CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES JULI 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

FAIRPORT CONVENTION WITH SANDY DENNY “Ebbets Field 1974” - VIVA VOCE “The Future Will Destroy You” - DAVID OLNEY “Film Noir” - ELVIN BISHOP “Elvin Bishop’s Raisin’ Hell Revue” - BOCEPHUS KING “Willie Dixon God Damn!” - DAN ISRAEL “Crosstown Traveler” - NRBQ “Keep This Love Goin’” - DONNA ULISSE “An Easy Climb” - MATT THE ELECTRICIAN “Accidental Thief” - GRAYSON CAPPS “Grayson Capps & The Lost Cause Minstrels” - JESSE DAYTON “One For The Dance Halls” - CODY CANADA & THE DEPARTED “This Is Indian Land” - STEWART FRANCKE “Heartless World” - THE RAGTIME WRANGLERS “15 Smoking Tracks” - ROD PIAZZA & THE ALL MIGHTY FLYERS “Almighty Dollar” - MARION JAMES “Essence” - MIKE ZITO “Greyhound” - THE RED BUTTON “As Far As Yesterday Goes” - TERRY HANCK “Look Out!” - ROD PICOTT “Welding Burns” - KEVIN JONES “Raising The Ebenezer” - KIRSTEN THIEN “Delicious” - DAVID SERBY “Poor Man’s Poem” - BASKERY “New Friends” - EILEN JEWELL “Queen Of The Minor Key” - THE WRONGLERS WITH JIMMIE DALE GILMORE “Heirloom Music” - LARKIN POE “Band For All Seasons” - SHINER TWINS “Four Souls – One Heart”

 

 

FAIRPORT CONVENTION WITH SANDY DENNY “Ebbets Field 1974” (It’s About Music)

(4****)

Historisch verantwoord materiaal vanuit een door ons dit jaar al wel eens vaker gefrequenteerde hoek. Het betreft hier meer bepaald op 23 en 24 mei 1974 in Denver, Colorado gemaakte opnames van dé ultieme folk-rock band, de Fairport Convention, indertijd aantredend in de bezetting nog mét wijlen Sandy Denny, drummer Dave Mattacks, gitaristen Jerry Donahue en Trevor Lucas, bassist Dave Pegg en fiddler Dave Swarbrick. Zij werken zich doorheen een elf nummers tellende set met tal van hoogtepunten, als daar zijn ondermeer “Hexhamshire Lass”, “John The Gun”, “Dirty Linen”, “Who Knows Where The Time Goes”, “Matty Groves” en “Down In The Flood”. En het goede nieuws is, dat we hier niet enkel te maken hebben met een erg geïnspireerde performance van het zestal, maar dat het bovendien ook nog eens opnames van uitstekende kwaliteit betreft. De al wat oudere jongeren onder ons weten daarmee allicht al meer dan genoeg! Voor alle anderen willen we echter vooral niet nalaten om er hier toch nog maar eens even op te wijzen, dat Sandy Denny met haar doordringende manier van voordragen één der allergrootste zangeressen ooit was en altijd zal blijven ook.

Fairport Convention

It’s About Music

 

VIVA VOCE “The Future Will Destroy You” (Vanguard Records)

(3,5****)

Eerlijk is eerlijk: wij waren meer te spreken over de zowat een jaar geleden verschenen vorige worp van echtelieden Kevin en Anita Robinson, je wellicht beter bekend als Viva Voce. Wat ze met dat nevenproject, Blue Giant, afleverden, sloot immers beter aan bij alles waarvoor Ctrl. Alt. Country in essentie staat. Alternatieve country dus. En die zal je op “The Future Will Destroy You” dus niet meer aantreffen. Op dat album tappen de twee immers weer uit hun vertrouwde vaatje en dat blijkt tot de rand toe gevuld met indie pop en rock. Melodieus spul dat zeker wel, bij momenten aardig zweverig tot zelfs licht psychedelisch aandoend toe, gedragen door met name de delicate stem van Anita en al even fijnbesnaard gitaarwerk. Soms moesten we even denken aan het hier heel wat bekendere Garbage. Als voorzichtig aanknopingspunt dan, maar meer ook niet. Topmomenten zijn wat ons betreft vooral wat rustiger gehouden stukken als het dromerige “Diamond Mine” en het ook al heel erg atmosferisch uit de hoek komende “No Ship Coming In”. Al zou het ons anderzijds ook weer helemaal niet verbazen, mocht net wat rockender materiaal als het verwoed aan zijn kettingen snokkende titelnummer, “Black Mood Ring” en vooral ook “Analog Woodland Song” gemakkelijker zijn weg etherwaarts blijken te vinden.

Viva Voce

Vanguard Records

 

DAVID OLNEY “Film Noir” (Deadbeet Records)

(3,5****)

Dit amper vijf liedjes tellende geheel moet zo ongeveer David Olney’s meest bevreemdende muzikale daad tot op heden zijn. Ver weg van zijn vertrouwde biotoop, te weten Americana, folk en blues, vertelt hij tegen een jazzy achtergrond het verhaal van een zekere Frank, “a private dick”, een detective in Tinseltown, die om de één of andere reden maar niet naar huis wil komen. Daar wacht zijn vrouw Gracie gespannen af. Zal hij überhaupt nog terugkeren? Waar was hij in godsnaam mee bezig? Is er hem iets overkomen? Vragen, die in een kleine twintig minuten beantwoord dienen te worden. En daartoe opteerde Olney zoals reeds gesteld voor een enigszins apart aandoende muzikale setting. Zijn eigen “film noir” baadt in een typisch grootstadsjazzsfeertje, dat ondermeer door fraaie instrumentale bijdragen van Jack Irwin (drums, percussie, piano, orgel, fluit, basmarimba), Sergio Webb (klassieke gitaar, ukelele), Dave Roe (bas), Dan Seymour (eveneens bas) en Jim Hoke (sax) effectief blijkt te werken. Met z’n allen voorzien zij Olney van het zo ongeveer ideale decorum om te doen, waar hij al sinds tijden zo verdomd goed in is, te weten het vertellen van beklijvende verhalen. En als dusdanig doen de vijf liedjes op de ep “Film Noir” ook nu al reikhalzend uitkijken naar een vervolgstuk erop. Olney liet immers zelf al weten, dat het hier gaat om het eerste van een reeks vergelijkbare projecten. Laat vooral maar komen, zouden wij zo zeggen…

David Olney

 

ELVIN BISHOP “Elvin Bishop’s Raisin’ Hell Revue” (Delta Groove Music)

(3,5****)

Eigenlijk hoort boven dit stukje niet enkel de naam van Elvin Bishop te prijken. Het betreft hier immers een aandenken aan de “Rhythm & Blues Cruise” van vorig jaar, die naast Bishop ondermeer ook nog Finis Tasby, John Németh, Kid Andersen en Terry Hanck aan boord wist. De ideale bezetting voor een ouderwetse revue dus en die krijgen we dan ook. De microfoon wisselt hier voortdurend van hand en moet afwisselend zeer gedreven zangpartijen van vier van de vijf genoemde protagonisten verdragen. Enkel stergitarist Andersen past wat dat betreft uiteraard. In lekker gevarieerde bijdragen worden nogal wat verschillende facetten van het bluesgenre belicht. Vooral veel jaren vijftig en zestig spul, met slechts af en toe een knipoog naar de jaren zeventig, zoals voor Bishops grootste hit “Fooled Around And Fell In Love”, hier gebracht door John Németh. Veel blues dus, te plaatsen in zo diverse regio’s als Louisiana, Texas, Chicago en New Orleans. Maar men beperkt zich lang niet tot het bluesgegeven alleen. Ook R&B, soul en Southern rock komen in beperkte mate voorbij. Eigen nummers worden daarbij afgewisseld door wat covers, ondermeer van klassiekers van Fats Domino, Elmore James en Percy Mayfield. Het resultaat is een echte feel good cd, waar we hier de komende weken met plezier nog de nodige zomerse momenten zullen mee vullen.

