CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

CODY CANADA & THE DEPARTED “HippieLovePunk” - WILLIE NILE “If I Was A River” - HAYSEED DIXIE “Hair Down To My Grass” - CANVAS BLANCO “Call Me Lucky Fat Or Skinny” - ROB ICKES & TREY HENSLEY “Before The Sun Goes Down” - ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” - THE RIZDALES “Blue Ain’t The Word, A Tribute To The Music Of Ray Price” - THE UNTHANKS “Mount The Air” - YONDER “Graftings” - MIRIAM JONES “Between Green And Gone” - SWAMP DOGG “The White Man Made Me Do It” - NIKKI LANE “All Or Nothin’” - HERMAN BROCK JR. “The Old World” - SERPENTYNE “Myths & Muses” - SUNDAY WILDE “He Digs Me” - ROBERT JON & THE WRECK “Glory Bound” - ALLIGATOR GUMBO “Simmerin’” - JOHNNY FONTANE AND THE RIVALS “Lemme Tell Ya!” - 24PESOS “Do The Right Thing” - GRETCHEN PETERS “Blackbirds” - CHRIS D. SMITH “A.D. 2014” - KATIE GARIBALDI “Follow Your Heart” - AMELIA CURRAN “They Promised You Mercy” - KELLY MCRAE “Easy On My Mind”

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

                                                                                                                                                                                                                                                        

CODY CANADA & THE DEPARTED “HippieLovePunk” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“HippieLovePunk”, de derde van ex-Cross Canadian Ragweed-kopstuk Cody Canada en z’n Departed, blijkt na het naar ons gevoel net wat té zwaar uitgevallen “Adventus” gelukkig weer een terugkeer naar vertrouwde Red Dirt-wateren. En we durven er aardig wat geld om te verwedden, dat het merendeel van de fans van de groep dat ook alleen maar zal toejuichen.

Aan fijne momenten op “HippieLovePunk” alvast hoegenaamd geen gebrek. We noemen in dat verband onder meer graag het met de Braun-broertjes van Reckless Kelly en Micky & The Motorcars gebrachte streepje Texaanse country “All Nighter”, het ongemeen soulvolle “Stay”, de sfeervolle, wat desolaat aandoende americanatrage “Maker”, de gitaarzwangere (roots)rockers “Comin’ To Me” en “Boss Of Me” en country soul beauty “Easy”. Zes van de twaalf hier gebrachte nummers, want achter afsluitertje “All Nighter” blijkt er nog een fraaie, op het hoesje nergens vermelde ballade verborgen te zitten.

Onze conclusie: zonder de op “Adventus” nog nadrukkelijk aanwezige Seth James zijn Cody Canada& The Departed gewoon beter (af).

Cody Canada & The Departed, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

WILLIE NILE “If I Was A River” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Op “If I Was A River” toont cultfiguur Willie Nile zich ruim meer dan een half uur lang van z’n intiemste kant. De tien liedjes daarop breken op behoorlijk radicale wijze met z’n gebruikelijke “modus operandi”. Geen door gitaren allerhande gedomineerde rock & roll hier, maar voornamelijk ballades. Ballades, waarvoor Nile voor de gelegenheid voorwaar zelfs even achter de piano plaatsnam. Die van The Record Plant in New York met name. Dezelfde Steinway, die hij ook al eens bespelen mocht in 1980, in de nacht dat niet eens zoveel verderop John Lennon van het leven beroofd werd.

Tien songs staan er in totaal op “If I Was A River”. Het merendeel daarvan eerder spaarzaam gearrangeerd. Met oog vooral voor het liedje en z’n in vocale topvorm verkerende uitvoerder. Naast Nile waren bij de uitvoering ervan enkel Steuart Smith, David Mansfield en Frankie Lee betrokken. Voor de piekfijne productie tekenden Stewart Lerman en onze man zelve.

Schrijfhulp kreeg Nile voor een vijftal van z’n nieuwe liedjes van de eerder al even genoemde Frankie Lee en een enkele keer ook van de vermaarde Danny Kortchmar. Met die laatste schreef hij de thematisch “op de jaren van verstand” ingaande prachtballade “I Can’t Do Crazy (Anymore)”, naar onze bescheiden mening één van dé absolute hoogtepunten op “If I Was A River”. Naast onder meer ook nog het titelnummer, het aardig dramatisch gebrachte “Lost”, het net wat speelsere “Goin’ To St. Louis” en het afsluitende moment van grandeur “Let Me Be The River”.

Ontegensprekelijk anders dan anders…

Willie Nile, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

HAYSEED DIXIE “Hair Down To My Grass” (Hayseed Dixie Records)

(4****)

Grote kunst is wat die van Hayseed Dixie nu al bijna anderhalf decennium lang serveren zeer zeker niet, maar who cares? Hun “rockgrass” blijkt doorgaans zo rete-aanstekelijk van aard, dat je er als luisteraar graag bij vergeet, dat het indertijd voor de vier eigenlijk allemaal gewoon als een gimmick begon. U herinnert zich vast ook nog wel het hilarische verhaal over de crash van wijlen Bon Scott van AC/DC ergens diep in de Appalachen en de door enkele lokale muzikanten uit Deer Lick Holler in zijn wagen aangetroffen albums van AC/DC. “Rather fine country music…”

En ook de rest van het verhaal is wellicht genoegzaam bekend. Met hun combinatie van covers in bluegrass/mountain music style van rockklassiekers en originele songs groeiden John “Barley Scotch” Wheeler (gitaar, fiddle en zang), Jake Bakesnake (bas en harmony vocals), Hippy Joe Hymas (mandoline en harmony vocals) en Johnny Butten (banjo en harmony vocals) “in no time” zowat overal ter wereld uit tot graag geziene podiumgasten. En ook hun plaatverkoop liegt er bepaald niet om. Van hun vijftien sedert 2001 verschenen platen gingen er allemaal samen ruim meer dan een half miljoen over de toonbank.

En het zou ons absoluut niet verbazen, mochten er ook van hun nieuwe worp weer flink wat exemplaren worden gesleten. Daarop buigen de vier zich “this time around” over een twaalftal stadionrockgiganten. Respectievelijk over “Don’t Stop Believin’” van Journey, “Eye Of The Tiger” van Survivor, “The Final Countdown” van Europe, “We’re Not Gonna Take It” van Twisted Sister, “Summer Of 69” van Bryan Adams, “Pour Some Sugar On Me” van Def Leppard, “Dude Looks Like A Lady” van Aerosmith, “Livin’ On A Prayer” van Bon Jovi, “Wind Of Change” van de Scorpions (In “heiße-Kartoffel-Duits” gebracht als “Wind der Veränderung”!), “We Are The Road Crew” van Motörhead, “Comfortably Numb” van Pink Floyd en “Don’t Fear The Reaper” van Blue Öyster Cult.

Het feit, dat je het gros van die liedjes al door en door kent, maakt dat ook “Hair Down To My Grass” op de keper beschouwd weer een zeer toegankelijke plaat blijkt. Eentje waarop weer alles aanwezig is, wat voor velen van Hayseed Dixie zo’n lekker groepje maakt. Die wat aparte, boertige “punky” houding van de heren, hun – Dat zou je bij zoveel muzikaal geweld bijna durven te vergeten! – bepaald niet te onderschatten instrumentale vaardigheden, hun prima samenzang en vooral ook hun expliciete bereidheid tot een heerlijk wild feestje.

Dat ze vooral nog lang mogen mogen, zouden we zo zeggen!

