ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Various Artists “From A Man Of Mysteries – A Steve Wynn Tribute”Nora O’Connor “Til The Dawn”Dale Ann Bradley “Send The Angels”Two Cow Garage “Please Turn The Gas Back On”Miracle Mile “Stories We Could Tell”Doug Wilshire & The Capers “Love In Disguise” - Wailin’ Elroys “Cheap Motel”Burrito Deluxe “The Whole Enchilada”Jason Allen “Wouldn’t It Be Nice”Joe Ely “Settle For Love” - Josh Rouse “The Smooth Sounds Of Josh Rouse” (DVD/CD)Todd Snider “East Nashville Skyline”Reverend Horton Heat “Revival” - BoDeans “Resolution”Deke Dickerson “My Name Is Deke” - The Flatlanders “Live At The One Knite, Austin, TX 1972”Bill Morrissey “The Essential Collection”Steve Forbert “Just Like There’s Nothin’ To It” - Hayseed Dixie “Let There Be Rockgrass”Lonesome Brothers “Fences”Amberjack Rice “Get So Little”Michael Carpenter “Rolling Ball” - Various Artists “Parkinsong Volume One – 38 Songs Of Hope”JT & The Clouds “Delilah” - Julieann Banks “Magazine And Race”The Carburetors “Y’All Don’t Tell My Mama I Was Here”The Circuit Riders “Sun Moon Mule” - Various Artists “The Unbroken Circle – The Musical Heritage Of The Carter Family”Oakhurst “Greenhorn” - Nancy K. Dillon “Just Let Me Dream”Suzanna Spring “She’s Got Your Heart”Kate James And Lost Country “HomeWrecker, HeartBreaker”Dave Gleason’s Wasted Days “Midnight, California” - Vassar Clements “Livin’ With The Blues”Earl Scruggs “The Essential” - Randy Wayne Sitzler “Pontiac Trail”Old Crow Medicine Show “OCMS”Eddie Pennington “Walks The Strings… And Even Sings” - Mutual Admiration Society “Mutual Admiration Society”Various Artists “Cajun – Early Recordings”Various Artists “Bluegrass – Early Cuts” - Maggie Brown “Maggie Brown”James Talley “Journey” - Otis Gibbs “One Day Our Whispers”The Meat Purveyors “Pain By Numbers” - Mary Chapin Carpenter “Between Here And Gone”Various Artists “The Rough Guide To Cajun Dance” - Walt Wilkins “Mustang Island”Mary McBride “By Any Other Name”The Stapletons “Low Dealers… And Hangers On” - Smutfish “Lawnmower Mind”Loretta Lynn “Van Lear Rose” - Moonshine Reunion “Moonshine Reunion”Demolition String Band “Where The Wild, Wild Flowers Grow: The Songs Of Ola Belle Reed”Sand Sheff “Free On This Mountain” - Warren Haynes “Live At Bonnaroo”Jack Ingram “Acoustic Motel” en “Live At Gruene Hall – Happy Happy…” - Marah “20,000 Streets Under The Sky”Ed Burleson “The Cold Hard Truth”Kim Carnes “Chasin’ Wild Trains”Bobby Flores “Festival Favorites”Karl Broadie “Everybody’s Gold”

 

VARIOUS ARTISTS

“From A Man Of Mysteries

(A Steve Wynn Tribute)”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

Steve Wynn staat van het jaar precies vijfentwintig jaar in het vak als “recording artist”. In 1979 nam hij immers met het uit Davis, Ca. afkomstige bandje The Suspects zijn eerste single op. Dat de man later met The Dream Syndicate en onder zijn eigen naam een knap stuk muziekgeschiedenis schreef, behoeft wellicht minder uitleg. Hij heeft er in elk geval flink wat devote fans aan overgehouden. Zo ook de in het Nederlandse Westerbroek gehuisveste Jaap Bos. Die vatte het lumineuze idee op om ’s mans artistieke jubileum wat luister bij te zetten door aan een aantal van zijn vrienden en collega’s te vragen om een nummer te willen bijdragen aan een eerbetoon aan Wynns adres. Een opzet waarvan het feestvarken zelf tot op het ogenblik van de release party van de plaat op 24 mei van dit jaar in de Lakeside Lounge in New York helemaal niks afwist. Van een verrassing gesproken…

Uiteindelijk vond initiatiefnemer Bos 28 artiesten bereid tot medewerking. Van elk van hen vinden we op het in een fraai vormgegeven openklapbaar digipack gestoken “From A Man Of Mysteries” één liedje terug. Jammer genoeg lang niet allemaal van dezelfde superieure kwaliteit. Wynn naar de kroon steken met zijn eigen materiaal bleek immers geen sinecure. Maar in de wetenschap dat een flinke hap van de opbrengsten van deze verzamelaar bestemd zijn voor The Bowery Mission, een organisatie die sinds 1879 in de weer is om hongerende en dakloze New Yorkers een hand te reiken, knijpen we hier en daar graag een oogje – of oortje - dicht.

We beperken ons hier tot het opsommen van een paar hoogtepuntjes. De complete tracklist vind je volledigheidshalve onder deze recensie. Opvallend gegeven is alvast dat de bekendste namen hier niet noodzakelijk voor de sterkste stukken staan. Zo werden wij bijvoorbeeld heel aangenaam verrast door de bijdrage van Jaap Boots, een in het Nederlands gebrachte, desolate versie van “Now I Ride Alone”, “Ik Reis Alleen”. Sterk zijn op het eerste schijfje verder zeker ook de beklemmende uitvoering van “Follow Me” door Walkabouts-kopstuk Chris Eckman, de recht-toe-recht-aan punky gitaaraanslag van Rich Hopkins & The Luminarios op “That’s What You Always Say”, het dronken voortwaggelende “Carelessly” van de Paco Loco Trio, een stevig “Tell Me When It’s Over” door The Silos, Sam Lapides’ akoestische kijk op “Never Ending Rain” en het melodieuze slotakkoord “If My Life Was An Open Book”, waarvoor John Munson tekent.

CD2 is kwalitatief gezien de sterkere van de twee. Sid Griffin & The Albanians openen met een zweverige, licht psychedelische versie van “When She Comes Around”, Robert Lloyd is goed op dreef in het alt. bluesje “Some Kinda Itch”, Gutterball klinkt bijna hitgevoelig in “Morningside Heights”, die van Transmissionary Six zetten “Lay Of The Land” op bewonderenswaardige wijze naar hun hand en “When You Smile” klinkt alsof het speciaal voor Johnette Napolitano en haar Concrete Blonde geschreven werd. En dan moeten de echte krenten nog komen! Dat zijn ontegensprekelijk een ongemeen sfeervolle berookte versie van “Merritville” door Chuck Prophet (Wat een mooie stem heeft die man toch!) en het in de lezing van de Willard Grant Conspiracy van weemoed druipende “Silence Is Your Only Friend”.

Eindigen doen we met een wat chauvinistisch gekleurde slotnoot. Het laatste liedje op “From A Man Of Mysteries” blijkt immers van Belgische makelij. Luc Crabbé en Nathalie Duyver van Betty Goes Green hebben een mooie akoestische versie van “Cats And Dogs” voor je in petto.

 

Tracklist

 

CD 1
1. DAVE DECASTRO “Whatever You Please”
2. DEANNA VARAGONA EXPERIENCE “Grace”
3. DENNIS DUCK “Tears Won't Help”
4. CHRIS ECKMAN “Follow Me”
5. BRAD RICE “
Younger
6. CHRIS BROKAW “Drizzle
7. JAAP BOOTS “Ik Reis Alleen (Now I Ride Alone)”
8. RICH HOPKINS & LUMINARIOS “
That's What You Always Say
9. PACO LOCO TRIO “Carelessly”
10. THE SILOS “
Tell Me When It's Over
11. SAM LAPIDES “Never Ending Rain”
12. PAT THOMAS “Until Lately”
13. CHRIS CACAVAS & THE SLIVERS OF HOPE “
500 Girl Mornings
14. JOHN MUNSON “If My Life Was An Open Book”

 

CD 2
1. SID
GRIFFIN & THE ALBANIANS “When She Comes Around”
2. ROBERT LLOYD “Some Kinda Itch”
3. GUTTERBALL “
Morningside Heights
4. TRANSMISSIONARY SIX “Lay Of The Land”
5. CONCRETE BLONDE “When You Smile”
6. SOMEBODY'S DARLING “Mask Of Shame”
7. KIRK SWAN “Here On Earth As Well”
8. JASON VICTOR “What We Call Love”
9. CHUCK PROPHET “
Merritville
10. RUSS TOLMAN “The Blue Drifter”
11. WILLARD GRANT CONSPIRACY “
Silence Is Your Only Friend
12. MINUS 5 “
Waiting Like Mary
13. THALIA ZEDEK “Burn”
14. LUC CRABBE & NATHALIE DUYVER (BETTY GOES GREEN) “Cats And Dogs”

 

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

NORA O’CONNOR

“Til The Dawn”

(Bloodshot Records / Bertus)

(3.5) J J J J

 

De Iers-Amerikaanse Nora O’Connor verdiende in het verleden al uitgebreid haar sporen in Muziekland. Zo sleet ze ondermeer enige tijd bij Andrew Bird’s Bowl Of Fire en maakte ze ook deel uit van het gereputeerde glamcountry collectief The Blacks (Wie herinnert zich hun “Dolly Horrorshow” nog?). Daarnaast was ze de jongste jaren ook een veel gevraagde backingvocaliste. Wie regelmatig met zijn neus in CD booklets zit kan haar naam ondermeer al op platen van The New Pornographers, Jeff Tweedy, Kelly Hogan, Neko Case en Mavis Staples ontwaard hebben.

Hoog tijd dus voor die eerste soloplaat. En die mag er best wezen ook! “Til The Dawn” is immers een erg gevarieerd alt.country-album geworden, waarmee O’Connor zelfverzekerd een eigen stekje claimt in het lijstje Neko Case / Kelly Hogan / Eleni Mandell. Swingende grootstadshonky-tonk (“OK With Me”), donkere folkgrass (“Nightingale”), een gecroonde klassieker (“Love Letters”), poppy rootsrock (“Revolver”), SoCal-country (de Fleetwood Mac-cover “That’s Alright”), alt. country (“My Backyard”, “Bottoms”), moderne folk (“Down Here”, “Tonight”), O’Connor lijkt werkelijk nergens voor terug te deinzen. En wij? Wel, wij zijn een heel klein beetje onder de indruk daarvan…

Nora O’Connor

www.theblacks.net

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

DALE ANN BRADLEY

“Send The Angels”

(Mountain Home Music Company)

(4) J J J J

 

Zoals zovelen in het bluegrassgenre leerde ook Dale Ann Bradley de eerste knepen van het vak op zondag in de kerk. Het komt dan ook niet echt als een verrassing dat ze altijd een zekere affiniteit met gospelmuziek is blijven vertonen. En die Bradley, die algemeen gezien wordt als één van de beste vrouwelijke bluegrassvertolkers van de jongste jaren, pakt nu uit met een eigen bluegrass gospel album, “Send The Angels”. Daarop wordt ze bijgestaan door een heuse buslading aan groten uit het genre. Ben Isaacs en Alison Krauss – met wie een zekere stemverwantschap nauwelijks te loochenen valt – steken vocaal een handje toe. En superpickers als Rob Ickes (dobro), Tom Adams (banjo), Mike Cleveland (fiddle), Dan Tyminski (gitaar), Adam Steffey (mandoline), Jason Moore (bas) en Jesse Brock (mandola) doen hetzelfde op instrumental vlak. Het resultaat is dan ook een album dat Bradley’s door de jaren heen bij de New Coon Creek Girls en met albums als “East Kentucky Morning” (met haar indertijd veelbesproken bluegrassversie van de U2-hit “I Still Haven’t Found What I’m Looking For”), “Old Southern Porches” en “Cumberland River Dreams” opgebouwde reputatie alleen nog maar verstevigt. Top notch bluegrass noemen kenners dit in de States. En wij zijn er ten stelligste van overtuigd, dat één enkele beluistering van betoverend mooie liedjes als “Man Cannot Live By Bread Alone” en “The Master’s Hand” – beide met engelachtige harmonieën van Alison Krauss – of sprankelende stukken als “Send The Angels Down” en “Nothing Can Hold Me Here” ook jou snel van hun gelijk zal overtuigen. Bijzonder warm aanbevolen derhalve dan ook, dit schijfje!

www.daleann.com

www.crossroadsmusic.com

 

 

TWO COW GARAGE

“Please Turn The Gas Back On”

(Shelterhouse)

(4) J J J J

 

Micah Schnabel (leadzang, gitaren, banjo, mandoline), Shane Sweeney (bas, akoestische gitaar, zang) en Dustin Harigle (drums, zang) zijn een drietal jonge snaken met hun roots in kleinere steden in Ohio, die aan het eind van 2002 als Two Cow Garage met “Please Turn The Gas Back On” één van de meest flamboyante alt. country / roots rock-debuten van de voorbije jaren afleverden. Met de nadruk op rawk alstublieft! En met vergelijkingspunten als het vroegwerk van Slobberbone, halfgoden The Replacements en Richmond Fontaine altijd weer binnen reikwijdte. Nu hun tweede worp alweer een poosje in de steigers staat en zelfs al aangekondigd wordt voor het najaar is deze lekkere ruwe diamant dankzij de bemoeienissen van Sonic Rendezvous eindelijk ook officieel in de Lage Landen verkrijgbaar. En daar kunnen we alleen maar gelukkig om zijn! In-je-gezicht rockertjes als “Found”, “Been So Long” en “River” worden er immers op afgewisseld met rauw-hees-tedere ballads als “Girl Of My Dreams” of “All Sins Forgiven” en organisch rootsy spul van het type “Farmtown”. Eén enkele keer wagen de drie zich aan een cover. Het eveneens vinnig rockende “Forget You (Try To)” wordt geleend van de Lilybandits. En echt vreemd is dat niet, want het was Jason “Jose” Gonzales van die groep die dit uitstekende album produceerde.

www.twocowgarage.com

www.sonic.nl

 

 

MIRACLE MILE

“Stories We Could Tell”

(Me Me Records / Bertus)

(2.5) J J J

 

Miracle Mile zijn Trevor Jones en Marcus Cliff, een Brits tweemanschap dat in de eigen regio steevast op erg lovende kritieken kan bogen en met “Stories We Could Tell” na “Bicycle Thieves” (’97), “Candids” (’98), “Slow Fade” (’01) en “Alaska” (’03) inmiddels al aan zijn vijfde CD toe is. Het album koppelt de positivistische teksten van Jones aan een muzikale hybride waarin traditionele elementen als akoestische gitaar, banjo, double bass en piano versmelten met hoogst aparte pedal steel-bijdragen van de gereputeerde BJ Cole en onverwachte ingrediënten als houten en koperen blaasinstrumenten. Op die manier ontstaat een soort van dromerige popmuziek met voorzichtige rootsinslag. En die heeft al bij al toch net iets te weinig om het lijf om de hype-grage Britse pers bij te treden in haar wat al té vriendelijke benadering van dit schijfje. Een mooie stem en een handvol leuke melodieën volstaan nu eenmaal niet om gelijk al van een meesterwerk te mogen spreken. Dan houden wij het in dit verband toch eerder op een nipte voldoende.

www.miraclemile.co.uk

www.bertus.nl

 

 

DOUG WILSHIRE & THE CAPERS

“Love In Disguise”

(Rhythm Bomb Records)

(3) J J J

 

 “Diamond” Doug Wilshire kennen we vooral als het zingende kopstuk van het Australische rockabillygezelschap The Chrome Daddies. Maar op zijn eerste soloplaat – opgenomen met één van de populairste rockabilly bands van Duitsland, Ike & The Capers – bewijst de naar down under uitgeweken Canadees veel meer in zijn mars te hebben. Vooral als liedjesschrijver dan. Alle veertien de nummers op “Love In Disguise” schreef hij immers zelf. Daartussen uiteraard weer flink wat uptempo rockabilly-snoepjes. We denken dan bijvoorbeeld aan songs als “Seven Questions”, “Mopar Man”, het volop naar de jonge Elvis geurende “Tempted” of “Thought A Little About You”. Maar ook als het er allemaal wat trager aan toegaat staat Wilshire zijn mannetje. Luister bijvoorbeeld bij gelegenheid maar eens naar het quasi gecroonde “Love Is A Game”, het op een tedere baslijn balancerende “All”, de sleper “Dance With Him” of de nachtbraker helemaal aan het eind van de plaat, “Drag On Me”.

