CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

VANISH VALLEY “Vanish Valley” - SHINYRIBS “Well After Awhile” - DR. JOHN AND THE LOWER 911 “Tribal” - US RAILS “US Rails” - THE DUSTIN BENTALL OUTFIT “Six Shooter” - JIMMIE VAUGHAN “Plays Blues, Ballads & Favorites” - ELEANOR ANGEL “Face To Face” - KARA SUZANNE “Parlor Walls” - TIMBER “Scrawled” - SETH SWIRSKY “Watercolor Day” - THE BONESMEN “Deuce” - STEVE MEDNICK “What Remains” - NANCY K DILLON “Roses Guide To Time Travel” - THE KENN MORR BAND “Higher Ground” - MAX STALLING “Live At The Granada” - THE RUNNING KIND “The Girl For All The World” - BRIAN KRAMER “Myself And Mine” - DAVID ROBERT KING “Take Me Home” - SALLY SPRING “Made Of Stars” - REBECCA TURNER “Slowpokes” - JOEL PLASKETT “Three To One” - ELEVEN BONES “Four Day March” - GREG KOONS & THE MISBEGOTTEN “Welcome To The Nowhere Motel” - SUSIE HUG “Tucson Moonshine” - MARY GAUTHIER “The Foundling” - JUDY COLLINS “Paradise” - PHANTOM PUERCOS “III” - REBECCA LOEBE “Mystery Prize” - ED HARCOURT “Lustre” - J SHOGREN “Bird Bones & Muscle” - LARKIN POE “Spring – An EP” - DAVID CELIA “I Tried” - PEDER AF UGGLAS “Peder Af Ugglas” - FRED EAGLESMITH “Cha Cha Cha” - JAYHAWKS “The Jayhawks (aka The Bunkhouse Album)”

 

 

VANISH VALLEY “Vanish Valley” (Vanish Valley)

(4****)

Na twee albums met Conrad Ford vond Andrew McAllister dat het zo stilaan wel weer tijd werd voor wat anders. In de winter van 2008 besloot hij daarom Seattle achter zich te laten en richting het veel warmere Los Angeles te verkassen. Een bepaald verstandige zet, zo zou later blijken, want amper zes maanden later beschikte hij reeds over voldoende materiaal voor een nieuwe plaat. En daarover mogen we ons dus nu buigen. “Vanish Valley” is niet enkel de titel van die nieuwe schijf, maar ook de naam van de ondertussen tot een heuse groep uitgegroeide eenmansonderneming van McAllister. Nam hij het album nog grotendeels in zijn eentje op, dan weet hij zich dezer dagen “on the road” gesteund door Henry Derek Bonner (bas), Cara Batema (keyboards) en Julio Javier Trejo (drums). Enkel de eerste van dat drietal was ook reeds bij de opnamen van “Vanish Valley” present. Hij leende zijn stem aan een tweetal nummers en speelde gitaar voor “Blood Of The Famous”. Verder duldde McAllister enkel nog Jordan Walton in zijn buurt. Deze laatste betokkelde de banjo voor “Great American Goldmine”. Tot zover de afdeling personeelszaken. Maar hoe zit het nu eigenlijk met de muziek op dit “visitekaartje”, zal u vragen. Wel, die is van ronduit verbluffende makelij. Als een soort van kruising tussen Richard Buckner, Josh Ritter en Jeff Tweedy werkt McCallister zich doorheen een dertien eenheden tellende set liedjes, waarin elementen uit folk, country en psychedelische rock wonderwel samen blijken te kunnen gaan. En dat levert nogal wat beklijvende momenten op. “Sunshine City” bijvoorbeeld, dat klinkt als Townes Van Zandt meets Ryan Adams. Het banjogestuurde, een zekere old-time feel etalerende “Great American Goldmine” ook, waarin McAllister zijn voorliefde voor het countrygenre allesbehalve probeert te verloochenen. Of de licht psychedelische rocker “Bad Things”. Of de gruizige rootspop van “Past Is Dreaming”. We noemen zomaar wat nummers eigenlijk, want hier staat echt niet één valse noot op! Meer nog: dit is het soort van plaat, waarmee McAllister en co ons inziens absoluut ook hier potten zouden moeten kunnen breken. Heel erg fraai, hoe rootsmuziek en alternatief hier samengaan!

Vanish Valley

 

SHINYRIBS “Well After Awhile” (Nine Mile Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dat Kevin Russell lang niet altijd vrede heeft met uitsluitend zijn rol als excentrieke kopstuk van de Gourds, dat wisten we al wel langer dan vandaag. Daar had de beste man ons in het verleden immers al eens op geattendeerd, toen hij in 2002 met Junker het gesmaakte zijstapje “Buttermilk & Rifles” afleverde. En dat doet hij nu andermaal onder de schuilnaam Shinyribs. Op zijn debuut onder dat pseudoniem lopen de meer en minder bekende gasten elkaar als het ware voor de voeten. Ray Wylie Hubbard, Bukka Allen, Sally Allen, Scrappy Jud Newcomb, Michael Fracasso, Eleanor Whitmore, Rick Richards, Brad Rice, George Reiff en vele, vele anderen dragen bij tot een in z’n geheel bijzonder geslaagd te noemen tussendoortje. Negen van de tien songs daarvoor droeg Russell zelf aan. Het tiende nummer is een uitermate fraaie cover van de Sam Cooke-klassieker “Change Is Gonna Come”. In een interessante poging tot country soul Texas style ontdoet “Shinyribs” dat nummer op ingetogen wijze van alle overtollige ballast. Très, tres sympa! En dat geldt voor wel meer songs op deze plaat. Voor de nog heel erg aan de Gourds herinnerende bedaarde roots rock van “Who Built The Moon” bijvoorbeeld, voor het ook al onder de noemer country soul vallende “Devilsong” zeker ook, voor “Shores Of Galilee”, een zalig duetje met Sally Allen, voor de swingende rootsy country van het z’n titel bepaald niet gestolen hebbende “Country Cool”, voor het door een aan rock & roll verslingerde geest bewoonde Americana-stompertje “(If You Need The) 442”, enfin, eigenlijk gewoon voor zo ongeveer alles hier. “Well After Awhile” maakt er het wachten op een volgende van de Gourds wat ons betreft alleszins een flink stuk aangenamer op. Al zal Russell zelf het wellicht niet graag horen, dat we in die termen over dit album van ‘m spreken.

Shinyribs op MySpace

Nine Mile Records

Sonic Rendezvous

 

DR. JOHN AND THE LOWER 911 “Tribal” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Net als z’n voorganger, het Grammy-winnende “The City That Care Forgot”, werd ook “Tribal”, de aan de onlangs overleden Bobby Charles opgedragen nieuwe van Dr. John weer ingeblikt met The Lower 911. Mac Rebennack weet zich op die weer verbluffend goede plaat verder ondermeer ook nog gesteund door slidevirtuoos Derek Trucks en de legendarische saxofonist Donald Harrison. En ook voor het schrijven van de liedjes erop kon hij rekenen op wat vrienden. De grote Allen Toussaint leverde zo hoogstpersoonlijk twee songs af, de hier al eerder vermelde Charles schreef mee aan drie verdere liedjes. Dat de dokter hier weer heerlijk “down & dirty” klinkt, hoeft dan ook allerminst te verwonderen. Gelijk van bij het openingsnummer, het verleidelijk kronkelende, swampy soulvolle “Feel Good Music” is het raak. Die uit duizenden herkenbare stem, dat al even markante pianospel, ze maken het je gemakkelijk om Rebennack te volgen als hij bezwerend vraagt: “Call me Doc, your medicine man, I got a cure in the palm of my hand…” Dit is immers je reinste muzikale balsem voor de ziel! Zelden klonk de beste man ook beter dan hier. Een ander heel fraai voorbeeld bij die laatste stelling vormt de in strijkers zwelgende after midnight-trage “Lissen At Our Prayer”. Subliem gewoon, dat liedje! Iets wat ons inziens verder zeker ook geldt voor de nerveuze New Orleans funk van het wel van bijzonder lekker percussiewerk voorziene “When I’m Right (I’m Wrong)”, “Whut’s Wit Dat” en “Change Of Heart”, drie gegarandeerde toekomstige publiekslievelingen bij optredens van de Doc. Even apart als geslaagd vonden wij tenslotte ook nog het titelnummer, waarin de sfeer mee wordt bepaald door een erin opgevoerd echt Mardi Gras-Indianenopperhoofd. Niet echt typisch Rebennack, dat nummer, en als dusdanig eigenlijk zoiets als een uitzondering binnen het hier gebrachte. Grote delen van “Tribal” zijn immers gewoon vintage Night Tripper stuff. Exact wat je er na al die jaren van hebt leren verwachten, maar weer o zo lekker gebracht! Niemand lalt nu eenmaal sympathieker dan deze met recht en rede het bestaan van een levende legende leidende zonderling.