Hayseed Dixie

 

CANVAS BLANCO “Call Me Lucky Fat Or Skinny” (Roomservicemusic)

(4****)

Van een aangename verrassing gesproken! De debuutlangspeler van het Nederlandse Canvas Blanco is er meteen eentje om te hebben en een leven lang intens van te houden. Wat de in Urk geboren en getogen Jozua Koffeman (Lorrainville, How To Throw A Christmas Party) (zang , diverse gitaren, klarinet, percussie en programming) en zijn maats Arjan de Wit (zang, akoestische gitaren, autoharp, hakkebord, klankschaal en programming), Robbert Deurloo (drums, cymbalen, percussie en ocean drum) en Ruben Bekx (double bass, elektrische bas en harmonium) daarop brengen is op z’n zachtst uitgedrukt hoogst origineel. Bepaald verfrissend ook.

En al noemt men zelf acts als Wilco, Sixteen Horsepower, Calexico, Sparklehorse en Grant Lee Buffalo als muzikale invloeden, dit klinkt toch vooral als Canvas Blanco. Een nog volslagen maagdelijk canvas wordt hier laagje per laagje gehuld in de warmste klankkleuren. Zo’n drie kwartier lang word je als luisteraar zodoende meegetroond richting een “wereld van verbeelding en verwondering”. Americana? Ja, maar dan wel met een zeker urbaan randje. Klassiek van aard bijna. Zoals de kwaliteitspop van landgenoten de Nits dat bijvoorbeeld ook wel heeft. “Volwassen ‘Europicana’ met kwajongensstreken”, aldus de band zelf.

Onze, zoals steeds, onverbintelijke luistertips: het geweldig aanstekelijke, nog net wat nadrukkelijker dan vele andere nummers hier op de klassieke leest geschoeide openingsnummer “Burning Just Fine”, het filmische “City Of Catharines”, het met een zweem exotisme opgewaardeerde en daardoor iets bepaald bezwerends over zich hebbende “The Lost Dutchman Mine” en het ingetogen “Promised Land”.

Een eersteling, die wat ons betreft meteen volop naar meer smaakt. En als er al zoiets als gerechtigheid bestaat, dan verkopen Koffeman en de zijnen hiervan flink wat exemplaren en trappen ze er de deur naar een stralende toekomst meteen wagenwijd mee open. Het weze hen van ganser harte gegund!

Canvas Blanco, Bandcamp

 

ROB ICKES & TREY HENSLEY “Before The Sun Goes Down” (Compass Records / Music& Words)

(4****)

De naam Rob Ickes zou je met name als liefhebber van het bluegrassgenre al een poosje bekend moeten zijn. De beste man geldt immers als één van de allerbesten als het gaat over het bespelen van de dobro. Of de naam van z’n maatje Trey Hensley al evenveel bellen doet rinkelen durven we hier echter luidop te betwijfelen. Die Hensley staat immers pas aan het begin van z’n carrière. Ickes werkte voor het eerst met hem samen tijdens de opnamen van een nummer voor de jongste van Blue Highway. Gecharmeerd als hij was door de youngster nodigde hij hem meteen uit voor enkele live gigs. En van het één kwam dan vervolgens het ander. En het ander is in dit geval een eerste plaat samen.

Op dat album, het onlangs verschenen “Before The Sun Goes Down”, blijken de taken zeer goed omlijnd. Ickes nam naast de dobro- en lap-steelpartijen her en der wat baritonvocalen voor zijn rekening, Hensley zong lead en deed z’n ding op zowel akoestische als elektrische gitaren. In een eigen productie en in het gezelschap van onder meer Mike Bub (bas), John Gardner (drums en percussie), Andy Leftwich (fiddle), Aubrey Haynie (eveneens fiddle), Ron Block (banjo), Pete Wasner (piano) en Dan Tyminski, Shawn Lane, John Randall Stewart en Suzanne Cox (allen zang) tackelen ze dertien liedjes. Eén enkele eigen compositie slechts, met name de knappe Hensley-americanadeun “My Way Is The Highway”. Voorts een drietal voor de richting die het hier uitgaat behoorlijk representatief blijkende interpretaties van Merle Haggard-songs (“I’d Rather Be Gone”, “Workin’ Man Can’t Get Nowhere Today” en “When My Last Song Is Sung”) en covers van nummers van het repertoire van respectievelijk bluegrasslegende Jimmy Martin (“Before The Sun Goes Down”), songsmid Bobby Starnes (“Lightning” en “More Than Roses”), Billy Joe Shaver (“Georgia On A Fast Train”), Stevie Ray Vaughan (het als “bluesgrass” verrassende “Pride And Joy”), steelgitaargrootheid Buddy Emmons (de wervelende instrumental “Raisin’ The Dickens”), “King of Western Swing” Bob Wills (“Misery”), Bill Monroe’s Bluegrass Boys (“Little Cabin Home On The Hill”) en Waylon Jennings (“There Ain’t No Good Chain Gang”).

Samen goed voor net geen vijfenveertig minuten traditionele country en bluegrass van de werkelijk bovenste plank. Met Hensley als zanger ondanks z’n nog piepjonge leeftijd al behoorlijk nadrukkelijk in de voetsporen van genre-iconen als “The Hag” en “The Possum” tredend. Niet te geloven eigenlijk, dat we hier te maken hebben met een prille twintiger.

Onder anderen Merle Haggard zelve en Marty Stuart outten zich al als fans. Die laatste noemde Trey Hensley respectvol “the real deal”. Een bijzonder mooi compliment van iemand met een dergelijke staat van verdienste. En daar sluiten wij ons hier graag bij aan. Hensley en Ickes betoveren op “Before The Sun Goes Down” immers vrijwel voortdurend. Schijnbaar moeiteloos evoceren zij het ene moment de hoogdagen van het countrygenre om het andere vervolgens kniediep doorheen bluegrasswateren te waden. Heerlijk gewoon! En wat de instrumentale invulling betreft ook echt tot in de puntjes toe verzorgd.

Niets minder dan verplichte kost als je het ons vraagt voor iedereen die al van country hield toen country nog gewoon country was.

Rob Ickes, Trey Hensley, Compass Records, Music& Words

 

ROB HERON & THE TEA PAD ORCHESTRA “Talk About The Weather” (Tea Pad Recordings)

(3,5****)

Met hun een jaar of twee geleden verschenen debuut “Money Isn’t Everything” deden Rob Heron & The Tea Pad Orchestra met name aan de andere kant van het Kanaal al uitgebreid van zich spreken. Tot “the UK’s finest purveyors of Western swing, country blues and ragtime” werden ze er prompt door uitgeroepen. En dus kon een opvolger logischerwijze ook niet té lang uitblijven.

Een opvolger, die er nu met “Talk About The Weather” ook effectief al is. En daarop gaan Rob Heron (zang, gitaar), Ben Fitzgerald (gitaar, zang), Tom Cronin (mandoline, harmonica, zang), Colin Nicholson (accordeon, zang), Rob Blazey (double bass, zang) en Paul Archibald (drums, “keukenattributen”, piano) nog net wat verder bij het evoceren van een lang vervlogen muzikaal verleden. Het Amerikaanse muziekgebeuren van vroeg in de vorige eeuw blijkt daarbij een schier onuitputtelijke bron aan inspiratiemateriaal.

Uiteraard trakteren Heron en co ons ook ditmaal weer op een gezonde dosis vrolijke ragtimedeunen en al even swingend countrymateriaal, maar ook een volbloed-mambodeun (“Penny Drop Mambo”), wat gypsy jazz (“Crazy Country Fool”) en wat gecroond spul (“I’m Feelin’ Blue”) ontbreken hier en nu niet op het appel. En ook wat het inhoudelijke betreft gaat Heron zeer “breed”. Het “geweldige” Britse weer, koffie, gokautomaten, slechte radio, keukenmateriaal,… Je kan het zo gek niet bedenken, of de beste man weet er op de één of andere manier wel een catchy nummer uit te puren.