Heel even lijkt het er op “Love In Disguise” op of de tijd de jongste vijftig jaren gewoon heeft stilgestaan. Maar waar hebben we in godsnaam die Brylcream ook alweer gelaten…

www.chromedaddies.com

www.rhythmbomb.com

 

 

WAILIN’ ELROYS

“Cheap Motel”

(Rhythm Bomb Records)

(4) J J J J

 

The Wailin’ Elroys zijn een juke joint hillbilly trio uit Athens, Ohio bestaande uit excentrieke brillenmans Bram Riddlebarger (zang, gitaar), Justin Rayner (plukbas) en Preacher Zeb Dewar (leadgitaar). Hun muziek situeert zich op het gewoon thuis bij de zanger van de groep opgenomen “Cheap Motel” tussen klassieke country en erg authentiek aandoende 50’s rockabilly en rock & roll. En wat daarbij meteen in het oor springt is de opvallende stemgelijkenis tussen Bram Riddlebarger en Wayne “The Train” Hancock. Riddlebarger is trouwens ook de voornaamste songleverancier van de band. Met uitzondering van een zeer aparte benadering van de Eddie Cochran-klassieker “Twenty Flight Rock” en een lekker gemeen om zich heen stampende rockabillyversie van het van The Ramones bekende “Havana Affair” tref je hier uitsluitend liedjes van zijn hand aan. De nadruk ligt daarbij zwaar op aan Johnny Dilks, de hier eerder al vermelde Hancock en de Hanks herinnerende retro country stuff als “Calloused Heart”, “Golden Fool”, “Studebaker Boogie”, “Speed Demon” en “Goodnight No One”, waarbij de grens tussen hillbilly en rockabilly lang niet altijd even duidelijk te onderscheiden valt. Maar dat doet natuurlijk niks af aan de pret. De Wailin’ Elroys staan immers voor een superaanstekelijke verrassing van formaat. En “Cheap Motel”? Dat is een ronduit uitstekende plaat! Live moet dit als je ’t ons vraagt gewoonweg onweerstaanbaar zijn.

www.wailinelroys.com

www.rhythmbomb.com

 

 

BURRITO DELUXE

“The Whole Enchilada”

(Luna Chica Records /CoraZong)

(3) J J J

 

Burrito Deluxe is het supergroepje bestaande uit Garth Hudson (The Band), Sneaky Pete Kleinow (Flying Burrito Brothers, Eagles, Jackson Browne, Linda Ronstadt), Jeff ‘Stick’ Davis (The Amazing Rhythm Aces), Rick Lonow (Johnny Cash, Tommy Tutone) en Carlton Moody (de zoon van de fiddler van Bill Monroe’s Bluegrass Boys). En met “The Whole Enchilada” is dat vijftal inmiddels ook alweer aan zijn tweede CD toe. De opvolger van het vorig jaar verschenen “Georgia Peach” is een echte feel-good-countryplaat. En dat is vooral te danken aan de honingzoete warme baritonstem van Moody, een orgaan dat liefhebbers van het genre wellicht bij bosjes zal doen vallen voor dit album. Geopend wordt er met het opgewekte“You Got Gold” van John Prine. Vervolgens krijgen in “The Letter” ook The Box Tops een countrybehandeling. “Woman Like You” is country met een zachte reggae-ondertoon en “Sister” een sfeervolle instrumentale bijdrage. Via het wat meer bluesy rockende “Ezekial’s Wheel” van Matt King belanden we vervolgens bij “Zydeco Ball”, een “Laissez les bon temps roulez!”-samenwerkingsverband tussen Moody en Ramblin’ Jack Elliott en wat ons betreft één van de hoogtepunten van het album. Andere erg mooie nummers zijn het ook al met een subtiele zydeco touch gezegende “Baton Rouge”, “Last Letter Home”, een fraaie country story song, en “Rex Bob Lowenstein”, het verhaal van een lokale DJ met zin voor traditie die uiteindelijk ook moet zwichten voor een verplicht format, doch niet alvorens nog één keer duidelijk zijn mening te hebben laten blijken.

Als je kiest voor de binnenkort bij CoraZong te verschijnen Europese versie van het album krijg je met het licht gospeleske “Good Night” aan het einde nog een extra track voorgeschoteld. Ga je daarentegen voor de Amerikaanse uitvoering, dan stoot je op een enhanced CD met exclusief filmmateriaal over de groep.

www.burritodeluxe.com

www.lunachicarecords.com

www.corazong.nl

 

 

JASON ALLEN

“Wouldn’t It Be Nice”

(D Records)

(3.5) J J J J

 

Jason Allens debuut-CD “Something I Dreamed” uit 2002 was een dot van een moderne Texaanse honky-tonkplaat. En op zijn nieuwste worp haalt de jongeman dat hoge niveau spelenderwijs opnieuw. Meer nog, “Wouldn’t It Be Nice” is een stuk gevarieerder en op de keper beschouwd zelfs nog beter dan die eersteling. Levenslustige honky-tonk met een subtiele Tex-Mex-ondertoon (het met Clay Blaker gepende “Make Up Your Mind”) wordt erop afgewisseld met een swampy bluesje (“John Boat Blues”), een occasionele ballad (“Must Have Been Meant To Be” en de Jim Lauderdale en Leslie Satcher-compositie “Everything But The Words”), een obligate drinking song (“Hold ‘Em Up”), tussen croonen en swingen twijfelende stuff (“Your Love”) en rootsy meezingcountry (“Wouldn’t It Be Nice”). Maar vooral veel honky-tonk natuurlijk. En daarin is de man op zijn best. Luister bijvoorbeeld maar eens naar zijn versie van de Harlan Howard classic “Your Heart Turned Left (And I Was On The Right)” of naar het op virtuoos snel snarenplukwerk geënte “Chicken Pluckin’”. Dé stand-out is wat ons betreft echter “Devil’s Destiny”. Daarin roept de youngster op grootse wijze de hoogdagen van all-time favorite Marty Robbins in herinnering. Verrukkelijk gewoon!

Een leuke bonus zijn tenslotte de twee aan het eind verstopt zittende medleys (“This Train / When The Saints Go Marching In” en “I Saw The Light / Heaven In My Heart And Jesus In My Soul”) en de harmonica instrumental “Sligar Schottische” van Wesley Sligar. Zij bevestigen eigenlijk alleen maar de conclusie die we voor onszelf na het voorgaande al hadden getrokken. En die is, dat Jason Allen samen met de hier nog niet zo heel lang geleden besproken Ed Burleson en Jackson Taylor het Texaanse honky-tonkgebeuren weer een flinke injectie levensvatbaarheid heeft toegediend.

www.jasonallenband.com

www.drecords.net

 

 

JOE ELY

“Settle For Love”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

 “Settle For Love” is geen compleet nieuwe CD van de Texaanse rootsrocker Joe Ely. De ondertitel “Classic Joe Ely” laat daar trouwens ook niet de minste twijfel over ontstaan. Wél gaat het om een compilatie met daarop het beste van zijn Hightone-jaren. Dat betekent in concreto flink wat aandacht voor de albums “Lord Of The Highway” (met het titelnummer, “Row Of Dominoes”, “Are You Listenin’, Lucky”, het klassieke “Me & Billy The Kid”, “Letter To L.A.” en “Silver City”) en “Dig All Night” (met ook hier het titelnummer en voorts het liedje waaraan deze compilatie haar titel ontleende, “Rich Man, Poor Boy” en “Maybe She’ll Find Me”), bepaald niet van Ely’s minste platen. Daarnaast vind je hier ook ’s mans bijdrage aan de Merle Haggard tribute CD “Tulare Dust” (“White Line Fever”), een samenwerking met zijn – toen nog - labelgenote Rosie Flores (voor “Love And Danger”) en als bonus een videoclipje van het nummer “My Baby Thinks She’s French”. In afwachting van écht nieuw werk van de Texaan een leuk zoethoudertje dus.

www.joeely.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

JOSH ROUSE

“The Smooth Sounds Of Josh Rouse”

(DVD / CD)

(Rykodisc / Zomba)

(3.5) J J J J

 

 “The Smooth Sounds Of Josh Rouse” is de behoorlijk toepasselijke titel van het uit een DVD en een CD bestaande totaalpakket waarmee deze laatste zijn onder bergen lof bedolven album “1972” van vorig jaar aan een waardige opvolger helpt. De DVD bevat enerzijds een dertien tracks tellende concertregistratie van een optreden dat Rouse op oudejaarsavond van vorig jaar in zijn thuisstad Nashville, TN, gaf, anderzijds de film “The Many Moods Of Josh Rouse” van Matt Boyd. Het concertgedeelte toont Rouse in het midden van zijn tournee ter ondersteuning van “1972”. Begrijpelijkerwijze ligt de nadruk met liedjes als “Come Back (Light Therapy)”, “Love Vibration”, “Sunshine”, “Under Your Charms”, “Slaveship”, “1972”, “Rise” en “Flight attendant” dan ook vooral op het soulvolle, retrogetinte materiaal van dat album. Opvallend gegeven is wel het feit dat het over het algemeen eerder mak reagerende publiek meer respons over heeft voor het materiaal van ’s mans eerdere platen, zoals “Feeling No Pain”, “Miracle”, “Under Cold Blue Stars”, “Late Night Conversation” en “Directions”, vooral dan als de gitaren even wat prominenter op de voorgrond mogen. Een Rouse-performance is dan ook niet meteen een spectaculaire gebeurtenis. De man staat gewoon voor perfectie. Muzikaal gezien is alles af, maar het doet allemaal nogal clean aan. Weinig contact met het publiek, weinig originaliteit in de schaarse bindteksten. Je zou er zelfs de indruk door kunnen krijgen dat Rouse een eerder timide jongen is. Maar dat vermoeden wordt een weinig later door Boyd in zijn documentaire over de man op knappe wijze ontkracht. Aan de hand van interviews met Josh zelf, zijn bandleden en bekende compadres als Kurt Wagner van Lambchop komen we heel wat te weten over Rouse, zijn gedachtengoed, zijn muziek en zijn carrière. Vooral de manier waarop Boyd met fragmenten uit tal van interviews en radio- en TV-sessies – met even zelfs een glimp van Studio Brussel - een goed beeld van Rouse op zijn voedingsbodem weet te schetsen dwingt het nodige respect af.

En dan is er natuurlijk ook nog de CD “Rarities”. Daarop tal van B-kantjes en rariteiten die Rouse eigenhandig aandroeg en die over het algemeen een beetje meer aansluiten bij zijn vroegere werk. We onthielden daarvan vooral een eigenzinnige cover van Ray Davies’ “A Well Respected Man”, het gitaargeoriënteerde “Me Gusta Dormir” en sfeervolle lappen ingetogen Americanapop als “Michigan”, “Princess On The Porch” en “Knights Of Loneliness”.

www.joshrouse.com

www.rykodisc.com

 

 

TODD SNIDER

East Nashville Skyline”

(Oh Boy Records)

(3.5) J J J J

 

Op “East Nashville Skyline”, zijn ondertussen ook alweer zevende CD – als we tenminste het vorig jaar verschenen live-album “Near Truths And Hotel Rooms” even meerekenen -, toont Todd Snider zich een goed gastheer. De wat slungelachtig ogende singer-songwriter gidst ons immers op de van hem bekende droogkomische manier aan de hand van wat zelf bij elkaar gekrabbelde bedenkingen bij elk van de liedjes doorheen het album. Zo vernemen we bijvoorbeeld dat het korte ingetogen akoestische stukje “Age Like Wine” helemaal aan het begin van het album over zijn eigen leven so far handelt. “Tillamook County Jail” is dan weer een (uit-de-)bajesverhaal met een opvallend prominente rol op de gitaar voor co-producer Will Kimbrough. En het rustig rockende “Play A Train Song” blijkt een eerbetoon voor zijn overleden maatje Skip, de altijd weer levensgenietende“unofficial mayor of East Nashville”. Eveneens lekker rockend, “Alcohol And Pills”, het al van Fred Eaglesmith bekende door booze en/of pillen tragisch gekleurde relaas van idolen als Hank, Elvis, Janis, Gram en Jimi. En da’s niet de enige cover hier. “Good News Blues” is een zijn titel alle eer aandoende opbeurende bluesdeun gesigneerd Billy Joe Shaver. En ook het tot wat meer optimisme oproepende slotakkoord “Enjoy Yourself” schreef Snider niet zelf. Hij leerde het aan tafel kennen via executive producer Al Bunetta en viel meteen voor de positieve boodschap (Amuseer jezelf, het leven vliegt ook zo al snel genoeg voorbij!) ervan. Wél van Snider zijn het meer gesproken dan gezongen “The Ballad Of The Kingsmen” (waarin de hitmakers van ondermeer “Louie, Louie” worden gebruikt om aan te tonen dat volwassenen het “morele verval” van de jeugd wellicht altijd wel zullen blijven afschuiven op fenomenen als rock & roll of de muziek in haar totaliteit), “Iron Mike’s Main Man’s Last Request” (een story song verteld vanuit het standpunt van iemand uit de entourage van de bekende bokser), “Conservative, Christian, Right-Wing Republican, Straight, White, American Males” (een relaxte, rootsy Dylan-eske uiteenzetting over zijn eigen liberale ideeën), “Incarcerated” (lekker vinnig rockend inpikkend op een uitzending van Judge Judy), “Sunshine” (een introvert liedje inclusief bedrieglijk opgewekt gefluit over een knaap wiens zelfmoordpoging mislukt) en “Nashville” (een door John Deadricks flamboyant pianospel aangezwengelde rock & roll-liefdesbekentenis aan het adres van zijn huidige thuishaven East Nashville). “There ain’t nothing wrong with Nashville,” zingt de man in dat laatste liedje en zo lang hij platen als deze blijft afleveren geloven we hem daarin graag op zijn woord…

www.toddsnider.com

www.ohboy.com

 

 

REVEREND HORTON HEAT

“Revival”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Het dynamische, in Chapel Hill, NC gehuisveste Yep Roc Records moet voor het ogenblik zowat het snelst groeiende platenlabel in Rootsland zijn. Als je ziet wat ons van daaruit de jongste maanden aan moois al allemaal bereikte… Dave Alvin, Tres Chicas, Two Dollar Pistols, Amy Farris, Dexter Romweber, Southern Culture On The Skids, enzovoort, enzovoort, enzovoort. Het lijkt wel alsof iedereen er naar toe wil. Zo tekende het label onlangs ook The Reverend Horton Heat. En dat weet je wel hoe laat het is. De vetkuif mag inderdaad weer omhoog. De flashy pakjes uit de kast. Het bier koud. En in grote hoeveelheden graag…

James Heath blijkt immers in grote doen. Van bij de trashy rockabilly instrumental helemaal bij het begin van het album, “The Happy Camper”, is het weer meteen goed raak. “Revival” lijkt wel Stray Cats na een flinke dosis Epo. Lekker vette ‘billy all the way. Retestrak zoals in “Callin’ It Twisted” of “Rumble Strip”, aangelengd met een kloeke shot honky-tonk zoals in “Honky Tonk Girl”, tegen TGV-snelheid voortdenderend zoals in “Goin’ Back Home”, messcherp met een psycho-kantje zoals in “I’m You Pet Rock”, door een losgeslagen piano richting r&b gestampt zoals in het lekkere “Party Mad” of uit gelijke delen Cramps, Dale en Perkins opgetrokken zoals in “Octopus Mode”. Onweerstaanbare stuff gewoon. Enkel als het tempo met een ruk naar omlaag gaat in ballads als “Someone In Heaven”, “Lonesome Man” en “We Belong Forever” haken wij liever even af. (Om de biervoorraad weer op peil te brengen…)

Vroege kopers van het album worden beloond met een bonus-DVD. Daarop live-uitvoeringen van “Galaxy 500”, “Like A Rocket” en “Party In Your Head” en het filmpje “Roots Of The Rev”.

www.reverendhortonheat.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

BODEANS

“Resolution”

(Zoë / Rounder / CRS)

(3.5) J J J J

 

The BoDeans waren één van de handvol bandjes die in de tweede helft van de jaren tachtig en begin jaren negentig samen met acts als The Blasters en Los Lobos het mooie weer maakten op het kleine, maar bijzonder gerenommeerde Slash-label. Waar bij die groepen de nadruk eerder op het roots-aspect van rootsrock lag, zochten de BoDeans hun heil eerder aan de rockkant. En dat niet zonder het nodige succes. Het leverde hen immers ondermeer een benoeming tot “Best New Band” op in het toonaangevende Rolling Stone en zorgde er ook voor dat ze samen met de giganten van U2 de hort op konden. En met “Closer To Free”, gebombardeerd tot tune van het TV-programma “Party Of Five”, scoorden ze zelfs een heuse hit. Het in 2002 verschenen carrièreoverzicht “Slash And Burn – The Best Of BoDeans” vormt een mooie illustratie bij die periode in het bestaan van de groep.

Maar nu is er dus “Resolution”, een eerste nieuw teken van leven van Kurt Neumann, Sam Llanas en Bob Griffin in goed acht jaar tijd. En daarop blijkt al meteen van bij de melodieuze rootsrock van opener “If It Makes You” dat de heren nog niets van hun kunstjes verleerd zijn. Wel integendeel! De zonnige melodieën, de vlijmscherpe hooks, het sprankelende gitaarwerk, de mooie samenzang, ze zijn er echt nog allemaal! En liedjes als het bijzonder catchy “Marianne”, het lekker funky rockende “(We Can) Live”, het – net als enkele andere nummers hier – met een subtiele accordeontoets afgewerkte “Wild World” en het vinnige “Said Hello” zouden wat ons betreft radiogewijs de kwakkelende zomer best wel wat meer kleur mogen geven. Iets wat gezien de commerciële potentie ervan niets eens zoveel gevraagd lijkt… Al bij al een erg aangenaam weerzien met een tot voor kort definitief zo goed als verloren verloren gewaande act.

www.bodeans.com

www.continental.nl

 

 

DEKE DICKERSON

“My Name Is Deke”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Weinig nieuw materiaal vanwege Hightone dezer dagen, maar geen nood, met hun knappe compilaties weten ze je ook wel even zoet te houden daar. Eerder dit jaar vielen zo al stuk voor stuk erg geslaagde verzamelaars van Rosie Flores, Big Sandy, Jimmie Dale Gilmore en Buddy & Julie Miller te noteren, nu is het de beurt aan Deke Dickerson. Op “My Name Is Deke” krijgen we liefst 21 liedjes voorgeschoteld van de man die samen met Dave Stuckey ooit nog de creatieve nucleus uitmaakte van het fameuze Dave And Deke Combo. De aandacht wordt daarbij keurig verdeeld over zijn drie albums voor Hightone, te weten “Number One Hit Record”, “More Million $eller$” en “Rhythm Rhyme And Truth”. En aanvullend krijgen we ook nog het niet eerder op één van zijn eigen releases aan te treffen van een Finse radiosessie geplukte, doldwaze “Muleskinner Blues”. Het geheel illustreert op passende wijze de muzikale veelzijdigheid van Dickerson die zich als een vis in het water voelt in zowel country (het Cash-eske “Feelin’ Low”), rockabilly (“Can’t See The Forest For The Trees”, “Sparkin’”, “Snatch It & Grab It”, “Will You Be Mine”), blanke r&b (“Beat Out My Love”, “Poon-Tang”, “Mexicali Rose”) als rock & roll (“Nightmare Of A Woman”). Als een volbloed-kameleon haalt hij telkens weer het beste uit om het even welk zich toevallig aandienend materiaal en precies dat is het, wat van deze “My Name Is Deke” een echte knaller van een partyplaat maakt.

www.dekedickerson.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

THE FLATLANDERS

“Live At The One Knite, Austin, TX 1972”

(New West / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Dat tegenwoordig heel wat gigs via de mixtafel worden opgenomen en later – vaak jammer genoeg enkel via het bootlegcircuit – een eigen leven gaan leiden is een publiek geheim. Maar dat is ooit wel eens anders geweest! De techniek was immers niet altijd wat hij vandaag de dag is. Het was dan ook tot hun eigen stomme verbazing dat Jimmie Dale Gilmore, Joe Ely en Butch Hancock onlangs vernamen dat Gary Oliver, de eigenaar van de One Knite, een bar in Austin, Texas, beschikte over opnames van behoorlijke kwaliteit van een optreden dat ze in ’72 in zijn zaak hadden afgewerkt. Meteen werd besloten om ze ook commercieel beschikbaar te maken.

