CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES JANUARI 2016

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

MATTY CHARLES & KATIE ROSE “Catching Arrows” - THEO SIEBEN “Delphinidin” - FAY HIELD & THE HURRICANE PARTY “Old Adam” - SERGE EPSKAMP “Little Ships In Open G” - TRACTOR JERRY AND THE MUD BUCKET “Tractor Jerry And The Mud Bucket” - THE ROBERT BOBBY DUO “Folk Art” - ANNA LAUBE “Anna Laube” - AND THE GOLDEN CHOIR “Another Half Life” - AMELIA WHITE “Home Sweet Hotel” - KATE CAMPBELL “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” - CHRIS LATERZO “West Coast Sound” - SUSSEX “Parade Day” - ROB MCNURLIN “The Gospel Guitar” - DAVID BERKELEY “Cardboard Boat” - BUFORD POPE “The Poem & The Rose” - MATT EPP “Ready In Time” - LAVENDORE ROGUE “Light Up With…” - SIVERT HØYEM “Lioness” - JIM MALCOLM “Live In Perth”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

MATTY CHARLES & KATIE ROSE “Catching Arrows” (1906 Records / Lucky Dice)

(5*****)

Speciaal voor allen die op tijd en stond nood hebben aan wat pure muzikale schoonheid in hun leven is er nu “Catching Arrows”, de nieuwe van het duo Matty Charles en Katie Rose. Iets meer dan drieënveertig minuten en twaalf nummers lang zingt dat tweetal daarop echt de sterren van de hemel naar beneden. Heerlijk gewoon, hoe hun stemmen elkaar song na song ongegeneerd in de armen blijven vallen en knuffelen tot de daad erop volgt. Het is lang niet het enige wat hier volop doet terugdenken aan de hoogdagen van countrydroomkoppel Johnny en June. Ook Valentine’s liedgoed is immers vaak van die aard dat een vergelijking met acts als wijlen de Man in Black, Hank Williams en andere grootheden zich zomaar aan je opdringt.

Ergens tussen Americana, folk en country vonden Charles en Rose ondertussen ruim drie jaar geleden hun eigen niche en, man, wat is het daar fijn toeven! Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar de met een bescheiden snuif Everly-stemmenmagie opgewaardeerde klassieke countryschuifelaar “One Hundred Years”, naar de van het verlangen bol staande bedaarde Americana van “What I Want”, naar het daar perfect bij aansluitende “Julia”, naar “Maryanne”, nog zo’n fraaie meidensong, of het zachtjes twangende “Where They’re Gonna Bury Me” en er is gegarandeerd ook voor jou geen weg meer terug!

Wij gaan hier alvast op zoek naar een gepast stekje tussen de echt grote platen in onze uitgebreide collectie. Daartussen hoort de instant-klassieker “Catching Arrows” ons inziens immers ontegensprekelijk thuis!

Matty Charles & Katie Rose, Lucky Dice Music

 

THEO SIEBEN “Delphinidin” (Highwind Howl Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Delphinidin” is na “Until Grass” uit 2011 en “Invite To Dance” van goed en wel een jaar later al de derde soloplaat van Nederlander Theo Sieben. En omdat dat een bij momenten nogal op de blues geïnspireerde schijf geworden is, noemde hij ze maar “Delphinidin”. Da’s immers het pigment dat zorgt voor de blauwe kleur in sommige bloemen of de donkere tint van rode wijnen. Weet u dat meteen ook weer. Mocht het u al interesseren natuurlijk…

Dat u geïnteresseerd bent in prima nieuwe muziek daar twijfelen we hier daarentegen al lang niet meer aan. En daarvoor zit u bij de in het verleden onder meer als gitarist voor acts als Henny Vrienten, Jelle Paulusma en Ellen Ten Damme actief geweest zijnde Sieben nadrukkelijk goed. “Delphinidin” blijkt immers een ronduit uitstekend countrybluesalbum, opvallend zowel door z’n ijzersterke songs als door het op de keper beschouwd behoorlijk toegankelijke karakter daarvan. Sterke verhalen gekoppeld aan dito instrumentale bevliegingen doen je als luisteraar regelmatig denken aan het werk van vergelijkbare kleppers als een Rainer Ptacek en een Ry Cooder.

Hét opvallendste nummer van de twaalf hier gebrachte is allicht de fascinerende murder ballad “The Killing Of Dimebag”. Daarin vertelt Sieben op indringende wijze het verhaal van de moord op Dimebag Darrel, de gitarist van de gerenommeerde metal act Pantera. Andere veritabele song beauties hier zijn wat ons betreft zeker ook het met de neus nadrukkelijk richting New Orleans gebrachte en vandaag de dag misschien wel actueler dan ooit zijnde “Jesus Is A Mighty Good Leader” – Met echt heerlijk ondersteunend koperwerk van Joost Belinfante, Sybren van Doesum en Allard Robert! – en het bedaarde “Make A Joyful Noise”. Om nog maar te zwijgen van dingen als het onwaarschijnlijk sfeervolle duo “Synchronicity Blues” en “Science Blues” en het afsluitende “(My Personal) Immigration Blues”.

Theo Sieben

 

FAY HIELD & THE HURRICANE PARTY “Old Adam” (Soundpost Records)

(5*****)       

Een enkele maanden geleden verschenen vier tracks tellend EPtje deed ons echt reikhalzend uitkijken naar de nieuwe worp van Fay Hield. Met “Green Gravel”, “Willow Glen” en “Raggle Taggle Gypsy” blikte de sterke vrouw achter The Full English daarop als het ware vooruit op haar nu voorliggende derde langspeler. En geloof ons vrij: die gaat hoge folktoppen scheren! Veel hogere nog dan haar al met BBC Radio 2 Folk Awards overladen eerste twee soloplaten “Looking Glass” uit 2010 en “Orfeo” van twee jaar later.