Liefhebbers van het materiaal van acts als Pokey LaFarge & The South City Three en Meschiya Lake & The Little Big Horns moeten hier zeker eens even naar luisteren! Iets zegt ons, dat ze er met Rob Heron & The Tea Pad Orchestra zo goed als zeker een nieuwe favoriet bij zullen hebben…

Rob Heron & The Tea Pad Orchestra

 

THE RIZDALES “Blue Ain’t The Word, A Tribute To The Music Of Ray Price” (The Rizdales)

(4****)

De één z’n dood… ‘t Is dat we de vanuit London, Ontario actieve Rizdales hier al sinds tijden een warm hart toedragen en weten, dat de geest van wijlen countrylegende Ray Price eigenlijk altijd al wel een beetje doorheen hun werk rondgewaard heeft, want anders zouden we de nieuwe worp van die Canadezen wellicht geheel en al anders benaderd hebben dan dat nu het geval is.

Als frontlui-echtelieden Tom en Tara Dunphy en hun muzikale metgezellen ons in de liner notes van “Blue Ain’t The Word” laten weten, dat ze op 16 december 2013 naar aanleiding van het overlijden van hun idool even helemaal van de kaart zijn geweest, dan klinkt dat in onze oren echter heel aannemelijk. Net zo aannemelijk als het aan die gevoelens vastgeknoopte besluit om zich bij wijze van ultiem eerbetoon aan Ray Price een hele langspeler lang over diens werk te buigen. “This album is about our roots and it’s our way to honour the man and the music that influenced us beyond measure,” luidt het in dat verband deemoedig.

En dus waagde men zich aan interpretaties van respectievelijk “I’ll Be There (If You Want Me)” (Tot tweemaal toe!), “City Lights”, “Falling Falling Falling”, “The Other Woman (In My Life)”, “For The Good Times”, “Crazy Arms”, “Bright Lights And Blonde Haired Women”, “You Done Me Wrong”, “Don’t You Ever Get Tired Of Hurting Me”, “Night Life”, “My Shoes Keep Walking Back To You”, “Touch My Heart”, “You Just Don’t Love Me Anymore” en “Don’t Let The Stars Get In Your Eyes”. Interpretaties, stuk voor stuk getuigend zowel van een diep respect voor Price en z’n muziek als van een ver doorgedreven muzikaal vakmanschap. Zo goed, dat je het er als liefhebber van traditionele country bij momenten even heel warm vanbinnen van krijgt.

Zowel fans van de betreurde Price zelf als deze van vandaag de dag nog actieve acts als Dale Watson, The Derailers, The Mavericks en andere zullen hier naar alle waarschijnlijkheid hun pret absoluut niet mee op kunnen!

Rizdales

 

THE UNTHANKS “Mount The Air” (Rabble Rouser Music)

(5*****)

“Mount The Air” is de eerste studioplaat van The Unthanks sinds het net geen vier jaar geleden verschenen en erg lovend onthaalde “Last”. Ruim twee van de tussenliggende jaren gingen er met het maken van de opvolger van dat album voorbij. “It had to be perfect, you know.” En dat werd het ook. Volstrekt uniek en “bloody perfect”. Al zullen er misschien nog wel enkele draaibeurten meer nodig blijken om dat ten volle te beseffen. Dit is immers één van die gehelen, die maar met mondjesmaat al hun geheimen lijken te willen prijsgeven.

“Mount The Air” werd door Rachel en Becky Unthank, toetsenist-producer Adrian McNally en de rest van hun kompanen in hun eigen studio, een speciaal daartoe omgebouwde graanschuur in Northumberland, ingeblikt. Het album bevat voor het eerst geschreven bijdragen van elk van de vijf leden van de groep. “Nach wie vor” vormen in elk van die nummers uiteraard de oorstrelende gezangen van de Unthanks het stralende middelpunt van de belangstelling. Maar er valt hier nog zoveel meer te beleven, te ontdekken. Ruim een uur lang zijn we als luisteraar getuige van stuk voor stuk beklijvende kleinoden, die steeds verder weg lijken te willen dwalen van het folkuitgangspunt van weleer.

Zo kan je in het ruim tien minuten bestrijkende openingsnummer, de titeltrack “Mount The Air”, amper voorbij aan Miles Davis en Gill Evans in hun “Sketches Of Spain”-periode echoënde momenten. En dat in bepaald niet geringe mate wellicht door de werkelijk overheerlijke koperbijdrage van trompettist Tom Arthurs. Bij het legendarische Blue Note zouden ze wellicht niet weigerachtig hebben gestaan tegenover materiaal van dit kaliber! Prachtig, hoe je laagje voor laagje richting een absolute climax wordt geleid!

Vervolgens gaat het via het verkilde, nog net wat meer met het op “Last” gebrachte verwante “Madam”, een werkelijk ijselijk mooie pianoballade, richting het perfect daarop aansluitende, met strijkers overladen “Died For Love” en het in al zijn ijlheid voorwaar even voorzichtig hitgevoelige “Flutter”.

“Magpie” is op zijn beurt dan weer een sterk staaltje van (quasi) a capella gebrachte moderne folk, het op het achttiende-eeuwse verhaal van Thomas Corams gelijknamige hospitaal geënte “Foundling” een heerlijk, wat orkestraler benaderd luisterliedje en “Last Lullaby” een haar titel hoegenaamd alle eer aandoende, eerste door Rachel Unthank geschreven bijdrage.

Dienen dan nog verkend te worden: “Hawthorn”, “For Dad”, “The Poor Stranger” en “Waiting”, vier verdere volstrekt unieke schoonheden van songs, waarvan met name het door violiste Niopha Keegan voor haar enkele jaren geleden overleden Ierse vader gepende “For Dad” voor het nodige kippenvel zal blijven zorgen.

Nog geen maand ver in het nieuwe jaar is dit er alweer eentje voor onze volgende jaarlijst!

The Unthanks

 

YONDER “Graftings” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Die van het Zweedse rootskwartet Yonder mogen zichzelf graag omschrijven als een groepje in de weer met folk, blues en old-time. Maar daarmee doen ze hun eigenzinnige “Scandicana” zelf eigenlijk veel te weinig eer aan. Door die drie termen in de mond te nemen zet je een potentieel publiek zelfs deels op het verkeerde been. Yonder moet je je immers vooral voorstellen als een soort van muzikaal anachronisme. Een vertaling van wat ooit volop deugdelijk is gebleken naar het hier en nu.

En daarin tonen zanger-songsmid Mats Qwarfordt en de zijnen zich hier tien nummers lang echte grootmeesters. Zowel in eigen materiaal, als in vertolkingen van overgeleverde dingen als “In The Pines”, “He Arose From The Dead”, “Jack O’Diamond” en Blind Lemon Jeffersons “See That My Grave Is Kept Clean”. Qwarfordt tekent daarbij niet enkel voor de ons tegelijk wat aan Neil Young en Billy Joe Shaver herinnerende zangpartijen, maar ook voor wat gesmaakte bijdragen op mondharmonica, Peter “de Ry Cooder van het Noorden” af Ugglas doet het op tal van gitaren en zingt her en der ook een mondje mee, multi-instrumentalist Mats Persson doet hetzelfde, springt te gepasten tijde bij op de mandoline en verzorgt ook de percussie en Björn Lundquist ten slotte hanteert de “double bass”.

Met een fijn streepje mondharmonica en wat subtiel achtergelaten gitaaraccentjes wordt “Graftings” balladegewijs ingezet met het mooie “First Big Love”. Vervolgens gaat het via een bepaald grimmig aandoende vertolking van de traditional “In The Pines” en het op met een nadrukkelijk naar Sonny Landreth verwijzende snarenpartij geënte “He Arose From The Dead” opnieuw richting enkele eigen nieuwe songs. De eerste daarvan, “Wedding”, is een verstilde instrumentale, waarin met name af Ugglas en Persson zich binnen de grenzen van het liedje helemaal mogen uitleven. Het folky “Nothing Is Permanent” sluit daar vervolgens perfect op aan, alvorens met “You Will Know” meer bluesy land wordt aangedaan. Een ijzingwekkend mooie versie van Blind Lemon Jeffersons “See That My Grave Is Kept Clean”, een al even geslaagde benadering van de traditional “Jack O’Diamond” en twee verdere eigen liedjes, de akoestische bluestrage “Lay Here By My Side” en het quasi uitsluitend van diep liefdesleed levende “Oh Rose”, vervolledigen een wat ons betreft de perfectie aardig dicht benaderend songtiental.

