ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2007

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

The Red Button “She’s About To Cross My Mind” - Patty Booker “Fire & Brimstone”Ellis Hooks “Another Saturday Morning”The Sprague Brothers “Best Of The EssBee CD’s Vol. 2” - Edo Donkers “Warning Signs”Janse Bagge Bend “Laif – De Sjlaag Om Ernesto’s” - Max Stalling “Topaz City”Terri Hendrix “The Spiritual Kind”Mark Davis “Don’t You Think We Should Be Closer” en “Mistakes I Meant To Make” - Richard Shindell “South Of Delia”Loudon Wainwright III “Dead Skunk – The Complete Columbia Collection”Mark Lennon “Gotta Be A Big Man”Nick Lowe “At My Age”Rodney Hayden “Down The Road” - David Gogo “Acoustic – Official Bootleg Series Volume 2”Jim Stanson “Heart Full Of Fire” - The Salty Dogs “Autoharpoon”Doug Ploss “Cowgirl Tattoo”Brad Colerick “Lines In The Dirt”Clare Burson “Thieves”City Fritter “From The Ocean To The Desert”The Molenes “This Car Is Big”Bill Bourne “Boon Tang”The Robber Barons “Kerosene Communion”Amy Speace “Songs For Bright Street” - Southern Tenant Folk Union “Southern Tenant Folk Union”Bruce Robison “It Came From San Antonio” - Kate Wallace “Politics & Religion”Kelly Flint “Drive All Night” - Notre Dame de Grass “New Canada Road”Brock Zeman & Dan Walsh “The Bourbon Sessions”The United Steel Workers Of Montreal “Kerosene & Coal”Nathan “Key Principles”Robert McEntee “The Coin Of The Realm” - Buffalo Tom “Three Easy Pieces”Half Knots “Color Them Blue” - Jason Isbell “Sirens Of The Ditch”Ronny Elliott “Live”Marty Stuart “Compadres – An Anthology Of Duets” - Sam Baker “Pretty World”Gurf Morlix “Diamonds To Dust”Wrinkle Neck Mules “The Wicks Have Met”Jack Sundrud “By My Own Hand”Cory Morrow “Ten Years”

 

THE RED BUTTON

“She’s About To Cross My Mind”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(5) J J J J J

 

 

 

Wat een geweldige plaat! “She’s About To Cross My Mind” van The Red Button, een vanuit L.A. actief duo bestaande uit singer-songwriters Seth Swirsky en Mike Ruekberg, vertaalt op bijzonder aanstekelijke wijze het beste van de beatjaren zestig naar het hier en nu. Prachtige meerstemmige zang, rinkelende gitaartjes all over the place en vooral ook ronduit fantastische liedjes, het ene al mooier dan het andere. De Beatles komen je regelmatig voor de geest (“Cruel Girl”, “She’s About To Cross My Mind”, “Free”, “Hopes Up”), maar ook de Byrds (“Can’t Stop Thinking About Her”), de Sir Douglas Quintet (“Gonna Make You Mine” – Dat orgeltje!) en vele, vele anderen. Een ongelooflijk gevoel voor ijzersterke melodieën hebben deze twee knapen! Dit zijn liedjes zoals Paul McCartney ze al jaren niet meer maakt! Voor ons zondermeer dé zomerplaat van 2007!

The Red Button

Miles Of Music

 

 

PATTY BOOKER

“Fire & Brimstone”

(Tres Pescadores)

(4) J J J J

 

 

Hoewel ze met “99” in 1992 al op deel drie van de heerlijke “Town South Of Bakersfield”-compilatiereeks kon worden aangetroffen, zou het nog tot 1999 duren voor Patty Booker op relatief late leeftijd debuteerde met “I Don’t Need All That”. Die door Jann Browne en haar partner Matt Barnes geproduceerde plaat mocht zowat overal ter wereld op uiterst lovende kritieken rekenen. Vreemd dan ook, dat het tot 2003 duurde voor we via het met voormalig Dave Alvin-gitarist Rick Shea gedeelde “Our Shangri-La” weer iets van Booker mochten vernemen. En al helemaal, dat het nog eens vier jaar langer zou aanslepen voor ze met haar eigen tweede CD uitpakte.

Nu ja, het lange wachten heeft wel de moeite geloond! “Fire & Brimstone” is immers andermaal een ijzersterke plaat geworden. Wat daarop vooral opvalt, is de veelzijdigheid van Booker. In een met Walter Clevenger en Wyman Reese gedeelde productie toont de zingende jonge grootmoeder, dat ze van heel wat markten thuis is. “The Hell That I’ve Been Through” is zo bijvoorbeeld honky-tonk van het allerpuurste soort, “Don’t Go Back To Sleep” een heerlijke countryrocker “the L.A. way”, het volop van een broeierige toetsenbijdrage van Reese profiterende “Please Don’t Lie To Me” flirt nogal opzichtig met soul, “Momma Knows”, met harmony vocals van Jann Browne en Matt Barnes, doet hetzelfde met Western swing, de trage “It’s Been Nice Knowing You” gaat voor een flinke dosis tranen in je bier, “The One-Way Hula” staat met één been in de rock & rolltraditie van de jaren zestig en met het andere ergens op Hawaï, “If I Believed In God” heeft iets met gospel, “Wake Up Little Baby” met R&B, blues en country tegelijk en “This Photograph” heeft zowaar een groot pubrockhart, vergelijkbaar met dat van pakweg een Dave Edmunds of een Nick Lowe. Kortom, variatie troef hier en ons verdict luidt dan ook: uitstekende plaat!

Patty Booker

Tres Pescadores Records

Miles Of Music

 

 

ELLIS HOOKS

“Another Saturday Morning”

(Evidence / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Ellis Hooks manifesteert zich op z’n nieuwe CD “Another Saturday Morning” andermaal als een waardige erfgenaam van soulgrootheden als een Wilson Pickett, een Sam Cooke, een Don Covay, een Otis Redding of een James Brown. En ook ditmaal wordt de “Godson of Soul” daarbij vakkundig bijgestaan door producer-multi-instrumentalist Jon Tiven. Die helpt hem aan een geluid, waarvoor hij drie tot vier decennia geleden ongetwijfeld door Stax of Atlantic zou zijn binnengerijfd. Hooks beperkt zich daarbij zelf uitsluitend tot de zangpartijen. Tiven van zijn kant doet het ondermeer op diverse gitaren, sitar, piano, Hammond, alt- en tenorsax, drums en tal van percussie-instrumenten, diens vrouw Sally beroert de bassnaren en met Mat Reale, Chester Thompson, Todd Snare, Billy Block, Craig Krampf, Simon Kirke en Greg Morrow passeert een klein leger aan drummers de revue. Met zestien originelen zingt Hooks zich hier op passionele, welhaast klassieke wijze in de gunst van liefhebbers van deep soul the Memphis way. Groots!

Evidence Music

Bertus

 

 

THE SPRAGUE BROTHERS

“Best Of The EssBee CD’s Vol. 2”

(El Toro Records / Bertus)

(3) J J J

 

 

Die van de uit Wichita Falls afkomstige Texaanse sixties revival act The Sprague Brothers zijn wat je noemt “Big in Japan”. Zó groot zelfs, dat ze de voorbije jaren voor hun eigen EssBee-label vier CD’s inblikten speciaal bestemd voor de gretige Japanse markt. Het Spaanse El Toro Records maakt er nu werk van om het beste van die platen ook aan ons, Europeanen, aan te bieden. Net als zijn voorganger put volume twee van “Best of the EssBee CD’s” uit materiaal van voorheen wereldwijd in eerder beperkte hoeveelheden verkrijgbare albums, meer bepaald “Three” uit 2001, “Rockabilly” en “Covers” uit 2002 en “Instrumental Party” uit 2003. En daarop was het altijd weer een beetje jaren zestig. Zij het aan de hand van gitaarinstrumentals à la “Wailin’”, “Goldfinger”, “Pickin’ Peppers” of “Diamond Head”, adaptaties van bekendere nummers uit die periode als “Sea Cruise”, “So How Come” of “Beep Beep”, billy-stampertjes genre “Down The Line” en “Gotta Get You Near Me Blues” of uit hetzelfde vaatje tappend eigen (rock & roll)materiaal. Vooral voer voor de nostalgisch ingestelde medemens, lijkt ons dit.

The Sprague Brothers

El Toro Records

Bertus

 

 

EDO DONKERS

“Warning Signs”

(Inbetweens / Clear Spot)

(3,5) J J J J

 

 

Een plaat met een wat aparte ontstaansgeschiedenis, deze “Warning Signs” van de Nederlandse singer-songwriter Edo Donkers. Voor het schrijven van de liedjes erop liet die zijn thuisland immers voor enkele maanden achter zich en trok naar de Griekse Cycladen. In het mythische kader van de fraaie landschappen om de Egeïsche Zee zocht en vond hij de inspiratie voor twaalf songs, waarvan er uiteindelijk tien op “Warning Signs” zouden belanden. Niets wat tot hiertoe een americanaplaat verraadt. Dat wordt echter wel even anders, als we het lijstje betrokkenen bij het tot stand brengen van het eindresultaat overlopen. Ingeblikt werd het geheel in Leon’s Farm, de inmiddels een flinke reputatie genietende studio van Léon Bartels in Boekend, in de buurt van Venlo. Voor de productie ervan tekende de ook van zijn werk met ondermeer JW Roy bekende Gabriël Peeters. Andere meteen in het oog springende bijdragen zijn er van BJ Baartmans en vooral ook van de Texaanse grootmeester Stephen Bruton. Beide heren tekenen als naar goede gewoonte voor een voortreffelijk potje snarenwerk. Dat laatste komt vooral goed tot zijn recht in wat meer richting roots rock neigende songs als het titelnummer, “Steal A Little Time” en het stuiterende “Pure Sexual Thrill”, een liedje over een in een trein met de benen weinig tot de verbeelding overlatend over elkaar gekruist tegenover de auteur zittende schone, die net iets meer dan alleen maar zijn gedachten voor een tijdje beheerst. Elders ligt het tempo veelal een stuk lager. Op die momenten, zoals in de fraaie road song “Driving Down To Baltimore”, het mede door het gitaarwerk van Baartmans een weinig bluesy aandoende “Last Junction Home” en het tekstueel duidelijk door zijn tijdelijke verblijfplaats geïnspireerde “Still Sheer Delight”, herinnert Donkers ons beurtelings aan Jackson Browne en Jeff Talmadge. En aangezien die heren elk al een flink aantal platen op hun respectieve tellers hebben staan, die hier met enige regelmaat in de CD-speler belanden, gelden hun namen eigenlijk meer als aanbevelingen dan als referenties. Mooie plaat zondermeer!