Elvin Bishop

Delta Groove Music

 

BOCEPHUS KING “Willie Dixon God Damn!” (Tonic Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Met een titel als “Willie Dixon God Damn!” als uitgangspunt ga je jezelf als luisteraar vooraf bijna als vanzelfsprekend instellen op een te volgen bluesplaat. En in die zin is de vlag die het vanuit het Canadese Vancouver actieve raadsel Bocephus King voor zijn vijfde plaat koos behoorlijk misleidend. Een bluesplaat is dat immer allesbehalve. Zeker, je zal er elementen uit dat genre in aantreffen, net als elementen uit andere genres als folk, alt. country en jazz, maar om het album daarom als een bluesworp te gaan bestempelen is er toch wel ver over. De waarheid is, dat het hier eigenlijk om een maar moeilijk in één enkel vakje onder te brengen geheel gaat. Meer nog dan in het verleden presenteert Bocephus King zich hier immers als een muzikale omnivoor. En zelfs die omschrijving volstaat niet helemaal om ’s mans essentie volledig te vatten. Naast een veelheid aan uiteenlopende muziekjes blijken immers ook film en literatuur hun sporen op zijn oeuvre te hebben achtergelaten. En zulks leidt hier bijna als vanzelfsprekend tot hoogst intrigerende resultaten. King “takes you on an evocative trip down strange memory lane, pouring his heart out like a bottle,” staat in de begeleidende one sheet te lezen en daarmee weet je tenminste al waar je wat het tekstuele betreft aan toe bent. Zijn muziek onder woorden proberen te brengen is echter andere koek. Pop, (roots)rock, country, folk, blues, jazz, diverse vormen van wereldmuziek en andere, ze verdwijnen hier zonder uitzondering samen in de blender en die aanpak leidt vrijwel steeds tot hoogst bevreemdende resultaten. Klinkt zwaar misschien, maar in werkelijkheid heeft de muziek van King iets hoegenaamd onweerstaanbaars over zich. Iets wat alle onderverdelen in hokjes – Sowieso een kunstmatige aangelegenheid! – compleet overbodig maakt. Daartoe de meest uiteenlopende instrumenten benuttend zuigt hij je als het ware zijn gedachtenwereld binnen, op die manier zorgend voor een sfeerschepping, die nog lang haar gelijke zal zoeken. En “Willie Dixon God Damn!” is dan ook een plaat, die zich lang niet enkel aan de hier “übliche” bezoekers laat aanbevelen. Noem het maar een geheel op maat van muzikale schattenjagers. Wie openstaat voor een speciale trip wordt hier zondermeer op zijn wenken bedient! Dit is gewoon niets minder dan een echte moordplaat!

Bocephus King

Sonic Rendezvous

 

DAN ISRAEL “Crosstown Traveler” (Dan Israel Music)

(4****)

Als er al één singer-songwriter is, die wij hier graag eens serieus in de prijzen zouden zien vallen, dan is het wel de vanuit Minneapolis actieve Dan Israel. Al van in de late jaren negentig, toen nog als kopstuk van de onvolprezen Cultivators, schudt die immers aan de lopende band veritabele rootspop- en rockpareltjes uit de mouw, zonder daar vooralsnog echt loon naar werken voor te hebben gekregen. Eigenlijk had deze knaap op basis daarvan allang een status vergelijkbaar met die van bijvoorbeeld een Tom Petty, een Paul Westerberg of een Graham Parker moeten genieten. En dus houden wij onze vingers maar weer eens gekruist om naar aanleiding van zijn ondertussen elfde plaat eindelijk gerechtigheid te zien geschieden. Ook “Crosstown Traveler” is naar onze bescheiden mening immers weer een echt juweeltje. Met ondermeer enkele hartverwarmende odes aan het adres van zijn dochtertje (“I’d Never Make It Through” en “Second To None”) en behoorlijk persoonlijke uiteenzettingen over thema’s als depressie (“Up To You”) en sterfelijkheid (“Closer To Home”) als blikvangers. Op zijn veertigste klinkt Israel daarin wat ons betreft beter dan ooit. Zijn teksten getuigen van een ongelooflijke rijpheid, de melodieën, waarin hij ze verpakt, zijn werkelijk puntgaaf en dan is er ook nog die buitengewoon lekkere hese stem van ‘m. Vreugde, pijn, frustratie, hartzeer,… Niet één gevoel, dat zich met dat geweldige “instrument” niet treffend laat verwoorden! Vandaar ook de naar ons gevoel enige hier mogelijke aanbeveling: “Kopen, die handel!” Israel verdient het en jij zal het je absoluut niet berouwen. Iedereen gelukkig dus…

Dan Israel

CD Baby

 

NRBQ “Keep This Love Goin’” (Big Notes / Clang! / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Toen Terry Adams, die al in ’67 mee aan de basis van de groep lag, in 2004 door een vergevorderde vorm van keelkanker noodgedwongen zijn toenmalige maats van NRBQ in de steek moest laten, was hij daardoor eigenlijk indirect verantwoordelijk voor het zo goed als uiteenvallen van die band. Toen hij enkele jaren later, verlost van de gevolgen van zijn zware ziekte, de draad weer wou opnemen, bleek immers dat alle anderen ondertussen andere paden waren of wilden gaan bewandelen. En dus stampte Adams in 2007 maar gewoon een nieuwe groep uit de grond. Met Scott Ligon (gitaar, bas, zang), Pete Donnelly (bas, gitaar, zang) en Conrad Choucroun (drums, backing vocals) vormde hij het naar zichzelf vernoemde Terry Adams Rock And Roll Quartet. Maar voor zijn nieuwe cd verkoos hij uiteindelijk toch om de naam van zijn oude groep te gaan gebruiken. En zo ontstond dus NRBQ versie 2011. Een groep, waarin het er alvast zeer democratisch aan toe lijkt te gaan, aangezien zowat alle leden hebben geholpen bij het uitwerken van de gebrachte liedjes. En bovenal ook een groep, die in het verlengde van haar eerdere samenstellingen, in staat blijkt om flink wat muzikaal terrein te bestrijken. Dat menen we althans te mogen besluiten na het herhaaldelijk beluisteren van de eerste worp van de vier samen, het onlangs verschenen “Keep This Love Goin’”. Geopend wordt die schijf met een even liefdevol als aanstekelijk gebracht eerbetoon aan het adres van zydeco-grootheid Boozoo Chavis, met wie Adams in het verleden meermaals het genoegen had te mogen samenwerken. Verder kan het hier zo goed als alle kanten uit. Herinneren “Here I Am” en “Let Go” in meerdere opzichten nog afwisselend aan de Beatles en de Beach Boys, dan valt het zwierige “I’m Satisfied” ontegensprekelijk onder de noemer folk rock, stoeit “Sweet And Petite” met een rockabillymotiefje, waggelt doorheen het van Piano Red geleende “Red’s Piano” een goed op dreef zijn honky-tonk pianootje rond en blijkt “My Life With You” een knappe spielerei met late night jazz. En dan hadden we het nog niet over “Gone With The Wind”, een hoogst eigenzinnig benaderde Billie Holiday-cover, en vooral ook niet “In Every Dream”. In dat laatste liedje slagen Adams en co er voorwaar met verve in om Pjotr Iljitsj Tsjaikovski’s “Pianoconcert Nr. 1 In Bes Mineur, Opus 23” te integreren in een countryliedje. Ze voltrekken op die manier het voorheen zo goed als onmogelijk geachte huwelijk tussen klassieke muziek en country. Een waar huzarenstukje! En een prachtig nummer vooral ook! En als dusdanig wat ons betreft slechts één van de vele redenen om Adams de vermetelheid om zich de groepsnaam NRBQ zomaar toe te eigenen voor zijn nieuwe project stante pede te vergeven. Zijn nieuwe bende blijkt die naam wel degelijk waardig.