Een zoveelste prachtworp van “huis van vertrouwen” Rootsy!

Yonder, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

MIRIAM JONES “Between Green And Gone” (Miriam Jones Music)

(3,5****)

Miriam Jones is een na aardig wat omzwervingen in de Engelse universiteitsstad Oxford neergestreken Canadese zingende liedjesschrijfster met een behoorlijk nadrukkelijke voorliefde voor rootsmuziek “American style”. En al geniet ze hier te lande vooralsnog dan ook nauwelijks naambekendheid, met haar nieuwe worp “Between Green & Gone” is ze allang niet meer aan haar proefstuk toe. Als we gemakshalve alle op haar Bandcamp-pagina opgelijnde releases even mogen optellen, is haar nieuwste reeds haar zevende.

En dat door de je misschien wel van z’n werk met onder anderen het hitgroepje Fairground Attraction en Billy Bragg bekende Simon Edwards geproduceerde geheel is echt wel een prima plaat geworden. Volledig gevuld met eigen songs, die een zeer sterke schrijvershand verraden. Duidelijk de hand van iemand die zelf met enige regelmaat graag een boek ter hand nemen mag. Songs met een zeker literair karakter. Maar bovenal liedjes met een ziel. Soulvol rootsy op z’n Bonnie Raitts. Profiterend van een immer gloedvolle stem en een stel duidelijk hun weg op een setje snaren wetende vingers.

Wij kenden haar voor dit “Between Green & Gone” nog niet, maar zijn na knappe liedjes als “Missed You”, “Don’t Be Hard On Me”, “All Over”, “Stay”, “Train”, “Cracks” en andere wel graag bereid tot wat inhaallessen van mevrouw Jones. Een hoogst aangename ontdekking, zeg dus maar.

Miriam Jones

 

SWAMP DOGG “The White Man Made Me Do It” (Alive Naturalsound / Sonic Rendezvous)

(4****)

Het kleine Amerikaanse label Alive Naturalsound Records pakte de voorbije jaren reeds herhaaldelijk uit met heruitgaven van oude soulplaten, die ontstonden onder de vleugels van Jerry Williams, Jr. oftewel Swamp Dogg. We herinneren ons zo uit het blote hoofd onder meer worpen van Sandra Phillips, Z.Z. Hill, Doris Duke en uiteraard ook Swamp Dogg zelf.

Blijkt nu, dat die rereleases eigenlijk gewoon een soort van voorzet waren op het doelpunt dat er nog aan zat te komen. Een volstrekt nieuwe plaat van de “Dogg” himself! We hadden er eerlijk gezegd absoluut geen rekening meer mee gehouden, dat we dat genoegen ooit nog zouden smaken. We zouden het met onze ondertussen al aardig grijsgedraaide exemplaren van “Total Destruction To Your Mind” en “Rat On!” moeten blijven doen. Dachten we…

Maar nu is er dus “The White Man Made Me Do It”. En daarop blijkt veteraan Williams voorwaar in prima doen. Handig heen en weer laverend tussen voornamelijk in de vroege seventies verankerd zittende funkopstootjes en Southern soul van het zuiverste water zoekt hij meer dan een uur lang aansluiting bij zijn beste werk. En regelmatig slaagt hij nog in dat opzet ook. Met name het met heel z’n hebben en houden schuddende funky titelnummer, het extreem catchy, onopvallend met een snuif reggae gekruide “Hey Renae”, een geweldige, op z’n zuiders ingevulde cover van de Sam Cooke classic “You Send Me”, het heerlijk bluesy gekleurde “Let Me Be Wrong” en de ronduit schitterende, eigenlijk gewoon nu al klassieke soulsleper “That’s What Lonesome Is” wisten ons gelijk bij onze eerste beluistering van “The White Man Made Me Do It” al onverbiddelijk te vloeren. Later zouden onder meer ook nog het als vintage R&B aangereikte “Your Cash Ain’t Nothing But Trash”, de lome instant-meezinger “Yeah, Yeah, Yeah, Yeah”, het van een veelzeggende titel voorziene “Where Is Sly”, het bij schrijversduo Leiber-Stoller geleende “Smokey Joe’s Café” en afsluiter “If That Ain’t The Blues Nothing Is” ons hetzelfde kunstje flikken. Al bij al een blij weerzien dus met deze wat in het vergeetboek geraakte “soullegende”.

En dan hadden we het nog niet eens over het ook al niet te versmaden toetje gehad. Op een bijkomend schijfje wordt ons immers ook een bescheiden dwarsdoorsnede van “Swamp Dogg’s Soul & Blues Collection” aangeboden, met naast werk van de beste man zelf (“Fuck The Bomb Stop The Drugs”, “Synthetic World” en “My Life Ain’t Nothing But A Blues Song”) ook nog pareltjes van Sandra Phillips (“Rescue Me”), Lightning Slim (“Good Morning Heartaches”), Irma Thomas (“In Between Tears”), Charlie Whitehead (“Read Between The Lines”), Z.Z. Hill (“It Ain’t No Use”), Doris Duke (“To The Other Woman (I’m The Other Woman)”) en Wolfmoon (“What Is Heaven For”). Zalig!

Swamp Dogg, Alive Naturalsound, Sonic Rendezvous

 

NIKKI LANE “All Or Nothin’” (New West Records / Warner Music)

(4,5*****)

Eigenlijk is het gewoon ronduit ergerlijk te noemen, dat men je als Europeaan meer dan een half jaar lang laat wachten op een officiële release hier van een album als dit. Welke overwegingen er ook aan de grondslag van die beslissing mogen liggen. Ik denk, dat zo ongeveer elke rechtgeaarde liefhebber van Americana ondertussen ook al wel een poosje geleden importpaden bewandeld moet hebben om zich alvast van een exemplaartje van dit topgeheel te verzekeren. Het zou me in elk geval niet verwonderen, mocht dat zo zijn!

Voor alle anderen is dit vooralsnog een verplichte aanschaf. Veel origineler dan deze Nikki Lane kom je ze immers niet al te vaak meer tegen. En wat de Amerikaanse op de door Dan Auerbach van The Black Keys geproduceerde opvolger van haar debuut “Walk Of Shame” uit 2011 doet, smaakt wat mij betreft nog net wat nadrukkelijker naar meer dan die nochtans ook al uitstekende voorganger. “There’s lots of talk of misbehaving and moving on,” aldus Lane zelf over het inhoudelijke aspect van de twaalf nummers erop en da’s uiteraard wel spek naar onze bek. En al zeker als het daarbij dan ook nog eens blijkt te gaan om de weerspiegeling van aardig turbulente momenten in het recente leven van de getalenteerde chanteuse zelf.

Als een soort van kruising tussen Wanda Jackson in haar hoogdagen en de jonge Dolly Parton wervelt Lane hier van de ene moordsong naar de andere. Love it, really! Heerlijk, hoe ze hier retro country koppelt aan invloeden als Phil Spector, de poppareltjes van het vermaarde huis Brill in New York en zelfs punkrock. Moet je gewoon van houden…

“Any day or night time, it’s always the right time. It’s always the right time to do the wrong thing.” Aan die twee eerste regels van openingsnummer “Right Time” zullen we bij het beluisteren van “All Or Nothin’” nog regelmatig terugdenken. Sfeervol countryrockend laat La Lane daarin immers nadrukkelijk verstaan, dat “she’s up to no good”. Dat we, als we op zoek zouden zijn naar een braaf meisje, maar beter elders ons heil kunnen gaan zoeken… Goed om weten…

Vervolgens gaat het via de heerlijke, voorzichtig Spectoriaanse trage “Right Time” richting de ons aanvankelijk qua ritmiek even aan iets van de Clash herinnerende rocker “I Don’t Care”, de ongemeen soulvolle sleper “You Can’t Talk To Me Like That”, het welhaast in de twangy gitaarklanken verzuipende “Seein’ Double” en het niet enkel samen met Dan Auerbach geschreven, maar ook gebrachte “Love’s On Fire”. Groovy titelnummer “All Or Nothin’”, het nadrukkelijk met (swamp) rock flirtende “Sleep With A Stranger”, de “Dolly goes soul” van “Man Up”, de eerder traditioneel opgevatte ballade “Out Of My Mind”, het rustieke “Wild One” en het afsluitende “Want My Heart Back” vervolledigen al even stijlvol het plaatje.