Maar Hield wordt hier dan ook bijgestaan door enkele van de allerbeste folkmuzikanten van het moment. Om te beginnen het voor de gelegenheid haar band The Hurricane Party bevolkende vijftal Sam Sweeney (fiddle), Rob Harbron (concertina), Roger Wilson (gitaar en fiddle), Ben Nicholls (bas) en Toby Kearney (percussie). En dan hadden we het nog niet over special guests als haar levenspartner Jon Boden (gitaar en fiddle) en gitaarvirtuoos Martin Simpson. Voor de productie van “Old Adam” tekende op zijn beurt autoriteit Andy Bell.

De veertien tracks van het album bestrijken met name in temporeel opzicht aardig wat terrein. Van een vanuit de zeventiende eeuw opgediept kleinood als “The Hag In The Beck” tot een stuk eigentijdser spul als de Tom Waits-vertolking “The Briar And The Rose”, tussen die beide tijdspolen kan hier echt ongelooflijk veel. En dat op een voorwaar sexy manier ook. Wat we daarmee bedoelen, is dat Hield en haar begeleiders met hun heel erg open aanpak folk ook aantrekkelijk maken voor nieuwe generaties. Zonder daartoe hun roots te moeten verloochenen sleuren ze het genre mee de toekomst tegemoet.

Een lenige stem als Hield ter beschikking hebben helpt daarbij natuurlijk ontzettend. Maar ook de songkeuze van haar en haar levensgezel Jon Boden draagt zeker het nodige bij tot het welslagen van hun missie. Vaak gaat het daarbij om geadapteerd spul van anderen. Vooral wat betreft het tekstmateriaal dan. Onder de deuntjes prijken wel meermaals de namen van Hield en Boden zelf.

Onze luistertips: de hier al van het hoger aangestipte EPtje bekende playground song “Green Gravel”, het uitermate speels gebrachte “Raggle Taggle Gypsy”, het ook tekstueel ijzersterke titelnummer “Old Adam” en het op schrijfselen van Rudyard Kipling gebaseerde en van een ronduit zalig basmotiefje profiterende “Anchor Song”. Echt meesterlijk spul!

Fay Hield & The Hurricane Party

 

SERGE EPSKAMP “Little Ships In Open G” (Serge Epskamp)

(3,5****)

Het kan verkeren… De grote Bredero wist het al en de jonge Nederlander Serge Epskamp nu ongetwijfeld ook. In een poging om zich één van z’n eigen favoriete liedjes, het nummer “Prayer In Open D”, u ongetwijfeld ook wel bekend van Emmylou Harris’ “Cowgirl’s Prayer”, eigen te maken, kwam hij tot de vaststelling, dat hij z’n gitaar ook anders kon stemmen. Uiteindelijk belandde hij zo in open G. En die handeling zou al snel leiden tot acht nieuwe songs in open G. Zo weet u meteen, waar de tweede helft van de titel van Epskamps nieuwe plaat vandaan komt. Met de eerste helft ervan verwijst hij dan weer naar z’n eigen opvatting over liedjes. Die beschouwt hij immers als door hem de wijde wereld in gestuurde bootjes.

Bootjes met in dit geval aan boord tekstueel gemijmer over zowel persoonlijke als meer universele hete hangijzers. Epskamp zelf daarover: “De nummers gaan over de liefde, over ingebeelde angst dat iemand je verlaat, over de verwondering dat iemand bij je blijft, over de schoonheid van de natuur en de vraag waarom we zo onvoorzichtig met de wereld omgaan, over een ontmoeting met thee en koffie, over het besef dat als je klimt, je uiteindelijk ook weer daalt of valt, maar dat je daar niet bang voor hoeft te zijn.”

En in mijn haventje mag Epskamp met al dat moois de komende weken alvast graag aanleggen. Mij persoonlijk doet hij immers een beetje denken aan knapen als een Jackson Browne, een James Taylor en een Jim Croce. Zowel wat betreft zijn manier van zingen als wat betreft zijn muzikale aanpak that is. Het doet allemaal best wel een beetje seventies-georiënteerd aan. En dat vind ik alvast geen nadeel. Zo menig een geweldige songwriter legde precies in die periode immers de basis voor een interessante carrière. Epskamp overtuigt wat mij betreft volop met muziekjes die doorgaans net iets meer naar rootsy pop dan naar Americana overhellen.

Benieuwd wat de toekomst voor deze knaap nog allemaal in petto houdt! Want zoveel is als u het mij vraagt nu al zeker, dit is allemaal nog maar het begin van iets heel moois…

Serge Epskamp

 

TRACTOR JERRY AND THE MUD BUCKET “Tractor Jerry And The Mud Bucket” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

U heeft het wel voor acts als Old Crow Medicine Show, de Hackensaw Boys, de Foghorn Stringband, de Avett Brothers en Uncle Tupelo zaliger? Wel, dan is de kans vrij groot, dat u ook Tractor Jerry en z’n Mud Bucket ogenblikkelijk stevig aan de borst zal drukken eens u hen de kans geeft om zich aan u voor te stellen. Met hun titelloos visitekaartje bijvoorbeeld al.

Op dat twaalf songeenheden herbergend geheel etaleren frontman Jerry (zang en gitaar) en kompanen Matt Underhill (mandoline), Tony Kirchner (drums en zang), Mark Rast (banjo), James Lipka (pedal steel), Mike Bitts (staande bas) en Elena Menaquale (zang) net als de hoger opgesomde acts dat je met op een aan old time stringband music verwant repertoire mits op de juiste manier gebracht ook anno nu best wel op jongere hoofden en benen mikken kan en mag. Ruim drieënveertig minuten lang spat de joie de vivre er royaal van af. Je krijgt als luisteraar hoegenaamd geen moment de kans om je te gaan vervelen. En dat alleen al is an sich lovenswaardig.