Edo Donkers

Inbetweens Records

 

 

JANSE BAGGE BEND

“Laif – De Sjlaag Om Ernesto’s”

(Music Machine Records)

(3,5) J J J J

 

 

Op zaterdag 11 augustus aanstaande treden ze samen met andere popcoryfeeën als Status Quo, Marillion, Willy DeVille, Steve Harley & Cockney Rebel, onze eigenste Raymond van het Groenewoud en Wishbone Ash aan op Megaland Landgraaf voor de Pinkpop Classic 2007 en in afwachting daarvan is er nu alvast “Laif – De Sjlaag Om Ernesto’s”, een soortement live-visitekaartje vanwege de Janse Bagge Bend. Dat uit Nederlands Limburg afkomstige,  negenkoppige gezelschap geniet hier nog steeds vooral bekendheid dankzij het feestnummer “Sollicitere”, een cover van de Spencer Davis Group-hit “Gimme Some Lovin’”, waarmee het in 1983 z’n eerste en vooralsnog ook enige echte hit wist te scoren. Wie de groep ooit live aan het werk zag, weet evenwel, dat ze veel meer in haar mars heeft dan dat. Net als die andere dialectgroep uit dezelfde buurt Rowwen Hèze staat ook de Janse Bagge Bend steeds weer garant voor een geslaagd feestje. (Die blazers!!!) Ambiance verzekerd, als ze materiaal van ondermeer Joe Jackson, Tammy Wynette, Van Morrison (het tot “Raegejas” omgedoopte “Real Real Gone”), de Stranglers (“Nuuj Helde”, een vurige adaptatie van “No More Heroes”), Ray Davies en de Kinks (“Lola”), Shane McGowan en z’n Pogues (“Prakkezere”, “Fiëste Wie De Biëste” en “De Sjlaag Om De Koppeleberg”) en Them (“Proemevlaai” aka “Proemevlaai”) in hun moerstaal naar hun hand zetten. En deze live-compilatie van een aantal van hun beste momenten is dan ook zoals ze het zelf stellen een kroon op ruim 25 jaar Limbopop-historie.

Janse Bagge Bend

Music Machine Records

 

 

MAX STALLING

Topaz City

(Blind Nello Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

Sinds we hem in 1999 via zijn debuutplaat “Comfort In The Curves” eerder toevallig leerden kennen altijd met belangstelling blijven volgen, deze Texaan. Prachtige plaat was dat dan ook, net als z’n opvolgers “Wide Afternoon”, “One Of The Ways” en de live-CD “Sell Out” trouwens. Behendig bewandelde Stalling daarop het slappe koord tussen een singer-songwriterbestaan en “country the Lone Star way”. En precies dat doet hij ook op deze door R.S. Field geproduceerde vijfde van ‘m weer. Intelligente teksten worden verpakt in even onopdringerige als catchy country- en Americana-liedjes, waar je als fan van het genre wel moet van houden. Het met introverte blazers opgewaardeerde en door coming man Drew Womack van harmony vocals voorziene “If Only The Good Die Young” is er bijvoorbeeld zo eentje. “If only the good die young, I might live forever,” mijmert Stalling daarin, zichzelf vervolgens geruststellend met de gedachte, dat je in dit aardse bestaan eigenlijk niet veel meer kan doen dan je best. Het geeft enigszins aan, in welke richting het gros van ’s mans liedjes dienen te worden gezocht. Enkele luistertips van onzentwege: het vrolijk huppelende “Ping Pong, Pool”, titelnummer “Topaz City”, het melancholische “Skyview Cabaret” en de prachtige countrysleper “Lank & Lonesome & Low & Loose At Both Ends”.

Max Stalling

Amazon

 

 

TERRI HENDRIX

“The Spiritual Kind”

(Wilory Records)

(4) J J J J

 

 

Ze debuteerde plaatgewijs in 1996 met het ondertussen schier onvindbare “Two Dollar Shoes” en is met “The Spiritual Kind” inmiddels aan haar negende worp toe. En dat is na de kinderplaat “Celebrate The Difference” van twee jaar geleden opnieuw een regulier Terri Hendrix-album. Opgenomen met “the usual suspects”, te weten Lloyd Maines (gitaar, mandoline, dobro, dulcimer, banjo, pedal steel, papoose, harmonium, harmony vocals), Paul Pearcy (drums, percussie) en Glenn Fukunaga (bas), en gasten Riley Osbourn (keyboards), Bukka Allen (accordeon), Adam Odor (eveneens accordeon), Richard Bowden (fiddle), Michael O’Connor (harmony vocals) en de dezer dagen wel erg actieve Walt Wilkins (harmony vocals) en andermaal in een productie van Lloyd Maines groeit “The Spiritual Kind” gemakkelijk uit tot één van Hendrix’ beste platen so far. Twaalf nummers lang put ze uit een veelheid aan stijlen om daar uiteindelijk een lekker veelzijdige folkplaat aan over te houden. Nu ja, da’s het label dat ze er zelf op plakt, ons lijkt de term Americana minstens zo toepasselijk. Al was het maar omdat zich met die vlag nu eenmaal wat meer ladingen laten bedekken. En dat is hier echt wel nodig… “Mood Swing” is zo bijvoorbeeld een jazzy eerbetoon aan een aantal muzikanten, waardoor La Hendrix in de loop der jaren beïnvloed werd. “Things Change” en “If I Had A Daughter” zijn twee op z’n Mary Gauthiers, meer gesproken dan gezongen gebrachte prachtliedjes, een beetje twijfelend tussen folk en Americana. Het ene over het feit dat mensen voortdurend veranderen en gewoonlijk vergeten elkaar daarvan op de hoogte te houden, het andere over wat ze zou doen als ze een dochter zou hebben, wat ze die zo al allemaal zou kunnen bijbrengen. Titelnummer “The Spiritual Kind” is dan weer een uiteenzetting over haar eigen en de menselijke spiritualiteit over het algemeen, in het lichtjes naar bluegrass overhellende “Bottom Of A Hill” heeft ze het ondermeer over haar eigen thuis, het ingetogen “Acre Of Land” is een hommage aan het adres van haar overleden vriendin en mentor Marion Williams en “Soul Of My Soul” gewoon een liefdesliedje. En dan zijn er nog het met een leuk streepje mondharmonica opgefleurde countrybluesje “No Love In Texas” en het door een gesmaakte accordeonbijdrage eerder cajunesk uitvallende “Jim Thorpe’s Blues”, over de legendarische indiaanse atleet die zich uit voornamelijk racistische overwegingen van z’n olympisch goud beroofd wist in 1912, en de covers “Life’s A Song”, “Pastures Of Plenty” en “What Is The Colour Of The Soul”, knappe lezingen van die liedjes van respectievelijk John Hadley, Woody Guthrie en Jimmy Driftwood.

Mooi geheel!

Terri Hendrix

CD Baby

 

 

MARK DAVIS

“Don’t You Think We Should Be Closer?”

(3,5) J J J J

“Mistakes I Meant To Make”

(3) J J J

(Saved By Radio)

 

    

 

De naam Mark Davis zal hier en daar wellicht nog wel een belletje doen rinkelen, zeker? Zou eigenlijk ook wel moeten! Davis was immers jarenlang één van de kopstukken van Old Reliable. En van die uit het Canadese Alberta afkomstige countryrockgroep mogen wij ons graag nog platen als “Gone Are The Days” en “The Gradual Moment” herinneren.

Die Davis is nu terug. Van hem verschenen zopas simultaan de albums “Don’t You Think We Should Be Closer?” en “Mistakes I Meant To Make”. Het eerste van de twee is “een voldragen product”. Het resultaat van maanden aan schroeven en sleutelen in de opnamestudio. De tweede ontstond in amper drie dagen tijd. Het betreft daarbij een ingetogen collectie liedjes, die in al hun naakte eenvoud en ruwheid soms toch net iets minder weten te bekoren als die van het tegelijkertijd verschenen “Don’t You Think We Should Be Closer?” Sobere, enigszins duistere (Americana)luisterliedjes zijn het, die van een minimalistisch gehouden inkleding moeten leven. Pianootje hier, harmonicaatje daar, wat gitaren, toetsen, lap steel, trombone, glockenspiel en percussie en that’s it. Het zijn de klaaglijke stem, de aparte teksten en de vaak niet bepaald vrolijke liedjes van Davis, die het ‘m moeten doen.

Op “Don’t You Think We Should Be Closer?” zit alles gezien de inbreng van een hele batterij aan studiomuzikanten wat beter op z’n plaats. Wat de klankkleur van de liedjes betreft verschilt dat geheel al bij al niet zo heel erg veel van z’n tweelingsbroer. Maar dankzij gasten als Darrek Anderson (pedal steel), Robin Hunter (lap steel, lead- en slaggitaar), Shuyler Jansen (elektrische bas), Jody Johnson (akoestische en elektrische bas), Mike Silverman (drums en percussie) en zingende collega’s Romi Mayes en Sarah Wheeler komt het toch net een tikkeltje warmer over. En als wij zouden moeten kiezen tussen de twee, zouden we dan ook resoluut gaan voor deze plaat. Al was het alleen al maar om prachtsongs als het verstilde “Flowers In My Hand” (met Wheeler) en rockertje “Saved By Radio” (met Mayes) niet te moeten missen.

MySpace

Saved By Radio

 

 

RICHARD SHINDELL

“South Of Delia”

(Richard Shindell / Signature Sounds)

(4) J J J J

 

 

 

Singer-songwriter Richard Shindell doet het op “South Of Delia” uitsluitend met songs van anderen. Hij brengt op die nieuwe CD twaalf liedjes, waarvan hij vindt dat ze op de één of andere manier samen horen. Op het eerste gezicht schijnbaar weinig met elkaar gemeen hebbende nummers als “Acadian Driftwood” van Robbie Robertson, “Señor (Tales Of Yankee Power)” van Bob Dylan, “The Humpback Whale” van Harry Robertson, “Born In The U.S.A.” van Bruce Springsteen, “Mercy Street” van Peter Gabriel, “The Storms Are On the Ocean” van A.P. Carter, “Northbound 35” van Jeffrey Foucault, “Deportee (Plane Wreck At Los Gatos)” van Woody Guthrie, “Solo Le Pido A Dios” van Leon Gico, “Lawrence, KS” van Josh Ritter en de traditionals “Sitting On Top Of The World” en “Texas Rangers” krijgen een folky Americana-kleedje aangemeten en gaan op die manier verrassenderwijze inderdaad een hechte eenheid vormen. Sterkste momenten zijn de songs waarin Shindell wat vocale bijstand krijgt van z’n Cry Cry Cry-collega Lucy Kaplansky en Eliza Gilkyson (“Acadian Driftwood”, “Mercy Street”, “Northbound 35”, “Deportee” en “Lawrence, KS”). Maar ook z’n Dylan-cover, het met Richard Thompson op de elektrische gebrachte “Humpback Whale” en het in z’n onthaaste versie echt verbluffend mooi klinkende “Born In The U.S.A.” mogen er absoluut zijn.