Dr. John

Proper

 

US RAILS “US Rails” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

US Rails blijkt bij nader inzicht gewoon het logische vervolgstuk op de enkele jaren terug met veel poeha aangekondigde formatie 4 Way Street. Zingende songsmeden Joseph Parsons, Ben Arnold en Scott Bricklin en drummer Matt Muir zijn gebleven, Jim Boggia vertrok en werd op waardige wijze vervangen door Tom Gillam. Opnieuw een “supergroepje” dus. Een groep waarvoor geldt, dat het collectief te allen tijde enkele streepjes op het individu voor moet hebben. Men wil de som hier duidelijk het geheel van haar delen laten overstijgen. Iets wat vooral op het vlak van de zang ook daadwerkelijk lukt. Het harmonieerwerk hier herinnerde ons immers volop aan dat van Crosby, Stills & Nash in hun hoogdagen. Een serieus compliment! En daarmee is meteen ook aangegeven welke richting de werkzaamheden hier stilistisch gezien nogal eens durven uit te gaan. Folkpop en -rock is inderdaad de noemer, waaronder nogal wat van de liedjes vallen. Al dient daarbij dan wel meteen te worden aangestipt, dat ook de termen roots rock en Americana regelmatig uit de kast mogen. Tot op zekere hoogte wellicht onder invloed van nieuwkomer Gillam. Onze persoonlijke voorkeur genieten hier vooral Joseph Parsons’ “Gonna Shine”, een ronduit zalig streepje zomerse folkpop, het uit een vergelijkbaar vaatje tappende en door diezelfde Parsons, Arnold, Bricklin en Gillam onderling keurig in strofen verdeelde “My Lucky Stars”, en Ben Arnolds “New Gold Rush”, een zich lekker ingehouden aandienend deluxe rootsrockertje. Maar eigenlijk hoor je hier geen favorieten uit te lichten! Dit is van begin tot einde gewoon één lekkere luistertrip! Doe er vooral je voordeel mee…

US Rails

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

THE DUSTIN BENTALL OUTFIT “Six Shooter” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Een ongelooflijk knap debuut” noemden we hier zo’n jaar of drie geleden ondertussen “Streets With No Lights”, de eersteling van Dustin Bentall. De opvolger daarvan, “Six Shooter”, was in ’s mans thuisland Canada al een poosje uit, maar is nu dankzij het Duitse Blue Rose Records eindelijk ook hier verkrijgbaar. En dat is maar goed ook, want ook dit is weer “een ware schatkamer aan country rock en Americana”, om ook enkele andere van onze gevleugelde woorden naar aanleiding van Bentalls visitekaartje te herhalen. Met een schuurpapieren stem en een zijn nog relatief jonge leeftijd compleet loochenende pen als zijn voornaamste wapenbroeders knalt Bentall (zang, gitaar en harmonica) op “Six Shooter” in het gezelschap van zijn bandmaats Del Cowsill (ondermeer zang, bas en elektrische gitaar), Adam Dobres (elektrische gitaar) en Pat Steward (drums) en gasten Johnny Ellis (gitaar, pedal steel, lap steel, banjo, orgel en andere) Luke Doucet (elektrische en baritongitaren), Kendel Carson (zang) en Randall Prescott (harmonica) doorheen tien eigen nieuwe liedjes en een cover van Corin Raymonds “Three Thousand Miles”. Prille invloeden als een Steve Earle, een Neil Young, een John Prine en vooral ook de “Cosmic American Music” van Gram Parsons en de Flying Burrito Brothers blijven daarin ook nu manifest aanwezig. Maar als je songs zó goed zijn als die van Bentall hoeft zulks hoegenaamd geen bezwaar te vormen. Liedjes als de in sfeervolle pedal steel- en harmonicaklanken badende halftrage “Railroad”, een soort van “Canadiana by way of Texas”, de country rock ballad “Take The Money”, de ergens in het verlengde van Ryan Adams ten tijde van Whiskeytown liggende sleper “Pontiac” en vurig twangende rockers als het titelnummer en “The Sweetest Of Hearts” zullen je keer op keer opnieuw met veel plezier naar dit schijfje blijven doen teruggrijpen. En dan hadden we het nog niet eens over het extreem radiovriendelijke, met Kendel Carson gebrachte “Three Thousand Miles”, zoals al gesteld de enige cover hier, en het heerlijk atmosferische “Secrets”, waarin de baritongitaar van Luke Doucet even mee de show mag stelen. Neen, wat Barney Bentalls zoon ‘m hier onder de productionele auspiciën van John MacArthur Ellis flikt, getuigt andermaal van uitzonderlijke klasse. Een verplichte aanschaf, zouden wij durven te zeggen…

Dustin Bentall

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

JIMMIE VAUGHAN “Plays Blues, Ballads & Favorites” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Mocht je van plan zijn om je eerdaags Jimmie Vaughans eerste nieuwe plaat in negen jaar tijd aan te schaffen, bereid je dan voor op een flinke verrassing! Zoals de Engelsen het zo mooi verwoorden: “Expect the unexpected!” Verwacht vooral geen logisch vervolg op ’s mans vorige soloplaten “Strange Pleasure” (1997), “Out There” (1998) en “Do You Get The Blues?” (2001). Verwacht geen bluesplaat pur sang überhaupt. Vaughan blijkt hier immers een man van zijn woord. Zijn nieuwe worp bevat inderdaad wat blues, enkele ballads en een heleboel heruitgevonden eigen favorieten. Zo tackelt hij hier ondermeer materiaal van Willie Nelson, Doug Sahm, Charlie Rich, Little Richard, Jimmy Reed, Roy Milton en Roscoe Gordon. De opvallendste en gelijk ook beste herinterpretaties zijn wat ons betreft een ronduit heerlijk “I’m Leavin’ It All Up To You” en een al even knap “Funny How Time Slips Away”. Het eerste – Ooit nog een hit voor Dale & Grace, maar je allicht beter bekend in de jaren ’70-uitvoering van Donny & Marie Osmond! –  een met Lou Ann Barton aan zijn zij gebrachte kruisbestuiving van doo wop met R&B, het tweede een heerlijk soulvolle lezing van één van de allermooiste nummers op het repertoire van good old Willie Nelson, ditmaal met gastvocalen en een fraaie Hammond-B3-bijdrage van de ondermeer om zijn werk met James Brown geroemde Bill Willis. Andere bescheiden hoogtepuntjes hier: de volop van fraai broeierig blaaswerk profiterende R&B-trage “Why, Why, Why”, een met Lou Ann Barton volop in de hoofdrol gebrachte lezing van Little Richards “Send Me Some Lovin’” en zeker ook Vaughans subtiele benadering van Roscoe Gordons “Just A Little Bit”. Stuk voor stuk knappe voorbeelden om mee te illustreren, dat het hier een waar “labour of love” betreft. Verder beslist ook het vermelden waard: het eigen nieuwe “Comin’ & Goin’”, een hoegenaamd zonder ook maar de minste schroom naar de jaren vijftig lonkende springerige instrumentale.

Jimmie Vaughan

Proper

 

ELEANOR ANGEL “Face To Face” (Eleanor Angel)

(3,5****)

De jonge Australische Eleanor Angel is een werkelijk verbluffend goede zangeres. En in haar liedjes weet de vanuit Brisbane aan de weg timmerende zingende liedjesschrijfster bovendien ook nog eens moeiteloos de vele valkuilen van het traditionele folkgenre te omzeilen. Op een tot de verbeelding sprekende manier smokkelt ze elementen uit zowel pop, jazz als klassieke muziek in haar leefwereld binnen. Haar veelal introspectieve songs krijgen daardoor als het ware iets feeërieks over zich. Op z’n Joni Mitchells gebruikt Angel daarbij haar engelachtige stem als een soort van instrument. Lenig ent ze haar verhalen op een fijnzinnige achtergrond van subtiel akoestisch gitaarwerk, weliswaar in weelderige mate aanwezige, maar wel heel erg functioneel ingezette strijkers en al even ingehouden percussiebijdragen. Met haar liedjes belandt Angel daardoor vrijwel constant in de buurt van het materiaal van andere nachtegaaltjes als de al genoemde Mitchell en Eva Cassidy ook wel. Noem het maar tijdloze elegantie. Voor ons een echte ontdekking, want Angels twee jaar geleden verschenen eersteling “Rain On The Street” was ons compleet ontgaan.