Voor een handvol toeschouwers – zo’n 15 à 20, onvoorstelbaar toch, he… - werkten de drie zich die avond aangevuld met Steve Wesson (zang, zingende zaag, autoharp), Tony Pearson (zang, bas) en John Reed (gitaar) doorheen een set bestaande uit wat Hank Williams-liedjes (“Honky Tonk Blues” en “Settin’ The Woods On Fire”), wat Townes (“Waitin’ Around To Die” en “Tecumseh Valley”), enkele Butch Hancock-songs (“The Stars In My Life” en “You’ve Never Seen Me Cry”) en flink wat covers (“Bring It On Home To Me”, “Jole Blon”, Dylans “Walkin’ Down The Line”, etcetera). Jimmie Dale Gilmore nam het merendeel van de vocalen voor zijn rekening, Joe Ely de rest. Butch Hancock trad toendertijd om redenen die niemand zich nog precies wist te herinneren niet op de voorgrond.

Qua sfeer is dit schijfje enigszins verwant te noemen aan Townes Van Zandts legendarische “Live At The Old Quarter”. Schijnbaar losjes uit de pols musicerend, maar tegelijk ook heel bezield hoor je The Flatlanders hier de kiem leggen voor hun latere indrukwekkende reputatie. En dat alles tegen een achtergrond van pratende en drinkende Texanen die toen duidelijk nog niet in de smiezen hadden welk vlees ze met deze drie wel in de kuip hadden. Very charming indeed!

www.theflatlanders.com

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

BILL MORRISSEY

“The Essential Collection”

(Rounder / CRS)

(4) J J J J

 

 “The Essential Collection” van Bill Morrissey is de zoveelste verbluffend mooie verzamelaar in de onvolprezen “Rounder Heritage”-reeks, waarmee dat label zijn eigen dertigste verjaardag wat luister bijzet. De collectie bevestigt op doortastende wijze het gegeven dat de singer-songwriter met de wat omfloerste stem zondermeer tot de allergrootste momenteel actieve folkartiesten dient te worden gerekend. Hoewel die omschrijving ons inziens eigenlijk een weinig te beperkend werkt. Morrissey wil zich immers best ook wel eens aan een pop-, roots- of bluesuitstapje wagen. Centraal staan daarbij steeds weer zijn delicaat geschilderde verhaaltjes, die hem bij monde van zijn collega-bewonderaar Ellis Paul zelfs een vergelijking met de grote Van Gogh opleverden. En ook Suzanne Vega behoort tot het selecte kransje bewonderaars van de man. Haar horen we hier zelfs een aantal keren terug naast Morrissey – meer bepaald op “Inside” en “Handsome Molly”, twee liedjes die volop profiteren van het samenspel tussen de elkaar zeer mooi aanvullende stemmen van de twee.

“The Essential Collection” bestrijkt met twintig nummers en een speelduur van net geen zeventig minuten de periode tussen het al uit ’89 stammende “Standing Eight” en Morrissey’s in 2001 verschenen meesterwerkje “Something I Saw Or Thought I Saw”, waarvan we hier ondermeer het wonderschone muzikale testament van een liefde “Just Before We Lost The War” aantreffen. En uiteraard wordt ook de nodige aandacht besteed aan het grootse “Songs Of Mississippi John Hurt” uit ’99. Hurts “Avalon Blues” en “Joe Turner’s Blues” zijn de enige niet-Morrissey-songs hier.

Als kers op de taart worden met het rootsy tweetal “Fifty” – een bijzonder zelfverzekerde kijk op het leven na die door velen met afschuw afgewachte “magische drempel” in hun bestaan – en “Just Today” én de met Amelia K. Spicer gebrachte liefdesbekentenis “Boston Eyes” ook drie nieuwe nummers aan het geheel toegevoegd. En die beloven alleen maar het allerbeste voor de toekomst.

www.billmorrissey.com

www.rounder.com

www.continental.nl

 

 

STEVE FORBERT

“Just Like There’s Nothin’ To It”

(Koch)

(3.5) J J J J

 

De dagen dat Steve Forbert nog lovend werd binnengehaald als de nieuwe Dylan en met radiogenieke deuntjes als “Schoolgirl” zelfs heuse hits wist te scoren liggen alweer een paar decennia achter ons. Weliswaar met de nodige ups en downs wist de schorre Amerikaan zich door de jaren heen echter wel een meer dan behoorlijke carrière uit te diepen. En als hij in goeden doen is, dan haalt hij nog altijd een uitzonderlijk hoog niveau. Zo ook op zijn nieuwste “Just Like There’s Nothin’ To It”. Best wel een toepasselijke titel eigenlijk. Het schijnbaar achteloze gemak waarmee Forbert weer een aantal klasse liedjes aan zijn repertoire toevoegt dwingt immers het nodige respect af. In het gezelschap van schoon volk als ondermeer Viktor Krauss (bas), Dan Dugmore (pedal steel), Bryan Sutton (akoestische gitaar, bouzouki, banjo), Edie Brickell (zang), Garry Tallent (bas) en Ethan Eubanks (drums) en in een productie van Jason Lehning levert hij twaalf nummers lang van het mooiste wat er dezer dagen op het gebied van rootsy singer-songwriters te rapen valt. Zeker als we het hebben over het segment dat ook voor een zekere commerciële waardering in aanmerking komt. Vooral het dromerig voortdobberende openingsnummer “What It Is Is A Dream” en zijn van diep respect getuigende eerbetoon aan het adres van Rick Danko “Wild As The Wind” zijn weer grote klasse. Maar ook het behoorlijk lichtvoetige “The Change Song”, het licht bluesy en door Bryan Sutton van erg knap gitaarwerk voorziene “Oh, Yesterday”, het verstilde “I Married A Girl” en de gedroomde single “The Pretend Song” droegen vrijwel meteen onvoorwaardelijk onze goedkeuring weg.

www.steveforbert.com

 

 

HAYSEED DIXIE

“Let There Be Rockgrass”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Voor het begin van het verhaal van Hayseed Dixie moeten we terug naar 2001. Bij wijze van grap vergrepen drie niet echt goed aan de bak komende Amerikaanse muzikanten zich toen opererend onder de schuilnamen Barley Scotch (zang, fiddle, gitaar), Dale Reno (mandoline) en Don Wayne Reno (banjo) aan een aantal nummers van de Australische hardrocklegende AC/DC. In de bij die plaat horende bio verklaarden de heren met de tong diep in de wang geplant uit het plaatsje Deer Lick Holler - gelegen in het hartje der Appalachen - te stammen en er het grootste gedeelte van hun dagen te hebben gesleten met het beluisteren van de traditionele hillbilly-muziek van hun voorvaderen. Tot op een dag een onder invloed rijdende vreemdeling met zijn wagen tegen een boom crashte in hun buurt en ze op zoek naar zijn identiteit op een stapeltje platen van AC/DC stootten. “Mighty fine country music,” vonden ze, al was het allemaal wel een beetje apart... Als laatste eerbetoon aan die vreemdeling leerden ze de liedjes ook zelf spelen, maar dan wel in traditionele mountain style. Meteen was een nieuw genre geboren: rockgrass! En vanaf dan ging het allemaal heel snel. Door de controverse, die rond de plaat ontstond, kreeg die zoveel aandacht, dat ze binnen de kortste keren de hitlijsten haalde. En dus kreeg het verhaal al snel een vervolg. Na “Hayseed Dixie – A Hillbilly Tribute To AC/DC” volgden nog “A Hillbilly Tribute To Mountain Love”, een collectie waarop diverse rock acts dezelfde behandeling als eerder AC/DC meekregen, en “Kiss My Grass – A Hillbilly Tribute To Kiss”.

En nu is er dus “Let There Be Rockgrass”. Een soort compilatie van eerder al verschenen liedjes als “Fat Bottom Girls” (Queen), “Centerfold” (J. Geils Band), “Walk This Way” (Aerosmith), “Feel Like Making Love” (Bad Company) en “Detroit Rock City” (Kiss), enkele live-uitvoeringen (zoals bijvoorbeeld van “Highway To Hell” van AC/DC), een stel nieuwe covers en zelfs twee originele Hayseed Dixie-composities. “Whole Lotta Rosie” (AC/DC), “I Believe In A Thing Called Love” (The Darkness), “Ace Of Spades” (Motorhead), “Corn Liquor”, “Touch Too Much” (AC/DC) en de traditional “Will The Circle Be Unbroken” zijn de nieuwe liedjes op het repertoire van het trio. En het blijkt ook ditmaal allemaal weer behoorlijk onweerstaanbaar. De drie zijn immers gedreven muzikanten en ze weten de door hen gekozen liedjes op zo’n aanstekelijke manier te brengen dat het moeilijk wordt om er bij stil te blijven zitten. De botsing tussen banjo, mandoline en fiddle enerzijds en hardrock anderzijds werkt dus duidelijk. En je kan er donder op zeggen, dat in de eerstkomende jaren nog heel wat rockklassiekers een hillbilly-jasje aangemeten zullen krijgen. En dat betekent dat we wat betreft pretentieloos vermaak nog wel even goed zitten.

www.hayseed-dixie.com

www.cookingvinyl.com

www.bertus.nl

 

 

LONESOME BROTHERS

“Fences”

(SpiritHouse Records)

(3.5) J J J J

 

Bezig baasje toch, die Ray Mason. Amper een paar maanden na zijn voortreffelijke laatste CD met de naar hem vernoemde band (“Idiot Wisdom”) duikt hij nu alweer op aan de zijde van zijn spitsbroeders Jim Armenti en Tom Shea (Ex-Scud Mountain Boys) om als The Lonesome Brothers “Fences” op ons los te laten. Het vijfde album is dat ondertussen ook alweer van de Brothers, die al lang voor die termen effectief in gebruik werden genomen in de weer waren met het soort muziek dat we nu alt. country en Americana plegen te noemen. Vandaar allicht ook het sprekende gemak waarmee hier hoogtepunt na hoogtepunt tevoorschijn wordt getoverd. Vooral veeleer relaxte rootsliedjes als het melancholische – praktisch als een border song opgevatte – “Come To The Window”, het bijzonder fraaie openingsnummer “Move Along”, de ei-zo-na-country van “If I Had No Shoes” en het weemoedige “Church Of Nicotine” zijn werkelijk onweerstaanbaar. Maar ook meer country- en rockgetinte dingen als “Reconstruct The Boat”, “Frozen George” en “Little City” mogen er best wezen. Lekker lijzige stemmen, perfecte instrumentbeheersing, een tastbare dosis liefde voor het vak, veel meer blijkt er niet nodig voor een echte winner. Muzikale referentiepunten zijn vooral acts als The Band en Gram Parsons.

www.lonesomebrothers.com

www.spirithouserecords.com

Miles Of Music

 

 

AMBERJACK RICE

“Get So Little”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Rice Moorehead is naar onze mening wat al te bescheiden geweest bij het verzinnen van een gepaste titel voor zijn zesde worp onder het pseudoniem Amberjack Rice. “Get So Little” doopte de man die plaat, maar wat je hier voorgeschoteld krijgt is eigenlijk net het tegenovergestelde. Als Amberjack Rice serveert hij immers opnieuw een king size portie moderne rootsmuziek op haar best. Een lekker rammelende clash van stijlen als blues, roots en country. In een gedeelde productie met zijn vaste rechterhand Thomas van der Brook neemt hij zelf naast de zang ook de gitaar- en de baspartijen voor zijn rekening en mogen Sweet Rae Craig en Mike Fonseca hun duit in het zakje doen met respectievelijk gezongen en geklapte bijdragen en drum- en percussiewerk.

Opvallendste nummers zijn de gezien het actuele politieke klimaat in de States geknipte eerste single “Presidential Blues” (“It takes three things - if you wanna be the president – I don’t have number three – You got to be a white man  - With lots of money… ;-), het retestrakke “Memphis” – dat klinkt als Creedence Clearwater Revival na een meer dan gezonde dosis spierversterkende middelen, het gemeen op een authentieke Bo Diddley-beat voortjakkerende en hoogst verslavende “Filled Up”, de Cash-eske country van “Paula And Fred”, de Canned Heat meets Billy Joe Shaver-opstoot “What Will It Be” en het melodieus rockende en rollende “It’s All Because Of You”.

Net als de hier eveneens zeer gewaardeerde Canadees Joe Fournier verstaat ook Moorehead met andere woorden als geen ander de kunst om uit een karrenvracht aan invloeden toch steeds weer een hoogst oorspronkelijk en nagenoeg onweerstaanbaar muzikaal brouwsel te distilleren. En dat verdient ons respect. Verplicht luistervoer dan ook dit!

www.amberjackrice.com

CD Baby

 

 

MICHAEL CARPENTER

“Rolling Ball”

(Laughing Outlaw Records / Bertus)

(4) J J J J

 

Er zijn zo van die artiesten die zelden of nooit ontgoochelen. Het gaat om een select clubje waartoe je wat ons betreft zo stilaan zeker ook de vanuit Sydney werkende Michael Carpenter mag rekenen. Zijn vorige zomer verschenen CD “Kingsrdworks” groeide hier in no time uit tot een huisfavorietje. En de opvolger daarvan, “Rolling Ball”, is zo mogelijk nog beter. Na de ontmanteling van zijn vaste begeleidingsgroep King’s Rd nam de in zijn eigen land ondertussen een stevige reputatie als producer genietende Carpenter naar zijn normen voor één keer ruimschoots de tijd voor het schrijven en inblikken van een nieuwe vracht perfecte (power)popliedjes.

Rinkelende gitaren en op een zacht zomerbriesje voorbij waaiende harmonieën betoveren in het kamerbrede geluid van hemels rockende powerpop tracks als opener “Rolling Ball” en “Emily Says”. En wat ingetogener bijdragen als “Let Down”, “Everyday” en “Good Enough” zullen het meer dan waarschijnlijk goed doen bij de liefhebbers van collectieven als World Party en Crowded House. En dan hadden we het nog niet over “Nothing At All”. Da’s het soort van popliedje dat je uur na uur op de radio zou willen horen, het soort van volmaakt deuntje zoals een Tom Petty die bijvoorbeeld ooit ook en masse pleegde voort te brengen.

Dat wagenraampje gaat dus straks weer vol naar beneden en het volume van de autostereo omgekeerd evenredig naar omhoog. Laat die zomer nu maar vlug een aanvang nemen! De ideale metgezel voor onder de blakende zon af te malen kilometers houden we met “Rolling Ball” immers al in handen. (Al dient daar wel onmiddellijk te worden aan toegevoegd, dat het voor jullie uitkijken wordt naar een vergelijkbare Indian summer, aangezien de plaat hier officieel pas op 6 september verschijnt.)

www.mcarp.com

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Parkinsong Volume One

(38 Songs Of Hope)”

(Ryko Distribution)

(4) J J J J

 

Dit is nu nog eens wat wij een goede investering plegen te noemen, zie. Enerzijds zal de opbrengst van dit project immers integraal gebruikt worden om verder onderzoek in verband met de ziekte van Parkinson te financieren, anderzijds word je hier echt bedolven onder de fantastische muziekjes. En zelfs al betreft het dan in de meerderheid der gevallen ook liedjes die ooit al elders verschenen, toch is “Parkinsong Volume One” een voorbeeldige verzamelaar, waarop voornamelijk artiesten uit de alt.country-folk-rootsrock-singer-songwriter-hoek de dienst uitmaken. Elk stonden ze één liedje af voor deze door Lloyd Maines geproduceerde collectie. De meest in het oog springende zijn uiteraard de speciaal voor deze gelegenheid opgenomen spulletjes. Dave Alvins aan zijn vader opgedragen ”The Man In The Bed” bijvoorbeeld – al verscheen dat ondertussen ook al wel op zijn eigen nieuwe CD “Ashgrove” – en de door Chuck Prophet aangedragen nieuwe versie van zijn eigen “Old Friends”. En ook Steve Forbert doet met het doorleefde “It’s A Shame, You Know” een zeer gewaardeerde originele duit in het zakje. Evenals Little Pink (“Miles From Nowhere”), Utah Carol (“Like You Used To”), Catie Curtis (“Don’t Lay Down”) en Last Train Home (“Flood”). Daarnaast is het genieten geblazen van ondermeer Terri Hendrix (“Goodbye Charlie Brown”), Greg Brown, Caitlin Cary (“Cello Girl”), The Hot Club Of Cowtown, Neko Case (“I Wish I Was The Moon”), Lucy Kaplansky (“Song For Molly”), Alejandro Escovedo (“Castanets”), Eastmountainsouth (“Mark’s Song”), Tom Freund, Bonnie Raitt, Eliza Gilkyson, Alice Peacock, Kim Richey Amy Rigby, Tom Russell (“Muhammad Ali”), Jonatha Brooke, Dar Williams, Kelly Willis en een stel andere (voorlopig nog) mindere goden. Kortom in heel wat gevallen een aangenaam wederhoren, in andere dan weer net een dito kennismaking. Wat ons betreft mogen de initiatiefnemers van dit project, de kinderen van de aan ziekte lijdende lerares Selma Litowitz, dan ook snel aan een volume twee beginnen te denken… Van ganser harte aanbevolen!

www.parkinsong.com

 

 

JT & THE CLOUDS

“Delilah”

(Dishrag Records)

(3) J J J

 

JT & The Clouds is de naam van een bont muzikaal allegaartje bestaande uit artiesten die stuk voor stuk de San Francisco Bay Area en Chicago als thuishaven hebben. Spilfiguur van het gezelschap is zanger Jeremy Lindsay, de man die in zijn eentje ook verantwoordelijk blijkt voor alle tien de liedjes op het debuut van de groep. En daartussen treffen we al meteen een oude bekende aan. Openingsnummer “Scattered Leaves” kenden we immers ook al in een uitvoering van het Canadese rammelfolk-collectief The Be Good Tanyas. Maar muzikaal gezien kan je dat nu niet meteen een goed vergelijkingspunt noemen. In Lindsays eigen versie wordt hetzelfde liedje immers volgespoten met een shot onvervalste americana soul. En elders op dit album is er behalve voor een meer dan gemiddelde dosis soul dan weer eerder sprake van blues (“Dust To Dust Blues”), (rootsy) country (“Prairie Lullaby” – een fraai duet met Michelle McGrath – en “How You Left Me”), rock (“Hear No Drum”), pop (“Brag Papa Brag”) en folk (“’Til It’s Gone”).