Richard Shindell

Signature Sounds

 

 

LOUDON WAINWRIGHT III

“Dead Skunk – The Complete Columbia Collection”

(Acadia / Evangeline / Bertus)

(4) J J J J

 

 

Loudon Wainwright III staat dezer dagen vrij onverwacht weer volop in de belangstelling. Eerder dit jaar verscheen tot veler genoegen via het Britse Acacia-label al een dubbelaar met daarop ’s mans nog maar moeilijk verkrijgbare zesde en zevende, het indertijd bij Arista uitgebrachte tweetal “T Shirt” (1976) en “Final Exam” (1978). En dan is er uiteraard ook nog de actuele “buzz” om “Strange Weirdos”, zijn onlangs boven de doopvont gehouden samenwerking met Joe Henry voor de soundtrack van de film “Knocked Up”. En nu dus “Dead Skunk”. Het betreft daarbij andermaal een poging van Acadia om het verleden van vader Wainwright definitief uit het grote vergeetboek te bannen. Ditmaal biedt men ons verspreid over twee CD’s de drie platen aan, die Wainwright tussen 1973 en 1975 inblikte voor Columbia. Met name “Album III” uit ’72 (Naar onze bescheiden mening nog altijd zijn beste!), met ondermeer ’s mans enige hit “Dead Skunk” erop, “Attempted Moustache” uit ’73 en de halve live-plaat “Unrequited” uit ’75. Klinkt louter muzikaal gezien bij momenten een beetje gedateerd allemaal (Iets wat overigens voor wel meer als klassiekers bestempelde platen geldt, maar dat terzijde…), maar vormt anderzijds ook het onomstotelijke bewijs voor de stelling dat Loudon Wainwright III wel degelijk één van de allerbeste singer-songwriters van zijn generatie is. En ons zou je dan ook absoluut niet horen klagen, mocht men zich bij Acadia binnenkort ook nog buigen over een heruitgave van de andere platen, die de pa van Rufus en Martha vroeg in z’n carrière opnam.

Loudon Wainwright III

Acadia / Evangeline

 

 

MARK LENNON

“Gotta Be A Big Man”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(2,5) J J J

 

 

Mark Lennon kennen we vooral van zijn bijdragen aan het in Nederland behoorlijk populaire Amerikaanse West Coast-gezelschap Venice. Van de beste man verschijn eerstdaags de solo-CD “Rainbow Moon”. Het E.P.’tje “Gotta Be A Big Man” biedt nu alvast een voorsmaakje daarop. En wij helaas kunnen niet zeggen, dat we zwaar onder de indruk zijn van het erop gebodene. Lennon heeft een prachtige stem, dat zondermeer. Maar de songs zijn helaas niet allemaal even sterk te noemen. Zowel het titelnummer als bonus tracks “Don’t Say Maybe” en “Cricket” klinken naar ons gevoel gewoon een beetje al té synthetisch. ’n Beetje pop, ’n beetje blue-eyed soul, maar bovenal heel erg braafjes. Genre Lighthouse Family, zoiets. Wel erg mooi is de ontroerende afsluiter “You Know Me Dude (Song For Herman)”, een postuum eerbetoon aan het adres van een jeugdvriend van Lennon, die vorig jaar vlak voor de eindejaarsfeesten bij een verkeersongeval op tragische wijze om het leven kwam. Lennon schreef het liedje speciaal voor diens uitvaartplechtigheid. Het betreft een gevoelige pianoballade van Crowded House-kwaliteit. Zou als je ’t ons vraagt eigenlijk een veel betere singlekeuze geweest zijn.

Mark Lennon

Aanspreekpunt

 

 

NICK LOWE

“At My Age”

 (Proper Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Op de kop af zes jaren liggen er vervat tussen Nick Lowe’s laatste studioplaat “The Convincer” en zijn nieuwe worp. En da’s veel, veel té veel eigenlijk… Op zijn achtenvijftigste blijkt de Brit immers nog altijd in de vorm van zijn leven te verkeren. Op “At My Age”, zijn inmiddels toch ook alweer negende soloplaat, bewandelt hij andermaal het in ’94 met het ook al sublieme “The Impossible Bird” ingeslagen pad. Dat wil zeggen, dat hij opnieuw zijn heil zoekt in een lekker relaxt overkomende mengvorm van genres als Americana, country, R&B, soul en jazz. Het merendeel van de gebrachte nummers is eerder rustig van aard. Een enkele keer (country)rockt Lowe nog wel eens, zij het ook dan eerder bedaard. Heerlijk zijn met name die nummers, waarin blazers Matt Holland, Martin Winning, Chris Barber en Nick Payne en toetsenist Geraint Watkins met hun bijdragen het soulgevoel serieus mogen aanzwengelen. We denken dan bijvoorbeeld aan het als een zachte zomerbries voorbij waaiende “Long Limbed Girl”, de sleper “Love’s Got A Lot To Answer For”, het ongemeen broeierig overkomende “I Trained Her To Love Me”, “Hope For Us All”, openingsnummer “A Better Man” en zeker ook het zeer radiovriendelijke “Rome Wasn’t Built In A Day”. Ook erg fraai, het samen met good ol’ Chrissie Hynde gebrachte retro-popdeuntje “People Change” en de Charlie Feathers-cover “The Man In Love”, één van de meest uitgesproken countrymomenten hier.

“In my life I’ve done things, I’m not proud of,” zingt Lowe in opener “A Better Man”, maar daartoe hoeft hij deze CD wat ons betreft alvast niet te rekenen, want die is echt wel erg mooi. Zo en niet anders hoort blue-eyed soul dus te klinken!

Nick Lowe

Proper Records

 

 

RODNEY HAYDEN

“Down The Road”

(Palomino Records)

(3) J J J

 

 

Het in 2002 verschenen “The Real Thing” van Rodney Hayden was een echte wolk van een countryplaat. De jonge Texaan toonde zich daarop een traditionalist van het allerzuiverste soort en wist zich dan ook vrijwel meteen verzekerd van de onvoorwaardelijke sympathie van heel wat liefhebbers van het genre. Spijtig genoeg volstond dat niet voor evenredige verkoopscijfers. Ook niet voor “Living The Good Life”, de opvolger van zijn debuut uit 2003. En dus doet Hayden op zijn nieuwste wat zovelen uit de Lone Star State hem eerder al voordeden. Net als in het verleden bijvoorbeeld ook een Pat Green, een Cory Morrow of een Jack Ingram kruidt hij heel wat van de liedjes op het door hem zelf samen met Tommy Detamore geproduceerde “Down The Road” met een flinke snuif (country)rock. Dingen als het titelnummer, “It Goes By Too Fast” en “After The Sun Goes Down” zullen daardoor ook eerder aanslaan bij fans van pakweg een Robert Earl Keen dan bij zijn eigen aanhang van het eerste uur. Gelukkig voor ons blijft de beste man zijn eigen verleden hier en daar wel nog enigszins trouw. Zoals in de ronduit zalige border song “Nuevo Laredo” bijvoorbeeld. Of in het in duet met rising star Sunny Sweeney gebrachte “These Arms” ook. Dat laatste is honky-tonk op z’n best. Ook héél mooi: de door Detamore van fraai steelgitaarwerk voorziene ballades “Lonely Day” en “Midnight In Memphis”, de door swingende fiddles aangevuurde cowboy song “I’ll Ride Again” en het afsluitende “It’s been A While”, een soort van aan eigen herinneringen opgehangen country road song.

Rodney Hayden

 

 

DAVID GOGO

“Acoustic”

(Cordova Bay)

(4) J J J J

 

 

Met de nieuwe van David Gogo belandde zopas andermaal een prima CD van Canadese makelij op onze schrijftafel. En het einde lijkt wat betreft de vanuit die hoek deze richting uit denderende stroom ook nog lang niet in zicht. Iets waar we, afgaande op de kwaliteit van wat we de voorbije maanden reeds allemaal mochten begroeten, alleen maar blij kunnen om zijn!

Gogo’s tiende album is een zo goed als volledig akoestische aangelegenheid. Slechts voor een tweetal nummers werd zijn akoestische 1915 Gibson even ingeplugd, maar die bepalen uiteraard het sfeerbeeld absoluut niet. Wat door die no nonsense-benadering ontstaat, is een juweel van een plaat van een artiest, die zowel als zanger als als gitarist en songwriter van heel wat markten thuis is. “She’s Breakin’ Through”, één van de vijf Gogo-originelen hier, is zo Canadiana van het allerzuiverste soort. In dat liedje vertelt de man, daarbij vocaal bijgestaan door Tina Jones, het verhaal van zijn eigen overgrootvader, die in 1915 samen met achttien anderen op tragische wijze om het leven kwam bij een mijnramp in South Wellington. “Years Since Yesterday”, dat je ongetwijfeld al kent in de uitvoering van de Paladins, komt dan weer voorbij in een sloom stompende versie, Tony Joe White’s “As The Crow Flies” groeit uit tot een ongemeen intens streepje delta blues en zelfs het klassieke “Dust My Broom” klinkt in de handen van Gogo plots weer bijzonder okselfris. En dan hadden we het nog niet over de mede door een fabelachtige harmonicabijdrage van Michael Pickett ongemeen broeierig overkomende versie van de soul standard “That’s How Strong My Love Is”, over het door Gogo in Nashville samen met Gary Nicholson gepende “All I Can Do” en over de sublieme opener “It’s Killing Me”. Behoorlijk straffe kost allemaal! En als Gogo straks in het najaar de Lage Landen voor een aantal optredens aandoet, zal je ons vroeg of laat dan ook zeker ergens op de eerste rij aantreffen! Een weinig magie gegarandeerd!