Eleanor Angel

 

KARA SUZANNE “Parlor Walls” (Sublimity / Shut Eye Records)

(3,5****)

“Parlor Walls” is – Het live-tussendoortje “Live From The Dream” volledigheidshalve maar even mee gerekend! – al de derde officiële Kara Suzanne-release. En het is wat je noemt een echte groeiplaat. Het soort van album, waar je bij elke volgende beluistering weer wat nieuwe dingen op gaat ontdekken. Een cd met ontzettend veel diepgang ook. De vanuit Brooklyn, New York actieve schone gaat in haar songs immers nadrukkelijk in de clinch met haar eigen demonen. “I wrote ‘Parlor Walls’ with the intention of exorcizing the things I’ve used to distract myself from being in the present,” liet ze daarover zelf optekenen. Of nog: “Each song on the album is based on one of these things: fear, infatuation, obsession, desperation, nostalgia, lust…” Een schijfje rijk aan de meest uiteenlopende emoties dus. En met haar warme, rijke stem als haar voornaamste wapen houdt Suzanne je dan ook elf nummers lang probleemloos bij de les. Ze nestelt zich comfortabel in het kielzog van dames als een Lucinda Williams en een Emmylou Harris en weet op het palet met Americana-tinten steeds weer de juiste te vinden om haar gevoelens mee onder woorden te brengen. Dat betekent concreet, dat de nadruk beurtelings wat meer op (alternatieve) country, (folk)rock en blues komt te liggen. Al is het toch vooral het harmonieuze samengaan van die drie, dat ons inziens velen zal aanspreken. Zo is “Not Doin’” weliswaar op en top honky-tonk, maar dan wel met een groot rock & rollhart gebracht. En het statig aan je voorbij trekkende “Divisadero” doet op al even intrigerende wijze iets heel moois met quasi gelijke delen Americana, folk en rock. “Wake Up With Me” zouden wij vervolgens willen omschrijven als “Dylan meets Edie Brickell”. Heel mooi dus! Maar aan dé echte topmomenten kwamen we nog niet toe. Dat zijn wat ons betreft zondermeer de tragen hier. Het klaaglijke “You’re For Real” met name en het uit enigszins vergelijkbaar hout gesneden “Madeliene” ook wel. In dat soort van liedjes kan Kara Suzanne pas echt goed illustreren over wat voor een fantastisch stel “pipes” ze wel beschikt.

Kara Suzanne

CD Baby

 

TIMBER “Scrawled” (Cowboy Angel Music)

(3,5****)

Vanuit Athens, GA bereikte ons enige tijd geleden “Scrawled”, de derde worp van Timber, een zestal rond zingende songsmid Daniel Aaron. En dat album laat zich op de keper beschouwd nog het best samenvatten als “een beetje old-time stringband music, een beetje country en een beetje pop”. Met name een groot deel van het gebezigde instrumentarium wijst nadrukkelijk richting stokoud muzikaal erfgoed. We hebben het dan over een banjo, een mandoline, een fiddle, een tamboerijn en dergelijke. Zij verlenen aan de liedjes van Aaron een soort van gedateerde charme. Maar die Aaron leeft absoluut niet uitsluitend met zijn hoofd in het verleden. Zijn songs voltrekken als het ware het volmaakte huwelijk tussen de drie hoger genoemde genres, tussen de Carter Family, Uncle Tupelo en Dylan. Zelf zegt hij daarover: “We gingen vol voor een old-time feel, maar dan wel zonder te beantwoorden aan de regels en structuren, die dergelijke muziek soms wil opleggen. (…) We namen “Scrawled” daarom gewoon op in een garage!” En dat maakt, dat de twaalf deuntjes op het album ons uitermate geschikt lijken voor een vrij ruim publiek. Fans van acts als Uncle Tupelo, Old Crow Medicine Show, de Hackensaw Boys, de Foghorn Stringband, Bonnie “Prince” Billy, Gillian Welch, Rachel Harrington, Richard Buckner en aanverwanten zullen zich hier ons inziens absoluut geen buil aan vallen.

Timber op MySpace

Cowboy Angel Music

CD Baby

 

SETH SWIRSKY “Watercolor Day” (Grimble Records)

(4****)

Om een lang verhaal kort te houden: Seth Swirsky is een vanuit L.A. actieve singer-songwriter, wiens naam je waarschijnlijk weinig of niets zegt. En toch zou je hem als regelmatige lezer van deze pagina’s eigenlijk moeten kennen. In juli van 2007 waren wij er hier immers als de kippen bij om “She’s About To Cross My Mind” van The Red Button, een door Swirsky samen met Mike Ruekberg gevormde popgroep regelrecht de hemel in te prijzen. “Dit zijn liedjes zoals Paul McCartney ze al jaren niet meer maakt!”, meenden we toen over de vele perfecte popkleinoden daarop. En ook op Swirsky’s onlangs verschenen solo-cd “Watercolor Day” krioelt het daar weer van. Titel- en openingsnummer “Watercolor Day” koppelt zo bijvoorbeeld op aanstekelijke wijze het erfgoed van de Beatles aan country, “Summer In Her Hair” doet z’n titel alle eer aan en flirt gevoelsmatig zowel met de Fab Four als met de Beach Boys, “Matchbook Cover” is dan weer pure “Macca by way of Swirsky”, “Song For Heather” een droom van een lijzige zomerse ballade, “Distracted” “perfect pop for now people” blazersgewijs overgoten met wat Bacharach & David, “Fading Again” een van de ideale soundtrack bij deze bloedhete zomer weggelopen catchy niemendalletje en “Living Room” iets waar ze bij Crowded House groen van afgunst zullen door uitslaan. Enfin, “Watercolor Day” staat eigenlijk gewoon weer bol van de popschoonheden. Ongelooflijk eigenlijk, dat er zich tot op heden nog geen grote platenmaatschappij heeft aangediend om hier de schouders onder te zetten. Als er al één iemand zulks verdient, dan wel deze Seth Swirsky!

Seth Swirsky

CD Baby

 

THE BONESMEN “Deuce” (Angel Creek Records)

(3,5****)

Fijnzinnigheid is aan Frank Thomas (zang, gitaren), Mark Turko (leadgitaar), Kenny Dempsey (bas) en Drew Carrano (drums) niet echt besteed. Als The Bonesmen knallen zij er samen al twee albums lang lekker op los. “Good times Music” is het, als we frontman Thomas mogen geloven. Op niets ontziende gitaren en schreeuwerige zang geënt vermaak, dat ons alvast prompt op zoek deed gaan naar onze Georgia Satellites- en Yayhoos-platen. “Your drunken uncle’s rock & roll,” aldus nog Thomas, gekruid met een snuif blues en country. Daartoe doet men een beroep op negen eigen nummers en gaat men één enkele keer vreemd. De minnares van dienst blijkt daarbij “Last Train To Clarksville”, je wellicht nog wel bekend in de hituitvoering van de Monkees. Door zijn extreem hoge adrenalinegehalte meteen één van de sterkste momenten op “Deuce”. Ook héél knap: het nadrukkelijk op een Southern rockleest geschoeide “Slow Down”, het nerveus schokschouderende “Fallin’ Apart” en vooral ook de tandem “Morning Moon Or Night” en “Cloud”. Dat laatste duo herinnerde ons voorwaar even aan de Stones in veel betere tijden. It’s only rock & roll, but we like it!

The Bonesmen

The Bonesmen op MySpace

CD Baby

 

STEVE MEDNICK “What Remains” (Cottage Sound Recordings)

(2,5***)

Onvoorstelbaar productief baasje, deze Steve Mednick. “What Remains” is inmiddels ook alweer zijn zevende album sinds “Dark Ages Reprise”, zijn in 1996 verschenen debuut. En op die nieuwe doet de beste man eigenlijk absoluut niets nieuws. Met zijn eerder beperkte stem blijft hij, daarbij constant heen en weer laverend tussen Americana en rootsy pop en rock, ook nu weer eigen verhalen uit de mouw schudden. An sich niks mis mee, ware het niet, dat die wat zeurderige stem van ‘m al snel een weinig gaat vervelen. Liedjes als het werkelijk ijzersterke “The Forger’s Tale”, ook te horen in de film “Fake”, of het al even indringende “Jasper McPhee” mogen wat ons betreft zó op een de zomer van 2010 begeleidende mixtape, maar heel wat van het overige materiaal hier lijkt ons niet zo’n lang leven beschoren. En da’s eigenlijk best wel jammer, want Mednick is zoals al eerder gesteld best wel een goede verteller. Misschien moest hij zich voor een volgende worp maar eens wat meer tijd gunnen en zich wat kritischer opstellen ten opzichte van het erop gebrachte materiaal. Dan lijkt een echt blijvertje er namelijk wél in te zitten. “What Remains” is dat vooralsnog echter zeker niet.