Zelf spreken Lindsay en co in verband met deze eersteling liefdevol van country soul. En na het maken van een simpel optelsommetje en gezien het bijzonder soulvolle karakter van het gros van de hier aangeboden liedjes is dat misschien niet eens zo’n kwade omschrijving. Van “Delilah” straalt in elk geval hetzelfde soort warme gevoel af dat tal van soulplaten die in de late sixties en de vroege seventies het daglicht zagen kenmerkte. Besluit: een best wel sympathiek schijfje.

www.jtandtheclouds

CD Baby

Miles Of Music

 

 

JULIEANN BANKS

“Magazine And Race”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

Na de door ons ondertussen al zowat grijs gedraaide titelloze eersteling van Maggie Brown kwam hier zopas met “Magazine And Race” van Julieann Banks opnieuw een verrassing van formaat aanwaaien. Zo eentje van het kaliber waarvoor de vergelijkingen met groten als Lucinda Williams en Allison Moorer onverwijld uit de kast mogen. Banks beschikt namelijk over een ongemeen expressief stel pipes. En “Magazine And Race” – haar eerste full length studioplaat na twee eerdere live-CD’s en een EP’tje – is een werkelijk indrukwekkend staaltje van americana-vakmanschap. Het in de legendarische Fame Studio’s in Muscle Shoals, Alabama met het kruim van de plaatselijke muzikanten (Larry Byrom, Jeff King, David Hood, Reese Wynans, James LeBlanc, Gary Nichols, Jimmy Nutt,…) opgenomen album blies ons werkelijk al van bij de eerste beluistering compleet omver. Waarom Banks in dé muziekstad par excellence Austin – dat ze in 2000 na goed tien jaar weliswaar weer verliet voor haar eigenlijke thuishaven in Shreveport, Louisiana – een aanzienlijke, werkelijk hondstrouwe aanhang geniet, is voor ons na onze kennismaking met “Magazine And Race” niet langer een raadsel. Soulvolle lappen americana als het titelnummer, “The Danger Of Thinking” en het wonderschone “Arizona Lonely” mogen wat ons betreft zo langs het allerbeste van Allison Moorer. En wat ingetogener materiaal als “Solid Ground”, “No Such Thing As Love” en “Waltzing On Water” kan zich dan weer meten met een Lucinda Williams in topvorm. Intelligente liedjes als deze, waarin elementen uit gospel, folk, rock, country en de vermaarde Texaanse scene op wonderbaarlijke wijze tot iets unieks samenvallen, zullen Banks als er nog zoiets als gerechtigheid bestaat spoedig een haar talent waardige platendeal opleveren. Dit is immers veel té goed voor een bestaan in relatieve obscuriteit. Adembenemende plaat gewoon!

www.julieannbanks.com

 

 

THE CARBURETORS

“Y’All Don’t Tell My Mama I Was Here”

(Chicken Fried Music)

(3.5) J J J J

 

De uit North Carolina afkomstige Carburetors zijn op hun debuut “Y’All Don’t Tell My Mama I Was Here” niet voor één gat te vangen. De groep bestaande uit Jay Goree (zang, ritmegitaar), Mark Warwick (leadgitaar, zang), Duke Domingue (bas, zang) en Bill Munoz (drums, percussie) fietst elf nummers lang gezwind heen en weer tussen een veelheid aan stijlen. In een gedeelde productie met Phil Johnson en ook op de mandoline en de dobro bijgestaan door deze laatste (Phil And Gaye), op de banjo door Paul Eaton (Roger McGuinn), op de steelgitaar door Scott Sharp (The Blue Rags en The Hula Cats) en met Troy Campbell achter de drumkit laten de vier zich nauwelijks stilistische beperkingen opleggen. Het gaat van countryeske rockabilly (“Huntsville”) over klassieke honky-tonk (de leuke drinking song “Vodka says…”) en rootsy americana (“August 13, 1903 (Saluda Grade)”) tot meezingcountry (“Good-Sized Girl”), hillbilly pur (“That Dog Won’t Hunt”), country folk (de broeierige ballad “Cotton Dust”) en een weinig aan Southern Culture On The Skids verwante rock (“Quarter Machines” en vooral ook “Women Or Guns”). Zelfs een vleugje Tex-Mex kan in “Bad Time With My Good Time”. En een speciale vermelding is er tenslotte ook nog voor het titelnummer van de plaat. Dat begint als een rustige country-bluegrassdeun om vervolgens via een bruuske ritmeverandering te ontaarden in een behoorlijk snedig countryrockertje.

Kortom zowat voor elk wat wils op deze bijzonder gevarieerde plaat die door haar gediversifieerd karakter wegluistert als een goede americana-verzamelaar. En dat lijkt ons een mooi compliment om dit stukje mee te besluiten…

www.thecarburetors.net

 

 

THE CIRCUIT RIDERS

“Sun Moon Mule”

(Planetary Records)

(3) J J J

 

Het uit Richmond afkomstige kwartet The Circuit Riders ontleende zijn naam ooit aan die van een plaatselijke TV-held. En dat gebeurde dan vooral omwille van het feit dat die man op onnavolgbare wijze verhalen kon vertellen. En laat dat nu net – vinden de vier zelf althans – ook hun sterkste kant zijn. The Circuit Riders staan op hun tweede CD “Sun Moon Mule” dan ook garant voor een stel leuke storysongs gebed in lekker ouderwets aandoende countryrock. Minpuntjes zijn de wel bijzonder matige – veel en veel te vlakke – productie en de na verloop van tijd best wel een beetje storend werkende nasale stem van zanger Steve Fisher. Absolute pluspunten daarentegen zijn het sprankelende gitaarwerk van Ray Fralin en een aantal van voornoemde songs. Het noodlottig aflopende verhaal van Garcia, een illegaal de States opzoekende arme zuiderling, bijvoorbeeld, dat ook muzikaal heel goed het desolate van diens wanhopige situatie weet te vatten. En ook de mooie border song “Raphael”, waarin de protagonist, een seizoensarbeider mijlen ver verwijderd van zijn thuis, verteerd wordt door een knagend gevoel van heimwee. Of het ingetogen “Silence Of The Great Divide” ook. Mochten alle dertien de liedjes van dat kaliber zijn geweest, dan was hier sprake van een uitstekende CD. Nu houden we het gewoon op goed zondermeer.

www.circuitriders.tv

 

 

VARIOUS ARTISTS

“The Unbroken Circle

The Musical Heritage Of The Carter Family”

(Dualtone / Bertus)

(4.5) J J J J J

 

Wat betreft muzikale eerbetonen zijn we de jongste jaren bepaald verwend geworden. In die mate zelfs dat het saturatiepunt zo stilaan wel bereikt is. En als je ziet wie er tegenwoordig allemaal zo’n tribute waard wordt geacht hoeft dat eigenlijk nauwelijks te verwonderen. Het was hier dan ook opgelucht ademhalen toen we vernamen, dat onder de productionele leiding van John Carter Cash een keure aan artiesten zich over de muzikale nalatenschap van The Carter Family had gebogen. Want zeg nu zelf, wie verdient er nu meer zo’n getuigenis van respect dan Mother Maybelle Carter en de haren? Met hun muziek hebben ze hele generaties artiesten beïnvloed en lagen ze mee aan de basis van de huidige rootsbeweging. Respect due dus.

En bij platenmaatschappij Dualtone verstaan ze op dat vlak hun vak. Na eerdere, zeer verzorgde laatste groeten aan het adres van Waylon Jennings en Johnny Cash blijkt ook “The Unbroken Circle – The Musical Heritage Of The Carter Family” opnieuw een schoolvoorbeeld van hoe het kan en eigenlijk altijd zou moeten. George Jones mag aftrappen. Met zijn stilaan ernstige sporen van verwering vertonende stem zet hij “Worried Man Blues” volledig naar zijn hand. Dan is het de eer aan de schone die je dezer dagen meer in de buurt van bergen trotserende fietsende geweldenaars aantreft dan in platenstudio’s. En die Sheryl Crow – want over haar hebben we het uiteraard – doet hier een voortreffelijke job met het klassieke “No Depression In Heaven”. Na de knappe bijdrage die ze eerder met “Long Gone Lonesome Blues” ook al leverde aan “Hank Williams Timeless” kan je eigenlijk alleen maar concluderen, dat ze dit veel vaker zou moeten doen. En dan is het de beurt aan Emmylou Harris om te stralen. In het harmoniërende gezelschap van de Peasall Sisters, de drie vuistjes-hoog die je nog kent van “O Brother, Where Art Thou?”, zingt ze in bloedvorm “On The Sea Of Galilee”. Goed voor kippenvel! En dat kregen we toch ook wel even bij het beluisteren van “Engine One-Forty-Three”, één van de laatste liedjes die de betreurde Johnny Cash voor zijn dood inblikte. Wie gezien zijn familiebanden met de Cash-Carter-clan dan zeker ook niet mocht ontbreken was Marty Stuart. Met zijn Fabulous Superlatives bewijst hij in het op beklemmende wijze verhalende “Never Let The Devil Get The Upper Hand Of You” eens te meer waarom hij het verdient door zowel country- als rootsmuziekliefhebbers over de gehele wereld op handen te worden gedragen. Janette en Joe Carter tekenen vervolgens voor een doorleefde versie van “Little Moses”, Norman & Nancy Blake mogen voor de gelegenheid op de versterking van Tim O’Brien rekenen in “Black Jack David”, John Prine levert met het voor zijn doen vrij stevige “Bear Creek Blues” één van de buitenbeentjes van het album af en Willie Nelson, tja, die stem en die gitaar, he. Op bijzonder fraaie wijze laat hij “You Are My Flower” tot een soort van broeierige border song openbloeien. Shawn Colvin vormt op haar beurt een team met Earl en Randy Scruggs en fluistert zich als het ware een weg doorheen “Single Girl, Married Girl”, The Whites doen het met Ricky Skaggs in een sprankelende uitvoering “Will My Mother Know Me There?”, Rosanne Cash bevestigt in het bijna-walsje “The Winding Stream” haar recente grote vorm en de bluegrassboegbeelden van The Del McCoury Band doen op de van hen gekende wijze “Rambling Boy” alle eer aan. Wijlen June Carter Cash doet vervolgens ook haar duit in het zakje met “Hold Fast To The Right”, dat zo lijkt te zijn weggelopen van haar laatste album “Wildwood Flower”, en The Nitty Gritty Dirt Band tekenen samen met Kris Kristofferson voor het ongemeen mooie slotakkoord “Gold Watch And Chain”.

Vijftien tracks en wat ons betreft niet één enkele misser. Zo doe je dat dus! Dankzij dit album zullen ongetwijfeld weer flink wat (jonge) mensen zich geroepen gaan voelen om de muziek van The Carter Family wat beter te leren kennen. En dat lijkt ons met het oog op de toekomst alvast een verre van kwade zaak.

 

 

OAKHURST

“Greenhorn”

(Big Bender Records)

(3) J J J

 

 “Greenhorn” is het kort-maar-krachtige debuut-statement van het vijf man sterke Oakhurst voor Big Bender Records. Amper zeven tracks telt die zelf-geproduceerde tweede CD – eerder verscheen immers in eigen beheer ook al het ondertussen uitverkochte “Loose & Prosperous” - van het uit Colorado afkomstige kwintet rond zanger-gitarist Ap Hill. Liedjes die zich laten categoriseren als goede roots rock zondermeer. Er wordt bijzonder vinnig gestart met het nerveus stompende “Leslie’s”. Vervolgens gaat het aan ijltempo over de soulvolle americana van “Give” en de net als het openingsnummer ook al aan een rotvaart voortjakkerende roots rock van “Sweet Carolina”, “Linger”, “Change” en “Four-Twenty” tot aan de wat aparte instrumentale – en in onze ogen enigszins overbodige – afsluitende jam “Circles”. Afgeklokt wordt na exact 27 minuten en 19 seconden. Extreem kort plaatje dus. En bijgevolg ook een aan die standaard beantwoordende recensie.

www.porchmusic.com

www.hapiskratch.net

www.bigbender.net

 

 

NANCY K. DILLON

“Just Let Me Dream”

(Rose Rock Records)

(3.5) J J J J

 

Nancy K. Dillons muzikale c.v. is wat je noemt “behoorlijk goed gevuld”. Zo was ze één van de stichtende leden van de moderne cowgirl band Ranch Romance in de late 80’s, bracht ze later als duo met gitaarvirtuoos John Miller jazz standards, alvorens ze de frontvrouwe van de in en om Seattle erg populaire neo-honky-tonk band The Airstreams werd. Daar had ze trouwens ook zeven jaar lang een eigen radioshow. En bovendien trad ze in diezelfde periode ook nog eens aan in zowel de Hank Williams Revue als de Woody Guthrie Tribute. En met Michael Hill (Slobberbone, 12 lb. Test) zat ze dan weer in de Nancy Boys. Ben je daar nog? Want we zijn er nog lang niet! Dezer dagen maakt Dillon immers deel uit van het Western swing-collectief Way Out West, treedt ze op als duo met Michael Hill en is daarnaast – zo blijkt nu – een begenadigde soloartieste.

Het zal je derhalve allicht wel niet meer verwonderen dat de muziek op Dillons solodebuut “Just Let Me Dream” behoorlijk gevarieerd van karakter is. Okie roots originals noemt ze ’t zelf. Of twang-folk ook wel. En dat blijkt een bijzonder ruim begrip. Zo zou je “Crossing 66” het best kunnen omschrijven als sombere atmosferische folk, titelnummer “Just Let Me Dream” – met Clive Gregson (Any Trouble, Plainsong) – als romantische rootsy folk pop, “Fire & Soul” en “Almost To Idaho” als bluegrass, “Nothing In Texas”, “Tired Heart” en “The Ballad Of Mabel Dodge” als americana, “O Susanna” – niet de traditional overigens – als folkgrass en “Revelation” als bluegrass gospel. Daarnaast is er met “Antioch – Sacred Harp No. 277” ook nog plaats voor een korte traditionele hymne, blijkt “Till The Music Dies” een dosis onvervalste countryromantiek en is de Jimmy Lafave-cover “Give Your Sweet Love To Me” een wel erg mooie rootsy ballade.

Het is de werkelijk kristalheldere stem van Dillon die in een productie van haar maatje Hill de diverse stukjes van deze bonte muzikale lappendeken op fascinerende wijze samenhoudt. Zelf drukt ze in het bijhorende boekje de vrees uit dat het met de volgorde van de liedjes misschien wel niet helemaal goed zit. Maar dat blijkt totaal ongegronde positieve faalangst. Deze CD luistert immers bijzonder aangenaam weg en is echt wel iets voor de fans van artiesten als Nanci Griffith, Laura Cantrell, Tish Hinojosa en aanverwanten, lijkt ons.

www.nancykdillon.net

Miles Of Music

CD Baby

 

 

SUZANNA SPRING

“She’s Got Your Heart”

(Tattooed Angel Records)

(4) J J J J

 

Ongelooflijk toch, hoe men er bij de grote platenlabels in Nashville steeds weer in blijft slagen om de échte talenten over het hoofd te zien. Neem nu zo’n Suzanna Spring. Wat die allemaal in haar marge heeft… Haar repertoire zit stampvol met krenten die het zowel in de countryhitlijsten als in de americana charts goed zouden kunnen doen. Ze ziet er bovendien ook nog eens allesbehalve onaardig uit. En ze weet zichzelf uitstekend te omringen. Toppers in hun vakgebied als Tim Krekel, Billy Montana, John Reynolds, Alan Shapiro, Walt Wilkins en Michael Kelsh – maker van de schromelijk onderschatte pracht-CD “Well Of Mercy” – schoven graag bij haar aan de schrijftafel aan. (Spring die overigens bij dezelfde publisher onderdak vond als gerespecteerde collega’s Kim Richey en Jim Lauderdale – bepaald geen slecht voorteken, als je ’t ons vraagt…) En ook klassemuzikanten als Dan Dugmore (akoestische gitaar en steel), Kenny Vaughn (elektrische gitaar), Reese Wynans (B-3 en piano), Dave Pomeroy en Larry Paxton (bas), Chad Cromwell (drums) en Bruce Bouton (steel) lieten zich niet onbetuigd op haar feitelijke CD-debuut “She’s Got Your Heart”. Op dat album combineert Spring elementen uit rootspop en –rock, folk en vooral ook country tot iets heel moois. De voormalige zangeres van het volledig uit vrouwen bestaande Zuid-Californische countryrockgezelschap The Mustangs – met wie ze ooit nog op de affiche van het Deense megafestival van Roskilde prijkte – en van alt. country band Ghosttown beschikt immers over een hemelse stem die beurtelings herinnert aan die van de jonge Emmylou Harris en die van Fleetwood Macs Stevie Nicks. Heel erg expressief – kristalhelder als het erop aankomt de hoge noten te kraken, wat rauwer en doorleefder als een lager bereik dient te worden aangedaan. Op haar mooist klinkt ze in pareltjes als het met rinkelende gitaartjes en zalige harmonieën van Carter Wood en Billy Montana opgeluisterde titelnummer, de door Russ Pahl van een leuke steel touch voorziene ingetogen americana(pop) van “Never Saw It Coming”, de Emmylou-eske met Walt Wilkins gepende rootspop van “On The Other Side Of This Love” – in onze ogen het absolute prijsbeest van deze plaat – en de ingetogen folk country van “Dancing On The Moon”.