 

zaterdag 29 september: Bluesnacht, Duiven, NL

zondag 30 september: Café De Witte Bal, Assen, NL

maandag 1 oktober: Spirit of ’66, Verviers, B

maandag 8 oktober: Banana Peel, Ruiselede, B

 

David Gogo

Cordova Bay

 

 

JIM STANSON

“Heart Full Of Fire”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Het indrukwekkende lijstje aan betrokkenen alleen al zou eigenlijk al moeten volstaan om je met betrekking tot deze plaat over de streep te trekken, maar daar houdt het dus absoluut niet mee op. Jim Stanson (aka Jim Okuniewski) is immers ook een dijk van een songwriter en een minstens zo goede zanger en gitarist en hij bewijst met “Heart Full Of Fire”, dat hij in het uitgebreide peloton achter genregrootheden als een John Hiatt, een Tom Petty en een Graham Parker aan hun weg zoekende rootsrockers een prominente plaats meer dan waard is. In het gezelschap van kanjers als Gurf Morlix (gitaar, slide en lap steel), “Scrappy” Jud Newcomb (slide), Kurt Johnston (pedal steel en dobro) en de ondermeer om zijn werk met Dylan en The Band bekende Jim Wieder (gitaar) houdt hij je dertien nummers lang in z’n ban. Heel wat van die liedjes ontstonden in een voor Stanson zelf behoorlijk moeilijke periode. En dat schept natuurlijk meteen een band. Door zijn eigen ervaringen te vertalen naar universeel herkenbare thema’s slaat Stanson de zo ongeveer perfecte brug naar zijn luisteraar. Als hij in het louter muzikaal gezien aan de Stones bij het begin van de jaren zeventig herinnerende titelnummer hees vraagt “Love gone wrong, love gone right, stay with me baby, don’t leave tonight,” dan is dat natuurlijk niet meteen grote poëzie, maar het slaat wel onmiddellijk aan. Enerzijds omdat de voor iedereen meteen herkenbare situatie erachter in een bijzonder catchy nummer verpakt werd, anderzijds omdat de slide van “Scrappy” Jud Newcomb en de rauwe zang van Stanson zelf hun effect bepaald niet missen. Andere zich meteen knus tussen je oren nestelende songs zijn de prachtige ballade “So Many Things”, gekruid met een wollige weldaad aan harmonica, pedal steel en Hammond B3, de door Gurf Morlix gitaargewijs in goede banen geleide de luxe rockertjes “Start All Over” en “Choose Your Poison” en de met diezelfde Morlix meer richting trage Americana evoluerende afsluiter “Never Feel The Same”. Maar vergis je vooral niet! Echt mindere momenten laten zich op dit schijfje absoluut niet aantreffen! Ergens tussen de al genoemde Hiatt, Petty, de Stones en Dylan vond de momenteel in Downington, PA residerende Stanson op overtuigende wijze een eigen stekje. Bijzonder lekkere plaat!

Jim Stanson

CD Baby

 

 

THE SALTY DOGS

“Autoharpoon”

(Big Bender / Hapi Skratch)

(4,5) J J J J J

 

 

Voor wie zijn country graag authentiek lust, houdt hier de zoektocht naar de eerstvolgende aanwinst voor de eigen collectie abrupt op. Beter dan dit worden ze immers niet al te vaak meer gemaakt. Net als op hun beide voorgaande platen, de E.P. “King Of Broken Hearts” en hun ronduit sublieme volwaardige debuutschijf “The Salty Dogs And Friends”, strooien de vier uit Little Rock, Arkansas ook op “Autoharpoon” weer kwistig in het rond met échte countrydeunen, waaruit onmiskenbaar een ernstige crush voor het werk van wijlen Buck Owens en iets recenter Dwight Yoakam blijkt. Spilfiguur binnen de groep is Brad Williams, die in tien van de twaalf gebrachte nummers een hand had. Enkel voor “Why You Been Gone So Long?” en “Take Time To Know Her” zocht men z’n heil elders, met name bij Mickey Newbury en Steve Davis. Het eerste krijgt gitaargewijs een swampy countryrockjasje aangemeten en dat blijkt het nummer bijzonder goed te zitten. Het tweede valt dan weer onder country soul de luxe. Bijzonder gloedvol spul!

De eigen songs laten zich grotendeels in twee categorieën onderverdelen. Enerzijds zijn er instant meezingbare swingertjes genre het met D.J. Fontana achter het drumstel ingeblikte “Starting Now” en “Another Sad Country Song”, anderzijds door Williams met zo’n heerlijke snik in de stem gebrachte slepers à la “The People Cried”, “Step Right Up” en “Water To Wine”. Buck en Dwight zijn daarbij nooit echt ver uit de buurt, tenzij dan misschien in “When My Blood Runs Cold”, waarvoor ontegensprekelijk The Man In Black model heeft gestaan, en in het eerste deel van het afsluitende tweeluik “Heaven’s Gates / Hell’s Flames”, waardoor heel even een gure blueswind waait.

Dijk van een plaat!

The Salty Dogs

Miles Of Music

 

 

DOUG PLOSS

“Cowgirl Tattoo”

(Fertile Ground Records)

(4) J J J J

 

 

Van een verrassing van formaat gesproken! “Cowgirl Tattoo”, de derde van de door een zware moustache, een donkere zonnebril en een stevige tatoeage op de bovenarm behoorlijk vervaarlijk ogende Amerikaanse singer-songwriter Doug Ploss, is het soort van album dat al na één enkele beluistering resoluut de weg naar je hart vindt. Een jarenlang volgehouden muzikaal dieet bestaande uit kleppers als een Waylon Jennings, een Johnny Cash, een Merle Haggard en een Hank Williams Jr. en verder ook tonnen bluegrass resulteert hier in materiaal dat onmiddellijk weet te beklijven. Met name door de samenzang met zijn wederhelft Tricia nodigt wat Ploss doet regelmatig uit tot een vergelijking met Buddy & Julie Miller. Dat is bijvoorbeeld het geval in het pittig countryrockende “Ain’t No Grave” en in het fraaie “Wayward Son”. Elders denk je vrijwel meteen aan Steve Earle (“High Desert Serenade” en “The Bag It Came In”), Cash (het ritmische “Nice Steak, Not Mine”), Shaver (“Under The Radar”) of The Hag (“Good Looker”).

Eén van dé absolute hoogtepunten op een CD vol daarmee is het net als de tattoo op zijn arm aan zijn vrouw opgedragen titelnummer. Als Ploss het daarin tegen een zacht jammerende steel heeft over “a permanent record of love for you”, ben je ogenblikkelijk geneigd hem te geloven. Oók voortreffelijk, een enigszins onthaast overkomende cover van de Johnny Cash-klassieker “Ring Of Fire”, die ook al zeer Buddy & Julie aandoet. En tenslotte willen we zeker niet nalaten om hier ook “You Were On His Mind” even te vermelden. Dat ergens tussen bluegrass en Americana strandende deuntje is één van de duidelijkste getuigenissen van de geloofsovertuiging van Ploss “this time around”.

Ijzersterke plaat!

Doug Ploss

CD Baby

 

 

BRAD COLERICK

“Lines In The Dirt”

(Back 9 Records / Proper)

(3,5) J J J J

 

 

Zo’n twintig jaar geleden belandde de carrière van singer-songwriter Brad Colerick “even” op een zijspoor. De man opteerde indertijd voor een wat zekerder bestaan door zich te gaan toeleggen op het maken van commercials. Maar het bloed kruipt zoals geweten waar het niet gaan kan en dus was hij er vorig jaar plots weer. Met “Cottonwood” leverde hij toen een meer dan geslaagde comebackplaat af. En met “Lines In The Dirt” doet hij nu zelfs nog een stuk beter. Als geen ander weet Colerick immers commerciële potentie aan artistieke geloofwaardigheid te koppelen. Door zijn fluwelen zang zal hij zonder ook maar de minste twijfel hogen ogen gooien bij liefhebbers van hitkanonnen als pakweg een George Strait, een David Ball of een Alan Jackson. En als liedjesschrijver kan hij zo in het rijtje Tom Russell - Lyle Lovett – Walt Wilkins. Ergens tussen Americana, country en folk haalt hij song na song weer zijn slag thuis. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het beklijvende “Juarez”. Da’s een story song om u tegen te zeggen. Zachte akoestische, subtiele steel, warmbloedige zang en dan zo’n prachttekst, meer moet dat voor ons absoluut niet zijn! En da’s dan nog maar één van de vele highlights hier! We noemen verder ondermeer ook nog het van een nostalgisch jazzy ondertoontje voorziene “Remember Me”, het met een snuifje cajun swing gekruide en door de verrukkelijke April Verch op haar fiddle aangejaagde “Let Her Fall In Love”, het louter muzikaal gezien ergens in het vaarwater van Lyle Lovett in zijn beste dagen strandende titelnummer, het met bluegrass flirtende “Dismal River Rain” en een prachtige, met Suzy Bogguss gedeelde cover van de Johnny Cash-hit “Ring Of Fire”. Zalig spul allemaal! En het zou ons dan ook heel erg verbazen, mocht deze man uit bittere noodzaak ooit nog eens terug commercials moeten gaan maken. Het zou alleszins zeer jammer zijn, want zo’n talent verdient het gewoonweg niet om verloren te gaan! Warm aanbevolen!

Brad Colerick

 

 

CLARE BURSON

“Thieves”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Met het vorig jaar verschenen EP’tje “Idaho” wist de bevallige Clare Burson ons al in hoge mate te charmeren. Liedjes als “Love Me In The Morning”, “Take Good Care”, “Blue Pearl” en “Long After Midnight” volstonden toen ruimschoots om ons wekenlang in de ban van haar ronduit geweldige stem te houden. En nu is er dus “Thieves”, haar eerste volwaardige langspeler sinds het in 2003 gemaakte “The In-Between”. In een met Fognode gedeelde productie en verder met de nodige hulp van bekende en minder bekende muzikanten als Kristin Mueller, Travis Vance, Dennis Cronin, Joe McMahan, John Leccesse, James Digirolamo, Peter Bradley Adams en Maggie Siskind trekt Burson daarop werkelijk alle registers open. Met die fameuze misthoorn van een stem van ’r haalt ze negen nummers lang bijzonder bezwerend uit. Het merendeel van de acht eigen liedjes die ze brengt strandt daarbij ergens tussen folk, rock en Americana. De enige vreemde eend in de bijt, een wel zeer aparte cover van de Hazelwood & Sinatra-hit “These Boots Are Made For Walking”, zou je alt. old time kunnen noemen. Haar eigen stem en een venijnig betokkelde banjo, meer heeft Burson absoluut niet nodig om dat nummer op enigszins spookachtige wijze volkomen naar haar hand te zetten. Andere opvallende momenten zijn de mede door de elektrische gitaarbijdragen van McMahan bepaald ijl en zweverig aandoende folkrockertjes “Boat Of Leaves” en “100 Miles”, het beklemmende titelnummer en de volledig akoestisch gehouden ballade “Always Be”, waarin Burson nog maar eens vocaal kan excelleren.

Zou, zeker gezien het succes van in hetzelfde vijvertje actieve dames als een Laura Veirs en een Joanna Newsom, ook hier potten moeten kunnen breken, dit nachtegaaltje. Verdient ze gewoon ook!