Een voor het gebrachte genre net wat te ruwe stem en een al even gritty benadering van instrumenten als de banjo en de mandoline zorgen er mee voor dat de muziek van Tractor Jerry en de zijnen qua attitude tot aardig dicht in de buurt van die van zo menig een alternatieve rock act afdwaalt. Roots met een ruig randje, zoiets. Alternatieve country met een fors stel kloten eronder, dat alleszins. En als dusdanig als het ware voorbestemd om vroeg of laat ook op podia hier te lande te belanden, zoals zo menig een vergelijkbare Amerikaanse act eerder al.

Maar overtuigt u zich daarvan vooral even zelf! Dat kan bijvoorbeeld uitstekend met het over een zware baslijn en hyperkinetisch gepingel op gitaar en banjo gedropte “Momma Needs Her Medicine” of het ook al superaanstekelijke tweetal “Bathtub Gin” en “Old Man Nickel’s Daughter”. Of voor wie het allemaal graag net wat rustiger heeft met het eerder gezapig voortkabbelende “Jeanie Lee” of de “valse trage” “We Part”.

Wij noteren Tractor Jerry en de zijnen nu alvast al als één van onze aangenamere nieuwe ontdekkingen van 2016!

Tractor Jerry, CD Baby

 

THE ROBERT BOBBY DUO “Folk Art” (I Like Mike)

(4****)

Tijdens één van m’n vele zwerftochten langsheen het wereldwijde web stootte ik onlangs eerder toevallig op “Folk Art”, de nieuwe van het Robert Bobby Duo. En dat deed er me meteen weer aan denken, hoe goed ik die man eigenlijk altijd al gevonden heb. Als hij zichzelf presenteert als “Like John Prine only cheaper!” dan is daar eigenlijk gewoon geen woord van gelogen. Net als die Prine weet immers ook Bobby wel z’n weg met woorden. En net als onze favoriete songsmid überhaupt weet ook hij altijd weer moeiteloos een brug te slaan tussen een lach en een traan. Iets wat in het grensgebied tussen folk, Americana en blues dezer dagen in onze ogen zeker geen nadeel is.

Daarbij bijgestaan door zijn vrouw, de enigmatische Mrs. Bobby, op bas en een handvol anderen op onder meer diverse gitaren, banjo, dobro en pedal steel waadt Robert Bobby op “Folk Art” doorheen een elftal nummers. Zeven eigen songs meer bepaald en met een flinke snuif folk op smaak gebrachte covers van “I Wish It Would Rain” van soulgrootheden The Temptations, “Blue Chevrolet” van The Beat Farmers, “Too Much Time” van Captain Beefheart & The Magic Band en het ons voorheen enkel in de uitvoering van Fraser & DeBolt bekende “Dance Hall Girls”.

En gelijk vanaf openingsnummer “Constantly Tweaking” weet je ook nu weer meteen, dat je bij Robert Bobby ook anno 2016 als vanouds aan een rondje fijn muzikaal vertier toe bent. Hoe hij met de tong diep in de wang geplant een baby op kritische wijze z’n eerste indrukken van de wereld om zich heen laat verwoorden, was hier gelijk weer goed voor een kamerbrede smile. Eén van de vele hoogtepunten op het akoestische pareltje dat “Folk Art” op de keper beschouwd weer is. “God Couldn’t Wait”, “Ted Williams”, “Mason Dixon Line”, “My Baby Loves Her Man”, “Fine As Wine”, “Whatever I Fell For You”, u zegt het maar… Zelfs één enkel minder momentje zal u hier zelfs gewapend met een krachtig vergrootglas vergeefs zoeken…

Robert Bobby

 

ANNA LAUBE “Anna Laube” (Anna Laube / Ahhh… Pockets!)

(5*****)

Hierover hoef ik dus echt niet lang te denken, zie! Als ik straks weer het lijstje met mijn maandelijkse bijdrage aan de Euro Americana Chart zal moeten klaarstomen, dan zal deze plaat daar zeker niet op ontbreken. Ik denk, dat ik een beetje verliefd ben! Niet dat mijn echtgenote zich nu zorgen moet beginnen te maken of zo, dat niet… Ik heb het gewoon zwaar te pakken voor de stem van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Anna Elizabeth Laube. Doet me een heel klein beetje denken aan die van Norah Jones. En zeg nu zelf, dat kan je toch bezwaarlijk een nadeel noemen…

Laube, die in haar jonge jaren nog hobo studeerde aan de Académie de Musique Grétry hier wat verderop in Luik, overtuigt op haar naar zichzelf vernoemde derde studioplaat echt wel volop met tien behoorlijk wat folk-pop- en Americana-terrein bestrijkende liedjes. Acht daarvan blijken bij nader inzicht eigen composities. Nummers negen en tien zijn een door Laube volledig naar zich toegetrokken en tot “Sugarcane” herdoopte versie van de traditional “Cocaine Blues” en een onwaarschijnlijk mooie lezing van het ook al klassieke “Satisfied Mind”, waarmee ze quasi terloops ergens in de buurt van de Cowboy Junkies in hun beste dagen weet te stranden. Meteen ook één van de mooiste momenten überhaupt op “Anna Laube”.