We herhalen het hier dus nog maar eens: onbegrijpelijk dat platen als deze aan het Nashville establishment kunnen ontglippen. Zeker als je weet, dat onze landgenote Amy-Lee Bennett haar wel al wist te ontdekken en met “Who Knows” zelfs al een liedje van haar opnam.

www.suzannaspring.com

CD Baby

 

 

KATE JAMES AND LOST COUNTRY

“HomeWrecker, HeartBreaker”

(Hayden’s Ferry)

(4) J J J J

 

In hippere honky-tonks waar huisfavorietjes van Ctrl. Alt. Country als de Bellyachers of de West Coast Pinups hun ding wel eens plegen te doen zal men ook Kate James And Lost Country naar alle waarschijnlijkheid met open armen ontvangen. Zowat drie jaar geleden ontstaan als trio bestaande uit de fraai ogende en uit Atlanta afkomstige James zelf, drummer Chuck Kelly en bluesgitarist Bill Brooks en later uitgebreid tot een vijf man sterk combo door toevoeging van bassist Joe Fleming en Mark Van Allen op de pedal steel heeft dit gezelschap zich klaarblijkelijk een opwaardering van klassieke country als levensdoel gesteld. In search of lost country, zoiets… Oorspronkelijk gebeurde dat nog onder de noemer van Kate & The Retreads en bestond het repertoire vooral uit covers van groten als een Patsy Cline en een Loretta Lynn. Maar op hun door gitarist Brooks geproduceerde maiden release is daarvan geen spoor meer te bekennen. Daarop treffen we immers enkel nog originals van de hand van diezelfde Brooks en van Kate James zelf aan. Liedjes die de hoogdagen van countrycoryfeeën als Patsy Cline, Buck Owens, Merle Haggard, Loretta Lynn en zelfs Johnny Cash volop laten herleven met als het stralende middelpunt van de belangstelling James, die het met haar werkelijk fenomenale stem vijf decennia geleden ongetwijfeld heel ver zou hebben geschopt. Voeg daar nog aan toe de knappe harmonieën van haar begeleiders, een beheerste ritmesectie, het twangy gitaarspel van Brooks en de sfeervolle steelaccentjes van Van Allen en je houdt in handen een werkelijk uitstekende country-CD. Country met een hoofdletter C, that is.

www.katejames.com

www.haydensferry.com

CD Baby

 

 

DAVE GLEASON’S WASTED DAYS

Midnight, California

(Well Worn Records)

(3.5) J J J J

 

 “Midnight, California” is de tweede CD van de vanuit Oakland opererende Dave Gleason en zijn Wasted Days. En net als hun titelloze debuut uit 2002 bulkt die plaat weer van de country rock California style. Verwijzingen naar de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig te over. Naar de Flying Burrito Brothers en Gram Parsons natuurlijk, maar bijvoorbeeld ook naar Buffalo Springfield en Poco. Werkelijk van weemoed druipende trage liedjes (“Listen To The Wind” en “How Am I Supposed To…”) worden erop afgewisseld met schaamteloos naar Bakersfield lonkende lappen swingende country (“Some New Someone” en “I’m Still Crying”) en lekker vet (country)rockende tracks (het titelnummer, “Backside Of Love” en “The Winner”). Zodoende ontstaat een geheel dat vooral countryrockliefhebbers die de jaren zeventig nooit echt hebben losgelaten ten zeerste zal behagen. Al zullen zij met zekerheid lang niet de enigen zijn die voor de charmes van deze muziek zullen bezwijken, want bijzonder lekker klinkt het allemaal wel.

www.dave-gleason.com

www.wellwornrecords.com

Miles Of Music

 

 

VASSAR CLEMENTS

“Livin’ With The Blues”

(Acoustic Disc)

(3.5) J J J J

 

Al meer dan vijftig jaar lang bewijst Vassar Clements in alle bescheidenheid tot de allergrootste nog levende folk- en bluegrassmuzikanten te behoren. Een weinig in de schaduw opererend verrijkte hij met zeer gedisciplineerde fiddle-bijdragen platen van ondermeer Bill Monroe, Earl Scruggs, John Hartford, de Grateful Dead, Bonnie Raitt, Paul McCartney, Linda Ronstadt en de Allman Brothers Band om er maar een paar te noemen. Maar op “Livin’ With The Blues” treedt hij nu zelf zeer nadrukkelijk op het voorplan. In een productie van David Grisman en Norton Buffalo realiseert Clements met dat album een lang gekoesterde droom, te weten een bluesplaat maken. En daartoe werd een heleboel schoon volk mee naar de studio getroond. De gastenlijst puilt met namen als Elvin Bishop, Bob Brozman, Norton Buffalo, Bobby Cochran, Ruth Davies, Dave Mathews, Maria Muldaur, Charlie Musselwhite, Roy Rogers, Marc Silber en David Jacob-Strain erop nagenoeg uit. En het resultaat van op zijn minst een aantal van die samenwerkingen is werkelijk beklijvend. Hoe de fiddle van Clements en de National slidegitaar van Bob Brozman elkaar opvrijen in een lekker swampy versie van Skip James’ “Cypress Grove” is bijvoorbeeld adembenemend mooi. En ook het quasi dronken rondwaggelende “Dirty Drawers” van de hand van en mét een vocale hoofdrol voor Elvin Bishop is gewoon blues van de bovenste plank. En wacht tot je die goeie ouwe Maria Muldaur het onderste uit de kan hoort halen in Doc Watsons “Honey Babe Blues” en de van een jazzy strikje voorzien traditional in cadeauverpakking “I Ain’t Gonna Play No Second Fiddle”. Groots gewoon! En dan hadden we het nog niet over de bijdrage die de pas negentien jaar oude bluesgitaartovenaar David Jacob-Strain levert aan het grotendeels instrumentale “Rube’s Blues”. In dat liedje vraag je je voortdurend af, voor wie de hoofdrol nu eigenlijk is weggelegd, voor het snarenwerk van Clements dan wel voor dat van de kwieke Jacob-Strain.

Het mocht vooraf dan misschien niet meteen een voor de hand liggende combinatie lijken, een fiddle en de blues, maar Clements en zijn gasten hebben zich aan dat vooroordeel absoluut niet gestoord en bewijzen met “Livin’ With The Blues” volop het ongelijk van twijfelaars zoals ons.

www.acousticdisc.com

 

 

EARL SCRUGGS

“The Essential Earl Scruggs”

(Columbia / Legacy / Sony)

(4) J J J J

 

Earl Scruggs geldt al decennia lang als één van de allergrootsten op de five-string banjo en deze veertig tracks tellende collectie illustreert perfect waarom dat zo is. Met materiaal dat de periode tussen het midden van de jaren veertig en de vroege eighties bestrijkt wordt onmiskenbaar aangetoond, waarom Scruggs het in bluegrasskringen tot zijn legendarische status kon brengen.

In chronologische volgorde worden de diverse stappen in zijn carrière overlopen. De eerste van de twee CD’s begint zo met “Heavy Traffic Ahead”, “It’s Mighty Dark To Travel” en “Molly And Tenbrooks (The Race Horse Song)”, enkele van de nummers die Scruggs bij het begin van zijn loopbaan opnam als lid van Bill Monroe & His Blue Grass Boys. Vervolgens is er een ruim zeventien tracks tellend hoofdstuk gewijd aan Lester Flatt, Earl Scruggs And The Foggy Mountain Boys met klassiek materiaal als “Foggy Mountain Breakdown”, “Roll In My Sweet Baby’s Arms”, “Old Salty Dog Blues”, “Jimmie Brown, The Newsboy”, “Earl’s Breakdown” en “Shuckin’ The Corn”.

Het tweede schijfje plaatst Scruggs in diverse settings: met Hylo Brown And The Timberliners live op het gerenommeerde Newport Folk Festival in ’59 (met “John Henry” en “Cumberland Gap”), met Lester Flatt en de Foggy Mountain Boys (met ondermeer “Cripple Creek”, “The Ballad Of Jed Clampett” en “Sally Goodwin”), met de Nitty Gritty Dirt Band (“Nashville Blues” van “Will The Circle Be Unbroken”), met de Earl Scruggs Revue (“I Still Miss Someone”, “Some Of Shelley’s Blues”, enz.), met Tom T. Hall (“Song Of The South”) en gewoon in z’n eentje (ondermeer “I Saw The Light” en “We’ll Meet Again Sweetheart”).

Een goede verstaander met een zekere voorliefde voor vingervlug snarenwerk weet daarmee wellicht genoeg.

www.legacyrecordings.com

www.sonymusic.com/essentials

 

 

RANDY WAYNE SITZLER

“Pontiac Trail”

(Highway 29 Records)

(3.5) J J J J

 

Een aangename verrassing dit. Ik moet toegeven, dat ik helemaal niet vertrouwd was met de naam Randy Wayne Sitzler voor zijn “Pontiac Trail” me ter ore kwam. Blijkt dat ’t al zijn tweede CD is, na het eerder al in 2001 verschenen “Hard Days In The Heartland”. Sitzler noemt zelf Johnny Cash, Lennon & McCartney, Merle Haggard en John Mellencamp als zijn grote voorbeelden. En vooral met die laatste zijn er inderdaad nogal wat overeenkomsten aan te wijzen. “Pontiac Trail” laat zich zo ongeveer beluisteren als de plaat die je zou verwachten als Mellencamp zich aan een modern country-/americana-album zou wagen. Er is enerzijds een onmiskenbare stemgelijkenis met de man, maar anderzijds blaast ook de manier waarop Sitzler zich in zijn liedjes uitlaat over het leven van alledag die vergelijking flink wat leven in.

Feit is alleszins, dat het door Walt Wilkins en Tim Lorsch geproduceerde “Pontiac Trail” een puntgave rootsy singer-songwriterplaat is geworden. Zo raakte ik bijvoorbeeld erg gecharmeerd door het pittige, samen met Walt Wilkins gebrachte openingsnummer “Got My Feet On The Ground”, de kritische trap onder de kont van de huidige president van zijn land “Boiling Bones For Stew” en het voorzichtig rockende “One Of These Days”, waarin hij vooruitblikt op die ene dag waarop hij zijn leven nu eens eindelijk zal gaan beginnen te beteren.

Een beetje country, een weinig americana, wat heartland rock, singer-songwriter stuff ook, da’s dus allemaal Randy Wayne Sitzler. En zoals het hier wordt gepresenteerd smaakt het alvast volop naar meer…

www.highway29records.com

www.daltonthomasmusic.com

 

 

OLD CROW MEDICINE SHOW

“OCMS”

(Nettwerk)

(4) J J J J

 

Onder het motto “beter laat dan nooit” nog snel even onze visie op een plaat die er door omstandigheden – “een kleine omweg gemaakt”, heet dat dan – veel langer dan voorzien over deed om vanuit het land van herkomst België te bereiken. Ze is echter té goed om er verder gewoon over te zwijgen. Het betreft met name “OCMS” van de Old Crow Medicine Show, een groep die twee jaar geleden North Carolina achter zich liet om een wekelijks stekje in de Opry in Nashville te kunnen invullen. En dat heeft haar tot dusverre geen windeieren gelegd. De muziek van de vijf knapen krijgt nu immers eindelijk de aandacht die ze al lang ruimschoots verdiende. De Old Crow Medicine Show staat synoniem met old-timy akoestische muziek, maar dan wel gebracht met een jonge geest. Denk bij wijze van vergelijking maar even aan de Hackensaw Boys. Die wonen muzikaal gezien zowat in hetzelfde straatje.

De meest in het oog springende groepsleden zijn frontmannen Ketch Secor (leadzang, fiddle, harmonica) en Willie Watson (leadzang, gitaar). Samen met Critter Fuqua (zang, banjo, slidegitaar), Kevin Hayes (guitjo – een soort van zessnarige banjo die zich als een gitaar bespelen laat) en Morgan Jahnig (doghouse bass) presenteren zij op dit door de muzikale wederhelft van Gillian Welch, David Rawlings, geproduceerde schijfje een wel bijzonder vitale mix van herwerkte traditionals, covers en eigen materiaal. Tot die laatste categorie behoren zo de knappe americana van “Trials & Troubles”, Secors spetterende, punky bluegrasscompositie “Hard To Tell”, het ingetogen, banjogedreven “Take ‘em Away”, de prachtballad “We’re All In This Together” – met een hoofdrol voor Critter Fuqua op de bottleneck – en het Vietnamliedje “Big Time In The Jungle” – net als “Trials & Troubles” met Gillian Welch achter de drumkit! Traditionals die een OCMS-jasje aangemeten krijgen zijn ondermeer “CC Rider”, “Poor Man” en het werkelijk onweerstaanbare, volop tot meebrullen uitnodigende “Tear It Down”. Covergewijs wordt tenslotte ook nog Bob Dylans “Wagon Wheel” verbouwd tot een fraai stukje eigentijdse americana.

www.crowmedicine.com

www.nettwerk.com

 

 

EDDIE PENNINGTON

“Walks The Strings… And Even Sings”

(Smithsonian Folkways Recordings / Music & Words)

(3) J J J

 

Op het veelzeggend getitelde “Eddie Pennington Walks The Strings… And Even Sings” profileert deze uit Kentucky afkomstige en veelvuldig gelauwerde gitarist zich ook verder als een waardig opvolger voor vooralsnog veel bekendere thumbpickers als Merle Travis en Chet Atkins. Zijn bewondering voor vooral de eerste van die twee steekt hij hier trouwens ook niet onder stoelen of banken. Met “Walking The Strings”, “Information, Please”, “John’s Smoke Turns Blue”, “Nine Pound Hammer” en “So Round, So Firm” herkauwt hij op de hem geheel eigen manier een flinke hap uit ’s mans royaal gevulde songcatalogus. En ook één van zijn andere grote voorbeelden passeert even de revue. Travis leerde het vak immers van Mose Rager. En van die man stoten we hier op “Mose’s Blues” en “The Pig Got Up”.

Het zijn allemaal zeer goede indicaties voor wat je hier verwachten mag. Voornamelijk verbluffend knap instrumentaal werk inderdaad. Maar Pennington beschikt eveneens over een beste baritonstem. En ook dat wil hij geweten hebben. Wellicht om die reden wordt de boel zo nu en dan een beetje opgevrolijkt met humoristische vocale bijdrages als “Information, Please”, “Fertile Liza”, “The Pig Got Up” en “The Panic Is On”.

De liefhebbers van een potje excellente picking hebben ondertussen al lang begrepen: dit is spek voor hun bek. Voor de modale muziekliefhebber is het - ondanks het vaak lichtvoetige karakter van de muziek - wellicht net iets té zware kost.

www.si.edu/folkways

www.musicwords.nl

 

 

MUTUAL ADMIRATION SOCIETY

“Mutual Admiration Society”

(Sugar Hill / Munich)

(3.5) J J J J

 

Mutual Admiration Society – volstrekt logische naam, zo lijkt het, voor een gelegenheidscollectief ontstaan uit de wederzijdse bewondering die de betrokken partijen voor elkaars muziek koesterden. Chris Thile en Sean en Sara Watkins van het zo nu en dan behoorlijk briljante newgrasstrio Nickel Creek bleken alle drie grote fans van het – dankzij prachtsongs als “All I Want” – ook hier enige bekendheid genietende poprockgroepje met de nogal weirde, aan een sketch van Monthy Python ontleende naam Toad The Wet Sprocket. Met name de liedjes van zanger en drijvende kracht achter die groep Glen Phillips en de warme harmonieën die het geluid van de band geregeld tot ver boven de middelmaat doen uitstijgen deden het hem. Via een gemeenschappelijke vriend die de drie van Nickel Creek tijdens een festival in Pagosa Springs, Co backstage toevalligerwijze betrapte op het voor de lol naspelen van een aantal Toad-liedjes kwamen ze in contact met Phillips, die op zijn beurt ook een aardige boon voor hun akoestische muziek bleek te hebben. Dat resulteerde al snel in een eerste samenwerking op “Let It Fall”, een liedje van Sean Watkins’ eerste solo-CD. En er volgde meer. Nickel Creek werd aansluitend door Phillips immers mee gevraagd op tournee. En dat moet een erg vruchtbare periode geweest zijn, want uiteindelijk besloot men om ook samen te gaan opnemen. Dat gebeurde in het gezelschap van vermaard producer Ethan Johns tijdens een drie dagen durende spontane sessie in de garage van Phillips. Johns staat ervoor bekend om als geen ander de live vibe van studiowerk te kunnen vatten. En dat levert ook hier mooie resultaten op. Met uitzondering van “Think About Your Troubles” van Harry Nilsson en enkele Jon Brion- en Sean Kennedy-composities worden uitsluitend Phillips-songs op grotendeels akoestische wijze gebracht. De zo ontstane muziek herinnert her en der een beetje aan wat we ook door de Finn-broertjes van Crowded House wel eens voorgeschoteld kregen. Zij het dat de knappe popdeunen en de prachtige samenzang hier op een licht bluegrassgetint bedje van fiddle, gitaren, mandolines en bas rusten. Met occasionele bijdragen op orgel, piano en accordeon en wat percussie als finishing touch.