Clare Burson

 

 

CITY FRITTER

“From The Ocean To The Desert”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

“From The Ocean To The Desert” is de in eigen beheer uitgebrachte eerste volwaardige langspeler van het uit Topanga Canyon, California afkomstige duo City Fritter, bestaande uit echtelieden Jewels en Johnny Nation. Wat die twee daarop tien nummers lang ten gehore brengen is een uiterst vitale mix van elementen uit country, folk en rock. Door de rinkelende 12 string van gast Chris Lawrence komt “Before Too Long” zo bijvoorbeeld aardig dicht in de buurt van wat de Byrds ooit met zoveel overgave deden. “See You” en “I Know What To Bring” profiteren anderzijds dan weer van het harmonicawerk van Jewels zelf om uit een wat meer rootsgetint vaatje te tappen. Vooral dat laatste liedje, waarin het echtpaar tegen een verder met gitaren, banjo, mandoline en pedal steel ingevulde achtergrond de zangpartijen deelt, is erg fraai. “It Took So Long (To Fall In Love)” doet verder iets heel moois met countryrock en sixties psychedelica, “Travellin’ Moon” klinkt als June Carter aan het hoofd van de Flying Burrito Brothers, “Standin’ By The Door” is een pracht van een alt. country-sleper en “Tawdry Motel” etaleert Jewels en Johnny als een duo dat ook een klassieke countrydeun perfect naar z’n hand weet te zetten. “Massively talented!” noemde Flatlander Jimmie Dale Gilmore het tweetal al. En wie zijn wij om de beste man daarin tegen te spreken…

City Fritter

Miles Of Music

 

 

THE MOLENES

“This Car Is Big”

(Happy Little Records)

(3,5) J J J J

 

 

“This Car Is Big” is het bijzonder sympathieke plaatdebuut van het uit het Amerikaanse Portsmouth, New Hampshire afkomstige viertal The Molenes. Dave Hunter (zang, gitaren, lap steel, harmonica), Tom Ferry (Hammond, slaggitaar, zang), Andy Beale (drums, zang) en Andrew Russell (bas, zang) doen het daarop met dertien eigen nummers. Het merendeel daarvan stamt uit de koker van Hunter, die ooit een blauwe maandag lang het mooie weer hielp maken bij het ook hier relatief succesvolle Britse bandje Drugstore. Met de muziek van die groep heeft wat The Molenes brengen echter maar bitter weinig gemeen. In de songs van Hunter anno nu regeren alt. country, swamp en roots rock en andere twangy toestanden. De Molenes moeten het daarin vooral hebben van pakkende melodieën, aanstekelijke ritmes en hun hecht samenspel. Enig minpuntje: de niet overal even beklijvende zang van voorman Hunter. Voor de rest echter absoluut geen kwaad woord over deze eersteling, die met liedjes als “Brand New Yesterday”, “Prosperity Town”, “Two Doors Down”, “Flood”, het met een wel bijzonder lekker streepje mondharmonica opgeluisterde “Twisted” en de prachttrage “Barely Breathing”, om er maar enkele te noemen, ruim voldoende te bieden heeft om van hieruit zonder schroom van een flinke belofte te mogen gewagen.

The Molenes

CD Baby

 

 

BILL BOURNE

“Boon Tang”

(Cordova Bay)

(3,5) J J J J

 

 

In een land dat bepaald niet verlegen zit om uitstekende singer-songwriters behoort deze Bill Bourne zondermeer tot de allerbesten. En dat zegt al wel iets over de kwaliteit van zijn materiaal! Maar de Canadese grootmeester beschikt dan ook over een prima hand kaarten. Zijn voornaamste bondgenoten zijn sinds jaar en dag een ongelooflijk warme stem genre een John Gorka of een Greg Brown, zijn werkelijk fabuleuze snarenspel en een goed ontwikkelde neus voor fijne liedjes. Die drie troefkaarten en de voortdurende durf om te vernieuwen maken ook van Bourne’s jongste album “Boon Tang” weer een echte delicatesse voor liefhebbers van folk & roots. Tot de hoogtepunten daarop behoren naast even gewaagde als geslaagde covers van de Bob Marley-hit “No Woman No Cry”, folklegende Ewan MacColls “The Terror Time” en zijn landgenoot Gordon Lightfoots “For Lovin’ Me” zeker ook een aantal van ’s mans eigen nieuwe songs. Een vette plus zetten wij zo ondermeer vóór het werkelijk wonderschone, als de rivier uit z’n titel zachtjes voorbij kabbelende countryfolkdeuntje “Roll River Roll”, vóór het door sirene Eivør Pálsdóttir met haar aparte ijle uithalen opgewaardeerde “Rain”, vóór het bevreemdende, op fameuze slide-uithalen en een krassende fiddle terende en daardoor ergens tussen traditionele Keltische folk en blues uitkomende “Search The Conversation” en vóór de knappe afsluiter van het album (Een instrumentale hidden bonus track niet meegerekend!), het eerder traditioneel opgevatte “Pie And Ice Cream”, “gewoon” uit het betere singer-songwriterhout gesneden spul.

Bill Bourne

Cordova Bay

 

 

THE ROBBER BARONS

“Kerosene Communion”

(Home Wreckords)

(3,5) J J J J

 

 

“Kerosene Communion” is de tweede van het uit San Francisco afkomstige vijftal rond zangers Nik Edwards en Kevin Johnson. Hun debuut “Dragging The River” kon in 2004 al rekenen op een meer dan gemiddelde belangstelling. Dat album leverde de heren ondermeer vergelijkingen met het jonge R.E.M., 16 Horsepower en Steve Earle op. Soms wat al té ver gezocht, vonden wij toen, maar toch… Dat spraakmakende debuut had wel degelijk iets. In het materiaal van de Barons werden elementen uit traditionele country, folk, Southern gothic en rock immers op ingenieuze wijze met elkaar verweven tot een geheel eigen geluid. En dat gebeurt ook op “Kerosene Communion” weer. Zo pakt “Cold Wind Suddenly” je bijvoorbeeld onmiddellijk in dankzij een mooi samengaan van een gypsy fiddle en melodieuze gitaren, leunt het twangy “Useful Sound” eigengereid tegen traditionele country aan, is “Deguello Waltz” een vrijwel voortdurend schoorvoetend over de pijngrens heen schuifelend alt.-walsje, doet “Waxahachie” het met aanstekelijke countryrock en is “Harris County Ignorance Blues” in pedal steel gedrenkte Americana van het instant beklijvende soort. Interessant geheel zondermeer. Ook zonder al die vergelijkingen…

The Robber Barons

CD Baby

 

 

AMY SPEACE

“Songs For Bright Street

(Rykodisc)

(3,5) J J J J

 

 

Amy Speace doet in het gezelschap van haar Tearjerks op haar nieuwe CD “Songs For The Bright Street” een zeer verdienstelijke poging om in het kielzog van andere sterke vrouwen als een Emmylou Harris, een Lucinda Williams en een Tift Merritt door te stoten tot de top van de actuele Americana scene. Een heerlijk gevarieerde plaat is dat geworden. Rock, country, folk, Americana, het zit er echt allemaal wel ergens in verwerkt. “Shed This Skin” en “Make Me Lonely Again” zijn zo bijvoorbeeld het soort van broeierige Americana ballads waarvoor ook Lucinda Williams haar hand niet zou omdraaien, “Dreaming” is een relaxt twangende countryversie van de gelijknamige Blondie-hit, “The Real Thing” een qua feel aan “These Boots Are Made For Walking” verwante lap muzikale cool, “Two” een old-timey duet met Gary Louris van The Jayhawks, “Not The Heartless Kind” een heerlijke streep vette roots rock, “Right Through To Me” heeft de soulvolle intensiteit van iets van Maria McKee en “Step Out Of The Shade” is een wel bijzonder hartelijke knipoog richting gewillige radio’s waar ook ter wereld, een Americana hit gewoon met andere woorden.

In afwachting van nieuw plaatwerk van de hierboven opgesomde grote madammen is dit dan ook een schijfje om te koesteren. Je aandacht alleszins meer dan waard!

Amy Speace

CD Baby

 

 

SOUTHERN TENANT FOLK UNION

“Southern Tenant Folk Union

(Ugly Nephew Records)

(4) J J J J

 

 

Het titelloze debuut van Southern Tenant Folk Union, de nieuwe groep rond de ondermeer al van zijn bijdrage aan ex-Long Ryders-kopstuk Sid Griffins Coal Porters bekende Pat McGarvey, is het soort van plaat dat je absoluut niet vanuit Londen verwacht. McGarvey (banjo) en zijn compagnons Eamonn Flynn (mandoline), Pete Gow (gitaar, harmonica), Matt Lloyd (akoestische bas), Frances Vaux (fiddle) en Oliver Talkes (akoestische gitaar) gaan daarop immers een intense vrijage met genres als old-time, bluegrass, gospel en Keltische folk aan. Ze vertalen de muziek van klassieke acts als de Carter Family, de Stanley Brothers, de Country Gentlemen en anderen op overtuigende wijze naar het hier en nu. En dat gebeurt voor één keer niet aan de hand van door de jaren heen al suf gecoverde traditionals maar uitsluitend met behulp van eigen originelen. Het resultaat is een bijzonder vitale, volstrekt tijdloze lap Americana, gedragen door prachtige samenzang, virtuoze instrumentbeheersing en vooral ook pakken bezieling. Zou zo menig een Amerikaanse act een flink puntje kunnen aan zuigen!

Southern Tenant Folk Union

MySpace

 

 

BRUCE ROBISON

“It Came From San Antonio

(Premium Records)

(3,5) J J J J

 

 

In der Beschränkung zeigt sich der Meister. Liever dan ons op te zadelen met een aantal songs, waar hij zelf niet helemaal achter kon staan, opteerde Bruce Robison voor zijn nieuwste voor het albumette-formaat. “It Came From San Antonio” bevat daardoor slechts zeven nieuwe liedjes van de zingende en schrijvende wederhelft van Kelly Willis. Voor twee daarvan kreeg hij wat hulp van buitenaf. Voor “Anywhere But Here” tekende Monte Warden mee, terwijl onder de prachtige, in duet met Eleanor Whitmore gebrachte ballade “What Makes You Say” ook de naam van Jack Ingram prijkt. De meest in het oog springende liedjes hier zijn echter een stel andere. Titelnummer “It Came From San Antonio” bijvoorbeeld, een ronduit geweldig eerbetoon aan wijlen Doug Sahm en zijn kwintet, inclusief significant orgeltje, vrolijk zagende fiddles en aanstekelijk boppende gitaren. “When It Rains” bezingt vervolgens op z’n Guy Clarks grootmeesterlijk wat eigen herinneringen. En dan is er nog het catchy rootspopdeuntje “Lifeline”, niet alleen gezegend met een wolk van een melodie, maar tevens met knap harmonieerwerk van zijn vrouw Kelly. Tenslotte vermelden we ook nog “My Baby Now”. Dat is Pop met een grote P. Die piano, die strijkers, de melancholische zang van Robison zelf, prachtig gewoon!

’t Is niet veel, maar ’t is wel allemaal weer verdomd goed! En het zou ons dan ook absoluut niet verbazen, als één of meer van de songs op dit schijfje binnenkort in de versie van de één of andere gladjanus weer richting de top van de Billboard country charts zal racen, een lot dat in het verleden al wel meer goede Robison-liedjes wachtte.