Zoals hier hoger al even gesteld: wat mij betreft absoluut een verplichte aanschaf!

Nikki Lane, New West Records

 

HERMAN BROCK JR. “The Old World” (Herman Brock Jr.)

(5*****)

Mijn platenboer zal het allicht niet echt graag horen, maar eigenlijk ben ik best wel een serieuze voorstander van het crowdfunding-principe. Zo menig een album ontstond reeds mede dankzij een bescheiden voorschotje van mijnentwege. Je moet het gewoon zo zien: je bestelt de nieuwe plaat van een artiest gewoon net wat vroeger dan normaal rechtstreeks bij deze laatste zelf. En betalen doe je er enkel voor, als je idool zijn vooropgestelde doel ook effectief bereikt en tot het maken van die plaat overgaat. Wat heb je er dus aan te verliezen? Niets toch? Je gunt artiesten op deze manier gewoon wat meer financiële ademruimte en zorgt ervoor, dat ze zich in alle rust kunnen concentreren op datgene waar ze zo goed in zijn. En dat leidt dan vaak tot werkelijk verbluffende resultaten.

Neem nu “The Old World”, het nieuwe album van de Nederlander Herman Brock Jr. Ik vraag me af, of hij die nieuwe schijf even oogverblindend had kunnen presenteren als nu, mochten hem via crowdfunding langs Voordekunst niet de nodige fondsen in de schoot zijn gevallen. Een buitengewoon fraai ogend hardcover-boekwerkje vormt als het ware de kers op een sowieso al niet te versmaden muzikale taart. Daarin vind je naast tekst en uitleg bij het project en elk van de liedjes uiteraard ook alle songteksten terug. En informatie over alle bij “The Old World” betrokkenen. En dat zijn er nogal wat. Maar daarover hier wat verderop meer.

“The Old World” blijkt een over meerdere jaren heen ontstaan bluegrassgeheel, geïnspireerd door tal van grootmeesters van het genre, maar vooral toch door “The Mountain”, het lichtjes fantastische album dat Steve Earle in 1999 met de Del McCoury Band inblikte. Het zette Herman Brock Jr. ertoe aan om ook zelf te gaan dromen van een bluegrassplaat. Eentje vervaardigd in “The Old World” met muzikanten van daar. In de eerste plaats met de beste bluegrassband van Nederland, The Blue Grass Boogiemen. Maar uiteraard ook met z’n eigen bands The Brockettes en The Bluegrass Bunch en met andere gasten als Joost van Es (fiddle), Janos Koolen (mandoline), Jeroen Schmohl (dobro), Laurens Joensen (mandoline), David Buyle (fiddle), Peter de Smet (dobro) en z’n vader, Herman Brock Sr.

“Ik had het idee om iets te doen met verhalen van vroeger uit de streek van waar ik ben opgegroeid,” aldus Brock zelf over z’n nieuwe worp. “De titel ‘The Old World’ gaat over iemand die zijn heil gaat zoeken in Amerika. Mijn opa en mijn vader vertelden vroeger dat in de jaren '20 veel mensen uit Zeeland met de boot naar Amerika gingen om een beter leven te vinden. En dan vertelde mijn opa dat er mensen terug kwamen met pakken geld. Ze hadden keihard moeten werken, maar ze hadden wel een beter leven dan ze hier hadden achtergelaten. Dat intrigeerde mij als klein mannetje al. Verschillende nummers op het album zijn tekstueel op dit thema gebaseerd, weer andere teksten zijn meer persoonlijk of gaan over Zeeuwse legendes, zoals het nummer ‘Flyin’ Dutchman’s Curse’, dat verhaalt over Willem van der Decken alias de Vliegende Hollander, die volgens de overleveringen in mijn thuishaven Terneuzen zou hebben gewoond.”

Openingsnummer “Gather Around The Mike” zou je daarbij kunnen zien als een soort van beginselverklaring. Met z’n allen rond één enkele microfoon vliegt men er op werkelijk wervelende wijze in. Vervolgens is er het een pak bedaarder aandoende titelnummer. Minstens evenveel Americana als bluegrass, dat liedje, dat zich focust op een verhaal uit “the old days”. Met het alweer van de “joie de vivre” barstende “My Old Hometown” gunt Brock ons vervolgens een blik op zijn houding met betrekking tot altijd maar weer reizen en daarna weer naar huis terug mogen keren en “Love Me Still” is een veritabel pareltje van een “love gone wrong song”. Veel tastbaarder kan je verdriet ons inziens amper weergeven.

En geen bluegrassplaat zonder een instrumental natuurlijk! In dit geval het ook al ronduit geweldige “Harvest Time”, dat er met z’n inventieve tempoveranderingen daadwerkelijk in slaagt om het tegen oogsttijd bij momenten best wel jachtige boerenbestaan perfect te vatten. Je moet het maar doen!

“Cold Wind Risin’” is vervolgens een echt wel heerlijk authentiek aandoende bijdrage van Herman Brock Sr., “Good Times” verklankt op gepaste wijze de hyperpositieve boodschap erin en “The Ladder” blijkt een mooi staaltje van storytelling op z’n Guy Clarks of Tom T. Halls. En dan hadden we het nog niet over het sprankelende, “en passant” behoorlijk nadrukkelijk naar Jimmie Rodgers verwijzende jodelbluesje “Old World Boy”, de speed-ode aan het onderwerp uit haar titel “Diversity”, de door het leven zelve geïnspireerde “toe-tapper” “Other Side Of The Creek” en de ongemeen sfeervolle ballade “Stranger”. Of over “Never Let The Money Drag You Down”, nog een Herman Brock Sr.-song, het omineuze, aan de legende van z’n streekgenoot Willem van der Decken opgehangen “Flying Dutchman’s Curve”, “Brock’s Breakdown”, een verdere instrumentale, en “Live Your Life (To The Limit)”, de Brocks levensmotto in een catchy riedel vangende afsluiter van het geheel.

Als je het ons vraagt: een ronduit monumentaal pakket! Die ene bluegrassplaat, die dit jaar zeker haar weg richting je collectie zou moeten vinden…

Herman Brock Jr.

 

SERPENTYNE “Myths & Muses” (Serpentyne Music)

(3,5****)

“Myths & Muses” is het tweede album van het Britse Serpentyne. Dat door de bekoorlijke Maggie-Beth Sand en multi-instrumentalist Mark Powell aangevoerde gezelschap streeft in z’n werk een fusie van traditionele (volks)muziek met elementen uit moderne dans en rock na.

Werd op het eerste album van de groep, “Stella Splendens”, nog gewoon uit het Latijn, het Occitaans en het Oudengels ontleend traditioneel song- en tekstmateriaal van een eigen arrangement voorzien, dan kiest men op deze nieuwe duidelijk voor een wat eigenzinnigere aanpak. De eigen inbreng werd alvast beduidend groter. Eigen lyrics en deunen als aanvulling op nieuw ontdekte traditionals, met als rode draad quasi voortdurend “sterke vrouwen”. Vrouwelijke krijgers en andere muzen, die doorheen de geschiedenis velen wisten te inspireren.