NRBQ

Sonic Rendezvous

 

DONNA ULISSE “An Easy Climb” (Hadley Music Group)

(4****)

Dat het in Nashville, TN niet langer volstaat om enkel een prachtige stem te hebben, wisten we hier al wel een poosje. Het alsmaar meer door “looks” gedomineerde countrygebeuren aldaar zag door de jaren heen dan ook al een groot aantal echte goudhaantjes eieren voor z’n geld kiezen en opteren voor een toekomst in genres als Americana en bluegrass, waar men kwaliteit wel nog naar waarde wist te schatten. Ricky Skaggs, Patty Loveless, Rhonda Vincent, Sonya Isaacs,… Voorbeelden zat en de lijst gevuld ermee blijkt nog elk jaar groeiende. Zo besloot bijvoorbeeld ook de aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw met het knappe, via Atlantic Records verdeelde album “Trouble At The Door” even van mainstream countrysucces geproefd hebbende Donna Ulisse in 2007 het roer volledig om te gooien. Zij vond haar tweede adem in bluegrassmiddens. En sinds haar volledig met eigen deuntjes gevulde genredebuut “When I Look Back” uit 2007 heeft ze eigenlijk helemaal niet meer omgekeken. Integendeel! Met heerlijke albums als “Walk This Mountain Down” uit 2009 en het met bluegrass gospel gevulde “Holy Waters” van vorig jaar groeide ze “in no time” uit tot een vaste waarde binnen het circuit. En daar zullen ze dan ook met hangende pootjes hebben uitgekeken naar haar nieuwe worp “An Easy Climb”. Die nam ze andermaal in een productie van Keith Sewell op met haar vaste begeleiders van The Poor Mountain Boys en hij bevat dertien wederom uitsluitend eigen nieuwe liedjes, waarvoor “bluegrass without borders” ook nu weer een treffende omschrijving blijkt. Ulisse toont zich opnieuw in de eerste plaats een tekstdichteres en dus ligt de klemtoon als naar goede gewoonte weer vooral op haar knappe lyrics. Ook de muzikale aankleding daarvan mag er echter best zijn. Ulisse probeert zichzelf bij het kiezen van de juiste gewaden voor haar liedjes immers vooral niet teveel beperkingen op te leggen. Soms gaat ze voor een eerder traditionele aanpak, elders zoekt ze aansluiting bij meer contemporaine stromingen. Soms glijdt de aandacht even af richting folk en Americana, elders regeert bluegrass nog volop. “An easy Climb” groeit daardoor quasi “en passant” uit tot een lekker gevarieerd geheel, dat met heel z’n hebben en houden uitnodigt tot herhaaldelijke beluistering. En met elke nieuwe draaibeurt ervan ga je alleen nog maar meer houden van de prachtige kristalheldere stem van Ulisse zelve. Niet te geloven eigenlijk, dat ze iemand met zo’n gave op Music Row zo lang links hebben kunnen laten liggen…

Donna Ulisse

CD Baby

 

MATT THE ELECTRICIAN “Accidental Thief” (Lucky Dice Music)

(4****)

Met “Accidental Thief” is Matt Sever, ook wel Matt The Electrician, ondertussen alweer aan zijn zevende cd toe. En zijn ster is duidelijk rijzende. Overal waar hij komt, maakt de beste man fans met bosjes. Net als ons worden ook vele andere liefhebbers van pure muziek immers gecharmeerd door ’s mans intens aanstekelijke liedjes. Er niet meteen voor vallen betekent eigenlijk, dat er iets met je scheelt. “Eenvoud wordt hier verheven tot kunst,” meenden wij al naar aanleiding van zijn vorige “Animal Boy” en dat kunnen we eigenlijk alleen maar herhalen. Alles lijkt hier immers zo verdomd simpel! Severs vaak grappige, maar soms ook heel ernstige, zo uit het leven gegrepen verhaaltjes worden verpakt in melodieën om u tegen te zeggen. Ze nestelen zich gelijk van bij een eerste beluistering knusjes tussen je oren en blijken daar vervolgens met geen stokken meer weg te krijgen. Met Severs liedjes in je leven is het eigenlijk altijd een beetje zomer. Ze hebben hetzelfde verfrissende effect op een mens, dat bijvoorbeeld ook Owl City’s verrassingshit “Fireflies” een poosje geleden had. Ook hier wordt ondanks altijd wel weer andere muzikale subtiliteitjes absoluut niet moeilijk gedaan. En dat is dezer dagen in muziekmiddens toch eerder uitzondering dan regel geworden. Dringend maar eens even checken dus, dit rootspoppareltje, waarvoor Sever ondermeer mocht rekenen op hulp van Michael Fracasso, Danny Malone, Raina Rose, Rebecca Loebe, Jess Klein en Resentments-maatjes Bruce Hughes en Scrappy Jud Newcomb. Wedden, dat je al na enkele tellen van het openingsnummer, het zomerse “All I Know”, compleet verkocht zal zijn? Daarbij blijkt het te gaan om één van de vijf nummers hier, die Sever afwijkend van zijn gebruikelijke modus operandi in samenwerking met anderen schreef in Denemarken. Afgelopen jaar werd hij immers uitgenodigd voor The House of Songs, een soort van verbroedering tussen Texaanse singer-songwriters en hun collega’s uit het Hoge Noorden, die er een week lang samenkomen in Engelsholm Slot, een zestiende-eeuws kasteel op het platteland, alwaar ze samen nieuw materiaal uitwerken en tijdens een afsluitend festivalletje ook ten gehore brengen.

Matt The Electrician

Lucky Dice Music

 

GRAYSON CAPPS “Grayson Capps & The Lost Cause Minstrels” (Royal Potato Family / Bertus)

(4****)

Wie na uitstekende platen als “If You Knew My Mind” (2005), “Wail & Ride” (2006), “Songbones” (2007) en “Rott ‘N’ Roll” (2008) toch nog een bevestiging van Grayson Capps’ niet onaanzienlijke talenten nodig zou hebben, wordt met ‘s mans vijfde soloplaat royaal op zijn wenken bediend. De Stumpknockers hebben daarop als begeleidingsgroep plaats moeten ruimen voor The Lost Cause Minstrels en die gidsen hun broodheer op bijzonder vaardige wijze langsheen nogal wat interessante Zuidelijke rootsmuziektrekpleisters. Van eerder klassiek gehouden Americana en country over banjogestuurde country rock tot de bluesy Southern-variant daarop, van Memphis style soul en een door blazers gedragen flirt met swingend New Orleans tot intimistische akoestische verandagothiek of roadhouse rock, ze voorzien Capps steeds weer van het juiste klanktapijt om eigenzinniger dan ooit zijn ding te doen. Met een speciale vermelding voor Corky Hughes, die naast Capps zelf het leeuwendeel van het snarenwerk voor zijn rekening neemt. En het zijn vooral die steeds ten dienste van de gebrachte liedjes uitgevoerde vingeracrobatieën en de gruizig rauwe stem van de zwervende singer-songwriter zelf, die de show stelen. Die beide ingrediënten vormen als het ware de fundamenten, waarop Capps andermaal zijn talenten als schrijver mag etaleren. En dat in minstens even straffe teksten. Warm aanbevolen dan ook, dit alweer prima schijfje!

(Ook verkrijgbaar op vinyl!)

Grayson Capps

Royal Potato Family

Bertus

 

JESSE DAYTON “One For The Dance Halls” (Stag Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Dale en Dwight en co weten bij dezen gelijk waar ze aan toe zijn! “Jack of all trades” Jesse Dayton tekende zopas met “One For The Dance Halls” immers voor de met afstand beste traditionele countryplaat van 2011 so far. De titel spreekt in dit geval echt wel boekdelen. Met z’n nieuwe cd mikt Dayton immers daadwerkelijk resoluut op dansgrage Texaanse benen, zoals die van de bezoekers van zijn uitvalsbasis The Broken Spoke in Austin bijvoorbeeld. Voor hen is deze plaat eigenlijk bestemd. Shuffles, straight 8’s, walsjes en ballades in onvervalste hardcore honky-tonkstijl zijn voortdurend aan de orde van de dag. Daarbij betreft het veelal eigen materiaal, waaronder enkele “co-writes” met gelijkgestemde geesten Mike Stinson en Trent Summar, maar ook enkele covers ontbreken niet op het appel. Zo leende Dayton bij Damon Bramblett – Wanneer eindelijk nog eens een nieuwe plaat van die man? – “The Years” en “Falling Apart” en eigende hij zich van Nick Lowe en Billy Donahue respectievelijk “Lately I’ve Let Things Slide” en “Back To Back” toe. Hulp kreeg hij bij dat alles ondermeer van z’n reguliere duetmaatje Brennen Leigh, van fiddler Warren Hood en van Micky Raphael op de mondharmonica. En voor de productie tekende hij gewoon lekker zelf.