Andere absoluut niet te versmaden songdelicatessen hier: het de feestelijkheden al schuifelend voor geopend verklarende, eerder bedaarde rootspopschoonheidje “Already There”, het extreem zomers aandoende, zich van de lekkernij uit z’n titel als surrogaat voor een gemiste beminde bedienende “Chocolate Chip Banana Cupcakes”, de catchy indie pop van het z’n mosterd onder meer in New Orleans halende “The Bike Song”, het op een heel erg toegankelijke manier bluesy aandoende “Oh My! (Oh Me Oh Me Oh My)”, de mooie country ballad “This One’s For You”, de ook al onmiddellijk aansprekende lentefrisse Americana van “Sweet Boy From Minnesota”, het net dat tikkeltje ruwere, ook titelgewijs amper nog iets aan de verbeelding overlatende bluesje “You Ain’t Worth My Time Anymore” en het afsluitende, door Laube en co voorzichtig met wat country-soulgevoel besprenkelde “Green”. That’s right! Het hele zwik inderdaad! En wat mij betreft krijgt deze plaat dan ook gewoon een dik verdiende tien op tien. Doe er vooral ook je voordeel mee, zou ik zo zeggen.

Anna Laube, CD Baby

 

AND THE GOLDEN CHOIR “Another Half Life” (Cargo Records)

(3,5****)

De kans is vrij groot, dat u deze Tobias Siebert al kent. Van “ergens”… De beste man is met “Another Half Life” immers al lang niet meer aan z’n proefstuk toe. Alleen mag hij zich bij het maken van z’n platen nogal graag bedienen van diverse alter ego’s en dat maakt het er natuurlijk niet gemakkelijker op om naam te maken. Iets wat hem vermomd als And The Golden Choir naar onze bescheiden mening nochtans vrij simpel zou moeten kunnen lukken. Wat de multi-getalenteerde jonge Duitser op die nieuwe schijf brengt, bulkt als het ware van de commerciële potentie. En dat ondanks een nadrukkelijke indie-aanpak.

Stemgewijs herinnert Siebert ons op dat fraaie songtwaalftal beurtelings aan Antony Hegarty van Antony And The Johnsons, Tom Chaplin van Keane en onze eigenste Jasper Steverlinck van Arid. Hij is dus met andere woorden allesbehalve bang om het op heel erg ijle stemhoogten te gaan zoeken. Een gegeven dat hem naar ons gevoel enorm helpt bij het uitdiepen van zijn liedjes. De emotionele kracht die daarvan uitgaat is alvast groot.

En behoorlijk apart valt ook de instrumentatie uit. We overlopen ze hier bij wijze van illustratie van die stelling gewoon even met je: drums en percussie, gitaren, bas, piano, Rhodes, synths, harp, autoharp, harmonium, waldzither, santur, glockenspiel, viool, marimba’s, draaitafels,… Zonder uitzondering gesigneerd Tobias Siebert!

Onze lievelingsgangen van dit uitgebreide vooruitstrevende popmenu: het na een eerder verstilde intro fraai doorheen het gekozen indie-poplandschap meanderende “My Brothers Home”, het op de één of andere manier bepaald radiovriendelijk uitvallende en ons echt wel een beetje aan het hoger al eens genoemde Keane herinnerende “New Daily Dose” en de fraaie emo ballad “Choose To Lose”. Dat soort van liedjes wil je als liefhebber graag dagdagelijks in de ether!

And The Golden Choir

 

AMELIA WHITE “Home Sweet Hotel” (White-Wolf Records)

(4,5*****)

Zo ongeveer elke singer-songwriter zal het je kunnen vertellen: leven uit een koffer, het heeft lang niet enkel mooie kantjes. Probeer bijvoorbeeld maar eens een normaal liefdes- of gezinsleven te leiden als je over grote delen van het jaar onderweg bent. Vanzelfsprekend is het zelfs vandaag de dag nog altijd niet. Daaraan kunnen zelfs de meest geavanceerde sociale media amper iets verhelpen.

En als je, zoals Amelia White, beroepshalve zowat getrouwd bent met het leven on the road, dan heb je dan ook uit de eerste hand alle info die je nodig hebt om dat onderwerp te kunnen aankaarten op een album volledig gewijd eraan. Want dat is “Home Sweet Hotel” dus. Een door de je onder meer van Robert Plants Band Of Joy bekende Marco Giovino geproduceerde moody lap Americana geconcipieerd als een uiteenzetting over het conflict tussen enerzijds de verleidingen, anderzijds de valkuilen van een leven onderweg. De strijd tussen het volgen van een passie, het constant op zoek zijn naar avontuur en het daarmee regelmatig gepaard gaande hartzeer.

Een hoogst fascinerend uitgangspunt wat ons inziens ook leidt tot White’s allerbeste plaat tot op heden. En dan moet u weten, dat we voorganger “Old Postcard” uit 2014 ook al een ronduit geweldige schijf vonden. Met haar achtste zet Amelia White wat ons betreft eindelijk haar beide voeten naast die van Lucinda Williams. Concreet betekent dat: intelligente teksten à volonté hier, evenals perfect uitgevoerde verkenningen van het grensgebied tussen folk rock en Americana. En dan hebben we het bewust nog niet over de evidente stemgelijkenis gehad.

Sterkste momenten van het tien songs tellende “Home Sweet Hotel” zijn naar onze bescheiden mening de volgende drie liedjes. Te beginnen met het zwaar melancholische “Rainbow Over The East-Side”, een knap eerbetoon aan haar huidige wahlheimat East Nashville, dat met de passage “Sleeplessness and miles pile on the soul, it can bring you down, or it can bring you ‘round,” gelijk zowat de essentie van het geheel in zich draagt. En al even boeiend vonden wij hier het bedaard een eindje voor zich uit rockende titelnummer en vooral ook het enigszins bluesy aandoende “Dogs Bark”, waarin White met een gemene grijns om de mondhoeken rake klappen uitdeelt aan het adres van allen die teveel te menen moeten praten over anderen.