Zoals voor alle platen waar die van Nickel Creek tot dusverre bij betrokken waren geldt ook voor dit project dat het weliswaar heel erg af klinkt, maar tegelijk ook een beetje pit mist. De integratie van wat meer vlotte liedjes had dat euvel allicht kunnen verhelpen. Maar dat is detailkritiek, want mooi is het immers met zekerheid allemaal wel.

www.toadthewetsprocket.com

www.nickelcreek.com

www.sugarhillrecords.com

www.munichrecords.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Cajun – Early Recordings” (4CD Box Set)

(JSP / Music & Words)

(4) J J J J

 

Het bescheiden Britse JSP-label heeft zich gespecialiseerd in het opduiken en aan een zeer goede prijs-kwaliteit-verhouding aanbieden van verloren gewaande muzikale pareltjes. Dat resulteert steevast in fraaie, goed gedocumenteerde en tot de nok toe gevulde box sets, waarmee men nu eens een enkele artiest, dan weer een heel genre tracht te belichten. Zo ook nu weer. De twee jongste collecties werden gewijd aan de beginjaren van respectievelijk het cajun- en het bluegrass-genre. Geen voer voor wie staat op hi-fi-kwaliteit, dat zeker niet, maar muzikale schattenjagers en andere muziekliefhebbers met een open geest zullen aan elk van deze twee setjes wel urenlang plezier beleven.

Het aan de vroegdagen van het cajun-genre gewijde doosje wordt afgetrapt met opnamen stammend uit 1928. Accordeonist Joe Falcon en zijn de National steelgitaar bespelende aanstaande, Cleoma Breaux, waren de eersten die profiteerden van de belangstelling die platenfirma’s toendertijd onder invloed van het gigantische succes van jazz-, blues- en hillbillymuziek begonnen te vertonen voor meer etnisch getinte genres als cajun. Hun “Lafayette” en “The Waltz That Carried Me To My Grave” waren de eerste cajun songs die voor het nageslacht werden vereeuwigd. En met succes ook. Een groot deel van het eerste schijfje van deze set is dan ook gewijd aan verdere opnamen van het koppel. Verder stoten we daarop ondermeer op Leo Soileau en Mayuse Lafleur, Dennis McGhee en Sady Courville en diezelfde McGhee met de onverbeterlijke Amédé Ardoin, één van de allereerste echt groten uit het genre. Het tweede volume wordt door de samenstellers betiteld als “The Breaux Connection”, omdat elk van de daarop gepresenteerde opnamen op de één of andere manier terugvoert naar Cleoma Breaux. Volume 3 staat dan weer bijna volledig in het teken van Leo Soileau. Met Moise Robin of Alius Soileau, met de Three Aces of de Four Aces, met zijn Rhythm Boys. Verder daarop ondermeer ook werk van een onbekende en van Lawrence Walker en Tony Alleman. Het vierde en laatste schijfje tenslotte staat in het teken van de nog steeds actieve Hackberry Ramblers. Onwaarschijnlijk eigenlijk, als je weet dat de groep haar eerste materiaal al in 1935 inblikte en dat met Luderin Darbone en Edward Dubson twee van de stichtende leden er nu nog altijd deel van uitmaken. The Hackberry Ramblers zijn hier in onze ogen trouwens ook verantwoordelijk voor het meest toegankelijke materiaal. Liedjes als “Jolie Blonde”, “Jolie Petit Fille” of “Louisiana Breakdown” zullen zelfs bij niet-kenners hier en daar wel een belletje doen rinkelen.

Je vindt hier met andere woorden een schat aan materiaal terug. En wellicht ook het antwoord op de vraag waar generaties aan volgende - en vaak veel bekendere - artiesten de mosterd vandaan haalden. Met liefst 102 liedjes krijg je hier, afgezien van de historische waarde van het document alleen al, bovendien ook nog eens rijkelijk waar voor je zuurverdiende centen. Een aanrader dus.

 

 

VARIOUS ARTISTS

Bluegrass – Early Cuts” (4CD Box Set)

(JSP / Music & Words)

(4) J J J J

 

Volgens hetzelfde principe werd ook het aan bluegrass gewijde boxje geconcipieerd, zij het dat daarbij de chronologica niet echt gerespecteerd wordt. De beide eerste CD’s van dat setje bevatten namelijk materiaal dat zich situeert tussen respectievelijk 1947 en 1953 en 1945 en 1953, terwijl de twee volgende volumes het zoeken tussen 1938 en 1951 en 1931 en 1946. Wat daarbij in eerste instantie opvalt, is de relatief goede kwaliteit van de (geremasterde) opnamen. Liefhebbers van traditioneel bluegrassmateriaal kunnen hier zonder zich al te zeer te moeten ergeren aan een inferieur geluid grasduinen tussen de werkjes van de wegbereiders voor latere echte groten van het genre als de Louvin Brothers, Bill Monroe, de Stanley Brothers, Lester Flatt & Earl Scruggs en anderen. En ook voor deze set geldt weer, dat de liner notes een schat aan materiaal over zowel het gepresenteerde materiaal als de betrokken artiesten bevatten.

Het over deze vier CD’s en 96 tracks uitgesmeerde stukje bluegrassgeschiedenis verdient dan ook een stekje in elke zichzelf respecterende collectie. Een beetje namedroppen? Byron Parker & His Mountaineers, J.E. Mainer’s Mountaineers, Wade Mainer & The Sons Of The Mountaineers, Buster Carter & Preston Young, Jim Eanes & His Shenandoah Valley Boys, Roy Hall & His Blue Ridge Entertainers, The Hall Brothers, The Rouse Brothers, The Morris Brothers, The Lonesome Pine Fiddlers, Jerry & Sky, The Lilly Brothers, Red Belcher & The Kentucky Ridgerunners, het Shenandoah Valley Trio, Connie & Babe, Sonny Osborne, enzovoort enzovoort enzovoort. Misschien niet de meest ronkende namen allemaal, maar wij verwedden er onze pet om, dat je je – net als bij de aan cajun gewijde doos - geen moment bekocht zal voelen na aanschaf van deze set. Er zal integendeel een (wellicht heel nieuwe) wereld voor je opengaan!

www.jsprecords.com

www.musicwords.nl

 

 

MAGGIE BROWN

“Maggie Brown”

(Riverwide Music)

(4) J J J J

 

Ijzersterk. Een ander woord wil er ons maar niet te binnen schieten om het titelloze debuut van Maggie Brown mee te omschrijven. Toegegeven, haar stem schreeuwt als het ware om vergelijkingen met Bonnie Raitt. Maar dat is toch geen probleem zeker? En in alle eerlijkheid, geen van de recentere platen van La Raitt vermocht het ons op dezelfde manier te bekoren als deze eersteling van Brown. Haar songs laten zich genieten als een door de jaren op smaak gebracht kwaliteitswijntje. Een weinig Southern rock, een vleugje country, wat blues en hier en daar ook een folknoot, maar allemaal op zo’n bezielde manier gebracht, dat weerstand bieden compleet zinloos wordt. Vergelijkingen met Bonnie Raitt, Susan Tedeschi en Lucinda Williams verdien je niet zomaar, zoveel wordt al snel duidelijk. Liedjes als de lekker wegrockende single “Used Cars” (waarin Brown haar ex-vriendje - countryster Trace Adkins - bezoekt kort nadat die een belangrijke platendeal heeft afgesloten), de ingetogen Americana van “Jacob’s Eyes” of “Full Moon Over Dallas”, het folky “Nowhere To Go But Crazy”, het behoorlijk dreigend overkomende “Forty Dollars” of de pittige blues van “I Like It” zijn van werkelijk superieure kwaliteit. En als Brown dit niveau ook op haar volgende releases kan blijven aanhouden, dan kan het niet anders of ze groeit binnen de kortste keren uit tot een hele grote. Daar durven wij geld op in te zetten.

www.maggiebrown.net

CD Baby

 

 

JAMES TALLEY

“Journey”

(Cimarron Records)

(4) J J J J

 

Het kan verkeren in een muzikantenbestaan. Veel meer dan met zijn - nochtans voortreffelijke – muziek stond de uit Oklahoma afkomstige meester-singer-songwriter James Talley de voorbije maanden onder de schijnwerpers dankzij een onder de titel “Even If It Doesn’t Pay” in de No Depression van maart-april van dit jaar verschenen artikel van zijn hand. Daarin zocht hij in niet mis te verstane bewoordingen naar een antwoord op de vraag wat er dezer dagen zoal allemaal fout loopt in de muziekindustrie. Meteen het begin van een heuse polemiek. En – en dat zal de beste man heus niet erg vinden – onrechtstreeks ook een heleboel welgekomen publiciteit voor zijn eigen nieuwe CD, het bijzonder sfeervolle, live in Italië opgenomen “Journey” – zijn twaalfde toch ook alweer -, een collectie met een aantal van de beste en meer bekende liedjes die zijn nu al meer dan dertig jaar aanslepende carrière tot dusverre opleverde. En die zijn zonder uitzondering uit het goede hout gesneden. Het feit alleen al dat zo uiteenlopende groten uit het vak als wijlen Johnny Cash, Alan Jackson, Gene Clark, Johnny Paycheck en recent nog Moby (“Evening Rain”) nummers van de man opnamen spreekt wat dat betreft wellicht boekdelen.

In het gezelschap van bassist Dave Pomeroy, gitarist Mike Noble en drummer Greg Thomas doet Talley zijn eigen materiaal hier alle eer aan en laat hij tegelijk horen van vele markten thuis te zijn. Pure singer-songwriter country (“W. Lee O’Daniel And The Light Crust Dough Boys”), sfeervolle blues (“Bluesman”), bedaarde countryrock (“Tryin’ Like The Devil”), folk (“La Rosa Montana”) – nagenoeg voor elk wat wils hier. En met het rustig voortkabbelende countrydeuntje “My (Beautiful) Cherokee Maiden”, het een weinig aan John Prine refererende “That Old Magic”, het epische “The Song Of Chief Joseph” en meer folky aandoend materiaal als “Somewhere On The Edge Of The World” en de post-9/11-overpeinzing “I Saw The Buildings” bevat het album overigens ook vijf nieuwe nummers. Kwestie van het ook voor de fans aantrekkelijk te houden natuurlijk.

Alle anderen die pas nu aan de charmes van deze voortreffelijke zoetgevooisde – een beetje Nelson, een beetje Prine – liedjesschrijver bezwijken doen er ons inziens goed aan zich ook eveneens zeer geslaagde eerdere albums als “Woody Guthrie And Songs Of My Oklahoma Home”, “Nashville City Blues” en “Touchstones” aan te schaffen. Ze zullen het zich absoluut niet berouwen.

www.jamestalley.com

www.cimarronrecords.com

 

 

OTIS GIBBS

“One Day Our Whispers”

(Benchmark Records)

(4.5) J J J J J

 

Met een rasperige stem die onwillekeurig vergelijkingen oproept met die van de in onze kontreien ondertussen behoorlijk populaire Ben Weaver en een repertoire dat eerder aanleunt bij dat van raspaardjes als Butch Hancock en Robert Earl Keen verdient Otis Gibbs het zo stilaan wel om ook in de Lage Landen wat meer in de kijker te lopen. En zijn ondertussen derde CD “One Day Our Whispers” is misschien wel het ideale instrument om die doorbraak mee te bewerkstelligen.

Een anarchist met het hart van een dromer noemt de troubadour Gibbs zichzelf. En dat vertaalt zich in liedjes die veelal cirkelen rond simpele verhaaltjes over het koesteren van ijdele hoop, ontmoedigd worden en het verliezen van zijn idealen. Daarbij klinkt met enige regelmaat ook een behoorlijk scherpe maatschappijkritische visie door. In het countryeske “I Wanna Change It” bijvoorbeeld stelt Gibbs onomwonden “we fought in their wars, sometimes we didn’t know why, the rich got richer and the workin’ folks died, I wanna change it with you”. Elders, zoals in het opgewekte en bluegrassgetinte “Daughter Of A Truck Drivin’ Man”, laat de male Gibbs zijn door lust verteerde mannelijke kant aan het woord. “She says she won’t, but I know she will, she’s the daughter of a truck drivin’ man,” klinkt het daar veelzeggend. En ook een titel als “Get Me Out Of Detroit” laat weinig aan de verbeelding over. Het nummer krijgt dan ook de mistroostig-melancholische countrybenadering mee die het op basis van zijn inhoud verdient. Wegwezen uit dit misselijke hol blijkt immers de boodschap van de er niet al te gastvrij onthaalde schrijver.

Het zijn eigenlijk slechts drie willekeurig gekozen voorbeelden, maar ze schetsen wel zeer goed waarvoor Otis Gibbs precies staat. Men heeft de man in zijn thuisland Amerika al herhaaldelijk vergeleken met klasbakken als een Bruce Springsteen - ten tijde van “Nebraska” dan wel -, een Bob Dylan en een Butch Hancock en wij kunnen je met de hand op het hart verzekeren dat met die vergelijkingen helemaal niks mis is. “One Day Our Whispers” is immers een ongelooflijk knappe plaat. Eentje die heel hoog zal eindigen in ons eindejaarslijstje, zoveel is nu al zeker.

www.otisgibbs.com

Miles Of Music

 

 

THE MEAT PURVEYORS

“Pain By Numbers”

(Bloodshot / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Jo Stanli Cohen (zang), Cherilyn Dimond (bas, zang), Bill Anderson (gitaar, shaker), Peter Stiles (mandoline) en speciale gaste Darcie Deaville (fiddle) vormden de bezetting voor “Pain By Numbers”, het ondertussen ook alweer vijfde album van The Meat Purveyors. En dat is opnieuw een flinke moot alt. bluegrass geworden. “Yeah, bluegrass CAN be a nice polite affair, but where is the fun in that,” vraagt men zich luidop af in het begeleidende schrijven. Nu kan daarover wel een flinke boom worden opgezet. Onder die noemer “aardig en beleefd” vallen immers ook collectieven als pakweg de Del McCoury Band en Open Road. En die staan wat ons betreft muzikaal gezien even goed garant voor een stevige dosis fun als The Meat Purveyors zelf. Alleen is hun uitgangspunt natuurlijk anders. De punky attitude van de Austinites verricht uiteraard wonderen in alt. country-middens. Het lijkt velen daar alvast heel wat minder moeite te kosten om toe te geven dat ze van de langs alle kanten rammelende muziek van The Meat Purveyors houden dan van die van een meer traditioneel ingestelde (en naar perfectie strevende) bluegrass act. Iets wat trouwens ook in hoge mate geldt voor recent nog furore makende groepen als de Old Crow Medicine Show of de Hackensaw Boys.

Maar goed, die bedenking even terzijde is “Pain By Numbers” opnieuw een erg lekkere plaat. Vol bluegrass met een wel bijzonder scherp randje. Of het nu de eigen composities van Anderson (zoals opener “TMP Smackdown”, het grappige en o zo herkenbare “How Can I Be So Thirsty Today?” en het vingervlugge “Cold Hard Rain”) en Stiles (het gedreven voortjakkerende “Heartbreaker” bijvoorbeeld) betreft of geslaagde covers als “Monday Morning” (Fleetwood Mac), “It Won’t Be Long (And I’ll Be Hating You)” (Johnny Paycheck), “One I Love Is Gone” (Bill Monroe) en “Amanda Ruth” (Rank & File), het gaat er weer allemaal in als zoete koek. En meer hoeft dat toch eigenlijk ook niet te zijn….

