet meteen het gevoel, waarmee het volledig instrumentale openingsnummer “Mighty Damn Animator (So Long, Farewell)” je bij een eerste beluistering achterlaat. Hoe sfeervol de blazers daarin ook, dit is vast niet wat je verwachtte! En dat is eigenlijk ook titelnummer “To Build A Fire” niet. Dat regelrechte moordliedje ontrolt zich als een soort van zijn tijd ver vooruit zijnde roots rock gospel majestueus pompend richting het verblufte luisteraarsonderbewustzijn. “This Could Be Your Anthem” is vervolgens eerder vintage Penner, zij het dan ook heel erg “stripped down”. Een koers, die met het intimistische “Rivers Forgotten” trouwens nog even wordt aangehouden ook. En dan gaat het eensklaps weer lekker hard. Met het meedogenloze “No Consequence” meer bepaald. Meer gedeclameerd dan gezongen en met een heerlijk gemeen uit de hoek komende gitaar als surplus. Het “hikkende” “Memphis” blijkt op zijn beurt dan weer nerveuze eigentijdse Americana met een voorzichtige blues touch, “”Curiosity” laveert buitengewoon handig heen en weer tussen roots pop en folk, “Gasoline Summers” is een echte wolk van een bedaarde rootsrocker, “House Of Liars” een poppy akoestisch bluesje en het afsluitende “Whiskey Lips” een echt wel wonderschone verhalende rootsy ballade. Tien sterke songs weer en dan hadden we het nog niet eens over de teksten!

Cam Penner, Lucky Dice Music

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home