Steve Mednick

 

NANCY K DILLON “Roses Guide To Time Travel” (Rose Rock Records)

(4****)

Nancy K Dillon levert met “Roses Guide To Time Travel” haar tweede cd af. De in Oklahoma op amper enkele blokken van Route 66 opgegroeide Amerikaanse debuteerde al in 2004 met het fraaie “Just Let Me Dream”. En haar nieuwe plaat, laat ons dat maar meteen vooraf stellen, is een meer dan waardige opvolger daarvoor geworden. In het gezelschap van echte cracks als Danny Barnes (banjo, National Steel), Michael Hill (elektrische gitaar, slide, bas, shaker, zang), Stacy Phillips (Resonator), Gavin Sutherland (zang), Dylan Rieck (cello), Ian Lang (Spaanse gitaar, harmonium, triangel), MJ Bishop (zang), Chris Parks van Any Trouble (elektrische gitaar) en Steve Smith van Hard Road (mandoline, zang) schildert ze elf bijzonder fraaie taferelen, waarin ook nu weer het leven van alledag een bijzonder grote rol blijkt te spelen. Een kritische noot aan het adres van haar thuisland (“All The Pretty America”), een eerbetoon aan Portland, OR (“Portland”), een heuse murder ballad (“No Goodbyes”), een train song (“New Train”), een liefdesliedje (“Sweet Honey”), enfin, van alles wel wat hier. En dat verpakt in compacte, voortdurend het midden tussen Americana, country, bluegrass en folk(rock) houdende liedjes. Enkele hoogtepuntjes: Americana train song “Last Town On The Line”, “Portland”, haar doorleefde, door Dylan Rieck van wat ingetogen cellowerk voorziene ode aan die stad, “Looks Like Rain”, een de elementen tartend streepje eigentijdse bluegrass en “Good Old Friends”, een voorzichtig wat meer richting rock neigend streepje folk. Uitstekend gedaan allemaal! Zowel muzikaal als inhoudelijk gezien louter absolute topkwaliteit!

Nancy K Dillon

CD Baby

 

THE KENN MORR BAND “Higher Ground” (The Kenn Morr Band)

(3,5****)

“Higher Ground” is al het vierde album van de Kenn Morr Band. Op die opvolger van het al in 2008 verschenen “Move On” blijft Morr zoals het een goede schoenmaker past bij zijn leest. Dat betekent concreet, dat hij ons ook ditmaal weer verblijdt met een collectie aantrekkelijke, voornamelijk akoestisch gehouden liedjes met mooie, bij momenten lekker diepzinnige teksten. Liedjes over het leven zelve, l’amour, jeugd, ouder worden, hoop, vrede en wel meer. Zelf neemt Morr daarin de akoestische, de elektrische, de 12-string en piano en keyboards voor zijn rekening. Tom Hagymasi stuurt ondermeer fiddle, mandoline, bouzouki, knoppenaccordeon en dulcimer bij, Bob Gaspar tekent voor drums en percussie en Dan Hocott hanteert de bas. Het viertal klinkt daarbij bijzonder hecht, dat moet absoluut gezegd. Maar dé blikvanger is en blijft toch wel de zang van Morr zelf. Diens ingehouden manier van zingen herinnert een heel klein beetje aan Leonard Cohen, al is zijn stem wel een stuk minder diep. Al bij al een alleraardigste collectie folk(rock)- en Americanaliedjes. Onze luistertips: het heerlijk relaxte, qua thematiek ergens tussen berusting en hoop strandende “Things I’ve Done”, het met een snuif C&W gekruide “Anna Lee” en het bijzonder fraaie titelnummer.

The Kenn Morr Band

CD Baby

 

MAX STALLING “Live At The Granada” (DVD & CD) (Blind Nello Records)

(4****)

“Live At The Granada” biedt werkelijk alles wat je als fan van een artiest van een moderne live-registratie verwachten mag. Max Stalling trakteert ons op een vorig jaar opgenomen optreden, dat zich nog het best laat omschrijven als een soort van live best of. De Texaanse songsmid met de ongemeen warme stem baant zich duidelijk in zijn nopjes een weg doorheen klassiekers op het eigen repertoire als daar zijn “Ping Pong, Pool”, “In The Heat Of The Wide Afternoon”, “If Only The Good Die Young”, “Blue Eyes”, “The Pila Song”, “Topaz City”, “Bass Run”, “Probably Corsicana”, “I-35” en “Crazy Like That”. En dat doet hij zowel op CD als op DVD. Voor elk wat wils met andere woorden. Zij die trouw zweren bij audio zijn op die manier een lekker relaxt aandoende live-plaat rijker, zij die het eerder moeten hebben van video zijn getuige van een lekker sober gehouden optreden van een man, wiens songs en, zoals al eerder gesteld, zijn fantastische stem zijn voornaamste troeven zijn. Extravagantie is daarbij compleet taboe. Stalling presenteert zichzelf gewoon als een uitermate onderhoudende entertainer en bovenal ook als één van dé allerbeste countryzangers, die de Lone Star State momenteel rijk is. Precies wat je van ‘m verwachtte eigenlijk en meer moet dat ook absoluut niet zijn. Warm aanbevolen dan ook!

Max Stalling

Lone Star Music

 

THE RUNNING KIND “The Girl For All The World” (Bossonova Music Records)

(2,5***)

The Running Kind zijn Leslie Bosson (zang), Matt Bosson (zang, akoestische gitaar, trombone), George Alexander (elektrische gitaar, zang), Frank San Filippo (akoestische en elektrische bas, mandoline, zang), Mitsuru “Neil” Fukusawa (drums, percussie, mandoline, zang) en Kevin Smith (piano, keyboards), een vanuit Californië actief zestal, dat met “The Girl For All The World” na het in 2006 verschenen “Very Far” al aan zijn tweede cd toe is. Het naar een liedje van Merle Haggard vernoemde sextet brengt daarop met de hulp van gastmuzikanten Darlin’ Jim D’Damery (dobro) en John Groover McDuffie (pedal steel) zeven eigen liedjes van de echtelieden Bosson en covers van “Life To Go” van George Jones, “Return Of The Grievous Angel” van Gram Parsons en “Don’t Cry No Tears” van Neil Young. Samen met Hank Williams en Johnny Cash wellicht niet geheel toevallig als voornaamste inspiratiebronnen geciteerd door songwriter Matt Bosson, die drie. Met hun liedjes laten die van The Running Kind weer heel even de jaren zeventig herleven. Meer bepaald de toen redelijk succesvolle countryrockvariant.  Gefocust wordt er daarin op de klassiek geschoolde stem van Leslie Bosson, de harmonieuze samenzang met haar wederhelft en diens door hoger vernoemde grootheden beïnvloede songs, de aandacht daarbij keurig verdelend over vrijwel ogenblikkelijk meezingbare ballades en mid-tempo rockertjes. Mooi weliswaar, maar al bij al nogal braaf allemaal en daar knelt het schoentje hier toch wel een beetje. Bovendien is het ons inziens zo, dat Leslie Bossons stem eerder geschikt is voor wat meer folkgetint materiaal. Daarin zou ze naar onze bescheiden mening met haar misthoorn pas écht kunnen excelleren.

The Running Kind

CD Baby

 

BRIAN KRAMER “Myself And Mine” (Brian Kramer)

(4****)

“This project has been a long time coming…,” aldus Brian Kramer zelf in de liner notes van zijn nieuwe cd “Myself And Mine”. De Amerikaan, die reeds als jongeling onder de vleugels van genregroten als een Buddy Guy en een Junior Wells belandde en later ondermeer ook nog zou samenwerken met Larry Johnson, Eric Bibb, Taj Mahal, Bob Brozman, Alvin Youngblood Hart, Toumani Diabate en anderen, komt met dat album eigenlijk tegemoet aan de wensen van zijn fans. Die hadden hem jarenlang bijna gesmeekt om eindelijk eens te opteren voor een “spiernaakte aanpak”. En dat bleek uiteindelijk, aldus nog Kramer, een echt bevrijdende ervaring. Het liet hem naar eigen zeggen toe, eindelijk echt één te worden met zijn liedjes en met zijn snaren. En dat hoor je eraan ook. Daarbij slechts gewapend met een stel akoestische gitaren werkt Kramer zich hier op bijzonder relaxte wijze doorheen elf eigen liedjes. Centraal staan daarin het eigen gedachtegoed, het eigen leven onderweg. Van alle overbodige franje ontdane mijmeringen zijn het eigenlijk, de elf kleinoden die virtuoos Kramer hier presenteert. Liedjes, die gebracht zoals hier, een open invitatie vormen om probleemloos tot de kern van ’s mans verhalen door te dringen. Werkelijk bloedmooi allemaal! Om het met de recensent van dienst bij CD Baby samen te vatten: “Original uplifting acoustic finger-picking & slide guitar blues for the 21st century.” We hadden het zelf niet beter kunnen verwoorden…