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

MARY CHAPIN CARPENTER

“Between Here And Gone”

(Columbia / Sony)

(4.5) J J J J J

 

In het gezelschap van ondermeer Viktor Krauss en Glenn Worf (bas), Dean Parks (gitaren), Stuart Duncan (fiddle), Rob Ickes (dobro), Matt Rollings (keyboards, orgel), Dan Dugmore (steelgitaar), Tim O’Brien (mandoline), John Jennings en Eric Silver (akoestische gitaren), Chad Cromwell (drums), Garrisson Starr en Mac MacAnally (achtergrondzang) en in een gedeelde productie met Matt Rollings levert Mary Chapin Carpenter met “Between Here And Gone”, haar eerste nieuwe CD in goed drie jaar tijd, een regelrecht meesterwerk af. De vlotte spring-in-‘t-veld-aanpak van haar vroege platen heeft daarop kennelijk definitief moeten wijken voor de veel bezadigdere (en stijlvollere) visie van een door het leven gerijpte vrouw. Met evenveel bravoure waagt Carpenter zich hier aan songs over haar eigen privé-leven – en met name dan haar recente huwelijk - (“River”, “Elysium”) als aan liedjes over gevoelig liggende onderwerpen als 9/11 (“Grand Central Station”). En daarbij zingt ze meer dan ooit de sterren van de hemel. Ergens tussen folk, country, pop en rock lijkt ze eindelijk de ideale niche te hebben gevonden voor haar veelal intimistisch aandoende liedjes. En daar is het zo goed toeven, dat wij dit, ondanks het feit dat Carpenter al een hele resem uitstekende albums op haar actief heeft, verreweg haar beste tot op heden durven noemen. Grote klasse!

www.marychapincarpenter.com

 

 

VARIOUS ARTISTS

“The Rough Guide To Cajun Dance”

(The World Music Network)

(3.5) J J J J

 

 “The Rough Guide To Cajun Dance” is in onze ogen als titel een vlag die haar lading uitstekend dekt. Het album zou inderdaad een goede muzikale reisgids kunnen zijn voor al wie ontdekken wil wat er leeft in de dance halls van Louisiana. Niet alleen biedt het een uitgelezen verzameling dansdeuntjes van groten uit het genre als Steve Riley & The Mamou Playboys, Beausoleil, Zachary Richard, Balfa Toujours, The Savoy Family Band, D.L. Menard en The Balfa Brothers, in het zeer informatieve CD-boekje wordt ook kort even geschetst wat je je nu exact moet voorstellen bij deze levenslustige rootsmuziek geworteld in het diepe zuidwesten van Louisiana en wie precies alle betrokkenen zijn. Op die manier vormt het een ideale springplank naar meer voor al wie op basis van het hier gebodene in de ban zou raken van deze sterk fiddle- en (vooral ook ) accordeongetinte aanslag op de benen. Voor de kenners is er niet echt iets nieuws onder de zon. Zij vinden hierin gewoon een mooi uitgebalanceerde collectie Cajun dance-liedjes terug. Ideaal voor huis- en tuingebruik zeg maar. Laat die hete zomer er dus eindelijk maar aan komen…

www.roughguides.com/music

www.musicwords.nl

 

 

WALT WILKINS

Mustang Island

(Highway 29 Records)

(4) J J J J

 

In het overaanbod ons vanuit Texas bereikende platen vormen die van singer-songwriter Walt Wilkins steeds weer een ware verademing. Voor zover je een CD al grijs kan draaien is dat precies wat hier gebeurde met ’s mans vorige album, “Rivertown”. En het zou al heel vreemd moeten lopen wil dat ook niet het lot zijn dat zijn nieuwe plaat “Mustang Island” wacht.

Wilkins is dan ook een speciale. Zijn liedjes vinden zowel in Nashville (Ricky Skaggs, Ty Herndon, Perfect Stranger, Sammy Kershaw, Pam Tillis,…) als in Texas (Pat Green) gretig aftrek. En dat zegt eigenlijk veel over de kwaliteit ervan. Net als bijvoorbeeld ook een Kevin Welch, een Radney Foster of een Kris Kristofferson behoort Walt Wilkins tot dat selecte clubje van songsmeden die zowel bij het grote publiek als bij de betweterige incrowd goed liggen. En dat verdankt hij vooral aan het feit dat hij ook altijd wel echt iets te vertellen heeft in zijn liedjes. Een Amerikaanse schrijvende collega ging zelfs zo ver om hem te vergelijken met John Steinbeck. Als dat geen compliment is… Voeg daar nog aan toe dat de man gezegend is met een bijzonder warme, van emotie doordrongen stem en je begrijpt wellicht waarom wij zo hoog met hem oplopen. Wat ons betreft is hij gewoonweg één van de laatste échte Texaanse troubadours.

Zo’n liedjes als het heerlijke country-niemendalletje “I Chose This Road” – de terechte eerste single van de plaat overigens – waarin Wilkins op doorleefde wijze te kennen geeft absoluut geen spijt te hebben van de keuzes die hij in zijn leven tot dusver maakte, vloert je al meteen na de eerste gongslag genadeloos. En van dat kaliber vind je hier wel meer materiaal. Het met Billy Montana gepende “We’ve All Got Our Reasons” bijvoorbeeld (over op het eerste gezicht vreemd overkomende beslissingen die mensen in je omgeving in hun persoonlijke levens wel eens durven te nemen), het ingetogen “Someone Somewhere Tonight” (over het zoeken naar bevestiging van een liefde in een wereld waarin dat alsmaar abnormaler wordt) ook, of de Pat Green co-write “Wrapped”. Montana en Green zijn overigens lang niet de enigen die met Wilkins achter de schrijftafel postvatten. Ook Danny Flowers, Jamie Richards, Kimmie Rhodes, Jon Randall, Jim McBride, Liz Rose, Davis Raines en Naoise Sheridan gingen maar wat graag op zijn verzoek om samen te werken in. Vermelden we tenslotte volledigheidshalve ook nog even, dat met Michael Nesmith’s “Grand Ennui” en Kevin Welch z’n “One Way Ride” ook twee puike covers op deze bijzonder mooie plaat belandden.

www.waltwilkins.com

Lone Star Music

 

 

MARY McBRIDE

“By Any Other Name”

(Reality Entertainment)

(3.5) J J J J

 

Met de opvolger van het vorig jaar verschenen “Everything Seemed Alright” bevestigt Mary McBride al het goede wat we in dat debuut al meenden te mogen onderkennen. In een productie van Lou Whitney toont ze opnieuw dertien nummers lang één van de interessantste vrouwelijke rootsrockers van het moment te zijn. Haar krachtige stem blijft daarbij natuurlijk als vanouds haar voornaamste handelsmerk. Maar ook haar songs zijn bepaald niet te versmaden. Enkele daarvan schreef ze samen met Steve Wynn – met name de soulvolle opener “Weathervane”, het fulminant rockende titelnummer en het sfeervolle “Falling” – en met ex-Georgia Satellites-baas Dan Baird – “Toll Girl” en “Coming Up Empty” - het eerste een fraai streepje alt. country, het tweede zo’n typisch barrockertje waarop Baird sinds jaar en dag een patent heeft. De enige twee covers op de plaat zijn trouwens - allicht niet geheel toevallig - ook van de hand van Wynn en Baird. Wynns “One Eyed Dog” zit de ruiggevooisde McBride werkelijk als gegoten en ook Bairds bluesy “Bottle & A Bible” zal het aantal vergelijkingen met andere grote strotten als Bonnie Raitt en vooral ook Janis Joplin wellicht alleen nog maar doen toenemen.

Voeg daar nog aan toe dat Baird hier ook gitaargewijs voortdurend een aardige vinger in de pap heeft en dat ook Delbert McClinton even de tijd nam voor een bijdrage aan het lekker bluesy countryrockende “I Got Everything” (harmonica en zang) en dan weet je waarschijnlijk wel genoeg. Dik in orde inderdaad weer die handel!

www.marymcbride.com

Miles Of Music

 

 

THE STAPLETONS

“Low Dealers… And Hangers On”

(3rd Silo Records)

(2) J J

 

Het leven van een recensent is lang niet altijd zo’n pretje als het op het eerste gezicht misschien lijkt. Toegegeven, je krijgt regelmatig voortreffelijk plaatwerk in de schoot geworpen dat je anders met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ontgaan zou. Platen, waar je met plezier enkele velletjes papier aan wijdt. Maar minstens even vaak belanden er albums op de schrijftafel die daar flink wat tijd slijten. Die gewoon niet uitnodigen tot schrijven. Albums die de middenmoot maar amper of zelfs helemaal niet ontstijgen. En tot deze laatste categorie behoort ons inziens ook “Low Dealers… And Hangers On” van het uit Cincinatti afkomstige en uit vier broers bestaande gezelschap The Stapletons. Twang & roll noemen ze ’t zelf, wat ze brengen. En daarmee is wat ons betreft ook zo ongeveer alles gezegd. Monotoon jengelende gitaren, middelmatige composities, een vlakke productie,… Zo ongeveer alles wat fout kan zitten, zit hier ook effectief fout. Al willen we wel graag één uitzondering maken voor het op een mooi mondharmonicamotiefje en twangy gitaarwerk voortdobberende “Blonde”. Dat ingetogen (alt.) countrydeuntje mag van ons zo op de radio. Maar voor het overige is er voor deze vier knapen nog flink wat werk aan de winkel….

www.thestapletonsusa.com

www.3rdsilo.com

 

 

SMUTFISH

“Lawnmower Mind”

(Brul Records)

(4) J J J J

 

Er zijn zo van die platen die je maar welgeteld één keer beluisterd hoeft te hebben om te weten dat ze je nog heel lang dierbaar zullen blijven. “Calenture” van The Triffids was er voor ons zo bijvoorbeeld eentje. Of “Don’t Tell A Soul” van The Replacements. Of Neil Youngs “Freedom”. En “Unchained” van wijlen Johnny Cash mogen we zeker ook niet vergeten. Enfin, zo kunnen we nog wel even doorgaan. Maar waar het hier eigenlijk om gaat, is dat we “Lawnmower Mind”, het debuut van het Haagse bandje Smutfish, met onmiddellijke ingang en zonder ook maar de minste schroom aan dat lijstje van “persoonlijke klassiekertjes” willen toevoegen. Wat zanger-gitarist-liedjesschrijver Melle de Boer en zijn maats Rob Lagendijk (bas), Dick Zuilhof (elektrische gitaar, mandoline) en de ondertussen uit de band gestapte Bert Fonderie (drums, backings) op hun eersteling presteren is immers ronduit verbluffend. De in eigen beheer uitgebrachte plaat heeft van de eerste tot de laatste noot iets bepaald beklemmends over zich. En dat maakt haar nagenoeg onweerstaanbaar. Zowel in tekstueel als in muzikaal opzicht valt hier bijzonder veel te rapen. Wat dat laatste betreft zou je ze een beetje kunnen vergelijken met de tragere nummers op de hoger al genoemde Young-classic, maar zeker ook met het rustigere werk van Green On Red in z’n hoogdagen. Zowel de rauw-hees-tedere stem van de Boer als het bijzonder sfeervolle gitaargeluid nodigen vrijwel voortdurend uit tot dergelijke goed bedoelde vergelijkingen. Maar eigenlijk doe je de vier gewoon tekort door hun muziek al te veel met die van anderen te willen confronteren. Liedjes als het met fraaie mandolineaccentjes van Zuilhof gelardeerde “Lawnmower Mind”, het door een veelheid aan klaterende snaren naar een wel uitzonderlijk hoog niveau getilde “Limousine Song”, het meer vertelde dan gezongen trio “Red Balloon”, “Going On” en “Gotta Have A drink” zijn immers van een werkelijk oorstrelende schoonheid en verdienen het ten volle om louter op hun eigen merites te worden beoordeeld. En zodoende kom je welhaast vanzelf tot het besluit, dat Smutfish met “Lawnmower Mind” gewoon een dijk van een plaat heeft afgeleverd. Chapeau!

www.smutfish.nl

 

 

LORETTA LYNN

“Van Lear Rose”

(Interscope Records)

(4) J J J J

 

Countryster in de nadagen van haar carrière zoekt en vindt hulp bij populaire jonge wilde. Waar hebben we het nog gehoord… De onwaarschijnlijke verbintenis die Honky-Tonk Angel Loretta Lynn onlangs aanging met Jack White van de momenteel bijzonder hippe White Stripes vertoont inderdaad veel gelijkenissen met de succesvolle samenwerking tussen Johnny Cash en Rick Rubin, die de Man In Black tot enkele van zijn beste albums überhaupt wist te verleiden. Ook Lynn blijkt aan het handje van White plots immers weer levensvatbaar in de eenentwintigste eeuw. De garagerocker drukt weliswaar onmiskenbaar zijn stempel op het album, maar tussen de gortdroge drums en de soms messcherpe gitaren dondert Lynn nooit van haar sokkel. Wel integendeel! Het doet bijvoorbeeld bijzonder veel deugd om er haar een flinke lap op horen te geven in het bruisende “Mrs. Leroy Brown”. Of om te zien hoe ze zich kranig staande weet te houden tussen al dat jonge gitaargeweld in het al even energieke “Have Mercy”.

Een opvallend gegeven is trouwens dat Lynn alle liedjes hier zelf schreef. En daarin komt ze bij momenten ongemeen scherp uit de hoek. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het op ingehouden woede drijvende “Have Mercy” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Daarin trekt Lynn met haar baby’s naar het huis van de minnares van haar overspelige echtgenoot, zodat die het creatuur kunnen zien “that’s burning down the family tree”. Huiveringwekkend goed gewoon. Maar het meest in het oog springende nummer is natuurlijk “Portland, Oregon”. En dat heus niet alleen omdat dat pittige one-night-stand-verhaal in duet met Jack White wordt gebracht. Lynn herinnerde ons in dat liedje aan de jonge Dolly Parton op haar best. En dat wil al iets zeggen…

Kortom het aanvankelijk wel degelijk aanwezig zijnde cynisme ten aanzien van deze merkwaardige koppeling smolt bij ons al snel weg als sneeuw voor de zon. En het feit dat Lynn al heeft laten doorschemeren graag nog een tweede plaat met White te willen opnemen wordt hier ondertussen zelfs al een beetje op gejuich onthaald. Het door de twee op “Van Lear Rose” tussen honky-tonk en gitaarrock voltrokken huwelijk is er één dat wat ons betreft nog jaren mag standhouden en nog veel kleine “boelekes” mag opleveren.

www.lorettalynn.com

 

 

MOONSHINE REUNION

“Moonshine Reunion”

(Demo)

(3) J J J

 

Als een feniks herrezen uit het as van Los Fabulous Frankies: Moonshine Reunion! Een lekker dubbelzinnige naam – Bewust of onbewust? – voor een lekker spannend nieuw groepje. Wat deze vijf Mechelaars op hun demo laten horen smaakt alvast naar meer. Veel meer zelfs! Country, rockabilly, blues, rock & roll, americana… het kan hier allemaal. En heel erg harmonieus bovendien ook nog. Het aanstekelijke “Boogie Time” bijvoorbeeld voltrekt het zowat perfecte huwelijk tussen blues en rockabilly – met opvallend prominent smoelschuifwerk van Eric Nobels. En “Moonshine” en het op een voorzichtig Cash-ritme rondhossende “I’m All Alone” zijn country(rock) van een niveau dat je in ons land helaas niet al té vaak voorgeschoteld krijgt. En dan zijn er nog “Life”, speelse qua ritme een weinig naar Tex-Mex overhellende americana, “Ain’t Got A Nickel”, waarin de blues even de bovenhand krijgt, en het dampende “Unknown Territory”, een potje bijzonder stevige roadhouse rock.

Toegegeven, aan de productie van het geheel zou nog flink wat gesleuteld kunnen worden – dat live-gevoel moet op die plaat, mannen! Maar de zes eigen liedjes, die staan er alvast al wel. En die laten er niet de geringste twijfel over bestaan, dat deze knapen live in staat moeten worden geacht tot één grote rootsrock party. Snel even checken is dan ook de boodschap. De zomer is immers nog lang en een wild feestje op zijn tijd is nooit weg…

www.moonshinereunion.com

Contact: info@moonshinereunion.com

 

 

DEMOLITION STRING BAND

“Where The Wild, Wild Flowers Grow:

The Songs Of Ola Belle Reed”

(Okra-Tone Records / Koch)

(3.5) J J J J

 

Voor langere tijd in de wagen rondslingerende cassettes of CD’s kunnen tot de meest uiteenlopende resultaten leiden. Op mezelf heeft het kort na elkaar beluisteren van steeds weer dezelfde muziek meestal niet het door de betrokken artiest gewenste effect. Ik vertoon namelijk de neiging om dingen nogal snel beu te raken op die manier. De vrouw des huizes wil zodoende echter wel geregeld een artiest of act oppikken die je haar nu niet meteen zou hebben toegedicht. En Elena Skye van de Demolition String Band raakte zo zelfs in die mate verslingerd aan de muziek van Ola Belle Reed, dat ze besloot om met haar muzikale partner Boo Reiners en gastmuzikanten als Mike Bub van de Del McCoury Band en Lisa Gutkin van The Klezmatics een volledig akoestisch eerbetoon aan deze “muze van de Blue Ridge Mountains” in te spelen. Een behoorlijk eindje verwijderd van het twangy spul op hun twee voorgaande platen kiezen Skye en Reiners hier voor een ouderwetse gezondheidswandeling doorheen een muzikaal landschap gedomineerd door akoestische instrumenten als de fiddle, de akoestische gitaar, de bas, de banjo en de mandoline. Op die manier wordt stokoud materiaal als “High On A Mountain”, “My Epitaph”, “Sing Me A Song” en “Where The Wild, Wild Flowers Grow” – gebracht samen met Mary Huff van Southern Culture On The Skids - op behoorlijk overtuigende wijze nieuw leven ingeblazen. Wat voor de in 2002 overleden Ola Belle Reed met zich meebrengt, dat ze – zoals dat helaas wel eens vaker het geval blijkt – postuum plots meer in de kijker loopt dan dat bij leven en welzijn nog het geval was. Misschien moesten we met z’n allen deze plaat dan ook maar beschouwen als een open invitatie om Reed ook zelf een beetje beter te leren kennen…

www.demolitionstringband.com

www.okra-tone.com

Miles Of Music

 

 

SAND SHEFF

“Free On This Mountain”

(Upheaval Dome Music / Country Road Productions)

(3.5) J J J J

 

“Free On This Mountain” is de nieuwe plaat van een ons tot dusverre volslagen onbekend artiest. Nu is dat an sich niet zo speciaal, want dat soort confrontaties gaan we hier alsmaar vaker aan. Americana zit als genre nu eenmaal stevig in de lift en je kan niet alles kennen… Maar wat belangrijker is, deze Sand Sheff viel ons al van bij de eerste beluistering in positieve zin op. De man is gezegend met een bijzonder aangename, lekker warme (wat bruine) stem en is bovendien een erg knap songwriter. En daarenboven blijken zijn liedjes ook nog eens te zijn ingebed in een perfect aan zijn manier van zingen beantwoordende muzikale lappendeken. Bluegrass, folk, ouderwetse kampvuurcountry en tal van andere genres versmelten hier tot één ravissant geheel. Mooie luisterliedjes als het met Cindi Trautmann gebrachte duetje “Praying For An Angel”, de door de Reeltime Travelers – die je wellicht kent van hun bijdrage aan de “Cold Mountain”-soundtrack – aangezwengelde mountain country van “Gamblin’ Greta”, het licht jazzy titelnummer en het ingetogen “That Old Horse” zouden als je ’t ons vraagt dan ook best wel eens in de smaak kunnen vallen bij mensen die bijvoorbeeld de laatste van Tom Russell of het verzamelde werk van Ian Tyson tot hun favoriete luistervoer rekenen.