Kenmerkend voor de muziek van Serpentyne zijn naast de bezwerende sirenenzang van Sand vooral de niet zelden pulserende ritmes die de songs voortstuwen. De combinatie van eigengereide percussie, grillige soundscapes en subtiele en minder subtiele verwijzingen naar een lang vervlogen verleden maakt van “Myths & Muses” een hoogst intrigerend geheel. Een lang niet altijd even gemakkelijk te kraken noot ook, die veel van haar geheimen pas na enkele beluisteringen prijs gaat geven.

File under: Medieval World Folk Rock. Aan te bevelen wat ons betreft vooral aan liefhebbers van acts als het Duitse Faun, onze eigen Laïs, Omnia, Blowzabella, Steeleye Span, de Medieval Babes en Loreena McKennit.

Serpentyne

 

SUNDAY WILDE “He Digs Me” (Untouchable Productions)

(4****)

Ergens vanuit het noorden van Ontario bereikte ons enkele dagen geleden de vierde soloplaat van de ons voordien volslagen onbekende Sunday Wilde. Een bluesplaat, die zelfs de meest verstokte liefhebber van Americana evenmin onberoerd zal laten. Dertien songs en evenveel redenen tot een complete overgave aan haar werk serveert de Canadese liedjesschrijfster ons daarop immers. Tien daarvan blijken eigen schrijfsels. Enkel haar vertolking van de country classic “I Fall To Pieces”, het lekker “mean” uit de hoek komende “Black Mountain Blues” en de afsluitende a capella gospeldeun “Walk With Me” vormen wat dat betreft uitzonderingen.

Gelijk van bij het eerste nummer, het wat richting roots pop overhellende titelnummer, had Wilde ons stevig bij ons nekvel. Die stem! Wow! Grote madammen als een Bessie Smith, een Billie Holiday en een Earth Kitt sprongen ons spontaan even voor de geest. En dat was dan nog maar het begin! Het klaaglijke, z’n heil in meer jazzy wateren zoekende “Sunday’s Midnight Blues”, de onder meer door machtig saxwerk van Jimmy Wallace voortgestuwde “dirty blues” van “Handle Me”, het ons qua atmosfeer best wel wat aan het klassieke “St. James Infirmary” herinnerende “Show Me Mercy”, de knappe trage “Nobodies Fault” (Nooit geweten, dat je dat zo schreef…), de ook al buitengewoon sfeervolle schuifelaar “Destitution Blues”, het rockabilly-bluesopstootje “I Can’t Believe” en andere, stuk voor stuk lekkere songs volgden, net geen drieënvijftig minuten lang.

Genoeg alvast om ons meer dan nieuwsgierig te maken naar alles wat we voor “He Digs me” zoal gemist hadden. Het in 2007 samen met Reno Jack uitgebrachte “Black Pearls Of Wisdom”, Wilde’s van twee jaar later daterende solodebuut “Broken String Of Pearls”, “What Man!? Oh That Man!!” uit 2011 en “He Gave Me A Blue Nightgown” uit 2012 staan vanaf nu op ons verlanglijstje.

Sunday Wilde

 

ROBERT JON & THE WRECK “Glory Bound” (Robert Jon & The Wreck)

(3,5****)

Wat gaat het allemaal bijzonder snel voor deze vijf Amerikaanse knapen! Amper 24 maanden geleden, in februari 2013 meer bepaald, besloten ze zich te wagen aan een muzikaal avontuur samen. Nauwelijks een half jaar later imponeerden ze Jan en alleman met hun door de gerenommeerde Warren Huart geproduceerde debuutplaat, de EP “Rhythm Of The Road”, en trokken ze ook reeds op een uitgebreide tournee doorheen de States. Een tournee, die hen naast enkele prestigieuze lokale awards in de categorieën blues en rock vooral ook een zeer toegewijde schare aan fans opleverde. Fans, die hun pret wellicht niet op zullen kunnen met de tien nieuwe songs op het binnenkort te verschijnen album “Glory Bound”.

Opnieuw was het de je wellicht ook wel van zijn werk met onder anderen Aerosmith bekende Huart die voor de productie tekende. En hij zag dat het ook ditmaal weer allemaal goed was! “Live off the floor” werd een handvol nieuwe nummers ingeblikt, die op hun best herinneren aan de Black Crowes in hun hoogdagen, aan het al genoemde Aerosmith en aan het legendarische Lynyrd Skynyrd ook wel. Kopstuk Robert Jon Burrison toont zich daarin een ongemeen soulvolle rockstrot. Samen met Kristopher Butcher tekent hij daarnaast ook voor het gitaarwerk. Ook heel erg bepalend voor het groepsgeluid is verder vooral ook toetsenist Maggiora. Samen met bassist Nick Phakpiseth en drummer Andrew Espantman completeert hij het kwintet.

Onze luistertips: het er gelijk als een speer vandoor gaande openingsnummer “The Devil Is Your Only Friend”, het veelzeggend getitelde en wel heel erg “Crowes” aandoende “Blame It On The Whiskey”, de warmbloedige Southern slow rocker “Cold Night”, het vrijwel doorlopend heftig aan z’n kettingen snokkende “Steppin’” en het zich ingehouden funky aandienende, maar bovenal ook heel erg radiovriendelijke “Let Her Go”.

Binnenkort naar verluidt ook te genieten op Europese podia, deze vijf, maar daarover hier te gepasten tijde meer!

Robert Jon And The Wreck

 

ALLIGATOR GUMBO “Simmerin’” (Monophon / Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Hoe goed die van Alligator Gumbo wel zijn in wat ze doen, moge enkel en alleen al blijken uit het feit dat ze door The French Cajun Music Association in Lafayette reeds voor elk van hun beide platen voor “Le Prix D’Hors de Nous” – de jaarlijks uitgereikte prijs voor de beste cajunmuziek niet afkomstig uit Louisiana dus – in aanmerking werden genomen. Een heus huzarenstukje, als u het ons vraagt, voor een band afkomstig uit “of all places” het Zuiden van… Zweden.

Maar Johan Larsson (zang, gitaar en “petit fer”), Thor Ahlgren (zang, accordeon en doedelzak), Leif Eriksson (gitaar), Fred Sörensson (fiddle) en Dan Englund (akoestische bas) blijken zo verdomd gepassioneerd in alles wat ze op de opvolger van het goed en wel twee jaar geleden verschenen “Lacassine Special” – “Simmerin’” bedoelen we dan natuurlijk! – doen, dat je het zelfs met de beste wil van de wereld amper nog van in Louisiana zelf vervaardigd spul onderscheiden kan. Cajun traditionals worden erop afgewisseld met enkele eigen, perfect bij diezelfde traditie aansluitende originelen (“Cold Cajun” en het werkelijk wervelende “Le Long Voyage”). Met als voertaal hetzelfde pittige mondje Frans, dat in het verleden ook al zo menig een lokale muzikale gumbo op smaak bracht. En uiteraard ook met de nodige strikt instrumentale intermezzo’s. Dat hoort op een cajunplaat nu eenmaal zo. (Al is de doedelzakbijdrage in “Happy One-step” natuurlijk wel nadrukkelijk een voorbeeld van de wel degelijk ook in ruime mate aanwezige eigen inbreng van de heren hier.)

Echt, hierop valt niets, maar dan ook echt helemaal niets af te dingen! De songkeuze laat amper wat te wensen over, de zang klopt werkelijk als een bus en het accordeon- en fiddlegestoei, dat is voorwaar vrijwel voortdurend om duimen en vingers van af te likken. Tussen openingsnummer “Eunice One-Step” en het afsluitende “Madeleine” is het ruim negenendertig minuten genieten geblazen op z’n Creools. Eén groot feest dus!

Allons danser, mes amis!