Jesse Dayton

Stag Records

Sonic Rendezvous

 

CODY CANADA & THE DEPARTED “This Is Indian Land” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Confronteer honderd willekeurig gekozen Europese muziekliefhebbers met de vraag, waarvoor de afkorting CCR staat en je zal gegarandeerd honderd keer hetzelfde antwoord horen: Creedence Clearwater Revival. Doe hetzelfde in de Amerikaanse staat Oklahoma en verre omstreken en het resultaat zal even unaniem anders luiden: Cross Canadian Ragweed. Die groep rond gruizige bard Cody Canada groeide aldaar het voorbije decennium immers uit tot het onomstreden boegbeeld van de zogeheten Red Dirt Scene, een lokale muziekstroming gekenmerkt door een okselfrisse kruisbestuiving van genres als country, boogie, roots en Southern rock en andere. Met tien elke keer weer net wat succesvollere albums verschenen tussen 1998 en 2009 ging de CCR-olievlek zich stilaan zelfs ook over andere delen van de States en Europa uitstrekken en dus kwam het voor ons eigenlijk als een complete verrassing, dat Canada plots besloot om de groep te verlaten. Maar daar had hij zo zijn redenen voor, zo blijkt nu. Aan het hoofd van The Departed doet hij immers andermaal een gooi naar onze gunsten. Die groep bestaat naast Canada zelf verder uit gitarist Seth James, bassist Jeremy Plato (Ook ex-CCR!), drummer Dave Bowden en toetsenman Steve Littleton. En voor z’n debuut kwam dat vijftal met iets speciaals op de proppen. Ondanks het feit, dat men naar verluidt reeds over de nodige zelfgepende nieuwe songs kon beschikken, koos men immers voor het tackelen van materiaal van andere songwriters uit de eigen regio van herkomst. Als daar zijn bijvoorbeeld een J.J. Cale, een Leon Russell, een Bob Childers, een Tom Skinner en een Kevin Welch, om maar even de beter bekenden van het lot bij naam te noemen. Het resultaat is een achttien songs en ruim negenenzestig minuten durend feest der herkenning, gehouden tussen relaxt gebrachte Americana, energieke roots rock en de zuidstaten-countryvariant daarop. Een soort van open liefdesverklaring aan het adres van Oklahoma en zijn muzikale vertegenwoordigers met andere woorden. En die smaakt met op de gastenlijst schoon volk als Stoney LaRue, Kevin Welch, Kim Deschamps en anderen wat ons betreft nu al volop naar meer!

Cody Canada & The Departed

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

STEWART FRANCKE “Heartless World” (Blue Boundary Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Van een aangename verrassing gesproken! Van 2005 en het met Motown-sessieband The Funk Brothers opgenomen “Motor City Serenade” was het al geleden, dat we van Stewart Francke nog eens nieuw studiomateriaal mochten begroeten, maar met “Heartless World” is dat nu dus wel degelijk een feit. Francke overwon tussentijds bloedkanker en spendeerde veel van zijn tijd aan het zo aangenaam mogelijk maken van de levens van andere door die vreselijke ziekte getroffenen. De Stewart Francke Leukemia Foundation werd voor de beste man tijdelijk belangrijker dan zijn carrière als muzikant. Met het middels een Kickstarter fan-funding-campagne gefinancierde “Heartless World” meldt Francke zich nu echter met succes terug. “Nach wie vor” het beste van twee werelden, te weten rock en soul, verbindend werkt hij zich op zijn elfde cd doorheen dertien nieuwe eigen liedjes. De opvallendste daarvan zijn zonder enige twijfel eerste single “Summer Soldier (Holler If Ya Hear Me)” en “Boo Yah / Take My Mother Home”. Het eerste, het verhaal van een jongen uit zijn buurt verdoemd tot een loopgravenverblijf in Afghanistan, brengt Francke in duet met Bruce Springsteen, voor het tweede, een rockertje in de beste Tom Petty-traditie kon hij een beroep doen op de legendarische Mitch Ryder van de Detroit Wheels. Die twee liedjes vormen ook de hoekstenen van “Heartless World”. Daartussenin bevinden zich tal van andere schoonheden als het tegen een aan iets van Nils Lofgren of diezelfde Springsteen herinnerende muzikale achtergrond de eigen plaats in een veranderende wereld bezingende titelnummer, het nostalgisch soulvolle, over een typische Al Green-groove uitgesmeerde “Sam Cooke’s Radio”, het Heartland-rockertje “Sidewalk Dimes”, de aan acts als de Stones en de Faces refererende meezinger “Born In A Fever” en andere. Stuk voor stuk nummers, die van “Heartless World” een echt groeiertje maken. Aanbevolen met name aan fans van alle hoger reeds genoemde acts, maar zeker ook aan deze van Bob Seger, Elliott Murphy, Southside Johnny en aanverwanten.

Stewart Francke

Sonic Rendezvous

 

THE RAGTIME WRANGLERS “15 Smoking Tracks” (Home Brew Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

The Ragtime Wranglers genieten hier te lande vooral bekendheid als het geweldige orkestje achter de al even geweldige rock & roll-diva Miss Mary Ann. Maar eigenlijk doe je Jelle “Joe Sixpack” van Atten (gitaren), Sietse Heslinga (drums en percussie) en Huey Moon (bas) flink tekort door hen enkel op die begeleidende rol vast te pinnen. Dat bewezen ze in het verleden ondermeer al met “Groove a Tune”, een collectie sublieme instrumentaaltjes. Een plaat, die met “15 Smoking Tracks” eindelijk een vervolgstuk krijgt. En ook daarop is het weer volle bak prijs! Vijftien stomende opnames inderdaad weer, waarbij variatie andermaal troef blijkt. Van recht-toe-recht-aan rockend spul als het door Benjamin Herman van rillingen bezorgend tenorsaxwerk voorziene “Harissa”, “Red Rod Race” of “Thunder Reef” tot bezwerende instro-hillbilly genre “Firewater Stomp”, van een verleidelijke Latin touch in “Resaca” tot een Mariachi feel in “Amor Perdido”, van een speels country-niemendalletje (“The Sky’s Gone Out”) tot een stevige rockabilly boogie (“Mojo Bag Bop”), van een nadrukkelijk naar de sixties hunkerende gitaarinstrumental (“The Mexican Standout”) tot een wel aan de surfscène besteed knallertje (“Drivin’ All Night”), zelfs een wiegeliedje (“Lullaby For Louis”), het kan hier voortdurend echt alle kanten op. En precies dat maakt van “15 Smoking Tracks” wat ons betreft de geweldige plaat, die het is. Dat en uiteraard ook de aparte retrosfeer, die ervan uitgaat.