Brian Kramer

CD Baby

 

DAVID ROBERT KING “Take Me Home” (David Robert King)

(3,5****)

“Een buitengewone nieuwe artiest,” noemde men David Robert King bij het nog immer gezaghebbende No Depression op basis van de amper vijf liedjes op zijn EP “Take Me Home” en daarmee was meteen ook onze aandacht getrokken. King, tot voor kort vooral thuis in rockmuziekmiddens, verkent op dat schijfje voor het eerst rootsmuziekwateren en laat zich daarbij vooral inspireren door groten der aarde als een Guthrie, een Dylan en een Van Zandt. Het resultaat zijn vijf liedjes, vijf kortverhalen, ontstaan ergens onderweg doorheen de States, met “the road” als “a constant reminder of the girl that he almost had”. Geen wonder dan ook, dat melancholie hier een bepalende rol speelt. Americana, country, bluegrass, folk, blues en rock & roll vallen elkaar daarbij beurtelings in de armen en lijken het daar bijzonder goed met mekaar te kunnen vinden. De met een aangenaam gruizige stem gebrachte liedjes van King gaan daardoor organische kleine gehelen vormen, die inderdaad een exceptioneel talent verraden. Met name dingen als het warmbloedige “Somehow Today”, titelnummer “Take Me Home” en het zachtjes countryrockende “Strange Freedom” zijn van een constant erg hoog niveau. Ze doen nu al reikhalzend uitkijken naar wat deze knaap in de toekomst nog allemaal voor ons in petto zal hebben.

David Robert King

CD Baby

 

SALLY SPRING “Made Of Stars” (Sniffinpup Records)

(4****)

Ook op de opvolger van “Mockingbird” weer toont Sally Spring (zang, gitaar) zich in grote doen. Met haar band bestaande uit Ted Lyons (drums, gitaren), Rich Feridun (gitaar), Graham Maby (bas), James Mastro (gitaar) en Fred Smith (bas) en verder omringd door bekende gasten als Gurf Morlix, Susan Cowsill, Peter Holsapple, Caitlin Cary en Harvey Gold werkt ze zich in een productie van de al genoemde Lyons doorheen acht eigen nieuwe liedjes, waarvan één gepend met Peter Holsapple en één met Byron Hill, en covers van de Johnny Cash-hit “I Still Miss Someone”, Los Lobos’ “Short Side Of Nothing” en Willie Dixons “It Don’t Make Sense”. Voor dat laatste viel ze terug op een in Hoboken ingeblikte live-uitvoering. Grote delen van “Made Of Stars” werden bewust volledig akoestisch gehouden. Enkele wél van de nodige elektriciteit voorziene rockers zorgen echter voor het broodnodige evenwicht. Het maakt van de nieuwe Spring een plaat om te hebben en intens van te houden. Americana volkomen terecht met een hoofdletter A geschreven! Met als enkele van de absolute uitschieters wat ons betreft het zomers lome, met Gurf Morlix gebrachte “Mentone, Alabama”, een flink onder de huid gaand, mede door ingehouden twangend gitaarwerk van James Mastro gedragen “I Still Miss Someone” en de schitterende ballad “Beautiful Ride”. Hier druipt de bezieling echt van af! Werkelijk tijdloos spul!

Sally Spring

CD Baby

 

REBECCA TURNER “Slowpokes” (FRED)

(3***)

Zelf omschrijft Rebecca Turner het op haar tweede cd “Slowpokes” gebrachte als “my usual casserole of styles… kind of Americana, kind of rock, kind of folk”. En met die samenvatting slaat ze naar onze bescheiden mening spijkers met koppen. De haar eigen volwassenwording nu wel stilaan definitief bezegelende liedjes op de opvolger van haar debuut “Land Of My Baby” bevatten immers andermaal volop raakpunten met de muziek van inspiratoren als daar zijn Nanci Griffith, Linda Ronstadt, de Bangles en in iets mindere mate Peter Case en de Plimsouls. Introverte luisterliedjes en ballades worden afgewisseld met bedaard (folk)rockend materiaal, dat duidelijk een zekere band heeft met de Californische scène. Echt grootse daden stelt Turner echter in geen van de genoemde categorieën. Ze brengt weliswaar aardige, maar helaas ook wat al te brave liedjes, die enigszins geruisloos aan je voorbijtrekken.

Rebecca Turner

CD Baby

 

JOEL PLASKETT “Three To One” (Blue Grace Music)

(3,5****)

“Three To One”, de “nieuwe” cd van Joel Plaskett, is eigenlijk gewoon een soort van vereenvoudigde, speciaal voor de Europese markt bestemde uitvoering van zijn laatste album, het in zijn thuisland Canada ondertussen erg succesvol gebleken “3”. Een plaat die  overigens niet zomaar die titel opgeplakt kreeg. Je bent al snel geneigd om te gaan denken, dat dit het geval is, omdat het hier ’s mans derde release betreft. Maar eigenlijk zit er veel en veel meer achter. In de aanloop naar zijn nieuwe worp stelde Plaskett immers vast, dat hij met drie nieuwe nummers zat, waarvan de titel bestond uit één enkel tot driemaal toe herhaald woord: het volop naar hillbilly geurende stampertje “Rollin’, Rollin’, Rollin’”, de soulvolle pianoballade “Rewind, Rewind, Rewind” en de folkpopdeun “Gone Gone Gone”. Het deed bij hem meteen het idee rijzen, om een volledig album met dergelijke nummers te maken. Maar aangezien hij ook nog met een stel andere nummers zat, die niet meteen aan dat concept beantwoordden en die hij toch ook graag vereeuwigd wou zien, stapte hij van zijn aanvankelijke voornemen af en ging hij voor een driedubbelaar, op die manier – Ongewild? – toch weer trouw blijvend aan het getal drie. Maar zoals al eerder gesteld, Europa moet het doen met een compilatie met – Het beste? – van die drie schijven. En die kreeg ook al een toepasselijke titel mee: “Three To One”. De vanuit Halifax, Nova Scotia actieve zingende songmid toont zich daarop als een moeilijk voor één gat te vangen artiest. Openingsnummer “Deny, Deny, Deny” blijkt zo dartele, door een zwierige viool met wat zomergevoel bezwangerde pop, “Through & Through & Through” neigt mede door z’n gesmaakte blazersinbreng voorzichtig richting R&B, “You Let Me Down” is intelligente (pop)rock genre XTC in betere tijden, “Rewind, Rewind, Rewind” heeft zoals al eerder gesteld op enigszins aparte wijze iets met soul, “Precious, Precious, Precious” en “Sailors Eyes” horen thuis onder de noemer roots rock, “Run, Run, Run” herinnerde ons gevoelsmatig voorzichtig aan Crowded House, “New Scotland Blues” is in tegenstelling tot wat zijn titel doet vermoeden folky spul en “Rollin’, Rollin’, Rollin’” wordt banjogewijs klaargestoomd voor een bestaan als puur countryliedje. Variatie troef hier met andere woorden en het is eigenlijk een klein wonder te noemen, dat Plaskett er toch in slaagt om deze dertien songs als één enkel geheel te laten werken. Met ons heeft hij er alvast één fan mee bij gewonnen.

Joel Plaskett

Maple Music

 

ELEVEN BONES “Four Day March” (Eleven Bones)

(3,5****)

Dub Miller, één van onze favoriete Texaanse singer-songwriters, was het, die ons hoogstpersoonlijk attendeerde op het verschijnen van “Four Day March”, een EP van Eleven Bones. In die groep zetelen naast de beste man zelf (zang, gitaar) ook nog Matt Skinner (zang, gitaar), Meagan Jones (zang), Adam Odor (basgitaar, keyboards), Brian Beken (zang, gitaar) en John Ross Silva (drums, percussie). Nogal wat schoon volk samen dus en zulks schept natuurlijk vrij hoge verwachtingen. Verwachtingen, die met de zes liedjes op “Four Day March” ook volledig worden ingelost. Dat schijfje staat immers voor een lekker gebalde portie eigentijdse (rootsy) rock & roll, lekker luid en bij momenten heerlijk ongecontroleerd gebracht. Openingsnummer “Forget” la-la-laat zich zo tussen bijzonder snedig agerende gitaren door richting een vaste stek tussen je oren, “Paranoia” teert op de sexy zang van Jones om al even attractief uit de hoek te komen en “Don’t Want To Fall” klinkt bepaald duister en bezwerend en werkt wellicht juist daardoor vrijwel ogenblikkelijk zwaar verslavend. En dan zijn er nog “Losers”, een messcherpe, gitaarzwangere deluxe rootsrocker, “Wild And Unholy”, een door de geluidsmangel gehaald streepje eigentijds rockgenot tout court, en “How Long”, een verder bewijsstuk voor het enorme vocale talent van Jones, dat leeft van zijn enigszins vreemde temposchommelingen en al even apart twangend snarenwerk. Beslist de moeite van het even checken waard allemaal!