Bruce Robison

 

 

KATE WALLACE

“Politics & Religion”

(New Pair O’Dimes)

(3,5) J J J J

 

 

Vijfde CD toch ook alweer van deze Amerikaanse zingende liedjesschrijfster, die wat ons betreft nu maar eens eindelijk op een wat grotere schaal moet gaan doorbreken. Onbegrijpelijk eigenlijk, dat iemand met een dergelijke fraaie stem en zulke knappe songs nog niet lang eenzelfde bekendheid geniet als bijvoorbeeld een Mary Chapin Carpenter, met wie ze vooral omwille van haar heerlijke zang her en der terecht vergeleken wordt. Al zo’n twintig jaar lang doet Kate Wallace haar eigen ding. Ze schrijft relatief eenvoudige, voor haar luisteraars gemakkelijk te begrijpen rootsy liedjes, die in niets moeten onderdoen voor het materiaal van heel wat van haar veel bekendere collega’s. Op “Politics & Religion” zijn er dat twaalf, waarmee ze naar eigen zeggen haar publiek wil inspireren om anders te gaan leven. Een nobele gedachte voorwaar in tijden getekend door machtswellust, bezitsdrang en oorlogen. En als je er bovendien ook nog eens in slaagt om die op een dergelijke mooie manier over te brengen, dan kan je vrijwel onmiddellijk rekenen op onze onvoorwaardelijke sympathie.

Voor het gros van de songs op “Politics & Religion” tekende Wallace zelf. Een aantal ervan schreef ze in haar eentje, andere deelde ze dan weer met diverse schrijfpartners. Daarnaast zijn er ook een aantal covers, waarvan vooral een prachtige, met veel gevoel gebrachte lezing van Pete Seegers “Old Devil Time” en een met z’n auteur John Stewart gedeeld “Spirit” meteen in het oog springen. Laat je net als ons verleiden door liedjes als dat duo, het door David West van erg fraai snarenwerk voorziene “The God In Your Machine”, het zelfs louter titelgewijs al veelzeggende “Mercy Brings Mercy”, de onwaarschijnlijke mooie Americanadeun “Dark Angel” en het opgewekte “I Will Carry You”, je zal het je geen seconde beklagen!

Kate Wallace

CD Baby

iTunes

 

 

KELLY FLINT

“Drive All Night”

(BePop Records)

(3,5) J J J J

 

 

“Drive All Night” is het bijzonder geslaagde solodebuut van Kelly Flint, de schone madam die de voorbije jaren ook al voor het mooie weer zorgde op de platen van Dave’s True Story, de hippe jazz noir band uit NYC. Op die eerste voor eigen rekening verkent Flint voor haar totaal nieuw terrein. Met jazz hebben de dertien eigen songs en de Moody Blues-cover “Story In Your Eyes” daarop immers amper nog iets van doen. Het gros van de liedjes situeert zich tussen pop en folk à la Carole King of Simon & Garfunkel en wat meer rootsy getint spul genre een Lucy Kaplansky. Zelf neemt Flint daarin naast de zang ook wat gitaarwerk voor haar rekening. Voor de productie tekende Jeff Eyrich, die ook de akoestische bas bespeelde. Gerry Leonard (akoestische en elektrische gitaren en mandoline) en Doug Yowell (drums en percussie), bekend om hun werk met ondermeer David Bowie, Duncan Sheik, Rufus Wainwright en Suzanne Vega, vervolledigden haar studioband. Anderen als een Libby Johnson, een Carmen Yates, een Jon Dryden, een Steve Rossiter, een Max Nordheim en een Jacob Lawson zorgden dan weer voor gesmaakte gastbijdragen.

Het geheel is een album dat bijzonder lekker wegluistert. Centraal staan de prachtige altstem van Flint zelf en haar melodieuze, vaak van erg fraaie teksten voorziene liedjes. Het ingetogen “Alchemy” bijvoorbeeld, waarbij wij heel even moesten denken aan het wat ingetogener werk van Sam “Stop” Brown. Of “Bottle Rocket (The Truth Hurts)”, waarin Flint klinkt als de vrouwelijke evenknie van de Finn-broers van Crowded House. Of “Marilena”, een fraai streepje Americana, waarin de protagoniste voortdurend op de vlucht is voor het leven van alledag. Of “Drive All Night”, een heerlijke late night road song, zalig onderbouwd op de mandoline door Leonard. Of het percussiegewijs van een Latin-ondertoon voorziene “Story In Your Eyes”. Of, of, of… We zouden ze in dit verband eigenlijk zo goed als allemaal kunnen opnoemen, de liedjes van Flint hier. Een plaat om te koesteren, vinden we dan ook!

Kelly Flint

Amazon

 

 

NOTRE DAME DE GRASS

“New Canada Road

(Hello Darlin’ Productions)

(4) J J J J

 

 

“New Canada Road” is de gloednieuwe CD van één van de beste Canadese bluegrasscollectieven überhaupt, Notre Dame de Grass. En dat door de ondermeer van zijn werk met The Wailin’ Jennys bekende David Travers-Smith geproduceerde schijfje is een echt feest voor het oor. De vijf uit Quebec zijn echte kanjers op hun instrumenten, zingen voortreffelijk samen en hebben in Matthew Large bovendien ook nog eens een geweldige songsmid aan boord. In zijn eentje droeg die acht van de veertien hier gebrachte nummers aan. Verder stoten we ook nog op liedjes van Canadees folkicoon David Francey (“Saturday Night”), van schrijversduo Dave Clarke en Lucinda Chodan (“No Man’s Land”), van Appalachenpoëet Rev. Berryman Hicks (“Hick’s Farewell”), van lokale songwriter Norm Dionne (“The Road To Nashville”) en van het banjofenomeen van de groep Guy Donis (de wervelende instrumentals “Montréal Breakdown” en “Chocolate And Beer”). Het gebrachte varieert van stomende high energy bluegrass tot meer ingetogen, hier en daar zelfs ronduit folky spul en een stel instrumentaaltjes. Tot de absolute highlights rekenen wij vooral de voorzichtig naar Americana neigende ballades “These Little Girls” en “Four Years, Five Days”, de energieke, eerder al genoemde bewerkingen van David Francey’s “Saturday Night” en Norm Dionne’s “The Road To Nashville” en het op ongelooflijk veel energie drijvende titelnummer. Dat zijn liedjes die naar onze bescheiden mening met sprekend gemak het door vaak veel gerenommeerdere Amerikaanse bluegrass acts gebrachte materiaal ruimschoots overklassen. Grote klasse!

Notre Dame de Grass

CD Baby

 

 

BROCK ZEMAN & DAN WALSH

“The Bourbon Sessions”

(Busted Flat Records)

(3,5) J J J J

 

 

De leukste platen ontstaan vaak heel ontstaan. Neem nu de zopas verschenen vijfde van de Canadese singer-songwriter Brock Zeman (zang, akoestische gitaar, banjo, akoestische bas). Toen die zich in september van vorig jaar tussen enkele optredens door samen met Dan Walsh (achtergrondzang, dobro, slidegitaar, bas, percussie), Joel Williams (achtergrondzang, akoestische gitaar) en LeeAnne Wesseling (zang) twee dagen terugtrok in het verblijf van zijn ondermeer van zijn werk voor Fred Eaglesmith bekende maat om er samen wat tijd te doden, kon eigenlijk nog niemand vermoeden, dat dit uiteindelijk tot zijn nieuwe CD zou gaan leiden. “Our intentions, as I recall, were only to kill time,” laat hij ons weten op het hoesje, “instead, we ended up killing a bottle of Jim Beam and laying down over 20 songs.” Dertien daarvan vinden we nu terug op het toepasselijk getitelde “The Bourbon Sessions”. Het betreft daarbij twaalf Zeman-composities en een door hem en Walsh van een nieuw arrangement voorziene versie van de traditional “The Cuckoo Song”. Meer nog dan in het verleden ontdoet de jonge songwriter hier zijn liedjes van alle overbodige ballast. Het resultaat is een heerlijk ruw Americana-album, dat weer volop uitnodigt tot vergelijkingen met een aantal van de allergrootsten uit het genre. Mede door zijn gruizige stem denk je vrijwel onmiddellijk aan Steve Earle. De kwaliteit van de liedjes duwt je dan weer eerder in de richting van een Guy Clark of een John Prine. De stand-outs? Dat zijn er eigenlijk nogal wat. We denken daarbij bijvoorbeeld aan opener “Blood On The Hardwood Floor”, aan road song “Ridin’ On The Rims”, aan de nerveuze bluegrass van “Lordy Lord”, aan het heerlijk bluesy “Don’t Tell Jimmy”, aan de werkelijk wonderschone, door Walsh van een subtiel likje dobro voorziene ballades “Silver & Gold” en “Invisible Line” en aan het heerlijk ondeugende, in duet met Wesseling gebrachte “Spend The Night (With Me)”. Maar op de keper beschouwd luistert dit album weer gewoon in z’n geheel erg lekker weg.

Brock Zeman

Dan Walsh

Busted Flat Records

CD Baby

 

 

THE UNITED STEEL WORKERS OF MONTREAL

“Kerosene & Coal”

(weewerk)

(4) J J J J

 

 

Wij waren hier al behoorlijk onder de indruk van hun debuut “Broken Trucks And Bottles” en dat zijn we van deze opvolger alleen nog maar meer. “Kerosene & Coal”, de tweede van de door hun platenlabel prompt tot “Montreal’s kings of citygrass” gebombardeerde United Steel Workers Of Montreal, is andermaal een dijk van plaat! De muziek van het zestal is een smeltkroes van stijlen, waarin zo ongeveer alles kan en mag. Ze koppelt virtuositeit aan ongebreidelde inzet en originaliteit. Het resultaat is een bijzonder vitaal, uitermate aanstekelijk en meteen herkenbaar eigen geluid. “Small Town Banks” is zo een nerveuze kruisbestuiving van bluegrass en jazz met een hoofdrol voor de gruizige stem van frontman Gern f., “Out In The Cold” twijfelt tussen old-time en punk, “Standing There” illustreert Felicity Harmers kijk op de klassieke countryballade, “Great Means Go” dendert op z’n Hackensaw Boys als een ontspoorde trein langs z’n rails verder, “Ask Me To Stay” laat bij wijze van rustpuntje wat ruimte voor singer-songwriter “Shawn “Gus” Beauchamp, “Tracie Dean” is twangy country anno nu en “Meaner Than You” klinkt als Tom Waits bij nacht en ontij in de gore achterbuurten van Nashville.

Bijzonder straf spul, als je ’t ons vraagt!