The Ragtime Wranglers

Sonic Rendezvous

 

ROD PIAZZA & THE ALL MIGHTY FLYERS “Almighty Dollar” (Delta Groove Music)

(3,5****)

Al meer dan vier decennia lang is Rod Piazza een vaste waarde binnen het bluescircuit en echt verrassen doet hij ons dan ook al lang niet meer. Maar dat hoeft ook helemaal niet. Zo lang hij lekkere platen als “Almighty Dollar” blijft maken, doet hij wat ons betreft maar op. Geassisteerd door zijn vrouw Honey (piano en orgel), Henry Carvajal (gitaren en backing vocals) en Dave Kida (drums), oftewel z’n All Mighty Flyers, en special guests als Johnny Dyer (zang), Rusty Zinn (gitaren en backing vocals), Norm Gonzales (Fender-bas), Hank Van Sickle (akoestische bas) en Jonny Viau (tenorsax) trakteert Piazza ons daarop weer op twaalf lappen onvervalst bluesplezier. Openingsnummer ”Move Out Baby” is er gelijk vol op. Een buitengewoon aanstekelijke streep West Coast swing is dat, waarin met name Piazza’s eigen “smoelschuifwerk” en de wervelende pianobijdrage van zijn wederhelft in positieve zin opvallen. Andere echte supersongs hier: het soulvolle “Blue Shadows”, waarin gast Rusty Zinn nog eens al zijn gitaarduivels mag ontbinden, het tegen het nodige harmonicageweld aan tegen de geldbezetenheid van vele in bluesmiddens actieve figuren van leer trekkende titelnummer, het onverwachte, maar bijzonder geslaagd te noemen close harmony-uitstapje “We Belong Together” en het klassieke, bij Walter Jacobs geleende “Confessin’ The Blues”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niks slechts op, hoor. Piazza en co zijn een bijzonder goed geoliede machine en dat illustreren ze hier een zoveelste keer met verve.

Rod Piazza & The All Mighty Flyers

Delta Groove Music

 

MARION JAMES “Essence” (EllerSoul Records)

(3,5****)

Diva op leeftijd Marion James werd door plaatselijke insiders al een poosje liefdevol bestempeld als “Nashville’s Queen of the Blues” en met het zopas heruitgegeven “Essence” maakte ze in 2003 nog maar eens duidelijk, waarom die adoratie volkomen terecht was. Dat album bevatte een vol dozijn aan nieuwe songs, aangevuld met een interview, waarin er met “Nothing From Nothing” en “Fool For A Young Man” nog eens twee verwerkt zaten. In die liedjes, waarvan ze er met “Tables”, “My Mama”, “Please Don’t Waste My Time”, “Feel It” en “You’re History, Baby” liefst vijf zelf schreef, stoeide La James afwisselend met blues, R&B en jazz. Van broeierige slepers als “Give Me Love” en “Please Don’t Waste My Time” over meer uptempo funk- en soulgeoriënteerd spul à la “Tables” en “My Mama” tot zachtere jazzy momenten genre “Be Anything” en “Until The Real Thing Comes Along”, ze haalde ze eigenlijk allemaal met evenveel verve onderuit. Maar James is dan ook niet zomaar iemand. Al zo’n vijf decennia lang behoort ze tot de machtigste stemmen, actief ergens in de schemerzone tussen blues, R&B, soul en jazz. Zo scoorde ze bijvoorbeeld al in 1966 een hit met het geweldige “That’s My Man”, indertijd ingeblikt voor het ondertussen legendarische Excello Records uit Nashville. En nog een stuk eerder, helemaal bij het begin van de sixties wist ze zich zelfs verzekerd van de steun van ene zekere Jimi Hendrix in haar touring band. Om maar te zeggen, dat het nodige respect hier meer dan op z’n plaats is…

Marion James op MySpace

EllerSoul Records

 

MIKE ZITO “Greyhound” (Electro Groove Records)

(3,5****)

Met “Pearl River”, het titelnummer van zijn vorige studioplaat, sleepte Mike Zito in 2010 de Blues Music Award voor beste liedje van het jaar in de wacht. En het zou ons eigenlijk allerminst verbazen, als er op ’s mans nieuwe worp niet minstens één nummer zou staan, wat straks opnieuw voor die eer in aanmerking kan gaan komen. Met name titelnummer “Greyhound” lijkt ons daartoe een uitermate geschikte kandidaat. Daarin ontvlucht Zito als het ware letterlijk een bestaan in de marge. Zo’n Greyhound-bus was het immers, waarmee hij bij het begin van z’n carrière van stad naar stad trok om er z’n muzikale droom na te jagen, zo een bestaan in de goot of erger ontvluchtend. Sterke tekst, straf liedje! En daarvan treffen we er hier wel meer aan. In een productie van oude bekende Anders Osborne serveert Zito ons elf zelfgepende nieuwe liedjes, waarin hij zich naast een prima songwriter vooral ook een geweldige zanger en een supergitarist toont. Wat de beste man hier allemaal uit zijn “Strat” schudt, grenst aan het ongelooflijke. Passie vrijwel doorlopend troef! Zijn hele ziel en zaligheid legt hij in z’n spel! Met als resultaat een album, dat zich niet enkel aan bluesliefhebbers, maar ook aan Americana afficionados laat aanbevelen. Het merendeel van de songs erop valt immers onder de noemer “bluesy Americana Texas style”. “Gritty, thick and expressive,” om het met de woorden van een Amerikaanse collega-recensent samen te vatten. Onze luistertips: het al even genoemde titelnummer en vooral ook het heerlijke Americana-liedje “Motel Blues”, een ronduit schitterende verhalende trage.

Mike Zito

Delta Groove Music

 

THE RED BUTTON “As Far As Yesterday Goes” (Grimble Records)

(5*****)

Het duo Swirsky en Ruekberg flikt het ‘m weer! Net als op hun magistrale debuutplaat “She’s About To Cross My Mind” duiken de twee ook op “As Far As Yesterday Goes” weer met volle overgave in het verleden. Zij nemen ons mee op een muzikale reis naar tijden toen “liedjes met een kop en een staart” nog volop regeerden. Naar de hoogdagen van groepen als de Beatles, de Beach Boys, de Hollies, de Byrds en andere meer bepaald. Ze laten zich volop inspireren door alles wat goed was in de sixties eigenlijk. Al zoeken ze ook wel eens wat eigentijdsere voorbeelden op. Zoals in titelnummer “As Far As Yesterday Goes”, dat zo weggeplukt lijkt uit het repertoire van Crowded House in zijn hoogdagen. Maar goed, al bij al zijn het toch de gekunde vertalingen van oudere invloeden naar het hier en nu, die hier de kroon spannen. Zo zijn het door een lekker mondharmonicaatje en zalig jengelende gitaren aangejaagde “Caught In The Middle” en het al even aanstekelijke beat-opdondertje “Girl Don’t” eigenlijk gewoon puur “Fab Four”-spul en herinnert het zomers lijzige “Picture” met name door zijn fraaie meerstemmige zang aan de veelgeprezen benadering van de Beach Boys. Stuk voor stuk prachtdeunen, die nummers! Ook nog buitengewoon mooi: het wat zweverig aandoende en gitaargewijs bij momenten ergens in de buurt van George Harrison uitkomende “Easier”, “On A Summer Day”, een heerlijk relax streepje pure retro-zomerpop, het bijna in de rinkelende gitaarklanken verzuipende meezingertje “I Can’t Forget” en het afsluitende “Running Away”, een je terug met beide voeten in het heden plaatsende “valse trage”. Conclusie: “As Far As Yesterday Goes” is gewoon een tot de nok toe met briljante popliedjes gevuld album, dat eigenlijk gewoon in geen enkele zichzelf respecterende platencollectie zou mogen ontbreken. Het is het soort van schijfje, waar je het spontaan heel erg warm vanbinnen van krijgt.