Eleven Bones

Lone Star Music

 

GREG KOONS & THE MISBEGOTTEN “Welcome To The Nowhere Motel” (Kealon Records)

(4****)

Met platen als dit debuutalbum mag u ons graag altijd even komen lastigvallen! Elf heerlijke lappen roots rock en Americana staan erop, die epilepticus Greg Koons wat ons betreft in één klap bombarderen tot een in de toekomst goed in het oog te houden talent. Het samen met Adam Lasus (Clap Your Hands Say Yeah, Army Navy) en Matt Keating geproduceerde “Welcome To The Nowhere Motel” bulkt eigenlijk gewoon van de liedjes, die luidkeels schreeuwen om radioaandacht. Van het aan Tom Petty in zijn topdagen herinnerende, onder heerlijk jengelende gitaren bedolven “Elizabeth” tot het een eindje richting Traveling Wilburys hellende “There But By The Grace Of God Go I”, van de zowel naar inhoud als naar muzikale invulling ronduit schitterende doorleefde ballade “Los Angeles Looks Prettier On TV” tot het op z’n John Prine’s een weinig countryesk ingevulde “That’s Not Me”, van de schuifel-Americana van “By The Light Of A Truck Stop Moon” – een beetje Steve Earle, een beetje Stephen Simmons – tot de onweerstaanbare rootsrocker “Janey’s Got A New Boyfriend”, van het lekker scherpe “A Picture Of My Pa Before He Died In Vietnam” tot de gruizig-sentimenteel gebrachte afsluiter “The Only Girl in Austin” en andere, dit is gewoon allemaal even goed! Een dikke thumbs up van hier uit dan ook voor dit visitekaartje, waaraan naast de al genoemde tandem Keating-Lasus ook nog wijlen Duane Jarvis, Jason Mercer, Jordan Richardson en Kirk Swann meewerkten.

Greg Koons & The Misbegotten op MySpace

Amazon

 

SUSIE HUG “Tucson Moonshine” (Vacilando ’68 Recordings)

(4****)

De naam Susie Hug deed bij ons in eerste instantie niet meteen een belletje rinkelen. Wat nader onderzoek wees echter uit, dat we van haar wel degelijk al enkele platen op de plank hadden staan. Hug was immers jarenlang het kopstuk van de Katydids, een groep die met haar door Nick Lowe geproduceerde titelloze debuut en met “Shangri-La”, de met Ian Broudie van de Lightning Seeds opgenomen opvolger daarvan, in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ook hier te lande volkomen terecht regelmatig op wat airplay bij de betere radiostations mocht rekenen. Welnu, die Hug trok onlangs haar stoute schoenen aan en contacteerde de ondermeer om zijn werk met Calexico en Richmond Fontaine geroemde JD Foster met de vraag of hij misschien haar nieuwe soloplaat wou produceren. En dat leverde haar tot haar eigen grote verbazing niet enkel een volmondig ja op, maar meteen ook een hele trits aan gerenommeerde gastmuzikanten. Op “Tucson Moonshine” treffen we zo naast haar partner en voormalige Katydids- en Pretenders-gitarist Adam Seymour met Joey Burns, John Convertino en Jacob Valenzuela ook de harde kern van Calexico aan. En dat valt eraan te horen ook! Al doet Hug dan ook nog zo haar best om origineel te zijn en uit te blinken met een eclectische aanpak, toch valt met name de inbreng van de heren Burns en Convertino vrijwel nergens te ontkennen. Maar of we dat nu meteen ook als een nadeel moeten zien? Niet dus! Wel integendeel eigenlijk. De ons stemgewijs met name in de rustigere nummers enigszins aan Lucinda Williams herinnerende Hug profiteert ten volle van de expertise van het genoemde tweetal, maar laat er zich absoluut niet door intimideren. Naast “Calexicana” treffen we daardoor op “Tucson Moonshine” ook alternatieve country, West Coast pop, folky spul en voorzichtige psychedelica aan. Mooi allemaal zondermeer! JD Foster slaagde er wat ons betreft perfect in om de wat klaaglijk aandoende stem van Hug van een ideale muzikale achtergrond te voorzien. Sfeer regeert hier daardoor volop! Luisteren naar “Tucson Moonshine” is als in je eentje doorheen de stoffige straten van het één of andere godvergeten gat ergens in het diepe Zuiden van de States slenteren. Een uitgesproken gevoel van melancholie overvalt je eensklaps en overmant je volledig. Het maakt van deze plaat een bijzonder interessante metgezel voor in de vaak toch wat eenzamere late uurtjes. Een aanrader van formaat bij nader inzicht.

Susie Hug

Vacilando ’68 op MySpace

 

MARY GAUTHIER “The Foundling” (Proper / Rough Trade)

(5*****)

Kort na haar geboorte werd Mary Gauthier door haar moeder voor adoptie afgestaan. Dat gegeven en de vaak behoorlijk pijnlijke gevolgen daarvan vormen het uitgangspunt voor het ontegensprekelijke magnum opus van de Canadese.”The Foundling” is als het ware haar manier om haar traumatische verleden, een constante zoektocht naar haar ware roots, maar ook naar een echte thuis, geborgenheid en liefde, van zich af te schrijven en met zichzelf in het reine te komen. Behoorlijk zware koek dus, dit conceptalbum, opgenomen onder de hoede van Cowboy Junkie Michael Timmins. Samen met hem en muzikanten bekend van ondermeer de Skydiggers, Junkhouse en Lee Harvey Osmond, naast onder anderen ook nog Tania Elizabeth van The Duhks en Garth Hudson van The Band, tekent Gauthier voor een als ronduit grandioos te bestempelen plaat, die werkelijk van begin tot einde boeit. “The Foundling” is een album van een dergelijke emotionele diepgang, dat het hoegenaamd niemand onberoerd zal laten. En dat ook Margo Timmins (Cowboy Junkies) her en der blijkt op te duiken om wat onder de huid gaand harmonieerwerk bij te sturen, is wat ons betreft alleen nog maar een bijkomend sterk verkoopsargument. Blind aanschaffen is hier dan ook de dwingende boodschap!

Mary Gauthier

Proper Records

 

JUDY COLLINS “Paradise” (Wildflower Records)

(3,5****)

Ook op haar eenenzeventigste blijft Judy Collins een onwaarschijnlijk goede zangeres. Het sprekende gemak, waarmee ze ook op “Paradise” weer materiaal van anderen naar haar hand weet te zetten, spreekt echt wel tot de verbeelding. Werkelijk glasheldere, door subtiel piano- en gitaarwerk ondersteunde vertolkingen van dingen als Tim Buckley’s “Once I Was”, “Weight Of The World” van Amy Speace”, Tom Paxtons “Last Thing On My Mind”, de traditional “Dens Of Yarrow”, Jimmy Webbs “Gauguin” en de classic “Ghost Riders In The Sky” zorgden hier alvast met enige regelmaat voor het nodige kippenvel. Enkele van de opvallendste liedjes zijn enkele duetten: met Joan Baez (“Diamonds And Rust”), Stephen Stills (“Last Thing On My Mind”) en Michael Johnson (“Emilio”). Enkel Collins’ al té zeemzoete vertolking van “Over The Rainbow” had wat ons betreft rustig achterwege mogen blijven. Bij het beluisteren daarvan vreesden we heel even voor een zich versneld aandienend tandartsbezoek… Instrumentale hulp kreeg Collins voor “Paradise” ondermeer van kleppers als pianist Russell Walden, gitarist Larry Campbell, bassist Tony Levin en toetsenlui Steve Skinner en Jimmy Webb. Vocale bijstand was er naast van hoger al genoemde duetpartners ook nog van Denver Collins, Joe Hurley, Bob Neuwirth, Tom Paxton, Paul Rolnick en Jimmy Webb. In dergelijk fijn gezelschap is het voor de folkdiva in hoegenaamd elk opzicht waardig ouder worden.