Alligator Gumbo, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

JOHNNY FONTANE AND THE RIVALS “Lemme Tell Ya!” (Wanted Men Recordings)

(4****)

Eén van dé grote voordelen van schrijven over muziek is dat er je op regelmatige basis kostelijkheden in de schoot worden geworpen, die anders gegarandeerd aan je aandacht zouden ontsnapt zijn. Neem nu zo’n plaat als “Lemme Tell Ya!” van Johnny Fontane And The Rivals. Eerlijk is eerlijk: een buitengewoon lekker bluesrocktwaalftal als dat zou ik uit eigen beweging zeker niet in Zwitserland zijn gaan zoeken. Die verdomde vooroordelen ook altijd, he…

Maar goed, “to the point”! Johnny Fontane And The Rivals zijn zanger-gitarist Tom Marcozzi, toetsenist Philipp Lüdi, bassist Christian Spahni en drummer Lukas Zürcher, vier zich als het maffiawereldje de rug toegekeerd hebbende Siciliaanse halfbroers presenterende Zwitsers, die met hun eerste studioplaat echt spijkers met koppen slaan. Twaalf tot in de puntjes toe verzorgde eigen composities, bulkend van de catchy gitaarriffs, serveren de heren daarop. Het ene moment buitengewoon wervelend, compleet onder stoom als het ware, het andere juist zalig soulvol en ingetogen. De ballade “Life Is Beautiful” en het met Justina Lee Brown gedeelde “This Ain’t Mississippi” zijn twee klassevoorbeelden van dergelijke wat rustigere songs. In het eerste imponeert met name kopstuk Marcozzi met onwaarschijnlijk subtiel gitaarwerk, in het tweede trekt Brown op al even magistrale wijze vocaal alle registers open.

Andere gasten die we op “Lemme Tell Ya!” tegen het lijf lopen zijn de je misschien wel van zijn werk voor onder anderen Alice Cooper en UFO bekende gitarist Vinnie Moore, die de leadpartijen in de sleper “Tell Me” voor zijn rekening neemt, en bluesharpvirtuoos Marco Pantherra, die het afsluitende “Steam Train” letterlijk mee helpt onder stoom te krijgen.

Onze lievelingen op “Lemme Tell Ya!” zijn naast het al genoemde slowtje “This Ain’t Mississippi” vooral de wervelende bluesrocker “Black Cadillac”, de met lekkere blazers opgewaardeerde en mede daardoor volop met R&B flirtende eerste single “Hands On You” en het bepaald funky uit de hoek komende “Like A Real Man”.

Zouden zomaar eens kunnen uitgroeien tot één van de festivalzomersensaties van 2015, deze stijlvol ogende Zwitsers. Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Johnny Fontane And The Rivals

 

24PESOS “Do The Right Thing” (Cadiz / Bertus)

(4****)

Julian Burdock en de zijnen zijn “back”. En hoe! Op de opvolger van het net geen drie jaar geleden verschenen “When The Ship Goes Down” illustreren de vier Londenaars andermaal hun hoogst eigenzinnige visie op de blues anno 2015. Invloeden als Sly Stone, James Brown, The Meters, Albert Collins, Freddie King, Howlin’ Wolf, Jimi Hendrix, Cream, de Stones en anderen misten hun doel duidelijk niet. En het resultaat is in één woord weer onweerstaanbaar.

Heerlijk funky bij momenten, zoals in het ons op de één of andere manier ook wel wat aan de Peppers herinnerende openingsnummer “Step Back”, het meteen daaropvolgende en met een enigszins aparte intro gezegende “Won’t Lie Down”, het titelnummer en het buitengewoon groovy “The Good Lord Did”. Ongemeen sfeervol ook, zoals in het de laatste restjes deltaklei verwoed van zich af stampende “Rise Up”, de mooie trage “Need Somebody” en het ook al bepaald niet van de soul gespeend gebleven “If You Want It”. Of net er al rockend een flinke lap op gevend, zoals in het hypernerveuze “Clap Hands”, het ferm slidend ingezette “Night Train” of catchy afsluiter “Boom Boom”.

Wie zich nog mocht afvragen, waarom dit viertal vaak als één van dé interessantste Engelse blues acts van de laatste jaren überhaupt genoemd wordt, vindt hier andermaal tien goede redenen om een dergelijke bewering ogenblikkelijk en zonder ook maar de minste schroom bij te treden! Binnenkort ongetwijfeld ook weer graag geziene gasten op zo menig een bluesfestival, deze vier knapen!

24Pesos

 

GRETCHEN PETERS “Blackbirds” (Scarlet Letter Records / Proper Records)

(5*****)

Voor wie daar na het lichtjes fantastische “Hello Cruel World” van zo’n twee jaar geleden überhaupt nog behoefte aan zou hebben, levert Gretchen Peters op haar eraan komende album “Blackbirds” tien nieuwe bewijsstukken van haar onmiskenbare talent als songwriter. In een met Doug Lancio en Barry Walsh gedeelde productie serveert ze haar wat mij betreft zonder meer allerbeste album tot op heden. En tal van gerenommeerde gasten passeerden dan ook de revue, toen ze de liedjes erop in Nashville inblikte. Jimmy LaFave, Jason Isbell, Kim Richey, Suzy Bogguss, Jerry Douglas en Will Kimbrough moeten daarvan zowat de voornaamsten geweest zijn. Ander opvallend gegeven: Peters schreef heel wat van de liedjes op “Blackbirds” samen met haar maatje Ben Glover. En ook dat heeft haar zeker geen windeieren gelegd.

Gelijk van bij het vrijwel meteen een zeker gevoel van onbehagen achterlatende openingsnummer “Blackbirds” is het prijs. Traag rockend liet Peters daarmee bij mij een schier onuitwisbare indruk achter. Echt wel een groots nummer, dat liedje! En lang niet het enige in zijn soort hier, zoals al snel blijken zou… Ook het behoorlijk seventies aandoende en me herhaaldelijk best wel wat aan folkicoon Joni Mitchell herinnerende “Pretty Thing”, de aardig viriel uit de hoek komende countryrocker “When All You Got Is A Hammer”, de buitengewoon fijnzinnige pianoballade “Jubilee” en “When You Comin’ Down”, een ontwapenend mooi Americana-duetje met Jimmy LaFave, mochten wat mij betreft zo op het lijstje met “blijvertjes”. En dan had ik het nog niet eens over al die andere schoonheden van songs als “Everyhting Falls Away”, “The House On Auburn Street”, “Black Ribbons”, “Nashville” en “The Cure For The Pain”!

Ik weet het wel, het jaar is nog maar een paar dagen oud, maar toch dacht ik voor het eerst alweer aan mijn volgende jaarlijstje. Het zou me absoluut niet verbazen, mocht dit nieuwe album van Gretchen Peters daarin straks een behoorlijk prominente rol gaan vervullen. Een goede verstaander heeft daaraan meer dan genoeg, lijkt me…

Gretchen Peters, Proper Records

 

CHRIS D. SMITH “A.D. 2014” (One Drop Music Generation)

(3,5****)

Onze eerste “mannenplaat” van 2015 verscheen eigenlijk al een poosje geleden. In de tweede helft van het jaar uit de titel ervan meer bepaald. Maar dat hield ons dus niet tegen om er vooralsnog ons licht over te laten schijnen. “A.D. 2014”, na het goed en wel een jaar of drie geleden verschenen “Words” de tweede langspeler van Kapellenaar Chris D. Smith, is immers een hoogst interessante rootsworp van eigen bodem. De elf liedjes erop rolden zonder ook maar één enkele uitzondering uit de pen van Smith zelve. En die toont daarin vooral, dat hij zijn ogen graag de kost geven mag. Z’n inspiratie voor zo menig een nummer vond hij immers in het leven van alledag.

Aan de basis van het met een flinke snuif reggae gekruide “Hard Times” lag zo bijvoorbeeld de recente economische crisis, titelnummer “A.D. 2014”, een met de verbetenheid van Bob Dylan en Neil Young in hun beste dagen om zich heen schoppende rocker, werd geënt op de aanslepende onlusten in het Midden-Oosten de Krim, en het ons volop aan “The Boss” en z’n E Street Band herinnerende “Italian Girls” gaat over, wel ja, Italiaanse zomers en de vele schone madammen aldaar.