The Red Button

CD Baby

 

TERRY HANCK “Look Out!” (Delta Groove Music)

(4****)

“Greasy soul rockin’ blues” noemt Terry Hanck wat hij brengt op “Look Out!” zelf en eigenlijk is dat inderdaad wel een accurate omschrijving van het door hem en zijn maats daarop gebodene. Het is door de jaren heen dan ook zo’n beetje ’s mans handelsmerk geworden. Dat en zijn fabuleuze saxspel natuurlijk. Een gegeven, dat van Hanck een graag geziene gast maakt tijdens opnames van anderen. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag even zijn oud-broodheer Elvin Bishop, voor wiens Raisin’ Hell Revue hij onlangs nog werd opgetrommeld. Zijn zesde plaat nam Hanck onder de productionele auspiciën van versbakken Nightcats-gitarist Chris “The Kid” Andersen op in de Greaseland Studios in San Jose, Californië. En naast op die Andersen zelf op de gitaar mocht hij daarbij ook rekenen op de steun van z’n uit Johnny “Cat” Soubrand (gitaar), Butch Cousins (drums) en Tim Wagner (bas) bestaande band en gasten als Bob Welsh (piano, B3), Lorenzo Farrel (bassen en B3), Hans Bosse (conga’s), Dennis Dove (achtergrondzang en drums) en Lisa Andersen (zang). Samen tekenen zij voor een onweerstaanbare hap “old school rock ‘n’ soul”, her en der op smaak gebracht met een royale snuif West Coast blues en New Orleans R&B. Geopend wordt er met een zomerse lap soul à la James Hunter. Het door Hanck zelf geschreven “Here It Comes” mag wat ons betreft zo in “high rotation”. Via Chuck Willis’ lijzige New Orleans-R&B-schuiver “Keep A Drivin’” gaat het vervolgens richting een bijzonder energiek swingende lezing van “Ain’t That Just Like A Woman”, je ondermeer bekend in uitvoeringen van Chuck Berry, Fats Domino, Louis Jordan en B.B. King, en het volop richting Memphis lonkende soulvolle bluesrockertje “Catch That Teardrop”. Klassieke trage blues is vervolgens het ook al door Hanck zelf gepende “You Coulda Let Me Go”, waarin gitarist Johnny “Cat” Soubrand even mag etaleren, wat hij zoal allemaal in zijn mars heeft. En dat blijkt niet weinig! Een pluim trouwens ook voor Hanck zelf voor zijn zang in dat nummer. Hoegenaamd niks verraadt, dat we hier te maken hebben met een stilaan richting de zeventig evoluerende vocalist. Op zijn zevenenzestigste klinkt Hanck echt nog verbazingwekkend goed! Ook in het stomende “Side Tracked” excelleert Soubrand vervolgens weer op z’n instrument, maar daarin biedt Hanck saxgewijs beslist het nodige weerwerk. In “Girl, Girl, Girl” gaat men dan nogal opzichtig met reggae stoeien en daardoor valt dat nummer hier een beetje uit de toon. Had men naar ons gevoel dan ook best achterwege kunnen laten. In tegenstelling tot de alweer volgende Hanck-original “Appreciate What You Got”, waarin hij ons op enigszins humoristische wijze voorhoudt, dat we in tijden als deze vooral moeten leren tevreden zijn met wat we hebben. Dat we daar vooral te allen tijde ten volle moeten van genieten. Wijze raad, die we hier wild met de kont schuddend gelijk ook maar hebben opgevolgd voor de New Orleans style rock & roll van “Train Kept A Rollin’”. En vervolgens ook nog voor de klassieke soulsleper “I Keep On Holding On”, tot onze verbazing ook een schrijfsel van Hanck zelve, voor het met ronduit geweldig blaaswerk opgewaardeerde “You Give Me Nothing But The Blues”, voor een wat aparte, eerder loom aandoende adaptatie van de Fats Domino-klassieker “My Girl Josephine” en voor het afsluitende “Just One More Time”, waarin West Coast jump blues, rock & roll en soul op rete-aanstekelijke wijze samengaan, als dusdanig het ideale orgelpunt vormend voor een heerlijke cd, die je keer op keer opnieuw zal willen beluisteren. Killer stuff!

Terry Hanck

Delta Groove Music

 

ROD PICOTT “Welding Burns” (Welding Rod Music)

(5*****)

Na “Sew Your Heart With Wires”, zijn gesmaakte samenwerking met Amanda Shires uit 2008, en “Tiger Tom Dixon Blues Round 2”, de vorig jaar verschenen akoestische jubileumreprise van zijn fabuleuze debuutplaat uit 2001, eindelijk weer eens “vintage” nieuw materiaal van singer-songwriter Rod Picott. In een met specialist ter zake David Henry gedeelde productie brengt de beste man daarop tien nieuwe liedjes, waarvan hij er twee schreef samen met zijn goede vriend Slaid Cleaves, met name het melancholische “Rust Belt Fields” en het qua thematiek een weinig bij Springsteens “The River” aanleunende titelnummer “Welding Burns”. Daarin wordt meteen duidelijk, dat Picott, zelf de zoon van een lasser, “this time around” vooral veel oog heeft gehad voor zijn eigen verleden. In de liedjes op “Welding Burns” pronkt hij als het ware met de littekens overgehouden aan wat de Amerikanen graag als “a blue collar life” mogen omschrijven, een bestaan als arbeider dus. En dat leidt andermaal tot verbluffend knappe resultaten. Begeleid door ondermeer Paul Griffith en Tommy Perkinson (drums en percussie), Will Kimbrough (elektrische en slidegitaren), David Henry (B-3 en mandoline), Amanda Shires (“fiddling & singing”), Alex McCollough (pedal steel) en Paul Slivka en Lorne Rall (bas) glijdt Picott tokkelend op de akoestische of van achter z’n piano met zachthese stem doorheen een voldragen set aan hoogst melodieuze verhalen, waarin hij als geen ander het leven zoals het is, of beter was, weet te reproduceren. Zijn oog voor het detail en vooral ook zijn gave voor het verwoorden daarvan maken van zijn teksten echte hoogstandjes. Als luisteraar hoef je hoegenaamd geen moeite te doen om tot Picotts leefwereld door te dringen. En zulks schept natuurlijk een band. Volop genieten geblazen is het daardoor hier van veritabele pareltjes van songs als “Your Father’s Tattoo”, “Black T-Shirt”, “Sheetrock Hanger”, “Jealous Heart”, het hoger al genoemde tweetal en andere. In die mate zelfs, dat we “Welding Burns” nu al graag in één adem willen noemen met ’s mans veel geprezen debuut en “Stray Dogs”, de ook al sublieme opvolger daarvan uit 2002. Een plaat dus, waarmee Picott zijn reputatie één van de beste Americana singer-songwriters van de laatste jaren te zijn weer helemaal waar weet te maken. Van ganser harte aanbevolen!

Rod Picott

CD Baby

 

KEVIN JONES “Raising The Ebenezer” (Taxim /Bertus)

(3,5****)

Aan de beste platen gaat, volgens een al wat oudere – En wijzere! – collega van me, steevast een zekere “incubatieperiode” vooraf. Hij vindt het immers niet meer dan normaal, dat artiesten er hun tijd voor nemen om ruwe ideeën tot voldragen songs te laten uitgroeien. En misschien heeft de beste man daar tot op zekere hoogte ook wel gelijk in. Heel wat singer-songwriters zullen je tussen pot en pint door immers vertellen, dat ze hun al wat oudere materiaal nu op een geheel andere manier zouden invullen. Niet echter Kevin Jones! Toen diens “Nobody’s Father” zo’n tien jaar geleden verscheen, bleek het merendeel van de songs daarop immers al meer dan tien jaar oud. En ook over zijn nieuwe worp, “Raising The Ebenezer”, deed de aan dezelfde scène als ondermeer Mary-Chapin Carpenter, John Jennings – Ook de producer van Jones’ nieuwe plaat! – en wijlen Ace Smith ontsproten Amerikaan een heel decennium. Het minste wat je dan ook kan stellen, is dat zijn songs ruim de tijd hebben gekregen om te rijpen. En dat is eraan te horen ook! In zijn liedjes mag Jones graag “het ongewone in het gewone” aankaarten en uitvergroten. Ergens tussen country, folk en pop zoekt en vindt hij al doende in de grote voetsporen van voorbeelden als een John Prine en een Steve Goodman voor elk van zijn rootsy liedjes wel ergens een eigen niche. Met een wat onopvallende, maar daarom zeker niet minder aangename stem brengt hij zijn doorgaans erg knappe verhalen, zich daarbij hier en daar geruggensteund wetend door zijn oude maatje Carpenter. Zij leent haar stem aan enkele van de mooiste liedjes hier, te weten het ingetogen tweetal “Death To Life” en “Girl From Lancaster”. Ook leuk: het zwierig rockende “Dirty Rotten Dad Blame Blues”, dat Jones leende van de hoger al genoemde Ace Smith. Meteen ook de enige cover hier, want alle twaalf de resterende songs dragen de signatuur van Jones zelve.