Judy Collins

Wildflower Records

 

PHANTOM PUERCOS “III” (Elektrograph Records / Bertus)

(3,5****)

Phantom Puercos zijn Tonnis van der Luit (zang, gitaar en banjo), John Koolen (gitaar, lap steel, slide en mandolin), Eef Dijkstra (basgitaar, gitaar en zang) en Peter de Cocq (drums, accordeon en orgel). Dat Nijmeegse viertal is al sinds 2004 actief. In 2005 debuteerde men met een eerste EP, twee jaar later gevolgd door eerste full cd “Woold”. Die laatste plaat werd in thuisland Nederland in kennerskringen door de band genomen erg lovend onthaald. En het is dan ook een beetje raar, dat we bijna drie jaar op een opvolger ervan hebben moeten wachten. Maar goed, die is er dus nu wel. Het toepasselijk getitelde “III” verscheen onlangs op Elektrograph Records, het eigen platenlabel van Puercos-kopstuk Tonnis van der Luit en Sebastiaan van Bijlevelt van Okieson, je wellicht ook wel bekend van het grandioze “Cupboard Full Of Things” van vorig jaar. Net als Okieson staan ook de “Spookvarkens” voor Americana, alt. country en country noir. Je mag zelf kiezen, welke van die drie termen voor jou het best past bij de diepzinnige, door zielsverwanten als Neil Young en 16 Horsepower en schrijvers Richard Brautigan en Edgar Allen Poe beïnvloede liedjes van van der Luit en co. Songs, die behoorlijk diep graven overigens. Bezetenheid, de zelfkant van het bestaan, liefde, geluk en eenzaamheid vormen daarvoor de ideale voedingsbodem. Als een soort van kruising tussen de eerder al genoemde Neil Young en Dan Stuart van Green On Red rijgt van der Luit op “III” de beklijvende momenten aan mekaar. Het ene moment ingehouden rockend, zoals in het ook gitaargewijs voorzichtig richting Crazy Horse wijzende “The King And His Wife”, het andere bijna soulvol ingetogen, we denken dan bijvoorbeeld aan het tegen bijzonder sfeervol orgelwerk van de Cocq aanleunende “Room Full Of Ghosts” of aan het mooie “Me And My Sister”, een echte dijk van een story song over getroebleerde familieverhoudingen. Maar het kan ook anders: country noirish bijvoorbeeld, zoals in het door een nerveuze banjo aangejaagde “Traveller”, of aanstekelijk countryrockend, zoals in het bijna speelse “Angelina Angeliqua” of “One More Sip”. Elk van de genoemde liedjes en nog een hele trits andere hier zijn van het type, dat bij elke beluistering weer wat meer aan diepgang lijkt te winnen. Het maakt van deze derde worp van Phantom Puercos een echt groeiplaatje. Sterk spul alleszins!

Phantom Puercos op MySpace

Bertus

 

REBECCA LOEBE “Mystery Prize” (Me & My Americana / CRS)

(5*****)

Voor ons absoluut dé ontdekking van de zomer van 2010 so far is de jonge Amerikaanse Rebecca Loebe. Die vanuit Georgia actieve schone heeft wat ons betreft echt alles in huis om het heel erg ver te gaan schoppen. Om het met de woorden van een Amerikaanse radiomaker samen te vatten: “The wit of Dar (Williams), the bite of Ani (DiFranco), and the beauty of Norah (Jones)…” Geen wonder dan ook, dat Loebe – Spreek uit: “Low-Bee”! – vorig jaar op het Kerrville Folk Festival in de categorie New Folk in de prijzen viel, daarmee in de voetsporen tredend van illustere voorgangers als Nanci Griffith, Lyle Lovett, Robert Earl Keen en vele, vele anderen. Zelf omschrijft ze op haar eigen webstekje wat ze doet als “post-brontosaurus indie folk/crunk”, maar dat klinkt ons inziens veel en veel te zwaar voor deze ronduit heerlijke muziek, die regelmatig ook even in de schemerzone tussen folk en Americana belandt. Titelnummer “Mystery Prize” is zo een zomers Americana-walsje gekruid met ingetogen jengelende gitaartjes, een ergens vanuit een verscholen hoek van een bar bespeelde piano, wat trompetten en een accordeon en “Redneck Karaoke Bar” flirt al even levenslustig met country. “Land & Sea” doet tegen een subtiel ingekleurde achtergrond van akoestisch gitaarwerk, sfeervolle toetsen, wat snare en bass drum en vooral ook een zacht huilende pedal steel dan weer iets heel moois met folk en pop, “Marguerita”, een liedje waarin vanuit het standpunt van een op een boerderij werkende inwijkeling op bijzondere fraaie wijze de immigratiepolitiek van de V.S. wordt belicht, twijfelt tussen C&W en Americana, en “California” is eigentijdse folk van danig uitstekende makelij, dat Lufthansa het liedje prompt toevoegde aan zijn lijst voor in-flight radiogebruik. En zo gaat het hier van het ene naar het andere hoogtepunt. Met een fluwelen stem om in te lijsten gunt Loebe ons twaalf nummers een blik achter de schermen van haar leven, haar liefdes en haar avonturen als full-time rondtrekkende muzikante. De vele indrukken, opgedaan in elk van die drie, verwerkt ze in liedjes, die zich al na één enkele beluistering met geen stokken meer van tussen je oren laten verdrijven. Een kwestie van liefde op het eerste gehoor, moet je maar denken. En derhalve ook warm, warm aanbevolen!

Rebecca Loebe

Continental Record Services

 

ED HARCOURT “Lustre” (Piano Wolf / Essential Music Marketing / Bertus)

(4****)

Van een retour de force gesproken! Zijn recente vaderschapsverlof heeft de Britse singer-songwriter Ed Harcourt duidelijk goed gedaan. Echo’s van het geluk gepaard gaand met het nieuwe leven in zijn leven laten zich vrijwel overal op “Lustre” aanwijzen. Het songmateriaal op die nieuwe van Harcourt is immers doorgaans van het luchtigere type. Soms lekker swingend, elders eerder introspectief, immer complexloos en bovenal ook aardig soulvol, enigszins in de lijn van collegae als een Jeff Buckley, een Rufus Wainwright, een Ray LaMontagne en vooral ook een Ron Sexsmith. Popelegantie met een hoofdletter P. Bijzonder warmbloedige liedjes, aangezwengeld door een fluwelen stem, die zonder hun ziel daarvoor te moeten verkopen ons inziens toch over een zekere commerciële potentie beschikken. Blauwogige, letterlijk van de emotie druipende soul gekoppeld aan door ondermeer de heren Lennon & McCartney geïnspireerde melodieën, waarvoor bij het arrangeren ogenschijnlijk niet op een euro werd gekeken. Alles klinkt hier daardoor zo ongelooflijk af, dat het iets hoegenaamd onweerstaanbaars over zich heen krijgt. En Harcourt bonkt met “Lustre” wat ons betreft dan ook met bruut geweld op de poort van een commerciële doorbraak. Laat ons hopen voor hem, dat er ook snel geopend wordt…

Ed Harcourt

Bertus

 

J SHOGREN “Bird Bones & Muscle” (Jaha!)

(3,5****)

Een hoogst apart geval eigenlijk, deze J Shogren. De zijn tijd tussen Centennial, Wyoming en de Zweedse hoofdstad Stockholm verdelende academicus is naar eigen zeggen zwaar verslingerd aan het schrijven van liedjes. Een onwaarschijnlijke liefde lijkt het en zijn “onmogelijke passie” noemt hij het dan ook zelf, of ook wel “de enige serieuze vorm van expressie/schrijven, die echt werkt voor mij”. En dus grossiert hij al een aantal jaren in Americana. Of – Alweer naar eigen zeggen! – “Pulp Americana”. Een smaakvolle gumbo van rootsy stijlen, waar naast een flinke portie blues ondermeer ook aanzienlijke snuiven zydeco, polka, bluegrass, hillbilly boogie, swing en rock & roll doorheen worden geroerd. Hulp krijgt Shogren daarbij hier van drie leden van de Jalan Crossland Band. Crossland zelf tekent voor bijdragen op banjo en gitaar, Andy Phreaner staat in voor het drum- en percussiewerk en Shaun Kelley speelt een gesmaakt potje bas. Gezongen contributies zijn er verder ondermeer nog van de ons onbekende Mandy Bohlender en Dan Tinker. Zelf neemt Shogren uiteraard de lead vocals voor zijn rekening en voorts ook nog een groot deel van het snarenwerk. Zo horen we hem bezig op ondermeer gitaar, mandoline en resonator. Om je een idee te geven van tot wat dat allemaal leidt en waar je deze grofgevooisde knaap dient te situeren: ons deed zijn kwalitatief vrijwel doorlopend hoogstaand materiaal bij momenten een heel klein beetje denken aan dat van de Gourds. En dat is voorwaar geen slecht gezelschap. De charmante “rammelroots” van dat collectiefje behoort immers al sinds jaar en dag tot onze absolute muzikale lievelingsgerechten.