Amelia White

 

KATE CAMPBELL “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” (Large River Music)

(3,5****)

Voor u zich het hoofd over die afkorting gaat beginnen breken: “K.o.A.” staat eenvoudigweg voor “Kate on America”. Een verzameling liedjes waarvoor huisfavorietje Kate Campbell de basic tracks opnam op haar eigen iPhone 5 met verder als enig ander technisch hulpmiddel af en toe een tweetal microfoons. Dat gebeurde met wat hulp van de veelgeprezen David Henry gewoon in haar eigen living en op andere onverwachte locaties doorheen de States. Om maar te zeggen dat “The K.O.A. Tapes (Vol. 1)” een behoorlijk spontaan uitgevallen aangelegenheid zijn. Maar daarom zeker niet minder mooi!

Campbell zelf zong uiteraard en leverde verder ook bijdragen op gitaar en Wurlitzer, gasten Missy Raines (staande bas en harmony vocals), Laura Boosinger (banjo), Steve Smith (mandoline en harmony vocals), Joey Miskulin (accordeon), Spooner Oldham (Hammond B-3 en glockenspiel), Sally Van Meter (dobro), John Kirk (fiddle) en Ben Surratt (tamboerijn) deden de rest. Met als resultaat net geen vijftig minuten heerlijk pretentieloos rootsvermaak. Opgehangen rond voor de US of A op de één of andere manier behoorlijk kenmerkende bekende deuntjes als Paul Simons “America”, Richard Thompsons “From Galway To Graceland”, Kris Kristoffersons “Me And Bobby McGee”, de traditional “I Am A Pilgrim” en “Freebird” van Lynyrd Skynyrd en andere en aangevuld met wat eigen materiaal.

Niet Campbells sterkste plaat, dat zeker niet, daarvoor leverde ze in het verleden al net iets te vaak echte meesterwerkjes af, maar wel andermaal een alleraardigst potje Americana-luistervoer.

Kate Campbell

 

CHRIS LATERZO “West Coast Sound” (Yampa Records)

(4****)

De vanuit L.A. actieve Chris Laterzo is met “West Coast Sound” ondertussen al aan z’n vijfde cd toe. En ik moet zeggen, dat ik het persoonlijk met afstand zijn beste vind. Ik hield sowieso al heel erg van ’s mans zwaar aan die van Neil Young verwante stem, maar ditmaal klopt wat mij betreft voor het eerst echt alles.

De acht nummers op “West Coast Sound” zijn zonder uitzondering erg fraai te noemen. Zo ongeveer van het mooiste wat je op het kruispunt tussen rock, folk en alternatieve country overkomen kan. Met dank ook aan coproducer Jeff LeGore en vooral ook Laterzo’s live band Buffalo Robe. En aan een hele batterij aan gastmuzikanten, waaronder Bret Jensen, John Bird, Paul Inman, Rami Jaffee, Jesse Greene, Rachel Dean, Jen Gibbons, Devon Rowland, Justin Smith en Denny Weston, Jr. Met z’n allen tekenden zij voor wat wij van hieruit graag als een heuse glansprestatie zouden willen omschrijven.

Titelnummer “West Coast Sound” is daarbij als eerste uit de startblokken. En dat blijkt meteen al een zalige melodieuze trage countryrocker, waaraan met name fans van de hoger al eens even genoemde Neil Young het nodige plezier zullen beleven, maar zeker zij niet alleen! “Tumbleweed”, een liedje over onderweg zijn, over gaan waarheen de wind je meeneemt, over het leven on the road kortom, legt de nadruk vervolgens nog net wat meer op country en Americana. Iets wat over wel meer nummers hier gezegd mag worden trouwens. Zoals bijvoorbeeld ook al over het melancholisch getinte “Drag” in het kielzog daarvan.

Vervolgens zijn er achtereenvolgens nog de echt wel onwaarschijnlijk mooie sleper “Someday Blue”, het enkele belangrijke veranderingen in het persoonlijke leven van de artiest, zoals het gaan samenwonen met z’n vriendin en de geboorte van z’n kind, bezegelende “Echo Park”, de catchy rockopstoot “Subaru”, de piano power ballad “The Ray Bradbury” en de, aldus Laterzo zelf, door een droom geïnspireerde en weer heel erg Youngiaans aandoende afsluiter “Chaperone”.

Samen wat mij betreft ruimschoots goed voor vier sterren!

Chris Laterzo

 

SUSSEX “Parade Day” (Lucky Bear Records)

(3,5****)

Ha! Een nieuwe cd van Rob Lutes! Of toch niet… Niet helemaal alleszins. Bij “Parade Day” blijkt het bij nader inzicht immers te gaan om een samenwerkingsverband tussen de Canadese songsmid (akoestische gitaar en zang) en diens maatje, multi-instrumentalist Michael Emenau (vibrafoon, percussie en piano). Ergens in 2014 al begonnen de twee samen liedjes te schrijven. Die maakten ze zich vervolgens met een groepje muzikanten uit Montreal bestaande uit Ben Charest (elektrische gitaar), Ivanhoe Jolicoeur (trompet en flügelhorn), Sage Reynolds (staande bas) en Josh Zubot (viool) eigen om ze goed en wel een jaar later ook samen te vereeuwigen. De ons volslagen onbekende Fred Bouchard zorgt een enkele keer ook nog voor wat percussie.