The United Steel Workers Of Montreal

(weewerk)

CD Baby

 

 

NATHAN

“Key Principles”

(Nettwerk)

(3) J J J

 

 

Voor de productie van hun derde CD riepen de jonge Canadezen van Nathan de hulp in van de ondermeer van zijn werk voor de New Pornographers bekende Howard Redekopp. Op die manier hoopte men in z’n werk een beter evenwicht te kunnen realiseren tussen pop en alt. country. Dat “Key Principles” in heel wat opzichten anders klinkt dan zijn voorgangers “Stranger” en het (ook hier) bijzonder lovend onthaalde “Jimson Weed”, lijkt dan ook niet meer dan normaal. Liedjes als “John Paul’s Deliveries”, “Scarecrow” of “Daffodils”, om er zomaar voor de vuist weg een paar te noemen, zijn strikt genomen eigenlijk gewoon popliedjes ingespeeld door muzikanten die toevallig ook wel van een rootsmuziekje houden. Het eerste twangt weliswaar nog aardig, het tweede lonkt nog tamelijk nadrukkelijk naar bluegrass, maar het derde is al gewoon pop tout court. En daarin staat het hier lang niet alleen. En of dat nu een stap voorwaarts, dan wel één terug is, we zouden het zo direct niet durven zeggen. Met de door Keri McTighe en Shelly Bilewitch aangedragen songs is ook nu an sich weer weinig mis, maar wij hadden het gewoon meer voor de aanpak op “Jimson Weed”. En dus zal je ons op termijn wellicht ook gemakkelijker nog eens naar die plaat zien teruggrijpen dan naar “Key Principles”. Louter een kwestie van smaak natuurlijk…

(Overigens is het old-timey “The Wind” wel weer gewoon een dijk van een rootsnummer! Zo hadden we er hier maar wat graag een paar meer horen opduiken!)

Nathan

Nettwerk

 

 

ROBERT MCENTEE

“The Coin Of The Realm”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

In afwachting van een nog te landen platendeal koos de in Austin, Texas woonachtige singer-songwriter Robert McEntee alvast eieren voor zijn geld en bracht zijn nieuwe CD gewoon in eigen beheer uit. Op die manier lukt het de beste man hopelijk om alvast een deel van de ervoor gemaakte kosten te recupereren. Het zou immers echt doodjammer zijn mocht hij in de toekomst uit louter commerciële overwegingen zijn ding niet meer kunnen doen. McEntee is een uitstekende songsmid en dat illustreert hij op deze derde CD van ‘m weer uitgebreid. De man schrijft bijzonder melodieuze Americana- en folkrockliedjes, waarin ook tekstgewijs heel wat te beleven valt. Zo vielen wij ditmaal bijvoorbeeld meteen voor “Mouth Of The Mississippi” en “A Soldier Of The Great War”. Niet toevallig allicht twee sociaal geëngageerde songs. In het eerste neemt McEntee de overheid van zijn land op de korrel in verband met de door haar gevoerde struisvogelpolitiek met betrekking tot natuurrampen zoals die in New Orleans. In het tweede, een fraai staaltje van ingetogen Americana, ergert hij er zich bij monde van een gehospitaliseerde veteraan over, hoe snel zijn landgenoten de gevolgen van én de te leren lessen uit wat hij dacht dat “a just war to end all others” was alweer vergeten zijn. Boeiend luistervoer zondermeer en als dusdanig ook een echte aanrader voor liefhebbers van “het betere lied” in het algemeen of van de muziek van schoon volk als pakweg een John Gorka, een Terence Martin en een Greg Trooper meer in het bijzonder. Doe er je voordeel mee!

Robert McEntee

CD Baby

 

 

BUFFALO TOM

“Three Easy Pieces”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Je moet het maar doen! Negen jaar lang zo goed als van de aardbol verdwijnen om dan als een donderslag bij heldere hemel plots met een nieuwe plaat op de proppen te komen die in niets, maar dan ook werkelijk in niets hoeft onder te doen voor je allerbeste werk. Want dat is precies wat de heren Janovitz, Colbourn en Maginnis hier doen. Ze leveren een album af, dat je als fan weer met net zo’n warm gevoel achterlaat als hun fraaiste materiaal van weleer. Wie net als ons viel voor schijven als “Let Me Come Over”, “Big Red Letter Day”, “Sleepy Eyed” en “Smitten” weet dus wat ‘m te doen staat! Haal die beurs maar weer boven, ja!

Onvoorstelbaar eigenlijk, dat de magie er na een dergelijk carrière-hiaat nog altijd blijkt te zijn! Janovitz pakt je met z’n rauw-hees-tedere stem en z’n aanstekelijk verwrongen gitaarspel nog altijd even moeiteloos in. En Colbourn en Maginnis tonen zich ook na al die jaren nog als een zeer betrouwbare ritmetandem. En dan zijn er nog die songs natuurlijk! Vertrouwd lekker recht-toe-recht-aan rockend spul als het titelnummer en “Bottom Of The Rain”, maar vooral ook meer episch uitvallend materiaal als “Lost Downtown” en “Thrown”, het zijn liedjes die op geen enkele Buffalo Tom-plaat misstaan zouden hebben. Oude liefde roest duidelijk niet…

Buffalo Tom

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

HALF KNOTS

“Color Them Blue”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Tweede CD van een drietal oudgedienden van de St. Louis alt. country scene. Danny Kathriner kent u nog van zijn bijdragen aan Wagon (Remember het briljante “No Kinder Room”?) en de Rockhouse Ramblers, Chris E. Peterson deed ook al een duit in het zakje bij Wagon en Todd Schnitzler kan terugblikken op enkele zeer geslaagde platen met het collectief luisterend naar de toch wel wat bizarre naam Nadine. Alle drie zijn het door de wol geverfde multi-instrumentalisten die eigenlijk al heel lang absoluut niets meer te bewijzen hebben, maar gelukkig voor ons doen ze dat hier andermaal wel. “Color Them Blue” is net als z’n titelloze voorganger een bijzonder fraaie collectie grotendeels akoestisch ingespeelde melancholische alt. country- en rootspopdeuntjes. Bij momenten doet het allemaal een beetje denken aan de Jayhawks in hun hoogdagen, maar dan nog net een beetje ingetogener en vooral ook soulvoller gebracht. Danny Kathriners stem blijkt daarbij een dankbaar instrument. De weemoedigheid druipt er echt van af en dat schept vrijwel meteen een band. En liedjes als het fraai tussen piano, mandoline en verstilde blazers heen en weer laverende “You See A World”, het broos twangende “Footsteps”, de met een flinke snuif country soul gekruide ballade “Girl, Don’t Act Like The One” en tal van andere hier zullen je, als je ze een kans geeft tenminste, dan ook niet gauw meer loslaten.

Half Knots

CD Baby

Miles Of Music

 

 

JASON ISBELL

“Sirens Of The Ditch”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Enkele maanden geleden liep hier totaal onverwacht het bericht binnen, dat Jason Isbell de Drive-By Truckers verlaten zou. Beide partijen haastten zich toen om te beklemtonen, dat het om een scheiding in onderling overleg ging, dat de door jarenlang samen optreden en leven gesmede vriendschapsbanden geenszins beschadigd waren. En dat moet ook wel zo zijn, hoe anders verklaren, dat op “Sirens Of The Ditch”, Isbells solodebuut, praktisch alle Truckers een handje komen toesteken. Isbell was gewoon aan een nieuwe uitdaging toe, zo lijkt het. En da’s voor iemand van zijn kaliber absoluut niet abnormaal. Als je zo getalenteerd en creatief bent als Isbell, volstaat een plaatsje binnen een groep vroeg of laat gewoon niet meer om je eigen ei kwijt te kunnen.

“Sirens Of The Ditch” werd door de ex-Trucker over een tijdsspanne van vier jaar ingeblikt in de legendarische Fame Studios in zijn thuishaven Muscle Shoals. Daar zocht én vond hij in het gezelschap van ondermeer ook nog Spooner Oldham, John Neff en David Hood een ideaal evenwicht tussen zijn eigen recente rockverleden en de muziek, die hij sinds zijn jeugd altijd al in zijn omgeving geweten had. “Sirens Of The Ditch” koppelt rock aan (Southern) soul en blues, met terloops ook zijsprongetjes naar power pop, folk op z’n Neil Youngs en alt. country. Het resultaat is een pracht van een album, dat Isbell profileert als een dijk van een zanger, een al even uitstekende gitarist, maar bovenal toch als een kanjer van een songwriter. Dingen als het radiogeniek rockende “Brand New Kind Of Actress”, het naar vers gemaaid folkgras geurende “In A Razor Town”, het authentiek soulvolle “Hurricanes & Hand Grenades” of de fraaie pianoballade “Chicago Promenade”, om er maar enkele te noemen, doen je nu al hongeren naar véél, véél meer van de man. En ons zal je dan ook absoluut niet meer horen treuren over Isbells vertrek bij de Drive-By Truckers.

Jason Isbell

New West Records

Sonic Rendezvous

 

 

RONNY ELLIOTT

“Live”

(Blue Heart Records)

(3,5) J J J J

 

 

Om het lange wachten op zijn later dit jaar te verschijnen nieuwe CD wat draaglijker te maken verblijdt singer-songwriter extraordinaire Ronny Elliott ons nu alvast met een smakelijk live-tussendoortje. Het betreft een registratie van een in februari 2005 in het Springs Theatre in zijn thuishaven Tampa, Florida afgewerkt optreden. En dat klinkt precies zoals je dat van Elliott verwacht. Het is dan ook een bloemlezing uit zijn zeven eerder verschenen CD’s. Tal van ’s mans beste songs passeren daarbij de revue: van “Tell The King The Killer’s Here” van “Ronny Elliott & The Nationals” over “Jack St. Pete Blues” van “Hep”, van “Born In 1947” en “Room 100” van “Poisonville” tot “Loser’s Lullaby” en “Broke Heart Blues” van “Magneto”, van “The Twist Came From Tampa” van “A Postcard From Jack” tot “Walk To The End Of The World”, “Hope Fades” en “No More War”, alle van zijn recentste CD “Valentine Roadkill”. Niet echt veel nieuws onder de zon dus (Of het zou de bonus track “Goodnight Irene” moeten zijn!), maar dat zal de vele, door de band genomen zeer devote liefhebbers van de “hillbilly soul” van deze als een soort van kruising tussen Lou Reed en Johnny Cash door het leven stappende, meer tegen je pratende dan zingende meester-verteller allicht worst wezen. Voor hen vormt dit schijfje zo ongeveer het ideale aandenken aan het één of andere optreden dat ze ooit eens van de man wisten mee te pikken.

Très sympa!

Ronny Elliott

CD Baby

 

 

MARTY STUART

“Compadres”

(An Anthology Of Duets)

(Superlatone / Hip-O / Universal)

(4) J J J J

 

 

“Compadres” kan je het best zien als een soort van tegemoetkoming van Marty Stuart aan het adres van zijn die hard fans. Het betreft immers een veertien tracks tellende compilatie van duetten die de man door de jaren heen met tal van groten uit het genre en ver daarbuiten inzong en -speelde. En dat leverde een bepaald indrukwekkend lijstje aan partners op! Lees zelf maar even mee: Merle Haggard, Johnny Cash, Lester Flatt, Travis Tritt, Loretta Lynn, Steve Earle, Earl Scruggs, Connie Smith, de Staple Singers, George Jones, B.B. King, Old Crow Medicine Show, Del McCoury en Mavis Staples.