J Shogren

CD Baby

 

LARKIN POE “Spring – An EP” (Edvins Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

De Lovell Sisters zijn niet meer, lang leve Larkin Poe! Nu Jessica, één van de zussen, besloten heeft de groep te verlaten om in het huwelijksbootje te kunnen stappen en aansluitend opnieuw te gaan studeren, ligt de weg voor Rebecca (mandoline, gitaar en zang) en Megan (dobro, lap steel, ukelele en zang) wijd open om onder een nieuwe vlag wat ruimere horizonten te gaan verkennen. En dat gebeurt in eerste instantie met “Spring”, naar eigen zeggen “maar” een EP, maar met negen nummers en afklokkend in net geen vierendertig minuten komt men ons inziens gewoon in de buurt van een klassieke country-lp. En wat de kwaliteit van het gebodene betreft overtreft men daarbij naar onze bescheiden mening ook ruimschoots het op het nochtans zelf ook al verre van misselijke “Time To Grow” van vorig jaar gebrachte. Van de speelse “bluegrass meets Americana” van openingsnummer “Long Hard Fall” tot het in zijn geheel wat bezadigder aandoende “We Intertwine”, van het rootsy, gevoelsmatig eerder sombere, met een lekkere elektrische opgewaardeerde “Burglary” tot het voorzichtig met pop flirtende tweetal “To Myself” en “Shadows Of Ourselves”, van het zich majestatisch tussen pop, rock en Americana voortslepende “The Principle Of Silver Lining” tot de afsluitende loepzuivere hattrick “Ball And Chain”, “Nothin’ But Air” en “Fairbanks, Alaska”, niet één kneusje te bekennen hier! Een typisch geval van “All killer, no filler!”, als u het ons vraagt. En de Lovell-zussen lijken er dus zo stilaan wel helemaal klaar voor om de door de Dixie Chicks nagelaten leemte met veel bravoure te gaan invullen.

Larkin Poe

Sonic Rendezvous

 

DAVID CELIA “I Tried” (XXI / Universal)

(3,5****)

David Celia geldt als één van Canada’s meest ervaren en bedrijvige onafhankelijke artiesten. Iets wat hem de voorbije acht jaren ook bepaald geen windeieren gelegd heeft. Als een voorzichtig uitdeinende olievlek groeit Celia’s reputatie ook nu nog gestaag aan. En dat heus niet alleen in zijn thuisland. Zo was hij bijvoorbeeld onlangs nog uitgebreid te bewonderen in het Verenigd Koninkrijk. Celia is naast een ronduit uitstekende zingende songsmid ook een excellente gitarist en een dito arrangeur, wat maakt dat zijn liedjes steeds weer ongelooflijk af klinken. Ook op zijn derde plaat “I Tried” weer. Op die opvolger van het al in 2003 verschenen “Organica” en “This Isn’t Here” uit 2006 kreeg de beste man ondermeer de hulp van de met name van zijn werk voor Ron Sexsmith bekende drummer Don Kerr, meester-gitarist Gurf Morlix, de uit de entourage van Arcade Fire weggeplukte cellist Mike Olson, de vaak aan K.D. Lang gelinkte violist Ben Mink, pedal steel-fenomeen Burke Carroll en backing vocaliste Mia Sheard. Het resultaat van hun gemeenschappelijke inspanningen zijn dertien werkelijk puntgave deuntjes, in al hun pop-perfectie nu en dan herinnerend aan de Fab Four from Liverpool en Crowded House, maar zich even goed met enige regelmaat bedienend van elementen uit genres als folk, country en Americana. Al ligt de nadruk hier al bij al toch wat meer op de dynamische pop met één voet stevig in het hier en nu en de andere nog volop in het verleden geplant. Onze luistertips: de voor het geheel een weinig atypische, speelse countrydeun “I’m Not Texan”, de fraaie sixties pop van “Sergio” en het uitermate relaxt gebrachte, mede door een zeer beheerste blazersbijdrage ook al volop naar lang vervlogen tijden geurende “Wishful Thinking”.

David Celia

David Celia op MySpace

 

PEDER AF UGGLAS “Peder Af Ugglas” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als je als recensent na een enigszins uit de hand gelopen vakantie plots tegen een onvoorstelbare berg nog te beluisteren en te beschrijven cd’s aankijkt, dan is een album als het naar zichzelf vernoemde derde van multi-instrumentalist Peder Af Ugglas een waar godsgeschenk. De Zweed doet daarop zo goed als alles “im Alleingang”. Hij componeerde alle zestien stukken erop, produceerde, arrangeerde het geheel zelf en bespeelde ook zo goed als alle instrumenten. En dat blijken er nogal wat: gitaar, mandoline, balalaika, piano, elektrisch orgel, harmonium, accordeon, bas, drums en percussiegerief met name. Enkel Henrik Wartel mag her en der als vreemde eend in de bijt aantreden met wat bijdragen van achter het drumstel en een enkele keer ook op een Tibetaanse klankschaal. Af Ugglas derde is, dat heeft u na het voorgaande allicht al wel begrepen, een grotendeels instrumentale aangelegenheid. Louter gevoelsmatig een weinig verwant aan het soundtrackwerk van Ry Cooder, vertrekkend vanuit een bluesgegeven om via tal van folkstromingen, jazz en rock uit te monden in iets volstrekt unieks. Prachtige, lekker organische en bij momenten welhaast hypnotiserende miniatuurtjes veel meer dan liedjes zijn het, die snarenvirtuoos af Ugglas hier aflevert. En als dusdanig is deze plaat ook uitermate geschikt om intens genietend bij weg te dromen onder de koptelefoon of gewoon als artistiek verantwoord klanktapijt achter het onder een loden zon zijn gangetje gaande leven van alledag.

Peder af Ugglas

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

FRED EAGLESMITH “Cha Cha Cha” (Lonesome Day / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met elke nieuwe plaat ontwikkelde Fred Eaglesmith zich de jongste jaren weer wat meer tot een singer-songwriter voor wie het vakje Americana absoluut niet meer voldeed. En dat is ook met “Cha Cha Cha” weer niet anders. Wat op het eerste gezicht misschien een enigszins vreemde titel voor een plaat van de Canadees lijkt, is dat eigenlijk helemaal niet. Worstelend met liefdesverdriet en eenzaamheid bedient de beste man zich hier immers regelmatig van Latijns-Amerikaanse en andere (dansbare) ritmes, waaraan dan wél een geheel eigen draai wordt verleend. Met name de zompige, een weinig aan het spel van Tom Waits’ jarenlange secondant Marc Ribot herinnerende gitaarinbreng van Scott Merritt speelt daarbij een belangrijke rol. En met die Tom Waits zitten we meteen ook bij de wat ons betreft überhaupt beste referentie voor de aardig eclectische aanpak van Eaglesmith hier. Bossa, swing, easy listening, pop, rock en meer, meer gesproken dan gezongen verwrongen gebracht, met als voornaamste bondgenoot die heerlijke grof-gruizige stem van ‘m, die ons al zo’n dertig jaar lang trakteert op songgoed van het allerbeste soort. Dingen als “Careless”, “Tricks” en het bezwerende “Gone Too Long” horen daardoor bijvoorbeeld ontegensprekelijk thuis op de soundtrack van deze nu al in heel wat opzichten onvergetelijke zomer. Niets minder dan zwaar verslavend spul is!

Fred Eaglesmith

Sonic Rendezvous

 

JAYHAWKS “The Jayhawks (aka The Bunkhouse Album)” (Lost Highway)

(4****)

Vele lange jaren hebben we ons zo goed als onnozel gezocht naar een eigen exemplaar van het debuut van The Jayhawks. Volkomen vergeefs echter. De voorganger van het door velen onterecht als de eersteling van Mark Olson, Gary Louris en co bestempelde “Blue Earth” bleek immers een voor de weinige bezitters ervan al te kostbare schat om er ooit nog afstand van te doen. En wij waren dan ook ontzettend verheugd, toen we enkele maanden geleden vernamen, dat Lost Highway Records er alsnog een heruitgave van plande. Eindelijk kunnen we nu ook met volle teugen genieten van de al in ’86 verschenen maiden release van de Hawks. “The Jayhawks”, ook wel “The Bunkhouse Album”, is er nu voor het eerst op cd. Wie het album nog niet kende zal overvallen door een gevoel van gelukzaligheid kunnen vaststellen, dat de Hawks een kleine kwarteeuw geleden nog heel nadrukkelijk in de voetsporen van Gram Parsons en de Burrito Brothers meenden te moeten treden. Hier regeert volop country rock van het genre van een “Gilded Palace Of Sin”, een “Burrito Deluxe”, een “GP” of een “Grievous Angel”. Het klinkt allemaal nog een weinig primitief, maar dat maakt het wat ons betreft net o zo charmant. Een speciale vermelding is er daarbij voor gast Cal Hand, die met zijn bijdragen op de pedal steel het countrygevoel aardig wist aan te zwengelen. Zoveel meer dan alleen maar een curiosum, deze plaat! Eigenlijk gewoon één ijzersterk geheel, dat we aan elke liefhebber van het genre met een gerust gemoed durven aan te bevelen.

The Jayhawks

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home