Het resultaat van die samenwerking is volgens Lutes zelf een soortement liefdesbrief aan het adres van de vele vroege jazz- en bluesopnamen die hem en z’n gabber rijkelijk beïnvloed hebben. Nadrukkelijk anders dan anders dus, als we het specifiek over Lutes hebben, maar altijd nog met voldoende raakpunten met de genres waarmee de beste man hier in het verleden al uitgebreid wist te scoren, te weten folk en Americana, om ons niet volledig van hem te vervreemden.

Opvallendste nummer op “Parade Day” is een tot in de puntjes verzorgde benadering van Randy Newmans “Dayton, Ohio – 1903”. Andere absolute topmomentjes hier: het enigszins beklemmend aandoende “Little Baby”, het in onvervalste fingerpicking style op ons afgevuurde “Ginger”, de ontroerende instrumentale ballad “Dare To Stumble”, het jazzy, door blazer van dienst Jolicoeur met een buitengewoon fraaie koperbijdrage opgewaardeerde “Listen To The Wind” en het tegelijk hypernerveuze en hoogst aparte “Truth And Lies”.

Sussex

 

ROB MCNURLIN “The Gospel Guitar” (Buffalo Skinner Recordings)

(4****)

Na “Blue Nashville Guitar” van begin vorig jaar opnieuw een “gitaarplaat” voor Rob McNurlin. Ditmaal geheel en al opgehangen aan een ooit nog door wijlen Johnny Cash bespeelde Gibson Gospel, hem voor de gelegenheid toegespeeld door Chance Martin. Met die gewijde snaren als zijn voornaamste bondgenoot begaf McNurlin zich op een songwriting trip doorheen Alabama en Mississippi. Een goede week later beschikte hij over voldoende materiaal voor z’n nieuwe worp. Aangevuld met covers van Bob Dylans “Saving Grace”, “It Was Jesus” van Johnny Cash en van de traditionals “Anyhow” en “Honey In The Rock” dan toch.

Onder de productionele hoede van alleskunner Kenny Vaughan en met de nodige studiohulp van onder anderen diezelfde Vaughan op gitaar, Dave Roe op bas, Harry Stinson op drums, Kayton Roberts op steel en Mike Schrimpf op orgel nam McNurlin dat songtiental korte tijd later op in de Seven Deadly Sins Studio in Goodlettsville, TN. Samen met nog een viertal hidden bonus tracks.

Afgetrapt wordt er met het de man in het zwart daarboven ongetwijfeld tot een brede grijns verleidende “The Holy Ghost”. Vervolgens gaat het via een subtiele lezing van de traditionele gospelhymne “Anyhow” en de hier hoger ook al aangesproken vertolking van Cash z’n “It Was Jesus” over de knappe ballad “Hold My Hand” richting één van de eerste absolute hoogtepunten hier. En dat is wat ons betreft de nadrukkelijk op een Cash-ritme geënte meezinger “Don’t You Want To Go”.

De tweede helft van “The Gospel Guitar” wordt ingezet met “Saving Grace”, McNurlins tip of the hat aan het adres van die andere grootheid, Bob Dylan. Met een bepaald belangrijke ondersteunende rol voor Mike Schrimpf en diens orgel. Aansluitend daarop gaat het met “Got Enough Jesus” heupwiegend richting het door onze man samen met z’n buddy Chance Martin gepende “The Rapture” en het zo op het eerste gezicht afsluitende salvo bestaande uit die andere swingende traditionele hymne “Honey In The Rock” en het met Alamo Jones en Lorrie Carter Bennett gedeelde “The Roman Road”.

Maar zoals eerder al even aangegeven, gedaan is het daarmee allemaal nog niet. Eerst horen we McNurlin en Chance Martin in gesprek over onder meer de bewuste gitaar waarmee het allemaal begon, over gitaren tout court, over Johnny Cash, over eindproduct “The Gospel Guitar”. Daarna volgen er nog een drietal McNurlin-momenten, afsluitend zelfs even live.

Allemaal samen goed voor net geen zesendertig minuten retro hillbilly gospel van de bovenste plank!

Rob McNurlin

 

DAVID BERKELEY “Cardboard Boat” (Straw Man Music)

(4,5*****)

Met elke nieuwe release ging ik de voorbije jaren telkens weer een beetje meer van ‘m houden, van deze David Berkeley, met als ontegensprekelijk voorlopig hoogtepunt z’n er op 29 januari aanstaande aankomende zesde studioplaat “Cardboard Boat”. Die wordt ons door Berkeley aangereikt als companion piece bij z’n tweede boek “The Free Brontosaurus”. De in de liedjes erop vertelde verhalen grijpen nadrukkelijk terug op die in die nieuwe novelle van ‘m. En ze worden gebracht vanuit het standpunt van de voornaamste betrokkenen erin. Een behoorlijk ambitieuze bedoening dus. Maar aan Berkeley, een voormalige student Literature aan de vermaarde Harvard University in Cambridge, Massachusetts, is ze wel besteed.

Berkeley, twee jaar geleden nog winnaar van de prestigieuze Kerrville New Folk-wedstrijd, serveert z’n verhalen in zalig melodieus uitgevallen liedjes, die je als luisteraar door hun melancholische karakter niet zelden met enige weemoed doen terugdenken aan de hoogdagen van wijlen Nick Drake en Tim Buckley. Die twee en wel nog in leven zijnde collegae als een Josh Ritter en een Robby Hecht vormen wat mij betreft dan ook ideale referenties voor wat Berkeley op “Cardboard Boat” brengt.

Met als absolute stand-outs naar mijn bescheiden mening het inhoudelijk nadrukkelijk naar Herman Melville’s classic “Moby-Dick” verwijzende herfstige juweeltje “Setting Sail”, het daar in al z’n eenvoud en mede dankzij wat subtiele vocale ondersteuning van Sara Watkins ook wel perfect bij aansluitende “To The Sea” en vooral ook “Hole In My Heart”. Dat prachtige rootsy kleinood met Jordan Katz op banjo, Jason Crosby op fiddle en Lex Price op mandoline liet ook mij achter met “a hole in my heart big as the blue”.