Miles Of Music

 

 

WARREN HAYNES

“Live At Bonnaroo”

(ATO / Evangeline / Munich)

(3.5) J J J J

 

Warren Haynes behoeft allicht nog weinig voorstelling. Maar just in case… De man hanteerde jarenlang de gitaar achter countrylegende David Allan Coe. En het was ook via deze laatste dat hij in contact kwam met Dickey Betts en Greg Allman. Die waren zodanig onder de indruk van Haynes’ stem en zijn spel, dat ze hem al snel bij de Allman Brothers Band inlijfden. En daaruit zouden dan weer de nodige contacten voortvloeien voor ’s mans eigen behoorlijk succesvolle band Gov’t Mule.

Echt bevreemdend hoeft het dus ook helemaal niet te klinken, dat Haynes, nadat hij hem op zaterdag met de Allman Brothers al flink van jetje had gegeven op het gerenommeerde Bonnaroo Festival, op zondag ook nog even beurtelings de akoestische en elektrische gitaar omgordde om er zich erg vroeg op de middag aan een soloset te wagen. Openen deed hij er met “Lucky” van Radiohead’s “OK Computer” om vervolgens via zijn eigen Jerry Garcia-eerbetoon “Patchwork Quilt” en diens “To Lay Me Down” bij een trits Gov’t Mule-favorieten te belanden. Verder vond hij en passant ook nog de tijd voor mooie vertolkingen van “Glory Road” (Ray Sisk), “One” (U2), “I’ve Got Dreams To Remember” (Otis Redding), “Wasted Time” (Eagles) en “Stella Blue” (Grateful Dead).

Bijna tachtig soulvolle minuten in het gezelschap van een man en zijn gitaar waren voor de aanwezigen het prettige gevolg. CD-gewijs voor sommigen wellicht van het goede wat al te veel. Maar, neemt u dat rustig van ons aan, in wat kleinere doses genuttigd zijn Haynes’ doorleefde zang – een soort van Joe Cocker light – en zijn werkelijk onberispelijke en uitermate expressieve gitaarspel nauwelijks te weerstaan.

www.mule.net

www.evangeline.co.uk

www.munichrecords.com

 

 

JACK INGRAM

“Acoustic Motel”

(4) J J J J

“Live At Gruene Hall – Happy Happy…”

(4) J J J J

(Real American Music)

 

Wat betreft écht nieuw werk is het al een poosje behoorlijk stil rond de Texaanse singer-songwriter Jack Ingram. Sedert de commercieel eerder tegenvallende prestatie van het nochtans uitstekende tweeluik “Electric” / “Electric: Extra Volts” lijkt deze voormalige protégé van Steve Earle wat dat betreft een beetje op een zijspoor te zijn beland. (En het zou ons zelfs in het geheel niet verbazen mocht hij één dezer weer bij een andere platenfirma opduiken.) Geen nood echter ondertussen, want Ingram is een man die weet hoe hij zijn fans te vriend moet houden. Niet zo heel erg lang geleden bespraken we hier zo bijvoorbeeld al de CD’s “Live At Billy Bob’s Texas” en “Young Man”, respectievelijk een live-plaat en een compilatie puttend uit zijn eerder moeilijk verkrijgbaar vroegwerk. En nu is er alweer een dubbele worp nieuwigheden. Het betreft de albums “Acoustic Motel” en “Live At Gruene Hall”. Opnieuw twee live-platen, waarbij de eerste akoestischerwijze focust op de liedjesschrijver Ingram, terwijl de andere nog maar eens duidelijk laat horen waarom de man in Texas de reputatie geniet één van de beste countryrockers van het moment te zijn.

“Acoustic Motel” werd op 14 februari van vorig jaar ingeblikt in het Cactus Theater in Lubbock. En geheel in lijn met de grote plaatselijke singer-songwritertraditie ploegt Ingram zich daarop met zijn lekker gruizige stem een weg doorheen vijftien veelal eigen liedjes, zichzelf daarbij uitsluitend begeleidend op de akoestische gitaar. Bijna terloops werpt hij zich ook op als een boeiende verteller, die met zijn bindteksten zijn publiek steeds weer weet te vermaken. Als hij bijvoorbeeld met de tong diep in de wang geplant uitlegt waarom hij liever geen hit scoort dan maar één, kan je bijna niet anders dan lachen. Maar de nadruk ligt natuurlijk vooral op klasse liedjes als “Hey You”, “Flutter”, “Drive On”, “Nothing Wrong With That (Beat-Up Ford, Pt. 2)”, “Mustang Burn” en “Biloxi”.

“Live At Gruene Hall – Happy Happy…” werd op de kop af twee maanden eerder geregistreerd in die andere Texaanse muziektempel in Gruene. Daar trad Ingram aan met z’n voltallige Beat-Up Ford Band, bestaande uit Pete Coatney (drums), Bukka Allen (Hammond B3, piano), Robert Kearns (bas, zang) en Jens Pinkernell (elektrische gitaar). En dat resulteert zoals gezegd uiteraard in een totaal ander, stukken steviger geluid. In zoverre dat zelfs de negen overlappingen met “Acoustic Motel” – in onze ogen althans – absoluut niet storend werken. Verder strooit Ingram vanzelfsprekend gul met publieksfavorieten in het rond. Het snedige, samen met Todd Snider gepende “Barbie Doll” – zijn enige hit op wat grotere schaal tot dusverre – is er bijvoorbeeld zo één. En ook het als eerbetoon voor wijlen Waylon Jennings bedoelde “Only Daddy That’ll Walk The Line” kan op behoorlijk wat bijval vanwege de talrijk opgekomen aanwezigen rekenen. Dat liedje vind je overigens aan het eind van de plaat ook nog eens in z’n studioversie terug.

Concluderend kunnen we stellen, dat deze platen eigenlijk alleen maar bevestigen wat we eigenlijk al lang wisten. Met name dat Jack Ingram een uitstekend singer-songwriter en performer is. En eigenlijk zou gewoon iedereen die de Steve Earle van voor zijn politieke wedergeboorte wel naar waarde weet te schatten hier ook aan moeten. Wij kijken alvast weer met de nodige belangstelling uit naar zijn volgende studiowerk.

(p.s.: Ook de CD “Live At Billy Bob’s” blijft ondertussen van harte aanbevolen! En da’s heus niet alleen een kwestie van het plaatje compleet te houden….)

www.jackingram.net

www.realamericanmusic.com

 

 

MARAH

“20,000 Streets Under The Sky”

(Munich)

(4) J J J J

 

The story so far van Marah, het vanuit Philadelphia aardig om zich heen schoppende gezelschap rond de broertjes Dave en Serge Bielanko is naar we mogen aannemen genoegzaam bekend. Met hun in 1998 verschenen debuut “Let’s Cut The Crap And Hook Up Later On Tonight” en het twee jaar later op de wereld losgelaten en al het goede wat over die eersteling gezegd en geschreven werd niet alleen bevestigende maar zelfs ruimschoots overtreffende “Kids In Philly” verdienden de heren zich voor velen een plaatsje in het rijtje Stones (in hun “Exile On Main Street”-jaren dan wel) – Replacements – Clash – Springsteen. En vooral de vergelijking met Paul Westerberg en de zijnen leek ons daarbij nogal steek te houden. In zoverre zelfs dat “Kids In Philly” van ons een plaatsje kreeg naast één van onze all-time favorites, het lichtjes fantastische “Don’t Tell A Soul” van The Replacements. Maar dan kwam plots die veelbesproken derde… Het in Groot-Brittannië met Owen Morris (Oasis, The Verve) ingeblikte “Float Away With The Friday Night Gods” was niet alleen in onze ogen een echte draak van een plaat. Britpop van een bijzonder bedenkelijk allooi was het. En volkomen terecht dus ook terug naar af voor Marah.

Het is derhalve niet echt verwonderlijk te noemen, dat de Bielanko-broertjes eieren voor hun geld kozen en voor hun nieuwste “20,000 Streets Under The Sky” opnieuw resoluut het pad gingen bewandelen dat ze al met die fameuze tweede van hun hadden ingeslagen. En dus is het op dat in een “east side” en een “west side” onderverdeelde album ook weer flink genieten geblazen. Energieke rock & roll voert immers weer ouderwets lekker de boventoon. Zo klinken “Freedom Park” en “Sure Thing” opnieuw als een zwaar onder de steroïden zittende Springsteen, opent “Going Thru The Motions” met een aan iets van Primal Scream – “Rocks” meer bepaald – verwante intro en is het met Dave Bielanko wild op de banjo te keer gaande en met zijn broers fulminante harmonicaspel afgezoomde “Pigeon Heart” gewoon onweerstaanbaar energieke roots rock. En ja, op de wat rustigere momenten als “Feather Boa”, “Tame The Tiger” of “Soda” mogen ook de Westerberg-vergelijkingen weer even van stal. Moeten we er nog bij vertellen, dat we deze verloren gewaande zonen maar wat graag weer stevig aan onze boezem drukken?

www.marah-usa.com

www.munichrecords.com

 

 

ED BURLESON

“The Cold Hard Truth”

(Palo Duro Records)

(4) J J J J

 

De man, die wijlen Doug Sahm compleet uit de bol deed gaan met het ruwe materiaal voor zijn vorige CD (“My Perfect World”) en hem zelfs zo ver kreeg om die plaat te produceren en ook zelf eindelijk weer eens een countryplaat te gaan opnemen, laat op zijn nieuwe CD “The Cold Hard Truth” horen, dat hij het ook zonder de helpende handen van zijn mentor kan. Dat is immers opnieuw hard core Texas country van het allerbeste soort. Wie zich zo stilaan mocht beginnen afvragen, waarom hij ooit van country is gaan houden, is bij Burleson alleszins aan het juiste adres. Ver weg van de confectielijnen van Nashville presenteert de beste man hier opnieuw veertien goede redenen om je bij het legertje van de “echte gelovigen” laten in te lijven. Negen daarvan zijn eigen liedjes. Daarnaast brengt hij ook het hem door Daniel Ross McCoy echt op het lijf geschreven “Honky-Tonk Heart”, Willis Allen Ramsey’s “Northeast Texas Women”, “I Can’t Help Myself” van Tommy Alverson, Loudon Wainwright III’s “Dead Skunk” en “Heart Break Highway” van Clay Blaker (voorzien van een intro door Doug Sahm).

Burleson wordt door insiders al een poosje gezien als dé grootste belofte van het honky-tonk genre en dit door Tommy Alverson geproduceerde album lijkt die visie alleen maar te bevestigen. Zwierige dansvloervullers als het aan Buck Owens geadresseerde “All Bucked Up”, het eerder al vermelde tweetal “Honky-Tonk Heart” en “I Can’t Help Myself”, het old-timy titelnummer of het nu al klassieke “If You Wanna Go (Just Go)” zullen Burleson wereldwijd bosjes nieuwe vrienden opleveren. En terecht ook!

www.edburleson.com

www.palodurorecords.com

 

 

KIM CARNES

“Chasin’ Wild Trains”

(Sparky Dawg Music)

(3.5) J J J J

 

Kim Carnes ken je wellicht nog wel als de schuurpapieren stem achter het fraaie pophitje “Bette Davis Eyes” ergens aan het begin van de jaren tachtig. Dat liedje en het erbij horende album “Mistaken Identity” zouden haar voor eens en voor altijd met het predikaat “vrouwelijke Rod Stewart” opzadelen. En met wisselend succes zou ze in de jaren die volgden nog tal van zeer mooie dingen aan – toen nog – vinyl toevertrouwen, maar dan werd het plots heel erg stil rond Carnes. Pijnlijk enerzijds, maar anderzijds stelde het haar ook wel in de gelegenheid om eens serieus te gaan herbronnen. En zo geschiedde dan ook.

Voor haar nieuwe album nam ze zich ruimschoots de tijd. Ze zocht en vond geschikte schrijfpartners in mensen als Chuck Prophet, Kim Richey, Matraca Berg, Al Anderson, Jeff Hanna (Nitty Gritty Dirt Band), Angelo en Anders Osborne. En dan weet je ’t wel zo ongeveer, he? Op het in Nashville ingeblikte “Chasin’ Wild Trains” profileert La Carnes zich inderdaad geheel en al anders als op haar eerder plaatwerk. Ze verdient met haar nieuwe CD wat ons betreft een plaatsje ergens in de buurt van grote madammen als de hier eerder al even vermelde Kim Richey. Rootsy pop en country vormen immers voortaan de sleutelwoorden tot haar oeuvre. Laat je verrassen door het met rinkelende gitaartjes opgeluisterde “All About Time”, het ronduit verbluffend mooie, samen met de onvolprezen Chuck Prophet gebrachte “Lucid Dreams”, de al even fraaie ingetogen rootspop van het mede door Anders Osborne gedragen “Runaway” en het met Matraca Berg ingezongen “If I Was An Angel” of het lekker wegrockende “You Made My Skin Burn” en je zal het al snel met ons eens zijn, dat we hier te maken hebben met een zeer aangenaam weerzien. Het mooiste liedje hebben we dan overigens nog niet eens vermeld. Dat is wat ons betreft immers het met een speels accordeon ingekleurde “Too Far Gone” dat Carnes samen met Kim Richey pende. Deze laatste en Matraca Berg waren bovendien ook van de partij bij de opname ervan. En dat helpt natuurlijk ook…

www.kimcarnes.com

CD Baby

 

 

BOBBY FLORES

“Festival Favorites”

(Yellow Rose Records)

(3) J J J

 

Bobby Flores geniet vooral in Texas terecht een stevige reputatie als sessiemuzikant en producent van andermans werk. Maar dat hij ook op eigen houtje een best wel aardig potje traditionele country aankan, bewees deze fiddlevirtuoos nog niet zo heel erg lang geleden met het knappe “Just For The Record”. En voortaan is er nu ook “Festival Favorites” om die stelling nog wat kracht bij te zetten. Dat is een plaat uitsluitend gevuld met nieuwe versies van veelal stokoude liedjes van ondermeer Bob Wills en Ray Price, rangerend van opgewekte Western swing en voorzichtige shuffles tot klassiek honky-tonkverdriet en zelfs een jazzy instrumental. Titels, vroeg u? “Danny Boy”, “South Of Border”, “Twenty Fourth Hour”, “I’ll Have Somebody Else (As Soon As You’re Gone)”, “Keeper Of My Heart” en “I’ve Got A Brand New Heartache” zijn wellicht de bekendste van het stel. Allemaal stijlvol gezongen, vakbekwaam ingespeeld en verzorgd geproduceerd. Goed zondermeer dus. En wie zijn country nog graag op traditionele wijze bereid weet zal hier dan vast ook wel met het nodige plezier aan willen.

www.bobbyflores.com

www.yellowroserecords.com

www.CD-Tex.com

 

 

KARL BROADIE

“Everybody’s Gold”

(Laughing Outlaw Records / Bertus)

(4) J J J J

 

De in 1997 in het Australische Sydney verzeild geraakte Schotse singer-songwriter Karl Broadie tekende wat ons betreft met “Nowhere Now Here” voor één van de mooiste platen van het voorbije jaar. Het regende in de vakpers als het ware vergelijkingen met ronkende namen als Steve Earle, Bob Dylan, Townes Van Zandt, Tom Waits, Neil Young en Wilco, maar op de keper beschouwd is Karl Broadie toch vooral zichzelf, vinden wij. En eigenlijk valt het ons best wel moeilijk om aan te geven wat de man voor ons nu precies zo speciaal maakt. Is het zijn wat aparte, tegelijk heel erg breekbare en diep melancholische stem? Zijn het zijn prachtige, wat herfstig aandoende rootsy folkliedjes? Is het de sfeervolle instrumentatie (fiddle, gitaren, blues harp, dobro, mandoline, banjo, accordeon)? Of gewoon een combinatie van al die factoren misschien? Wie zal het zeggen? Feit is, dat we die plaat ruim een jaar na haar release nog steeds met enige regelmaat blijven opzoeken. En dat – geloof ons vrij – is gezien ons vrij strakke werkschema een veelzeggend gegeven.

Broadie weet trouwens hoe hij zijn fans moet verwennen. In afwachting van zijn nieuwe CD, waaraan momenteel naarstig gewerkt wordt en die we volgens de laatste berichten volgend jaar mogen verwachten, pakt hij alvast uit met de 6 tracks tellende EP “Everybody’s Gold”. Gewoon tussen twee albums door opgenomen, “because it made sense for ‘songs’ reasons,” aldus de artiest zelf. Het gaat daarbij om een met veel respect voor het liedje ingeblikte cover van Townes Van Zandts “Like A Summer Thursday” en vijf nieuwe eigen nummers. In wezen wijkt het allemaal niet zo heel erg veel af van wat hij deed op “Nowhere Now Here”. En dus zijn wij opnieuw meer dan tevreden. Alleen al het door Melanie Horsnell – net als op de voorganger dus opnieuw prominent aanwezig - met prachtige harmonieën opgeluisterde “Oh How Softly” rechtvaardigt in onze ogen al de aanschaf van dit schijfje. Maar ook het met een lijzig bluesy ondertoontje gezegende “Gone, Gone, Gone” of het wonderschone ingetogen australiana-pareltje “Words You Wrote” helemaal aan het eind van de plaat droegen van meet af aan onze goedkeuring weg. Het zou ons dan ook in het geheel niet verbazen, mocht deze plaat net als haar voorganger uitgroeien tot een echt blijvertje.

www.karlbroadie.com

www.laughingoutlaw.com.au

www.bertus.nl