Focustracks zijn twee gloednieuwe liedjes. Een eerste, “Will You Visit Me On Sunday”, een samenwerking met de grote Loretta Lynn, is een klassieke countrysleper met hoog “tear in your beer”-gehalte. Een tweede, een lekker wilde rootsy lezing van “I Can See For Miles” van de Who, koppelt Stuart aan de jonge honden van Old Crow Medicine Show. Het zijn meteen ook twee van de vele highlights hier. Tot de andere behoren wat ons betreft zeker ook “Crying, Waiting, Hoping” en “The Weight”, allianties met respectievelijk Steve Earle en de Staple Singers voor het spraakmakende Buddy Holly-eerbetoon “Notfadeaway” uit ‘96 en het al even fameuze “Rhythm, Country & Blues” van twee jaar eerder. Maar voor een goed begrip: mindere tracks staan hier eigenlijk gewoon niet op.

Marty Stuart

 

 

SAM BAKER

“Pretty World”

(Blue Limestone / Sonic Rendezvous)

(5) J J J J J

 

 

Niet de minste twijfel over mogelijk! Deze Sam Baker is zondermeer dé singer-songwriterrevelatie van de voorbije jaren. Z’n debuut “Mercy” was al een sublieme plaat, maar met “Pretty World” overtreft hij zelfs onze stoutste verwachtingen nog ruimschoots. “It’s the best writing I’ve come across since Mary Gauthier,” meent Gurf Morlix en dat kunnen wij van hieruit alleen maar onderschrijven. Als Baker dit niveau kan blijven aanhouden, zal men ooit met evenveel eerbied over hem praten als over pakweg een Townes Van Zandt, een Guy Clark, een John Prine of een David Olney. De dezer dagen in Austin, TX woonachtige Baker, die ergens halverwege de jaren tachtig bijna om het leven kwam bij een terroristische aanslag op een trein waarin hij zich op dat moment toevallig bevond, is een echte rasverteller. Zijn liedjes zijn kunstige miniatuurtjes die in het leven van alledag een schier eindeloze inspiratiebron vinden. Prachtig, hoe de beste man in eenvoudige bewoordingen tijdloze liedjes uit de mouw blijft schudden. “Juarez (A Song To Himself)” schildert zo het relaas van een in een hoerentent tegen het ouder worden opziende, “Waiting Around To Die” zingende ouderling, “Orphan” gebruikt een lijntje of twee uit het klassieke “Swing Low Sweet Chariot” om de vlucht van een door haar moeder niet langer gewenste jongedame in een, zoals naderhand blijken zou, compleet onvoorspelbaar leven te illustreren, “Slots” mag vervolgens aantonen, dat een christelijke opvoeding niet noodzakelijk altijd tot de gewenste resultaten lijdt, en “Pretty World” is gewoon een erg fraaie lofzang op de schoonheid van deze wereld bij het krieken van de dag, lang vóór allerhande plichten weer roepen. Het zijn slechts vier voorbeelden om mee te aan te tonen, hoe goed deze Baker wel is. In een productie van Walt Wilkins en Tim Lorsch legt hij hier de lat voor zichzelf twaalf nummers lang heel erg hoog. Muzikale bijstand kreeg hij daarbij ondermeer van datzelfde tweetal, Joel Guzman, Lloyd Maines, Bill McDermott, Fats Kaplan, Gurf Morlix, Davis Raines, Marcia Ramirez en Britt Savage.

File under: Soon to be classics!

Sam Baker

CD Baby

Sonic Rendezvous

 

 

GURF MORLIX

“Diamonds To Dust”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Met “Diamonds To Dust” leverde de vooralsnog vooral als gitarist en producer (van onder anderen Lucinda Williams, Ray Wylie Hubbard, Mary Gauthier, Robert Earl Keen, Tom Russell en Slaid Cleaves) bekendheid genietende Gurf Morlix zijn met afstand beste plaat tot op heden af. Op die opvolger van het nog volop in traditionele country badende “Cut ’N Shoot” uit 2004 lijkt hij in de eerste plaats in het reine te hebben willen komen met zijn recente verleden. Hij nam de plaat op na een jaar waarin hij tal van naasten zag overlijden. Dat de thema’s dood en sterven op “Diamonds To Dust” recurrent zijn, hoeft dan ook niet echt te verbazen. De zelfverzekerdheid waarmee Morlix zich hier als singer-songwriter profileert, doet dat echter des te meer. Het heeft er echt alle aanschijn van, dat Morlix er eindelijk klaar voor is om uit de schaduw van zijn inmiddels veel bekendere protégés te stappen. Met tien voortreffelijke nieuwe eigen songs en een werkelijk impeccabele cover van Dylans “With God On Our Side” zet hij gewild of ongewild alvast een grote stap in die richting. We noemen alleen al maar het samen met Troy Campbell gepende klaaglied van een terdoodveroordeelde “Killin’ Time In Texas”, het al even weergaloze “Madalyn’s Bones”, een co-write met de ook voor de fraaie foto’s óp en het design ván de cover verantwoordelijke Brende Fuller, het zeer intense, door de dood van zijn vrienden Warren Zevon en Chris Slemmer beïnvloede “Blanket” en de van immens verdriet bijna uit zijn voegen barstende afsluiter “Need You Now”. Dat laatste is één van de vele songs hier waarin de lichtjes fantastische Patty Griffin Morlix vocaal terzijde staat. Andere bekende betrokkenen waren ook nog drummer Rick Richards en de zelf de nodige faam als singer-songwriter genietende, maar hier enkel met fraaie mondharmonicabijdragen uitpakkende Ray Bonneville. Voorts deed Morlix alles zelf. Hij schreef de songs, bespeelde tal van instrumenten en produceerde en mixte het geheel.

Gurf Morlix

Blue Rose

Sonic Rendezvous

 

 

WRINKLE NECK MULES

“The Wicks Have Met”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Amper drie albums volstonden voor de uit het Amerikaanse Richmond afkomstige Wrinkle Neck Mules om vanuit louter artistiek standpunt gezien door te stoten tot de absolute top van het actuele alt. countrygebeuren. Goede referentiepunten om wat de vijf heren brengen enigszins accuraat te situeren vormen Uncle Tupelo en Son Volt. Met name de enigszins aan Jay Farrar herinnerende stem van kopstuk Andy Stepanian en een vergelijkbare half-akoestische half-elektrische rockbenadering van traditionele genres als country, bluegrass en folk door de groep voeden een dergelijke vergelijking. Stepanian zelf houdt er overigens niet zo van om met voornoemde acts te worden vergeleken. Luie journalistiek noemt hij het. Nu ja, het zij zo! Je kan er wat ons betreft immers gewoonweg niet omheen, dat wat hij en zijn kompanen brengen duidelijk voer is voor dezelfde doelgroep. “Bells & Whistles” is zo een streepje sympathiek rammelende, door de vinnige mando van snarenvirtuoos Mason Brent aangejaagde roots rock à la The Gourds, “17 Years More” melodieuze, gitaarzwangere alt. country op z’n Son Volts, “Black Skies For The High & Mighty” een opzichtige flirt met de bluegrasskant van de eigen persoonlijkheid, “Cadillac Limousine” een op een zacht jammerende pedal steel drijvende countryballade en “Swagger & Honesty” knappe “roots rock meets old-time”. Vooral op de dunne grens tussen roots rock en alt. country balancerende dingen lijken de Mules echt goed te liggen. Met ook nog songs als het titelnummer, “Bottomland”, “Ursa Major”, “Ringing In The Days” en “Broken Rider” blijken die hier alleszins ruimschoots in de meerderheid.

Wrinkle Neck Mules

Blue Rose

Sonic Rendezvous

 

 

JACK SUNDRUD

“By My Own Hand”

(Dogpile Records)

(3,5) J J J J

 

 

We worden zo stilaan een dagje ouder… Met dat gegeven werden we onlangs nog maar eens geconfronteerd, toen er bij het horen van de naam Jack Sundrud niet meteen een belletje ging rinkelen hier. Dat geheugen van ons begint ons stilaan serieus in de steek te laten… Maar goed, zelfs al waren we er op de valreep niet achtergekomen, dat de beste man al een aardig verleden bij de countryrockers van Poco op zijn curriculum vitae mag vermelden, dan nog zouden we hem na de CD “By My Own Hand” niet licht meer vergeten. Dagenlang is dat schijfje nu immers al met geen stokken meer weg te slaan uit onze CD-wisselaar.

Jack Sundrud profileert zich op die mede door Russ Pahl geproduceerde plaat als een singer-songwriter à la Greg Trooper, Marc Cohn en John Gorka. En dan weet je ’t wel, he! Dit is inderdaad Americana singer-songwriterspul van het betere soort. Sundrud weet op heerlijke wijze dagdagelijkse dingen te verwoorden en verklanken. Liedjes als “Hard Country” en “Father’s Day”, over respectievelijk de bij momenten keiharde schoonheid van een landbouwersbestaan en het jaarlijks terugkerende ritueel van het op “zijn” dag luisteren naar een verbloemd résumé van z’n eigen leven door je ouweheer, om er maar twee te noemen, zijn opgehangen aan wellicht voor iedereen ogenblikkelijk herkenbare situaties. En zo treffen we er hier wel meer aan. Alleen al daarom warm aanbevolen, deze schijf! Maar ook muzikaal gezien valt er heel wat te beleven. Wat ons betreft dan ook een regelrechte openbaring!

Jack Sundrud

CD Baby

 

 

CORY MORROW

“Ten Years”

(Sustain / Universal)

(3) J J J

 

 

Tien lange jaren prijken er inmiddels op zijn teller en daarin slaagde hij er ondermeer in om een waanzinnige populariteit uit te bouwen binnen het Lone Star State collegecircuit, deze Cory Morrow. En om dat artiestenjubileum wat luister bij te zetten dook hij nu met de ondermeer ook van zijn werk met Dwight Yoakam bekende zanger-gitarist Keith Gattis als producer de studio in om een aantal fanfavorietjes opnieuw in te blikken. Nieuwe versies van dingen als “Big City Stripper” van z’n eerste solo-CD “The Man That I’ve Been”, “More Than Perfect” en “Drinkin’ Alone” van “Outside The Lines” en “Beat Of Your Heart” van “Nothing Left To Hide” prijken op het treffend getitelde “Ten Years” naast een handjevol nieuwe songs en illustreren perfect de evolutie die Morrow de jongste jaren doormaakte. Waar zijn eerste platen nog eerder onder de noemer singer-songwritercountry vielen, is hij steeds meer richting (country)rock gaan evolueren. Wellicht onder invloed van zijn jeugdige publiek. Texaanse youngsters mogen met een stevige pint in de hand nu eenmaal liever lekker uit de bol gaan dan gewoon wat staan luisteren… Zelf houden wij echter beduidend meer van het flink wat rustigere vroegwerk van Morrow. Logisch dan ook, dat we de ballade “Drinkin’ Alone” onthielden als het mooiste nummer van deze veredelde (en wat ons betreft als geheel toch wat al té commercieel aandoende) verzamelaar.

Cory Morrow

Sustain Records