Mag ik ‘m u van hieruit bijzonder warm aanbevelen, deze prachtige nieuwe van Berkeley?

David Berkeley

 

BUFORD POPE “The Poem & The Rose” (Unchained)

(4****)

“The Poem & The Rose”, het “nieuwe” album van de Zweed Buford Pope, is er één met een wat aparte voorgeschiedenis. Een vlugge eerste blik op het hoesje ervan leert immers meteen, dat we hier te maken hebben met opnames die zo’n tien jaar geleden al gemaakt werden. In 2006 was dat. “The Poem & The Rose” had toen de tweede cd van Pope moeten worden, maar zover kwam het door omstandigheden dus niet. Zelf zegt hij daarover zoveel jaren later, dat er op dat moment in z’n leven gewoon teveel andere dingen z’n aandacht opeisten om zich nog langer ten volle aan dat geheel te kunnen wijden. Zo werkte hij bijvoorbeeld toen al aan z’n eigenlijke derde plaat.

Maar nu, goed en wel een decennium later, komt ze er dus vooralsnog, die tweede van ‘m. En weet je wat? Ik ben daar verdomd blij om ook! Ik vind het namelijk een ijzersterke collectie liedjes. Naar mijn bescheiden mening zelfs z’n allerbeste tout court. Met de nadruk nog veel meer op country en Americana dan dat later het geval zou zijn. En zo mag ik ‘m eigenlijk gewoon het liefst hebben, onze grofgevooisde Zweedse vriend. Als hij met die fraaie stem van ‘m, te situeren ergens tussen de jonge Rod Stewart en Neil Young, gevoelvol heen en weer laveert tussen instrumenten als pedal steel, dobro, banjo, mandoline en fiddle, maar ook piano, accordeon en harmonica. Daar voelt hij zich duidelijk als een vis in het water. Zeker in de vele rustigere nummers. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag dingen als “My Heart Don’t Lie”, “Can’t Feel It Anymore”, “At The End Of The Week” en het titelnummer.

Ik ben eigenlijk best wel eens benieuwd, hoe Amerikaanse muziekliefhebbers hierop zullen reageren. Kwalitatief gezien laat “The Poem & The Rose” veel van de concurrentie aan de andere kant van de Atlantische Oceaan immers met sprekend gemak achter zich.

Buford Pope

 

MATT EPP “Ready In Time” (Manitoba Film & Music)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat de naam Matt Epps bij mij niet meteen een belletje deed rinkelen. En van vooroordelen van welke aard dan ook was er dan ook hoegenaamd geen sprake, toen ’s mans laatste hier voor het eerst in de lade van de cd-speler belandde. ’s Mans laatste? Yep, sir. Bij nader inzicht bleek de Canadese songsmid met “Ready In Time” immers al aan z’n achtste album toe. Wat ons naast een stel gefronste wenkbrauwen meteen ook een adequate verklaring voor de ongelooflijke zelfzekerheid die hij daarop bijna voortdurend uitstraalt opleverde.

Wat Epp op die nieuwe van ‘m doet klinkt immers ongelooflijk af. In de bast van genres als folk, Americana, pop en rock kerft hij met vaste hand net geen half uur lang de mooiste songminiatuurtjes. Je zou het een beetje kunnen vergelijken met wat knapen als z’n landgenoot Ron Sexsmith, de Amerikaan Clarence Bucaro en onze eigenste Milow doen. Met daarbij zijn fluwelen stem als z’n voornaamste bondgenoot weet Epp je als luisteraar acht nummers lang volop te overtuigen van z’n vaardigheden als storyteller en songwriter.

Met dingen als het voorzichtig herfstig ingekleurde popjuweeltje “Aftermath”, het overduidelijk door Paul McCartney en de Beatles geïnspireerde “Let Her Know”, het door de ons ook al volslagen onbekende Chantel Emond op fraaie wijze harmoniërend mee gedragen “Go Somewhere”, de bedaarde rocker “Something Better”, het al bij al nog net wat vinniger uit de hoek komende titelnummer, de het verhaal van z’n tijdens de vorige eeuw op jonge leeftijd naar Canada geëmigreerde opa vertellende poppy Americana beauty “Hard To Say” en andere deed hij mij alvast onmiddellijk op zoek gaan naar z’n eerdere werk. En dan had ik het nog niet eens over afsluiter “North Star”. Met die fraaie valse trage houdt Epp wat mij betreft zelfs een heuse potentiële (radio)hit achter de hand.

Matt Epp

 

LAVENDORE ROGUE “Light Up With…” (LaVendore Rogue)

(4****)

Met het centraal op het hoesje van hun debuutalbum prijkende luciferdoosje lijken de vijf van het Britse collectief LaVendore Rogue ons al bij voorbaat te willen waarschuwen. Opgelet, met de tien volgende tracks gaat de tent gegarandeerd in de fik! Die conclusie drong zich aan ons op na enkele beluisteringen ervan.