Wat de muzikale invulling van “A.D. 2014” betreft gaat Smith lekker ruim. Na de Heartland rock en de reggae van het al genoemde tweetal (“Italian Girls” en “Hard Times”) gaat het via een potje smeuïge bluesrock (“Tell Me”) en een soulvol rootsy popliedje (“Gates Of Love”) richting het groots opgevatte, je als luisteraar aardig wat hoeken van het rockcanvas van dichtbij tonende “Old Friend” en het bij momenten echt wel nadrukkelijk de Stones ergens bij het begin van de seventies evocerende “Rock ‘N’ Roll Addict”. “Mose Grove” blijkt meteen aansluitend daarop dan weer een streepje buitengewoon warmbloedige Americana en over het echt wel ijzersterke titelnummer hadden we het hier hoger al. Resten dan nog: het poppy liefdesliedje “Coat Made Of Love”, het bedaard countryeske “Catchin’ The Sun” en de afsluitende reprise van het titelnummer.

Al bij al een prima songelftal. Door Smith (zang, gitaren, bas, keyboards, klavecimbel, harmonica en percussie) ingeblikt met Bart Delacourt (bas en backing vocals), Tim Coenen (drums, gitaren, bas, percussie en backing vocals), Tom Vanstiphout (gitaren, pedal steel en slide), Little Chris Van Nauw (gitaren), Niels Verheest (keyboards, Hammond), Nils De Caster (viool) en Carlo Willems (klokkenspel, vibrafoon). Voor de productie tekende hijzelf.

En een pluim hier ten slotte ook nog voor de knappe cover van “A.D. 2014”. Het fraaie schilderij daarop is van de hand van niemand minder dan Sam Dillemans. Een echte “eyecatcher” noemen ze zoiets…

Chris D. Smith

 

KATIE GARIBALDI “Follow Your Heart” (Living Dream Music)

(3,5****)

Vanuit San Francisco bereikte ons onlangs “Follow Your Heart”, het ondertussen ook alweer zevende album van de van daaruit actieve Katie Garibaldi. En die doet het op haar nieuwste met dertien eigen nieuwe liedjes, waarvan de meeste in het teken blijken te staan van de goede raad uit de titel ervan. Volg altijd en overal je hart, drukt Garibaldi ons hier meermaals op dat laatste. In goede zowel als kwade dagen, blijkt dat immers veelal de juiste weg.

Voor het uitdragen van zoveel positivisme bedient de schone Amerikaanse zich van een soort van mengvorm van (doorgaans) akoestische pop, country en folk rock. In haar entourage spreekt men gemakkelijkheidshalve van Americana. En van sprankelende, memorabele melodieën ook. Wij houden het hier echter gewoon op goed in het gehoor liggende deuntjes. Bij momenten een beetje te braaf van aard om onze aandacht continu vast te houden, maar wel mooi.

Als sterkste liedjes noteerden we het zich mede door een gloedvolle bijdrage op de pedal steel van Max Butler meteen knus tussen de oren nestelende titelnummer, de fraaie, Garibaldi’s bepaald niet onaanzienlijke vocale capaciteiten ook al alle eer aandoende ballade “Holding On”, het groovy, zowaar even bedaard (country)rockende “Love The Hell Out Of You”, het vrijwel ogenblikkelijk door z’n wat desolaat aandoende geluid opvallende “Whispers & Rumours” en het na enkele beluisteringen buitengewoon catchy uitvallende Americana-niemendalletje “Vegas”.

Katie Garibaldi

 

AMELIA CURRAN “They Promised You Mercy” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Naar een nieuwe plaat van Amelia Curran is het hier al sinds haar debuut “War Brides” uit 2008 altijd wel een beetje uitkijken. Met dat album, opvolger “Hunter, Hunter” uit 2009 en “Spectators” uit het najaar van 2012 baande de jonge Canadese liedjesschrijfster zich immers een weg tot diep in ons luisteraarshart. Voor ons was ze echt één van dé revelaties van de voorbije tien jaar. Een ongelooflijk talent, dat we gelijk vanaf onze eerste kennismaking ermee zonder schroom aan elke liefhebber van andere grote dames als Lucinda Williams en Mary Gauthier durfden aan te bevelen. Ook nu nog!

Al gaat Curran op haar nieuwe worp in een productie van de tegenwoordig goed in de markt liggende Michael Phillip Wojeweda dan ook nadrukkelijk voor een wat massavriendelijker geluid. Heel wat van de elf liedjes erop blijken op de keper beschouwd zelfs behoorlijk radiovriendelijk. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag het zich fris als een lentebriesje aandienende rootspopblijvertje “Somebody Somewhere”, het ingehouden, zich bij elke nieuwe luisterbeurt wat dieper in je onderbewustzijn vastschroevende “I Am The Light”, het loom, maar wel buitengewoon catchy rockende “Never Say Goodbye” en het in deze optiek met een wel bijzonder toepasselijke titel gezegende “Song On The Radio”. Samen met andere tot in de puntjes verzorgde songschoonheden als de trage “Time, Time”, het bedaarde, ons van opzet een weinig aan Suzanne Vega herinnerende “The Reverie”, popjuweeltje “The Matador” en afsluiter “You’ve Changed” wat ons betreft meer dan redenen genoeg om onverwijld tot de aanschaf van dit kleinood over te gaan.

Een mooie stem, scherpzinnige, door de zangeres zelf in de nasleep van behoorlijk donkere dagen niet zelden cathartisch ingevulde teksten, muzikaal gezien tot in de puntjes uitgewerkte liedjes, voor ons hoeft het echt niet meer te zijn…

Amelia Curran, Blue Rose Records

 

KELLEY MCRAE “Easy On My Mind” (Kelley McRae Songs)

(4****)

Met “Easy On My Mind”, het binnenkort te verschijnen nieuwe album van de bekoorlijke Amerikaanse Kelley McRae, slaan we hier op bijzonder subtiele wijze de pagina van het voorbije jaar om. We laten het om uiteenlopende redenen lang niet altijd tot vrolijkheid uitnodigende 2014 voorzichtig achter ons met zes nieuwe prachtliedjes van de al sinds 2011, in de aanloop naar “Brighter Than The Blues”, samenwerkende muzikale tandem McRae-Castelein. Een samenwerking, die de zangeres en haar vaste gitarist ondertussen overigens ook al tot in Europa aardig wat lofzangen opleverde. En dat meer dan terecht ook.

Het materiaal voor haar nieuwe worp schreven McRae en Matt Castelein in een hutje ergens diep in de Smoky Mountains in North Carolina. En de rust die ze daar vonden straalt bijna als vanzelfsprekend ook van het merendeel van hun nieuwe songs af. Zo menig een trage beauty is het resultaat. Van de beklijvende ballade “Fairweather” tot het licht jazzy aanvoelende titelnummer, van het door Geoff Queen dobrogewijs aan wat meer glans geholpen schuifelaartje “Full Cup” tot het met name door McRae’s fraaie sirenenzang erin wat richting folk overhellende “So Fine” en het bij nader inzicht gewoon uit datzelfde vaatje tappende afsluitertje “At The Feet Of Love”, het zijn zonder uitzondering echte heerlijkheden van songs.

En dat laatste geldt zeker ook voor het enige nummer, dat we tot nog toe nog niet vermeld hadden, met name het zachtjes swingende “Stay Close To Me”. De enige reden, waarom dat wat langer op z’n beurt wachten moest, is het daarin net wat hoger liggende tempo. Het is ontegensprekelijk ook het meest “country” nummer van het geheel.

“Easy On My Mind” werd opgenomen in de Ramble Creek-studio’s in Austin, TX. Voor de verfijnde productie ervan tekende Britton Beisenherz.

Kelley McRae

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home