Taxim Records

Bertus

 

KIRSTEN THIEN “Delicious” (Screen Door Records)

(3,5****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik voor “Delicious” nog nooit van Kirsten Thien gehoord had. En ik kwam dan ook flink uit de lucht vallen, toen ik vernam, dat het daarbij reeds haar derde schijf betrof. De vanuit New York actieve roodharige debuteerde immers al in 2001 met “She Really Is”, vijf jaar later, in 2006, gevolgd door “moeilijke tweede” “You’ve Got Me”. En nu is er dus haar derde. En die is, zoals de titel dat eigenlijk al een beetje voorspelt, “delicious”. Elf nummers lang komt Thien daarop bijzonder verleidelijk uit de hoek. Zwierig heen en weer laverend tussen met name blues en R&B etaleert ze in acht eigen liedjes en enkele covers een bijzondere voorliefde voor wat ooit op labels als Stax en Chess “bon ton” was. Dingen als het door blazers Kent Smith en Andy Snitzer op respectievelijk trompet en sax onderbouwde “Taxi Love” en de knappe “valse trage” “Nobody”s Ever Loved Me Like You Do” roepen zo ongegeneerd de hoogdagen van de Memphis-scène in herinnering, het met Hubert Sumlin in een glansrol op gitaar geserveerde “Please Drive” is een dijk van een Chicago blues-sleper, het door een fameuze bas en dito koperwerk gestuwde “Love That’s Made To Share” R&B van het werkelijk allerbeste soort, “Get Outta The Funk, Get Into The Groove” een z’n vlag getrouw inderdaad onweerstaanbaar funky aandoende portie dansvloermateriaal en het titelnummer een schoolvoorbeeld van een geslaagd samengaan tussen rock, blues en soul. Stuk voor stuk beresterke songs, waarin Thien stemgewijs zo ongeveer het midden weet te houden tussen Bonnie Raitt en Janis Joplin. En dat zijn bepaald niet de minste referenties, als je het ons vraagt. Dringend maar eens even checken dus, deze door Erik Boyd geproduceerde nieuwe van supertalent Kirsten Thien! Je zal het je gegarandeerd niet beklagen, durven wij van hier uit nu al te voorspellen.

Kirsten Thien

CD Baby

 

DAVID SERBY “Poor Man’s Poem” (David Serby)

(4****)

Opvallend ingetogen gehouden nieuwe van de man, die we dankzij z’n drie vorige worpen “I Just Don’t Go Home” (2006), “Another Sleepless Night” (2007) en “Honkytonk And Vine” (2009) heel erg waren gaan appreciëren als conservator van traditioneel geschoolde honky-tonk West Coast style. Daartoe geïnspireerd door het huidige barre economische klimaat in zijn land liet David Serby voor zijn vierde album de blik afglijden richting traditionele folk, C&W en de Appalachen-variant daarop, duidelijk met een politiek randje. Met name de obsessieve hang naar geld van veel van zijn landgenoten en de in schril contrast daarmee staande constante strijd om te overleven van heel wat anderen dreven vakbondsman Serby ertoe om met een plaat genre Springsteens “Nebraska” en Alvins “Black Jack David” uit te pakken. Met liedjes veelal geschreven in de eerste persoon en geplaatst in een eerder sober gehouden muzikale omgeving weet hij daarop zo goed als continu te boeien. Voor de productie van “Poor Man’s Poem” tekende andermaal Ed Tree.

David Serby

CD Baby

 

BASKERY “New Friends” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hun vorige, het in eigen land al in 2008 verschenen, maar hier pas een goed jaar later door het Duitse Glitterhouse Records onder de aandacht gebrachte “Fall Among Thieves”, was al een uitstekende plaat en dat geldt ook weer voor de tweede van de Zweedse zussen Greta, Stella en Sunniva Bondesson. Die vonden ondertussen een nieuw muzikaal onderkomen bij het ook al Duitse Blue Rose Records en pakken van daaruit uit met elf nieuwe redenen om hen onverwijld stevig aan de borst te drukken. Openen doen de Scandinavische schonen ditmaal met een streep hypernerveuze punkgrass. Anders kan je het behoorlijk donkere “Shame & Dance” wat ons betreft immers nauwelijks omschrijven. Vervolgens zijn er de door knap harmonieerwerk en een rockabillybas gedragen rootspopdeun “Nobody Nice”, de door Greta op adembenemend fraaie wijze gezongen deep soul ballad “The Queen & Drone”, de beklemmende gothic folk van “Rivers Of Home”, de stuiterende (roots)pop van “Mortal”, het voorwaar zelfs even met glam rock flirtende “Throw A Bone”, het behoorlijk lieflijk aandoende en bepaald radiogenieke “Rotten / Boys”, het zijn titel op eerder lome wijze de nodige eer aandoende “Beat Up The Blues”, het verleidelijke en voorzichtig een weinig aan de Bangles in hun hoogdagen herinnerende popriedeltje “As Simple As This” en het met de akoestische gitaar en het eigen engelengezang centraal gebrachte “Tendencies”, folky Americana op z’n best. Afronden doen de dames met de meer al fluisterend dan al zingend tegen een eenvoudige folkdeun herhaalde woorden “Round we’re going, down we’re heading, going round, heading down.” Ons buikgevoel zegt ons echter, dat ze zelf toch vooral “up” mogen kijken. Met een geweldige plaat als deze onder de arm is niets anders dan “the sky” immers “the limit”. (Ook verkrijgbaar als lp!)

Baskery

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

EILEN JEWELL “Queen Of The Minor Key” (Signature Sounds / Continental)

(4,5*****)

“Queen Of The Minor Key”, zou dat nu het nieuwe koosnaampje zijn, dat Eilen Jewell voor zichzelf in gedachten had? Je kan het je als luisteraar alleen maar afvragen. Al mag daar dan wel gelijk de bedenking bij, dat ze een dergelijke titel op basis van haar nieuwe album best wel verdienen zou. Dat wederom in het goede gezelschap van drummer Jason Beek, bassist Johnny Sciascia en snarenvirtuoos Jerry Miller ingeblikte geheel is wat ons betreft alleszins met ruime afstand haar beste tot op heden. Anders, dat zeker, maar vooral ook beter. Geopend wordt er met een op krolse wijze genres als jazz en blues opvrijende instrumentale, waarin met name het saxwerk van gast David Sholl voor een beduidende meerwaarde zorgt. Vervolgens gaat het via soulvol gecroon (“I Remember You”) richting buitengewoon opwindende rockabilly met een duister kantje (het titelnummer), voorzichtig met de heupen wiegende country swing (“That’s Where I’m Gone”), heerlijk verhalend Americana-spul (“Santa Fe”), rootsy rock met nadrukkelijke R&B-neigingen (“Warning Signs”), oertraditionele honky-tonk (“Reckless”) tot folky stuff genre een Caroline Herring of een Oh Susanna (“Over Again”). “Bang Bang Bang” laat zich daarop aansluitend dan weer onder de ruime noemer R&B vangen, “Hooked” heeft met name sfeergewijs iets bepaald Waitsiaans over zich, “Only One” is een geweldige jazzy torch song, “Long Road” een met Big Sandy gedeelde vintage “tranentrekker”, “Home To Me” gewoon country rock tout court en het afsluitende “Kalimotxo” andermaal een door hortend en stotend saxwerk van de eerder al genoemde Sholl en de twangende gitaar van sidekick Jerry Miller gedragen instrumentale. Veertien Jewell-originelen, zo blijkt! Niet enkel een formidabele chanteuse dus, onze Eilen, maar ook een buitengewoon getalenteerde liedjesschrijfster, die daarnaast samen met de jongens van haar band quasi “en passant” ook maar zelf voor de productie tekende en gasten als Big Sandy en Zoe Muth optrommelde om het klankplaatje volledig te laten kloppen. Het resultaat? Een echte dijk van een plaat!