Met frontman JoJo Burgess, gitarist Joel Fisk en drummer Stephen ‘Cupsey’ Cutmore telt LaVendore Rogue liefst drie ex-leden van het ook hier op handen gedragen Hokie Joint in z’n rangen. En eigenlijk zou dat feit alleen al genoeg moeten zeggen. Tot wat die knapen in staat zijn zou immers alom geweten moeten zijn. En aangevuld met bassist Rob ‘Tank’ Barry en toetsenman Warren Lynn ontgoochelen ze ook this time around bepaald niet. Ruim tien nummers lang gaan ze op “Light Up With… LaVendore Rogue” voor de perfecte blend van Americana, country, punk en rock & roll. Met de nadruk al bij al toch vooral op dat laatste. En met bepaald niet zelden een kritische blik op de schaduwzijde van het leven anno nu. Een titel als “Gangsters, Thieves & Villains” spreekt boekdelen voor zichzelf. Maar nog beklijvender is de manier waarop in de dreigende slow rocker “Riot” wordt teruggeblikt op de ongeregeldheden die in 2011 Londen in hun ban hielden. Of hoe men in de lichtjes Springsteen-esk aandoende ballad “A.S.A.D.” ingaat op de verschrikkingen van een drugsverslaving.

Daarmee hadden we het hier meteen over drie van de absolute hoogtepunten op de eersteling van LaVendore Rogue. Al blijft hét te kloppen nummer voor ons toch vooral de volop aan de Stones in hun hoogdagen herinnerende rootsrocker “Dead Men’s Chest”. Onwaarschijnlijk wat een power er van die lillende lap rood rockvlees uitgaat! We kunnen er hier maar niet genoeg van krijgen! En dat geldt op de keper beschouwd voor wel meer dingen hier. Van de fraaie pianoballade “Animal” tot het op een catchy gitaarmotiefje rondstuiterende “Honey Murder”, van het vinnige “Siesta Resistance” tot de afsluitende cover van Warren Zevons “Play It All Night Long”, ze mogen zonder uitzondering zo op onze playlist van de komende weken.

Wie boekt dit vijftal voor de nakende zomerfestivals? U haalt er een gegarandeerde winnaar mee in huis…

LaVendore Rogue

 

SIVERT HØYEM “Lioness” (Hektor Grammofon / Rough Trade)

(4,5*****)

Als frontman van Madrugada tekende de Noor Sivert Høyem in het eerste decennium van de noughties wat ons betreft voor meer dan voldoende muzikale hoogstandjes om hem voor eeuwig en altijd op onze radar te blijven houden. Ook met z’n solomateriaal. Zoals bijvoorbeeld al het eind deze maand te verschijnen “Lioness”. Dat is amper enkele dagen ver in 2016 naar onze bescheiden mening al een eerste echte grote plaat.  Met front & center uiteraard ook nu weer die klok van een stem. Als je ze zou moeten situeren: een beetje Nick Cave, een beetje Stuart Staples (Tindersticks), een beetje Richard Hawley ook, het zit er allemaal wel in.

Samen met zijn vaste gitarist Christer Knutsen, hier ook verantwoordelijk voor toetsenbijdragen en backing vocals, en de uit Øystein Franzvåg en Børge Fjordheim bestaande ritmetandem van z’n vaste live band blikte Høyem this time around een tiental nummers in die het vooral moeten hebben van hun grandeur, van een flinke laag pathos. Beurtelings rijk georkestreerd of net aan de eerder naakte kant. Niet zelden zwelgend in een weelde aan strijkers. Rock, dat wel, maar dan van het eerder op de gevoelens dan op de benen mikkende type.

Høyem heeft recentelijk het licht in de eigen duisternis gezien en dat zullen we als luisteraars geweten hebben ook! Het wordt daardoor heerlijk toeven in het gezelschap van dingen als de in duet met Marie Munroe gebrachte romantische sleper “My Thieving Heart”, de ook al magistrale, ergens heel dicht in de buurt van de grote Leonard Cohen strandende pianoballade “It Belongs To Me” en vooral ook openingsnummer “Sleepwalking Man”, een streep sfeervolle indie folk die de Cave-fan in ons in geen tijd onvoorwaardelijk bij de les had.

Sivert Høyem

 

JIM MALCOLM “Live In Perth” (Beltane Records)

(4****)

Over deze knaap heeft u hier nog nooit een kwaad woord gelezen en dat zal ook naar aanleiding van zijn nieuwe cd weer niet het geval zijn. Wij vinden Jim Malcolm nu eenmaal één van de allermooiste Schotse folkstemmen überhaupt en op de koop toe ook een fantastische songsmid en entertainer. En vooral dat laatste komt op z’n zonet verschenen dertiende soloplaat nog net wat meer tot uiting dan voorheen. Het betreft hier immers een live-cd, ingeblikt voor een publiek van fans, vrienden en familie in het Goodlyburn Theatre in zijn thuishaven Perth.

Een thuismatch dus en dat hoor je eraan ook! Met Malcolm ongelooflijk in z’n sas. Als zanger en verteller, maar ook als gitarist en her en der op de mondharmonica. Liefst veertien tracks lang. Met naast een zestal eigen originelen naar goede gewoonte ook weer enkele voortreffelijke lezingen van materiaal van andere Schotse songwriters en plaatselijke traditionals. Tot de eerste van die beide categorieën behoren Brian McNeills “Lads O The Fair”, Andy M Stewarts “Valley Of Strathmore” en Jim Reids werkelijk bloedmooie ballad “Vinney Den”, tot de laatste mag u onder meer het zwierige tweetal “Jolly Beggar” en “Billy Taylor”, het wat bezadigdere “Reres Hill” en ons lievelingsnummer hier, nog zo’n ingetogen beauty, “Lochaber No More”, rekenen. Voor een humoristische noot wordt terloops ook gezorgd met het verhaal “The Pickpockets”.

Kortom opnieuw een portie superieur luistervoer van een artiest van wie we eigenlijk al lang niets anders meer verwachten. Mocht u hem nog niet kennen, dan biedt “Live In Perth” u een uitgelezen gelegenheid om snel aan dat euvel te verhelpen. U zal het zich beslist niet beklagen!

Jim Malcolm, CD Baby

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home