Eilen Jewell

Signature Sounds

Continental Record Services

 

THE WRONGLERS WITH JIMMIE DALE GILMORE “Heirloom Music” (Neanderthal / Munich / V2)

(4****)

Naast één van de rijkste mannen van de Verenigde Staten blijkt de ons tot voor kort volslagen onbekende Warren Hellman ook een erg getalenteerde amateur-muzikant. Op zijn banjo doet hij bij momenten erg fraaie dingen binnen de vanuit de Bay Area actieve string band The Wronglers. En hij was het ook, die Flatlanders-legende Jimmie Dale Gilmore wist te overtuigen om samen met dat collectiefje in zee te gaan voor het album “Heirloom Music”. Daarbij blijkt het, de titel volledig getrouw, te gaan om een collectie covers van voornamelijk uit de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw stammende vintage country- en bluegrasspareltjes. Muziekjes, overgeleverd van generatie op generatie, “heirlooms” dus. Materiaal van onder anderen Bob Wills, de Carter Family, Charlie Poole, Lead Belly, Bill Monroe en de Delmore Brothers. Dingen als “Deep Ellum Blues”, “I’m Thinking Tonight Of My Blue Eyes”, “Foggy Mountain Top”, “Uncle Pen”, “In The Pines”, “Big Rock Candy Mountain”, “Brown’s Ferry Blues” en andere. En die worden hier allesbehalve amateuristisch gebracht! Gilmore zet als naar goede gewoonte sfeervol neuzelend zo ongeveer alles wat hij hier aanraakt quasi volledig naar zijn hand. Daarvoor geniet hij met name veel steun van zangeres Heidi Clare. Die manifesteert zich geregeld zo’n beetje als “zijn eigen Emmylou”. En ook haar vrouwelijke collega Krista Martin verdient zeker een speciale vermelding. Wat die allemaal uit haar fiddle weet te toveren, amai… Maar goed, je hebt het wellicht allang begrepen, eigenlijk valt hier gewoon alles buitengewoon fraai op z’n plaats. Een echte aanrader derhalve wat ons betreft ook, deze plaat, zowel voor liefhebbers van old-time country en bluegrass, als voor die van het werk van Jimmie Dale Gilmore.

The Wronglers

 

LARKIN POE “Band For All Seasons” (Edvins / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Wie “De Vier Seizoenen” nog steeds uitsluitend met klassiek en meer bepaald met Vivaldi zou associëren, mag zo stilaan zijn mening flink beginnen bijstellen. Met “Band For All Seasons” van Larkin Poe heeft immers ook het Americana-genre sinds kort zijn eigen het hele jaar omvattende “magnum opus”. Liefst eenendertig songs telt dat geheel, keurig verspreid over vier mini-cd’s, elk gewijd aan één van de vier jaargetijden. Eerder verschenen daarvan reeds de deeltjes “Spring” en “Summer” en nu zijn er dus ook de schijfjes gewijd aan herfst en winter. En ook die bevatten elk weer een handvol uitsluitend eigen liedjes, waarin pop, rock, country en bluegrass op bijzonder intelligente wijze worden samengebracht. Rebecca (zang, piano, diverse mandolines, akoestische gitaar en ukelele) en Megan (zang, dobro en lap steel) Lovell lijken meer dan ooit klaar om de Dixie Chicks en hun Natalie Maines-loze alter ego Court Yard Hounds te verdringen als publiekslievelingen par excellence. Meer nog, ze zijn eigenlijk nu al zoveel beter dan de Chicks ooit waren! Hun songs getuigen alvast van veel meer talent en ook wat betreft hun samenzang en instrumentbeheersing moeten ze absoluut niet onderdoen voor hun Amerikaanse “spitszusters”. En “en plus” is er ook dat zekere “je ne sais quoi”, dat hen ook in alternatieve kringen de nodige fans zou moeten kunnen opleveren. Zeker, “rootsy” is het allemaal wel, maar er is nog zoveel meer dan dat. Neem nu iets als “Memories” van “Fall” bijvoorbeeld. Dat valt nog nadrukkelijk onder noemers als country en Americana, maar het heeft tegelijk toch ook iets met rock. Of “Horseshoes & Hand Grenades” ook. Ook daarin blijft met name door Megans dobro het roots-element tastbaar aanwezig, maar van structuur is het eigenlijk gewoon een eersteklas popliedje. En zo zouden we hier nog tal van andere voorbeelden kunnen opsommen. ’t Is eigenlijk gewoon zoals onze collega’s van Americana-UK het al lieten optekenen. Deze meiden hebben inderdaad zowel de vereiste kwaliteiten van zangeres als die van songsmid om binnen om het even welk genre waar ze hun zinnen op zetten te kunnen slagen. En de toekomst lijkt hen dan ook uitermate breed toe te lachen. Al zeker de nabije toekomst. De Lovells werden immers door niemand minder dan de grote Elvis Costello gevraagd om tijdens het najaar zijn voorprogramma te verzorgen gedurende zijn dan af te werken Europese tournee. En “onze Jef eraf” als dat niet prompt zou leiden tot een doorbraak op wat grotere schaal voor deze twee hoogbegaafde nachtegaaltjes…

Larkin Poe

Sonic Rendezvous

 

SHINER TWINS “Four Souls – One Heart” (Stagger Lee / Suburban)

(5*****)

2011 zal voor Nederlands Americana-trots Shiner Twins wellicht altijd het jaar blijven, waarin men op dramatische wijze afscheid moest nemen van collega-vriend Dick Wagensveld. De bassist van de groep werd op 25 april tijdens een optreden van de groep in Asten immers geveld door een hartstilstand. Amper 53 was hij.

En dat terwijl 2011 eigenlijk gewoon het jaar van het nog met Wagensveld opgenomen “Four Souls – One Heart” had moeten worden. Wat een geweldige plaat alweer, die deels in Nederland en deels in Willie Nelsons studio in Texas ingeblikte derde! Na “All In Store” uit 2006 en het ook al verbluffend knappe “Southern Belles” van zo’n jaar of drie geleden gewoon de perfecte vervollediger voor een ronduit weergaloze muzikale hattrick. En daarbij blijkt het andermaal voornamelijk om eigen materiaal te gaan! De heren Hustinx en van Bergen tonen zich ook op deze nieuwe weer als uitstekende songwriters. Vaklui met een uitzonderlijk brede smaak bovendien. En ook dat is natuurlijk alleen maar een pluspunt. Enkel voor de traditional “Great Day” ging men even muzikaal vreemd. En onder het ingetogen gospeleske Americana-walsje “The Last Time” en het afsluitende “Find Your Way Home” mochten respectievelijk Eddie Todd en Malford Milligan hun namen samen met die van Jack Hustinx laten noteren. Milligan blijkt hier overigens net niet alomtegenwoordig. In het buitengewoon soulvolle “Never Take No For An Answer” voorziet hij zo Jack Hustinx van de nodige vocale support en in de bluesy sleper “Hold On” neemt hij zelfs even de rol van leadzanger over. Een andere opgemerkte gast is JW Roy. Die deelt immers met Hustinx de mede dankzij een erg mooie accordeonbijdrage van Roel Spanjers een authentiek Tex-Mex-gevoel uitstralende trage “Driftin’”, voor ons één van dé absolute uitschieters op een album hoegenaamd vol daarmee. Overigens verdelen Hustinx en van Bergen niet enkel het schrijfwerk onder elkaar, ook wat betreft de lead vocals houden ze elkaar keurig in evenwicht. Van Bergen schittert zo van zijn kant bijvoorbeeld in het flink onder de huid gaande liefdesliedje “Nobody But You”, in het een beetje aan CCR herinnerende countryrockertje “Met An Angel” en in de ingetogen beauty “My Father’s Eyes”, Hustinx’ warme stem kleurt naast enkele van de hoger al genoemde liedjes ondermeer ook nog de door gevoelig toetsenwerk van Spanjers op sleeptouw genomen Americana-sleper “Someone Like You” en het lekkere streepje singer-songwriter country “Ain’t Got Wings To Fly”.

Hooggespannen waren onze verwachtingen met betrekking tot deze derde van de Shiner Twins, maar ook ditmaal weer worden ze flink overtroffen! Nederland is zo stilaan flink wat te klein aan het worden voor deze supergroep…

Shiner Twins

Suburban

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home